-A +A

Wilsgebreken bij de voorafgaande regelingsakte bij EOT

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 04/05/2010

Wilsgebreken bij de voorafgaande regelingsakte bij EOT. Benadeling op zichzelf is geen wettig te weerhouden wilsgebrek bij eot. Opdat er van "gekwalificeerde benadeling" sprake zou kunnen zijn moet aangetoond worden dat de ene partij misbruik maakte van de zwakheden van de andere. De enkele omstandigheid dat de wederzijdse verbintenissen in een overeenkomst niet evenredig zijn volstaat niet  .

De ex-echtgenote levert in casu, m.b.t. de regelingsakte, niet het  bewijs dat er sprake zou kunnen zijn van een misbruik door haar vroegere echtgenoot van één van volgende omstandigheden: noodtoestand, bijzondere verhouding van afhankelijkheid tussen de partijen, verminderd denkvermogen te wijten aan ziekte, angst, depressie, droefheid, ..., onervarenheid en onwetendheid, onoplettendheid, vergetelheid, nalatigheid, lichtzinnigheid, hartstocht, zwakheid, monopoliesituatie, economisch zwakke positie, benarde financiële toestand, sociaal zwakke positie en juridisch zwakke positie  .

Het loutere feit dat één van de echtgenoten hogere inkomsten heeft dan de andere impliceert niet dat deze laatste zich in een inferieure positie zou bevinden.

Er is dienvolgens in casu geen bewijs geleverd van gekwalificeerde benadeling.

 

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL
1e kamer,
A.R. Nr.: 2006/AR/1378
zetelend in burgerlijke zaken,
Rep. nr.: 2010/ na beraad, wijst volgend arrest:

 

INZAKE VAN:

 

V F., wonende te

 

 

 

 

TEGEN:

 

V. P., wonende te

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1. de feiten:

F. V en P. V. zijn gehuwd op 30 september 1989 voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te B..

Voorafgaandelijk aan het huwelijk hadden zij op 14 september 1989 een huwelijkscontract opgemaakt verleden voor notaris C. te M. waarbij zij opteerden voor het wettelijk stelsel.
F. V verklaarde evenwel in artikel 2bis van dit huwelijkscontract dat zij een perceel weiland gelegen te B., deelgemeente H., ter plaatse "De Bosschem of de Barel" kadastraal gekend wijk B nummer 510 grootte 42 are 80 centiaren, dat haar in volle eigendom toebehoorde, gelijkstelde met roerend goed en dat zij de volle eigendom ervan, in de gemeenschap inbracht.
Bij schenkingsakte van 25 augustus 1989 opgemaakt door notaris C. had F. V vanwege haar ouders schenking bekomen van bovengenoemd perceel weiland.

Artikel 7 van datzelfde huwelijkscontract bevat een vereffeningbeding stellende dat bij de ontbinding van de gemeenschap iedere echtgenoot jegens het gemeenschappelijk vermogen terugneming zal doen van de goederen die hetzelfde vermogen hebben verrijkt.

Op voornoemd perceel werd gedurende het huwelijk de gezinswoning gebouwd gelegen A.-laan nr 8 te B..

Uit het huwelijk werd op 11 februari 1991 een kind geboren te weten N.-P. V..

In 1996 hebben partijen een woonhuis aangekocht gelegen te M., Lange Schipstraat 90, alwaar P. V. zijn tandartsenpraktijk uitoefent.

Op 19 december 2002 werd een overeenkomst van echtscheiding bij onderlinge toestemming opgemaakt waarin voorzien wordt dat de twee onroerende goederen worden toebedeeld aan P. V.. Met het oog op de heffing van de registratierechten worden de onroerende goederen geschat op euro 300.000 voor wat het woonhuis te B.-H. betreft en op euro 148.000 voor wat het woonhuis te M. betreft.

Bij vonnis van 1 juli 2003 van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven werd de echtscheiding bij onderlinge toestemming uitgesproken.
De echtscheiding werd overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 5 augustus 2003.

Nadien werd F. V verzocht de voormalige echtelijke woning gelegen aan de A.-laan nr 8 te B. te verlaten.

Zij houdt voor dat de echtscheidingsprocedure haar werd voorgesteld met de bedoeling te genieten van fiscale voordelen doch niet met de bedoeling om de facto uit de echt te scheiden.
Zij houdt voor dat de overeenkomst van echtscheiding bij onderlinge toestemming van 19 december 2002 waarbij de onroerende goederen, zonder opleg of tegenprestatie aan P. V. toebedeeld werden, aangetast is door bedrog minstens door gekwalificeerde benadeling.
2. de rechtspleging:

Bij dagvaarding van 28 april 2004 vordert F. V de nietigverklaring van het beding van toebedeling van de onroerende goederen in de akte van echtscheiding bij onderlinge toestemming van 19 december 2002.

Het bestreden vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 8 maart 2006 heeft de vorderingen ontvankelijk verklaard .

Het heeft alvorens ten gronde te oordelen F. V toegelaten om door alle middelen van recht, getuigenissen en vermoedens inbegrepen te bewijzen dat P. V. haar heeft omgepraat een echtscheiding door onderlinge toestemming aan te gaan om zuiver fiscale redenen, waarbij partijen gewoon verder de facto zouden samenwonen en het gezamenlijk genot zouden hebben van de goederen van partijen.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 15 mei 2006 heeft F. V hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

Het vonnis werd betekend op 9 juni 2008. Het hoger beroep is regelmatig naar vorm en termijn en dus ontvankelijk.

Bij conclusie neergelegd op 12 maart 2008 vordert F. V :

"Het hoger beroep van (F. V) ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Dienvolgens het vonnis a quo te vernietigen en doende wat de Eerste Rechter had moeten doen nl. de oorspronkelijke vordering van (F. V) in hoofdorde ontvankelijk en gegrond te verklaren en de oorspronkelijke tegeneis van de Heer V. af te wijzen als zijnde ongegrond.
Dienvolgens te zeggen voor recht dat navolgend beding in de E.O.T.-akte dd. 19/12/2002 opgemaakt door notaris Snyers nietig dient verklaard te worden:

" D.Onroerende goederen
Partijen verklaren eigenaar te zijn van volgende onroerende goederen , die worden toebedeeld aan de Heer V. :

1) Gemeente B. - H. , afd. 2
1) Een woonhuis gelegen A.-laan 8 , gekend volgens titel onder sectie B nummer 510 met een oppervlakte van vierduizend tweehonderd tachtig ( 4280 ) vierkante meter , thans ten kadaster gekend onder sectie B nummer 510 met een oppervlakte van vierduizend tweehonderd tachtig ( 4.280) m2.
2) De uitweg naar de A.-laan, ten kadaster gekend volgens titel onder sectie B deel van nummer 590/F met een oppervlakte van drieënvijftig vierkante meter (53 m2), thans ten kadaster gekend als bos onder sectie B nummer 509 % H met een oppervlakte van drieënvijftig vierkante meter (53 m2 ).

EIGENDOMSOORSPRONG

Voormeld goed sub 1 hoort de echtgenoten V. - V toe ingevolge inbreng van de grond door Mevrouw V in de huwelijksgemeenschap bij huwelijkscontract verleden voor notaris Jozef C. te M. op veertien september negentienhonderd negenentachtig overgeschreven op het tweede hypotheekkantoor te Leuven op zevenentwintig september daarna. boek 4277 , nummer 22. De gebouwen werden opgericht door de echtgenoten V. -V.
Voormelde grond hoorde oorspronkelijk toe aan Mevrouw F. V krachtens schenkingsakte verleden voor notaris Jozef C. te M. op vijfentwintig augustus negentienhonderd negenentachtig , overgeschreven op het tweede hypotheekkantoor te Leuven op zeven september daarna , boek 4290 , nummer 7.
Voormeld goed sub 2 hoort de echtgenoten V. -V toe krachtens akte van aankoop verleden voor notaris Jozef C. te M. op achtentwintig februari negentienhonderd negentig overgeschreven op het tweede hypotheekkantoor te Leuven op dertien maart erop volgend , boek 4388 nummer 24.

2) Gemeente M. - M. , afd.
Een woonhuis op en met grond en verdere aanhorigheden, gelegen Lange Schipstraat 90 , gekend volgens titel en recent kadastraal onder sectie nummers 521/N en 521/S met een totale oppervlakte van vijfhonderdeenenveertig ( 541) vierkante meter.

EIGENDOMSOORSPRONG

Voormeld eigendom hoort de echtgenoten V. - V toe ingevolge akte van aankoop, verleden voor notaris Jozef C. te M. op vijf maart negentienhonderd zesennegentig, overgeschreven op het hypotheekkantoor te M. op zesentwintig maart erop volgend , boek 12778 nummer 13."

Dienvolgens te zeggen voor recht dat de eindakte volgend op de E.O.T.-akte na echtscheiding opgemaakt door notaris Snyers eveneens integraal nietig is.

Vervolgens geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

Slechts ondergeschikt, voor zover het Hof van oordeel zou zijn dat het getuigenverhoor dient bevestigd te worden conform het vonnis a quo, (...) verzoekt (F. V) de zaak terug te verwijzen naar de Eerste Rechter voor verdere afhandeling.

Het incidenteel beroep van de heer V. af te wijzen als zijnde onontvankelijk, ontoelaatbaar minstens ongegrond ".

P. V. van zijn kant vordert:

"Rechtdoende op het hoofdberoep ingesteld door appelante, dit ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.

Het bestreden vonnis te bevestigen in zoverre het stelt dat geenszins bewezen is dat geïntimeerde zich bij de totstandkoming van de overeenkomst van 19 december 2002 voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming tussen partijen aan bedrog en/of gekwalificeerde benadeling zou hebben schuldig gemaakt.

De vordering van appelante ontvankelijk te verklaren, doch af te wijzen als ongegrond .

Appelante te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.

Rechtdoende op het incidenteel beroep bij huidige beroepsbesluiten ingesteld, dit ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Het bestreden vonnis te hervormen in zoverre het geen uitspraak heeft gedaan over de grond van de door geïntimeerde ingestelde tegeneis.

Deze tegeneis ontvankelijk en gegrond te verklaren, en appelante dienovereenkomstig te veroordelen tot betaling aan geïntimeerde van een bedrag van 2.500 Euro uit hoofde van tergend en roekeloos geding, bedrag te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 3 december 2004".

 

3. bespreking:

3.1. de hoofdvordering:

· wilsgebreken:

Het staat vast dat een beding uit een overeenkomst van echtscheiding bij onderlinge toestemming omwille van wilsgebreken kan nietig verklaard worden zonder dat deze nietigverklaring de echtscheiding op zich aantast.

De overeenkomst houdende de voorafgaande regeling van de wederzijdse rechten van de echtgenoten die besloten hebben tot echtscheiding door onderlinge toestemming waaromtrent zij kunnen overeenkomen, is onderworpen aan de regels van het verbintenissenrecht (art. 1287, lid 1, 1288, aanhef en 4° en 1298 Ger. W.)

Dat de echtscheiding door onderlinge toestemming voltrokken is, staat er niet aan in de weg dat een beding omtrent een uitkering tot levensonderhoud vernietigd wordt op grond van bedrog (art. 1288, aanhef en 4° Ger. W.)

Wanneer de echtscheiding door onderlinge toestemming voltrokken is volgt uit de aard van dat instituut dat de nietigheid van een beding omtrent een uitkering tot levensonderhoud de echtscheiding zelf niet kan aantasten (art. 1288, aanhef en 4° Ger.W.) .

Bedrog wordt niet vermoed en moet bewezen worden. Dat bewijs kan geleverd worden door alle middelen van recht (art. 1116, lid 2 B.W.) .

Bedrog veronderstelt dat een contractant met opzet kunstgrepen gebruikt om de wederpartij te doen contracteren (art. 1116 B.W.) .

Volgens F. V heeft P. V. bedrog gepleegd door haar te hebben voorgesteld om een echtscheiding met onderlinge toestemming aan te gaan enkel om fiscale redenen waar dit in de praktijk geen enkele verandering zou meebrengen in het huwelijksleven dat de facto zou worden verdergezet, waarmee zij akkoord ging, terwijl P. V. uiteindelijk de echtscheiding door onderlinge toestemming volledig doordreef.

F. V beweert, maar bewijst niet, dat haar toestemming tot de echtscheiding enerzijds en tot het beding in de overeenkomst anderzijds, zou ingegeven zijn door de naar haar beweren leugenachtige verklaring van P. V..

F. V was bekwaam om rechtshandelingen te stellen, een echtscheiding bij onderlinge toestemming strekt zich uit over een periode van verschillende maanden. Gedurende al die tijd (de overeenkomst dateert van december 2002, de echtscheiding werd definitief op 5 augustus 2003 en het is pas op 11 februari 2004 dat de raadsman van F. V de wederpartij aanschrijft en voorhoudt dat er bedrog werd gepleegd) is er geen enkel element dat wijst op enige twijfel in haren hoofde. Integendeel gedurende al die tijd zet zij de procedure gewoon verder daar waar zij perfect de gelegenheid had advies in te winnen.

P. V. houdt voor - en hij verwijst hiervoor naar verklaringen van getuigen - dat de verstandhouding tussen de echtgenoten verstoord was, F. V betwist zulks en haalt hiertoe aan dat zij in alle rust zonder bijstand van een advocaat of raadsman met P. V. voor de notaris is verschenen.

De omstandigheid dat partijen bij onderlinge toestemming scheiden impliceert een zekere verstandhouding (om overeen te komen over de punten voorzien in artikel 1288 Ger. W.) doch betekent niet dat er geen verstoring van de intentie om als gehuwden samen te leven voorhanden zou zijn.

De verstandhouding om samen (rustig) voor de notaris te verschijnen is een kenmerk van deze vorm van echtscheiding maar dit kenmerk bewijst niet dat de intentie tot samenleven als gehuwden niet verstoord is.

In tegenstelling tot wat F. V voorhoudt is het samen verschijnen voor de notaris absoluut geen bewijs van het feit dat er zou overeengekomen zijn dat partijen om frauduleuze redenen - te weten om fiscale voordelen te genieten - zouden uit de echt scheiden.

Niet alleen geeft F. V niet aan welke dan wel deze fiscale voordelen zouden geweest zijn, maar zelfs indien deze er al zouden zijn dan nog is haar stelling enkel een bevestiging van haar deelname aan een fraude, niets meer.

Terecht verwijst P. V. immers naar een verhoor van 19 november 2003 van F. V alwaar zij verklaart "er zijn reeds een jaar en een half problemen tussen mij en mijn echtgenoot P.. Telkens hij gedronken heeft bedreigt hij me met me neer te schieten. Vandaag ben ik aan het verhuizen van mijn woning in de A.-laan 8 naar de woning bij mijn ouders in de N-laan 3 en heb ik één van zijn wapens gevonden..."

F. V bevestigt aldus zelf dat er sedert midden 2002 "problemen" zijn waaronder bedreigingen.

Pas op 19 december 2002 wordt de kwestieuze overeenkomst opgesteld.

In die optiek is de bewering van F. V dat er "enkel" om fiscale doeleinden tot echtscheiding werd besloten, niet geloofwaardig.

De omstandigheid dat F. V in een eerste fase bij haar voormalige schoonouders gedomicilieerd werd, toont al evenmin aan dat er kunstgrepen zouden gebruikt zijn.

F. V was niet gesekwestreerd, zij was vrij, indien zij gedurende een bepaalde tijd de banden met haar familie heeft verbroken (door haar werk op te zeggen en door haar intrek bij anderen te nemen en geen - of toch slechts minimale - contacten met de ouders en broer te onderhouden) dan is er geen enkel bewijs dat zulks niet uit haar vrije wil geschiedde.

F. V maakt niet plausibel dat zij als vrije en zelfstandige vrouw niet de gelegenheid zou gehad hebben om in de hiervoor vermelde periode advies in te winnen en/of na te denken omtrent de gevolgen van een echtscheiding bij onderlinge toestemming.
De isolatie waarvan F. V gewag maakt is het gevolg van haar eigen houding, deze voorgehouden isolatie is geen listige kunstgreep vanwege P. V..

Het feit dat F. V nadien opnieuw contacten legde met haar ouders staat er niet aan in de weg dat zij, ten tijde van het instellen van de rechtspleging van de echtscheiding bij onderlinge toestemming, vrijwillig heeft geopteerd voor een andere wijze van handelen.

Het feit dat er voor de overname van de onroerende goederen door P. V. geen schatting van de goederen heeft plaatsgegrepen toont al evenmin aan dat er bedrog zou gepleegd zijn.
Een schatting is niet nodig zeker niet, wanneer beide partijen, zoals te dezen, perfect de goederen kennen en zich een getrouw beeld hebben kunnen vormen over hun waarde.
Daarenboven kadert de overname van de onroerende goederen in een globaal akkoord waartoe tevens de overname van alle schulden en lasten behoort en de betaling van een onderhoudsbijdrage voor F. V zelf en voor de zoon.

Het feit dat niet de familienotaris van F. V doch wel een notaris aangeprezen door een boekhouder van P. V. werd aangezocht om de overeenkomsten van echtscheiding bij onderlinge toestemming op te maken toont al evenmin aan dat er bedrog zou gepleegd zijn.
F. V laat zelf gelden dat zijzelf en haar familie in het Mechelse goed bekend zijn zodat er alle reden was om de overeenkomsten van de echtscheiding niet binnen de kring van bekende notarissen te laten opstellen, maar eerder bij een notaris die noch met de ene, noch met de andere echtgenoot enige voorafgaande verbondenheid had.

De verschillende verklaringen van getuigen die zich in de respectievelijke dossiers van de partijen bevinden leveren al evenmin enig afdoend bewijs op van enig bedrog.

Vermits de verklaringen van getuigen elkaar tegenspreken is er geen aanleiding om het gerechtelijk getuigenbewijs dat door de eerste rechter was bevolen te bevestigen.

De mogelijkheid om door getuigen te bewijzen dat P. V. F. V zou hebben omgepraat om een echtscheiding door onderlinge toestemming aan te gaan om zuiver fiscale redenen, waarbij partijen gewoon verder de facto zouden samenwonen en het gezamenlijk genot zouden hebben van de goederen van partijen, moet dienvolgens niet weerhouden worden.

Al de mogelijke getuigen hebben reeds schriftelijke verklaringen afgelegd, hoe dan ook, zelfs indien getuigen zouden bewijzen dat P. V. op F. V zou hebben ingepraat om een echtscheiding aan te gaan om fiscale doeleinden dan nog zou dit bewijs niet relevant zijn om aan te tonen dat dit inpraten in de concrete omstandigheden van de zaak van aard is geweest om de wilsvrijheid van F. V aan te tasten.

Wanneer bedrog een invloed heeft gehad op de wilsovereenstemming kan de partij die bedrog heeft gepleegd de onvoorzichtigheid of nalatigheid van de tegenpartij niet tegenwerpen; zodanige onvoorzichtigheid of nalatigheid kan het bedrog niet verschoonbaar maken en kan degene die schade heeft veroorzaakt evenmin ontslaan van de volledige vergoeding ervan .

Dit principe staat er niet aan in de weg dat te dezen de omstandigheden:

· dat een zeer lange tijd is verlopen alvorens F. V voor het eerst meent het slachtoffer te zijn van een bedrog (ongeveer 14 maand);
· dat partijen voor een onafhankelijk ministerieel ambtenaar te weten de notaris zijn verschenen;
· dat partijen bovendien voor de rechter zijn verschenen teneinde een echtscheiding bij onderlinge toestemming aldaar te bevestigen;
· dat partijen vrij, mobiel, onafhankelijk en zelfstandig zijn,

voldoende aantonen dat de bekommernis van F. V om thans in rechte de rechtsgeldigheid van de overeenkomst in de akte van echtscheiding bij onderlinge toestemming aan te vechten ingegeven is door het motief dat zij zich post factum tekortgedaan voelt op financieel vlak doch niet dat haar toestemming op het ogenblik dat de overeenkomst werd afgesloten door een wilsgebrek was aangetast.

Het hof stelt vast dat er geen bewijs voorligt van listige kunstgrepen die de wilsovereenstemming van F. V zouden hebben beïnvloed en dat dergelijk bewijs niet door een bijkomend getuigenverhoor kan geleverd worden om reden dat de onjuistheid van het feit waarvoor getuigenbewijs gevraagd wordt reeds ten genoege van recht is bewezen door de gegevens waarop het hof vermag acht te slaan .

Het hoger beroep is op dit punt, niet gegrond.

· benadeling:

Benadeling maakt overeenkomsten slechts nietig wat betreft bepaalde contracten of bepaalde personen (art. 1118 B.W.).

Eenvoudige benadeling levert geen grond tot vernietiging van een overeenkomst op.

De vraag of er benadeling zou zijn is dus niet relevant.

· gekwalificeerde benadeling:

Opdat er van gekwalificeerde benadeling sprake zou kunnen zijn moet aangetoond worden dat de ene partij misbruik maakte van de zwakheden van de andere. De enkele omstandigheid dat de wederzijdse verbintenissen in een overeenkomst niet evenredig zijn volstaat niet .

F. V levert geen bewijs dat er sprake zou kunnen zijn van een misbruik door P. V. van één van volgende omstandigheden: noodtoestand, bijzondere verhouding van afhankelijkheid tussen de partijen, verminderd denkvermogen te wijten aan ziekte, angst, depressie, droefheid, ..., onervarenheid en onwetendheid, onoplettendheid, vergetelheid, nalatigheid, lichtzinnigheid, hartstocht, zwakheid, monopoliesituatie, economisch zwakke positie, benarde financiële toestand, sociaal zwakke positie en juridisch zwakke positie .

F. V was werkzaam als bediende, zij was dus niet financieel afhankelijk van P. V..
Dat de inkomsten van P. V. het gezin in staat stelden een hogere levensstandaard aan te houden staat hieraan niet in de weg.

Het loutere feit dat één van de echtgenoten hogere inkomsten heeft dan de andere impliceert niet dat deze laatste zich in een inferieure positie zou bevinden.

Er is dienvolgens geen bewijs geleverd van gekwalificeerde benadeling.

3.2. de tegenvordering:

P. V. vordert een schadevergoeding van euro 2.500 uit hoofde van tergend en roekeloos geding.

Hij houdt voor dat F. V te kwader trouw is en dat zij "hiertoe wellicht aangezet door haar rancuneuze moeder (...) tracht terug te komen op overeenkomsten welke zij eerder uit vrije wil, na bespreking en toelichting bij de notaris en dus met de nodige kennis van zaken heeft aangegaan"

Een geding is tergend wanneer een partij de bedoeling heeft een andere partij schade te berokkenen en ook wanneer zij haar recht om in rechte op te treden uitoefent op een wijze die de perken van de normale uitoefening van dat recht door een bedachtzaam en zorgvuldig persoon kennelijk te buiten gaat .

Dat F. V tracht om (zelfs in dubbele aanleg) de vernietiging te bekomen van een beding uit de overeenkomst getuigt niet van dergelijke tergende en roekeloze proceshouding.

De tegenvordering is dienvolgens niet gegrond.

 

 

3.3. de terugverwijzing naar de eerste rechter:

Er is geen aanleiding tot terugverwijzing naar de eerste rechter vermits de onderzoeksmaatregel die door de eerste rechter werd bevolen ongedaan wordt gemaakt.

 

4. besluit:

Het hoger beroep is niet gegrond. Het incidenteel beroep in de mate dit ertoe strekt de oorspronkelijke vordering van F. V geheel af te wijzen, is wel gegrond.

In de mate het incidenteel beroep ertoe strekt om de initiële tegenvordering gegrond te horen verklaren, is dit hoger beroep niet gegrond.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk doch enkel het incidenteel beroep deels gegrond,

Hervormt de bestreden beslissing in deze zin dat de oorspronkelijke vordering van F. V ongegrond wordt verklaard;

Veroordeelt F. V tot de kosten van beide aanleggen, wat de eerste aanleg betreft begroot op euro 270,66 (kosten dagvaarding) + euro 1.200 rechtsplegingsvergoeding, wat het hoger beroep betreft vereffend op euro 186 (rolrechten) + euro 1.200 rechtsplegingvergoeding.

 

 

 

 

 

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 4 mei 2010.

 

 

Noot: 

Hof van Cassatie, België, AR C.12.0146.N, juridat

Samenvatting

De regelingsakte, dit is de akte waarbij de echtgenoten die besloten hebben tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, hun wederzijdse rechten regelen is een familiaalrechtelijke overeenkomst van bijzondere aard die onderworpen is aan de algemene regels van het verbintenissenrecht, met dien verstande dat zij gelet op haar aard en strekking niet kan worden aangevochten wegens dwaling of benadeling aangezien de partijen geacht worden deze risico’s bij het sluiten van de overeenkomst te hebben verdisconteerd (1). (1) Zie de concl. van het O.M.; zie ook het arrest in de zaak AR C.12.0051.N van dezelfde datum (supra, nr. *** en de voetnoot).

Tekst arrest

Nr. C.12.0146.N
C.A.,
eiser,

tegen
A.D.J.,
verweerster.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 7 september 2011.
Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft op 5 oktober 2012 een schriftelijke con-clusie neergelegd.
Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.
Eerste middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 887, 888, 2044, 2048, 2049, 2052 tot 2058 Burgerlijk Wetboek;
- de artikelen 1287 en 1288 Gerechtelijk Wetboek, deze twee artikelen als gewijzigd door de wetten van 1 juli 1972, 30 juni 1994, 13 april 1995 en 20 mei 1997 maar vóór hun wijziging door de wet van 27 april 2007 en, voor zover als nodig, als gewijzigd door de wet van 27 april 2007.

Aangevochten beslissing en motieven:

Het bestreden arrest wijst af, bij bevestiging van het vonnis van de eerste rechter, de vordering van eiser tot vernietiging, wegens benadeling voor meer dan een vierde, op grond van artikelen 887 en 888 Burgerlijk Wetboek, van de op 6 juni 2002 verleden notariële regelingsakte voorafgaande de echtscheiding bij onderlinge toestemming.
Het motiveert die beslissing als volgt:

"(Eiser) houdt voor dat hij voor meer dan één vierde benadeeld werd bij de voormelde akte en vraagt de vernietiging ervan op grond van de art. 887 en 888 B.W.

Ten onrechte houdt (verweerster) voor, hierin gevolgd door de eerste rechter, dat de voormelde bepalingen geen toepassing vinden op andere verdelingen dan deze die een nalatenschap betreffen.

De gelijkheid tussen de deelgenoten is immers fundamenteel in alle onverdeeldheden, ook deze voorkomend uit de ontbinding van een gemeenschappelijk vermogen (zie o.m. de Page, H., Traité élémentaire de droit civil belge, t. IX, 1974, nr . 1479, p. 1055 ; art. 1476 (oud) B.W.).

Eveneens ten onrechte houdt (verweerster) voor, hierin eveneens gevolgd door de eerste rechter, dat deze bepalingen niet van toepassing zouden zijn omdat het hier een dading betreft.

Een deelgenoot kan wel degelijk opkomen wegens benadeling voor meer dan één vierde, tegen een dading die tot doel heeft de onverdeeldheid te doen ophouden (zie o.m. Cass. 28 januari 2010 ; Cass. 21 oktober 1943; De Page, H., Traité élémentaire de droit civil belge, t. IX, 1974, nr. 1474, p. 1048-105; vgl. Pintens, W., "De vernietiging van de overeenkomsten bij echtscheiding door onderlinge toestemming", R.W. 2000-01, p. 241).

De regelingsakte voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming houdt evenwel een dading in die niet alleen beoogt een einde te stellen aan een onverdeeldheid, maar houdt ook een aantal andere regelingen in, o.m. m.b.t. de alimentaire verplichtingen. Verder dient ook rekening gehouden met de eventuele verregaande toegevingen die een echtgenoot wil doen om kost wat kost de ontbinding van het huwelijk te verkrijgen.

Ook al zijn de bedingen aangaande de regeling van de wederzijdse rechten en aangaande de onderhoudsuitkering na echtscheiding onderworpen aan de regelen van het verbintenissenrecht, voor de beoordeling van de gelijkwaardigheid van de prestaties kan men er immers niet buiten om de speciale aard en context van dat soort overeenkomsten mede in rekening te brengen, meer bepaald dat er nu eenmaal een prijs bedongen kan worden voor de persoonsrechtelijke vrijheid die de mede-echtgenoot wenst te herwinnen. In die - beperkte - zin zijn de overeenkomsten voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming geen contracten zoals de andere. (vgl. Senaeve, P., "De nietigverklaring van een beding van een overeenkomst voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming na de ontbinding van het huwelijk", E.J. 2001/2, p. 29, nr. 12 ; zie eveneens Pintens, W., "De vernietiging van de overeenkomsten bij echtscheiding door onderlinge toestemming", R.W. 2000-01, p. 241).

De vernietiging wegens benadeling is m.b.t. dergelijke regelingsakte dan ook uitgesloten. (...)
In de regelingsakte is immers voorzien ... ‘dat ter voldoening van alle rechten, partijen verklaren de hen toebehorende goederen te verdelen als volgt ...' Uit geen enkel voorgebracht objectief gegeven blijkt echter wat de voormelde roerende goederen en spaar- en bankrekeningen inhouden, zodat zelfs niet blijkt wat de te verdelen activa waren."

Grieven
1) Artikel 887, tweede lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat er grond tot vernietiging van een verdeling bestaat, wanneer een mede-erfgenaam bewijst dat hij voor meer dan een vierde benadeeld is.

Artikel 888, eerste lid, van hetzelfde wetboek bepaalt dat de vordering tot vernietiging is toegelaten tegen elke handeling die ten doel heeft de onverdeeldheid onder de mede-erfgenamen te doen ophouden, zelfs al mocht die handeling koop, ruil en dading of anders genoemd zijn.

Deze principes vinden toepassing op alle verdelingen en in het bijzonder op de verdeling van de uit de ontbinding van een huwelijksvermogen voorkomende onverdeeldheid.

Op grond van die bepalingen kan een verdelende mede-eigenaar wegens benade-ling voor meer dan een vierde opkomen tegen een dading die tot doel heeft de onverdeeldheid te doen ophouden (Cass. 21 oktober 1943, Pas., 1944, I, 18 en conclusie van de heer procureur-generaal R. Hayoit de Termicourt; 21 november 1946, Arr. Cass., 400, J.T., 1947, 68, met noot Ferrier, R.C.J.B., 1947, 96, met noot R. Piret; Cass. 28 januari 2010, C.09.0036.N). Het volgt niet uit de artikelen 2044, 2048, 2049, 2052 tot 2058 Burgerlijk Wetboek, die de dading omschrijven en regelen, en in het bijzonder niet uit het artikel 2052, tweede lid, volgens het welk men niet tegen de dading kan opkomen wegens benadeling, dat artikels 887 en 888 geen toepassing zouden vinden op een dading die tot doel of als uitwerking heeft een onverdeeldheid te doen ophouden.

2) Artikel 1287, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de echtgenoten die besloten hebben tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, ertoe gehouden zijn vooraf hun wederzijdse rechten te regelen waaromtrent het hun vrij staat een vergelijk te treffen.

Artikel 1288 van hetzelfde wetboek bepaalt dat de echtgenoten die besloten hebben tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, ertoe gehouden zijn vooraf hun overeenkomst over een aantal specifieke punten bij geschrift vast te leggen.

De door deze twee artikelen voorziene voorafgaande overeenkomsten zijn onderworpen aan het verbintenissenrecht en aan het algemene contractenrecht (Cass. 16 juni 2000, nr. 374 met strijdige conclusie van de heer advocaat-generaal Dubrulle; R.C.J.B., 2002, 400, met noot H. Casman).

Als de overeenkomst houdende de voorafgaandelijke regeling van de wederzijdse rechten van de echtgenoten tot doel of als uitwerking had een onverdeeldheid tussen echtgenoten te doen ophouden, kan een vorige echtgenoot wegens benadeling voor meer dan een vierde tegen deze overeenkomst opkomen.

3) Het aangevochten arrest stelt vast dat in de litigieuze regelingsakte verklaard was dat de tot de partijen toebehorende goederen te verdelen waren. Het arrest, dat beslist dat uit geen objectief gegeven blijkt "wat de te verdelen activa waren", maar niet ontkent dat de regelingsakte tot doel of als uitwerking had activa te verdelen, heeft niet naar recht kunnen beslissen dat het eiser niet toegelaten is de voorafgaandelijke regelingsakte aan te vechten op grond van de artikelen 887 en 888 Burgerlijk Wetboek.

Bijgevolg schendt het bestreden arrest de artikelen 887 en 888 Burgerlijk Wetboek en al de andere in het middel aangeduide wetsartikelen.

Tweede middel
Geschonden wettelijke bepaling
- het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging.

Aangevochten beslissing en motieven

Het bestreden arrest wijst af, bij bevestiging van het vonnis van de eerste rechter, de vordering van eiser strekkende tot vernietiging wegens benadeling voor meer dan een vierde, op grond van artikelen 887 en 888 Burgerlijk Wetboek, van de op 6 juni 2002 verleden notariële regelingsakte voorafgaande de echtscheiding bij onderlinge toestemming.
Het motiveert die beslissing als volgt:

"Bovendien, ten overvloede, dient opgemerkt dat (eiser), die de bewijslast dienaangaande heeft, zelfs niet in het minst aantoont dat hij voor meer dan één vierde benadeeld werd bij de verdeling van de goederen.

In de regelingsakte is immers voorzien dat partijen ‘in deze akte op verzoek van ondertekende notaris mekaar omstandige opgave hebben gedaan van al hun roerende en onroerende gemeenschapsgoederen en van alle lopende schulden, vergoedingen en overeenkomsten waaromtrent een regeling door art. 1287 Gerechtelijke Wetboek is vereist' en ‘dat ter voldoening van alle rechten, partijen verklaren de hen toebehorende goederen te verdelen als volgt : de meubelen en mobilaire voorwerpen, spaar- en bankrekeningen welke partijen onderling hebben verdeeld en die hij verklaart in zijn bezit te hebben.' Uit geen enkel voorgebracht objectief gegeven blijkt echter wat de voormelde roerende goederen en spaar- en bankrekeningen inhouden, zodat zelfs niet blijkt wat de te verdelen activa waren, en meteen niet uit te maken valt dat (eiser) bij de verdeling voor meer dan een vierde benadeeld zou zijn".

Grieven

In zijn synthesebesluiten in hoger beroep (blz. 3 en 4) had eiser geargumenteerd:
"Aldus heeft hij de notariële akte d.d. 6 juni 2002 ondertekend waardoor hij nauwelijks iets bekwam.

De kleden en persoonlijke voorwerpen, het hem toebehorend gereed geld en de meubelen en mobilaire voorwerpen, alsook de spaar- en bankrekeningen die hij overhield hadden geen beduidende waarde. De waarde lag zeker niet hoger dan hetgeen (verweerster) bekwam voor deze posten.

(Verweerster) daarentegen bekwam o.a. het onroerend goed dat quasi uitsluitend met de eigen gelden van (eiser) was gefinancierd; deze eigen gelden waren afkomstig van de verkoop van het enig onroerend goed van (eiser)in Nederland.
(Verweerster) raamt zelf in haar besluiten in eerste aanleg (blz. 2 onderaan) de waarde van dit onroerend goed op 200.000 euro. Dit toont toch wel aan dat (eiser) meer dan een vierde benadeeld werd.

(Verweerster) kan trouwens niet betwisten dat het roerend gedeelte van het huwelijksvermogen onbeduidend was in vergelijking met de waarde van het onroerend goed, hetgeen blijkt uit haar besluiten in eerste aanleg waarin deze feiten nooit tegengesproken werden.

Zelfs indien (eiser)een groter gedeelte zou bekomen hebben - quod non- zou dit slechts een minieme fractie van de waarde van het onroerend goed belopen hebben. Op de datum van de notariële akte E.O.T. of op datum vonnis E.O.T. beliep de totale waarde van de bankrekeningen die aan (eiser)toebedeeld waren ruim minder dan 2.500 euro, hetgeen (eiser), in ondergeschikte orde, aanbiedt te bewijzen door bij de bank een attest desbetreffend te vragen en dit aan het hof voor te leggen.

Kleren en persoonlijke voorwerpen of gereed geld waren minimaal, zoals bij de overgrote meerderheid der echtgenoten het geval is, volgens algemene bekendheid en bevestigd door de feitelijke levensstijl van partijen ten tijde van het huwelijk, waarvoor (eiser), in ondergeschikte orde, zoveel als nodig het getuigenbewijs aanbiedt.

(Verweerster) heeft in eerste aanleg het onroerend goed bekomen, zijnde het enige bestanddeel met waarde.
Door haar onjuiste berekeningsbasis van 200.000 euro voor de rechtsplegingsver-goeding erkent (verweerster) de ingeroepen benadeling."

In haar besluiten voor het hof van beroep heeft verweerster niet aangevoerd dat ei-ser de benadeling van meer dan een vierde niet bewees. Verweerster heeft niet ontkend dat het haar toegewezen onroerend goed, dat ze zelf op 200.000 euro geraamd had, het enig waardevol goed was.

Door de vordering van eiser te verwerpen op basis van ambtshalve aangevoerde gronden waarop eiser geen mogelijkheid kreeg te antwoorden, heeft het bestreden arrest het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging geschonden.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling
Eerste middel
1. Artikel 1287, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de echtgenoten die besloten hebben tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, hun wederzijdse rechten waaromtrent het hun eventueel vrijstaat een vergelijk te treffen, vooraf moeten regelen.

2. Deze regelingsakte is een familiaalrechtelijke overeenkomst van bijzondere aard die onderworpen is aan de algemene regels van het verbintenissenrecht, met dien verstande dat zij gelet op haar aard en strekking niet kan worden aangevoch-ten wegens dwaling of benadeling aangezien de partijen geacht worden deze risi-co's bij het sluiten van de overeenkomst te hebben verdisconteerd.

3. De appelrechters die oordelen dat de regelingsakte van de partijen niet enkel beoogt een einde te stellen aan de onverdeeldheid, maar ook een aantal andere re-gelingen bevat en dat "voor de beoordeling van de gelijkwaardigheid der presta-ties, men (er) niet buiten (kan) om de speciale aard en context van dat soort over-eenkomsten mede in rekening te brengen" en op die gronden beslissen dat een vernietiging van de regelingsakte wegens benadeling krachtens de artikelen 887 en 888 Burgerlijk Wetboek is uitgesloten, verantwoorden hun beslissing naar recht.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Tweede middel

4. De grieven die betrekking hebben op een ten overvloede gegeven redenge-ving, vertonen geen belang.
Het middel is niet ontvankelijk.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres in de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 725,07 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer
 

Conclusie van advocaat-generaal Dubrulle:

1. Het bestreden arrest wijst de vordering van de eiser tot vernietiging van de aan de echtscheiding bij onderlinge toestemming tussen partijen voorafgaande regelingakte verleden op 6 juni 2002 voor notaris Jan Michoel te Hoogstraten. wegens benadeling voor meer dan een vierde, op grond van artikelen 887 en 888 BW af op deze aangevochten gronden:

"(Eiser) houdt voor dat hij voor meer dan één vierde benadeeld werd bij de voormelde akte en vraagt de vernietiging ervan op grond van art. 887 en 888 BW.

Ten onrechte houdt (verweerster) voor, hierin gevolgd door de eerste rechter, dat de voormelde bepalingen geen toepassing vinden op andere verdelingen dan deze die een nalatenschap betreffen.

De gelijkheid tussen de deelgenoten is immers fundamenteel in alle onverdeeldheden, ook deze voorkomend uit de ontbinding van een gemeenschappelijk vermogen (zie o.m. De Page, H., Traité élémentaire de droit civil belge, t. IX, 1974, nr. 1479, p. 1055; art. 1476 (oud) BW).

Eveneens ten onrechte houdt (verweerster) voor, hierin eveneens gevolgd door de eerste rechter, dat deze bepalingen niet van toepassing zouden zijn omdat het hier een dading betreft.

Een deelgenoot kan wel degelijk opkomen wegens benadeling voor meer dan één vierde, tegen een dading die tot doel heeft de onverdeeldheid te doen ophouden (zie o.m. Cass. 28 januari 2010; Cass. 21 oktober 1943; De Page, H., Traité élémentaire de droit civil belge, t. IX, 1974, nr. 1474, p. 1048-105; vgl. Pintens, W., "De vernietiging van de overeenkomsten bij echtscheiding door onderlinge toestemming", RW 2000-01, p. 241).

De regelingsakte voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming houdt evenwel een dading in die niet alleen beoogt een einde te stellen aan een onverdeeldheid, maar houdt ook een aantal andere regelingen in, o.m. m.b.t. de alimentaire verplichtingen. Verder dient ook rekening gehouden met de eventuele verregaande toegevingen die een echtgenoot wil doen om kost wat kost de ontbinding van het huwelijk te bekomen.

Ook al zijn de bedingen aangaande de regeling van de wederzijdse rechten en aangaande de onderhoudsuitkering na echtscheiding onderworpen aan de regelen van het verbintenissenrecht, voor de beoordeling van gelijkwaardigheid van de prestaties kan men er immers niet buiten om de speciale aard en context van dat soort overeenkomsten mede in rekening te brengen, meer bepaald dat er nu eenmaal een prijs bedongen kan worden voor de persoonsrechtelijke vrijheid die de medeechtgenoot wenst te herwinnen. In die - beperkte - zin zijn de overeenkomsten voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming geen contracten zoals de andere. (vgl. Senaeve, P., "De nietigverklaring van een beding van een overeenkomst voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming na de ontbinding van het huwelijk", E.J. 2001/2, p. 29, nr. 12; zie eveneens Pintens, W., "De vernietiging van de overeenkomsten bij echtscheiding door onderlinge toestemming", RW 2000-01, p. 241).

De vernietiging wegens benadeling is m.b.t. dergelijke regelingsakte dan ook uitgesloten.
... In de regelingakte is immers voorzien ... ‘dat ter voldoening van alle rechten, partijen verklaren de hen toebehorende goederen te verdelen als volgt ...' Uit geen enkel voorgebracht objectief gegeven blijkt echter wat de voormelde roerende goederen en spaar- en bankrekeningen inhouden, zodat zelfs niet blijkt wat de te verdelen activa waren."

2. Het cassatiemiddel voert de schending aan van de artikelen 887, 888, 2044, 2048, 2049, 2052 tot 2058 van het Burgerlijk Wetboek,1287 en 1288 van het Gerechtelijk Wetboek, deze twee artikelen als gewijzigd door de wetten van 1 juli 1972, 30 juni 1994, 13 april 1995 en 20 mei 1997 maar vóór hun wijziging door de wet van 27 april 2007 en, voor zover als nodig, als gewijzigd door de wet van 27 april 2007.

Het is als volgt gesteld.
"1) Artikel 887, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat er grond tot vernietiging van een verdeling bestaat, wanneer een mede-erfgenaam bewijst dat hij voor meer dan een vierde benadeeld is.
Artikel 888, eerste lid, van hetzelfde wetboek bepaalt dat de vordering tot vernietiging is toegelaten tegen elke handeling die ten doel heeft de onverdeeldheid onder de mede-erfgenamen te doen ophouden, zelfs al mocht die handeling koop, ruil en dading of anders genoemd zijn.

Deze principes vinden toepassing op alle verdelingen en in het bijzonder op de verdeling van de uit de ontbinding van een huwelijksvermogen voorkomende onverdeeldheid.

Op grond van die bepalingen kan een verdelende mede-eigenaar wegens benadeling voor meer dan een vierde opkomen tegen een dading die tot doel heeft de onverdeeldheid te doen ophouden (Cass. 21 oktober 1943, Pas., 1944, I, 18 en conclusie van de heer procureur-generaal R. Hayoit de Termicourt; 21 november 1946, Arr. Cass., 400, J.T., 1947, 68, met noot Ferrier, RCJB, 1947, 96, met noot R. Piret; Cass. 28 januari 2010, C.09.0036.N). Het volgt niet uit de artikelen 2044, 2048, 2049, 2052 tot 2058 van het Burgerlijk Wetboek, die de dading omschrijven en regelen, en in het bijzonder niet uit het artikel 2052, tweede lid, volgens het welk men niet tegen de dading kan opkomen wegens benadeling, dat artikels 887 en 888 geen toepassing zouden vinden op een dading die tot doel of als uitwerking heeft een onverdeeldheid te doen ophouden.

2) Artikel 1287, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de echtgenoten die besloten hebben tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, ertoe gehouden zijn vooraf hun wederzijdse rechten te regelen waaromtrent het hun vrij staat een vergelijk te treffen.

Artikel 1288 van hetzelfde wetboek bepaalt dat de echtgenoten die besloten hebben tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, ertoe gehouden zijn vooraf hun overeenkomst over een aantal specifieke punten bij geschrift vast te leggen.
De door deze twee artikelen voorziene voorafgaande overeenkomsten zijn onderworpen aan het verbintenissenrecht en aan het algemene contractenrecht (Cass. 16 juni 2000, nr. 374 met strijdige conclusie van de heer advocaat-generaal Dubrulle; RCJB, 2002, 400, met noot H. Casman)
Als de overeenkomst houdende de voorafgaandelijke regeling van de wederzijdse rechten van de echtgenoten tot doel of als uitwerking had een onverdeeldheid tussen echtgenoten te doen ophouden, kan een vorige echtgenoot wegens benadeling voor meer dan een vierde tegen deze overeenkomst opkomen.

3) Het aangevochten arrest stelt vast dat in de litigieuze regelingakte verklaard was dat de tot de partijen toebehorende goederen te verdelen waren. Het arrest, dat beslist dat uit geen objectief gegeven blijkt "wat de te verdelen activa waren"(arrest, bz 5, 2de paragraaf) maar niet ontkent dat de regelingakte tot doel of als uitwerking had activa te verdelen, heeft niet naar recht kunnen beslissen dat het eiser niet toegelaten is de voorafgaandelijke regelingakte aan te vechten op grond van de artikelen 887 en 888 van het Burgerlijk Wetboek.

Bijgevolg schendt het bestreden arrest de artikelen 887 en 888 van het Burgerlijk Wetboek en al de andere in het middel aangeduide wetsartikelen."

3. Het middel kan, m.i., niet aangenomen worden.

De in het als geschonden aangewezen artikel 1287, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, bedoelde zogenaamde regelingsakte is, volgens de rechtspraak van het Hof, bij arrest van 16 juni 2000(1), onderworpen aan de regels van het verbintenissenrecht. Het is echter een overeenkomst van bijzondere aard, een zogeheten familiale overeenkomst, die zowel persoonlijke als patrimoniale, veelal van elkaar afhankelijke, verbintenissen kan inhouden en waarbij, zoals het bestreden arrest oordeelt, een partij bereid is een "prijs" te betalen om haar persoonlijke vrijheid te herwinnen. Om hiermee in te stemmen kan de tegenpartij die prijs dan hoger willen stellen. Daaraan is een risico bij de inschatting van hun verbintenissen verbonden en dus ook aanvaard, zodat slechts uitzonderlijk daarop kan worden teruggekomen, temeer daar die EOT-akte opgesteld werd door een notaris, die de partijen ook dient voor te lichten(2). Het Hof dient zich in dezen dus ook terughoudend op te stellen ten aanzien van zulke nietigheidsgrond(3). De rechtsleer stelt dan ook eenduidig dat het niet wenselijk is die akte aan te vechten wegens (gekwalificeerde) benadeling, of ze al dan niet als een dading wordt omschreven. Deze nietigheidsgrond kan overigens, krachtens het artikel 1118 van het Burgerlijk Wetboek, slechts betreffende bepaalde contracten of bepaalde personen opgeworpen worden en ook slechts uitzonderlijk(4) aangenomen worden.

De artikelen 887 en 888 van het Burgerlijk Wetboek bepalen de voorwaarden van een vordering tot vernietiging van de verdeling van een nalatenschap. Het in de "ontwikkelingen" van het middel aangehaalde arrest van het Hof van 28 januari 2010(5) heeft enkel daarop betrekking. Dat cassatiearrest is dus niet bepalend voor de toetsing van het thans bestreden arrest. Dit laatste oordeelt weliswaar dat verweerster ten onrechte voorhoudt dat die bepalingen geen toepassing vinden op andere verdelingen dan deze van een nalatenschap, maar, zonder dat het op dat vlak bekritiseerd wordt, oordeelt het dat de litigieuze akte ook andere regelingen dan een verdeling inhoudt om te besluiten dat ze dus geen contract is als andere en dat "zelfs niet blijkt wat de te verdelen activa waren".
Deze beslissing is naar recht verantwoord.

4. Het tweede middel voert een schending van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging.
Het middel is evenwel, zoals het zelf aanhaalt, gericht tegen een ten overvloede gegeven motief dat, betreffende het bewijs van de benadeling, zelfs niet blijkt wat de te verdelen activa waren, zodat het, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk is.

5. Conclusie: verwerping.
____________________
(1) Cass. 16 juni 2000, voltallige zitting, AR C.96.0006.N, AC 2000, met conclusie van het O.M.; RW 2000-2001, 238, noot W. Pintens De vernietiging van de overeenkomsten bij echtscheidng door onderlinge toestemming.
(2) Zie L. Weyts, noot onder Rb. Mechelen, 13 oktober 2010 (bevestigd door Antwerpen 9 november 2011), Een dading bij EOT is definitief, wie van de twee dat nadien ook moge betreuren. T.Not. 2012, (229) 238.
(3) Zie Cass., 29 april 1993, JT 1993, 757, voorafgegaan door de commentaar van J.-F. Romain, Regain de la lésion qualifiée en droit des obligations (749); W. Van Gerven & S. Covemaeker, Verbintenissenrecht, Acco Leuven/Leusden, 75; C. Cauffman, De gekwalificeerde benadeling, Kluwer, Jura. Zie ook de conclusie O.M. en (zelfde) voetnoot (2) voor Cass. 9 november 2012, AR C.12.00.51.N.
(4) H. De Page, Traité, T. 1er, Bruylant, Brussel, 82, nr. 70.
(5) AR C.09.0036.N, AC 2010, nr. 67.
 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 11/07/2011 - 20:28
Laatst aangepast op: wo, 12/06/2013 - 17:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.