-A +A

Zaakvoerder is geen koopman

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 02/05/2016
A.R.: 
S.15.0112.F

Een zaakvoerder van een BVBA kan toegelaten worden tot de collectieve schuldenregeling. 

Weliswaar stelt artikel 1675/2, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, dat mag enkel een natuurlijk persoon, die geen koopman is in de zin van artikel 1 van het Wetboek van Koophandel, bij de rechter een verzoek tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling kan indienen.

De koopman, in de zin van artikel 1 van het Wetboek van Koophandel, is hij die voor eigen rekening, hetzij in eigen naam, hetzij bij mandataris of aangestelde, gewoonlijk zogeheten daden van koophandel stelt.

Enerzijds vormt een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid krachtens artikel 2, Wetboek van Vennootschappen, een juridische persoonlijkheid die zich onderscheidt van die van de vennoten.

Luidens artikel 210, eerste lid, van dat wetboek verbinden de vennoten van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid slechts hun inbreng en kunnen hun rechten alleen worden overgedragen onder bepaalde voorwaarden.

Bijgevolg verleent de omstandigheid dat een natuurlijk persoon een vennoot van een dergelijke vennootschap is, hem niet de hoedanigheid van koopman.

Anderzijds bepaalt artikel 61, § 1, van datzelfde wetboek dat de vennootschappen handelen door hun organen waarvan de bevoegdheden worden vastgesteld door dat wetboek, het maatschappelijk doel en de statuten en dat de leden van deze or-ganen niet persoonlijk verbonden zijn voor de verbintenissen van de vennoot-schap.

Luidens artikel 255, eerste lid, van dat wetboek worden de besloten vennoot-schappen met beperkte aansprakelijkheid bestuurd door een of meer personen, al dan niet bezoldigd, al dan niet vennoten.

Aangezien de zaakvoerder van een dergelijke vennootschap handelt in naam en voor rekening van die laatste, verleent de omstandigheid dat hij daden van koop-handel stelt hem niet de hoedanigheid van koopman.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
107
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. S.15.0112.F

A.R.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Arbeidshof te Luik van 29 juni 2015.

...

III. Beslissing van het Hof

Middel

Eerste onderdeel

Krachtens art. 1675/2, eerste lid Ger.W. mag enkel een natuurlijke persoon, die geen koopman is in de zin van art. 1 W.Kh., bij de rechter een verzoek tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling indienen.

De koopman, in de zin van art. 1 W.Kh., is hij die voor eigen rekening, hetzij in eigen naam, hetzij bij mandataris of aangestelde, gewoonlijk zogeheten daden van koophandel stelt.

Enerzijds vormt een BVBA krachtens art. 2 W.Venn. een rechtspersoonlijkheid die zich onderscheidt van die van de vennoten.

Luidens art. 210, eerste lid W.Venn. verbinden de vennoten van de BVBA slechts hun inbreng en kunnen hun rechten alleen worden overgedragen onder bepaalde voorwaarden.

Bijgevolg verleent de omstandigheid dat een natuurlijke persoon een vennoot van een dergelijke vennootschap is, hem niet de hoedanigheid van koopman.

Anderzijds bepaalt art. 61, § 1 W.Venn. dat de vennootschappen handelen door hun organen waarvan de bevoegdheden worden vastgesteld door dat wetboek, het maatschappelijk doel en de statuten en dat de leden van deze organen niet persoonlijk verbonden zijn voor de verbintenissen van de vennootschap.

Luidens art. 255, eerste lid W.Venn. worden de BVBA’s bestuurd door een of meer personen, al dan niet bezoldigd, al dan niet vennoten.

Aangezien de zaakvoerder van een dergelijke vennootschap handelt in naam en voor rekening van deze laatste, verleent de omstandigheid dat hij daden van koophandel stelt hem niet de hoedanigheid van koopman.

Het arrest, dat erop wijst dat de eiser de enige vennoot en zaakvoerder van de BVBA A.E. is, oordeelt vervolgens dat hij «de activiteit van koopman uitoefent onder de dekmantel van zijn vennootschap A.E.», dat «hij alleen beslist over de aandelen van de vennootschap en een statuut van zelfstandige heeft», dat «er geen gezagsverhouding is» en dat «de belangen van de vennootschap en die [van de eiser] kennelijk vermengd zijn».

Het arrest verantwoordt op grond van die overwegingen, waaruit niet volgt dat de eiser voor eigen rekening gewoonlijk zogeheten daden van koophandel uitoefent, zijn beslissing om het verzoek van de eiser tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling niet-gegrond te verklaren wegens zijn hoedanigheid van koopman, niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

S.15.0112.F
Conclusions de l'avocat général Genicot:

Sur le moyen en sa première branche.

Le demandeur fait grief à l'arrêt attaqué d'avoir, en violation des articles 1672/2 du Code judiciaire, 1er du Code de commerce et 2, § 2 et 210 du Code des sociétés, refusé son droit d'accès à un règlement collectif de dettes de par sa qualité de commerçant, alors que son rôle d'associé-gérant unique et rémunéré de la S.P.R.L. Auras-Europ ne pouvait la justifier dès lors qu'il ne lui conférait que le titre d'indépendant apte à bénéficier, en tant que personne physique, dudit règlement.

1. Principes.

En vertu de l'article 1675/2 alinéa 1er du Code judiciaire la qualité de commerçant constitue un obstacle à l'admissibilité au règlement collectif de dettes.

La réticence du règlement collectif de dette à l'endroit des commerçants demandeurs en règlement collectif vient du souci d'éviter une superposition simultanée entre les procédures d'une part de faillite, concordat judiciaire ou sursis de paiement, et d'autre part de règlement collectif(1). C'est pourquoi l'article 1675/7, § 3, exige une autorisation préalable pour la personne physique qui, une fois admise au règlement collectif, souhaite reprendre une activité présentant cependant un risque d'aggravation de son insolvabilité. Cette hypothèse, qui vise essentiellement une activité d'indépendant, ne semble cependant pas pouvoir exclure, en vertu de l'article 23, alinéa 3, 1°, de la Constitution et du droit de mener une vie conforme à la dignité humaine, l'exercice d'une activité commerçante. Mais en ce cas, le télescopage des deux procédures paraît théorique dès lors que la condition de la révocation de l'admission au règlement collectif et déduite de l'augmentation fautive du passif sera réunie avant celle de la faillite, liée elle à la cessation de paiement de manière persistante et à l'ébranlement du crédit(2).

2. Commerce-Commerçant. Notions.

Sont commerçants au sens de l'article 1er du Code de commerce "... ceux qui exercent des actes qualifiés commerciaux par la loi et qui en font leur profession habituelle, soit à titre principal soit à titre d'appoint".

Suivant l'arrêt la Cour du 26 novembre 1970 le juge ne peut légalement attribuer la qualité de commerçant à un représentant de commerce non engagé dans les liens d'un contrat d'emploi sans constater que dans l'accomplissement de sa mission d'intermédiaire, il agit en son nom propre(3).

L'arrêt du 6 juin 1985 confirme à cet égard que, lorsque les conditions requises par la loi sont réunies, une personne doit être considérée comme commerçante lorsque les actes de commerce sont accomplis en son nom par un mandataire ou préposé(4).

Pour la doctrine également, la notion de commerçant suppose l'exercice par l'intéressé non seulement d'actes qualifiés commerciaux mais aussi en son nom et pour son compte(5).

3. En l'espèce.

Le juge d'appel, en considérant que le demandeur, associé-gérant unique de la SPRL Auras-Europ "exerce l'activité d'un commerçant sous le couvert de sa société", qu'il "décide seul des actions de la société et a le statut d'indépendant" et "qu'il n'y a pas de lien de subordination", en sorte qu'un amalgame manifeste existe entre les intérêts de la société et les siens propres, m'apparaît méconnaître:

- La portée de la personnalité juridique de la société privée à responsabilité limitée, bien distincte de celle de ses associés (article 2 du Code des sociétés);

- La limite de leur engagement, circonscrit à leur apport (article 210, alinéa 1er, du même code);

- L'absence de responsabilité personnelle des membres de ses organes statutaires de gestion (article 61, § 1er du même code), lesquels n'agissant pas pour leur propre compte mais bien pour celui de la société(6), ne peuvent avoir personnellement la qualité de commerçants même s'ils accomplissent des actes de commerce.

Le moyen en sa première branche est fondé.
Conclusion.
Je conclus à la cassation.
________________________
(1) "Le fil d'Ariane du règlement collectif de dettes", coord. C. BEDORET, Anthemis, 2015, p. 142.
(2) Bulletin juridique et social, janvier 2016, n° 557, p. 3.
(3) Cass. 26 novembre 1970, Bull et Pas.1971, p. 271.
(4) Cass. 6 juin 1985, RG 4627, Bull. et Pas. 1985, n° 606.
(5) "Le fil d'Ariane du règlement collectif de dettes", op. cit., p.143, n°5.
(6) "Le fil d'Ariane du règlement collectif de dettes", op. cit., p.143, n°6 et jur. cit.: sont par contre reconnus comme commerçants l'associé d'une société coopérative à responsabilité illimitée et solidaire ainsi que l'administrateur et l'associé actif d'une société en commandite par actions.
 

Noot: 

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 10/09/2017 - 07:00
Laatst aangepast op: zo, 10/09/2017 - 07:00

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.