-A +A

Zeep gieten in brandstoftank wagen is geen vernieling maar onbruikbaarmaking

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 31/03/2014

Hij die een substantie in de brandstoftank van een auto gooit, waardoor deze niet meer kan rijden, maakt zich niet schuldig aan vernieling, noch aan opzettelijke beschadiging maar aan strafbare onbruikbaarmaking in de zin van artikel 521, derde lid Strafwetboek, hetgeen lichter bestraft wordt.

Art. 521. SWB: "Hij die buiten de gevallen in de artikelen 510 tot 520 genoemd, door welk middel ook, gebouwen, bruggen, dijken, straatwegen, spoorwegen, sluizen, magazijnen, werkplaatsen, loodsen, schepen, vaartuigen, vliegtuigen of andere kunstwerken of bouwwerken die aan een ander toebehoren, geheel of ten dele vernielt, wordt gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar.

Bij onbruikbaarmaking met het oogmerk om te schaden, is de straf vijftien dagen tot drie jaar gevangenis en geldboete van vijftig [euro] tot vijfhonderd [euro]. 

De in het tweede lid bedoelde straf is toepasselijk in geval van gehele of gedeeltelijke vernieling of van onbruikbaarmaking, met het oogmerk om te schaden, van rijtuigen, wagons en motorvoertuigen.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/7
Pagina: 
540
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(B.K. en Openbaar Ministerie / W.I.G.D. - Rolnr.: 2013/NT/795)

Teneinde

Na toepassing van de strafwet lastens de gedaagde, deze te horen veroordelen om te betalen aan verzoekster de som van 7.475 EUR meer de vergoedende interesten vanaf 13 juli 2007 tot op de datum van het tussen te komen vonnis, meer de gerechtelijke interesten vanaf heden, meer de gerechtskosten waaronder de kosten van dagvaardiging, meer de wettelijk geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding in hoofde van verzoekster voorlopig begroot op 990 EUR.

Uit hoofde van

A. Te 9920 Lovendegem in de nacht van 12 juli 2011 op 13 juli 2011

met het oogmerk om te schaden, rijtuigen, wagons en motorvoertuigen geheel of gedeeltelijk vernield te hebben of onbruikbaar te hebben gemaakt namelijk het voertuig Opel Corsa ten nadele van K.B.

Minstens

B. Te 9920 Lovendegem in de nacht van 12 juli 2011 op 13 juli 2011

buiten de gevallen omschreven in Boek II, Titel IX, Hoofdstuk III van het Strafwetboek, andermans roerende eigendommen opzettelijk te hebben beschadigd of vernield, namelijk het voertuig Opel Corsa ten nadele van K.B.

Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent (21ste k. (21D)), zetelende in correctionele zaken d.d. 16 mei 2013, op tegenspraak gewezen, werd als volgt beslist:

Verklaart de feiten onder de tenlastelegging A bewezen.

Zegt dat niet meer moet geoordeeld worden over de feiten onder de tenlastelegging B.

(…)

1. Procesrechtelijk
(…)

1.3.

De feitenrechter is verplicht aan de feiten hun juiste kwalificatie te geven.

De door de eerste rechter genoemde tenlastelegging B (andermans roerende eigendommen opzettelijk te hebben beschadigd of vernield - inbreuk op artikel 550, 1° Sw.) betreft een subsidaire (“minstens”) tenlastelegging en dient dus slecht beoordeeld te worden in de mate dat de principale tenlastelegging A niet bewezen is gebleken.

Het hof treedt de eerste rechter bij waar deze stelde dat het inbrengen van een “zeep­achtige vloeistof” in een brandstoftank van een voertuig moet worden gekwalificeerd als het onbruikbaar maken van een voertuig (thans door het hof aangeduid als een inbreuk op artikel 521, derde lid Sw.).

Artikel 521, derde lid Sw. maakt de straf van artikel 521, tweede lid Sw. van toepassing in geval van gehele of gedeeltelijke vernieling of van onbruikbaarmaking, met het oogmerk om te schaden, van rijtuigen, wagons en motorvoertuigen.

Benevens de gehele en gedeeltelijke vernieling heeft de wetgever het begrip “onbruikbaarmaking” gebruikt omdat hij andere vormen van onbruikbaarmaking, die geen gehele of gedeeltelijke vernieling uitmaken, strafbaar wilde stellen. De wetgever heeft willen vermijden dat dergelijke sabotagedaden, die geen vernielingen uitmaken, slechts als overtreding op grond van artikel 559, 1° Sw. konden gestraft worden.

De aangerichte schade had een invloed op het bestaan of het wezen van de auto zelf. Door de aard van de aangerichte schade was hier sprake van buitengebruikstelling van de auto.

Het hof treedt de eerste rechter aldus bij waar deze de feiten in de rechtstreekse dagvaarding kwalificeerde als omschreven onder de tenlastelegging A.

(…)

Waar de eerste rechter in het beschikkende gedeelte zegde dat aldus niet meer moet geoordeeld worden over “de feiten” onder de tenlastelegging B, dient dit te worden gelezen en begrepen als dat niet meer moet geoordeeld worden over de tenlastelegging (kwalificatie ) B. De tenlasteleggingen A minstens B betreffen immers dezelfde feiten doch het gaat enkel om een andere misdrijfomschrijving/kwalificatie, namelijk (principaal) A, minstens (subsidiair) B.

(…)

2. De feiten en de schuldvraag
(…)

Door de beoordelingsgegevens van het strafdossier en door het onderzoek ter zitting alhier door het hof, zijn de feiten voorwerp van de tenlastelegging A lastens de beklaagde bewezen gebleven. Het hof verwijst hiervoor naar het feitenrelaas en naar de motieven vervat in het bestreden vonnis. Deze motieven worden niet weerlegd door het verweer dat thans in graad van beroep wordt gevoerd.

(…)

3. De straftoemeting
De door de beklaagde gepleegde feiten (tenlastelegging A) zijn bijzonder laakbaar. De beklaagde wou zijn ex-vriendin een lesje leren en maakte met het oogmerk om te schaden haar auto onbruikbaar. Hij handelde uit pure wrok. De handelwijze van beklaagde getuigt van een manifest gebrek aan respect voor andermans eigendom. De wederrechtelijke gedragingen van de beklaagde kunnen geenszins worden getolereerd.

(…)

Hiermee rekening houdende en rekening houdende met (…) is het hof van oordeel dat ter bestraffing van de bewezen verklaarde feiten voorwerp van de tenlastelegging A een hoofdgevangenisstraf van 5 maanden en een geldboete van 250 EUR, verhoogd met 45 opdecimes en aldus gebracht op 1.375 EUR, die bij afwezigheid van betaling binnen de wettelijke termijn zal mogen vervangen worden door een gevangenisstraf van 1 maand overeenkomstig artikel 40 Sw. passend en evenwichtig is. (…). Het hof is evenwel van oordeel dat thans uitstel van tenuitvoerlegging voor een periode van 3 jaar kan worden verleend wat betreft de opgelegde hoofdgevangenisstraf van 5 maanden (…).

Noot: 

Onder dit arrest zoals gepubliceerd in het RABG: Van Volsem F, De strafbaarstelling van artikel 521 Strafwetboek: het geheel of ten dele vernielen en de onbruikbaarmaking met het oogmerk om te schaden van onder meer motorvoertuigen, R.A.B.G., 2016/7, p. 542-551.

Het ingestelde cassatieberoep tegen deze uitspraak werd verworpen.

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 17/11/2016 - 15:14
Laatst aangepast op: di, 11/07/2017 - 17:24

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.