-A +A

referentieadres

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een referentieadres is een precies adres in een Belgische gemeente:

• bij een natuurlijke persoon,
• ofwel op de zetel van een OCMW
• ofwel bij een rechtspersoon.

Opzet: mogelijkheid bieden aan bepaalde categoriën van personen om op een bepaald adres ingeschreven te worden in de bevolkingsregisters zonder effectief op dat adres te verblijven.

Een persoon die geen verblijfplaats heeft kan zich laten inschrijven in de bevolkingsregisters onder een referentieadres. Dit is dan het adres van een andere natuurlijke persoon die ermee instemt dat alle voor de betrokkene bestemde post en alle voor betrokkene noodzakelijke administratieve formaliteiten aldaar toekomen.

Hiervoor mag geen vergoeding worden gevraagd en op het referentieadres kan geen beslag gelegd worden voor de schulden van de betrokkene.

 Doelgroep:

- personen die in een mobiele woning verblijven
- personen die om beroepsredenen geen vaste verblijfplaats hebben
- personen die bij gebreke aan middelen geen vast verblijfplaats hebben.

Officiële betekeningen kunnen voor deze personen niet aan de procureur gedaan worden maar dienen te gebeuren aan het referentieadres. 

Zie voor verdere toelichting RABG 2003/10 p. 517 e.V.

Wetgeving:

bevolkingsregister wetgeving

Wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.

KB van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister (Inforum nr. 40761 gecoördineerde tekst).

Wet van 24 januari 1997 houdende wijziging van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, strekkende tot verplichte inschrijving in de bevolkingsregisters van de personen die in België geen verblijfplaats hebben (B.S. 06.03.1997, inforum nr. 111181 gecoördineerde tekst).

KB van 21 februari 1997 houdende wijziging van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, strekkende tot verplichte inschrijving in de bevolkingsregisters van de personen die in België geen verblijfplaats hebben (B.S. 06.03.1997, inforum nr. 111187).

Omzendbrief van 21 maart 1997 betreffende de invoering van de mogelijkheid voor daklozen een referentieadres bij het OCMW te bekomen (Inforum nr. 114361)

Omzendbrief van 27 juli 1998 betreffende het referentieadres voor daklozen: bijkomende toelichtingen in aanvulling op de omzendbrief 21 maart 1997 (Inforum nr. 135850)

Omzendbrief van 4 oktober 2006 Daklozen - bevoegd OCMW - referentieadres - inschrijving en schrapping van een inschrijving (B.S. 12.10.2006) (Inforum nr. 213173)

Wet van 15 december 2005 betreffende de administratieve vereenvoudiging (B.S. 28.12.2005) en omzendbrief van 2 mei 2006 betreffende de uitbreiding van de mogelijkheden tot het gebruik van het referentieadres voor rondtrekkende bevolkingsgroepen (B.S. 06.07.2006).

KB van 20 maart 2003 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van 15, vierde lid van de wet van 1965.
 

Koninklijk besluit betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister.

Publicatie : 15-08-1992
Inwerkingtreding : 01-11-1992

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

Artikel 1. Onder bevolkingsregister moet verstaan worden het alfabetisch bestand met de gegevens over personen die bedoeld zijn in de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
Genoemd register vermeldt eveneens de gegevens betreffende de ambtenaren en andere buitenlandse personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, alsmede betreffende hun echtgenoot en de familieleden te hunnen laste, die in het Rijk gevestigd zijn overeenkomstig artikel 16 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese gemeenschappen van 8 april 1965, bekrachtigd bij de wet van 13 mei 1966, en die vermeld staan in de bevolkingsregisters.

Art. 2. Onder vreemdelingenregister moet verstaan worden het alfabetisch bestand met de gegevens over de personen bedoeld in artikel 12 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

Art. 3. De bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister maken één enkel alfabetisch bestand uit.
Met het oog op de toepassing van dit besluit worden ze de registers genoemd.

HOOFDSTUK II. - Het houden van de registers.

Art. 4. Het houden van de registers behoort tot de bevoegdheid van het college van burgemeester en schepenen.
De ambtenaar van de burgerlijke stand is in het bijzonder gelast al wat het houden van de registers betreft nauwgezet in acht te doen nemen.

Art. 5. De registers worden voortdurend bijgehouden.

Art. 6. De akten van de burgerlijke stand betreffende de personen die niet ingeschreven zijn, worden binnen acht dagen na de datum ervan bij afschrift of bij uittreksel bezorgd aan de gemeente waar die personen in de registers ingeschreven zijn.
Voor geboorten vermeldt het uittreksel uit de akte van de burgerlijke stand de afstamming en wordt er kennis van gegeven met het oog op de inschrijving in de gemeente waar het kind werkelijk zal wonen.

Art. 7. § 1. Iedereen die zijn hoofdverblijfplaats wil vestigen in een gemeente van het Rijk of deze wil overbrengen naar een andere gemeente van het Rijk moet dit aangeven aan het gemeentebestuur van de gemeente waar hij zich komt vestigen.
Als de hoofdverblijfplaats overgebracht wordt binnen dezelfde gemeente of naar het buitenland gebeurt de aangifte in de gemeente waar de persoon ingeschreven is.
§ 2. De veranderingen van hoofdverblijfplaats van de personen vermeld in artikel 1, tweede lid, worden aan de betrokken gemeenten medegedeeld door tussenkomst van de Europese Gemeenschappen.
§ 3. Wanneer een niet-ontvoogde minderjarige de verblijfplaats van zijn ouders voor het eerst verlaat om zijn hoofdverblijfplaats elders te vestigen, moet hij bij zijn aangifte vergezeld worden door de of één van de personen die het gezag over hem uitoefenen. Bij een latere verandering van verblijfplaats van deze minderjarige brengt de nieuwe gemeente van inschrijving deze personen daarvan op de hoogte.
§ 4. De aangifte bedoeld in § 1 moet binnen acht werkdagen gebeuren nadat de nieuwe woning effectief betrokken werd, of ten laatste de dag voor het vertrek bij overbrenging van de hoofdverblijfplaats naar een ander land.
Deze aangifte wordt gedaan door de referentiepersoon van het gezin wanneer het het hele gezin betreft.
§ 5. Het onderzoek van de reële verblijfplaats van een persoon die zijn hoofdverblijfplaats in een gemeente van het Rijk vestigt of die in België van verblijfplaats verandert wordt uitgevoerd door de lokale overheid binnen acht werkdagen na de in § 1 bedoelde aangifte.
Na afloop van dit onderzoek en binnen twintig dagen na de datum van aangifte, vermeld in § 1, geeft de gemeentelijke overheid er aan de gemeente van de vorige verblijfplaats ofwel kennis van dat de betrokkene ingeschreven is in de registers, ofwel dat zijn aanvraag tot inschrijving afgewezen is.
§ 6. Als er reden is tot inschrijving in een nieuwe gemeente bezorgt de gemeente van de vorige verblijfplaats, binnen acht werkdagen na de ontvangst van de in § 5 bedoelde betekening, het dossier van de betrokken persoon.
§ 7. Iedereen die het voorwerp uitmaakt van een inschrijving wordt verzocht zich onverwijld aan te melden bij het gemeentebestuur, inzonderheid om de identiteitskaart bedoeld in de wet van 19 juli 1991 of het document dat geldt als bewijs van inschrijving in de registers te laten aanvullen of vervangen.
§ 8. De gemotiveerde beslissing tot niet-inschrijving wordt ter kennis gebracht van de betrokkene.

Art. 8. Het gemeentebestuur spoort de personen op die zonder aangifte te doen in de vorm en binnen de termijn die in artikel 7 voorgeschreven wordt, hun hoofdverblijfplaats in een andere gemeente van het Rijk of in het buitenland hebben gevestigd.
Als het onmogelijk blijkt de nieuwe hoofdverblijfplaats op te sporen gelast het college van burgemeester en schepenen de afvoering van ambtswege uit de registers op basis van een verslag van het onderzoek van de ambtenaar van de burgerlijke stand, waarin hij vaststelt dat het onmogelijk is de nieuwe hoofdverblijfplaats te bepalen.
Als bij het onderzoek blijkt dat de betrokken persoon zich in het buitenland gevestigd heeft voert het college van burgemeester en schepenen hem van ambtswege af van het bevolkingsregister, tenzij hij zich bevindt in één van de gevallen van tijdelijke afwezigheid bedoeld in artikel 18, eerste lid.
De beslissingen tot afvoering van ambtswege bedoeld in het tweede en derde lid nemen aanvang op de datum van de beslissing van het college.
Als uit het onderzoek blijkt dat de betrokken persoon zijn hoofdverblijf gevestigd heeft in een andere gemeente van het Rijk wordt het bestuur van deze gemeente ervan op de hoogte gebracht.

Art. 9. Het gemeentebestuur spoort ook personen op die hun hoofdverblijfplaats gevestigd hebben in de gemeente zonder ingeschreven te zijn in de registers.
Als deze personen nooit ingeschreven waren in een gemeente van het Rijk, gelast het college van burgemeester en schepenen hun inschrijving van ambtswege op de datum waarop hun aanwezigheid in de gemeente vastgesteld werd op basis van een verslag van de ambtenaar van de burgerlijke stand.
Als deze personen verzuimd hebben de aangifte te doen die is voorgeschreven bij artikel 7, worden ze bij het gemeentebestuur ontboden om deze aangifte te doen.
Wanneer de voormelde personen geen gevolg geven aan de oproep, schrijft het college van burgemeester en schepenen hen van ambtswege in op de datum van de beslissing van het college. Van deze gemotiveerde beslissing wordt hen kennis gegeven.

Art. 10. De gemeenteraad stelt bij verordening de nadere regels vast volgens welke het in artikel 7, § 5, bedoelde onderzoek wordt ingesteld en het in de artikelen 8, tweede lid, en 9, tweede lid, bedoelde verslag wordt opgemaakt.

Art. 11. De inschrijving in de registers geschiedt op grond van :
1° ieder document dat de identiteit van de persoon vaststelt;
2° de vaststelling van de reële hoofdverblijfplaats bedoeld in artikel 7, § 5;
3° de beslissing tot inschrijving van ambtswege van het college van burgemeester en schepenen bedoeld in artikel 9, tweede en vierde lid;
4° de beslissing tot inschrijving van ambtswege van de Minister van Binnenlandse Zaken of van zijn afgevaardigde genomen op basis van artikel 8 van de voormelde wet van 19 juli 1991;
5° de beslissing, genomen overeenkomstig het bepaalde in de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die toestemming of machtiging tot het verblijf of tot de vestiging verleent.
De inschrijvingsdatum is degene die vermeld wordt in de voormelde beslissingen en documenten of die van de vaststelling van de reële verblijfplaats.
De vermelding van de personen bedoeld in artikel 1, tweede lid, gebeurt op de datum vermeld op de documenten van de Europese Gemeenschappen bedoeld in artikel 7, § 2.

Art. 12. De afvoering van de registers geschiedt op grond van de volgende documenten :
1° de overlijdensakte of een uittreksel ervan;
2° het inschrijvingsbewijs in de gemeente van de nieuwe verblijfplaats bedoeld in artikel 7, § 5;
3° de beslissing tot afvoering van ambtswege van het college van burgemeester en schepenen bedoeld in artikel 8, tweede en derde lid;
4° de beslissig van de afvoering van ambtswege van de Minister van Binnenlandse Zaken of van zijn afgevaardigde genomen op basis van artikel 8 van de voormelde wet van 19 juli 1991;
5° de beslissing, genomen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die een einde stelt aan het verblijf of de vestiging of die het verlies vaststelt van het recht of de machtiging tot verblijf of vestiging.
Voor de personen die zich in het buitenland vestigen, heeft de afvoering uit de registers plaats op basis van de aangifte van het vertrek en op de datum hiervan.
De afvoering van de personen bedoeld in artikel 1, tweede lid, gebeurt op de datum vermeld op de documenten van de Europese Gemeenschappen, bedoeld in artikel 7, § 2.

Art. 13. Wanneer een overheidsbestuur een persoon moet inschrijven die terugkomt uit het buitenland of ambtshalve afgevoerd is, geeft het van die inschrijving kennis aan de gemeente van de laatste verblijfplaats door het zenden van een inschrijvingsbewijs en verzoekt het om de overlegging van het eventuele dossier.

Art. 14. De gemeentepolitie meldt aan de bevolkingsdienst van de gemeente de personen die zich bevinden in één van de gevallen genoemd in de artikelen 8, eerste lid en 9, zulks overeenkomstig de bepalingen van de nieuwe gemeentewet.

Art. 15. De Minister van Binnenlandse Zaken bepaalt de vorm van de fiches die de registers vormen.
Het feit dat een gemeente een beroep doet op de dienst van het Rijksregister of op een erkend informatiecentrum, ontslaat haar geenszins van de verplichting om de registers bij te houden.
Op gemotiveerde aanvraag van een gemeente kan de Minister van Binnenlandse Zaken deze laatste vrijstellen van het materieel houden van de in het eerste lid bedoelde fiches, op voorwaarde dat de gebruikte informaticamiddelen een onmiddellijke raadpleging en bijwerking van de gegevens mogelijk maken en een voldoende veiligheid waarborgen tegen elke vernietiging of beschadiging van gegevens.
(De Minister van Binnenlandse Zaken kan de bevoegdheid tot vrijstelling, bedoeld in het derde lid, overdragen aan de ambtenaar die de leiding heeft van het bestuur dat bevoegd is voor de bevolking.) <KB 2001-02-13/31, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 08-03-2001>

HOOFDSTUK III. - De bepaling van de hoofdverblijfplaats.

Art. 16. § 1. De bepaling van de hoofdverblijfplaats is gebaseerd op een feitelijke situatie, dat wil zeggen de vaststelling van een effectief verblijf in een gemeente gedurende het grootste deel van het jaar.
Deze vaststelling gebeurt op basis van verschillende elementen, met name de plaats waarheen de betrokkene gaat na zijn beroepsbezigheden, de plaats waar de kinderen naar school gaan, de arbeidsplaats, het energieverbruik en de telefoonkosten, het gewone verblijf van de echtgenoot of van andere leden van het huishouden.
§ 2. Er mag geen enkele inschrijving als hoofdverblijfplaats geweigerd worden omwille van de veiligheid, de gezondheid, het urbanisme of de ruimtelijke ordening.
Ieder gezin dat om zijn inschrijving verzoekt in een gebouw, waar permanente bewoning niet is toegelaten om reden van de veiligheid, de gezondheid, het urbanisme of de ruimtelijke ordening, wordt echter voorlopig ingeschreven voor een periode van maximum drie jaar.
De inschrijving in de registers wordt definitief indien de bevoegde gemeentelijke overheid binnen drie maanden na de aanvraag de administratieve of gerechtelijke procedure, waarin door of krachtens de wet is voorzien, niet heeft ingezet om een einde te maken aan de aldus geschapen onregelmatige toestand.
Onverminderd het vorige lid neemt de inschrijving een einde zodra het gezin de plaats heeft verlaten. De inschrijving wordt definitief indien de gerechtelijke of administratieve overheid binnen drie jaar na de inschrijving niet de beslissingen en de maatregelen heeft genomen om aan de betwiste toestand een einde te stellen.
§ 3. Zo volstaat het ook niet dat iemand enkel de bedoeling uit om zijn hoofdverblijfplaats op een gegeven plaats te vestigen om voor het betrokken gemeentebestuur de inschrijving als hoofdverblijfplaats te rechtvaardigen.

Art. 17. De hoofdverblijfplaats wordt niet gewijzigd door een tijdelijke afwezigheid.

Art. 18. Worden beschouwd als tijdelijk afwezig, evenals, in voorkomend geval, de leden van hun gezin :
1° personen die verblijven in verpleeginrichtingen en andere openbare en private instellingen die zieken opvangen, rusthuizen, rust- en verzorgingstehuizen, ziekenhuizen of gedeelten van ziekenhuizen gelijkgesteld met rust- en verzoringstehuizen, psychiatrische instellingen; bejaarde personen die geplaatst werden bij particulieren door een publiek- of privaatrechtelijke instelling of door een particulier, die nog een gezin of een haardstede hebben in hun gemeente van oorsprong of die zich laten inschrijven op het adres van een onthaalgezin; ze kunnen echter altijd vragen om ingeschreven te worden in de gemeente waar ze effectief verblijven;
2° personen die minder dan een jaar afwezig zijn voor studie- of zakenreizen of reizen in verband met hun gezondheid of voor de toerisme of vakantieverblijf buiten de gemeente van inschrijving;
3° personen die omwille van beroepsredenen gedurende maximum een jaar bepaald werk of een bepaalde opdracht uitvoeren in een andere gemeente van het Rijk of in het buitenland;
4° personen die omwille van studieredenen buiten de verblijfplaats verblijven van het gezin waartoe zij behoren;
5° personen die opgesloten zijn in strafinrichtingen en inrichtingen voor sociaal verweer;
6° militair personeel en burgerpersoneel van de Belgische strijdkrachten in de B.R.D., militairen die in het buitenland gedetacheerd zijn bij hetzij internationale of supranationale organismen, hetzij bij een militaire basis in het buitenland;
(6°bis de personeelsleden van de rijkswacht die afwezig zijn uit het Koninkrijk voor meer dan een jaar, die ofwel het militaire personeel en burgerpersoneel van de Belgische strijdkrachten in de Bondsrepubliek Duitsland of in een ander land begeleiden, ofwel een specifieke opdracht vervullen in het buitenland;) <KB 1999-06-23/45, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 01-10-1999> <NOTA : Bevestigd bij KB 1999-06-23/46, art. 1; zie B.St. 22-09-1999, p. 35376>
7° dienstplichtigen onder de wapens en de gewetensbezwaarden voor de duur van hun dienst, de dienstplichtigen die vrijstelling van militaire dienst genieten krachtens artikel 16 van de op 30 april 1962 gecoördineerde dienstplichtwetten gedurende hun coöperatieopdracht;
8° Belgische diplomatieke ambtenaren, leden van het administratieve en technische personeel van de Belgische diplomatieke missies, Belgische consulaire ambtenaren en consulaire beroepswerknemers;
9° leden van het personeel van de coöperatie bedoeld in het koninklijk besluit van 10 april 1967 houdende het statuut van het personeel van de coöperatie met de ontwikkelingslanden en personen die op coöperatieopdracht gestuurd worden door verenigingen die erkend zijn door het Algemeen Bestuur voor Ontwikkelingssamenwerking voor de duur van hun coöoperatieopdracht.
Worden niet beschouwd als tijdelijk afwezig en worden ingeschreven in de registers waar ze hun effectieve verblijfplaats hebben of de gemeente waar de instelling waar ze verblijven gevestigd is :
1° de personen bedoeld in het eerste lid, 1°, die geen gezin of haardstede meer hebben in hun gemeente van oorsprong en die zich niet laten inschrijven op het adres van een onthaalgezin; deze inschrijving heeft automatisch plaats na een verblijf van één jaar in één van de instellingen die aangehaald worden in het eerste lid, 1°;
2° dienstplichtigen onder de wapens en dienstdoende gewetensbezwaarden die niet meer ten laste zijn van hun familie, beroepsvrijwilligers, vrijwilligers van alle categorieën en leden van het rijkswachtkorps voor zover ze elders geen gezin noch haardstede meer hebben;
3° gevonden of verlaten kinderen, aan pleegouders toevertrouwde wezen, die geplaatst zijn in een verblijfsinstelling of in een home voor kinderen en kinderen die bij een particulier geplaatst zijn met toepassing van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming;
4° de personen bedoeld in het eerste lid, 4°, die geen gezin noch haardstede meer hebben en die niet meer ten laste zijn van hun familie;
5° de personen bedoeld in he eerste lid, 5°, die geen gezin noch haardstede meer hebben; de inschrijving van deze personen op het adres van de instelling kan slechts gebeuren met de toestemming van het hoofd van deze instelling.

Art. 19. De vreemdelingen die deel uitmaken van het diplomatieke korps of de onschendbaarheden genieten die analoog zijn met die van het diplomatieke korps, worden niet ingeschreven in de registers.
De Belgische studenten die nooit ingeschreven waren in het Rijk of die het meer dan 5 jaar geleden verlaten hebben worden, zolang ze tijdelijk enkel in België verblijven om te studeren, in principe niet ingeschreven in de registers. Op hun verzoek kunnen ze echter ingeschreven worden in de gemeente waar ze effectief verblijven.

Art. 20. <KB 1997-02-21/32, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 16-03-1997> § 1. De personen die in een mobiele woning verblijven, worden ingeschreven in de bevolkingsregisters :
- hetzij van de gemeente waar zij ten minste zes maanden per jaar verblijven op een vast adres;
- hetzij van de gemeente waar zij over een <referentieadres> beschikken.
§ 2. De tijdelijk afwezige personen, bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2°, 6°, (6°bis), 8° en 9°, komen in aanmerking voor de toekenning van een <referentieadres> om beroepsredenen. <KB 1999-06-23/45, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-10-1999> <NOTA : Bevestigd bij KB 1999-06-23/46, art. 2; zie B.St. 22-09-1999, p. 35376>
De personen, bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2°, moeten tijdelijk en uitsluitend afwezig zijn wegens een studie- of zakenreis.
De personen, bedoeld in artikel 18, eerste lid, 6°, moeten niet ingeschreven zijn overeenkomstig artikel 1, § 2, vierde lid, van de voormelde wet van 19 juli 1991.
§ 3. De personen die, doordat zij geen of niet langer een verblijfplaats hebben, de maatschappelijke bijstand vragen in de zin van artikel 57 van de organieke wet van 8 juli 1976 op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of het bestaansminimum waarin de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum voorziet, komen in aanmerking voor de inschrijving op het adres van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente wegens een gebrek aan voldoende bestaansmiddelen.
Met het oog op hun inschrijving in de bevolkingsregisters, geeft het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn hen een document waarin wordt bevestigd dat aan de voorwaarden voor een inschrijving op het adres van het centrum is voldaan.
Na inschrijving op basis van het voormelde document, moeten de betrokken personen zich minstens een keer per trimester aanmelden bij het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn deelt aan het college van burgemeester en schepenen mee welke personen onder hen niet meer voldoen aan de voorwaarden die vereist zijn om hun inschrijving op het adres van het centrum te behouden. Na inzage van de door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn overgelegde documenten, voert het college van burgemeester en schepenen hen van het bevolkingsregister af.
§ 4. De inschrijving die overeenkomstig §§ 1 tot 3 heeft plaatsgevonden, wordt in voorkomend geval uitgebreid tot de gezinsleden van de personen die daarin worden bedoeld.
§ 5. Geen enkele vergoeding of bijdrage van welke aard ook mag als tegenprestatie voor een inschrijving op een <referentieadres> worden geëist.

HOOFDSTUK IV. - Geschillen betreffende de verblijfplaats.

Art. 21. De Minister van Binnenlandse Zaken wijst de ambtenaren aan die gemachtigd zijn om ter plaatse onderzoek uit te voeren in verband met de moeilijkheden en betwistingen betreffende de bepaling van de hoofdverblijfplaats en betreffende de maatregelen tot ambtshalve afvoering en inschrijving bedoeld in de artikelen 8 en 9.
De lokale overheden moeten bijstand verlenen aan deze ambtenaren om de vervulling van hun taak te vergemakkelijken.
De besturen die over inlichtingen beschikken die van nut zijn voor het onderzoek, zijn gehouden deze te bezorgen aan de in het eerste lid aangewezen personen.

HOOFDSTUK V. - Inspectie van de registers.

Art. 22. De Minister van Binnenlandse Zaken kan ambtenaren van zijn departement afvaardigen om de registers te inspecteren en om de instructies betreffende de veranderingen van verblijfplaats mondeling aan te vullen. Deze ambtenaren, voor zover zij gemachtigd zijn tot toegang tot het Rijksregister van de natuurlijke personen, controleren tijdens hun inspecties of de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen en van de registers overeenstemmen.

HOOFDSTUK VI. - Slot- en opheffingsbepalingen.

Art. 23. Overtreding van de artikelen 1 tot 14 (en 20) van dit besluit wordt overeenkomstig artikel 7 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen gestraft met een geldboete van zesentwintig tot vijfhonderd frank. <KB 1997-02-21/32, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 16-03-1997>

Art. 24. <Opheffingsbepaling van KB 1960-04-01/30>

Art. 25. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de derde maand die volgt op de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

Art. 26. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.

 

 

Nog dit: 

Het is In de praktijk niet steeds eenvoudig een persoon te vinden die toestaat dat een derde op zijn of haar adres een referentieadres neemt. Dit behelst inderdaad dat alle briefwisseling en betekeneningen op dit adres toekomen en dat de referentieadresverlener alle briefwisseling en betekeningen aan de ingeschreven referentiehouder dient over te maken, zonder dat de ferentiegever hiervoor een vergoeding mag ontvangen. 

De wet van 24 januari 1997 heeft de mogelijkheid ingevoerd voor daklozen om een referentieadres te nemen op de zetel van een OCMW.

Die maatregel werd genomen om de situatie van daklozen te verbeteren die bij gebrek aan voldoende middelen geen verblijfplaats (meer) hebben en geen enkel sociaal voordeel kunnen genieten waarvoor een inschrijving in het bevolkingsregister vereist is (bv. werkloosheidsuitkeringen).

Naast die mogelijkheid om het adres van het OCMW als referentieadres op te geven blijft voor daklozen de mogelijkheid om een referentieadres te nemen op het adres van een natuurlijke persoon behouden.
 

Nuttige tips: 

De inschrijving bij een private persoon (opgelet een postbus of postadres volstaat niet als referentieadres)

Werkwijze:

De persoon bij wie de inschrijving gevraagd wordt moet ingeschreven zijn in de gemeente en moet hiermee akkoord gaan. 

Formulier aanvragen bij de dienst Bevolking van de gemeente.

De persoon die het referentieadres verleent kan niet aanzien worden als samenwonend met de persoon aan wie het adres wordt verleend en kan hierdoor dus niet beperkt worden in sociale rechten (verlies of vermindering van leefloon, pensioen, werkloosheidsuitkering, verhoging van sociale huur...). Evenmin kan de persoon die het referentieadres verleent geconfronteerd worden met beslag voor eventuele schulden van de persoon aan wie het referentieadres wordt verleend.

Tussen de referentiehouder en de referentienemer wordt best een contract opgesteld met ondermeer de opgave van de identiteiten, het voorwerp van de overeenkomst, het kosteloos karakter van de overeenkomst, de verbintenis om post en betekeningen te bezorgen, de duur van de overeenkomst [...].

Commentaar: 

Voortaan kan ook elke burger, door middel van zijn elektronische identiteitskaart en de applicatie https://mijndossier.rrn.fgov.be , vanaf zijn PC rechtstreeks toegang hebben tot zijn persoonlijk dossier bij het Rijksregister. Hij dient enkel zijn elektronische identiteitskaart in een kaartlezer te stoppen en zijn PIN-code in te voeren.Het is tevens mogelijk om zijn dossier van het Rijksregister te raadplegen bij zijn gemeentebestuur.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:16
Laatst aangepast op: do, 12/04/2012 - 00:12

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.