-A +A

registratierechten op vonnissen en arresten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

 

Bij een veroordelend vonnis of arrest dat de 12.500 Euro overschrijdt, moet de verliezende partij een registratierecht betalen van 3%.

De ontvanger van de registratierechten is belast met het innen van de registratierechten op een veroordelend vonnis of arrest,  wat neerkomt op een  een "indirecte belasting.

Sedert 1989 is de winnende partij tot een bepaald plafond gehouden om de registratierechten te betalen wanneer de schuldnaar niet kan betalen.

Voor registratierechten kan gemakkelijk een afbetalingsplan bekomen. Evenzeer legt de administratie zich vlug neer ten aanzien van een verliezer, wanneer deze haar onvermogen meldt. De ontvanger heeft dan immers alle mogelijkheden om bij de eiser aan te kloppen.

Zelfs wanneer beroep wordt ingesteld is dit recht verschuldigd. Wanneer in beroep het vonnis hervormd wordt, kan het registratierecht worden teruggevorderd.

U dient als verliezende partij deze schuld aan de registratie te betalen bij voorrang boven de betaling aan de schuldeiser. Dit betekent dus dat U geen enkele betaling aan de schuldeiser mag doorvoeren zolang de registratierechten niet volledig geregeld zijn.
 

rechtspraak

• Hof van Beroep te Antwerpen, 6e Kamer – 7 februari 2006, RW, 2008-2009, 930


Wanneer de rechterdat de afstand van partijen vaststelt van hun wederzijdse vorderingen bij wederzijds akkoord, kan hieruit niet afgeleid worden dat de  voorafgaande rechterlijke beslissing op onjuiste gronden werd gewezen. In dat geval is er geen vernietiging van de eerste rechterlijke beslissing en kunnen de erop geheven registratierechten niet worden teruggegeven.

Vennootschap naar Engels recht C.E. Ltd t/ Belgische Staat, F.O.D. Financiën

...

Overwegende dat krachtens art. 208 W. Reg. regelmatig geheven rechten – zoals te dezen naar aanleiding van het vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen van 13 april 1999 – niet kunnen worden teruggegeven, behoudens ingeval aan de door art. 210 W. Reg. gestelde voorwaarden is voldaan;

Dat voornoemd art. 210 een uitzondering vormt op de algemene regel en derhalve op zeer beperkende wijze dient te worden uitgelegd;

Dat zodoende teruggave van geheven registratierechten slechts mogelijk is in geval van: 1) de gehele of gedeeltelijke vernietiging van een rechterlijke beslissing, 2) door een andere rechterlijke beslissing die in kracht van gewijsde is getreden;

Overwegende dat derhalve aan de orde is de vraag omtrent de inhoud «vernietiging van een rechterlijke beslissing»;

Dat een voorheen gewezen rechterlijke beslissing enkel wordt «vernietigd» ingeval de (nieuwe) rechter na onderzoek van de aangevoerde middelen en van het geschil zelf vaststelt dat het kwestieuze geschil onjuist werd beoordeeld (Cass. 23 mei 2003, T.F.R. 2003/75; Cass. 4 november 2004, A.R. nr. C. 03.0505 F/1);

Overwegende dat uit het onderzoek van de voorgebrachte gegevens blijkt dat dit Hof van Beroep bij arrest van 18 februari 2002 weliswaar het hoger beroep en het incidenteel beroep gegrond heeft verklaard – wat prima facie een «vernietiging» van de eerste beslissing zou kunnen inhouden – maar uitsluitend op grond van de vaststelling dat de beide partijen afstand deden van hun vorderingen ingevolge de neergelegde akkoordconclusie;

Dat voornoemde akkoordconclusie bevestigde dat beide partijen afstand deden van hun vorderingen;

Dat het Hof bijgevolg niet langer de tussen partijen bestaande betwisting diende te beoordelen ingevolge het bereikte akkoord en derhalve nopens de grond van de zaak geen oordeel velde noch vaststelde dat de eerste rechter op onjuiste gronden zijn beslissing had genomen;

Overwegende dat dan ook te dezen de vaststelling dat partijen afstand doen van hun wederzijdse vorderingen geen nieuwe beoordeling van het kwestieuze geschil betreft en zodoende geenszins als een «werkelijke vernietiging» van de eerste beslissing kan worden beschouwd;

Dat dan ook aan de voorwaarden voor de toepassing van art. 210 W. Reg. niet is voldaan;

• rb1 Hasselt dd. 26.02.2002, publicatie op fisconet

...
Gelet op :
- de inleidende dagvaarding van 14/11/1999 betekend door gerechtsdeurwaarder De Sy van Beringen;
- de geschreven besluiten van partijen en hun stukken;

1. Vordering
Eiseres verzet zich tegen het uitvoerend beslag op roerende goederen van 25/10/1999, voorhoudende dat de basis waarop de registratierechten werden geheven gewijzigd werd. Daarenboven zou ingevolge artikel 1408 § 1, 3º Ger.W. de aangeslagen goederen niet vatbaar zijn voor beslag en zou de procedure voorzien in artikel 1560 Ger.W. niet gevolgd zijn. Verweerder zou misbruik maken van het beslag- en executierecht, zodat het beslag dient geheven, minstens geschorst.

2. Voorwerp van het geschil
Bij vonnis van 08/07/1998 van de Rechtbank van Koophandel te Hasselt werd eiseres veroordeeld om 15 649 202 BEF (387 933,58 euro) te betalen aan een derde, meer interesten en kosten.
Ingevolge artikel 35, 3º lid, 142, 144, 145 en 169 van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten was eiseres een evenredig registratierecht van 3 % verschuldigd op 15 649 300 BEF (387 936,01 euro) of 469 479 BEF (11 638,08 euro);
Eiseres werd bij aangetekend schrijven van 14/07/1998 uitgenodigd dit bedrag te betalen. Bij gebreke hieraan werd er een geldboete verbeurd overeenkomstig artikel 41, 3º van voormeld wetboek van 46 000 BEF (1 140,31 euro) vóór de betekening van het dwangbevel en van 69 000 BEF (1 710,47 euro) na de betekening ervan.
Het dwangbevel werd geviseerd, uitvoerbaar verklaard en betekend met bevel tot betaling op 4/10/1999. Herhaald bevel volgde op 25/10/1999 met uitvoerend beslag van een aantal roerende goederen.

3. Beoordeling van het geschil
De beslagrechter kan zich niet over de grond van de zaak uitspreken doch enkel nagaan of het beslag rechtmatig en regelmatig werd gelegd.
De vordering van verweerder is gesteund op de wettelijke bepalingen terzake.
Eiseres stelt niet dat de berekening foutief zou zijn, doch houdt voor dat het eerste vonnis, dat als basis diende voor de berekening van de registratierechten, gewijzigd werd bij arrest van 01/03/1999 van het Hof van beroep te Antwerpen die de zaak doorhaalde, met als overweging dat de raadslieden van partijen schriftelijk mededeelden dat terzake een regeling tussen partijen werd getroffen.
Artikel 142 van het hoger vermeld wetboek stelt dat het recht vereffend wordt, in geval van veroordeling of vereffening van sommen, op 3 % voor de in alle zaken gewezen arresten en vonnissen der hoven en rechtbanken, houdende definitieve, voorlopige, voornaamste, subsidiaire of voorwaardelijke veroordeling of vereffening gaande over sommen en roerende waarden.
Eiseres verwijst naar artikel 210, dat stelt dat «in geval van gehele of gedeeltelijke vernietiging van een vonnis of arrest door een andere in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing zijn de op de vernietigde beslissing geheven evenredige rechten voor gehele of gedeeltelijk teruggaaf vatbaar», alsook naar een arrest van 24/05/2000 van het Hof van Beroep te Gent (TFR 2000, p. 921).
Van teruggave kan geen sprake zijn, nu er geen betaling is geweest. Stelt zich de vraag of door het arrest van 01/03/1999 van het Hof van Beroep te Antwerpen de basis voor de berekening van de registratierechten vernietigd of geheven werd.
Dit artikel 210, zoals alle bepalingen welke afwijken van de algemene regel van artikel 208 van hetzelfde wetboek, dient beperkend te worden geïnterpreteerd en toegepast.
Deze strikte reglementering van de mogelijkheden tot teruggave wordt gemotiveerd door de bedoeling de vastheid van de fiscale inkomsten te verzekeren en dat door allerlei manipulaties men zich hieraan zou onttrekken.
Artikel 210 vereist dan ook dat de eerste rechterlijke beslissing vernietigd wordt door een andere, in kracht van gewijsde gegane, rechterlijke beslissing.
In huidige betwisting is er geen vernietiging of opheffing van het eerste vonnis. Het arrest van 01/03/1999 heeft enkel de doorhaling van de zaak, ingeschreven op de algemene rol onder nr. 1998/AR/2593 bevolen.
Het eerste vonnis werd niet vernietigd, opgeheven, gewijzigd of zonder voorwerp verklaard. Bijgevolg was de rechtsgrond voor de berekening van de registratierechten evenals de boete niet ongedaan gemaakt en bleef eiseres deze verschuldigd. Deze situatie is verschillend van deze aangehaald in het arrest van het Hof van Beroep te Gent waar wel een vernietiging werd uitgesproken.
Verder stelt eiseres dat de inbeslaggenomen goederen niet vatbaar waren voor beslag ingevolge artikel 1408 § 1, 3º Ger.W. Zij vergeet echter dat de opmerkingen hierover bij het beslag zelf of binnen de vijftien dagen bij de gerechtsdeurwaarder diende te geschieden overeenkomstig artikel 1408 § 3 Ger.W., en dit op straffe van verval. Deze termijn is verstreken zodat het verweermiddel niet toelaatbaar is.
Daarenboven blijkt dat de bescherming van beroepsgoederen er enkel is voor fysische personen en niet voor vennootschappen.
Tenslotte stelt eiseres dat de inbeslaggenomen goederen onroerend zijn door bestemming zodat verweerder had moeten handelen overeenkomstig artikel 1560 Ger.W.;
Het herhaald bevel met uitvoerend beslag van 25/10/1999, toont duidelijk aan dat er roerende lichamelijke goederen in beslag werden genomen die deel uitmaken van de handelszaak. Het blijkt uit geen enkel concreet element dat deze goederen door incorporatie of wilsbeschikking onroerend zouden zijn geworden.
Op basis van artikel 1244 B.W. wenst eiseres dat de vervolgingen zouden geschorst worden.
Zo eiseres van oordeel was dat er ten onrechte registratierechten geheven werden, diende zij zich voor wat de grond van de zaak betreft tot de rechtbank van eerste aanleg te wenden overeenkomstig artikel 569, lid 1, 32º Ger.W. Eiseres vraagt geen verwijzing naar de fiscale rechtbank.
Eiseres heeft tijd en mogelijkheden gehad om een afbetalingsregeling te bekomen van de administratie, hetgeen zij niet gedaan heeft, zodat er geen respijttermijnen kunnen worden toegekend door de beslagrechter.
Er zijn geen aanduidingen dat verweerder misbruik gemaakt heeft van zijn beslag en/of executierecht, zodat er geen redenen zijn om deze te schorsen.
Gelet op de artikelen 2.30 tot 37 en 41 van de wet van 15.06 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Om deze redenen
Wij, Ph. Rotsaert, Beslagrechter, bijgestaan door A. Thomas, griffier,
Statuerende op tegenspraak,
Verklaren de vordering ontvankelijk, doch ongegrond;
Verwijzen eiseres tot de kosten.

• Cass. (1e Kamer) 8 september 2005, RW 2008-2009, 980

«Overwegende dat krachtens art. 208 van het Wetboek van de registratie-, hypotheek- en griffierechten de regelmatig geheven rechten niet kunnen worden teruggegeven, welke ook de latere gebeurtenissen zijn, behoudens de bij de wet bepaalde gevallen;

«Dat krachtens art. 210 van hetzelfde wetboek, in geval van gehele of gedeeltelijke vernietiging van een vonnis of arrest door een andere in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing, de op de vernietigende beslissing geheven rechten voor gehele of gedeeltelijke teruggave vatbaar zijn; dat deze uitzondering op de regel van voormeld art. 208 beperkend moet worden uitgelegd;

«Overwegende dat het op de vonnissen en arresten geheven recht bijdraagt tot dekking van de kosten van de overheidsrechtspraak;

«Overwegende dat de terugvordering op grond van art. 210 van het Wetboek van de registratie-, hypotheek- en griffierechten enkel kan worden ingewilligd indien de rechter na onderzoek van een rechtsmiddel vaststelt dat het geschil voordien onjuist is beoordeeld;

«Dat er geen vernietiging is in de zin van deze bepaling wanneer de aangevochten beslissing wordt vernietigd of gewijzigd door de rechter die zich ertoe beperkt aan een tussen partijen gesloten akkoord de vorm van een vonnis te geven;

«Overwegende dat de appelrechter oordeelt dat door de wet geen beperkingen worden gesteld met betrekking tot de redenen van de vernietiging van de eerste beslissing, zodat het geen belang heeft te onderzoeken om welke reden de eerste beslissing door de nieuwe werd vernietigd;

«Dat hij door op deze grond de teruggave te bevelen van het betaalde registratierecht art. 210 van het Wetboek van de registratie-, hypotheek- en griffierechten schendt».

dictum: vedrnietiging


• Cass. (1e Kamer) 8 september 2005, RW 2008-2009, 980


«Overwegende dat krachtens art. 1168 B.W. een verbintenis voorwaardelijk is wanneer men deze doet afhangen van een toekomstige en onzekere gebeurtenis;

«Dat een verbintenis onder een opschortende voorwaarde is aangegaan als zij afhangt van een toekomstige en onzekere gebeurtenis ofwel van een gebeurtenis die reeds heeft plaatsgehad maar aan partijen nog onbekend is;

«Dat de nakoming of de niet-nakoming van een van de verbintenissen waartoe partijen zich hebben verbonden, niet kan worden beschouwd als een opschortende voorwaarde;

«Overwegende dat het arrest oordeelt dat de sanering een van de tegenprestaties is die, naast de prijs, vereist is voor de verwerving van het goed; dat die tegenprestatie een bij de prijs te voegen last is waarop ook het registratierecht verschuldigd is;

«Dat uit dit oordeel volgt dat die verplichting geen opschortende voorwaarde kan zijn;

«Overwegende dat het arrest verder oordeelt: «het was slechts nadat uit het bodemonderzoek werd vastgesteld dat de bodem verontreinigd was, dat de sanering diende te worden uitgevoerd en dat de uiteindelijke definitieve kostprijs voor de sanering door OVAM werd bepaald»; dat derhalve, volgens het arrest, de verplichting tot sanering een opschortende voorwaarde is;

«Dat het arrest aldus zijn beslissing niet naar recht verantwoordt».



 

 

Nog dit: 

Grondwettelijk Hof, 6 juni 2013, RW 2013-2014, 222, met noot

samenvatting

1.a en 2.a Krachtens het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten dient naar aanleiding van het wijzen van bepaalde vonnissen en arresten een zogenaamd “veroordelingsrecht” te worden betaald. Aangezien dat registratierecht geen louter vergoedend karakter heeft, is het geen retributie maar een belasting. Door het bedrag van het veroordelingsrecht te laten variëren naar gelang van het bedrag van de uitgesproken veroordelingen, heeft de wetgever rekening willen houden met het geldelijk belang van de desbetreffende zaak voor de partijen in het geding en heeft hij art. 10 en 11 Gw. niet geschonden.

1.b en 2.b Omdat het veroordelingsrecht wordt geheven naar aanleiding van de rechterlijke beslissing zelf, los van het rechtsfeit waarop die beslissing betrekking heeft, is het in beginsel eveneens coherent te bepalen dat dat recht verschuldigd is, ongeacht of de veroordeling voorwaardelijk is of niet. Dat is evenwel niet het geval wanneer blijkens een rechterlijke beslissing de voorwaarde niet in vervulling is gegaan en waarbij het niet in vervulling gaan van die voorwaarde leidt tot een resultaat dat gelijk is aan dat van het afwijzen van een verzoek. In dat geval schendt art. 142 Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten art. 10 en 11 Gw.

Tekst arrest

Arrest nr. 80/2013

Onderwerp van de prejudiciële vragen

Bij arrest van 9 oktober 2012 heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vragen gesteld:

“1. Schendt art. 142 Wetboek Registratierechten art. 10 en 11 Gw., in zoverre het zogenaamde veroordelingsrecht een evenredig recht betreft van 3%, terwijl de dienst die door het gerecht wordt verstrekt aan de partijen dezelfde is, ongeacht het bedrag van de veroordeling?

2. Schendt art. 142 Wetboek Registratierechten art. 10 en 11 Gw., in zoverre het zogenaamde veroordelingsrecht van 3% zowel verschuldigd is op een voorwaardelijke veroordeling tot betaling van sommen of roerende waarden, en dit zelfs als de voorwaarde niet in vervulling gaat, terwijl art. 16 Wetboek Registratierechten voor wat andere belastbare rechtshandelingen onder opschortende voorwaarde betreft belet dat het evenredig recht verschuldigd wordt zolang de voorwaarde niet in vervulling is gegaan?”.

...

In rechte

...

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de situering ervan

B.1. Krachtens het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten dient naar aanleiding van het wijzen van bepaalde vonnissen en arresten een evenredig registratierecht (hierna: veroordelingsrecht) te worden betaald.

Art. 35, derde lid van dat Wetboek bepaalt dienaangaande:

“De verplichting tot betaling van de rechten waarvan de vorderbaarheid blijkt uit arresten en vonnissen van hoven en rechtbanken houdende veroordeling, vereffening of rangregeling rust:

1o op de verweerders, elkeen in de mate waarin de veroordeling, vereffening of rangregeling te zijnen laste wordt uitgesproken of vastgesteld, en op de verweerders hoofdelijk in geval van hoofdelijke veroordeling;

2o op de eisers naar de mate van de veroordeling, vereffening of rangregeling, die ieder van hen heeft verkregen, zonder evenwel de helft van de sommen of waarden die ieder van hen als betaling ontvangt te overschrijden”.

Uit deze bepaling volgt dat de betaling van het veroordelingsrecht kan worden gevorderd van de verweerders of van de eisers, zij het dat voor die laatsten geldt dat dit slechts kan wanneer zij betaling hebben verkregen en in zoverre het gevorderde bedrag de helft van de door hen als betaling ontvangen sommen of waarden niet overschrijdt.

B.2. De prejudiciële vragen betreffen art. 142 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, dat bepaalt:

“Het recht wordt vastgesteld op 3 pct. voor de in alle zaken gewezen arresten en vonnissen der hoven en rechtbanken, houdende definitieve, voorlopige, voornaamste, subsidiaire of voorwaardelijke veroordeling of vereffening gaande over sommen en roerende waarden, met inbegrip van de beslissingen van de rechterlijke overheid houdende rangregeling van dezelfde sommen en waarden.

“Het recht wordt vereffend, in geval van veroordeling of vereffening van sommen en roerende waarden, op het samengevoegd bedrag, in hoofdsom, van de uitgesproken veroordelingen of van de gedane vereffeningen ten laste van eenzelfde persoon, afgezien van de intresten waarvan het bedrag niet door de rechter is becijferd en kosten, en, in geval van rangregeling, op het totaal bedrag der aan de schuldeisers uitgedeelde sommen”.

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag

B.3. Met de eerste prejudiciële vraag wordt het Hof ondervraagd over de verenigbaarheid met art. 10 en 11 van de Grondwet, van de in het geding zijnde bepaling, doordat zij het bedrag van het veroordelingsrecht vaststelt op 3% van het samengevoegde bedrag, in hoofdsom, van de uitgesproken veroordelingen, waardoor het verschuldigde recht verschilt naar gelang van het bedrag van de uitgesproken veroordelingen, terwijl de kostprijs van de dienst die door het gerecht wordt verstrekt aan de partijen niet verschilt naar gelang van het bedrag van de veroordelingen.

B.4. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, alsmede uit de wijze waarop de prejudiciële vraag is geformuleerd, blijkt dat het verwijzende rechtscollege oordeelt dat het veroordelingsrecht dient te worden beschouwd als een vergoeding van de door het gerecht geleverde dienst.

Dat uitgangspunt vindt steun in de parlementaire voorbereiding van diverse wetten die de modaliteiten van het veroordelingsrecht in het verleden hebben gewijzigd (zie onder meer Parl.St. Kamer 1985-86, nr. 135/2, p. 4, en nr. 135/3, p. 7; Parl.St. Senaat 1989-90, nr. 806-1, p. 29 en 32, en nr. 806-3, p. 36; Parl.St. Kamer 1989-90, nr. 1026/5, p. 52).

B.5. Om de prejudiciële vraag te kunnen beantwoorden, dient vooraf te worden onderzocht of het veroordelingsrecht dient te worden gekwalificeerd als een belasting dan wel als een retributie.

B.6. Opdat een heffing kan worden gekwalificeerd als een retributie is niet alleen vereist dat het gaat om de vergoeding van een dienst die de overheid presteert ten voordele van de heffingsplichtige individueel beschouwd, maar ook dat zij een louter vergoedend karakter heeft, zodat er een redelijke verhouding moet bestaan tussen de kostprijs of de waarde van de verstrekte dienst en het bedrag dat de heffingsplichtige verschuldigd is.

De omstandigheid dat de wetgever een heffing motiveert als een vergoeding van een door de overheid geleverde dienst, zoals te dezen het geval is, volstaat bijgevolg op zich niet om die heffing te kwalificeren als een retributie.

B.7. Omdat de in het geding zijnde bepaling voorziet in een evenredig registratierecht, vastgesteld op 3% van het samengevoegde bedrag, in hoofdsom, van de uitgesproken veroordelingen, neemt het bedrag van dat recht toe in verhouding tot het bedrag van de uitgesproken veroordelingen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de werkelijke kostprijs of de waarde van de door het gerecht verrichte dienst. Bovendien wordt het veroordelingsrecht slechts geheven in geval van een veroordeling en dus niet wanneer een verzoek wordt afgewezen, terwijl aan de dienst die het gerecht verricht bij het afwijzen van een verzoek eveneens een kostprijs is verbonden. Ten slotte voorziet art. 143 Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten in een aantal gevallen waarin het veroordelingsrecht niet wordt geheven. Dit is onder meer het geval wanneer het samengevoegde bedrag van de uitgesproken veroordelingen en van de gedane vereffeningen ten laste van eenzelfde persoon, of van de aan de schuldeisers van eenzelfde persoon uitgedeelde sommen, 12.500 euro niet overtreft.

B.8. Daaruit blijkt dat het veroordelingsrecht geen louter vergoedend karakter heeft en bijgevolg niet kan worden beschouwd als een retributie. Het betreft daarentegen een belasting die bestemd is om de uitgaven van de overheid in het algemeen te dekken (zie ook HvJ 26 oktober 2006, C-199/05, Europese Gemeenschap t/ Belgische Staat). In art. 1 Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten worden de registratierechten overigens uitdrukkelijk omschreven als belastingen.

B.9. Het bepalen van het belastingtarief komt de bevoegde fiscale wetgever toe. Hij beschikt ter zake over een ruime beoordelingsbevoegdheid.

B.10. Omdat het veroordelingsrecht niet kan worden beschouwd als een retributie, verplichten art. 10 en 11 Gw. de wetgever niet om bij het bepalen van het tarief van dat recht rekening te houden met de kostprijs van de door het gerecht verstrekte dienst.

B.11. Door het bedrag van het veroordelingsrecht te laten variëren naar gelang van het bedrag van de uitgesproken veroordelingen, heeft de wetgever rekening willen houden met het geldelijk belang van de desbetreffende zaak voor de partijen in het geding, welke keuze niet zonder redelijke verantwoording is.

B.12. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag

B.13. Met de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof ondervraagd over de verenigbaarheid met art. 10 en 11 Gw., van de in het geding zijnde bepaling, doordat het veroordelingsrecht verschuldigd is bij een voorwaardelijke veroordeling tot het betalen van sommen of roerende waarden, en dit zelfs als de voorwaarde niet in vervulling gaat, terwijl art. 16 Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten voor andere belastbare rechtshandelingen onder opschortende voorwaarde bepaalt dat het evenredig registratierecht niet verschuldigd is zolang de voorwaarde niet in vervulling gaat.

B.14. De in het geding zijnde bepaling bepaalt uitdrukkelijk dat het veroordelingsrecht ook verschuldigd is wanneer de veroordeling voorwaardelijk is.

B.15. Art. 16 Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten bepaalt daarentegen:

“De rechtshandeling waarop het evenredig recht verschuldigd is, doch welke aan een schorsende voorwaarde onderworpen is, geeft alleen tot heffing van het algemeen vast recht aanleiding zolang de voorwaarde niet is vervuld.

“Wordt de voorwaarde vervuld, zo is het recht verschuldigd dat bij het tarief voor de handeling is vastgesteld, behoudens toerekening van het reeds geheven recht. Het wordt berekend naar het tarief dat van kracht was op de datum waarop het recht aan de Staat zou verworven geweest zijn indien de handeling een onvoorwaardelijke was geweest, en op de bij dit wetboek vastgelegde en op de datum van de vervulling der voorwaarde beschouwde belastbare grondslag”.

B.16.1. De parlementaire voorbereiding van de wet van 12 juli 1960 “tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en van het Wetboek der zegelrechten, met betrekking tot de gerechtelijke akten” vermeldt met betrekking tot het veroordelingsrecht:

“Daar de oorzaak van het recht [...] niet gelegen is in het bestaan van een overeenkomst, maar wel in het enkel feit van de veroordeling, de vereffening of rangregeling, moet dit recht normaal buiten het toepassingsgebied blijven van de bepalingen van het Wetboek (art. 12, 13, 14, 15 en 16) die, wanneer het om overeenkomsten gaat, de invloed bepalen van de regel non bis in idem of van de verschillende modaliteiten waaronder die overeenkomsten kunnen afgesloten zijn. In het bevel van het gerecht ligt de oorzaak van eisbaarheid van het recht [...]; het is derhalve van belang nauwkeurig de gevolgen vast te stellen van de modaliteiten waarmee dit bevel kan omgeven zijn. De thans in voege zijnde tekst onderwerpt de definitieve of voorlopige, de voornaamste of subsidiaire veroordelingen tot sommen en roerende waarden aan het recht [...]. Dat de veroordeling niet actueel is, heeft derhalve geen belang. Onder dit oogpunt bestaat er geen reden toe de heffing van het recht [...] uit te sluiten wanneer de veroordeling voorwaardelijk is. Het rechterlijk bevel heeft zijn volle waarde van zodra het geformuleerd is, en men kan aan het Bestuur de zorg niet overlaten om na te gaan welk gebruik de aanlegger zal maken van de titel die hem, op zijn vraag, werd verleend. In deze gedachtegang bevestigt de voorgestelde tekst uitdrukkelijk dat het recht [...] zowel op de voorwaardelijke als op de subsidiaire veroordelingen eisbaar is” (Parl.St. Kamer 1959-60, nr. 485/1, p. 9).

“Het evenredig recht [...] dat hier geheven wordt is geen titelrecht en slaat niet op de overeenkomsten waarvan het bestaan in het vonnis vastgesteld wordt. Zulks blijkt niet alleen uit het verslag aan de Koning, dat aan het koninklijk besluit van 1936 voorafgaat, maar wordt uitdrukkelijk bevestigd in het nieuwe artikel 149 hetwelk bepaalt dat “... de vonnissen en arresten geen evenredig recht eisbaar maken uit hoofde van de overeenkomsten waarvan zij het bestaan vaststellen”. Bewust recht is evenmin een overdrachtsrecht, want dan zou het slechts verschuldigd zijn op de actuele veroordelingen, en zelfs blijkens sommige auteurs van vóór 1936, op de uitvoering van het vonnis. Neen. Het evenredig recht [...] is een “veroordelingsrecht” waarvan de “debitio” zijn oorsprong vindt in het geven van het rechterlijk bevel. Het is, zoals Genin het reeds uitdrukte, “een taks ten laste van degenen welke beroep doen op het gerecht en die de vergelding vertegenwoordigt van de bewezen dienst”. Het is ter wille van deze aard dat de artikelen 142 (nieuw) en volgende terecht bepalen dat de taks verschuldigd is ongeacht de vraag te weten of de veroordeling actueel of toekomstig, voorwaardelijk of onvoorwaardelijk, in hoofdorde of in bijkomende orde gegeven wordt” (Parl.St. Kamer 1959-60, nr. 485/2, p. 3-4).

B.16.2. Daaruit blijkt dat het in het geding zijnde verschil in behandeling is ingegeven door de verschillende aard van de desbetreffende registratierechten. Terwijl het veroordelingsrecht wordt beschouwd als een vergoeding – in abstracto – van de door het gerecht geleverde dienst en om die reden wordt geheven op “het enkel feit van de veroordeling, de vereffening of rangregeling”, worden de overige evenredige registratierechten in beginsel geheven naar aanleiding van goederen- of waardeverplaatsingen die voortvloeien uit privaatrechtelijke rechtshandelingen. Omdat de goederen- of waardeverplaatsing bij een verbintenis onder een opschortende voorwaarde, zoals bedoeld in art. 1181 BW, slechts wordt gerealiseerd op het ogenblik dat de voorwaarde in vervulling gaat, is het coherent te bepalen dat de evenredige registratierechten pas op dat ogenblik verschuldigd worden. Omdat het veroordelingsrecht wordt geheven naar aanleiding van de rechterlijke beslissing zelf, los van het rechtsfeit waarop die beslissing betrekking heeft, is het in beginsel eveneens coherent te bepalen dat dat recht verschuldigd is, ongeacht of de veroordeling voorwaardelijk is of niet.

B.17.1. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt evenwel dat de voorwaarde vervat in de voorwaardelijke veroordeling nooit in vervulling is gegaan. Dit leidt tot een resultaat dat gelijk is aan dat van het afwijzen van het verzoek.

B.17.2. Het is niet redelijk verantwoord dat het veroordelingsrecht verschuldigd is naar aanleiding van een voorwaardelijke veroordeling waarbij de voorwaarde niet in vervulling gaat en waarbij het niet in vervulling gaan van die voorwaarde leidt tot een resultaat dat gelijk is aan dat van het afwijzen van een verzoek, terwijl dat recht, zoals in herinnering is gebracht in B.7, niet verschuldigd is naar aanleiding van een vonnis of een arrest waarbij het verzoek uitdrukkelijk wordt afgewezen.

B.18. De tweede prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord, in zoverre de in het geding zijnde bepaling verplicht tot het betalen van het veroordelingsrecht naar aanleiding van een voorwaardelijke veroordeling waarbij blijkens een rechterlijke beslissing de voorwaarde niet in vervulling is gegaan en waarbij het niet in vervulling gaan van die voorwaarde leidt tot een resultaat dat gelijk is aan dat van het afwijzen van een verzoek.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:13
Laatst aangepast op: za, 05/10/2013 - 09:29

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.