-A +A

schadebeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een schadebeding of strafbeding heeft een essentieel vergoedend karakter en mag aldus  slechts een forfaitaire vergoeding inhouden voor de schade die de schuldeiser kan lijden ten gevolge van de wanprestatie van de schuldenaar, bij gebreke waaraan het beding strijdig is met artikel 6 en 1131 B.W.

de maatstaf van de "potentieel voorzienbare schade":

Om te beoordelen of men te maken heeft met een geoorloofd strafbeding dient men zich te plaatsen op het ogenblik van de contractsluiting en na te gaan of de overeengekomen som, op dat ogenblik beschouwd, een begroting kon zijn van de schade die uit de door het strafbeding geviseerde wanprestatie kon voortvloeien.

Het burgerlijk wetboek omschrijft de wettelijke bepalingen betreffende straf- of
schadebedingen in de artikelen 1226 BW tot en met 1231 BW. Deze artikelen werden fundamenteel gewijzigd door de Wet van 23 november 1998, vooral wat betreft de artikelen 1226 BW en 1231 BW.
Artikel 1226 BW definieert het strafbeding als een beding waarbij een persoon zich voor het geval van niet-uitvoering van de overeenkomst verbindt tot betaling van een forfaitaire vergoeding van de schade die kan worden geleden ten gevolge van de niet-uitvoering van de overeenkomst.
 

Vereisten waaraan een strafbeding moet voldoen:

Uit artikel 1226 B.W. kunnen een aantal elementen afgeleid worden waaraan een strafbeding moet voldoen opdat het geldig zou zijn aangegaan:

•  Indemnitair karakter

thans bij wet vastgelegd. Voorheen was het indemnitair karakter vereist ingevolgde de rechtspraak (Cass., 17 april 1970, A.C., 1970, 754; zie ook  CORNELIS, L., 'Lief zijn voor het verbintenissenrecht (over het virtuele
strafbeding)', T.B.H., 2000, 7-11)
Een 'strafbeding' eigenlijk kan enkel een 'schadebeding' zijn en mag enkel slaan op de vergoeding van een door de schuldeiser geleden schade. Het schadebeding mag nooit tot doel hebben een dwangmiddel of een straf
te voorzien ten aanzien van de in gebreke blijvende schuldenaar.
(contra: de voorbereidende werkzaamheden waarin sprake is van een drukkingsmiddel, (zie Parl. St., Kamer, 1997-98, n°
1373/1, 2-4; DEMUYNCK, I., De nieuwe wet op de strafbedingen: het matigingsrecht gelegaliseerd, R.W.,1999-2000, 105).

Het beding dat een bestraffend karakter heeft in plaats van een louter vergoedend karakter maakt het voorwerp uit van de rechterlijke matigingsbevoegdheid

• forfaitair karakter

Bij de contractssluiting, voorafgaand aan de wanprestatie wordt bij overeenkomst het bedrag van de eventueel te betalen schadevergoeding vastgelegd. Dit impliceert dat de partijen op dat ogenblik de schade niet precies kunnen ramen. Het criterium waarmee de partijen rekening moeten houden bij deze forfaitaire schadebepaling is de potentieel voorzienbare schade. De partijen dienen zich dus de vraag te stellen wat het schadebedrag kan zijn 'ter vergoeding van de schade die kan worden
geleden ten gevolge van de niet-uitvoering van de overeenkomst'.

Dit criterium wordt thans ingeschreven in de wet doch bestond reeds eerder ingevolge de rechtspraak van het Hof van Cassatie  (Cass., 17 april 1970, A.C., 1970, 754).

voorbeelden van voorzienbare schade:
- bank en kredietkosten;
- winstderving;
- administratieve kosten,
- kosten van nieuwe prospectie en bevoorrading bij een andere leverancier, ...

Door de 'forfaitaire' bepaling van de schadevergoeding is de vergoeding verschuldigd zelfs wanneer op het ogenblik van de wanprestatie zou blijken dat
zich in werkelijkheid geen of slechts een mindere schade heeft voorgedaan dan diegene diede partijen forfaitair bepaald hebben, onverminderd de matigingsbevoegdheid van de rechter.

Voorbeelden van strafbedingen die niet voldoen aan de toets van de potentieel voorzienbare schade:

- het strafbeding dat voorziet in een vergoeding die veel hoger is dan de som die zou verkregen zijn indien de overeenkomst correct zou zijn uitgevoerd (Cass., 17 april 1970, A.C., 1970,
- het strafbeding dat voorziet in een vergoeding die helemaal niet in verhouding staat met de schade die hij kan lijden bij de niet uitvoering van
het contract (Cass., 28 november 1991, J.L.M.B., 1992, 290).

Niettegenstaande de effectief geleden schade in beginsel géén criterium uitmaakt om over de geldigheid van een schadebeding te oordelen oordeelde   Cassatie in 1996 beslist dat de werkelijk geleden schade wél een
element kan zijn dat mee in overweging kan genomen worden bij het bepalen van het al dan niet geoorloofde karakter van een strafbeding, doch dat dit niet het enige criterium kan zijn (Cass., 29 februari 1996, A.C., 1996, 208; DEMUYNCK, I., o.c., 106). De werkelijk geleden schade kan met andere woorden onder omstandigheden, samen met andere elementen door
de rechten in overweging genomen worden om te bepalen welke de schade was die partijen hadden kunnen voorzien op het ogenblik van de totstandkoming van de overeenkomst.

• een strafbeding impliceert contractuele wanprestatie

vb. Niet of niet tijdige betaling, · Niet (volledige) of niet tijdige levering van contractueel overeengekomen goederen of diensten, Vroegtijdige verbreking van de lopende overeenkomst anders dan deze voorzien in het contract.

Aldus is een verbrekingsvergoeding evenwel niet te aanzien als een strafbeding (Cass., 8 december 1988, Pas., 1989, I, 389; Cass., 6 december 1996,
A.J.T., 1997-98, 102-105; Gent, 22 januari 2003, RABG, 2004/7, 431; SCHRAEYEN, J., 'Het gemeenrechtelijk strafbeding getoetst', Jura falconis, 2000-01, 525;

Een verbrekingsvergoeding voorziet in een te betalen som bij de uitoefening van een contractueel voorzien recht. Bij een verbrekingsvergoeding is er dus geen wanprestatie.

Over de schemerzone tussen verbrekingsvergoeding en strafbeding, zie: PASCARIELLO, R., 'De verbrekingsvergoeding als tegenprestatie voor het eenzijdig verbrekingsrecht van de schuldenaar', noot onder Cass., 6 december 1996; A.J.T., 1997-98, 102-105;PASCARIELLO, R., 'Schadebeding versus annulatiebeding', noot onder Gent, 8 januari 1997, A.J.T., 1997-98, 5-7; VAN RAEMDONCK, K., 'Einde van de omzeiling van het verbod op strafbedingen via de bedongen vergoeding voor de uitoefening van een contractueel
eenzijdig verbrekingsrecht bij overeenkomsten met opeenvolgende prestaties?', noot onder Brussel, 12 december 1995, R.W., 1996-97, 988).

De matigingsbevoegdheid van de rechter ten aanzien van strafbedingen:

Voor de wetswijziging van 1998 kon de rechter (ondanks prgamatische benaderingen van lagere rechtbanken), enkel tot nietigheid besluiten van de overdreven bedingen op basis van art. 6 en 1131 BW.

Het artikel 1231, §1 BW voorziet thans in een wettelijke matigingsbevoegdheid waarbij aan de rechter uitdrukkelijk het recht gegeven, op verzoek van de tegenpartij of zelfs ambtshalve zonder dat de partijen hierom verzoeken, om een schadebeding dat volgens zijn beoordeling te hoog is eventueel te matigen en dus de omvang ervan terug te brengen tot aanvaardbare proporties.

Partijen kunnen niet conventioneel verzaken aan de matigingsbevoegdheid van de rechter, wel aan de vereiste van art. 1230 B.W. tot voorafgaande aangetekende ingebrekestelling.

Opgelet verbrekingsvergoedingen die geen strafbedingen zijn, kunnen geen aanleiding geven tot matiging.

Het schadebeding in de WHPC (ten aanzien van consumenten):

Artikel 32, 15° WHPC  bepaalt dat de vergoeding die opgelegd wordt aan de
consument indien deze zijn vergoeding niet nakomt gepaard moet gaan met een
gelijkwaardige vergoeding ten laste van de verkoper. Artikel 31, 21° op zijn beurt voorziet dat de bedragen van de opgelegde schadevergoeding bij niet-uitvoering of vertraagde uitvoering van zijn verbintenissen door de consument, evenredig moeten zijn aan het nadeel dat door de verkoper kan worden geleden. Opgelet bedingen strijdig met de WHPC kunnen geen aanleiding geven tot matiging. De sanctie is de nietigheid.

 

Het hof van Beroep te Antwerpen, stelde in haar arrest van 20/09/06 (R.W. 2006-2007, 791 met noot) dat ook na de inwerkingtreding van de wet van 21 november 1998 tot wijziging van het B.W. wat het strafbeding en de moratoire interest betreft de mogelijkheid blijft bestaan om op basis van het gemeen recht de nietigheid van het strafbeding te vorderen wegens strijdigheid met de openbare orde. De omstandigheid dat de schuldeiser ingevolge het strafbeding de mogelijkheid wordt gelaten om bovenop de forfaitaire vergoeding, nog een bijkomende vergoeding te eisen voor alle bijkomende schade die zou kunnen bewezen worden wanneer hij de gedwongen uitvoering van de overeenkomst vordert, heeft evenwel niet tot gevolg dat het beding een verboden strafbeding wordt. Hetzelfde arrest vervolgt dat ook na de wet van 1998 de rechter een schadebeding kan beoordelen op grond van rechtsmisbruik, waarbij de sanctie er dan in bestaat het schadebeding te verminderen tot hetgeen bij normaal gebrek geoorloofd zou zijn.

Zie ook: Gent 08/02/2006, DCCR N° 72, 51:

Bedingen die tot doel hebben de forfaitaire vergoeding vast te leggen die de consument moet betalen in geval van eenzijdige beëindiging van de overeenkomst conform 1794 B.W. zijn geen schadebedingen en kunnen niet getoetst worden aan art. 32,15° en 21° van de wet handelspraktijken. Maar dit neemt niet weg dat op deze bedingen art. 31 van de zelfde wet kan toegepast. Art. 31 verbiedt bedingen die een kennelijk onevenwicht creëren tussen rechten en plichten van partijen. zie noot onder Gent 08/02/2006, DCCR N° 72, 51.

opzegbeding versus schadebeding

In tegenstelling tot schadebedingen kunnen opzegbedingen niet getoetst worden aan het artikel 1231 van het Burgerlijk Wetboek en het artikel 32, 15° en 21° van de wet op de handelspraktijken.

Een bij overeenkomst forfaitair bepaald bedrag dat de ene partij aan de andere partij moet betalen als ze de overeenkomst voortijdig wil beëindigen, is geen schadebeding maar wel een opzeg beding dat ze niet met dezelfde criteria kan worden beoordeeld als een schadebeding. zie De cassatiearresten van 30 augustus 2001, 22 oktober 1999, 6 december 1996, AJT 1997-1998,102 met noot, 8 december 1988, 22 mei 1986. Zie ook Van Oevelen in actuele jurisprudentie en de legislatieve ontwikkelingen inzake de sancties bij niet naleving van de contractuele verbintenissen in het rechtskundig weekblad van  1994-1995, 803.

Een dergelijk beding behoort tot de wilsautonomie van de partijen en het komt  de rechter niet toe de verhoudingen tussen de overeengekomen bedragen en de schade die door de eenzijdige verbreking kon worden verwacht, te beoordelen.

Zo wordt door artikel 1794 van het burgerlijk wetboek bepaald dat de opdrachtgever de aanneming tegen vaste prijs door zijn enkele wil kan verbreken, ook al is het werk reeds begonnen, mits hij de aannemer schadeloos stelt voor al zijn uitgaven, al zijn arbeid en alles wat hij bij die aanneming had kunnen winnen. In een dergelijke overeenkomst kan de conform artikel 1794 Burgerlijk Wetboek bepaalde schadevergoeding worden geconcretiseerd. Dit opzegbeding is alsdan geldig en kan niet worden gematigd op grond van de wet van 23 november 1998 tot wijziging wat het strafbeding en de moratoire intresten betreft in het Burgerlijk Wetboek, aangezien het geen schadebeding is. Op deze rechtsverhouding kan evenmin artikel 32, 15e, 16e en ten 21e van de wet op de handelspraktijken worden toegepast, gezien deze bepalingen enkele betrekking hebben op schadebedingen.

Opzegbedingen bepalen een vergoeding die een partij verschuldigd is wegens de uitoefening van haar recht om de overeenkomst eenzijdig te beëindigen.

Schadebedingen bepalen de vergoeding die betaald moet worden wanneer men zich schuldig maakt aan een contractuele wanprestatie

opzegbedingen blijven toetsbaar aan de openbare orde en mogen zo onder meer geen speculatief karakter hebben. Opzegbedingen mogen bovendien getoetst worden aan artikel 31 van de wet op de handelspraktijken dat een kennelijk onevenwicht verbiedt tussen rechten en plichten van de partij.

 

Rechtspraak: Hof van beroep Gent 6 juni 2007, NJW 178,224

Wanneer in een overeenkomst met een vastgoedmakelaar een beding voorkomt waarbij een vergoeding van de consument wordt geëist, wanneer deze de verkoop onmogelijk maakt, maakt zulks een schadebeding uit. wanneer er geen wederkerigheid is in hoofde van de vastgoedmakelaar voor de toepassing van dit beding, is dit beding nietig.

Dit neemt niet weg dat de consument een vergoeding verschuldigd is aan de vastgoedmakelaar wanneer de consument de overeenkomst opzegt. De vergoeding is verschuldigd in toepassing van artikel 1794. De makelaar kan aanspraak maken op de terugbetaling van de gemaakte kosten en op een vergoeding voor de gemiste kans.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: wo, 26/05/2010 - 18:12

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.