-A +A

schuldig verzuim

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Voor wie het hazenpad kiest.

Wanneer verlaten een misdrijf wordt
Vluchten en verzuimen
Vluchten om te verzuimen
Verzuimen te helpen

Het misdrijf van het niet verlenen van bijstand aan een persoon in gevaar als bedoeld in art. 422bis Sw. onderstelt, naast het op de hoogte te zijn van het groot en ogenblikkelijk gevaar waarin het slachtoffer verkeert, de opzettelijke weigering het slachtoffer de hulp te verschaffen waardoor dat gevaar in de mate van het mogelijke wordt afgewend; op grond van voormeld misdrijf straft de wet de bewuste en opzettelijke onverschilligheid, de egoïstische weigering om hulp te bieden en niet de ondoeltreffendheid, onhandigheid of ontoereikendheid van de hulp die op grond van een beoordelingsfout of een verkeerde diagnose is verleend.
 

 

Men begaat het misdrijf van schuldig verzuim wanneer men verzuimt hulp te verlenen aan een persoon in groot gevaar. Men maakt zich aldus schuldig aan schuldig verzuim wanneer men een ongeval veroorzaakt en geen hulp verleent aan een in gevaar zijnd slachtoffer, hetgeen het geval zal zijn wanneer men op de vlucht slaat en een ernstig gewond slachtoffer achterlaat. Schuldig verzuim wordt strafbaar gesteld met gevangenisstraf van 8 dagen tot een jaar en een geldboete van vijftig tot 500 euro. Verzwaring van de straf wordt voorzien wanneer het slachtoffer minderjarig is of wanneer de motieven van het verzuim ingegeven zijn door specifieke motieven zoals racisme. De wet eist terzake niet dat u heldendaden stelt. Voor het misdrijf is immers vereist dat de verzuimer kon helpen zonder gevaar voor zichzelf of de andere.
 
Deze strafbepaling zet het morele gebod tot hulpvaardigheid aan mensen in nood om in een afdwingbare juridische plicht om aldus solidariteit en bewustwording tussen de mensen te bekomen.
Vluchtmisdrijf is een gans ander misdrijf. (zie onderstaande links)
 
Rechtspraak
 
• Hof van Cassatie, 2e Kamer – 1 februari 2012, RW 2012-2013, 702

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing op de strafvordering

Ambtshalve middel: schending van art. 422bis Sw.

De eiseres werd veroordeeld wegens het niet verlenen van bijstand aan een persoon in gevaar, omdat zij als arts verzuimd heeft persoonlijk een medisch onderzoek uit te voeren of maatregelen te treffen opdat een gynaecoloog dat onderzoek onverwijld zou verrichten bij een jonge patiënte van haar die aan abnormaal bloedverlies leed.

Het arrest wijst erop dat de bloedingen in kwestie, waarvan zij op de hoogte was, abnormaal waren gezien de voorbehoedsmiddelen die de eiseres aan die patiënte had voorgeschreven en waarvan zij de uitwerking kende.

Het arrest leidt daaruit af dat de eiseres de symptomen waarvan zij kennis kreeg diende te zien als een ernstig risico voor de gezondheid van het meisje “zo niet onmiddellijk, dan toch op korte of middellange termijn”.

Volgens de appelrechters was de eiseres in haar hoedanigheid van arts bevoegd om zich rekenschap te geven van het gevaar dat het meisje liep bij een “mogelijk” negatief verloop van haar gezondheidstoestand.

Het gevaar dat in art. 422bis Sw. wordt bedoeld brengt echter alleen de verplichting mee om hulp te bieden, op voorwaarde dat dit met name ogenblikkelijk, dus dreigend en reëel is. Dit sluit een situatie uit waarin er alleen mogelijkheid van gevaar is.

Het arrest breidt op onrechtmatige wijze de draagwijdte van de misdrijfomschrijving uit, door aan te nemen dat de verplichting om hulp te bieden niet alleen kan ontstaan als het slachtoffer blootstaat aan een reëel en ogenblikkelijk gevaar, maar ook als het niet blootstaat aan een dergelijk gevaar.

De veroordeling is bijgevolg niet naar recht verantwoord.

• Cassatie 07/11/2012, AR nr. P.12.0905.F, RW 2013-2014, 101

M.V. t/ M.M.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel, correctionele kamer, van 20 april 2012.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de tegen de eiseres ingestelde strafvordering

Middel

Het misdrijf van het niet verlenen van bijstand aan een persoon in gevaar, als bedoeld in art. 422bis Sw., onderstelt, naast het feit op de hoogte te zijn van het groot en ogenblikkelijk gevaar waarin het slachtoffer verkeert, de opzettelijke weigering het slachtoffer de hulp te verschaffen waardoor dat gevaar in de mate van het mogelijke wordt afgewend. Op grond van voormeld misdrijf straft de wet de bewuste en opzettelijke onverschilligheid, de egoïstische weigering om hulp te bieden en niet de ondoeltreffendheid, onhandigheid of ontoereikendheid van de hulp die op grond van een beoordelingsfout of een verkeerde diagnose is verleend.

Uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat:

– het slachtoffer, een jong meisje van achttien, op 10 december 2002 rond middernacht werd opgenomen in de dienst polyvalente intensieve zorgen van het universitair ziekenhuis Saint-Luc;

– de eiseres, assistent-kandidaat-specialist interne geneeskunde, in het vierde jaar van haar opleiding, in die dienst van wacht was en er zorg droeg voor eenentwintig patiënten;

– er om twintig minuten na middernacht op het meisje een lumbale punctie werd uitgevoerd;

– de eiseres rond half twee de uitslag van die punctie en van een bloedproef heeft onderzocht;

– het uit het ruggenmerg afgenomen hersenvocht helder en niet etterend was, waardoor etterende meningitis kon worden uitgesloten, maar niet meningokokkensepsis;

– de eiseres om twee uur ’s ochtends een nieuwe bloedproef heeft doen uitvoeren;

– zij rond twee uur dertig naar haar supervisor heeft getelefoneerd, volgens de richtlijnen die luiden dat de assistent vóór elke opname in intensieve zorgen de permanente arts moet raadplegen die voor de betrokken afdeling verantwoordelijk is;

– de eiseres op basis van een foutieve interpretatie van de splinterbloedingen bij de patiënte, de supervisor een geruststellende beschrijving van de feiten heeft gegeven; dat zij de hypothese van meningokokkensepsis niet ter sprake heeft gebracht, waardoor niet onmiddellijk een antibioticabehandeling werd opgestart;

– de eiseres om twee uur zevenenveertig de uitslag van de laatste bloedproef heeft onderzocht;

– de eiseres rond half vier een nieuwe bloedproef heeft gevraagd;

– om half vier een katheder in een hoofdader en een intra-arteriële sonde werden ingebracht;

– de toestand van de zieke verslechterde tussen half vier en vier uur s’ ochtends en de verpleegster de eiseres daarover heeft ingelicht;

– de eiseres om vier uur tweeëndertig de resultaten van de nieuwe bloedproef heeft onderzocht;

– de eiseres tussen half zes en kwart voor zes opnieuw contact heeft opgenomen met haar supervisor en hem de pathologie van de bloedonderzoeken heeft meegedeeld;

– de supervisor verklaart dat hij bij die tweede oproep de assistente de opdracht heeft gegeven een antibioticabehandeling toe te dienen, terwijl de eiseres beweert dat zij die instructie pas bij de derde telefonische oproep heeft ontvangen, om zeven uur ’s ochtends;

– ook al zou om half zes met de antibioticabehandeling zijn begonnen, dit volgens de deskundigen het negatieve verloop van de ziekte toch niet meer zou hebben gewijzigd;

– het slachtoffer, iets voor half zeven, wegens de omvang van de letsels en de toestand van septische shock, werd geïntubeerd en gereanimeerd;

– de eiseres, die door het verloop van de gebeurtenissen de situatie niet meer de baas kon, de supervisor een derde maal heeft opgebeld om zeven uur, toen zij niet langer twijfelde aan de diagnose van meningokokkensepsis;

– de antibioticabehandeling na die derde oproep werd toegediend, toen de patiënte reeds door een hartstilstand was getroffen;

– het slachtoffer overleden is aan een meningokokkensepsis, dit is een pathologie die volgens het arrest moeilijk correct en tijdig gediagnosticeerd kan worden en waarvan de prognose steeds uiterst ongunstig is.

Hoewel uit de door de eiseres gestelde handelingen, zoals zij door de appelrechters zijn beschreven, eventueel kan worden afgeleid dat haar optreden niet het kwaliteits- of efficiëntieniveau haalden dat van een doorsnee competente en toegewijde arts in dezelfde omstandigheden mag worden verwacht, kan daaruit niet worden besloten dat zij niets ondernomen heeft, dat zij zich opzettelijk niet voor het ziektegeval zou hebben geïnteresseerd of dat zij de persoon in gevaar de noodzakelijke bijstand heeft willen ontzeggen.

Het arrest oordeelt weliswaar dat het verzuim om hulp te bieden bewezen is omdat de eiseres niet zelf heeft beslist de antibiotica toe te dienen en die behandeling evenmin heeft ingezet zodra de supervisor haar die behandeling had voorgesteld, wat volgens laatstgenoemde bij de tweede oproep is geschied.

Het arrest stelt evenwel niet vast dat het niet verstrekken van de specifieke zorgen die de ziekte vroeg, het gevolg was van een door de eiseres genomen beslissing nadat zij de juiste pathologie had geïdentificeerd.

Het feit dat zij pas laattijdig de ware aard van de infectie heeft ingezien, niettegenstaande de ingewonnen adviezen en de verrichte observaties of die welke hadden kunnen worden verricht, alsook de ontoereikendheid van de maatregelen door een onjuiste inschatting van de toestand van de zieke, kan in onderhavig geval worden beschouwd als een onverwachte handelwijze van een assistent-geneesheer van wacht in een dienst intensieve zorgen. In tegenstelling tot wat het arrest beslist, kunnen die feiten niet in aanmerking worden genomen als bestanddelen van de strafbare weigering om hulp te bieden in de zin van art. 422bis Sw.

De appelrechters verantwoorden bijgevolg hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

...

Rechtsleer:

• A. De Nauw, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 231, nr. 286;

• H. Vuye, “Schuldig hulpverzuim. Analyse van artikel 422bis Sw. in het licht van de algemene leer van de omissie in het strafrecht” in Liber Amicorum Jean du Jardin, Deurne, Kluwer, 2001, (431), p. 455, nr. 23.

• J. du Jardin, “Schuldig verzuim” in Comm.Straf., losbl., p. 13;

• N. Colette-Basecqz, “L’erreur fautive de diagnostic n’est pas assimilable à l’abstention coupable de porter secours à personne en danger”, T.Gez. 2012-13, 312-318.

 

 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: zo, 27/12/2009 - 12:38
Laatst aangepast op: za, 14/09/2013 - 14:01

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.