-A +A

schuldvergelijking

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Actuele, opeisbare vorderingen,waarbij de ene partij schuldeiser is van de andere en omgekeerd die in waarde bepaald zijn en een verbintenins tot geven (en niet tot het doen of niet doen) inhouden geven aanleiding tot wettelijke compensatie mits de verbineissen vervangbaar en beslagbaar zijn. Deze compensatie heeft tot gevolg heeft dat vorderingen van schuldeisers op elkaar tenietgaan ten belope van het kleinste wederkerig bedrag (art. 1289 BW).

uitreksel uit het burgerlijk wetboek

AFDELING IV. - SCHULDVERGELIJKING.

Art. 1289. Wanneer twee personen elkaars schuldenaar zijn, heeft tussen hen schuldvergelijking plaats, waardoor de twee schulden teniet gaan, op de wijze en in de gevallen hierna vermeld.

Art. 1290. Schuldvergelijking heeft van rechtswege plaats uit kracht van de wet, zelfs buiten weten van de schuldenaars; de twee schulden vernietigen elkaar op het ogenblik dat zij tegelijk bestaan, ten belope van hun wederkerig bedrag.

Art. 1291. Schuldvergelijking heeft alleen plaats tussen twee schulden die beide tot voorwerp hebben een geldsom of een zekere hoeveelheid vervangbare zaken van dezelfde soort en die beide vaststaande en opeisbaar zijn.

Niet betwiste verplichtingen tot levering van granen of waren, waarvan de prijs door de officiële marktberichten wordt bepaald, kunnen in vergelijking gebracht worden met geldschulden die vaststaande en opeisbaar zijn.

Art. 1292. Uitstel van betaling verhindert de schuldvergelijking niet.

Art. 1293. Schuldvergelijking heeft plaats, uit welke oorzaak de wederzijdse schulden ook ontstaan, uitgezonderd in geval van :
1° Een eis tot teruggave van een zaak die de eigenaar wederrechtelijk is ontnomen;
2° Een eis tot teruggave van iets dat in bewaring of in bruikleen is gegeven;
3° Een schuld uit hoofde van levensonderhoud dat verklaard is niet vatbaar voor beslag te zijn.

Art. 1294. De borg kan in vergelijking brengen hetgeen de schuldeiser aan de hoofdschuldenaar verschuldigd is;
De hoofdschuldenaar kan echter niet in vergelijking brengen hetgeen de schuldeiser aan de borg verschuldigd is.
De hoofdelijke schuldenaar kan evenmin in vergelijking brengen hetgeen de schuldeiser aan zijn medeschuldenaar verschuldigd is.

Art. 1295. <W 1994-07-06/32, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 25-07-1994> Wanneer de overdracht aan de schuldenaar ter kennis werd gebracht of door de schuldenaar werd erkend, kan deze laatste zich niet meer beroepen op de schuldvergelijking van de schuldvorderingen die daarna tot stand komt.

Art. 1296. Wanneer beide schulden niet op dezelfde plaats betaalbaar zijn, kunnen zij niet in vergelijking gebracht worden dan met vergoeding van de kosten der overmaking.

Art. 1297. Wanneer verscheidene voor vergelijking vatbare schulden bestaan ten laste van een zelfde persoon, volgt men, voor de schuldvergelijking, de regels bij artikel 1256 voorgeschreven voor de toerekening.

Art. 1298. Schuldvergelijking heeft niet plaats ten nadele van de verkregen rechten van een derde. Aldus kan hij die, schuldenaar zijnde, schuldeiser geworden is nadat in zijn handen door iemand beslag onder derden is gelegd, zich op de schuldvergelijking niet beroepen ten nadele van de beslaglegger.

Art. 1299. Hij die een schuld betaald heeft die van rechtswege door vergelijking was teniet gegaan, kan, bij het verhalen van de schuldvordering die hij niet in vergelijking gebracht heeft, zich ten nadele van derden niet meer beroepen op de voorrechten of hypotheken welke aan deze schuldvordering verbonden waren, tenzij hij een gegronde reden heeft gehad om onkundig te zijn van de schuldvordering waarmee zijn schuld moest worden in vergelijking gebracht.

Wettelijke compensatie - gerechtelijke compensatie

Wettelijke compensatie vindt van rechtswege plaats, uit kracht van de wet, zelfs buiten weten van de schuldenaars en kan om die reden door de beslagrechter in een executiegeschil worden vastgesteld. De twee schulden vernietigen elkaar op het ogenblik dat zij tegelijk bestaan, ten belope van hun wederkerig bedrag (art. 1290 BW). Wettelijke schuldvergelijking heeft krachtens art. 1291 BW enkel plaats tussen twee schulden die beide tot voorwerp hebben een geldsom of een zekere hoeveelheid vervangbare zaken van dezelfde soort en die beide vaststaande en opeisbaar zijn. Wordt die verrekening door de schuldeiser ten onrechte betwist, dan kan de beslagrechter de wettelijke compensatie vaststellen naar aanleiding van het executiegeschil.

Beweert de schuldenaar daarentegen over een vordering te beschikken, maar zijn de voorwaarden voor de wettelijke compensatie nog niet vervuld, omdat de tegenvordering van de schuldenaar zelf nog niet vaststaand of opeisbaar is, dan behoeft de schuldeiser, die beschikt over een uitvoerbare titel, een gerechtelijke compensatie die moet voortvloeien uit een nog te vellen vonnis niet te laten tegenwerpen. De beslagrechter is niet bevoegd om naar aanleiding van een gedwongen uitvoering van een uitvoerbare titel, meer bepaald een vonnis, de schuldvordering die voortvloeit uit dit vonnis te compenseren op verzoek van de debiteur, die enkel beweert te beschikken over een zekere, vaststaande en opeisbare schuldvordering, maar hiervoor nog geen uitvoerbare titel heeft verkregen.

zie Hof van beroep Gent 22 februari 2011 RW 2011-2012, 1474 en zie Beslag in APR, p. 366-367, nr. 542.

TPR 1989:

1657 Compensatie en concursus creditorum - klik hier - 
Dirix E. en Kortmann S.C.J.J.


Nog dit: 

Cassatie 02/10/2014, C.13.0284.F, juridat (in dezelfde zinCass. 17 december 2010, RW 2011-12, 181, noot R. Houben.)

samenvatting

Tussen twee personen vindt schuldvergelijking slechts plaats wanneer ze elkaars schuldenaar zijn; de schuldvordering van een persoon kan bijgevolg niet worden gecompenseerd met een schuldvordering van zijn schuldenaar op een derde (1). (1) Cass. 17 dec. 2010, AR C.10.0146.N, AC 2010, nr. 751. Schuldvergelijking tussen schuldvordering van verhuurder tot betaling van huurprijs en schuldvordering van huurder op de financiële instelling waarbij de waarborgrekening was geopend is onwettig

Tekst arrest

Nr. C.13.0284.F
A. C.,
tegen
R. A.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in laatste aanleg van de vrederechter van het kanton Sprimont van 5 februari 2013.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 1289 tot 1299 Burgerlijk Wetboek;
- artikel 10 van de wet van 20 februari 1991 houdende wijziging van de bepa-lingen van het Burgerlijk Wetboek inzake huishuur, ingevoegd in afdeling 2 van hoofdstuk II van titel VIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek en, voor zover nodig, datzelfde artikel zoals het van kracht was vóór de wijziging ervan bij de wet van 25 april 2007;
- artikel 1675/7, inzonderheid § 1, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

In een eerste vonnis van 20 december 2012 is vastgesteld wat volgt :

"1. De feiten
Het wordt niet betwist dat de partijen een huurovereenkomst hebben gesloten (die jammer genoeg niet is overgelegd) betreffende een goed gelegen te T., avenue L., 48;

Voor die huurovereenkomst heeft [de eiseres] op 28 september 2006 een huurwaarborg van vijfhonderd euro gestort op de Fortisrekening 035-5485324-15, overeenkomstig artikel 10 van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling II van het Burgerlijk Wetboek;

De [eiseres], de huurster, heeft de plaats (op een niet nader bepaalde datum) verlaten zonder de [verweerder], de eigenaar, te waarschuwen en zonder een adres na te laten;

Op 26 april 2011 heeft [de eiseres] een verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling neergelegd voor de arbeidsrechtbank te Luik en op 10 mei 2011 werd een beschikking tot toelaatbaarheid gewezen;

Op 15 november 2011 heeft de raadsman van [de eiseres] [de verweerder] in gebreke gesteld teneinde haar cliënte toe te staan de huurwaarborg die geblokkeerd stond op de BNP Paribas (ex-Fortis)-rekening terug te krijgen;

Op 10 december 2011 heeft [de verweerder] schriftelijk geantwoord dat [de eiseres] de overeenkomst eenzijdig had beëindigd en dat zij hem nog steeds een maand huur plus lasten, namelijk 380 euro, verschuldigd was;

2. Voorwerp van de rechtsvordering

De rechtsvordering strekt ertoe [de verweerder] te veroordelen tot vrijgave van de huurwaarborg van 500 euro, die op 28 september 2006 is gestort op de BNP Paribas (ex-Fortis)-rekening;

[De verweerder] verzet zich tegen die vordering, op grond dat [de eiseres] hem minstens nog steeds een bedrag van 380 euro voor huur en lasten verschuldigd is;
Hij stelt een tegenvordering in teneinde [de eiseres] te doen veroordelen tot betaling van dat bedrag van 380 euro en beroept zich op zijn voorrecht, in zijn hoedanigheid van verhuurder, op de huurwaarborg;

3. Bespreking

Krachtens artikel 10 van de wet betreffende de huurovereenkomsten met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de huurder ontvangt de verhuurder, wanneer een huurwaarborg wordt gestort op een bankrekening overeenkomstig de wettelijke voorschriften, een voorrecht op het actief van de rekening voor elke schuldvordering die voortvloeit uit de gehele of gedeeltelijke niet-nakoming van de verplichtingen van de huurder;

Die overeenkomstig de wettelijke voorschriften samengestelde huurwaarborg is een persoonlijke zekerheid waarmee de verhuurder kan ontsnappen aan de toestand van samenloop van de schuldeisers van zijn huurder [...];

In voorliggend geval blijkt uit het door de eiseres neergelegde dossier dat de huurwaarborg die op de Fortis-rekening is gestort op 28 september 2006, is samengesteld overeenkomstig de wettelijke voorschriften".

Het bestreden vonnis staat vervolgens de vrijgave toe "van de hoofdsom (vijfhonderd euro) en de interest van de huurwaarborg die [de eiseres] heeft samengesteld bij de bank BNP Paribas-Fortis op rekeningnummer 035-5485324-15, tot beloop van 380 euro ten gunste [van de verweerder], waarbij het resterende gedeelte teruggestort wordt aan de [eiseres], op gewoon vertoon van de expeditie of van het gewaarmerkt conform afschrift van dit vonnis".

Het bestreden vonnis is gegrond op de volgende redenen:
"Ook al bepaalt artikel 1675/7 Gerechtelijk Wetboek dat de gevolgen van de zakelijke zekerheden en van de voorrechten worden geschorst tot het einde, de verwerping of de herroeping van de collectieve schuldenregeling, moet worden vastgesteld dat de juridische regeling van de huurwaarborg specifiek is en de verhuurder net in staat stelt te ontsnappen aan de toestand van samenloop tussen de schuldeisers van zijn huurder;

De huurwaarborg, die in een geldsom bestaat, zou immers geen enkele betekenis of doelmatigheid meer hebben indien ze niet werd beschouwd als een bedrag dat aan de eigenaar is overhandigd, ook al wordt ze, louter om veiligheidsredenen, belegd bij een derde (te weten de bank) op grond van artikel 10 van de wet van 25 april 2007;

Hieruit volgt dat, indien de eigenaar de schuldeiser van zijn huurder wordt, zijn schuldvordering gecompenseerd wordt door gewone schuldvergelijking, op voorwaarde, uiteraard, dat die schuldvergelijking kan plaatsvinden vóór de toestand van samenloop ontstaat;

In voorliggend geval wordt niet betwist dat [de eiseres], op het ogenblik van de opzegging van de huurovereenkomst (d.i. eind 2007) nog een maand huur [aan de verweerder] verschuldigd was; de schuldvergelijking heeft dus kunnen plaatsvinden;

Toen daarenboven de vordering tot collectieve schuldenregeling van de schulden van [de eiseres] toelaatbaar werd verklaard bij beschikking van de arbeidsrechtbank van 10 mei 2011, waren de als huurwaarborg gestorte bedragen sinds 2006 uit haar vermogen verdwenen en kan de procedure van collectieve schuldenregeling dus enkel betrekking hebben op een vermogen waaruit dat actief verdwenen is [...];

De huurwaarborg maakt dus geen deel meer uit van het actief van de boedel [...] en de gestorte bedragen ontsnappen dus aan de toestand van samenloop;

Daaruit volgt dat de tegenvordering [van de verweerder], in zoverre het als huurwaarborg gestorte bedrag uit het vermogen van [de eiseres] was verdwenen op het ogenblik dat haar vordering tot collectieve schuldenregeling toelaatbaar werd verklaard en die bedragen, doordat ze vervangbaar zijn, konden worden verrekend met de door [de eiseres] verschuldigde achterstallige huur, gegrond zal worden verklaard en hij 380 euro van de op de Fortis-rekening gestorte waarborg zal mogen behouden, teneinde de hem verschuldigde bedragen te kunnen dekken;

De huurwaarborg zal dus tot beloop van 380 euro worden vrijgegeven ten gunste [van de verweerder] en het saldo zal aan [de eiseres] worden teruggegeven".

Grieven

1. Door schuldvergelijking kan de schuldeiser, die tegelijkertijd ook schuldenaar is van zijn eigen schuldenaar, betaald worden tot beloop van het door hem verschuldigde bedrag en vernietigen de wederzijdse schulden elkaar van rechtswege "op het ogenblik dat zij tegelijk bestaan" (artikel 1290 Burgerlijk Wetboek), tot beloop van het laagste bedrag van die schulden.

De wettelijke schuldvergelijking, die van rechtswege plaatsheeft, kan echter enkel plaatsvinden tussen de schulden van twee personen die elkaars schuldeiser en schuldenaar zijn. Ze kan niet plaatsvinden tussen, enerzijds, de schuld van een schuldenaar bij een derde en, anderzijds, de schuldvordering van de schuldeiser op een derde. Er bestaat geen schuldvergelijking in een "driehoeksverhouding".

Luidens artikel 10 van de wet van 20 februari 1991 bestaat de bankwaarborg die de huurder ten voordele van de verhuurder samenstelt ter nakoming van zijn contractuele verplichtingen, in een schuldvordering van de deposant, d.w.z. van de huurder, op de bankinstelling, die geconcretiseerd wordt door de opening van de rekening. Bijgevolg kan de schuld van de huurder bij de verhuurder, die bijvoorbeeld bestaat in een achterstallige huur, niet van rechtswege gecompenseerd worden met de schuldvordering van de huurder op de bankinstelling (tot teruggave van de waarborg), die aldus tot beloop van het verschuldigde bedrag zou tenietgaan.

In tegenstelling tot wat het bestreden vonnis vermeldt, is het niet juist dat de huurwaarborg die de eiseres ten gunste van de verweerder heeft samengesteld in de vorm "van een belegging in de handen van een derde (te weten de bank)", moet "worden beschouwd als een bedrag dat aan de eigenaar is overhandigd, omdat ze anders geen enkele betekenis of doelmatigheid meer zou hebben": een dergelijke waarborg heeft betrekking op de schuldvordering van de huurder op de bankinstelling.

Het bestreden vonnis verantwoordt dus niet naar recht zijn beslissing dat "de als huurwaarborg gestorte bedragen sinds 2006 uit [het] vermogen [van de eiseres] waren verdwenen" door een "gewone schuldvergelijking" tussen die huurwaarborg en de schuldvordering van de verhuurder, met als gevolg dat "de procedure van collectieve schuldenregeling dus enkel betrekking kan hebben op een vermogen waaruit dat actief verdwenen is" (schending van de artikelen 1289 tot 1299 Burgerlijk Wetboek en 10 van de wet van 20 februari 1991).

2. Artikel 10, § 3, van de wet van 20 februari 1991 (net als artikel 10, vijfde lid, van dezelfde wet, in de versie vóór de wijziging ervan bij de wet van 25 april 2007) verzet zich daarenboven tegen de wettelijke schuldvergelijking, van rechtswege, tussen de door de huurder samengestelde "bankwaarborg" en de schuldvordering van de verhuurder op de huurder, aangezien de tekst van die bepaling de vrijgave van de waarborg "ten voordele van een van beide partijen" onderwerpt aan een uitdrukkelijke voorwaarde, namelijk het "voorleggen van ofwel een schriftelijk akkoord, dat ten vroegste opgesteld wordt bij het beëindigen van de huurovereenkomst, ofwel van een kopie van een rechterlijke beslissing". Er is nooit aangevoerd dat die voorwaarde in voorliggend geval zou zijn vervuld en zulks blijkt noch uit de vonnissen noch uit eender welk stuk waarop het Hof vermag acht te slaan.

Hieruit volgt dat die voorwaarde in elk geval, en zelfs indien verondersteld wordt dat de schuldvergelijking tussen de door de eiseres samengestelde bankwaarborg en de schuldvordering van de verweerder - in beginsel - heeft kunnen plaatsvinden (quod non), een bijkomend beletsel vormde voor een mogelijke schuldvergelijking van rechtswege en, bijgevolg, voor het feit dat de schuldvergelijking had kunnen plaatsvinden vóór de beslissing van toelaatbaarheid van de procedure van collectieve schuldenregeling (schending van de artikelen 1289 tot 1299 Burgerlijk Wetboek en 10 van de wet van 20 februari 1991).

3. In het vonnis van 20 december 2012 werd erkend dat de huurwaarborg van artikel 10 van de wet van 20 februari 1991 wel degelijk een voorrecht was, d.w.z. een zekerheid "waarmee de verhuurder kan ontsnappen aan de toestand van samenloop" - wat ze ook is. Het bestreden vonnis, dat weigert toepassing te maken van artikel 1675/7 Gerechtelijk Wetboek, luidens hetwelk "de gevolgen van de zakelijke zekerheden en van de voorrechten, behalve in geval van tegeldemaking van het vermogen", vanaf de beschikking tot toelaatbaarheid van de procedure van collectieve schuldenregeling "geschorst worden tot het einde, de verwerping of de herroeping van de aanzuiveringsregeling", op grond dat de schuldvergelijking heeft plaatsgevonden vóór de inleiding van de procedure, zodat de huurwaarborg "dus geen deel meer uitmaakt van het actief van de boedel", aangezien ze "uit het vermogen van [de eiseres] was verdwenen op het ogenblik dat haar vordering tot collectieve schuldenregeling toelaatbaar werd verklaard en die bedragen, doordat ze vervangbaar zijn, konden worden verrekend met de door [de eiseres] verschuldigde achterstallige huur", verantwoordt bijgevolg niet naar recht zijn beslissing om die waarborg ten voordele van de verweerder vrij te geven tot beloop van een bedrag van 380 euro (schending van alle vermelde wettelijke bepalingen).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Krachtens artikel 1289 Burgerlijk Wetboek heeft tussen twee personen slechts schuldvergelijking plaats wanneer ze elkaars schuldenaar zijn.

De schuldvordering van een persoon kan bijgevolg niet worden gecompenseerd met een schuldvordering van zijn schuldenaar op een derde.

De samenstelling, overeenkomstig artikel 10 van afdeling 2 van hoofdstuk II van titel VIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek betreffende de huurovereen-komsten met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de huurder, van een huur-waarborg in de vorm van een geldsom die gestort wordt op een rekening die bij een financiële instelling wordt geopend op naam van de huurder, geeft enkel aan de zijde van de deposant een schuldvordering op die instelling.

Nadat het vonnis, dat de vrederechter in de zaak had gewezen op 20 december 2012, had vastgesteld dat de eiseres een dergelijke waarborg op 28 september 2006 had samengesteld ten voordele van de verweerder, kon het bestreden vonnis niet, zonder de voormelde wettelijke bepalingen te schenden, beslissen dat er na de opzegging van de huurovereenkomst een schuldvergelijking heeft plaatsgehad tot beloop van het bedrag van een maand huur, die de eiseres op dat ogenblik nog verschuldigd was, tussen die schuldvordering van de verweerder en die van de ei-seres op de financiële instelling waarbij de huurwaarborgrekening was geopend.

Het middel is in zoverre gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde vonnis.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de zaak naar de vrederechter van het kanton Fléron.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel

 

Commentaar: 

Rechtsleer:

R.Houben, Schuldvergelijking RW 2010-2011, 1370

Uit de inhoud

Het concept schuldvergelijking

A. Definitie

B. Nut van schuldvergelijking

C. Voorwaarden voor schuldvergelijking

Herformulering van de opeisbaarheids-, liquiditeits- en beslagbaarheidsvoorwaarde

Relevantie van de schuldvergelijking in de verschillende rechtstakken

A. Relevantie in het vennootschapsrecht

B. Relevantie in het financieel recht, insolventie- en zekerhedenrecht

C. Relevantie in het zakenrecht

D. Relevantie in het proces- en bewijsrecht

III. Stellingen over schuldvergelijking

A. Er bestaat maar één rechtsfiguur schuldvergelijking

B. Schuldvergelijking vereist de beschikkings- en inningsbevoegdheid alsook ontvangstgemachtigdheid in eigen naam, maar niet qualitate qua, van de schuldeisers van de te verrekenen vorderingen

Kwaliteitsrekening

Inbedding van art. 1294 BW in het gemene procesrecht

Pleidooi voor een algemeen recht op schuldvergelijking na samenloop, ongeacht de samenhang tussen de te verrekenen vorderingen

Ruimere zekerheidsfunctie van de schuldvergelijking in de rechtspraak

a) Verruiming van het begrip samenhang

b) Onbeperkt verrekeningsrecht van de boedelschuldeiser

Ruimere zekerheidsfunctie van de schuldvergelijking in de wetgeving

a) Netting

b) Inhouding

Rechtsvergelijking

Uit de geciteerde rechtspraak en rechtsleer

•  DEKKERS-VERBEKE, Handboek burgerlijk recht, III, Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 354, nr. 627;

• W. VAN GERVEN en S. COVEMAEKER, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2006, 631;

• H. De PAGE, Traité, III, Brussel, Bruylant, 1967, p. 616-618, nr. 617;

• A. KLUYSKENS, De verbintenissen, Antwerpen, Standaard, 1948, p. 246, nr. 214;

• G. BAUDRY-LACANTINERIE en L. BARDE, Traité, XIV, Parijs, 1908, p. 132, nr. 1803.

• R. HOUBEN, Schuldvergelijking, Antwerpen, Intersentia, 2010, nrs. 34-35.

• . DEKKERS-VERBEKE, Handboek burgerlijk recht, III, p. 354, nr. 627;

• W. VAN GERVEN en S. COVEMAEKER, Verbintenissenrecht, 631;

• H. DE PAGE, Traité, III, p. 617, nr. 617; F. LAURENT, Principes, XVIII, Brussel, 1887, p. 404, nr. 380;

• R. HOUBEN, Schuldvergelijking, •

 A. COLLIN, «Du caractère volontaire du déclenchement de la compensation», R.T.D.Civ. 2010, 230-231.

• W. VAN GERVEN en S. COVEMAEKER, Verbintenissenrecht, 633;

• DEKKERS-VERBEKE, Handboek burgerlijk recht, III, p. 360, nr. 639;

• H. DE PAGE, Traité, III, p. 636, nr. 637;

• G. BAUDRY-LACANTINERIE en L. BARDE, Traité, XIV, p. 166, nr. 1830; R. HOUBEN, Schuldvergelijking, nrs. 304- 307 en 253.

• Kh. Charleroi 27 november 1991, JLMB 1992, 449.

• E. DIRIX, «De echtgenoot van de gefailleerde: de wetgever terug aan de slag» (noot onder GrwH. 4 februari 2010), RW 2009-10, p. 1640, nr. 2.

• M.E. STORME, «Schuldvergelijking en insolventie» in H. COUSY en E. DIRIX (red.), Insolventie- en beslagrecht, Brugge, 2010, p. 29, nr. 13;

•  L. CORNELIS, Algemene theorie van de verbintenis, Antwerpen, Intersentia, 2000, p. 873, nr. 674;

• E. DIRIX en K. BROECKX, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 133, nr. 169.

•  Cass. 25 september 2006, RW 2006-07, 1561, noot R. HOUBEN, JDSC 2007, 5, noot S. KETTMANN.

• Brussel 15 september 2000, JT 2001, 91;

• Gent 6 september 2000, TRV 2001, 258, goedkeurende noot M. WYCKAERT;

• Luik 27 februari 1996, TRV 2002, 528; Antwerpen 19 februari 2001, RW 2001-02, 1438;

• E. DIRIX, «Zekerheden, eigendomsvoorbehoud en rangregeling» in H. BRAECKMANS, H. COUSY, E. DIRIX, B. TILLEMAN en M. VANMEENEN (red.), Curatoren en vereffenaars: actuele ontwikkelingen II, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 41-42, nr. 33.

• Gent 25 juni 2007, TBH 2008, 731, noot R. HOUBEN, RABG 2008, 96, noot S. LOOSVELD;

• Luik 14 april 2005, RPS 2004, 369; S. LOOSVELD, «Volstortingsverplichting en schuldvergelijking – Vennootschaps-, verbintenissen- en faillissementsrechtelijke aspecten» (noot onder Gent 25 juni 2007), RABG 2008, 105.

•  R. HOUBEN, «Schuldvergelijking met de volstortingsvordering bij samenloop» (noot onder Gent 25 juni 2007), TBH 2008, p. 737, nr. 7; R. HOUBEN, Schuldvergelijking, nr. 890.

• Cass. 16 september 1993, Arr.Cass. 1993, 703, Bank. Fin. 1994, 43, RW 1993-94, 1268, noot E. DIRIX;

• Cass. 24 juni 2010, RW 2010-11, 844, noot R. HOUBEN.

•  C. BODDAERT, «Krediet en insolvabiliteit – de inbreng van de wet financiële zekerheden» in AEDBF (red.), Bank en insolvabiliteit, Brussel, 2007, p. 131, nr. 19;

• M.E. STORME, «Schuldvergelijking en insolventie» in H. COUSY en E. DIRIX (red.), Insolventie- en beslagrecht, Brugge, 2010, p. 54, nr. 64;

• E. DIRIX, «Zekerheden, eigendomsvoorbehoud en rangregeling» in H. BRAECKMANS, H. COUSY, E. DIRIX, B. TILLEMAN en M. VANMEENEN (red.), Curatoren en vereffenaars: actuele ontwikkelingen II, p. 40, nr. 29; 

• C. BODDAERT, «Nettingovereenkomsten, documentair krediet (import) en de exceptie van schuldvergelijking in de Wet Financiële Zekerheden», Bank Fin.R. 2010, IV.

• Cass. 19 februari 1965, Pas. 1965, I, 630;

• Cass. 13 oktober 1966, Pas. 1967, I, 202; R. HOUBEN, Schuldvergelijking, nrs. 85-86, met verwijzingen naar de rechtsleer.

• R. JANSEN, Beschikkings(on)bevoegdheid,

• B. TILLEMAN, Lastgeving in APR, Deurne, Kluwer, 1997, p. 184, p. 364; F.

• LAURENT, Principes, XVIII, p. 433, nr. 421;

• H. DE PAGE, Traité, III, p. 629, nr. 627; R. HOUBEN, Schuldvergelijking, nr. 527, met talrijke verwijzingen.

•  Cass. 3 oktober 1997, Arr.Cass. 1997, 905, Pas. 1997, I, 948;

• Cass. 9 december 1999, Arr.Cass. 1999, nr. 672, TBH 2000, 366, Pas. 1999, I, 669, RW 2001-02, 989, noot A. VAN OEVELEN (commissie);

• I. SAMOY, Middellijke vertegenwoordiging, Antwerpen, Intersentia, 2005, p. 135, nr. 186 (naamlening), p. 226, nr. 343, en p. 268, nr. 403 (commissie);

• M.E. STORME, «Van trust gespeend? Trusts en fiduciaire figuren in het Belgisch privaatrecht», TPR 1998, p. 765, nr. 98;

• W. VAN GERVEN, Algemeen deel, Brussel, Story-Scientia, 1987, p. 482, nr. 148, en p. 489, nr. 150;

• E. DIRIX, «De rechtsverhouding tussen principaal, commissionair en derde» in Liber amicorum Jacques Herbots, Deurne, Kluwer, 2002, p. 98, nr. 2 (commissie).

• E. DIRIX, o.c., in Liber amicorum Jacques Herbots, 101-102; I. SAMOY, Middellijke vertegenwoordiging, p. 138, nr. 192 (naamlening), en p. 269-270, nr. 405 (commissie); 

• M.E. STORME, «De kwaliteitsrekening, zakenrechtelijk bekeken» in E. DIRIX en R. VRIESENDORP (red.), Inzake kwaliteit, Deventer, Kluwer, 1998, p. 55, nr. 1.

• V. SAGAERT, «De kwaliteitsrekening herbezocht», TPR 2004, p. 269, nr. 6;

•  J. VANANROYE, «Over stille en openbare maatschappen», TPR 1999, p. 1491, nr. 34; I. SAMOY, Middellijke vertegenwoordiging, p. 510, nr. 787.

• M.E. STORME, «Paritas creditorum, voorrang en roerende zekerheden», TPR 2006, p. 1043, nr. 184;

• Cass. 4 oktober 2000, RW 2001-02, 563; R. HOUBEN, Schuldvergelijking, nr. 768; helder in Frankrijk: F. GRUA, «Compensation», in Rép.Dr.Civ., Parijs, 1990, p. 9, nr. 126.

• J. LAENENS, K. BROECKX, D. SCHEERS en P. THIRIAR, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2008, p. 87-88, nr. 138; D. MAES, Inleiding tot het burgerlijk procesrecht, Brugge, die Keure, 2008, 125; G. DE LEVAL, Eléments de procédure civile, Brussel, 2005, p. 24, nr. 10.

•109. Cass. 7 december 1961, Pas. 1962, I, 440.

•  Bv. Gent 27 februari 2002, TGR 2002, 68; Luik 24 april 2001, TBBR 2002, 402;

• Gent 13 april 1995, TBH 1996, 519; Luik 21 maart 1990, JLMB 1991, 827;

• Luik 30 januari 1985, Jur.Liège 1985, 277.

• Bv. Brussel 11 september 1987 (arrest a quo);

• Cass. 22 mei 1989, Arr.Cass. 1988-1989, p. 1125, nr. 547, Pas. 1989, I, 1015, RCJB 1992, 348, noot M. VAN QUICKENBORNE, RW 1989-90, 331, TBH 1989, 775.

• Cass. 25 juni 2006, RW 2006-07, 1561, noot R. HOUBEN.

•  A. DE WILDE, Boedelschulden, p. 481, nrs. 551 e.v.; E. DIRIX en R. DE CORTE, Zekerheidsrechten, p. 53, nr. 63.

• Cass. 1 juni 2006, RW 2006-07, 565, noot V. SAGAERT, TBH 2006, 819, noot E. VAN DEN HAUTE, JT 2006, 644, noot T. HURNER, RCJB 2009, 157, noot N. THIRION en D. PASTEGER.

•  M. VANMEENEN, «De wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van ondernemingen», RW 2008-09, p. 1309, nr. 70;

• V. SAGAERT, «Actuele ontwikkelingen inzake schuldvergelijking» in V. SAGAERT en D. LAMBRECHT (red.), Actuele ontwikkelingen inzake verbintenissenrecht, p. 233, nr. 15;

• S. BRIJS, «De Wet betreffende de continuïteit van ondernemingen», TRV 2009, p. 673, nr. 15;

• E. DIRIX en R. JANSEN, «De positie van de schuldeisers en de lopende overeenkomsten» in K. BYTTEBIER, E. DIRIX, M. TISON en M. VANMEENEN (red.), Gerechtelijke reorganisatie. Getest, gewikt en gewogen, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 161, nr. 7;

• E. DIRIX, «Recente ontwikkelingen insolventierecht, beslagrecht en zekerheden» in H. COUSY en E. DIRIX (red.), Insolventie- en beslagrecht, p. 16, nr. 28; M.E. STORME, «Schuldvergelijking en insolventie» in H. COUSY en E. DIRIX (red.), Insolventie- en beslagrecht, p. 32, nr. 19.

• GrwH 27 november 2008, nr. 167/2008, NJW 2008, 925, noot E. DIRIX, TBH 2009, 496, noot R. HOUBEN, JT 2009, 44, noot M. GRÉGOIRE, JLMB 2009, 816, noot F. GEORGES. Zie de analyse: R. HOUBEN, Schuldvergelijking, nrs. 920-931.

• Beslagr. Brussel 13 mei 2005, RW 2005-06, 1069, noot M. DE THEIJE

• Cass. 24 juni 2010, RW 2010-11, 844, noot R. HOUBEN.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:13
Laatst aangepast op: zo, 06/03/2016 - 12:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.