-A +A

Factoring en schuldvergelijking na overdracht van de schuldvordering aan de factor

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Dendermonde
Datum van de uitspraak: 
don, 27/11/2008
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
1359
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

samenvatting:

Zelfs na de kennisname van overdracht van een schuldvordering door een schuldeiser aan een factoringmaatschappij kan de (overgedragen) schuldenaar de schuldvergelijking bij wijze van verweer inroepen wanneer het wederkerige schulden betreft. Het feit dat ingestemd werd met een betalingsregeling kan niet worden aanzien als afstand van de schuldenaar van het recht om schuldvergelijking in te roepen.

tekst van het vonnis:

NV C.F.G. t/ BVBA H.T.

...

2. Voorwerp van de vorderingen

Eiseres vordert de veroordeling van verweerster tot betaling van een bedrag van 25.845,75 euro, vermeerderd met de verwijlinteresten aan de rentevoet conform de wet van 2 augustus 2002 (thans 11,5%) vanaf 1 mei 2008 op 24.586,12 euro.

...

4. Beoordeling

...

Eiseres had met E. een contract van factoring. Factoring kan op een vereenvoudigde wijze worden omschreven als een techniek waarbij een onderneming (leverancier, in casu E.) op grond van een met een gespecialiseerde instelling (factoringmaatschappij, in casu eiseres) gesloten overeenkomst, haar schuldvorderingen (die worden vertegenwoordigd door facturen) overdraagt aan de factor en, tegen betaling van een vergoeding, het genot heeft van een aantal diensten (financiering van de schuldvorderingen, dekking van insolvabiliteitsrisico, beheer van de debiteurenportefeuille, ...). Naar Belgisch recht wordt de overdracht van schuldvorderingen in het raam van factoring gesitueerd binnen het juridisch basisschema van de overdracht van schuldvordering overeenkomstig art. 1689 e.v. B.W.

Zie de facturen met de gekende sticker die wijst op factoring/cessie; het betreft facturen uit de periode september-november 2007.

Bij cessie van een schuldvordering vindt er geen schuldvernieuwing plaats: de schuldvordering wordt overgedragen van de cedent op de cessionaris, zonder dat er aan de schuldvordering iets verandert. De gecedeerde schuldenaar blijft slechts gehouden ten aanzien van de cessionaris zoals hij was ten aanzien van de cedent. De excepties die de gecedeerde schuldenaar had t.a.v. de cedent blijven dan ook tegenwerpbaar aan de cessionaris; één van deze excepties is die van schuldvergelijking, thans ingeroepen door verweerster als verweermiddel ter bestrijding van de vordering van eiseres.

Schuldvergelijking kan worden omschreven als de rechtsfiguur die meebrengt dat wanneer twee personen wederzijds schuldenaar en schuldeiser zijn, beide schulden onder bepaalde voorwaarden tenietgaan ten belope van het laagste bedrag (art. 1289 juncto art. 1290 B.W.). Schuldvergelijking resulteert in het tenietgaan van verbintenissen en vorderingen (art. 1289 B.W.).

Beklemtoond moet worden dat schuldvergelijking in de regel geen rechtshandeling is, maar een rechtsfeit: de schuldvergelijking grijpt immers plaats zodra de toepassingsvoorwaarden verenigd zijn, ongeacht of haar rechtsgevolgen door de betrokken rechtssubjecten zijn gewild of beoogd.

De schuldvergelijking werkt van rechtswege en dit zelfs buiten het weten van de betrokken partijen om ex lege, d.w.z. door het louter effect van de wet (Cass. 25 oktober 1993, R.W. 1993-94, 985; Cass. 24 april 1997, J.L.M.B. 1997, 1120; Gent 18 mei 1994, R.W. 1994-95, 1197; R.P.D.B., vo Obligations, p. 196, nr. 1795).

In casu is niet het geval aan de orde waarbij een tegenvordering strekkende tot schuldvergelijking wordt gesteld maar wel van schuldvergelijking die als exceptie wordt ingeroepen: hiermee beweert de schuldenaar immers dat de schuldvordering van zijn schuldeiser reeds tenietgegaan is door schuldvergelijking met de schuldvordering die de schuldenaar had op zijn schuldeiser. Dit wordt beschouwd als een toepassing van de wettelijke schuldvergelijking en niet van de gerechtelijke schuldvergelijking. In dat geval geldt de compensatie als een verweer ten gronde: de verweerder voert aan dat materieelrechtelijk de aanspraken van de eiser zijn uitgedoofd. De rechter zal dan het intreden van de compensatie vaststellen en bijgevolg de vordering van de eiser in die mate afwijzen. De uitspraak van de rechter is in dit geval louter declaratief (E. Dirix en R. De Corte, Zekerheidsrechten, in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Antwerpen, Story-Scientia, 1999, p. 358, nr. 529); hij zal de compensatie retroactief vaststellen.

In casu rijst de vraag of de schuldenaar zich nog op de compensatie kan beroepen na een overdracht van schuldvordering, m.a.w. eens dat de cessie hem tegenwerpelijk is geworden (wat in casu reeds was bij de ontvangst van elke litigieuze factuur, gezien de aangebracht zelfklever met verwijzing naar eiseres). Het antwoord hierop luidt bevestigend.

In haar syntheseconclusies maakt verweerster voldoende duidelijk op welke wijze en op welk tijdstip E. ingevolge de wederkerige factuurschulden (en de hieraan gekoppelde schuldvergelijking) een schuld had aan haar.

Bij dit alles is het belangrijk de functie van de rechtsfiguur van schuldvergelijking te onderstrepen: deze vindt haar grondslag niet enkel in de wens tot vereenvoudiging van het betalingsverkeer te komen, maar ook in de billijkheid.

Compensatie roept een zekerheidsmechanisme in het leven: mocht deze rechtsfiguur namelijk niet bestaan, dan zou het risico niet onbestaande zijn (en in casu zelfs gerealiseerd zijn ten nadele van verweerster) dat één van wederzijdse schuldenaars betaalt (of moet betalen) maar vervolgens op het moment dat hij betaling vraagt van zijn schuldvordering, geconfronteerd wordt met de insolvabiliteit van zijn debiteur (in casu de failliet verklaarde E.).

De rechtbank volgt eiseres niet als zij meent dat verweerster afstand zou hebben gedaan van haar recht de compensatie in te roepen door op 21 december 2007 een afbetalingsregeling overeen te komen.

Afstand van schuldvergelijking kan zowel vooraf als achteraf gebeuren en kan expliciet of impliciet worden gedaan, maar mag nooit worden verondersteld: afstand van recht wordt immers niet vermoed, maar moet duidelijk worden aangetoond door de partij die zich op een dergelijke afstand van recht wenst te beroepen. Een afstand van het recht compensatie in te roepen wordt niet vermoed maar dient te gebeuren met kennis van zaken en moet blijken uit een beding in het contract (waarbij vooraf afstand wordt gedaan van het recht om de schuldvergelijking in te roepen) of uit omstandigheden die voor geen andere uitleg vatbaar zijn (stilzwijgende afstand).

Er mag geen twijfel bestaan over de vraag of een partij daadwerkelijk afstand wil doen van zijn recht, zodat de minste twijfel pleit tegen de ingeroepen/beweerde afstand van het recht compensatie in te roepen.

Een stilzwijgende afstand kan enkel worden afgeleid uit handelingen die onverenigbaar zijn met het principe van schuldvergelijking (E. Dirix, «Afstand van de bevoegdheid tot compensatie» (noot onder Gent 18 mei 1994), R.W. 1994-95, (1197), 1198).

Het Burgerlijk Wetboek zelf vermeldt de betaling van een schuld die van rechtswege door vergelijking was tenietgegaan (art. 1299 B.W.); a contrario leidt de rechtbank hieruit af dat een (loutere) betalingsbelofte of een afbetalingsplan, zoals in casu, zonder dat er een daadwerkelijke betaling plaatsvond, niet kan worden beschouwd als een impliciete afstand.

Dat er een afbetalingsplan werd afgesloten en verweerster haar schulden ten aanzien van eiseres ook uitdrukkelijk erkende, vormt naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen (impliciete) afstand van het recht de exceptie van schuldvergelijking in te roepen, zeker aangezien het bewuste afbetalingsplan op geen enkele wijze verwijst naar enige (vrijwillige) afstand van rechten in die zin en compensatie evenmin contractueel uitsluit. Art. 1292 B.W. bepaalt bovendien dat uitstel van betaling (en dit is de facto wat beoogd werd met het afbetalingsplan) schuldvergelijking niet verhindert.

Overigens meent de rechtbank dat de automatische werking van de wettelijke schuldvergelijking tot gevolg heeft dat deze reeds was ingetreden voordat het afbetalingsplan tot stand kwam, aangezien alle facturen van verweerster zich in de periode voordien situeren en ook alle reeds voordien vervallen/betaalbaar waren gesteld.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat de erkenning van de schuld van verweerster ten aanzien van eiseres geen enkele afbreuk doet aan het mechanisme van de schuldvergelijking, dat precies het bestaan onderstelt van wederzijdse schuldvorderingen, terwijl uit het van rechtswege intreden/automatisch karakter van de wettelijke compensatie volgt dat een erkenning van het recht tot compensatie zelfs niet vereist is.

Evenmin aanvaardt de rechtbank het argument van eiseres dat verweerster door het te laat (pas op 31 maart 2008) inroepen van de exceptie van schuldvergelijking van dit recht afstand zou hebben gedaan.

De rechtbank erkent dat er binnen rechtspraak en rechtsleer een strekking bestaat luidens welke de schuldenaar de verplichting heeft de excepties en verweermiddelen waarop hij zich tegen de overnemer kan beroepen, in te roepen binnen een redelijke tijdsspanne, zodat een stilzwijgen de schuldenaar gebeurlijk het recht kan ontnemen zich hierop later nog te beroepen.

De rechtbank wijst er echter op dat in het Belgisch (verbintenissen)recht geen algemene wettelijke bepaling bestaat of voorkomt luidens welke de verplichting bestaat voor de schuldenaar om bij cessie de overdrager onverwijld te informeren over de excepties die deze meent te kunnen inroepen (in die zin: R. Feltkamp, De overdracht van schuldvorderingen, Antwerpen, Intersentia, 2005, p. 547, nr. 551).

Het verval van het recht zich te beroepen op excepties of verweermiddelen kan eventueel wél gebaseerd worden op rechtsfiguren als rechtsverwerking, rechtsmisbruik of stilzwijgende afstand van recht. Hiervan kan in casu echter geen sprake zijn naar het oordeel van de rechtbank, aangezien het enkel verstrijken van een aantal maanden niet tot gevolg heeft dat hieruit een impliciete afstand van het recht compensatie in te roepen als verweermiddel, laat staan rechtsverwerking kan worden afgeleid. Vereist is immers dat het stilzwijgen niet anders kan worden geïnterpreteerd dan als een afstand van recht, wat in casu duidelijk niet het geval is.

...
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 25/04/2010 - 21:22
Laatst aangepast op: zo, 13/03/2011 - 13:01

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.