WET van 8 juni 1867 houdende het
Strafwetboek - Nederlandse tekst
vastgesteld door W. 10.7.1967 - B.S.
2.12.1967 : bijgewerkte versie tot 3
juli 2008
|
EERSTE BOEK De misdrijven en de
bestraffing in het algemeen
|
EERSTE HOOFDSTUK Misdrijven
|
ART. 1
Het misdrijf, naar de wetten strafbaar
met een criminele straf, is een misdaad.
Het misdrijf, naar de wetten
strafbaar met een correctionele straf,
is een wanbedrijf.
Het misdrijf, naar de wetten
strafbaar met een politiestraf, is een
overtreding.
|
ART. 2
Geen misdrijf kan worden gestraft met
straffen die bij de wet niet waren
gesteld voordat het misdrijf werd
gepleegd.
Indien de straf, ten tijde van het
vonnis bepaald, verschilt van die welke
ten tijde van het misdrijf was bepaald,
wordt de minst zware straf toegepast.
|
ART. 3
Het misdrijf, op het grondgebied van het
Rijk door Belgen of door vreemdelingen
gepleegd, wordt gestraft overeenkomstig
de bepalingen van de Belgische wetten.
|
ART. 4
Het misdrijf, buiten het grondgebied van
het Rijk door Belgen of door
vreemdelingen gepleegd, wordt in België
niet gestraft dan in de gevallen bij de
wet bepaald.
|
ART. 5
[ Een rechtspersoon is strafrechtelijk
verantwoordelijk voor misdrijven die
hetzij een intrinsiek verband hebben met
de verwezenlijking van zijn doel of de
waarneming van zijn belangen, of die,
naar blijkt uit de concrete
omstandigheden, voor zijn rekening zijn
gepleegd.
Wanneer de rechtspersoon
verantwoordelijk gesteld wordt
uitsluitend wegens het optreden van een
geïdentificeerde natuurlijke persoon,
kan enkel degene die de zwaarste fout
heeft begaan worden veroordeeld. Indien
de geïdentificeerde natuurlijke persoon
de fout wetens en willens heeft gepleegd
kan hij samen met de verantwoordelijke
rechtspersoon worden veroordeeld.
Met rechtspersonen worden
gelijkgesteld :
1° tijdelijke verenigingen en
verenigingen bij wijze van deelneming;
2° vennootschappen bedoeld in artikel
2, derde lid van de gecoördineerde
wetten op de handelsvennootschappen,
alsook handelsvennootschappen in
oprichting;
3° burgerlijke vennootschappen die
niet de vorm van een handelsvennootschap
hebben aangenomen.
Voor de toepassing van dit artikel
kunnen niet als strafrechtelijk
verantwoordelijke rechtspersoon worden
beschouwd : de federale staat, de
gewesten, de gemeenschappen, de
provincies, [ de hulpverleningszones, ]
de Brusselse agglomeratie, de gemeenten,
[ de meergemeentezones ], de
binnengemeentelijke territoriale
organen, de Franse
Gemeenschapscommissie, de Vlaamse
Gemeenschapscommissie, de
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie
en de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn. ]
(W. 26.4.2002 - art. 133 - B.S.
30.4.2002)
(W. 04.05.1999 - art. 2 - B.S.
22.06.1999)
(W. 15.5.2007 - art. 188 - B.S.
31.7.2007)
|
ART. 6
De hoven en rechtbanken zullen de
bijzondere wetten en verordeningen
verder toepassen in alle bij dit wetboek
niet geregelde zaken.
|
HOOFDSTUK II Straffen
|
EERSTE AFDELING Verschillende
soorten van straffen
|
ART. 7
De straffen op de misdrijven [ gepleegd
door natuurlijke personen ]
toepasselijk, zijn:
(W. 04.05.1999 - art. 3 - B.S.
22.06.1999)
In criminele zaken:
[ 1° opsluiting;
2° hechtenis ]
(W. 10.7.1996 - art. 4 -B.S.
1.8.1996)
[In correctionele zaken en in
politiezaken :
1° gevangenisstraf,
2° werkstraf.
De in het 1° en het 2° bepaalde
straffen mogen niet samen worden
toegepast. ]
(W.17.2.2002 - art. 2 - B.S.
7.5.2002)
In criminele zaken, in correctionele
zaken:
1° Ontzetting van bepaalde politieke
en burgerlijke rechten;
2° [ ... ]
(W. 9.4.1930 - art. 32 - B.S.
11.5.1930)
In criminele zaken, in correctionele
zaken en in politiezaken:
1° Geldboete;
2° Bijzondere verbeurdverklaring.
|
Art. 7bis
[ De straffen toepasselijk op misdrijven
gepleegd door rechtspersonen zijn :
In criminele zaken, in correctionele
zaken en in politiezaken :
1° geldboete;
2° bijzondere verbeurdverklaring; de
bijzondere verbeurdverklaring, bepaald
in artikel 42, 1°, uitgesproken ten
aanzien van publiekrechtelijke
rechtspersonen kan enkel betrekking
hebben op goederen die vatbaar zijn voor
burgerlijk beslag;
In criminele en correctionele zaken :
1° ontbinding; deze kan niet worden
uitgesproken ten aanzien van de
publiekrechtelijke rechtspersoon;
2° verbod een werkzaamheid die deel
uitmaakt van het maatschappelijk doel te
verrichten, met uitzondering van
werkzaamheden die behoren tot een
opdracht van openbare dienstverlening;
3° sluiting van een of meer
inrichtingen, met uitzondering van de
inrichtingen waar werkzaamheden worden
verricht die behoren tot een opdracht
van openbare dienstverlening;
4° bekendmaking of verspreiding van
de beslissing. ]
(W. 04.05.1999 - art. 4 - B.S.
22.06.1999)
|
AFDELING II Criminele straffen
|
ART. 8
[Opsluiting is levenslang of tijdelijk.
]
(W. 10.7.1996 - art. 5 - B.S.
1.8.1996)
|
ART. 9
[Tijdelijke opsluiting wordt
uitgesproken voor een termijn van:
1° vijf tot tien jaar;
2° tien tot vijftien jaar;
3° vijftien tot twintig jaar;
4° twintig tot dertig jaar. ]
(W. 10.7.1996 - art. 6 - B.S.
1.8.1996)
|
ART. 10
[Hechtenis is levenslang of tijdelijk. ]
(W. 10.7.1996 - art. 7 - B.S.
1.8.1996)
|
ART. 11
[Tijdelijke hechtenis wordt uitgesproken
voor een termijn van:
1° vijf tot tien jaar;
2° tien of vijftien jaar;
3° vijftien tot twintig jaar;
4° twintig tot dertig jaar. ]
(W. 10.7.1996 - art. 8 - B.S.
1.8.1996)
|
ART. 12 tot 17
[ ... ] (Opgeheven W. 10.7.1996 - art.
21 - B.S. 1.8.1996)
|
ART. 18
[Het arrest houdende veroordeling tot
levenslange opsluiting of levenslange
hechtenis, tot opsluiting of hechtenis
van twintig jaar tot dertig jaar wordt
bij uittreksel gedrukt en aangeplakt in
de gemeente waar de misdaad is gepleegd
en in die waar het arrest is gewezen. ]
(W. 23.1.2003 - art. 7 - B.S. 13.3.2003)
(W. 10.7.1996 - art. 9 - B.S.
1.8.1996)
|
ART. 19
[Bij alle arresten van veroordeling tot
levenslange opsluiting of levenslange
hechtenis, tot tijdelijke opsluiting,
tot hechtenis van twintig jaar tot
dertig jaar of van vijftien jaar tot
twintig jaar wordt tegen de
veroordeelden de afzetting uitgesproken
van de titels, graden, openbare ambten,
bedieningen en betrekkingen, waarmee zij
bekleed zijn.
Het hof van assisen kan die afzetting
uitspreken tegen de veroordeelden tot
hechtenis van tien jaar tot vijftien
jaar of van vijf jaar tot tien jaar. ]
(W. 23.1.2003 - art. 8 - B.S.
13.3.2003)
(W. 10.7.1996 - art. 10 - B.S.
1.8.1996)
|
ART. 20
[ ... ] (Opgeheven W. 10.7.1996 - art.
21 - B.S. 1.8.1996)
|
ART. 21
[... ] (Opgeheven W. 22.11.2004 - art. 2
- B.S. 9.12.2004)
|
ART. 22
[ ... ]
(Opgeheven W. 22.11.2004 - art. 2 -
B.S. 9.12.2004)
|
ART. 23
[ ... ] (Opgeheven W. 22.11.2004 - art.
2 - B.S. 9.12.2004)
|
ART. 24
[ ... ] (Opgeheven W. 22.11.2004 - art.
2 - B.S. 9.12.2004)
|
AFDELING III Correctionele
gevangenisstraf
|
ART. 25
[ De duur van de correctionele
gevangenisstraf is, behoudens de in de
wet bepaalde gevallen, ten minste acht
dagen en ten hoogste vijf jaar. Hij is
ten hoogste tien jaar voor een met
opsluiting van tien jaar tot vijftien
jaar, respectievelijk een langere
termijn of met levenslange opsluiting
strafbare misdaad die
gecorrectionaliseerd is. ]
(W. 23.1.2003 - art. 9 - B.S.
13.3.2003)
(W. 10.7.1996 - art. 12 - B.S.
1.8.1996)
(W. 26.11.1986 - enig art. - B.S.
30.12.1986)
De duur van een dag gevangenisstraf
is vierentwintig uren.
De duur van een maand gevangenisstraf
is dertig dagen.
|
ART. 26
[ ... ] (Opgeheven W. 10.7.1996 - art.
21 - B.S. 1.8.1996)
|
ART. 27
[ ... ]
(Opgeheven W. 18.3.1970 - art. 3 -
B.S. 21.3.1970)
|
AFDELING IV Politiegevangenisstraf
|
ART. 28
De gevangenisstraf wegens overtreding
mag niet minder zijn dan een dag en niet
meer dan zeven dagen, behoudens de bij
de wet uitgezonderde gevallen.
|
ART. 29
[ ... ]
(Opgeheven W. 10.7.1996 - art. 21 -
B.S. 1.8.1996)
|
[ BEPALINGEN AAN DE AFDELINGEN II,
III en IV GEMEEN ] (W. 18.3.1970 - art.
1 - B.S. 21.3.1970)
|
ART. 30
Elke hechtenis, vóór het onherroepelijk
worden van de veroordeling ondergaan ten
gevolge van het misdrijf dat tot die
veroordeling aanleiding geeft, wordt
toegerekend op de duur van de
vrijheidsstraffen.
[ Iedere voorlopige
plaatsingsmaatregel in een gesloten
opvoedingsafdeling als bedoeld in
artikel 52quater van de wet van 8 april
1965 betreffende de jeugdbescherming,
het ten laste nemen van minderjarigen
die een als misdrijf omschreven feit
hebben gepleegd en het herstel van de
door dit feit veroorzaakte schade of in
de wet van 1 maart 2002 betreffende de
voorlopige plaatsing van minderjarigen
die een als misdrijf omschreven feit
hebben gepleegd, wordt onder dezelfde
voorwaarde toegerekend op de duur van de
vrijheidsstraffen waartoe de persoon,
verwezen overeenkomstig artikel 57bis
van de voornoemde wet van 8 april 1965,
is veroordeeld. ]
(W. 15.5.2006 - art. 20 - B.S.
2.6.2006)
|
ART. 30bis
[De tot een vrijheidsstraf veroordeelden
ondergaan hun straf in de inrichtingen,
door de Koning aangewezen. ]
(W. 10.7.1996 - art. 13 - B.S.
1.8.1996)
|
ART. 30ter
[ Opgeheven ]
(W. 12.1.2005 - art. 169 - B.S.
1.2.2005)
|
AFDELING V Straffen aan misdaden en
wanbedrijven gemeen
|
[ ONDERAFDELING I. - Straffen aan
misdaden en wanbedrijven gemeen,
toepasselijk op natuurlijke personen ] (W.
04.05.1999 - art. 5 - B.S. 22.06.1999)
|
ART. 31
[ Bij alle arresten van veroordeling tot
levenslange opsluiting of levenslange
hechtenis of tot opsluiting voor een
termijn van tien tot vijftien jaar of
een langere termijn ] wordt tegen de
veroordeelden levenslange ontzetting
uitgesproken van het recht om:
(W. 10.7.1996 - art. 13 - B.S.
1.8.1996)
1° Openbare ambten, bedieningen of
betrekkingen te vervullen;
2° [ ... ] verkozen te worden;
3° Enig ereteken te dragen of enige
adellijke titel te voeren;
4° Gezworene of deskundige te zijn,
als instrumentair of attesterend getuige
bij akten op te treden; in rechte te
getuigen, anders dan om enkel
inlichtingen te geven;
5° [ geroepen te worden tot het ambt
van voogd, toeziend voogd of curator,
behalve over hun eigen kinderen, of om
het ambt van gerechtelijk raadsman [ ,
gerechtelijk bewindvoerder over de
goederen van een vermoedelijk afwezige ]
of voorlopig bewindvoerder uit te
oefenen; ]
(W. 29.4.2001 - art. 73 - B.S.
31.5.2001)
(W. 9.5.2007 - art. 48 - B.S.
21.6.2007)
[ 6° een wapen of munitie te
vervaardigen, te wijzigen, te
herstellen, over te dragen, voorhanden
te hebben, te dragen, te vervoeren, in,
uit, of door te voeren, of te dienen in
de Krijgsmacht. ]
(W. 8.6.2006 - art. 38 - B.S.
9.6.2006)
|
ART. 32
De hoven van assisen kunnen de tot
opsluiting [ van vijf jaar tot tien jaar
] of hechtenis veroordeelden, voor hun
leven of voor tien jaar tot twintig
jaar, geheel of ten dele ontzetten van
de uitoefening van de rechten genoemd in
het vorige artikel.
(W. 23.1.2003 - art. 11 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 33
De hoven en rechtbanken kunnen, in de
gevallen bij de wet bepaald, de tot
correctionele straffen veroordeelden
voor een termijn van vijf jaar tot tien
jaar, geheel of ten dele ontzetten van
de uitoefening van de rechten genoemd in
artikel 31.
|
ART. 34
De tijd van de ontzetting, bij het
vonnis of het arrest van veroordeling
bepaald, gaat in op de dag dat de
veroordeelde zijn straf heeft ondergaan
of dat zijn straf verjaard is.
Bovendien heeft de ontzetting haar
gevolgen met ingang van de dag waarop de
op tegenspraak of bij verstek gewezen
veroordeling onherroepelijk is geworden.
[ De ontzetting die is uitgesproken
ten aanzien van een veroordeelde die
overeenkomstig de wet van 29 juni 1964
betreffende de opschorting, het uitstel
en de probatie voor de tenuitvoerlegging
van zijn straf volledig of gedeeltelijk
uitstel heeft verkregen, gaat in op de
dag waarop het uitstel begint te lopen
zolang dat niet wordt herroepen. ]
(W.22.12.2003 - art. 380 - B.S.
31.12.2003)
|
[ ONDERAFDELING Ibis. - De
terbeschikkingstelling van de
strafuitvoeringsrechtbank. ] (Ingevoegd
W. 26.4.2007 - art. 3 - B.S. 13.7.2007)
|
[ ONDERAFDELING II - Straffen aan
misdaden en wanbedrijven gemeen,
toepasselijk op rechtspersonen ] (W.
04.05.1999 - art. 6 - B.S. 22.06.1999)
|
Art. 35
[ Ontbinding kan door de rechter worden
uitgesproken, wanneer de rechtspersoon
opzettelijk is opgericht om de strafbare
werkzaamheden te verrichten waarvoor hij
wordt veroordeeld of wanneer hij
opzettelijk van zijn doel is afgewend om
dergelijke werkzaamheden te verrichten.
Wanneer de rechter de ontbinding
uitspreekt, verwijst hij de zaak naar
het gerecht dat bevoegd is kennis te
nemen van de vereffening van de
rechtspersoon. ]
(W. 04.05.1999 - art. 6 - B.S.
22.06.1999)
|
Art. 36
[Tijdelijk of definitief verbod een
werkzaamheid te verrichten die deel
uitmaakt van het maatschappelijk doel
van de rechtspersoon, kan door de
rechter worden uitgesproken in de
gevallen door de wet bepaald. ]
(W. 04.05.1999 - art. 6 - B.S.
22.06.1999)
|
Art. 37
[Tijdelijke of definitieve sluiting van
een of meer inrichtingen van de
rechtspersoon kan door de rechter worden
uitgesproken in de gevallen door de wet
bepaald. ]
(W. 04.05.1999 - art. 6 - B.S.
22.06.1999)
|
Art. 37bis
[Bekendmaking of verspreiding van de
beslissing op kosten van de veroordeelde
kan door de rechter worden uitgesproken
in de gevallen bepaald door de wet. ]
(W. 04.05.1999 - art. 6 - B.S.
22.06.1999)
|
[ AFDELING V BIS . - De werkstraf
|
ART. 37ter
.§ 1. Indien een feit van die aard is om
door een politiestraf of een
correctionele straf gestraft te worden,
kan de rechter als hoofdstraf een
werkstraf opleggen. Binnen de perken van
de op het misdrijf gestelde straffen,
alsook van de wet op grond waarvan de
zaak voor hem werd gebracht, voorziet de
rechter in een gevangenisstraf of in een
geldboete die van toepassing kan worden
ingeval de werkstraf niet wordt
uitgevoerd.
De werkstraf mag niet worden
uitgesproken voor de feiten die bedoeld
zijn in :
- artikel 347bis ;
- de artikelen 375 tot 377;
- de artikelen 379 tot [ 387 ],
indien de feiten zijn gepleegd op of met
behulp van minderjarigen;
- de artikelen 393 tot 397;
- artikel 475.
[W. 17.5.2006 - art.103 - B.S.
15.6.2006]
§ 2. De duur van een werkstraf
bedraagt minstens twintig uren en ten
hoogste driehonderd uren. Een werkstraf
van vijfenveertig uren of minder is een
politiestraf. Een werkstraf van meer dan
vijfenveertig uren is een correctionele
straf.
De werkstraf moet worden uitgevoerd
binnen twaalf maanden na de dag waarop
de rechterlijke beslissing in kracht van
gewijsde is gegaan. De probatiecommissie
kan die termijn ambtshalve of op verzoek
van de veroordeelde verlengen.
§ 3. Indien een werkstraf door de
rechter wordt overwogen, door het
openbaar ministerie wordt gevorderd of
door de beklaagde wordt gevraagd, licht
de rechter deze laatste vóór de sluiting
van de debatten in over de draagwijdte
van een dergelijke straf en hoort hem in
zijn opmerkingen. De rechter kan hierbij
eveneens rekening houden met de belangen
van de eventuele slachtoffers. De
rechter kan de werkstraf slechts
uitspreken als de beklaagde op de
terechtzitting aanwezig of
vertegenwoordigd is en nadat hij, hetzij
in persoon, hetzij via zijn raadsman,
zijn instemming heeft gegeven.
De rechter die weigert een werkstraf
uit te spreken, moet zijn beslissing met
redenen omkleden.
§ 4. De rechter bepaalt de duur van
de werkstraf en kan aanwijzingen geven
omtrent de concrete invulling van de
werkstraf. ]
(W. 17.4.2002 - art. 3 - B.S.
7.5.2002)
|
Art. 37quater
[. § 1. De veroordeelde verricht de
werkstraf kosteloos tijdens de vrije
tijd waarover hij naast zijn eventuele
school- of beroepsactiviteiten beschikt.
De werkstraf mag uitsluitend worden
verricht bij openbare diensten van de
Staat, de gemeenten, de provincies, de
gemeenschappen en de gewesten, dan wel
bij verenigingen zonder winstoogmerk of
bij stichtingen met een sociaal,
wetenschappelijk of cultureel oogmerk.
De werkstraf mag niet bestaan uit een
activiteit die, in de aangewezen
overheidsdienst of vereniging, doorgaans
door bezoldigde werknemers wordt
verricht.
§ 2. Met het oog op de toepassing van
artikel 37ter , kunnen het openbaar
ministerie, de onderzoeksrechter, de
onderzoeksgerechten en de
vonnisgerechten aan de afdeling van de
Dienst justitiehuizen van het [ FOD
Justitie ] van het gerechtelijk
arrondissement van de verblijfplaats van
de inverdenkinggestelde, de beklaagde of
de veroordeelde de opdracht geven een
beknopt voorlichtingsverslag op te
stellen en/of een maatschappelijke
enquête uit te voeren. [ De Koning
bepaalt de nadere regels inzake het
beknopt voorlichtingsrapport en de
maatschappelijke enquête.
Deze rapporten en deze onderzoeken
mogen alleen de pertinente elementen
bevatten die van aard zijn de overheid
die het verzoek tot de dienst van de
justitiehuizen richtte in te lichten
over de opportuniteit van de overwogen
maatregel of straf. ]
(W. 27.12.2006 - art. 35 - B.S.
28.12.2006)
§ 3. [ Elke arrondissementele
afdeling van de Dienst Justitiehuizen
van de FOD Justitie stelt tweemaal per
jaar een verslag op van bestaande
activiteiten waaruit de werkstraf kan
bestaan. ] De afdeling bezorgt een
afschrift van dit verslag aan de
voorzitter van de rechtbank van eerste
aanleg en aan de procureur des Konings
van het betrokken arrondissement en, op
eenvoudig verzoek, aan al wie van een
belang kan doen blijken. ]
(W. 17.4.2002 - art. 3 - B.S.
7.5.2002)
(W. 27.12.2006 - art. 35 - B.S.
28.12.2006)
[ § 4. Op federaal en lokaal niveau
worden overlegstructuren inzake de
toepassing van de werkstraf opgericht.
Deze overlegstructuren hebben tot taak
de instanties die betrokken zijn bij de
uitvoering van de werkstraf, op
regelmatige basis samen te brengen
teneinde hun samenwerking te evalueren.
De Koning bepaalt de nadere regels
inzake de samenstelling en de werking
van deze overlegstructuren. ]
(W. 27.12.2006 - art. 35 - B.S.
28.12.2006)
|
ART. 37quinquies
[. § 1. Wie overeenkomstig artikel 37ter
tot een werkstraf is veroordeeld, wordt
gevolgd door een justitieassistent van
de Dienst justitiehuizen van het [ FOD
Justitie ] van het gerechtelijk
arrondissement van zijn verblijfplaats.
(W. 27.12.2006 - art. 36 - B.S.
28.12.2006)
Op de tenuitvoerlegging van de
werkstraf wordt toegezien door de probatiecommissie van de verblijfplaats
van de veroordeelde, waaraan de
justitieassistent rapporteert.
§ 2. Wanneer de rechterlijke
beslissing waarbij de werkstraf wordt
uitgesproken in kracht van gewijsde is
gegaan, bezorgt de griffier daarvan
binnen vierentwintig uur een uitgifte
aan de voorzitter van de bevoegde
probatiecommissie, alsook aan de [
bevoegde arrondissementele afdeling van
de Dienst Justitiehuizen van de FOD
Justitie ], die onverwijld de in § 1
bedoelde justitieassistent aanwijst. De
identiteit van de justitieassistent
wordt schriftelijk meegedeeld aan de
probatiecommissie, die er binnen zeven
werkdagen de veroordeelde in kennis van
stelt [ bij gewone brief ].
(W. 27.12.2006 - art. 36 - B.S.
28.12.2006)
[ De territoriale bevoegdheid van de
probatiecommissie wordt bepaald door de
verblijfplaats van de veroordeelde op
het ogenblik van het in kracht van
gewijsde gaan van het vonnis of arrest.
Indien de betrokkene zijn verblijfplaats
heeft buiten het grondgebied van het
Rijk, is de territoriaal bevoegde
probatiecommissie die van de plaats waar
de veroordeling in eerste aanleg
uitgesproken werd.
Indien de commissie het in
uitzonderlijke gevallen voor een tot een
werkstraf veroordeelde persoon, die
daartoe een gemotiveerde aanvraag
indient, aangewezen acht om de
bevoegdheid over te dragen aan de
probatiecommissie van zijn nieuwe
verblijfplaats, neemt zij een
gemotiveerde beslissing nadat die andere
commissie binnen de twee maanden een
eensluidend advies heeft uitgebracht.
Voor een persoon zonder verblijfplaats
in het Rijk kan volgens dezelfde
procedure de bevoegdheid naar een andere
probatiecommissie worden overgedragen,
zonder dat het in dat geval de commissie
van zijn nieuwe verblijfplaats moet
zijn. ]
(W. 27.12.2006 - art. 36 - B.S.
28.12.2006)
§ 3. De justitieassistent bepaalt na
de veroordeelde gehoord te hebben en
rekening houdend met zijn opmerkingen de
concrete invulling van de straf, met
naleving van de aanwijzingen bedoeld in
artikel 37ter , § 4, onder toezicht van
de probatiecommissie die hierin te allen
tijde, en eveneens met naleving van de
aanwijzingen bedoeld in artikel 37ter ,
§ 4, preciseringen of wijzigingen kan
aanbrengen, hetzij ambtshalve, hetzij op
vordering van het openbaar ministerie,
hetzij op verzoek van de veroordeelde.
[ De concrete invulling van de
werkstraf wordt vastgelegd in een door
de veroordeelde te ondertekenen
overeenkomst waarvan de
justitieassistent hem een kopie
overhandigt. De justitieassistent deelt
eveneens een kopie van de ondertekende
overeenkomst mee aan de
probatiecommissie binnen de drie
werkdagen. ]
(W. 27.12.2006 - art. 36 - B.S.
28.12.2006)
§ 4. Ingeval de werkstraf niet of
slechts gedeeltelijk wordt uitgevoerd,
meldt de justitieassistent dit
onverwijld aan de probatiecommissie.
Meer dan tien dagen vóór de datum die
werd vastgesteld om de zaak te
behandelen, roept de commissie de
veroordeelde bij aangetekende brief op
en stelt zijn raadsman ervan in kennis.
Het dossier van de commissie wordt
gedurende vijf dagen ter beschikking
gehouden van de veroordeelde en zijn
raadsman.
De commissie, die zitting houdt
zonder dat het openbaar ministerie
daarbij aanwezig is, stelt, naargelang
van het geval, een beknopt of met
redenen omkleed verslag op, met het oog
op de toepassing van de vervangende
straf.
[ Het verslag wordt bij gewone brief
ter kennis gebracht van de veroordeelde,
het openbaar ministerie en de
justitieassistent. ]
(W. 27.12.2006 - art. 36 - B.S.
28.12.2006)
In dit geval kan het openbaar
ministerie beslissen de in de
rechterlijke beslissing voorziene
gevangenisstraf of geldboete uit te
voeren, waarbij rekening wordt gehouden
met de werkstraf die reeds door de
veroordeelde is uitgevoerd. ]
(W. 17.4.2002 - art. 3 - B.S.
7.5.2002)
|
AFDELING VI Straffen aan de drie
soorten van misdrijven gemeen
|
[ ONDERAFDELING I. - De geldboete op
natuurlijke personen toepasselijk ] (W.
04.05.1999 - art. 7 - B.S. 22.06.1999)
|
ART. 38
De geldboete wegens overtreding bedraagt
ten minste een frank en ten hoogste
vijfentwintig frank, behoudens de bij de
wet uitgezonderde gevallen.
De geldboete wegens misdaad of
wanbedrijf bedraagt ten minste
zesentwintig frank.
De geldboeten worden geïnd ten bate
van de Staat.
|
ART. 39
Wanneer verscheidene personen wegens een
zelfde misdrijf worden veroordeeld,
wordt de geldboete uitgesproken tegen
ieder van hen persoonlijk.
|
ART. 40
Bij gebreke van betaling binnen twee
maanden te rekenen van het arrest of van
het vonnis, indien het op tegenspraak,
of te rekenen van de betekening, indien
het bij verstek is gewezen, kan de
geldboete worden vervangen door
gevangenisstraf, waarvan de duur bij het
vonnis of het arrest van veroordelingen
wordt bepaald en die zes maanden niet
zal te boven gaan voor hen die wegens
misdaad, drie maanden voor hen die
wegens wanbedrijf, en drie dagen voor
hen die wegens overtreding zijn
veroordeeld.
Veroordeelden die aan vervangende
gevangenisstraf zijn onderworpen, kunnen
in de inrichting worden gehouden waar
zij de hoofdstraf hebben ondergaan.
Indien alleen geldboete is
uitgesproken, wordt de gevangenisstraf,
te ondergaan bij gebreke van betaling,
gelijkgesteld met correctionele
gevangenisstraf of met
politiegevangenisstraf, al naar de aard
van de veroordeling.
|
ART. 41
In alle gevallen kan de veroordeelde
zich van die gevangenisstraf bevrijden
door de geldboete te betalen; hij kan
zich niet onttrekken aan het verhaal op
zijn goederen door aan te bieden de
gevangenisstraf te ondergaan.
|
[ONDERAFDELING II. - De geldboete op
rechtspersonen toepasselijk ] (W.
04.05.1999 - art. 8 - B.S. 22.06.1999)
|
Art. 41bis
[§ 1. De geldboeten toepasselijk op
misdrijven gepleegd door rechtspersonen,
zijn :
In criminele en correctionele zaken :
- wanneer de wet op het feit
levenslange vrijheidsstraf stelt :
geldboete van tweehonderdveertig duizend
frank tot zevenhonderdtwintigduizend
frank;
- wanneer de wet op het feit
vrijheidsstraf en geldboete stelt, of
een van de straffen alleen : geldboete
van minimum vijfhonderd frank
vermenigvuldigd met het getal van de
maanden van de minimumvrijheidsstraf,
doch niet lager dan de minimumgeldboete
op het feit gesteld; met als maximum
tweeduizend frank vermenigvuldigd met
het getal van de maanden van de
maximumvrijheidsstraf, doch niet lager
dan het dubbele van de maximumgeldboete
op het feit gesteld;
- wanneer de wet op het feit enkel
geldboete stelt : geldboete met minimum
en maximum als door de wet op het feit
gesteld.
In politiezaken :
- geldboete van vijfentwintig frank
tot tweehonderdvijftig frank.
§ 2. Voor het bepalen van de straf
bedoeld in § 1 zijn de bepalingen van
boek I van toepassing. ]
(W. 04.05.1999 - art. 8 - B.S.
22.06.1999)
|
[ ONDERAFDELING III. - Bijzondere
verbeurdverklaring ] (W. 04.05.1999 -
art. 9 - B.S. 22.06.1999)
|
ART. 42
Bijzondere verbeurdverklaring wordt
toegepast:
1° Op de zaken die het voorwerp van
het misdrijf uitmaken, en op die welke
gediend hebben of bestemd waren tot het
plegen van het misdrijf, wanneer zij
eigendom van de veroordeelde zijn;
2° Op de zaken die uit het misdrijf
voortkomen;
[ 3° Op de vermogensvoordelen die
rechtstreeks uit het misdrijf zijn
verkregen, op de goederen en waarden die
in de plaats ervan zijn gesteld en op de
inkomsten uit de belegde voordelen. ]
(W. 17.7.1990 - art. 1 - B.S.
15.8.1990)
|
ART. 43
Bij misdaad of wanbedrijf wordt
bijzondere verbeurdverklaring [
toepasselijk op de zaken bedoeld in
artikel 42, 1° en 2° ] altijd
uitgesproken.
Bij overtreding wordt zij slechts
uitgesproken in de gevallen bij de wet
bepaald.
(W. 17.7.1990 - art. 2 - B.S.
15.8.1990)
|
ART. 43bis
[[ Bijzondere verbeurdverklaring
toepasselijk op de zaken bedoeld in
artikel 42, 3°, kan door de rechter in
elk geval worden uitgesproken, maar
slechts voorzover zij door de procureur
des Konings schriftelijk wordt
gevorderd. ]
(W. 19.12.2002 - art. 2 - B.S.
14.2.2003)
Indien de zaken niet kunnen worden
gevonden in het vermogen van de
veroordeelde, raamt de rechter de
geldwaarde ervan en heeft de
verbeurdverklaring betrekking op een
daarmee overeenstemmend bedrag.
Ingeval de verbeurdverklaarde zaken
aan de burgerlijke partij toebehoren,
zullen zij aan haar worden teruggegeven.
De verbeurdverklaarde zaken zullen haar
eveneens worden toegewezen ingeval de
rechter de verbeurdverklaring
uitgesproken heeft omwille van het feit
dat zij goederen en waarden vormen die
door de veroordeelde in de plaats
gesteld zijn van de zaken die toebehoren
aan de burgerlijke partij of omdat zij
het equivalent vormen van zulke zaken in
de zin van het tweede lid van dit
artikel.
Iedere andere derde die beweert recht
te hebben op de verbeurdverklaarde zaak,
zal dit recht kunnen laten gelden binnen
een termijn en volgens modaliteiten
bepaald door de Koning. ]
(W. 17.7.1990 - art. 3 - B.S.
15.8.1990)
|
ART. 43ter
[De bijzondere verbeurdverklaring die
van toepassing is op de zaken bedoeld [
in de artikelen 42, 43bis en 43quater ],
kan eveneens worden uitgesproken wanneer
die zaken zich buiten het grondgebied
van de Belgische Staat bevinden. ]
(W. 19.12.2002 - art. 3 - B.S.
14.2.2003)
(W. 20.5.1997 - art. 12 - B.S.
3.7.1997)
|
ART. 43quater
[. § 1. Onverminderd artikel 43bis ,
derde en vierde lid, kunnen op vordering
van de procureur des Konings de in § 2
bedoelde vermogensvoordelen, de goederen
en waarden die in de plaats ervan zijn
gesteld en de inkomsten uit de belegde
voordelen, die worden gevonden in het
vermogen of in het bezit van een
persoon, verbeurd verklaard worden of
kan zulke persoon veroordeeld worden tot
betaling van een bedrag dat door de
rechter wordt geraamd als zijnde
overeenstemmend met de waarde van deze
zaken, indien deze persoon schuldig werd
bevonden :
[ a) hetzij aan één of meer van de
strafbare feiten bedoeld in :
1° artikel 136sexies en artikel
136septies, 1°;
[ 1°bis artikel 137, voor zover deze
strafbare feiten gestraft worden met een
van de straffen bedoeld in artikel 138,
§ 1, 4° tot en met 10°, en van dien aard
zijn dat zij financieel gewin kunnen
opleveren, alsook artikel 140, voor
zover deze misdaad of dit wanbedrijf van
dien aard is dat het financieel gewin
kan opleveren; ]
(W. 27.12.2006 - art. 390 - B.S.
28.12.2006)
2° de artikelen 246 tot 251, en
artikel 323;
[ 2°bis. de artikelen 433sexies,
433septies [ , 433octies, 433undecies en
433duodecies ] ; ]
(W. 10.8.2005 - art . 3, 1° - B.S.
2.9.2005)
(W. 9.2.2006 - art. 2 - B.S.
28.2.2006)
3° de artikelen 504bis en 504ter, en
artikel 323;
4° artikel 2bis, § 1, van de wet van
24 februari 1921 betreffende het
verhandelen van de gifstoffen,
slaapmiddelen en verdovende middelen,
ontsmettingsstoffen en antiseptica, in
zoverre de feiten betrekking hebben op
de invoer, de uitvoer, de vervaardiging,
de verkoop of het te koop stellen van de
in dat artikel bedoelde middelen en
stoffen, of § 3, b), of § 4, b), van
dezelfde wet;
5° [ de artikelen 77ter, 77quater en
77quinquies ], van de wet van 15
december 1980 betreffende de toegang tot
het grondgebied, het verblijf, de
vestiging en de verwijdering van
vreemdelingen;
(W. 10.8.2005 - art . 3, 2° - B.S.
2.9.2005)
6° artikel 10, § 1, 2°, van de wet
van 15 juli 1985 betreffende het gebruik
bij dieren van stoffen met hormonale,
antihormonale, beta-adrenergische of
productiestimulerende werking. ]
(W. 5.8.2003 - art. 2 - B.S.
7.8.2003)
b) hetzij aan de strafbare feiten
omschreven in artikel 324ter of van een
of meer van de hierna bedoelde strafbare
feiten wanneer ze gepleegd zijn in het
raam van een criminele organisatie,
zoals bepaald in artikel 324bis :
[ 1° de artikelen 162, 163, 173, 180
en 186; ]
1°bis de artikelen 379 of 380 [ en
383bis, § 1; ]
2° de artikelen 468, 469, 470, 471 of
472;
3° artikel 475;
4° de artikelen 477, 477bis , 477ter
, 477quater , 477quinquies , 477sexies
of 488bis ;
5° artikel 505, met uitzondering van
de zaken die gedekt zijn door artikel
42, 1°;
[ 5°bis artikel 2quater, 4°, van de
wet van 24 februari 1921 betreffende het
verhandelen van giftstoffen,
slaapmiddelen en verdovende middelen,
psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen
en antiseptica en van de stoffen die
kunnen gebruikt worden voor de illegale
vervaardiging van verdovende middelen en
psychotrope stoffen; ]
6° artikel 10 van de wet van 5
augustus 1991 betreffende de in-, uit-
en doorvoer van wapens, munitie en
speciaal voor militair gebruik dienstig
materieel en daaraan verbonden
technologie;
7° artikel 1 van het koninklijk
besluit van 12 april 1974 betreffende
sommige verrichtingen in verband met
stoffen met hormonale, anti- hormonale,
anabole, anti-infectieuze,
anti-parasitaire en anti-inflammatoire
werking, welk artikel betrekking heeft
op strafbare feiten waarop
overeenkomstig de wet van 24 februari
1921 betreffende het verhandelen van de
gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende
middelen, ontsmettingsstoffen en
antiseptica straffen worden gesteld;
8° de artikelen 3 en 5 van het
koninklijk besluit van 5 februari 1990
betreffende sommige stoffen met
beta-adrenergische werking, welke
artikelen betrekking hebben op strafbare
feiten waarop overeenkomstig de wet van
25 maart 1964 op de geneesmiddelen
straffen worden gesteld.
(W. 27.12.2006 - art. 391 - B.S.
28.12.2006)
c) hetzij aan meerdere strafbare
feiten die gezamenlijk worden vervolgd,
en waarvan de ernst, de finaliteit en de
onderlinge afstemming, de rechtbank
toelaat zeker en noodzakelijk te
besluiten dat deze feiten werden
gepleegd in het kader van ernstige en
georganiseerde fiscale fraude waarbij
bijzonder ingewikkelde mechanismen of
procédés van internationale omvang
werden aangewend.
§ 2. De verbeurdverklaring zoals
bedoeld in § 1 kan worden uitgesproken
tegen de daders, mededaders en
medeplichtigen die werden veroordeeld
wegens één of meerdere van de in dit
artikel opgesomde misdrijven en onder de
in § 1 bepaalde voorwaarden, wanneer de
veroordeelde over een relevante periode
verdere vermogensvoordelen heeft
ontvangen terwijl er ernstige en
concrete aanwijzigingen zijn dat deze
voordelen voortspruiten, uit het
misdrijf waarvoor hij werd veroordeeld,
of uit identieke feiten, en de
veroordeelde het tegendeel niet
geloofwaardig maakt.
Dit tegendeel kan tevens
geloofwaardig gemaakt worden door elke
derde die beweert recht te hebben op
deze voordelen.
§ 3. Als relevante periode in de zin
van dit artikel wordt aanzien de periode
van vijf jaar voorafgaand aan de
inverdenkingstelling van de persoon tot
de datum van de uitspraak.
De ernstige en concrete aanwijzingen
bedoeld in § 2 kunnen worden geput uit
alle geloofwaardige elementen die op
regelmatige wijze aan de rechtbank
worden overlegd, en die wijzen op een
onevenwicht van enig belang tussen
enerzijds de tijdelijke of blijvende
aangroei van het vermogen en de
bestedingen van de veroordeelde in de
relevante periode die door het openbaar
ministerie wordt aangetoond, en
anderzijds de tijdelijke of blijvende
aangroei van het vermogen en de
bestedingen van de veroordeelde in deze
periode, waarvan hij kan geloofwaardig
maken dat ze niet voortspruiten uit de
feiten waarvoor hij werd veroordeeld of
uit identieke feiten.
Onder identieke feiten worden
verstaan de feiten die behoren tot de
misdrijfomschrijvingen die zijn bepaald
in § 1 en die vallen onder :
a) ofwel dezelfde omschrijving als
het misdrijf dat het voorwerp uitmaakt
van de veroordeling :
b) ofwel een aanverwante
omschrijving, op voorwaarde dat deze is
opgenomen onder dezelfde rubriek van §
1, a) , als het misdrijf dat het
voorwerp uitmaakt van de veroordeling.
Wanneer de rechtbank de bijzondere
verbeurdverklaring in de zin van dit
artikel oplegt, kan zijn beslissen geen
rekening te houden met een door haar te
bepalen deel van de relevante periode of
met door haar te bepalen inkomsten,
goederen en waarden, indien zij zulks
gepast acht om de veroordeelde niet te
onderwerpen aan een onredelijk zware
straf.
§ 4. Het vermogen dat ter beschikking
staat van een criminele organisatie moet
verbeurd verklaard worden, onder
voorbehoud van de rechten van derden te
goeder trouw. ]
(W. 19.12.2002 - art. 4 - B.S
14.2.2003)
|
HOOFDSTUK III Andere veroordelingen
die wegens misdaden, wanbedrijven of
overtredingen kunnen worden uitgesproken
|
ART. 44
De veroordeling tot de bij de wet
gestelde straffen wordt altijd
uitgesproken, onverminderd de teruggave
en de schadevergoeding die aan partijen
mochten zijn verschuldigd.
|
ART. 45
Wanneer de wet de schadevergoeding niet
regelt, bepaalt het hof of de rechtbank
het bedrag ervan, zonder nochtans te
mogen beslissen, zelfs met toestemming
van de benadeelde partij, dat zij aan
enig werk zal worden toegewezen.
|
ART. 46-48
[ ... ]
(Opgeheven W. 31.1.1980 - art. 4, 1°
- B.S. 20.2.1980)
|
ART. 49
Wanneer de goederen van de veroordeelde
ontoereikend zijn om de veroordelingen
tot geldboete, teruggave en
schadevergoeding te dekken, hebben de
twee laatstgenoemde veroordelingen de
voorrang.
Bij samentreffen van geldboete en aan
de Staat verschuldigde gerechtskosten,
worden de betalingen, door de
veroordeelden gedaan, het eerst op die
gerechtskosten toegerekend. [ Deze
betalingen stuiten de verjaringstermijn
van zowel de geldboete als van de
gerechtskosten. ]
(W. 27.12.2006 - art. 302 - B.S.
28.12.2006)
|
ART. 50
Alle wegens een zelfde misdrijf
veroordeelde personen zijn hoofdelijk
gehouden tot teruggave en
schadevergoeding.
Zij zijn hoofdelijk gehouden tot de
kosten, wanneer zij door een zelfde
vonnis of arrest zijn veroordeeld.
Nochtans kan de rechter alle
veroordeelden of enige van hen
vrijstellen van de hoofdelijkheid, mits
hij de redenen van die vrijstelling
opgeeft en het door ieder persoonlijk te
dragen aandeel in de kosten bepaalt.
Personen, door onderscheidene
vonnissen of arresten veroordeeld, zijn
alleen wegens daden van vervolging, die
hun gemeen zijn, hoofdelijk gehouden tot
de kosten.
|
Art. 50bis
[Niemand kan burgerrechtelijk
aansprakelijk worden gesteld voor
betaling van geldboete waartoe een ander
wordt veroordeeld, indien hij wegens
dezelfde feiten wordt veroordeeld. ]
(W. 04.05.1999 - art. 10 - B.S.
22.06.1999)
|
HOOFDSTUK IV Poging tot misdaad of
tot wanbedrijf
|
ART. 51
Strafbare poging bestaat, wanneer het
voornemen om een misdaad of een
wanbedrijf te plegen zich heeft
geopenbaard door uitwendige daden die
een begin van uitvoering van die misdaad
of van dat wanbedrijf uitmaken en alleen
ten gevolge van omstandigheden, van de
wil van de dader onafhankelijk, zijn
gestaakt of hun uitwerking hebben
gemist.
|
ART. 52
Poging tot misdaad wordt gestraft met de
straf die, overeenkomstig de artikelen
80 en 81, onmiddellijk lager is dan die
gesteld op de misdaad zelf.
|
ART. 53
De wet bepaalt in welke gevallen en met
welke straffen poging tot wanbedrijf
wordt gestraft.
|
HOOFDSTUK V Herhaling
|
ART. 54
[Hij die, na tot een criminele straf te
zijn veroordeeld, een misdaad pleegt die
strafbaar is met opsluiting van vijf
jaar tot tien jaar, kan worden
veroordeeld tot opsluiting van tien jaar
tot vijftien jaar.
Indien de misdaad strafbaar is met
opsluiting van tien jaar tot vijftien
jaar, kan de schuldige worden
veroordeeld tot opsluiting van vijftien
jaar tot twintig jaar.
Hij wordt veroordeeld tot ten minste
zeventien jaar opsluiting indien de
misdaad strafbaar is met opsluiting van
vijftien jaar tot twintig jaar. ]
(W. 23.1.2003 - art. 12 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 55
Hij die, na tot een criminele straf te
zijn veroordeeld, een misdaad pleegt die
gestraft wordt met hechtenis van vijf
jaar tot tien jaar, kan worden
veroordeeld tot hechtenis van tien jaar
tot vijftien jaar.
Indien de misdaad wordt gestraft met
hechtenis van tien jaar tot vijftien
jaar, kan de schuldige worden
veroordeeld tot buitengewone hechtenis.
Hij wordt veroordeeld tot ten minste
zeventien jaar hechtenis, indien de
misdaad strafbaar is met buitengewone
hechtenis.
|
ART. 56
Hij die, na tot een criminele straf te
zijn veroordeeld, een wanbedrijf pleegt,
kan worden veroordeeld tot het dubbele
van het maximum van de straf, bij de wet
op het wanbedrijf gesteld.
Dezelfde straf kan worden
uitgesproken in geval van een vroegere
veroordeling tot gevangenisstraf van ten
minste een jaar, indien de veroordeelde
het nieuwe wanbedrijf pleegt voordat
vijf jaren zijn verlopen sinds hij zijn
straf heeft ondergaan of sinds zijn
straf verjaard is.
[ ... ]
(Opgeheven W. 9.4.1930 - art. 32 -
B.S. 11.5.1930)
|
ART. 57
De bepalingen betreffende de herhaling
worden toegepast overeenkomstig de
vorige artikelen, ingeval een vroegere
veroordeling door een militaire
rechtbank is uitgesproken wegens een
feit dat door de gewone strafwetten
misdaad of wanbedrijf wordt genoemd, en
tot een straf die door deze wetten is
gesteld.
Indien een bij de militaire wetten
gestelde straf wegens dat feit is
uitgesproken, nemen de hoven en
rechtbanken, bij het beoordelen van de
herhaling, alleen de laagste straf in
aanmerking, die het bij het eerste
vonnis gestrafte feit volgens de gewone
strafwetten ten gevolge kon hebben.
|
HOOFDSTUK VI Samenloop van
verscheidene misdrijven
|
ART. 58
Hij die schuldig bevonden wordt aan
verscheidene overtredingen, wordt
gestraft met de straf die op elk van die
overtredingen is gesteld. [ Indien
werkstraffen worden uitgesproken, kan de
duur ervan maximum driehonderd uren
bedragen. ]
(W. 17.4.2002 - art. 4 - B.S.
7.5.2002)
|
ART. 59
Bij samenloop van één of meer
wanbedrijven met één of meer
overtredingen worden alle geldboeten [ ,
werkstraffen ] en correctionele
gevangenisstraffen samen opgelegd binnen
de grenzen in het volgende artikel
bepaald.
(W. 17.4.2002 - art. 5 - B.S.
7.5.2002)
|
ART. 60
[ Bij samenloop van verscheidene
wanbedrijven worden alle straffen samen
opgelegd, zonder dat zij evenwel het
dubbele van het maximum van de zwaarste
straf te boven mogen gaan. In geen enkel
geval mag die straf twintig jaar
gevangenisstraf [ of driehanderd uren
werkstraf ] te boven gaan. ]
(W. 1.2.1977 - art. 5 - B.S.
19.2.1977)
(W. 17.4.2002 - art. 6 - B.S.
7.5.2002)
|
ART. 61
Bij samenloop van een misdaad met een of
meer wanbedrijven of met een of meer
overtredingen, wordt alleen de op de
misdaad gestelde straf uitgesproken.
|
ART. 62
Bij samenloop van verscheidene misdaden
wordt alleen de zwaarste straf
uitgesproken. Die straf kan zelfs tot
vijf jaar boven het maximum worden
verhoogd, indien zij bestaat in [
tijdelijke opsluiting of hechtenis van
vijftien jaar tot twintig jaar,
respectievelijk gedurende een kortere
termijn. ]
(W. 23.1.2003 - art. 14 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 63
[De zwaarste straf is de langstdurende.
Zijn de straffen van gelijke duur, dan
wordt opsluiting beschouwd als een
zwaardere straf dan hechtenis. ]
(W. 23.1.2003 - art. 15 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 64
De straffen van bijzondere
verbeurdverklaring wegens verscheidene
misdaden, wanbedrijven of overtredingen,
worden altijd samen opgelegd.
|
ART. 65
[ Wanneer een zelfde feit verscheidene
misdrijven oplevert of wanneer
verschillende misdrijven die de
opeenvolgende en voortgezette uitvoering
zijn van een zelfde misdadig opzet,
gelijktijdig worden voorgelegd aan een
zelfde feitenrechter, wordt alleen de
zwaarste straf uitgesproken.
Wanneer de feitenrechter vaststelt
dat misdrijven die reeds het voorwerp
waren van een in kracht van gewijsde
gegane beslissing en andere feiten die
bij hem aanhangig zijn en die, in de
veronderstelling dat zij bewezen zouden
zijn, aan die beslissing voorafgaan en
samen met de eerste misdrijven de
opeenvolgende en voortgezette uitvoering
zijn van een zelfde misdadig opzet,
houdt hij bij de straftoemeting rekening
met de reeds uitgesproken straffen.
Indien deze hem voor een juiste
bestraffing van al de misdrijven
voldoende lijken, spreekt hij zich uit
over de schuldvraag en verwijst hij in
zijn beslissing naar de reeds
uitgesproken straffen. Het geheel van de
straffen uitgesproken met toepassing van
dit artikel mag het maximum van de
zwaarste straf niet te boven gaan. ]
(W. 11.7.1994 - art. 45 - B.S.
21.7.1994)
|
HOOFDSTUK VII Deelneming van
verscheidene personen aan een zelfde
misdaad of wanbedrijf
|
ART. 66
Als daders van een misdaad of wanbedrijf
worden gestraft:
Zij die de misdaad of het wanbedrijf
hebben uitgevoerd of aan de uitvoering
rechtstreeks hebben meegewerkt;
Zij die door enige daad tot de
uitvoering zodanige hulp hebben verleend
dat de misdaad of het wanbedrijf zonder
hun bijstand niet had kunnen worden
gepleegd
Zij die, door giften, beloften,
bedreigingen, misbruik van gezag of van
macht, misdadige kuiperijen of
arglistigheden, de misdaad of het
wanbedrijf rechtstreeks hebben
uitgelokt;
[ Zij die, hetzij door woorden in
openbare bijeenkomsten of plaatsen
gesproken, hetzij door enigerlei
geschrift, drukwerk, prent of
zinnebeeld, aangeplakt, rondgedeeld of
verkocht, te koop geboden of openlijk
tentoongesteld, het plegen van het feit
rechtstreeks hebben uitgelokt,
onverminderd de straffen die bij de wet
bepaald zijn tegen daders van aanzetting
tot misdaden of wanbedrijven, zelfs voor
het geval dat die aanzetting zonder
gevolg is gebleven. ]
(W. 25.3.1891 - art. 2 - B.S.
26.3.1891)
(W. 28.7.1934 - art. 1,1 - B.S.
2.8.1934)
|
ART. 67
Als medeplichtigen aan een misdaad of
een wanbedrijf worden gestraft:
Zij die onderrichtingen hebben
gegeven om de misdaad of het wanbedrijf
te plegen;
Zij die wapens, werktuigen of enig
ander middel hebben verschaft, die tot
de misdaad of het wanbedrijf hebben
gediend, wetende dat ze daartoe zouden
dienen;
Zij die, buiten het geval van artikel
66, § 3, met hun weten de dader of de
daders hebben geholpen of bijgestaan in
daden die de misdaad of het wanbedrijf
hebben voorbereid, vergemakkelijkt of
voltooid.
|
ART. 68
Zij die, bekend met het misdadig gedrag
van boosdoeners die roverijen plegen of
gewelddaden tegen de veiligheid van de
Staat, tegen de openbare rust, tegen
personen of eigendommen, er een gewoonte
van maken hun een onderdak, een
schuilplaats of een vergaderplaats te
verschaffen, worden als hun
medeplichtigen gestraft.
|
ART. 69
Medeplichtigen aan een misdaad worden
gestraft met de straf die,
overeenkomstig de artikelen 80 en 81 van
dit wetboek, onmiddellijk lager is dan
die waarmee zij als daders van die
misdaad zouden worden gestraft.
De straf tegen medeplichtigen aan een
wanbedrijf zal niet hoger zijn dan twee
derden van die welke op hen zou worden
toegepast, indien zij de daders van dat
wanbedrijf waren.
|
HOOFDSTUK VIII Rechtvaardigings- en
verschoningsgronden
|
ART. 70
[ Behoudens wat de misdrijven betreft,
zoals bepaald in boek II, titel Ibis, is
er geen misdrijf, ] wanneer het feit
door de wet voorgeschreven en door de
overheid bevolen is.
(W. 5.8.2003 - art. 3 - B.S.
7.8.2003)
|
ART. 71
Er is geen misdrijf, wanneer de
beschuldigde of de beklaagde op het
ogenblik van het feit in staat van
krankzinnigheid was of wanneer hij
gedwongen werd door een macht die hij
niet heeft kunnen weerstaan.
|
ART. 72-75
[ ... ]
(Opgeheven W. 15.5.1912 - art. 64 -
B.S. 27/28/29.5.1912)
|
ART. 76
[ ... ]
(Opgeheven W. 9.4.1930 - art. 32 -
B.S. 11.5.1930)
(W. 1.7.1964 - art. 1 - B.S.
17.7.1964)
|
ART. 77
[ ... ]
(Opgeheven W. 10.7.1996 - art. 21 -
B.S. 1.8.1996)
|
ART. 78
Geen misdaad of wanbedrijf is
verschoonbaar dan in de gevallen bij de
wet bepaald.
|
HOOFDSTUK IX Verzachtende
omstandigheden
|
ART. 79
Indien verzachtende omstandigheden
aanwezig zijn, worden de criminele
straffen verminderd of gewijzigd
overeenkomstig de volgende bepalingen.
|
ART. 80
[ Levenslange opsluiting wordt vervangen
door tijdelijke opsluiting of door
gevangenisstraf van ten minste drie
jaar.
Opsluiting van twintig jaar tot
dertig jaar door opsluiting van vijftien
jaar tot twintig jaar, respectievelijk
gedurende een kortere termijn of door
gevangenisstraf van ten minste drie
jaar.
Opsluiting van vijftien jaar tot
twintig jaar door opsluiting van tien
jaar tot vijftien jaar, respectievelijk
gedurende vijf jaar tot tien jaar of
door gevangenisstraf van ten minste één
jaar.
Opsluiting van tien jaar tot vijftien
jaar door opsluiting van vijf jaar tot
tien jaar of door gevangenisstraf van
ten minste zes maanden.
Opsluiting van vijf jaar tot tien
jaar door gevangenisstraf van ten minste
één maand. ]
(W. 11.12.2001 - art. 2 - B.S.
7.2.2002)
|
ART. 81
[Levenslange hechtenis, gesteld op
misdaden tegen de uitwendige veiligheid
van de Staat, wordt vervangen door
tijdelijke hechtenis of door een
gevangenisstraf van ten minste een jaar.
Hechtenis van twintig jaar tot dertig
jaar door hechtenis van vijftien jaar
tot twintig jaar, respectievelijk een
kortere termijn of door gevangenisstraf
van ten minste een jaar.
Hechtenis van vijftien jaar tot
twintig jaar door hechtenis van tien
jaar tot vijftien jaar of van vijf jaar
tot tien jaar of door een
gevangenisstraf van ten minste een jaar.
Hechtenis van tien jaar tot vijftien
jaar door hechtenis van vijf jaar tot
tien jaar of door een gevangenisstraf
van ten minste zes maanden. Hechtenis
van vijf jaar tot tien jaar door
gevangenisstraf van ten minste een
maand. ]
(W. 23.1.2003 - art. 16 - B.S.
13.3.2003)
(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S.
1.8.1996)
(W. 23.8.1919 - art. 2 - B.S.
25/26.8.1919)
(W. 14.5.1937 - art. 2 - B.S.
17/18/19.5.1937)
(W.23.8.1919 - art. 2 - B.S.
25/26.8.1919)
|
ART. 82
[ In de gevallen van samenloop bepaald
bij de artikelen 61 en 62 van het
Strafwetboek, kan het vonnisgerecht
niettemin, wanneer de criminele straffen
op grond van verzachtende omstandigheden
verminderd worden tot correctionele
straffen, een enkele straf uitspreken. ]
(W. 23.8.1919 - art. 2 - B.S.
25/26.8.1919)
|
ART. 83
De geldboete in criminele zaken kan
worden verminderd zonder dat zij ooit
lager mag zijn dan zesentwintig frank.
|
ART. 84
Schuldigen wier criminele straf tot
gevangenisstraf wordt verminderd, kunnen
worden veroordeeld tot geldboete van
zesentwintig frank tot duizend frank.
Zij kunnen worden veroordeeld, voor
ten minste vijf jaar en ten hoogste tien
jaar, tot ontzetting van alle rechten of
een deel van de rechten, in artikel 31
van dit wetboek genoemd.
[ ... ]
(Opgeheven W. 9.4.1930 - art. 32 -
B.S. 11.5.1930)
|
ART. 85
[ Indien verzachtende omstandigheden
aanwezig zijn, kunnen de
gevangenisstraffen, de werkstraffen en
de geldboeten onderscheidenlijk tot
beneden acht dagen, vijfenveertig uren
en zesentwintig EUR worden verminderd,
zonder dat zij lager mogen zijn dan
politiestraffen. ]
(W. 17.4.2002 - art. 7 - B.S.
7.5.2002)
De rechter kan ook een van die
straffen afzonderlijk toepassen.
Indien alleen gevangenisstraf bepaald
is, kan de rechter die straf vervangen
door geldboete van ten hoogste
vijfhonderd frank.
Indien ontzetting van de in artikel
31 genoemde rechten [ ... ]
voorgeschreven of toegelaten [ is ], kan
de rechter die [ straf ] uitspreken voor
een termijn van een jaar tot vijf jaar,
of in het geheel niet opleggen.
(W. 9.4.1930 - art. 32 - B.S.
11.5.1930)
(W. 1.7.1964 - art. 1 - B.S.
17.7.1964)
|
HOOFDSTUK X Tenietgaan van de
straffen
|
ART. 86
Straffen, uitgesproken bij
onherroepelijk geworden arresten of
vonnissen, gaan teniet door de dood van
de veroordeelde.
[ Het verlies van
rechtspersoonlijkheid van de
veroordeelde rechtspersoon doet de straf
niet vervallen. ]
(W. 04.05.1999 - art. 11 - B.S.
22.06.1999)
|
ART. 87
Onbekwaamheden, door de rechter
uitgesproken of door de wet aan sommige
veroordelingen verbonden, houden op door
kwijtschelding, die de Koning daarvan
kan verlenen krachtens het recht van
genade.
|
ART. 88
[ ... ]
(W. 9.4.1930 - art. 32 - B.S.
11.5.1930)
|
ART. 89
[ ... ]
(Opgeheven W. 22.11.2004 - art. 2 -
B.S. 9.12.2004)
|
ART. 90
[ ... ]
(Opgeheven W. 22.11.2004 - art. 2 -
B.S. 9.12.2004)
|
ART. 91
[ Behoudens straffen met betrekking tot
misdrijven, zoals bepaald in de
artikelen 136bis, 136ter en 136quater,
verjaren criminele straffen ] door
verloop van twintig jaren, te rekenen
van de dagtekening van de arresten of
vonnissen waarbij zij zijn uitgesproken.
(W. 5.8.2003 - art. 4 - B.S.
7.8.2003)
|
ART. 92
Correctionele straffen verjaren door
verloop van vijf jaren, te rekenen van
de dagtekening van het arrest of van het
in laatste aanleg gewezen vonnis, of te
rekenen van de dag waarop het in eerste
aanleg gewezen vonnis niet meer kan
worden bestreden bij wege van hoger
beroep.
Indien de uitgesproken straf drie
jaar te boven gaat, is de
verjaringstermijn tien jaren.
|
ART. 93
Politiestraffen verjaren door verloop
van een jaar, te rekenen van de
tijdstippen, in het vorige artikel
vastgesteld.
|
ART. 94
De straffen [ ... ] van geldboete en van
bijzondere verbeurdverklaring verjaren
door verloop van de in de vorige
artikelen vastgestelde termijnen,
naargelang zij zijn uitgesproken wegens
misdaden, wanbedrijven of overtredingen.
(W. 9.4.1930 - art. 32 - B.S.
11.5.1930)
|
ART. 95
Indien de veroordeelde die zijn straf
ondergaat, erin slaagt te ontvluchten,
begint de verjaringstermijn te lopen van
de dag van de ontvluchting.
Wanneer echter in dat geval een
veroordeelde meer dan vijf jaar van zijn
straf heeft ondergaan, indien het een
tijdelijke criminele straf betreft, of
meer dan twee jaar, indien het een
correctionele straf betreft, wordt die
meerdere tijd toegerekend op de duur van
de verjaring.
|
ART. 96
De verjaring van de straf wordt door de
aanhouding van de veroordeelde gestuit.
|
ART. 97-98
[ ... ]
(Opgeheven W. 9.4.1930 - art. 32 -
B.S. 11.5.1930)
|
ART. 99
Burgerlijke veroordelingen, uitgesproken
bij arresten of vonnissen gewezen in
criminele, correctionele of
politiezaken, verjaren naar de regels
van het burgerlijk recht, te rekenen van
de dag waarop zij onherroepelijk zijn
geworden.
Die veroordelingen verjaren echter te
rekenen van de dagtekening van het
arrest, indien zij zijn uitgesproken bij
weerspannigheid aan de wet.
|
[ Algemene bepalingen ] (W.
28.11.2000 - art. 2 - B.S. 17.3.2001)
|
ART. 100
Bij gebreke van andersluidende
bepalingen in bijzondere wetten en
verordeningen, worden de bepalingen van
het eerste boek van dit wetboek
toegepast op de misdrijven die bij die
wetten en verordeningen strafbaar zijn
gesteld, met uitzondering van hoofdstuk
VII [ ... ] en van artikel 85.
[ ... ]
(Opgeheven W. 4.8.1986 - art. 105 -
B.S. 20.8.1986)
(W. 9.4.1930 - art. 32 - B.S.
11.5.1930)
|
ART. 100bis
[ Zij worden zonder uitzondering
toegepast op personen die aan de
militaire strafwetten niet zijn
onderworpen, maar die deelgenomen hebben
aan een misdaad of een wanbedrijf
omschreven in het Militair Strafwetboek.
De militaire gevangenisstraf wordt
evenwel vervangen door gevangenisstraf
van dezelfde duur, en de afzetting, die
als hoofdstraf is gesteld, door
gevangenisstraf van twee maanden tot
drie jaar. ]
(W. 28.7.1934 - art. 1, 2 - B.S.
2.8.1934)
|
ART. 100ter
[- Wanneer in de bepalingen van boek II
de term « minderjarige » wordt
aangewend, wordt daaronder elke persoon
verstaan die de leeftijd van achttien
jaar nog niet heeft bereikt. ]
(W. 28.11.2000 - art. 3 - B.S.
17.3.2001)
|
BOEK II De misdrijven en hun
bestraffing in het bijzonder
|
EERSTE TITEL Misdaden en
wanbedrijven tegen de veiligheid van de
Staat
|
EERSTE HOOFDSTUK Aanslag op en
samenspanning tegen de Koning, de
Koninklijke Familie en de Regeringsvorm
|
ART. 101
De aanslag op het leven of op de persoon
van de Koning wordt gestraft met [
levenslange opsluiting ].
(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S.
1.8.1996)
De aanslag op de persoon van de
Koning wordt gestraft met [ opsluiting
van twintig tot dertig jaar ] , indien
hij geen schending van zijn vrijheid ten
gevolge heeft en hem noch bloedstorting,
noch verwonding, noch ziekte
veroorzaakt.
(W. 23.1.2003 - art. 17 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 102
[De aanslag op het leven van de
vermoedelijke troonopvolger wordt
gestraft met levenslange opsluiting.
De aanslag op zijn persoon wordt
gestraft met opsluiting van twintig jaar
tot dertig jaar.
De aanslag op zijn persoon wordt
gestraft met opsluiting van vijftien
jaar tot twintig jaar indien hij geen
schending van zijn vrijheid tot gevolg
heeft en bij hem noch bloedstorting,
noch verwonding, noch ziekte
veroorzaakt. ]
(W. 23.1.2003 - art. 18 - B.S.
13.3.2003)
(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S.
1.8.1996)
|
ART. 103
De aanslag op het leven van de Koningin,
van 's Konings bloed- en aanverwanten in
de rechte lijn, van 's Konings broeders
die de staat van Belg hebben, op het
leven van de Regent, of op het leven van
de ministers die, in de gevallen bij de
Grondwet bepaald, de grondwettelijke
macht van de Koning uitoefenen, wordt
altijd gestraft zoals het voltooide
feit.
[ De aanslag op hun persoon wordt
gestraft met opsluiting van tien jaar
tot vijftien jaar; hij wordt gestraft
met opsluiting van vijf jaar tot tien
jaar indien hij geen schending van hun
vrijheid ten gevolge heeft en bij hen
noch bloedstorting, noch verwonding,
noch ziekte veroorzaakt. ]
(W. 23.1.2003 - art. 19 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 104
De aanslag ondernomen met het oogmerk om
hetzij de regeringsvorm of de orde van
troonopvolging te vernietigen of te
veranderen, hetzij de burgers of de
inwoners de wapens te doen opnemen tegen
het koninklijk gezag, de Wetgevende
Kamers of een daarvan, wordt gestraft
met [ hechtenis van twintig jaar tot
dertig jaar ] .
(W. 23.1.2003 - art. 20 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 105
Aanslag bestaat zodra er strafbare
poging is.
|
ART. 106
De samenspanning tegen het leven of
tegen de persoon van de Koning wordt
gestraft met [ opsluiting ] van vijftien
jaar tot twintig jaar, indien er een
daad op gevolgd is om de uitvoering
ervan voor te bereiden, en met [
opsluiting ] van tien jaar tot vijftien
jaar in het tegenovergestelde geval.
(W. 23.1.2003 - art. 21 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 107
[Samenspanning tegen het leven of tegen
de persoon van de vermoedelijke
troonopvolger wordt gestraft met
opsluiting van tien jaar tot vijftien
jaar indien er een daad op gevolgd is om
de uitvoering ervan voor te bereiden, en
met opsluiting van vijf jaar tot tien
jaar in het tegenovergestelde geval. ]
(W. 23.1.2003 - art. 22 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 108
De samenspanning tegen het leven of
tegen de persoon, hetzij van de in
artikel 103 genoemde leden van de
koninklijke familie, hetzij van de
Regent, hetzij van de ministers die de
grondwettelijke macht van de Koning
uitoefenen, wordt gestraft met [
opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ]
.
(W. 23.1.2003 - art. 23 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 109
De samenspanning gesmeed met het oogmerk
om een der in artikel 104 vermelde
doeleinden te bereiken, wordt gestraft
met hechtenis van tien jaar tot vijftien
jaar, indien enige daad is gepleegd om
de uitvoering ervan voor te bereiden, en
met hechtenis van vijf jaar tot tien
jaar in het tegenovergestelde geval.
|
ART. 110
Samenspanning bestaat zodra verscheidene
personen samen het besluit hebben
genomen om te handelen.
|
ART. 111
Het voorstel dat wordt gedaan, maar niet
aangenomen, om een samenspanning te
smeden tegen het leven of tegen de
persoon van de Koning, van de
vermoedelijke troonopvolger, van de in
artikel 103 genoemde leden van de
koninklijke familie, van de Regent of
van de ministers die de grondwettelijke
macht van de Koning uitoefenen, wordt
gestraft met gevangenisstraf van een
jaar tot vijf jaar.
De schuldige [ ... ] kan bovendien
worden veroordeeld tot ontzetting van
rechten overeenkomstig artikel 33.
(W. 9.4.1930 - art. 32 - B.S.
11.5.1930)
|
ART. 112
Hij die heel alleen het besluit neemt om
een aanslag te plegen op het leven of op
de persoon van de Koning, van de
vermoedelijke troonopvolger, van de in
artikel 103 genoemde leden van de
koninklijke familie, van de Regent of
van de ministers die de grondwettelijke
macht van de Koning uitoefenen, wordt
gestraft met [ opsluiting van vijf jaar
tot tien jaar ], indien hij een daad
heeft gepleegd om de uitvoering ervan
voor te bereiden.
(W. 23.1.2003 - art. 23 - B.S.
13.3.2003)
|
HOOFDSTUK II Misdaden en
wanbedrijven tegen de uitwendige
veiligheid van de Staat
|
ART. 113
[ Iedere Belg die de wapens tegen België
opneemt, wordt gestraft met [
levenslange hechtenis ]. ]
(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S.
1.8.1996)
(B.W. 11.10.1916 - art. 1 - B.S.
15/21.10.1916)
[ Voor de toepassing van deze
bepaling geldt als het opnemen van de
wapens tegen België het feit dat men
voor de vijand wetens een taak vervult
van strijd, vervoer, arbeid of bewaking,
die normaal op de vijandelijke legers of
hun diensten rust. ]
(B.W. 17.12.1942 - art. 1 - B.S.
26/29.12.1942)
|
ART. 114
[Hij die met een vreemde mogendheid of
met enige persoon die in het belang van
een vreemde mogendheid handelt,
kuiperijen pleegt of in verstandhouding
treedt met het oogmerk of die mogendheid
tot het voeren van oorlog tegen België
te bewegen of om haar daartoe middelen
te verschaffen, wordt gestraft met
hechtenis van twintig jaar tot dertig
jaar. Indien daaruit vijandelijkheden
zijn gevolgd, wordt hij gestraft met
levenslange hechtenis. ]
(W. 23.1.2003 - art. 24 - B.S.
13.3.2003)
(W. 4.8.1914 - art. 1 - B.S.
5.8.1914)
(W. 10.12.1937 - enig art. 1 - B.S.
24.12.1937)
(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S.
1.8.1996)
|
ART. 115
§ 1. [ Met [ levenslange hechtenis ]
wordt gestraft:
(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S.
1.8.1996)
Hij die het betreden van het
grondgebied van het Rijk voor de
vijanden van de Staat vergemakkelijkt;
Hij die hun steden, vestingen,
plaatsen, posten, havens, magazijnen,
arsenalen, schepen of vaartuigen, die
aan België toebehoren, overlevert;
Hij die hen helpt door het
verschaffen van soldaten, manschappen,
geld, levensmiddelen, wapens of munitie;
Hij die de voortgang van hun wapens
op het grondgebied van het Rijk of tegen
de Belgische strijdkrachten te land of
ter zee bevordert, door officieren,
soldaten, matrozen of andere burgers in
hun trouw aan de Koning en de Staat te
doen wankelen.
In de voormelde gevallen wordt de
strafbare poging gelijkgesteld met de
misdaad zelf.
De samenspanning die een van deze
misdaden ten doel heeft, wordt gestraft
met [ levenslange hechtenis ], indien er
een daad op gevolgd is om de uitvoering
ervan voor te bereiden, en met hechtenis
van vijf jaar tot tien jaar in het
tegenovergestelde geval. ]
(W. 10.12.1937 - enig art. 2 - B.S.
24.12.1937)
(B.W. 11.10.1916 - art. 1 - B.S.
15/21.10.1916)
[ § 2. De bepaling van § 1, vierde
lid, is op hem die in het door de vijand
bezette grondgebied verblijft, alleen
dan toepasselijk:
1° Indien hij, hetzij rechtstreeks,
hetzij door een tussenpersoon of als
tussenpersoon, de vijanden van de Staat
helpt door het verschaffen van soldaten,
manschappen, geld, levensmiddelen
bestemd voor de ravitaillering van de
vijand, oorlogsmateriaal voor aanval of
verdediging, eigenlijke oorlogsmunitie,
onderdelen bestemd voor de vervaardiging
van dat materiaal of van die munitie,
kleding- of uitrustingsstukken waarvan
hij weet dat zij voor militair gebruik
bestemd zijn, of indien hij te hunnen
behoeve een onderneming van werken tot
het aanleggen, inrichten of camoufleren
van versterkingen, vliegvelden of alle
andere voor militaire doeleinden
bestemde bouwwerken of installaties
opricht of leidt;
2° Indien hij hun, hetzij
rechtstreeks, hetzij door een
tussenpersoon of als tussenpersoon,
grondstoffen, materialen of produkten
verschaft, waarvan hij weet dat zij
bestemd zijn voor de vervaardiging van
dat oorlogsmateriaal, van die munitie of
van die kleding- of uitrustingsstukken
of voor de uitvoering van die werken,
tenzij hij bij deze leveringen alle te
zijner beschikking staande middelen
heeft aangewend om zich tegen het
uitvoeren van de bestellingen van de
vijanden van de Staat te verzetten;
3° Indien hij hun, hetzij
rechtstreeks, hetzij door een
tussenpersoon of als tussenpersoon,
grondstoffen of bewerkte stoffen,
produkten, levensmiddelen of dieren
verschaft, wanneer die levering is
geschied ingevolge aanzoeken of stappen
gedaan bij hen of bij tussenpersonen die
voor hun rekening handelden, of wanneer
zij de oprichting, de verbouwing of de
vergroting van de onderneming of de
wijziging van de aard of van de
bedrijfsmethoden daarvan heeft nodig
gemaakt, of wanneer de produktie op een
abnormaal peil is gehouden of tot dat
peil is opgevoerd om hun bestellingen te
kunnen uitvoeren, of wanneer de
leverancier hun hulp heeft ingeroepen om
sociale geschillen te beslechten of
diensten van tegensabotage heeft
ingericht;
4° Indien hij zijn werkzaamheid te
hunnen dienste stelt om voor hun
rekening de grondstoffen, bewerkte
stoffen, produkten, levensmiddelen of
dieren, onder 1°, 2° en 3° hierboven
bedoeld, te verzamelen. ]
(W. 25.5.1945 - art. 1 - B.S.
28/29.5.1945)
(W. 1.6.1949 - art. 1, 1 - B.S.
5.6.1949)
|
ART. 116
[ Met [ levenslange hechtenis ] wordt
gestraft hij die voorwerpen, plans,
geschriften, bescheiden of inlichtingen
die voor de vijand geheim moeten worden
gehouden in het belang van de
verdediging van het grondgebied of van
de veiligheid van de Staat, geheel of
ten dele, in origineel of in reproduktie
wetens overlevert of meedeelt aan een
vijandelijke mogendheid of aan enige
persoon die in het belang van een
vijandelijke mogendheid handelt. ]
(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S.
1.8.1996)
(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S.
27.7.1934)
|
ART. 117
[ De straffen, bepaald in de artikelen
113, 115 en 116, zijn gelijk,
onverschillig of de misdaden in die
artikelen omschreven, tegen België zijn
gepleegd dan wel tegen de bondgenoten
van België die tegen de
gemeenschappelijke vijand optreden. ]
(B.W. 11.10.1916 - art. 1 - B.S.
15-21.10.1916)
[ Voor de toepassing van deze
bepaling is "bondgenoot van België" elke
Staat die, zelfs zonder verdrag van
bondgenootschap, oorlog voert tegen een
Staat waarmee België zelf in oorlog is.
]
(B.W. 17.12.1942 - art. 2 - B.S.
26/29.12.1942)
|
ART. 118
[ Met [ hechtenis van tien jaar tot
vijftien jaar ] wordt gestraft, hij die
voorwerpen, plans, geschriften,
bescheiden of inlichtingen die geheim
moeten worden gehouden in het belang van
de verdediging van het grondgebied of
van de uitwendige veiligheid van de
Staat, geheel of ten dele, in origineel
of in reproduktie, wetens overlevert of
meedeelt aan een vreemde mogendheid of
aan enige persoon die in het belang van
een vreemde mogendheid handelt.
Indien de schuldige met een openbaar
ambt of mandaat bekleed was, of een
opdracht vervulde of een werk verrichtte
die hem door de Regering waren
toevertrouwd, wordt hij gestraft met [
hechtenis van vijftien jaar tot twintig
jaar ]. ]
(W. 23.1.2003 - art. 26 - B.S.
13.3.2003)
(W. 10.12.1937 - enig art. 3 - B.S.
24.12.1937)
(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S.
27.7.1934)
|
ART. 118bis
[ Met [ levenslange hechtenis ] wordt
gestraft hij die deelneemt aan het
vervormen van wettelijke instellingen of
organisaties door de vijand, de burgers
in hun trouw aan Koning en Staat in
oorlogstijd doet wankelen, of wetens de
politiek of de oogmerken van de vijand
dient.
Met [ levenslange hechtenis ] wordt
eveneens gestraft hij die wetens enige
propaganda leidt, door enigerlei middel
voert, ze uitlokt, helpt of begunstigt,
welke propaganda gericht is tegen het
verzet tegen de vijand of zijn
bondgenoten of ertoe strekt de feiten in
het vorige lid opgenoemd te verwekken. ]
(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S.
1.8.1996)
(B.W. 17.12.1942 - art. 3 - B.S.
26/29.12.1942)
|
ART. 119
[ Met gevangenisstraf van zes maanden
tot vijf jaar en met geldboete van
vijfhonderd frank tot vijfduizend frank
wordt gestraft hij die wetens
voorwerpen, plans, geschriften,
bescheiden of inlichtingen als bedoeld
in artikel 118, geheel of ten dele, in
origineel of in reproduktie, overlevert
of meedeelt aan een persoon die
onbevoegd is om die in ontvangst te
nemen of daarvan kennis te nemen.
Met dezelfde straffen wordt gestraft
hij die, zonder verlof van de bevoegde
overheid, voorwerpen, plans,
geschriften, bescheiden of inlichtingen
als bedoeld in artikel 118, geheel of
ten dele, door enig procédé
reproduceert, openbaar maakt of bekend
maakt. ]
(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S.
27.7.1934)
|
ART. 120
[ Met gevangenisstraf van een maand tot
vijf jaar en met geldboete van honderd
frank tot vijfduizend frank wordt
gestraft hij die zich voorwerpen, plans,
geschriften, bescheiden of inlichtingen
als bedoeld in artikel 118, geheel of
ten dele, in origineel of in reproduktie,
aanschaft of ze willens ontvangt, zonder
dat hij bevoegd is om die in ontvangst
te nemen of daarvan kennis te nemen. ]
(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S.
27.7.1934)
|
ART. 120bis
[Met gevangenisstraf van zes maanden tot
vijf jaar en met geldboete van
vijfhonderd frank tot vijfduizend frank
wordt gestraft:
1° Hij die, onder een vermomming of
met verheling van zijn identiteit,
beroep, hoedanigheid of nationaliteit,
of door een handeling die ten doel heeft
de voor de bewaking aangestelde personen
te misleiden of hun waakzaamheid te
verschalken, zich toegang verschaft
hetzij tot een fort of enig
verdedigingswerk, een post, een schip
van de Staat of een schip door de Staat
opgeëist of bevracht, een militaire,
zeevaart- of luchtvaartinrichting, een
militair depot, magazijn of park, hetzij
tot een werkhuis, een werkplaats of een
laboratorium waar werken in verband met
de verdediging van het grondgebied voor
de Staat worden uitgevoerd;
2° Hij die door een van de middelen,
vermeld in het vorige lid, een plan
opneemt, verkeerswegen, middelen van
verbinding of van overseining verkent of
inlichtingen inwint die van belang zijn
voor de verdediging van het grondgebied
of de uitwendige veiligheid van de
Staat;
3° Hij die enig middel van verbinding
of van overseining inricht of aanwendt
met het oogmerk om inlichtingen die van
belang zijn voor de verdediging van het
grondgebied of de uitwendige veiligheid
van de Staat, in te winnen of over te
zenden, zonder dat hij daartoe bevoegd
is. ]
(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S.
27.7.1934)
|
ART. 120ter
[Met gevangenisstraf van acht dagen tot
[ een jaar ] en met geldboete van
zesentwintig frank tot honderd frank
wordt gestraft:
1° Hij die, zonder verlof van de
militaire, zeevaart- of
luchtvaartoverheid, binnen een afstand
van een myriameter of binnen enige
andere door de minister van
Landsverdediging later te bepalen
afstand van een versterkte plaats, van
een verdedigingswerk, van een post, van
een militaire of een zeevaartinrichting,
van een luchtvaartinrichting, die niet
een vliegveld of luchtvaartstation is,
van een militair depot, magazijn of
park, welke afstand gerekend wordt vanaf
de buitenwerken, door enig procédé
topografische opmetingen of
verrichtingen doet of fotografische
opnamen maakt van een van die plaatsen,
werken of inrichtingen, of reprodukties
van die opnamen uitgeeft, tentoonstelt,
verkoopt of verspreidt;
2° Hij die, zonder verlof, hetzij de
bekledingen of de glooiingen van de
versterkingen, hetzij de muren,
afsluitingen, hekken, omheiningen, hagen
of andere omschuttingen die zich
bevinden op militaire terreinen, beklimt
of overschrijdt, of een fort of een van
de andere in artikel 120bis, 1°,
bedoelde inrichtingen betreedt. ]
(W. 10.12.1937 - enig art. 4 - B.S.
24.12.1937)
(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S.
27.7.1934)
|
ART. 120quater
[ De poging tot een van de misdrijven in
de artikelen 116, 119, 120 tot 120ter
omschreven, wordt beschouwd als zijnde
het misdrijf zelf. ]
(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S.
27.7.1934)
|
ART. 120quinquies
[ Met gevangenisstraf van een maand tot
een jaar en met geldboete van honderd
frank tot duizend frank wordt gestraft
hij die, in strijd met de verordeningen,
voorwerpen, plans, geschriften of
bescheiden als bedoeld in artikel 118,
verplaatst of in zijn bezit houdt, of
zulke voorwerpen, plans, geschriften of
bescheiden die hem zijn toevertrouwd of
hem bekend zijn wegens zijn ambt, zijn
staat, zijn beroep, een opdracht, een
lastgeving, door nalatigheid of door
niet-nakoming van de verordeningen
geheel of ten dele laat vernietigen,
ontvreemden of wegnemen, zelfs
tijdelijk, of geheel of ten dele daarvan
kennis, afschrift of reproduktie door
enig procédé laat nemen. ]
(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S.
27.7.1934)
|
ART. 120sexies
[ Indien gepleegd in oorlogstijd:
Worden de in de artikelen 118, 119,
120 en 120bis omschreven misdrijven
gestraft met [ levenslange hechtenis ];
(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S.
1.8.1996)
Worden de in artikel 120ter
omschreven misdrijven gestraft met [
hechtenis van vijftien jaar tot twintig
jaar ] ;
(W. 23.1.2003 - art. 27 - B.S.
13.3.2003)
Worden de in artikel 120quinquies
omschreven misdrijven gestraft met
gevangenisstraf van zes maanden tot vijf
jaar en met geldboete van vijfhonderd
frank tot vijfduizend frank. ]
(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S.
27.7.1934)
|
ART. 120septies
[ Onverminderd de toepassing van de
artikelen 66 en 67, wordt gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot zes
maanden en met geldboete van
zesentwintig frank tot vijfhonderd frank
hij die, bekend met de bedoelingen der
daders van een van de in de artikelen
120 of 120bis omschreven misdrijven, of
van de poging tot een van die
misdrijven, hun een onderdak, een
schuilplaats of een vergaderplaats
verschaft, hun briefwisseling ontvangt
of doorgeeft, de voorwerpen of
werktuigen verbergt die tot het plegen
van het misdrijf hebben gediend of
moesten dienen. ]
(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S.
27.7.1934)
|
ART. 120octies
[De straffen, bepaald in de artikelen
118, 119, 120 tot 120septies, zijn
gelijk, onverschillig of de misdrijven
in die artikelen omschreven, tegen
België zijn gepleegd dan wel tegen een
Staat waarmee België met het oog op een
gemeenschappelijke verdediging door een
regionale regeling is verbonden. ]
(W. 19.3.1956 - enig art. - B.S.
26/27.3.1956)
|
ART. 121
[Hij die verspieders of op verkenning
uitgezonden vijandelijke soldaten, die
hem als zodanig bekend zijn, verbergt of
doet verbergen, wordt gestraft met
levenslange opsluiting.
Hij die vijandelijke agenten of
soldaten, weerbaar of gewond, verbergt
of doet verbergen, of die hun te hulp
komt om hen in de mogelijkheid te
stellen zich aan de overheid te
onttrekken, wordt gestraft met
opsluiting van vijftien jaar tot twintig
jaar. Bij staat van beleg wordt het
misdrijf gestraft met levenslange
opsluiting.
Hij die een onderdaan van een
vijandelijke of met de vijand verbonden
mogendheid verbergt of doet verbergen,
of die hem te hulp komt om hem in de
mogelijkheid te stellen zich aan de
overheid te onttrekken, wordt gestraft
met opsluiting van vijf jaar tot tien
jaar. Bij staat van beleg wordt het
misdrijf gestraft met opsluiting van
tien jaar tot vijftien jaar.
Hij die personen verbergt of doet
verbergen van wie hij weet dat zij
vervolgd worden of veroordeeld zijn
wegens een van de misdrijven bedoeld in
Boek II, Titel I, Hoofdstuk II van het
Strafwetboek en in de artikelen 17 en 18
van de wet van 27 mei 1870 houdende het
Militair Strafwetboek, of die hun te
hulp komt om hen in de mogelijkheid te
stellen zich aan het gerecht te
onttrekken, wordt gestraft met de op dat
misdrijf gestelde straf, zonder dat
evenwel de uitgesproken straf vijftien
jaar opsluiting of hechtenis mag te
boven gaan.
De bepaling van het vorige lid is
niet van toepassing op bloedverwanten in
opgaande of nederdalende lijn,
echtgenoten, zelfs na echtscheiding,
broers of zusters, noch op aanverwanten
in dezelfde graden van de daders van of
de medeplichtigen aan de bedoelde
misdrijven. ]
(W. 23.1.2003 - art. 28 - B.S.
13.3.2003)
(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S.
1.8.1996)
(B.W. 11.10.1916 - art. 1 - B.S.
15/21.10.1916)
(W. 13.12.1944 - art. 1 - B.S.
24.12.1944)
|
ART. 121bis
[. Met opsluiting van vijf jaar tot tien
jaar wordt gestraft hij die wetens, door
aangifte van een werkelijk of
denkbeeldig feit, enige persoon aan
opsporingen, vervolgingen of
gestrengheden van de vijand blootstelt.
Hij wordt gestraft met opsluiting van
tien jaar tot vijftien jaar, indien de
aangifte voor enige persoon
vrijheidsberoving van meer dan een maand
ten gevolge heeft, en zulks niet
veroorzaakt is door een andere aangifte.
Hij wordt gestraft met levenslange
opsluiting, indien de aangifte voor
enige persoon ter oorzake van de
ondergane hechtenis of behandeling ten
gevolge heeft hetzij de dood, hetzij een
ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een
blijvende ongeschiktheid tot het
verrichten van persoonlijke arbeid,
hetzij het volledige verlies van het
gebruik van een orgaan, hetzij een zware
verminking en zulks niet veroorzaakt is
door een ander aangifte.
(W. 23.1.2003 - art. 29 - B.S.
13.3.2003)
(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S.
1.8.1996)
(B.W. 17.12.1942 - art. 4 - B.S.
26/29.12.1942)
|
ART. 122
[Wanneer zaken in brand gestoken of door
enigerlei middel vernield worden met het
oogmerk de vijand te begunstigen, worden
de straffen die bij Titel IX, Hoofdstuk
III, op deze feiten gesteld zijn,
vervangen als volgt :
gevangenisstraf door opsluiting van
tien jaar tot vijftien jaar;
opsluiting van vijf jaar tot tien
jaar door opsluiting van vijftien jaar
tot twintig jaar;
opsluiting van tien jaar tot vijftien
jaar door opsluiting van twintig jaar
tot dertig jaar;
opsluiting van vijftien jaar en meer
door levenslange opsluiting;
poging tot brandstichting of
vernieling wordt beschouwd als zijnde de
misdaad zelf. ]
(W. 23.1.2003 - art. 30 - B.S.
13.3.2003)
(W. 10.7.1996 - art; 15 - B.S.
1.8.1996)
(B.W. 11.10.1916 - art. 1 - B.S.
15/21.10.1916)
|
ART. 122bis
[Onverminderd de toepassing van
strengere bepalingen, wordt gestraft met
gevangenisstraf van zes maanden tot vijf
jaar en met geldboete van honderd frank
tot vijfduizend frank hij die een
militaire inlichtingsdienst opricht of
verzorgt, die op het grondgebied van het
Rijk in het belang en in het nadeel van
vreemde mogendheden werkt, hij die enige
werkzaamheid in zodanige dienst
uitoefent, onder meer hetzij door
medewerkers of agenten voor die dienst
aan te werven, hetzij door voorwerpen,
plans, geschriften, bescheiden of
inlichtingen welke niet kennelijk
openbaar zijn en betrekking hebben op de
militaire organisatie of het
verdedigingsstelsel van een vreemde
mogendheid, op de wapen-, munitie- of
levensmiddelenvoorziening van haar
strijdkrachten te land, ter zee of in de
lucht of op het materiaal aldaar in
gebruik, geheel of ten dele, in
origineel of in reproduktie, wetens over
te leveren aan de dienst of hem die mee
te delen, hetzij door de bedoelde
voorwerpen, plans, geschriften,
bescheiden of inlichtingen door te geven
aan een andere vreemde mogendheid of aan
een persoon die in het belang van die
mogendheid handelt. ]
(B.W. 31.12.1939 - art. 1 - B.S.
13.1.1940)
|
ART. 123
Hij die door vijandelijke handelingen,
door de Regering niet goedgekeurd, de
Staat aan vijandelijkheden van een
vreemde mogendheid blootstelt, wordt
gestraft met hechtenis van vijf jaar tot
tien jaar, en, indien daaruit
vijandelijkheden zijn gevolgd met
hechtenis van tien jaar tot vijftien
jaar.
|
ART. 123bis
[ Onverminderd de toepassing van artikel
1 van de wet van 7 juli 1875 en van de
artikelen 66 en 67 van dit wetboek,
worden gestraft met gevangenisstraf van
acht dagen tot [ drie jaar ] en met
geldboete van vijftig frank tot duizend
frank:
1° Het aanbod of het voorstel om een
van de misdrijven, omschreven in de
artikelen 113 tot 120bis, 121 tot 123,
te plegen;
2° De aanvaarding van dat aanbod of
van dat voorstel. ]
(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S.
27.7.1934)
(W. 10.12.1937 - enig art. 5 - B.S.
24.12.1937)
|
ART. 123ter
[ Indien de misdrijven, in de artikelen
115 tot 120quater, 120sexies, tot 123bis
omschreven, uit winstbejag zijn begaan,
worden de [ sommen, de goederen of de
rechtstreekse of onrechtstreekse
voordelen van welke aard ook, die de
werkzaamheid van de schuldige heeft
opgebracht, ] tot eigendom van de
Schatkist verklaard; [ indien zij niet
in beslag zijn genomen, wordt een met
hun waarde overeenstemmend bedrag ] tot
eigendom van de Schatkist verklaard. ]
(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S.
27.7.1934)
(W. 7.6.1948 - art. 1 - B.S.
13.6.1948)
[ In hetzelfde geval worden de in de
artikelen 119 en 120 bepaalde
gevangenisstraffen vervangen door
opsluiting van vijf jaar tot tien jaar
en tijdelijke hechtenis door tijdelijke
opsluiting van gelijke duur. ]
(W. 23.1.2003 - art. 31 - B.S.
13.3.2003)
(W. 10.12.1937 - enig art. 6 - B.S.
24.12.1937)
[ Indien verzachtende omstandigheden
aanwezig zijn, wordt [ levenslange
opsluiting ] vervangen overeenkomstig
artikel 80. ]
(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S.
1.8.1996)
(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S.
27.7.1934)
|
ART. 123quater
[De samenspanning om een misdaad of een
wanbedrijf tegen personen of eigendommen
te plegen, gesmeed met het oogmerk om in
oorlogstijd hetzij de verdediging van
het grondgebied, hetzij de mobilisatie,
hetzij de wapen-, munitie- of
levensmiddelenvoorziening van het leger
te belemmeren, wordt, onverminderd de
toepassing van strengere bepalingen,
gestraft met de straffen, in artikel
123bis bepaald.
Wordt de samenspanning in oorlogstijd
gesmeed, dan wordt zij met [ opsluiting
van vijf jaar tot tien jaar ] gestraft.
]
(W. 23.1.2003 - art. 32 - B.S.
13.3.2003)
(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S.
27.7.1934)
|
ART. 123quinquies
[De verbeurdverklaring van de zaken die
gediend hebben of bestemd waren om het
misdrijf te plegen, wordt altijd
uitgesproken, evenals de
verbeurdverklaring van de plans,
kaarten, geschriften, bescheiden,
afschriften, opmetingen, fotografische
opnamen, gezichten, reprodukties en alle
andere door het misdrijf verkregen
zaken.
(W. 19.7.1934 - art. 1 - B.S.
27.7.1934)
[ In de gevallen van de artikelen
119, 120, 120bis, 121bis, 122bis en
123quater, kunnen de tot gevangenisstraf
veroordeelden verwezen worden tot
levenslange of tijdelijke ontzetting van
de rechten, genoemd in artikel 31. ]
(B.W. 31.12.1939 - art. 2 - B.S.
13.1.1940)
|
ART. 123sexies
[§ 1. In afwijking van de artikelen 31
en 32, wordt bij de vonnissen of
arresten van veroordeling tot
levenslange opsluiting of levenslange
hechtenis, tot opsluiting van tien jaar
tot vijftien jaar, respectievelijk een
langere termijn of tot hechtenis van
twintig jaar tot dertig jaar of van
vijftien jaar tot twintig jaar wegens
een misdrijf of poging tot een misdrijf
als omschreven in Boek II, Titel I,
Hoofdstuk II van het Strafwetboek, in
oorlogstijd gepleegd, tegen de
veroordeelden geen ontzetting van de
daarin bedoelde rechten uitgesproken,
maar brengen die vonnissen of arresten
van rechtswege levenslange
vervallenverklaring mee van : ]
(W. 23.1.2003 - art. 33, 1° - B.S.
13.3.2003)
(W. 10.7.1996 - art. 16 - B.S.
1.8.1996)
1° De rechten genoemd in het
vorenbedoelde artikel 31, met inbegrip
van het recht om te stemmen, te kiezen
en verkozen te worden;
2° Het recht om ingeschreven te zijn
op een tabel van de orde van advocaten,
op een lijst van ereadvocaten of op een
lijst van advocaten-stagiairs;
3° Het recht om in welke hoedanigheid
ook deel te nemen aan enig onderwijs dat
in een openbare of private inrichting
wordt gegeven;
4° Het recht om als bedienaar van een
eredienst door de Staat te worden
bezoldigd;
5° Het recht om leider van een
politieke vereniging te zijn;
6° Het recht om in welke hoedanigheid
ook deel te nemen aan de exploitatie, de
administratie, de redactie, het drukken
of verspreiden van een dagblad of van om
het even welke publikatie, ingeval deze
deelneming een politiek karakter heeft;
7° Het recht om deel te nemen aan het
bestuur of de administratie van enige
demonstratie van culturele,
filantropische en sportieve aard of van
enige openbare vermakelijkheid, ingeval
deze deelneming een politiek karakter
heeft;
8° Het recht om deel te nemen aan de
exploitatie, aan het beheer of op
enigerlei wijze aan de werkzaamheden van
enige onderneming voor
toneelvoorstellingen, cinematografie of
radio-omroep, ingeval deze deelneming
een politiek karakter heeft;
9° Het recht om in welke hoedanigheid
ook deel te nemen aan het beheer, de
zaakvoering of het bestuur van een
beroepsvereniging of een vereniging
zonder winstgevend doel.
§ 2. In afwijking van de artikelen 32
en 33 kan bij de vonnissen of arresten
van veroordeling tot andere criminele
straffen of tot correctionele straffen
wegens een misdrijf of poging tot een
misdrijf als omschreven in boek II,
titel I, hoofdstuk II van het
Strafwetboek, in oorlogstijd gepleegd,
geen ontzetting van rechten als
omschreven in de genoemde artikelen
worden uitgesproken, maar wel tijdelijke
vervallenverklaring van alle rechten of
van een deel van de rechten in de vorige
paragraaf genoemd.
De vervallenverklaringen bepaald in
de kieswetten, met inbegrip van [ de
artikelen 6 en 7 van het Kieswetboek ],
zijn in ieder geval van toepassing. ]
(W. 5.7.1976 - art. 145 - B.S.
29.7.1976)
(W. 30.6.1961 - art. 1 - B.S.
1.7.1961)
[ [ De vervallenverklaringen kunnen
worden uitgesproken voor een duur van
tien jaar tot twintig jaar als de straf
opsluiting van vijf jaar tot tien jaar
of hechtenis van vijf jaar tot tien jaar
of van tien jaar tot vijftien jaar is en
voor een duur van vijf jaar tot tien
jaar als het een correctionele straf
betreft. ] De tijd van de
vervallenverklaringen bepaald bij het
vonnis of het arrest van veroordeling,
gaat in op de dag dat de op tegenspraak
of bij verstek gewezen veroordeling in
kracht van gewijsde is gegaan. ]
(W. 23.1.2003 - art. 33, 2° - B.S.
13.3.2003)
(W. 30.6.1961 - art. 1 - B.S.
1.7.1961)
|
ART. 123septies
[ § 1. De veroordeelden die vervallen
verklaard zijn met toepassing van
artikel 123sexies, kunnen herstel
aanvragen in de rechten genoemd onder 6°
tot 9°, op voorwaarde:
1° Dat zij niet in hechtenis zijn ter
uitvoering van hun straf, niet
voortvluchtig zijn of zich niet
versteken;
2° Dat zij de tegen hen uitgesproken
geldboeten hebben voldaan en de
teruggave, schadevergoedingen en kosten
waartoe zij zijn veroordeeld, hebben
gekweten; evenwel kan de rechtbank de
veroordeelde van deze voorwaarde
ontslaan indien hij bewijst dat hij in
de onmogelijkheid verkeerde om zich van
die verplichtingen te kwijten, hetzij
wegens onvermogen, hetzij wegens een
andere oorzaak die niet aan hem te
wijten is;
3° Dat sinds de dag waarop de
vervallenverklaring is ingegaan, een
termijn verstreken is van twintig jaar
zo de veroordeelde is vervallen
verklaard voor het leven, van tien jaar
zo hij is vervallen verklaard voor tien
jaar tot twintig jaar ten gevolge van
een veroordeling tot [ opsluiting van
vijf jaar tot tien jaar of hechtenis van
vijf jaar tot tien jaar of van tien jaar
tot vijftien jaar ] , en van vijf jaar
zo hij is vervallen verklaard voor vijf
jaar tot tien jaar ten gevolge van een
veroordeling tot een correctionele
straf.
(W. 23.1.2003 - art. 34 - B.S.
13.3.2003)
§ 2. De aanvraag wordt bij een ter
post aangetekende brief gezonden aan de
procureur des Konings van de woonplaats
of de verblijfplaats van de betrokkene
en, indien deze in België noch
woonplaats noch bepaalde verblijfplaats
heeft, aan de procureur des Konings van
het arrondissement Brussel.
De procureur des Konings wint alle
inlichtingen in die hij nodig oordeelt,
en brengt de aanvraag voor de rechtbank
van eerste aanleg.
De betrokkene verschijnt voor de
rechtbank in raadkamer, hetzij in
persoon, hetzij bij pleitbezorger of bij
een advocaat, houder van de stukken, op
eenvoudige oproeping die hem door de
procureur des Konings bij een ter post
aangetekende brief wordt toegezonden.
Die oproeping vermeldt voor welke
kamer van de rechtbank de aanvraag wordt
gebracht, alsmede dag en uur van
verschijning. Tussen de kennisgeving en
de verschijning moeten ten minste acht
dagen verlopen. De afgifte van de ter
post aangetekende brief geldt als
kennisgeving.
Indien de betrokkene na de
kennisgeving niet verschijnt, hetzij in
persoon, hetzij bij pleitbezorger of bij
een advokaat, houder van de stukken, kan
de rechtbank, alvorens over de aanvraag
uitspraak te doen, de zaak uitstellen om
het openbaar ministerie gelegenheid te
geven hem een nieuwe oproeping te
zenden.
Het dossier van het openbaar
ministerie wordt ten minste acht dagen
voor de vastgestelde terechtzitting op
de griffie van de rechtbank neergelegd.
De rechtspleging wordt op de
terechtzitting vervolgd zoals in
correctionele zaken.
Het op de aanvraag gewezen vonnis is
niet vatbaar voor hoger beroep.
Indien de aanvraag geheel of ten dele
afgewezen wordt, kan zij niet worden
hernieuwd voordat twee jaren zijn
verstreken sedert de rechterlijke
uitspraak.
Bij overlijden van de betrokkene kan
elk beroep en elke aanvraag, in deze wet
bepaald, worden voortgezet door zijn
echtgenoot, zijn bloedverwanten in de
opgaande en de nederdalende lijn, of
zijn broeders en zusters.
Zij kunnen insgelijks voortgezet
worden door een of meer
rechtverkrijgenden onder algemene of
bijzondere titel die van een geldelijk
belang doen blijken.
§ 3. Herstel in de rechten waarvan de
veroordeelden met toepassing van het
vorige artikel vervallen verklaard
waren, heeft slechts gevolg voor de
toekomst. ]
(W. 30.6.1961 - art. 1 - B.S.
1.7.1961)
|
ART. 123octies
[ Wanneer het vonnis of het arrest dat
met toepassing van artikel 123sexies
levenslange of tijdelijke
vervallenverklaring van rechten ten
gevolge heeft, in kracht van gewijsde is
gegaan, doet het openbaar ministerie het
bij uittreksel in het Belgisch
Staatsblad bekendmaken, met vermelding
van de uitgesproken of daaruit
voortvloeiende vervallenverklaring. Het
openbaar ministerie betekent het tevens
bij uittreksel aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de laatste
woonplaats met het oog op de
inschrijving van deze vermelding in het
bevolkingsregister. Deze vermelding moet
in het bevolkingsregister van elke
nieuwe woonplaats worden overgeschreven.
]
(W. 30.6.1961 - art. 1 - B.S.
1.7.1961)
|
ART. 123nonies
[ Hij die, in weerwil van de
vervallenverklaring die voortvloeit uit
de toepassing van artikel 123sexies, § 1
of § 2, rechtstreeks of door een
tussenpersoon gebruik maakt van een der
in dat artikel genoemde rechten, wordt
gestraft met gevangenisstraf van een
jaar tot drie jaar en met geldboete van
tienduizend frank tot honderdduizend
frank. ]
(W. 30.6.1961 - art. 1 - B.S.
1.7.1961)
|
ART. 123decies
[De vennootschappen zijn
burgerrechtelijk aansprakelijk voor de
veroordelingen tot schadevergoeding ,
geldboete, kosten, verbeurdverklaring,
teruggave en geldelijke sancties van
welke aard ook, die wegens overtreding
van de bepalingen van dit hoofdstuk
tegen hun organen of aangestelden zijn
uitgesproken.
Dit geldt eveneens voor de leden van
alle handelsverenigingen die geen
rechtspersoonlijkheid bezitten, wanneer
het misdrijf door een vennoot,
zaakvoerder of aangestelde is gepleegd
ter gelegenheid van een tot de
werkzaamheid van de vereniging behorende
verrichting. Evenwel is de
burgerrechtelijk aansprakelijke vennoot
persoonlijk niet verder gehouden dan tot
de sommen of waarden die de verrichting
hem opgebracht heeft.
Die vennootschappen en vennoten
kunnen rechtstreeks voor de strafrechter
gedagvaard worden door het openbaar
ministerie of door de burgerlijke
partij. ]
(B.W. 20.9.1945 - art. 2 - B.S.
21.10.45)
|
HOOFDSTUK III Misdaden tegen de
inwendige veiligheid van de Staat
|
ART. 124
De aanslag met het oogmerk om
burgeroorlog te verwekken door de
burgers of inwoners tegen elkaar te
wapenen of hen aan te zetten zich tegen
elkaar te wapenen, wordt gestraft met [
hechtenis van vijftien jaar tot twintig
jaar ].
(W. 23.1.2003 - art. 35 - B.S.
13.3.2003)
De samenspanning met hetzelfde
oogmerk gesmeed, wordt gestraft met
hechtenis van tien jaar tot vijftien
jaar, indien enige daad is gepleegd om
de uitvoering ervan voor te bereiden; en
met hechtenis van vijf jaar tot tien
jaar, in het tegenovergestelde geval.
|
ART. 125
[De aanslag met het oogmerk om
verwoesting, mensenslachting of
plundering in een of meer gemeenten aan
te richten, wordt gestraft met
opsluiting van vijftien jaar tot twintig
jaar.
De samenspanning met hetzelfde
oogmerk gesmeed, wordt gestraft met
opsluiting van tien jaar tot vijftien
jaar indien enige daad is gepleegd om de
uitvoering ervan voor te bereiden; met
opsluiting van vijf jaar tot tien jaar
in het tegenovergestelde geval. ]
(W. 23.1.2003 - art. 36 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 126
Met hechtenis van vijf jaar tot tien
jaar worden gestraft zij die gewapende
krijgsbenden lichten of doen lichten,
krijgslieden aanwerven of ronselen, doen
aanwerven of doen ronselen, of hun
hetzij wapens, hetzij munitie leveren of
verschaffen, zonder bevel of verlof van
de Regering.
|
ART. 127
Met hechtenis van vijf jaar tot tien
jaar worden gestraft:
Zij die, zonder recht of wettige
reden, het bevel nemen over een
legerkorps, over troepen, over een
oorlogsschip, een versterkte plaats, een
post, een haven, een stad;
Zij die tegen het bevel van de
Regering enig militair bevel behouden;
Bevelhebbers die hun leger of hun
troep bijeenhouden nadat de afdanking of
de ontbinding ervan is gelast.
|
ART. 128
Hij die zich aan het hoofd van gewapende
benden stelt of daarin enige functie
vervult of enig bevel voert, hetzij om
zich van openbare gelden meester te
maken, hetzij om domeinen, eigendommen,
plaatsen, steden, vestingen, posten,
magazijnen, arsenalen, havens, schepen
of vaartuigen van de Staat te
overweldigen, hetzij om de openbare
macht bij haar optreden tegen de daders
van die misdaden aan te vallen of te
weerstaan, wordt gestraft met [
hechtenis van vijftien jaar tot twintig
jaar ] .
(W. 23.1.2003 - art. 37 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 129
Indien die benden tot doel hebben,
hetzij openbare eigendommen of
eigendommen van de Staat, of eigendommen
van een algemeenheid van burgers te
plunderen of te verdelen, hetzij de
openbare macht bij haar optreden tegen
de daders van die misdaden aan te vallen
of te weerstaan, worden zij die zich aan
het hoofd van die benden stellen of die
daarin enige functie vervullen of enig
bevel voeren, gestraft met [ opsluiting
] van vijftien jaar tot twintig jaar.
(W. 23.1.2003 - art. 38 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 130
De straffen in de twee vorige artikelen
onderscheidenlijk bepaald, zijn
toepasselijk op hen die de vereniging
leiden, de benden lichten of doen
lichten, inrichten of doen inrichten.
|
ART. 131
Ingeval een van de misdaden, in de
artikelen 101, 102, 103 en 104
omschreven, door een bende wordt
gepleegd worden de bij die artikelen
bepaalde straffen toegepast op allen,
zonder onderscheid van graad, die van de
bende deel uitmaken en op de plaats van
de oproerige bijeenkomst worden gevat.
Met dezelfde straffen wordt gestraft
hij die, hoewel niet ter plaatse gevat,
het oproer leidt of in de bende enige
bediening uitoefent of enig bevel voert.
|
ART. 132
Ingeval de oproerige bijeenkomst niet
een van de misdaden, in de artikelen
101, 102, 103 en 104 omschreven, tot
voorwerp of tot gevolg heeft, worden de
personen die van de hierboven bedoelde
benden deel uitmaken, zonder daarin enig
bevel te voeren of enige bediening uit
te oefenen, en die ter plaatse worden
gevat, gestraft met de straf
onmiddellijk lager dan die welke tegen
de leiders of bevelvoerders van die
benden wordt uitgesproken.
|
ART. 133
Zij die, bekend met het doel of de aard
van die benden, aan deze of aan hun
afdelingen, een onderdak, een
schuilplaats of een vergaderplaats
verschaffen, worden gestraft, in de
gevallen van de artikelen 101, 102, 103
en 128, met [ opsluiting van vijf jaar
tot tien jaar ] , en, in de gevallen van
de artikelen 104 en 127, met hechtenis
van vijf jaar tot tien jaar.
(W. 23.1.2003 - art. 39 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 134
Geen straf wordt uit hoofde van oproer
uitgesproken tegen hen die van die
benden deel uitmaken zonder daarin enig
bevel te voeren en zonder daarin enige
bediening of enige functie te vervullen
en die zich verwijderen op de eerste
waarschuwing van de burgerlijke of de
militaire overheid, of zelfs naderhand,
wanneer zij buiten de plaats van de
oproerige bijeenkomst worden gevat
zonder tegenstand te bieden en zonder
wapens.
Zij worden echter gestraft wegens de
andere misdaden of wanbedrijven die zij
persoonlijk hebben gepleegd.
|
ART. 135
Onder het woord wapens worden begrepen
alle toestellen, werktuigen,
gereedschappen of andere snijdende,
stekende of kneuzende voorwerpen die men
heeft ter hand genomen om te doden, te
wonden of te slaan, zelfs indien men
geen gebruik ervan gemaakt heeft.
|
ART. 135bis
[Hij die, rechtstreeks of
onrechtstreeks, van een vreemde persoon
of van een vreemde organisatie giften,
geschenken, leningen of andere voordelen
in enigerlei vorm ontvangt, ten einde
geheel of ten dele te worden bestemd of
gebruikt tot het voeren of te vergoeden,
in België, van een werkzaamheid of een
propaganda, die de integriteit, de
soevereiniteit of de onafhankelijkheid
van het Rijk kunnen aantasten of de
trouw die de burgers aan de Staat en aan
de instellingen van het Belgische volk
zijn verschuldigd, kunnen doen wankelen,
wordt gestraft met gevangenisstraf van
zes maanden tot vijf jaar en met
geldboete van duizend frank tot
twintigduizend frank.
In alle gevallen van overtreding van
deze bepaling worden de ontvangen zaken
verbeurd verklaard; artikel 9 van de wet
van 31 mei 1888 is niet van toepassing
op die verbeurdverklaring.
De ontzetting van de uitoefening van
de rechten, genoemd in artikel 31, of
van sommige van die rechten kan worden
uitgesproken voor een termijn van vijf
jaar tot tien jaar. ]
(W. 20.7.1939 - enig art. - B.S.
26.7.1939)
|
ART. 135ter
[ ... ]
(Opgeheven W. 1.8.1979 - art. 7 - B.S.
24.8.1979)
|
ART. 135quater
[Met gevangenisstraf van drie maanden
tot 2 jaar ], wordt gestraft hij die van
een minderjarige verkrijgt dat deze
zonder toestemming van zijn ouders, zijn
voogd of zijn curator dienst neemt in
een vreemd leger of een vreemde troep. ]
(W. 23.6.1961 - enig art. - B.S.
7.7.1961)
(W. 1.8.1979 - art. 6 - B.S.
24.8.1979)
|
ART. 135quinquies
[De poging tot de wanbedrijven in de
artikelen 135ter en 135quater omschreven
wordt gestraft met dezelfde straffen. ]
(W. 23.6.1961 - enig art. - B.S.
7.7.1961)
|
ALGEMENE BEPALING BETREFFENDE DEZE
TITEL
|
ART. 136
Degenen onder de schuldigen die vóór
enige aanslag en vóór enig begin van
vervolging die samenspanningen of die
misdrijven en hun daders of
medeplichtigen aan de overheid kenbaar
maken, blijven vrij van de straffen,
gesteld op de samenspanningen omschreven
in deze titel, en op de misdrijven
omschreven in artikel 111.
|
[ TITEL Ibis Ernstige schendingen
van het internationaal humanitair recht
] (W. 5.8.2003 - art. 5 - B.S. 7.8.2003)
|
ART. 136bis
[De misdaad van genocide, zoals hierna
omschreven, gepleegd zowel in vredes-
als in oorlogstijd, is een
internationaal-rechtelijke misdaad en
wordt gestraft volgens de bepalingen van
deze titel. In overeenstemming met het
Verdrag van 9 december 1948 inzake de
voorkoming en de bestraffing van
genocide, en onverminderd de
strafrechtelijke bepalingen die van
toepassing zijn op misdrijven door
nalatigheid, wordt onder de misdaad van
genocide verstaan een van de volgende
handelingen, gepleegd met de bedoeling
om, geheel of gedeeltelijk, een
nationale, etnische of godsdienstige
groep of rassengroep uit te roeien, en
wel :
1° doden van leden van de groep;
2° toebrengen van ernstig lichamelijk
of geestelijk letsel aan leden van de
groep;
3° opzettelijk aan de groep opleggen
van levensvoorwaarden bedoeld om de
lichamelijke vernietiging van de gehele
groep of van een gedeelte ervan te
veroorzaken;
4° opleggen van maatregelen bedoeld
om geboorten binnen de groep te
voorkomen;
5° gewelddadig overbrengen van
kinderen van een groep naar een andere
groep. ]
(W. 5.8.2003 - art. 6 - B.S.
7.8.2003)
|
ART. 136ter
[De misdaad tegen de mensheid, zoals
hierna omschreven, gepleegd zowel in
vredes- als in oorlogstijd, is een
internationaal-rechtelijke misdaad en
wordt gestraft volgens de bepalingen van
deze titel. In overeenstemming met het
Statuut van het Internationaal Strafhof
wordt onder misdaad tegen de mensheid
verstaan een van de volgende handelingen
gepleegd in het kader van een
veralgemeende of stelselmatige aanval op
burgerbevolking en met kennis van
bedoelde aanval :
1° moord;
2° uitroeiing;
3° verlaging tot slavernij;
4° gedwongen deportatie of
overbrenging van bevolking;
5° gevangenneming of elke andere vorm
van ernstige beroving van de
lichamelijke vrijheid met schending van
de fundamentele bepalingen van het
internationaal recht;
6° martelen;
7° verkrachting, seksuele slavernij,
gedwongen prostitutie, gedwongen
zwangerschap, gedwongen sterilisatie en
elke andere vorm van seksueel geweld met
een vergelijkbare ernst;
8° vervolging van enige groep of van
enige identificeerbare collectiviteit
wegens politieke, raciale, nationale,
etnische, culturele, godsdienstige of
seksistische redenen of wegens andere in
het internationaal recht als universeel
onaanvaardbaar erkende criteria, in
samenhang met iedere handeling bedoeld
in de artikelen 136bis, 136ter en
136quater;
9° gedwongen verdwijningen van
personen;
10° apartheid;
11° andere onmenselijke handelingen
van vergelijkbare aard waardoor
opzettelijk ernstig lijden of ernstig
lichamelijk letsel of schade aan de
geestelijke of lichamelijke gezondheid
wordt veroorzaakt. ]
(W. 5.8.2003 - art. 7 - B.S.
7.8.2003)
|
ART. 136quater
[§ 1. De hierna omschreven
oorlogsmisdaden bedoeld in de Verdragen
van Genève van 12 augustus 1949 en in
het Eerste en het Tweede Aanvullend
Protocol bij die Verdragen, aangenomen
te Genève op 8 juni 1977, in de wetten
en gebruiken die gelden in geval van
gewapende conflicten, zoals omschreven
in artikel 2 van de Verdragen van Genève
van 12 augustus 1949, in artikel 1 van
het Eerste en het Tweede Aanvullend
Protocol bij die Verdragen, aangenomen
te Genève op 8 juni 1977, alsook in
artikel 8, § 2, f), van het Statuut van
het Internationaal Strafhof, zijn
internationaal-rechtelijke misdaden en
worden overeenkomstig de bepalingen van
deze titel gestraft, onverminderd de
strafbepalingen die van toepassing zijn
op de uit nalatigheid gepleegde
misdrijven, ingeval die handelingen of
nalatigheden inbreuk maken op de
bescherming die aan de personen en de
goederen is gewaarborgd door voornoemde
Verdragen, Protocollen, wetten en
gewoonten :
1° opzettelijke doodslag;
2° martelen of andere onmenselijke
behandeling, met inbegrip van
biologische proefnemingen;
3° moedwillig veroorzaken van hevig
lijden of toebrengen van ernstig
lichamelijk letsel dan wel van ernstige
schade aan de gezondheid;
4° toepassen van verkrachting,
seksuele slavernij, gedwongen
prostitutie, gedwongen zwangerschap,
gedwongen sterilisatie of andere vormen
van seksueel geweld, die een ernstige
schending van de Verdragen van Genève of
een ernstige schending van het
gemeenschappelijke artikel 3 van die
Verdragen opleveren;
5° andere schendingen van de
persoonlijke waardigheid, in het
bijzonder vernederende en onterende
behandeling;
6° dwingen van een krijgsgevangene,
van een burger die beschermd wordt door
het Verdrag betreffende de bescherming
van burgers in oorlogstijd of van een
persoon die in hetzelfde opzicht
beschermd wordt door het Eerste en het
Tweede Aanvullend Protocol bij de
Verdragen van Genève van 12 augustus
1949, om te dienen bij de strijdkrachten
of bij gewapende groepen van de
vijandelijke mogendheid of van de
tegenpartij;
7° onder de wapenen roepen of het in
militaire dienst nemen van kinderen
beneden de leeftijd van vijftien jaar
bij de strijdkrachten of gewapende
groepen of hen gebruiken voor actieve
deelname aan vijandelijkheden;
8° onthouden aan een krijgsgevangene,
aan een burger die beschermd wordt door
het Verdrag betreffende de bescherming
van burgers in oorlogstijd of aan een
persoon die in hetzelfde opzicht
beschermd wordt door het Eerste en het
Tweede Aanvullend Protocol bij de
Verdragen van Genève van 12 augustus
1949, van het recht op een regelmatige
en onpartijdige berechting
overeenkomstig de voorschriften van die
bepalingen;
9° onrechtmatige deportatie,
overbrenging of verplaatsing, de
onrechtmatige gevangenhouding van een
burger die beschermd wordt door het
Verdrag betreffende de bescherming van
burgers in oorlogstijd of van een
persoon die in dezelfde opzichten
beschermd wordt door het Eerste en het
Tweede Aanvullend Protocol bij de
Verdragen van Genève van 12 augustus
1949;
10° opzettelijk gebruik maken van
uithongering van burgers als methode van
oorlogvoering door hun voorwerpen te
onthouden die onontbeerlijk zijn voor
hun overleving, daaronder begrepen het
opzettelijk belemmeren van de aanvoer
van hulpgoederen waarin is voorzien in
de Verdragen van Genève;
11° nemen van gijzelaars;
12° vernietigen of in beslag nemen
van eigendommen van de vijand in geval
van een internationaal gewapend
conflict, of van een tegenstander in
geval van een gewapend conflict dat niet
van internationale aard is, tenzij deze
vernietiging of inbeslagneming dringend
vereist is als gevolg van dwingende
militaire noodzaak;
13° vernieling en de toe-eigening van
goederen, niet gerechtvaardigd door
militaire noodzaak zoals aanvaard in het
volkenrecht en uitgevoerd op grote
schaal en op onrechtmatige en
moedwillige wijze;
14° opzettelijk richten van aanvallen
op burgerdoelen, die geen militaire
doelen zijn;
15° opzettelijk richten van aanvallen
op gebouwen, materieel, medische
eenheden en transport, alsmede op
personeel dat overeenkomstig het
internationaal recht gebruik maakt van
de emblemen van het internationaal
humanitair recht;
16° gebruik maken van de aanwezigheid
van een burger of van een andere persoon
beschermd door het internationaal
humanitair recht teneinde bepaalde
punten, gebieden of strijdkrachten te
vrijwaren van militaire operaties;
17° opzettelijk richten van aanvallen
op personeel, installaties, materieel,
eenheden of voertuigen betrokken bij
humanitaire opdrachten of vredesmissies
overeenkomstig het Handvest van de
Verenigde Naties, voor zover deze recht
hebben op de bescherming die aan burgers
of goederen van burgerlijke aard wordt
verleend krachtens het internationale
recht inzake gewapende conflicten;
18° onrechtmatige handelingen en
nalatigheden die de gezondheid en de
lichamelijke of geestelijke integriteit
van de personen beschermd door het
internationaal humanitair recht in
gevaar kunnen brengen, in het bijzonder
alle geneeskundige handelingen die niet
gerechtvaardigd zijn door de
gezondheidstoestand van die personen of
niet in overeenstemming zijn met de
algemeen aanvaarde geneeskundige normen;
19° behalve als ze gerechtvaardigd
zijn overeenkomstig de onder 18°
gestelde voorwaarden, de handelingen die
erin bestaan aan de onder 18° bedoelde
personen, zelfs met hun toestemming,
lichamelijke verminkingen toe te
brengen, op hen geneeskundige of
wetenschappelijke experimenten uit te
voeren of bij hen weefsels of organen
weg te nemen voor transplantatie, tenzij
het gaat om het geven van bloed voor
transfusie of het afstaan van huid voor
transplantatie, mits zulks vrijwillig en
zonder enige dwang of overreding en voor
therapeutische doeleinden geschiedt;
20° opzettelijk aanvallen van de
burgerbevolking of van individuele
burgers die niet rechtstreeks deelnemen
aan de vijandelijkheden;
21° opzettelijk richten van aanvallen
op plaatsen waar zieken en gewonden
worden samengebracht, voor zover deze
plaatsen geen militaire doelen zijn;
22° opzettelijk richten van een
aanval in de wetenschap dat een
dergelijke aanval verliezen aan
mensenlevens, verwondingen van burgers
of schade aan goederen van burgerlijke
aard zal veroorzaken of grote,
langdurige en ernstige schade aan natuur
en milieu zal aanrichten, die
buitensporig is in verhouding tot het te
verwachten tastbare en rechtstreeks
militaire voordeel, onverminderd de
misdadige aard van de aanval waarvan de
schadelijke gevolgen, zelfs in
evenredigheid tot het te verwachten
militaire voordeel, onverenigbaar zouden
zijn met de beginselen van het
volkenrecht die voortvloeien uit de
gevestigde gebruiken, de beginselen van
menselijkheid en de eisen van het
openbare rechtsbewustzijn;
23° uitvoeren van een aanval op
werken of installaties die gevaarlijke
krachten bevatten, in de wetenschap dat
een dergelijke aanval verliezen aan
mensenlevens, verwondingen van burgers
of schade aan goederen van burgerlijke
aard zal veroorzaken, die buitensporig
is in verhouding tot het te verwachten
tastbare en rechtstreeks militaire
voordeel, onverminderd de misdadige aard
van de aanval waarvan de schadelijke
gevolgen, zelfs in evenredigheid tot het
te verwachten militaire voordeel,
onverenigbaar zouden zijn met de
beginselen van het volkenrecht die
voortvloeien uit de gevestigde
gebruiken, de beginselen van
menselijkheid en de eisen van het
openbare rechtsbewustzijn;
24° aanvallen of bombarderen met wat
voor middelen ook van gedemilitariseerde
zones of van steden, dorpen, woningen of
gebouwen, die niet worden verdedigd en
geen militaire doelen zijn;
25° plunderen van een stad of plaats,
ook wanneer deze bij een aanval wordt
ingenomen;
26° aanvallen van een persoon in de
wetenschap dat hij buiten gevecht
verkeert op voorwaarde dat zulks de dood
of ernstig lichamelijk letsel ten
gevolge heeft;
27° op verraderlijke wijze doden of
verwonden van personen die behoren tot
de vijandige natie of het vijandige
leger of van een vijandelijke strijder;
28° verklaren dat geen kwartier zal
worden verleend;
29° perfide gebruik van het embleem
van het rode kruis of de rode halve maan
of van andere beschermende emblemen
erkend door het internationaal
humanitair recht, op voorwaarde dat
zulks de dood of ernstig lichamelijk
letsel ten gevolge heeft;
30° op ongepaste wijze gebruik maken
van een witte vlag, een vlag of de
militaire onderscheidingstekens en het
uniform van de vijand of van de
Verenigde Naties, op voorwaarde dat
zulks de dood of ernstig lichamelijk
letsel ten gevolge heeft;
31° rechtstreeks of niet rechtstreeks
overbrengen naar een bezet gebied van
gedeelten van de burgerbevolking van de
bezettende mogendheid in geval van een
internationaal gewapend conflict, of van
gedeelten van de burgerbevolking van de
bezettende autoriteit in geval van een
niet-internationaal gewapend conflict;
32° ongerechtvaardigd vertragen van
de repatriëring van krijgsgevangenen of
burgers;
33° aanwenden van praktijken van
apartheid of van andere onmenselijke of
onterende praktijken, die op
rassendiscriminatie gebaseerd zijn en
een aanslag op de menselijke waardigheid
vormen;
34° aanvallen van duidelijk als
zodanig herkenbare historische
monumenten, kunstwerken of plaatsen van
eredienst die het culturele of
geestelijke erfdeel van de volkeren
vormen en waaraan bijzondere bescherming
is verleend door een speciale regeling
wanneer er geen bewijs bestaat van
schending door de tegenpartij van het
verbod die goederen te gebruiken om het
militaire optreden te ondersteunen, en
wanneer die goederen niet in de
onmiddellijke nabijheid van militaire
doelen zijn gelegen;
35° opzettelijk richten van aanvallen
op gebouwen gewijd aan godsdienst,
onderwijs, kunst, wetenschap of
caritatieve doeleinden, historische
monumenten, ziekenhuizen, voor zover
deze geen militaire doelen zijn;
36° gebruiken van gif of giftige
wapens;
37° gebruiken van verstikkende,
giftige of andere gassen en overige
soortgelijke vloeistoffen, materialen of
apparaten;
38° gebruiken van kogels die in het
menselijk lichaam gemakkelijk in omvang
toenemen of platter en breder worden,
zoals kogels met een harde mantel die de
kern gedeeltelijk onbedekt laat of die
is voorzien van inkepingen;
39° gerechtelijk vervallen verklaren,
schorsen of niet-ontvankelijk verklaren
van de rechten en handelingen van de
personen die tot de vijandige partij
behoren;
40° gebruiken van wapens,
projectielen, materieel en wijzen van
oorlogvoering die van die aard zijn dat
zij overbodig letsel of nodeloos lijden
veroorzaken of dat zij zonder
onderscheid treffen in strijd met het
internationaal recht inzake gewapende
conflicten, voor zover dergelijke
wapens, projectielen, materieel en
wijzen van oorlogvoering vallen onder
een algeheel verbod en zijn opgenomen in
een bijlage bij het Statuut van het
Internationaal Strafhof.
§ 2. De hierna omschreven ernstige
schendingen van het gemeenschappelijk
artikel 3 van de Verdragen van Genève
van 12 augustus 1949, gepleegd in geval
van een gewapend conflict zoals
gedefinieerd in voornoemd artikel 3,
welke door handelingen of nalatigheden
inbreuk maken op de bescherming die aan
personen is gewaarborgd door die
Verdragen, zijn
internationaal-rechtelijke misdaden en
worden overeenkomstig de bepalingen van
deze titel gestraft, onverminderd de
strafbepalingen die van toepassing zijn
op de uit nalatigheid gepleegde
misdrijven :
1° geweldpleging gericht op het leven
en de lichamelijk integriteit,
inzonderheid alle vormen van moord,
verminking, wrede behandeling en
marteling;
2° aantasting van de persoonlijke
waardigheid, inzonderheid vernederende
en onterende behandeling;
3° nemen van gijzelaars;
4° uitspreken van veroordelingen en
ten uitvoer leggen van executies zonder
voorafgaand vonnis uitgesproken door een
op regelmatige wijze samengesteld
gerecht dat alle gerechtelijke
waarborgen biedt die algemeen als
onmisbaar worden erkend.
§ 3. De hierna omschreven ernstige
schendingen gedefinieerd in artikel 15
van het Tweede Protocol inzake het
Verdrag van 's-Gravenhage van 1954
inzake de bescherming van culturele
goederen in geval van een gewapend
conflict, goedgekeurd te 's-Gravenhage
op 26 maart 1999, gepleegd in geval van
een gewapend conflict zoals omschreven
in artikel 18, §§ 1 en 2, van het
Verdrag van 's-Gravenhage van 1954 en in
artikel 22 van voornoemd Tweede
Protocol, welke door handelingen of
nalatigheden inbreuk maken op de
bescherming die aan goederen is
gewaarborgd door dit Verdrag en Protocol
zijn internationaal-rechtelijke misdaden
en worden overeenkomstig de bepalingen
van deze titel gestraft, onverminderd de
strafbepalingen die van toepassing zijn
op de uit nalatigheid gepleegde
misdrijven :
1° een aanval richten op een
cultureel goed onder versterkte
bescherming;
2° een cultureel goed onder
versterkte bescherming of de
onmiddellijke nabijheid ervan aanwenden
ter ondersteuning van een militaire
actie;
3° de door het Verdrag en het Tweede
Protocol beschermde culturele goederen
op grote schaal vernietigen of zich
toe-eigenen. ] (1)
(W. 5.8.2003 - art. 8 - B.S.
7.8.2003)
----------------------
(1) Art. 29, § 2 W. 5.8.2003
stipuleert: 'De derde paragraaf van
artikel 136quater van het Strafwetboek
en het laatste lid van artikel
136quinquies van het Strafwetboek,
ingevoegd bij respectievelijk de
artikelen 8 en 9 van deze wet, treden in
werking de dag van inwerkingtreding voor
België van het Tweede Protocol inzake
het Verdrag van 's-Gravenhage van 1954
inzake de bescherming van culturele
goederen in geval van een gewapend
conflict, aangenomen te 's-Gravenhage op
26 maart 1999.'
|
ART. 136quinquies
[De misdrijven bedoeld in de artikelen
136bis en 136ter worden gestraft met
levenslange opsluiting.
De misdrijven bedoeld in artikel
136quater, § 1, 1°, 2°, 15°, 17°, 20°
tot 24° en 26° tot 28°, worden gestraft
met levenslange opsluiting.
De misdrijven bedoeld in dezelfde
paragraaf van hetzelfde artikel, 3°, 4°,
10°, 16°, 19°, 36° tot 38° en 40°,
worden gestraft met opsluiting van
twintig jaar tot dertig jaar. Zij worden
gestraft met levenslange opsluiting als
zij de dood van één of meer personen ten
gevolge hebben gehad.
De misdrijven bedoeld in dezelfde
paragraaf van hetzelfde artikel, 12° tot
14° en 25°, worden gestraft met
opsluiting van vijftien jaar tot twintig
jaar. Hetzelfde misdrijf, alsmede de
misdrijven bedoeld in dezelfde paragraaf
van hetzelfde artikel, 29° en 30°,
worden gestraft met opsluiting van
twintig jaar tot dertig jaar als zij
hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte,
hetzij een blijvende ongeschiktheid tot
het verrichten van persoonlijk werk,
hetzij het volledige verlies van het
gebruik van een orgaan, hetzij een zware
verminking ten gevolge hebben gehad. Zij
worden gestraft met levenslange
opsluiting
indien zij de dood van een of meer
personen tengevolge hebben gehad.
De misdrijven bedoeld in dezelfde
paragraaf van hetzelfde artikel, 6° tot
9°, 11° en 31°, worden gestraft met
opsluiting van tien jaar tot vijftien
jaar. Wanneer de in het voorgaande lid
bedoelde verzwarende omstandigheden
aanwezig zijn, worden zij, naar gelang
van het geval, gestraft met de daarin
vastgestelde straffen.
De misdrijven bedoeld in dezelfde
paragraaf van hetzelfde artikel, 5° en
32° tot 35° worden gestraft met
opsluiting van tien jaar tot vijftien
jaar, onder voorbehoud van de toepassing
van strengere strafbepalingen houdende
bestraffing van
ernstige aanslagen op de menselijke
waardigheid.
Het misdrijf bedoeld in dezelfde
paragraaf van hetzelfde artikel, 18°,
wordt gestraft met opsluiting van tien
jaar tot vijftien jaar. Het wordt
gestraft met opsluiting van vijftien
jaar tot twintig jaar indien het
ernstige gevolgen voor de
volksgezondheid ten gevolge heeft gehad.
Het misdrijf bedoeld in dezelfde
paragraaf van hetzelfde artikel, 39°,
wordt gestraft met opsluiting van tien
jaar tot vijftien jaar.
Het misdrijf bedoeld in artikel
136quater, paragraaf 2, 1°, wordt
gestraft met levenslange opsluiting.
De misdrijven bedoeld in dezelfde
paragraaf van hetzelfde artikel, 2° en
4°, worden gestraft met opsluiting van
tien jaar tot vijftien jaar, onder
voorbehoud van de toepassing van
strengere strafbepalingen houdende
bestraffing van ernstige aanslagen op de
menselijke waardigheid.
Het misdrijf bedoeld in 3° van
dezelfde paragraaf van hetzelfde artikel
wordt gestraft met opsluiting van tien
jaar tot vijftien jaar. Hetzelfde
misdrijf wordt gestraft met opsluiting
van twintig jaar tot dertig jaar als het
hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte,
hetzij een blijvende ongeschiktheid tot
het verrichten van persoonlijk werk,
hetzij het volledige verlies van het
gebruik van een orgaan, hetzij een zware
verminking ten gevolge heeft gehad. Het
wordt gestraft met levenslange
opsluiting indien het de dood van één of
meer personen ten gevolge heeft gehad.
De misdrijven opgesomd in artikel
136quater, § 3, 1° tot 3°, worden
gestraft met opsluiting van vijftien
jaar tot twintig jaar. ]
(W. 5.8.2003 - art. 9 - B.S.
7.8.2003)
|
ART. 136sexies
[Zij die een werktuig, een toestel of
enig voorwerp voortbrengen, onder zich
houden of vervoeren, een bouwwerk
oprichten of een bestaand bouwwerk
veranderen, in de wetenschap dat het
werktuig, het toestel, het voorwerp, het
bouwwerk of de verandering bestemd is om
een van de in de artikelen 136bis,
136ter en 136quater genoemde misdrijven
te plegen of het plegen ervan te
vergemakkelijken, worden gestraft met de
straf bepaald voor het misdrijf waarvan
zij het plegen hebben mogelijk gemaakt
of vergemakkelijkt.]
(W. 5.8.2003 - art. 10 - B.S.
7.8.2003
|
ART. 136septies
[Met de op het voltooide misdrijf
gestelde straf worden gestraft :
1° het bevel, zelfs zonder dat dit
gevolgen heeft gehad, om een van de in
de artikelen 136bis, 136ter en 136quater
omschreven misdrijven te plegen;
2° het voorstel of het aanbod om een
zodanig misdrijf te plegen en het
aanvaarden van een zodanig voorstel of
aanbod;
3° het aanzetten tot het plegen van
een zodanig misdrijf, zelfs zonder dat
dit gevolgen heeft gehad;
4° de deelneming, in de zin van de
artikelen 66 en 67, aan het plegen van
een zodanig misdrijf zelfs zonder dat
dit gevolgen heeft gehad;
5° het verzuim gebruik te maken van
de mogelijkheid tot handelen vanwege zij
die kennis hebben van bevelen, gegeven
met het oog op de uitvoering van een
dergelijk misdrijf of van feiten die een
begin van uitvoering hiervan vormen,
ofschoon zij de voltooiing ervan konden
verhinderen of konden doen ophouden;
6° de poging, in de zin van de
artikelen 51 tot 53, om een zodanig
misdrijf te plegen. ]
(W. 5.8.2003 - art. 11 - B.S
7.8.2003)
|
ART. 136octies
[. § 1. Onverminderd de in artikel
136quater, § 1, 18°, 22° en 23° genoemde
uitzonderingen kan geen enkel belang,
geen enkele noodzaak van politieke,
militaire of nationale aard de in de
artikelen 136bis, 136ter, 136quater,
136sexies en 136septies omschreven
misdrijven, zelfs bij wijze van
represaille gepleegd, rechtvaardigen.
§ 2. Dat de beschuldigde op bevel van
zijn regering of van een meerdere heeft
gehandeld, ontslaat hem niet van zijn
verantwoordelijkheid indien, in de
gegeven omstandigheden, het bevel
duidelijk het plegen van een van de
misdrijven bedoeld in de artikelen
136bis, 136ter en 136quater ten gevolge
kon hebben. ]
(W. 5.8.2003 - art. 12 - B.S.
7.8.2003)
|
[ TITEL Iter Terroristische
misdrijven ] (W. 19.12.2003 - art. 2 -
B.S. 29.12.2003)
|
EERSTE HOOFDSTUK Wanbedrijven
betreffende de uitoefening van politieke
rechten
|
ART. 137
[§ 1. Als terroristisch misdrijf wordt
aangemerkt het misdrijf bepaald in de §§
2 en 3 dat door zijn aard of context een
land of een internationale organisatie
ernstig kan schaden en opzettelijk
gepleegd is met het oogmerk om een
bevolking ernstige vrees aan te jagen of
om de overheid of een internationale
organisatie op onrechtmatige wijze te
dwingen tot het verrichten of het zich
onthouden van een handeling, of om de
politieke, constitutionele, economische
of sociale basisstructuren van een land
of een internationale organisatie
ernstig te ontwrichten of te
vernietigen.
§ 2. Als terroristisch misdrijf wordt
onder de voorwaarden bepaald in § 1,
aangemerkt :
1° het opzettelijk doden of
opzettelijk toebrengen van slagen en
verwondingen bedoeld in de artikelen 393
tot 404, 405bis, 405ter voor zover er
naar de bovengenoemde artikelen wordt
verwezen, 409, § 1, eerste lid, en §§ 2
tot 5, 410 voorzover er naar de
bovengenoemde artikelen wordt verwezen,
417ter en 417quater ;
2° de gijzelneming bedoeld in artikel
347bis ;
3° de ontvoering bedoeld in de
artikelen 428 tot 430 en 434 tot 437;
4° de grootschalige vernieling of
beschadiging bedoeld in de artikelen
521, eerste en derde lid, 522, 523, 525,
526, 550bis, § 3, 3°, in artikel 15 van
de wet van 5 juni 1928 houdende
herziening van het Tucht- en
Strafwetboek voor de koopvaardij en de
zeevisserij, en in artikel 114, § 4, van
de wet van 21 maart 1991 betreffende de
hervorming van sommige economische
overheidsbedrijven, waardoor
mensenlevens in gevaar worden gebracht
of aanzienlijke economische schade wordt
aangericht;
5° het kapen van vliegtuigen bedoeld
in artikel 30, § 1, 2°, van de wet van
27 juni 1937 houdende herziening van de
wet van 16 november 1919 betreffende de
regeling der luchtvaart;
6° het zich door bedrog, geweld of
bedreiging jegens de kapitein meester
maken van een schip, bedoeld in artikel
33 van de wet van 5 juni 1928 houdende
herziening van het Tucht- en
Strafwetboek voor de koopvaardij en de
zeevisserij;
7° de strafbare feiten bedoeld in het
koninklijk besluit van 23 september 1958
houdende algemeen reglement betreffende
het fabriceren, opslaan, onder zich
houden, verkopen, vervoeren en gebruiken
van springstoffen, gewijzigd bij het
koninklijk besluit van 1 februari 2000,
en die strafbaar zijn gesteld door de
artikelen 5 tot 7 van de wet van 28 mei
1956 betreffende ontplofbare en voor de
deflagratie vatbare stoffen en mengsels
en de daarmee geladen tuigen;
8° de strafbare feiten bedoeld in de
artikelen 510 tot 513, 516 tot 518, 520,
547 tot 549, en in artikel 14 van de wet
van 5 juni 1928 houdende herziening van
het Tucht- en Strafwetboek voor de
koopvaardij en de zeevisserij, waardoor
mensenlevens in gevaar worden gebracht;
9° de strafbare feiten bedoeld in de
wet van 3 januari 1933 op de
vervaardiging van, de handel in en het
dragen van wapenen en op de handel in
munitie;
10° de strafbare feiten bedoeld in
artikel 2, eerste lid, 2°, van de wet
van 10 juli 1978 houdende goedkeuring
van het Verdrag tot verbod van de
ontwikkeling, de productie en de aanleg
van voorraden van bacteriologische
(biologische) en toxinewapens en inzake
de vernietiging van deze wapens,
opgemaakt te Londen, Moskou en
Washington op 10 april
1972.
§ 3. Als terroristisch misdrijf wordt
onder de voorwaarden bepaald in § 1
eveneens aangemerkt :
1° andere dan in § 2 bedoelde
grootschalige vernieling of
beschadiging, of het veroorzaken van een
overstroming van een infrastructurele
voorziening, een vervoerssysteem, een
publiek of privaat eigendom, waardoor
mensenlevens in gevaar worden gebracht
of aanzienlijke economische schade wordt
aangericht;
2° het kapen van andere
transportmiddelen dan bedoeld in het 5°
en 6° van § 2;
3° het vervaardigen, bezitten,
verwerven, vervoeren, of leveren van
kernwapens of chemische wapens, het
gebruik van kernwapens, biologische of
chemische wapens, alsmede het verrichten
van onderzoek in en het ontwikkelen van
chemische wapens;
4° het laten ontsnappen van
gevaarlijke stoffen waardoor
mensenlevens in gevaar worden gebracht;
5° het verstoren of onderbreken van
de toevoer van water, elektriciteit of
andere essentiële natuurlijke
hulpbronnen waardoor mensenlevens in
gevaar worden gebracht;
6° de bedreiging met het plegen van
één van de strafbare feiten bedoeld in §
2 of in deze paragraaf. ]
(W. 19.12.2003 - art. 3 - B.S.
29.12.2003)
|
ART. 138
[§ 1. De straffen voor de misdrijven
opgesomd in artikel 137, § 2, worden als
volgt vervangen, indien die misdrijven
worden aangemerkt als terroristische
misdrijven :
1° geldboete, door gevangenisstraf
van een jaar tot drie jaar;
2° gevangenisstraf van niet meer dan
zes maanden, door gevangenisstraf van
niet meer dan drie jaar;
3° gevangenisstraf van niet meer dan
een jaar, door gevangenisstraf van niet
meer dan drie jaar;
4° gevangenisstraf van niet meer dan
drie jaar, door gevangenisstraf van niet
meer dan vijf jaar;
5° gevangenisstraf van niet meer dan
vijf jaar, door opsluiting van vijf jaar
tot tien jaar;
6° opsluiting van vijf jaar tot tien
jaar, door opsluiting van tien jaar tot
vijftien jaar;
7° opsluiting van tien jaar tot
vijftien jaar, door opsluiting van
vijftien jaar tot twintig jaar;
8° opsluiting van tien jaar tot
twintig jaar door opsluiting van
vijftien jaar tot twintig jaar;
9° opsluiting van vijftien jaar tot
twintig jaar, door opsluiting van
twintig jaar tot dertig jaar;
10° opsluiting van twintig jaar tot
dertig jaar, door levenslange
opsluiting.
§ 2. De terroristische misdrijven
bedoeld in artikel 137, § 3, worden
gestraft met :
1° in het geval bedoeld in het 6°,
gevangenisstraf van drie maanden tot
vijf jaar indien de bedreiging een
misdrijf betreft strafbaar met een
correctionele straf en opsluiting van
vijf tot tien jaar indien de bedreiging
een misdrijf betreft strafbaar met een
criminele straf;
2° opsluiting van vijftien jaar tot
twintig jaar in de gevallen bedoeld in
het 1°, 2° en 5°;
3° levenslange opsluiting in de
gevallen bedoeld in het 3° en 4°. ]
(W. 19.12.2003 - art. 4 - B.S.
29.12.2003)
|
ART. 139
[Met terroristische groep wordt bedoeld
iedere gestructureerde vereniging van
meer dan twee personen die sinds enige
tijd bestaat en die in onderling overleg
optreedt om terroristische misdrijven te
plegen, als bedoeld in artikel 137.
Een organisatie waarvan het feitelijk
oogmerk uitsluitend politiek,
vakorganisatorisch, menslievend,
levensbeschouwelijk of godsdienstig is
of die uitsluitend enig ander rechtmatig
oogmerk nastreeft, kan als zodanig niet
beschouwd worden als een terroristische
groep in de zin van het eerste lid. ]
(W. 19.12.2003 - art. 5 - B.S.
29.12.2003)
|
ART. 140
[§ 1. Iedere persoon die deelneemt aan
enige activiteit van een terroristische
groep, zij het ook door het verstrekken
van gegevens of materiële middelen aan
een terroristische groep of door het in
enigerlei vorm financieren van enige
activiteit van een terroristische groep,
terwijl hij weet dat zijn deelname
bijdraagt tot het plegen van een misdaad
of wanbedrijf door de terroristische
groep, wordt gestraft met opsluiting van
vijf jaar tot tien jaar en met geldboete
van honderd euro tot vijfduizend euro.
§ 2. Iedere leidende persoon van een
terroristische groep wordt gestraft met
opsluiting van vijftien jaar tot twintig
jaar en met geldboete van duizend euro
tot tweehonderdduizend euro. ]
(W. 19.12.2003 - art. 6 - B.S.
29.12.2003)
|
ART. 141
[Iedere persoon die, behalve in de
gevallen bedoeld in artikel 140,
materiële middelen verstrekt, daaronder
begrepen financiële hulp, met het oog op
het plegen van een terroristisch
misdrijf bedoeld in artikel 137, wordt
gestraft met opsluiting van vijf jaar
tot tien jaar en met geldboete van
honderd euro tot vijfduizend euro. ]
(W. 19.12.2003 - art. 7 - B.S.
29.12.2003)
|
ART. 141bis
[Deze titel is niet van toepassing op
handelingen van strijdkrachten tijdens
een gewapend conflict als gedefinieerd
in en onderworpen aan het internationaal
humanitair recht, noch op de handelingen
van de strijdkrachten van een Staat in
het kader van de uitoefening van hun
officiële taken, voorzover die
handelingen onderworpen zijn aan andere
bepalingen van internationaal recht. ]
(W.19.12.2003 - art. 8 - B.S.
29.12.2003)
|
ART. 141ter
[Geen enkele bepaling uit deze titel kan
worden gelezen in die zin dat zij een
beperking of een belemmering beoogt van
rechten of fundamentele vrijheden, zoals
het stakingsrecht, de vrijheid van
vergadering, vereniging of
meningsuiting, waaronder het recht om,
voor de verdediging van de eigen
belangen, samen met anderen vakbonden op
te richten dan wel zich daarbij aan te
sluiten, evenals het daarmee
samenhangende recht van betoging, en
zoals onder meer verankerd in de
artikelen 8 tot 11 van het Europees
Verdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele
vrijheden. ]
(W.19.12.2003 - art. 9 - B.S.
29.12.2003)
|
TITEL II Misdaden en wanbedrijven
die door de Grondwet gewaarborgde
rechten schenden
|
[ HOOFDSTUK I Wanbedrijven
betreffende de vrije uitoefening van de
erediensten ] (W. 19.12.2003 - art. 11 -
B.S. 29.12.2003)
|
ART. 142
Hij die een of meer personen door geweld
of bedreiging dwingt of verhindert een
eredienst uit te oefenen, de uitoefening
van die eredienst bij te wonen, bepaalde
godsdienstige feesten te vieren,
bepaalde rustdagen te onderhouden en
dientengevolge hun werkhuizen, winkels
of magazijnen te openen of te sluiten en
een bepaalde arbeid te verrichten of te
staken, wordt gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot twee
maanden en met geldboete van
zesentwintig frank tot tweehonderd
frank.
|
ART. 143
Zij die de oefeningen van een eredienst,
gehouden in een plaats welke bestemd is
of gewoonlijk dient voor de eredienst of
bij openbare plechtigheden van die
eredienst, door het verwekken van
stoornis of wanorde verhinderen,
belemmeren of onderbreken, worden
gestraft met gevangenisstraf van acht
dagen tot drie maanden en met geldboete
van zesentwintig frank tot vijfhonderd
frank.
|
ART. 144
Hij die de voorwerpen van een eredienst
door daden, woorden, gebaren of
bedreigingen beschimpt, hetzij in
plaatsen welke bestemd zijn of
gewoonlijk dienen voor de uitoefening
ervan, hetzij bij openbare plechtigheden
van die eredienst, wordt gestraft met
gevangenisstraf van vijftien dagen tot
zes maanden en met geldboete van
zesentwintig frank tot vijfhonderd
frank.
|
ART. 145
Met dezelfde straffen wordt gestraft hij
die een bedienaar van een eredienst in
de uitoefening van zijn bediening smaadt
door daden, woorden, gebaren of
bedreigingen.
Indien hij hem slaat, wordt hij
gestraft met gevangenisstraf van twee
maanden tot twee jaar en met geldboete
van vijftig frank tot vijfhonderd frank.
|
ART. 146
Indien de slagen bloedstorting,
verwonding of ziekte veroorzaken, wordt
de schuldige gestraft met
gevangenisstraf van zes maanden tot vijf
jaar en met geldboete van honderd frank
tot duizend frank.
|
[ HOOFDSTUK II Schending door
openbare ambtenaren van rechten door de
Grondwet gewaarborgd ] (W.19.12.2003 -
art. 12 - B.S. 29.12.2003)
|
ART. 147
Ieder openbaar officier of ambtenaar,
ieder drager of agent van het openbaar
gezag of van de openbare macht, die
wederrechtelijk en willekeurig een of
meer personen aanhoudt of doet
aanhouden, gevangen houdt of doet
houden, wordt gestraft met
gevangenisstraf van drie maanden tot
twee jaar.
De gevangenisstraf is zes maanden tot
drie jaar, indien de wederrechtelijke en
willekeurige vrijheidsberoving langer
dan tien dagen duurt.
Duurt zij langer dan een maand, dan
wordt de schuldige veroordeeld tot
gevangenisstraf van een jaar tot vijf
jaar.
Hij wordt bovendien gestraft met
geldboete van vijftig frank tot duizend
frank en kan worden veroordeeld tot
ontzetting van de rechten, genoemd in
artikel 31, 1°, 2° en 3°.
|
ART. 148
Ieder ambtenaar van de administratieve
of de rechterlijke orde, ieder officier
van justitie of van politie, ieder
bevelhebber of agent van de openbare
macht, die, in die hoedanigheid
optredend, in de woning van een
ingezetene tegen diens wil binnendringt
buiten de gevallen die de wet bepaalt en
zonder inachtneming van de vormen die
zij voorschrijft, wordt gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot zes
maanden en met geldboete van
zesentwintig frank tot tweehonderd
frank.
|
ART. 149
[ ... ]
(Opgeheven W. 26.12.1956 - art. 38 -
B.S. 30/31.12.1956)
|
ART. 150
[ ... ]
(Opgeheven W. 13.10.1930 - art. 31 -
B.S. 18.10.1930)
|
ART. 151
Elke andere daad van willekeur die
inbreuk maakt op door de Grondwet
gewaarborgde vrijheden en rechten en die
bevolen of uitgevoerd wordt door een
openbaar officier of ambtenaar, door een
drager of agent van het openbaar gezag
of van de openbare macht, wordt gestraft
met gevangenisstraf van vijftien dagen
tot een jaar.
|
ART. 152
Indien de verdachte bewijst dat hij
heeft gehandeld op bevel van zijn
meerderen, in zaken die tot hun
bevoegdheid behoren en waarin hij hun
als ondergeschikte gehoorzaamheid
verschuldigd was, worden de bij de
vorige artikelen bepaalde straffen
alleen toegepast op de meerderen die het
bevel hebben gegeven.
|
ART. 153
Indien openbare officieren of ambtenaren
ervan beticht worden een van de daden,
in de artikelen 148 tot 151 vermeld, te
hebben bevolen, toegelaten of
vergemakkelijkt, en indien zij beweren
dat hun handtekening bij verrassing is
verkregen, zijn zij verplicht de daad in
voorkomend geval te doen ophouden en de
schuldige aan te geven; anders worden
zij zelf vervolgd.
|
ART. 154
Indien een van de daden van willekeur,
in de artikelen 148 tot 151 vermeld,
wordt gepleegd door middel van de valse
handtekening van een openbaar ambtenaar,
worden de daders van de valsheid en zij
die er kwaadwillig of bedrieglijk
gebruik van maken, gestraft met [
opsluiting ] van tien jaar tot vijftien
jaar.
(W. 23.1.2003 - art. 40 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 155
Openbare officieren of ambtenaren die
met de administratieve of de
gerechtelijke politie belast zijn en
die, bevoegd zijnde om een te hunner
kennis gebrachte wederrechtelijke
vrijheidsberoving te doen ophouden,
nalaten of weigeren zulks te doen,
worden gestraft met gevangenisstraf van
een maand tot een jaar.
|
ART. 156
Openbare officieren of ambtenaren die
met de administratieve of de
gerechtelijke politie belast zijn en
die, niet bevoegd zijnde om een
wederrechtelijke vrijheidsberoving te
doen ophouden, nalaten of weigeren de te
hunner kennis gebrachte wederrechtelijke
vrijheidsberoving vast te stellen en bij
de bevoegde overheid aan te geven,
worden gestraft met gevangenisstraf van
acht dagen tot zes maanden.
|
ART. 157
Met gevangenisstraf van vijftien dagen
tot twee jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot tweehonderd frank
worden gestraft:
De bestuurders, bevelhebbers,
bewaarders en portiers van [
gevangenissen ] die een gevangene
opnemen zonder wettige last of wettig
bevel of zonder vonnis;
(W. 7.5.1999 - art. 2 - B.S.
29.6.1999)
(W; 12.1.2005 - art. 170 - B.S.
1.2.2005)
Die hem vasthouden of weigeren hem
voor te brengen voor de officier van
politie of voor de houder van diens
bevelen, zonder te bewijzen dat de
procureur des Konings of de rechter dit
heeft verboden;
Die weigeren hun registers aan de
officier van politie te vertonen.
|
ART. 158
Met geldboete van tweehonderd frank tot
tweeduizend frank worden gestraft, en
tot ontzetting van het recht om openbare
ambten, bedieningen of betrekkingen te
vervullen kunnen worden veroordeeld,
alle rechters, alle ambtenaren van het
openbaar ministerie, alle officieren van
de gerechtelijke politie, alle andere
openbare officieren, die zonder de
voorgeschreven machtigingen, hetzij een
vonnis tegen een minister, een senator
of een volksvertegenwoordiger, hetzij
een beschikking of een bevel strekkende
om hen te vervolgen of in beschuldiging
te doen stellen, uitlokken, geven of
ondertekenen, of die, zonder dezelfde
machtigingen, de last of het bevel geven
of ondertekenen om hetzij een minister,
hetzij een senator of een
volksvertegenwoordiger te vatten of aan
te houden, behalve, wat de twee
laatstgenoemden betreft, bij ontdekking
op heterdaad.
|
ART. 159
Met dezelfde straf worden gestraft de
ambtenaren van het openbaar ministerie,
de rechters of de openbare officieren,
die iemand vasthouden of doen vasthouden
buiten de plaatsen, door de Regering of
door het openbaar bestuur aangewezen.
|
TITEL III Misdaden en wanbedrijven
tegen de openbare trouw
|
HOOFDSTUK I Valse munt
|
ART. 160
[ Hij die gouden of zilveren munten, in
België of in het buitenland wettelijk
gangbaar, namaakt, wordt gestraft met [
opsluiting ] van tien tot vijftien jaar.
]
(W. 23.1.2003 - art. 41 - B.S.
13.3.2003)
(W. 12.7.1932 - art. 1, 1 - B.S.
20.8.1932)
|
ART. 161
Schennis van zulke munten wordt gestraft
met [ opsluiting van vijf jaar tot tien
jaar ] .
(W. 23.1.2003 - art. 42 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 162
[Hij die munten van een ander metaal, in
België of in het buitenland wettelijk
gangbaar, namaakt of die munten
uitgedrukt in euro namaakt, wordt
gestraft met opsluiting van vijf jaar
tot tien jaar.
De schuldige kan bovendien worden
veroordeeld tot ontzetting van rechten,
overeenkomstig artikel 33 . ]
(W. 4.4.2001 - art. 2 - B.S.
23.6.2001)
|
ART. 163
[Verandering van zulke munten wordt
gestraft met opsluiting van vijf jaar
tot tien jaar. ]
(W. 4.4.2001 - art. 3 - B.S.
23.6.2001)
|
ART. 164-167
[ ... ]
(Opgeheven W. 12.7.1932 - art. 1, 3 -
B.S. 20.8.1932)
|
ART. 168
Met dezelfde straffen als de vervalsers
of als hun medeplichtigen, naar de
onderscheidingen in de vorige artikelen
gemaakt, worden gestraft zij die, in
overleg met hen, deelnemen hetzij aan de
uitgifte of aan de poging tot uitgifte
van die nagemaakte of geschonden munten,
hetzij aan het invoeren ervan op
Belgisch grondgebied of aan de poging
tot zodanig invoeren.
|
ART. 169
Hij die, zonder schuldig te zijn aan de
deelneming, in het vorige artikel
omschreven, met zijn weten zich
nagemaakte of geschonden muntstukken
aanschaft en deze in omloop brengt of
poogt te brengen, wordt gestraft met
gevangenisstraf van een maand tot drie
jaar.
[ Hij die nagemaakte of geschonden
muntstukken ontvangt of zich aanschaft
met het oogmerk om deze in omloop te
brengen, wordt gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot een
jaar.
Poging tot het wanbedrijf, in het
vorige lid omschreven, wordt gestraft
met gevangenisstraf van acht dagen tot
zes maanden. ]
(W. 12.7.1932 - art. 1, 4 - B.S.
20.8.1932)
|
ART. 170
Hij die nagemaakte of geschonden
muntstukken, die hij voor goede
ontvangen heeft, weer in omloop brengt,
na de ondeugdelijkheid ervan te hebben
vastgesteld of doen vaststellen, wordt
gestraft met geldboete van zesentwintig
frank tot duizend frank.
[ Poging tot het wanbedrijf
omschreven in het vorige lid wordt
gestraft met geldboete van zesentwintig
frank tot tweehonderd frank. ]
( W. 4.4.2001 - art. 4 - B.S.
23.6.2001)
|
Bijzondere bepalingen
|
ART. 171
Zij die zich schuldig maken aan bedrog
bij de keuze van de monsters, bestemd om
ter uitvoering van de muntwet het
gehalte en het gewicht van gouden en
zilveren munten te keuren, worden
gestraft met [ opsluiting ] van vijftien
jaar tot twintig jaar.
(W. 23.1.2003 - art. 43 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 172
Zij die dat bedrog plegen bij de keuze
van de monsters van munten in ander
metaal, worden gestraft met [ opsluiting
van vijf jaar tot tien jaar ].
(W. 23.1.2003 - art. 44 - B.S.
13.3.2003)
|
HOOFDSTUK II Namaking of vervalsing
van openbare effecten, aandelen,
schuldbrieven, rentebewijzen en bij de
wet toegelaten bankbiljetten
|
ART. 173
[Met opsluiting van vijftien jaar tot
twintig jaar worden gestraft de namakers
of vervalsers van schuldbrieven door de
Staatskas uitgegeven rentebewijzen
behorende tot die schuldbrieven,
waardebonnen, cheques, overschrijvingen
uitgegeven door de thesaurie, biljetten
aan toonder door de Staatskas uitgegeven
of bankbiljetten aan toonder die
wettelijk gangbaar zijn of waarvan de
uitgifte door of krachtens een wet is
toegelaten of die zijn uitgedrukt in
euro.
Met dezelfde straffen worden gestraft
de namakers of vervalsers van biljetten
aan toonder die wettelijk gangbaar zijn
of waarvan de uitgifte is toegelaten
door een wet van een vreemd land of op
grond van een bepaling die aldaar kracht
van wet heeft. ]
(W. 4.4.2001 - art. 5 - B.S.
23.6.2001)
|
ART. 174
Met [ opsluiting ] van tien jaar tot
vijftien jaar worden gestraft de
namakers of vervalsers, hetzij van
schuldbrieven aan toonder van de
openbare schuld van een vreemd land,
hetzij van rentebewijzen behorende tot
die effecten [ ... ].
(W. 23.1.2003 - art. 45 - B.S.
13.3.2003)
(W. 12.7.1932 - art. 1, 6 - B.S.
20.8.1932)
|
ART. 175
[De namakers of vervalsers hetzij van
aandelen, schuldbrieven of andere
effecten die wettig zijn uitgegeven door
provincies, gemeenten, openbare besturen
of instellingen, onder welke benaming
ook, door vennootschappen of bijzondere
personen, hetzij van rente of
dividendbewijzen behorende tot die
verschillende effecten, worden gestraft
met opsluiting van tien jaar tot
vijftien jaar indien de uitgifte in
België heeft plaatsgehad, en met
opsluiting van vijf jaar tot tien jaar
indien de uitgifte heeft plaatsgehad in
het buitenland. ]
(W. 23.1.2003 - art. 46 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 176
Met dezelfde straffen als de vervalsers
of als hun medeplichtigen, naar de
onderscheidingen in de vorige artikelen
gemaakt, worden gestraft zij die, in
overleg met hen, deelnemen hetzij aan de
uitgifte of aan de poging tot uitgifte
van die nagemaakte of vervalste
aandelen, schuldbrieven, rente- of
dividendbewijzen of biljetten, hetzij
aan het invoeren ervan in België of aan
de poging tot zodanig invoeren.
|
ART. 177
Hij die, zonder schuldig te zijn aan de
deelneming in het vorige artikel
omschreven, met zijn weten zich die
nagemaakte of vervalste aandelen,
schuldbrieven, rente- of
dividendbewijzen, biljetten aanschaft en
ze uitgeeft of poogt uit te geven, wordt
gestraft met gevangenisstraf van een
jaar tot vijf jaar.
[ Hij die nagemaakte of vervalste
biljetten ontvangt of zich aanschaft met
het oogmerk om ze in omloop te brengen,
wordt gestraft met gevangenisstraf van
zes maanden tot drie jaar.
Poging tot het wanbedrijf in het
vorige lid omschreven, wordt gestraft
met gevangenisstraf van drie maanden tot
een jaar. ]
(W. 12.7.1932 - art. 1, 7 - B.S.
20/8.1932)
|
ART. 178
Hij die nagemaakte of vervalste
aandelen, schuldbrieven, rente- of
dividendbewijzen of biljetten die hij
voor goede ontvangen heeft, weer in
omloop brengt, na de ondeugdelijkheid
ervan te hebben vastgesteld of doen
vaststellen, wordt gestraft met
gevangenisstraf van een maand tot een
jaar en met geldboete van vijftig frank
tot duizend frank of met een van die
straffen alleen.
[ Poging tot het wanbedrijf
omschreven in het vorige lid wordt
gestraft met gevangenisstraf van
vijftien dagen tot zes maanden en met
geldboete van zesentwintig frank tot
vijfhonderd frank of met een van die
straffen alleen. ]
( W. 4.4.2001 - art. 6 - B.S.
23.6.2001)
|
[ HOOFDSTUK IIbis. - Bescherming van
de geldtekens die wettig betaalmiddel
zijn ] (W.10.12.2001 - art. 19 - B.S.
20.12.2001)
|
ART. 178 bis
[Hij die een geldteken uitgeeft bestemd
om in het publiek te circuleren als
betaalmiddel zonder hiertoe gemachtigd
te zijn door de bevoegde overheid, wordt
gestraft met gevangenisstraf van één
maand tot één jaar en met geldboete van
50 tot 10.000 EUR of met één van die
straffen alleen. ]
(W.10.12.2001 - art. 20 - B.S.
20.12.2001)
|
ART. 178ter
[Hij die, wetens en willens, een
geldteken, dat in België of in het
buitenland wettig betaalmiddel is,
aanwendt als drager van een boodschap
van publicitaire of andere aard, of hij
die, wetens en willens, het gebruik
ervan als betaalmiddel bemoeilijkt door
het te beschadigen, bekladden,
overschrijven, of ongeschikt te maken,
op welke wijze ook, wordt gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot drie
maanden en met geldboete van 26 tot
1.000 EUR of met één van die straffen
alleen. ]
(W.10.12.2001 - art. 21 - B.S.
20.12.2001)
|
HOOFDSTUK III Namaking of vervalsing
van zegels, stempels, merken, enz.
|
ART. 179
Met [ opsluiting ] van tien jaar tot
vijftien jaar worden gestraft zij die 's
Lands zegel namaken of van het
nagemaakte zegel gebruik maken.
(W. 23.1.2003 - art. 47 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 180
[Met opsluiting van vijf jaar tot tien
jaar worden gestraft :
Zij die hetzij rijksstempels, hetzij
keurstempels die dienen voor het merken
van goud of zilver, namaken of
vervalsen.
Zij die van die nagemaakte of
vervalste stempels of keurstempels
gebruik maken.
Zij die muntstempels, -matrijzen of
andere voorwerpen of middelen bestemd
tot het vervaardigen van de munten,
namaken of vervalsen.
De namakers of vervalsers van
stempels, matrijzen, clichés, platen of
andere voorwerpen of middelen die dienen
voor het vervaardigen hetzij van zegels,
hetzij van aandelen, schuldbrieven,
rente- of dividendbewijzen, hetzij van
biljetten aan toonder door de Staatskas
uitgegeven of van bankbiljetten die
wettelijk gangbaar zijn of waarvan de
uitgifte door of krachtens een wet is
toegelaten of in euro zijn uitgedrukt. ]
(W. 4.4.2001 - art. 7 - B.S.
23.6.2001)
|
ART. 181
Met dezelfde straf worden gestraft zij
die wetens papier of wel goud of zilver,
gemerkt met een nagemaakt of vervalst
zegel of keurstempel, te koop stellen.
|
ART. 182
Indien de door het waarborgkantoor
geplaatste keurmerken bedrieglijk op
andere voorwerpen worden aangebracht, of
indien deze keurmerken of de zegelafdruk
worden nagemaakt zonder van een
nagemaakt keurstempel of zegel gebruik
te maken. worden de schuldigen gestraft
met gevangenisstraf van zes maanden tot
vijf jaar.
|
ART. 183
Hij die zich met zijn weten papier
aanschaft dat met een nagemaakt of
vervalst zegel gemerkt is, en daarvan
gebruik maakt, wordt gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot zes
maanden.
|
ART. 184
Met gevangenisstraf van drie maanden tot
drie jaar wordt gestraft en tot
ontzetting van rechten overeenkomstig
artikel 33 kan worden veroordeeld:
Hij die biljetten voor personen- of
goederenvervoer namaakt of van een
nagemaakt biljet gebruik maakt;
Hij die het zegel, het stempel of het
merk, hetzij van enige overheid, hetzij
van een private bank-, nijverheids- of
handelsinrichting, hetzij van een
bijzondere persoon namaakt, of van de
nagemaakte zegels, stempels of merken
gebruik maakt.
Poging tot die wanbedrijven wordt
gestraft met gevangenisstraf van een
maand tot een jaar.
|
ART. 185
Met gevangenisstraf van twee maanden tot
drie jaar wordt gestraft hij die zich
echte zegels, stempels en merken,
bestemd voor een van de doeleinden in de
artikelen 179 en 180 aangegeven,
wederrechtelijk aanschaft en ze aanwendt
of gebruikt met benadeling van de
rechten en belangen van de Staat, van
enige overheid of zelfs van een
bijzondere persoon.
Poging tot dat wanbedrijf wordt
gestraft met gevangenisstraf van
vijftien dagen tot een jaar.
|
ART. 185bis
[Met gevangenisstraf van acht dagen tot
een jaar worden gestraft :
Zij die met bedrieglijk opzet
ontvangen of zich aanschaffen hetzij
nagemaakte of vervalste muntstempels,
-matrijzen of andere voorwerpen of
middelen als bedoeld in artikel 180,
voorlaatste lid, hetzij echte
muntstempels, -matrijzen of andere
voorwerpen of middelen, bestemd tot het
vervaardigen van munten.
Zij die met bedrieglijk opzet
ontvangen of zich aanschaffen hetzij
nagemaakte of vervalste stempels,
matrijzen, clichés, platen of andere
voorwerpen of middelen, uit hun aard
bestemd tot het namaken of het vervalsen
van biljetten aan toonder door de
Staatskas uitgegeven of van
bankbiljetten die wettelijk gangbaar
zijn of waarvan de uitgifte door of
krachtens een wet is toegelaten of in
euro zijn uitgedrukt, hetzij echte
stempels, matrijzen, clichés, platen of
andere voorwerpen of middelen bestemd
tot het vervaardigen van die biljetten.
]
(W. 4.4.2001 - art. 8 - B.S.
23.6.2001)
|
ART. 186
[Zij die zegels, stempels of merken die
bestemd zijn voor een van de doeleinden
in de artikelen 179 en 180 aangegeven en
die toebehoren aan vreemde landen,
namaken of vervalsen, of die van zulke
nagemaakte of vervalste zegels, stempels
of merken gebruik maken, worden gestraft
met opsluiting van vijf jaar tot tien
jaar.
Met dezelfde straffen worden gestraft
:
Zij die muntstempels, -matrijzen of
andere voorwerpen of middelen bestemd
tot het vervaardigen van vreemde munten,
namaken of vervalsen.
Zij die stempels, matrijzen, clichés,
platen of andere voorwerpen of middelen
namaken of vervalsen welke dienen voor
het vervaardigen van biljetten aan
toonder door een vreemde Staat
uitgegeven of van bankbiljetten die
aldaar wettelijk gangbaar zijn of
waarvan de uitgifte is toegelaten door
een wet van een vreemd land of door een
bepaling die aldaar kracht van wet
heeft.
Zij die het zegel, het stempel of het
merk van enige vreemde overheid namaken
of van de nagemaakte zegels, stempels of
merken gebruik maken, worden gestraft
met gevangenisstraf van drie maanden tot
drie jaar en kunnen worden veroordeeld
tot ontzetting van rechten
overeenkomstig artikel 33.
Poging tot dat wanbedrijf wordt
gestraft met gevangenisstraf van een
maand tot een jaar ]
(W. 4.4.2001 - art. 9 - B.S.
23.6.2001)
|
ART. 187
[ Met gevangenisstraf van een maand tot
twee jaar wordt gestraft hij die zich
echte zegels, stempels of merken,
bestemd voor een van de doeleinden in de
artikelen 179 en 180 aangegeven en
toebehorende aan vreemde landen,
wederrechtelijk aanschaft en ze aanwendt
of gebruikt met benadeling van de
rechten en belangen van die landen, van
enige overheid of zelfs van een
bijzondere persoon. ]
Poging tot dat wanbedrijf wordt
gestraft met gevangenisstraf van acht
dagen tot zes maanden.
(W. 22.6.1896 - art. 2 - B.S.
25.6.1896)
|
ART. 187bis
[Met gevangenisstraf van acht dagen tot
een jaar wordt gestraft :
Hij die met bedrieglijk opzet
ontvangt of zich aanschaft hetzij
nagemaakte of vervalste muntstempels,
-matrijzen of andere voorwerpen of
middelen als bedoeld in artikel 186,
derde lid, hetzij echte muntstempels,
-matrijzen of andere voorwerpen of
middelen bestemd tot het vervaardigen
van vreemde munten.
Hij die met bedrieglijk opzet
ontvangt of zich aanschaft hetzij
nagemaakte of vervalste stempels,
matrijzen, clichés, platen of andere
voorwerpen of middelen als bedoeld in
artikel 186, vierde lid, hetzij echte
stempels, matrijzen, clichés, platen of
andere voorwerpen of middelen welke
bestemd zijn tot het vervaardigen van
biljetten aan toonder door een vreemde
Staat uitgegeven of van bankbiljetten
die aldaar wettelijk gangbaar zijn of
waarvan de uitgifte is toegelaten door
een wet van een vreemd land of door een
bepaling die aldaar kracht van wet
heeft. ]
(W. 4.4.2001 - art. 10 - B.S.
23.6.2001)
|
ART. 188
Met gevangenisstraf van twee maanden tot
drie jaar worden gestraft en tot
ontzetting van rechten overeenkomstig
artikel 33 kunnen worden veroordeeld zij
die nationale of vreemde postzegels of
andere postzegels namaken of de
nagemaakte zegels te koop stellen of in
omloop brengen.
Poging tot namaking wordt gestraft
met gevangenisstraf van een maand tot
een jaar.
|
ART. 189
Zij die zich nagemaakte postzegels of
andere plakzegels aanschaffen en daarvan
gebruik maken, worden gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot een
maand.
|
ART. 190
Met geldboete van zesentwintig frank tot
driehonderd frank worden gestraft:
Zij die hetzij een postzegel of een
andere plakzegel, hetzij een biljet voor
personen- of goederenvervoer ontdoen van
het merk waaruit blijkt dat die reeds
tot gebruik hebben gediend;
Zij die gebruik maken van een zegel
of een biljet die men van dat merk
ontdaan heeft.
|
ART. 190bis
[De bepalingen van de artikelen 188 tot
190 zijn niet alleen van toepassing op
de plakpostzegels, maar eveneens op die
welke gedrukt worden op documenten die
DE POST uitgeeft, evenals op de
frankeerwaarden die vertegenwoordigd
worden door afdrukken van machines of
door symbolen die door DE POST erkend
zijn. ]
(W. 21.3.1991 - art. 150 - B.S.
27.3.1991)
|
ART. 191
Hij die op fabrikaten de naam van een
ander fabrikant dan de voortbrenger, of
de handelsnaam van een andere fabriek
dan die, welke de goederen gemaakt
heeft, plaatst of door bijvoeging,
wegneming of om het even welke
verandering doet voorkomen, wordt
gestraft met gevangenisstraf van een
maand tot zes maanden.
Dezelfde straf wordt uitgesproken
tegen elke koopman, commissionair of
kleinhandelaar die wetens goederen, met
verdichte of vervalste namen gemerkt, te
koop stelt of in de handel brengt.
|
BEPALINGEN AAN DE DRIE VORIGE
HOOFDSTUKKEN GEMEEN
|
ART. 192
[ Personen die schuldig zijn aan een der
misdrijven, omschreven in de artikelen
160 tot 168, 169, tweede lid, 171 tot
176, 177, tweede lid, 180, laatste en
voorlaatste lid, 185bis, 186, tweede tot
vierde lid, 187bis, 497, tweede lid en
497bis, eerste lid, blijven vrij van
straf, indien zij, vóór enige uitgifte
van nagemaakte of geschonden munten of
van nagemaakt of vervalst papier en vóór
enige vervolging, die misdrijven en hun
daders aan de overheid kenbaar maken. ]
(W. 12.7.1932 - art. 1, 11 - B.S.
20.8.1932)
|
ART. 192bis
[De feiten gekwalificeerd als misdrijf
betreffende de euro, zoals omschreven in
de hoofdstukken I, II en III van deze
titel, worden gestraft met de straffen
voorzien in dezelfde bepalingen wanneer
zij gepleegd zijn ten overstaan van de
Belgische muntstukken of bankbiljetten
of deze van een lidstaat van de Europese
Unie, die niet wettelijk gangbaar meer
zijn of waarvan de uitgifte niet meer
toegelaten is ingevolge de introductie
of de aanneming van de chartale euro. ]
(W. 4.4.2001 - art. 11 - B.S.
23.6.2001)
|
ART. 192ter
[ § 1. Hij die, na tot een
gevangenisstraf van meer dan vijf jaar
te zijn veroordeeld door een
rechtscollege van een lid-Staat van de
Europese Unie wegens feiten bedoeld in
de artikelen 160 tot 170, 173, 176 tot
178, 180 en 185 tot 187bis, één van deze
feiten opnieuw pleegt, kan worden
veroordeeld met opsluiting van tien tot
vijftien jaar indien dit feit een
misdaad is die strafbaar is met
opsluiting van vijf tot tien jaar.
Indien dit feit een misdaad is die
strafbaar is met opsluiting van tien tot
vijftien jaar, kan hij worden
veroordeeld tot opsluiting van vijftien
tot twintig jaar. Hij wordt veroordeeld
tot een opsluiting van minstens
zeventien jaar indien dit feit een
misdaad is die strafbaar is met
opsluiting van vijftien tot twintig
jaar.
§ 2. Hij die, na tot een
gevangenisstraf van meer dan vijf jaar
te zijn veroordeeld door een
rechtscollege van een lid-Staat van de
Europese Unie wegens feiten bedoeld in
de artikelen 160 tot 170, 173, 176 tot
178, 180 en 185 tot 187bis, één van deze
feiten opnieuw pleegt, kan worden
veroordeeld tot het dubbele van het
maximum van de straf, bij de wet op dit
feit gesteld, indien dit feit een
wanbedrijf is.
§ 3. Hij die, na tot een
gevangenisstraf van ten minste een jaar
te zijn veroordeeld door een
rechtscollege van een lid-Staat van de
Europese Unie wegens feiten bedoeld in
de artikelen 160 tot 170, 173, 176 tot
178, 180 en 185 tot 187bis, één van deze
feiten opnieuw pleegt, kan worden
veroordeeld tot het dubbele van het
maximum van de straf, bij de wet op dit
feit gesteld, indien dit feit een
wanbedrijf is. ]
(Ingevoegd W. 10.1.2005 - art. 2 -
B.S. 10.2.2005)
|
HOOFDSTUK IV Valsheid in
geschriften, [ in informatica ] of in
telegrammen (W. 28.11.2000 - art. 2 -
B.S. 3.2.2001)
|
ART. 193
Valsheid in geschriften [ in informatica
] of in telegrammen, met bedrieglijk
opzet of met het oogmerk om te schaden,
wordt gestraft overeenkomstig de
volgende artikelen.
(W. 28.11.2000 - art. 3 - B.S.
3.2.2001)
|
AFDELING I Valsheid in authentieke
en openbare geschriften, in handels- of
bankgeschriften en in private
geschriften
|
ART. 194
Ieder openbaar officier of ambtenaar die
in de uitoefening van zijn bediening
valsheid pleegt,
Hetzij door valse handtekeningen,
Hetzij door vervalsing van akten,
geschriften of handtekeningen,
Hetzij door onderschuiving van
personen,
Hetzij door geschriften, in openbare
registers of andere openbare akten na
het opmaken of het afsluiten ervan
gesteld of ingevoegd,
Wordt gestraft met [ opsluiting ] van
tien jaar tot vijftien jaar.
(W. 23.1.2003 - art. 48 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 195
Met [ opsluiting ] van tien jaar tot
vijftien jaar wordt gestraft ieder
openbaar officier of ambtenaar die bij
het opmaken van akten van zijn ambt het
wezen of de omstandigheden ervan
vervalst,
(W. 23.1.2003 - art. 48 - B.S.
13.3.2003)
Hetzij door andere overeenkomsten te
schrijven dan die welke de partijen
hebben opgegeven of gedicteerd,
Hetzij door als waar op te nemen,
feiten die het niet zijn.
|
ART. 196
Met [ opsluiting van vijf jaar tot tien
jaar ] worden gestraft de andere
personen die in authentieke en openbare
geschriften valsheid plegen en alle
personen die in handels- of
bankgeschriften of in private
geschriften valsheid plegen,
(W. 23.1.2003 - art. 49 - B.S.
13.3.2003)
Hetzij door valse handtekeningen,
Hetzij door namaking of vervalsing
van geschriften of handtekeningen,
Hetzij door overeenkomsten,
beschikkingen, verbintenissen of
schuldbevrijdingen valselijk op te maken
of achteraf in de akten in te voegen,
Hetzij door toevoeging of vervalsing
van bedingen, verklaringen of feiten die
deze akten ten doel hadden op te nemen
of vast te stellen.
|
ART. 197
In alle gevallen in deze afdeling
vermeld, wordt hij die gebruik maakt van
de valse akte of van het valse stuk,
gestraft alsof hij de dader van de
valsheid was.
|
AFDELING II Valsheid in reispassen,
machtigingen om wapens te dragen,
arbeidsboekjes, reisorders en
getuigschriften
|
ART. 198
Hij die een reispas, [ een document
bedoeld in de wapenwet ] te dragen of
een arbeidsboekje namaakt of vervalst,
of gebruik maakt van een reispas, een
machtiging om wapens te dragen of een
arbeidsboekje, die nagemaakt of vervalst
zijn, wordt gestraft met gevangenisstraf
van een maand tot een jaar.
(W. 8.6.200- art. 39 - B.S. 9.6.2006)
|
ART. 199
Hij die in een reispas, [ een document
bedoeld in de wapenwet ] of een
arbeidsboekje een verdichte naam
aanneemt of als getuige meewerkt om die
stukken op de verdichte naam te doen
afgeven, wordt gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot zes
maanden.
(W. 8.6.2006 - art. 39 - B.S.
9.6.2006)
|
ART. 199bis
[Wordt gestraft met gevangenisstraf van
8 dagen tot 6 maanden en met geldboete
van 26 frank tot 500 frank of met één
van die straffen alleen:
1° hij die, met een bedrieglijk
opzet, een paspoort, reisdocument,
identiteitskaart of een als zodanig
geldend bescheid alsmede de formulieren
die voor de afgifte ervan dienen,
gebruikt, afstaat aan of aanneemt van
derden of de daarin opgelegde
verbodsbepalingen en beperkende
voorwaarden niet eerbiedigt;
2° hij die, binnen de gestelde
termijn, geen gevolg geeft aan een
beslissing tot intrekking van een
paspoort of een als dusdanig geldend
bescheid, uitgaande van de bevoegde
overheid. ]
(W. 14.8.1974 - art. 15 - B.S.
21.8.1974)
|
ART. 200
Met gevangenisstraf van een maand tot
twee jaar wordt gestraft hij die een
reisorder valselijk opmaakt, namaakt of
vervalst of van een valselijk
opgemaakte, nagemaakte of vervalste
reisorder gebruik maakt.
|
ART. 201
Hij die zich door een openbaar officier
een reisorder op een verdichte naam of
met aanwijzing van een valse
hoedanigheid doet afgeven, wordt
gestraft met gevangenisstraf van acht
dagen tot twee jaar.
|
ART. 202
De openbare officier die een reispas, [
een document bedoeld in de wapenwet ],
een arbeidsboekje, een reisorder afgeeft
aan iemand die hij niet kent, zonder
diens naam en hoedanig heid door twee
hem bekende burgers te doen bevestigen,
wordt gestraft met geldboete van
zesentwintig frank tot tweehonderd
frank.
(W. 8.6.2006 - art. 39 - B.S.
9.6.2006)
Indien de openbare officier, bij de
afgifte van die stukken, wist dat de
naam of de hoedanigheid verdicht was,
wordt hij gestraft met gevangenisstraf
van zes maanden tot drie jaar.
Hij wordt gestraft met
gevangenisstraf van een jaar tot vijf
jaar, indien hij zich daartoe heeft
laten bewegen door giften of beloften.
In de twee laatste gevallen kan hij
bovendien worden veroordeeld tot
ontzetting van rechten overeenkomstig
artikel 33.
|
ART. 203
Met gevangenisstraf van acht dagen tot
een jaar wordt gestraft hij die, om zich
zelf of een ander te bevrijden van een
wettelijk verschuldigde dienst of van
enige andere door de wet opgelegde
verplichting, een getuigschrift van
ziekte of gebrek valselijk opmaakt,
hetzij onder de naam van een geneesheer,
een heelkundige of een ander officier
van gezondheid, hetzij onder welke naam
ook, met valselijk toevoegen van een van
die hoedanigheden.
|
ART. 204
Ieder geneesheer, heelkundige of ander
officier van gezondheid die, om iemand
te bevoordelen, valselijk het bestaan
bevestigt van ziekten of gebreken
waarvoor vrijstelling kan worden
verleend van een wettelijk verschuldigde
dienst of van enige andere door de wet
opgelegde verplichting, wordt gestraft
met gevangenisstraf van acht dagen tot
twee jaar.
Indien hij zich daartoe heeft laten
bewegen door giften of beloften, wordt
hij gestraft met gevangenisstraf van een
jaar tot vijf jaar; hij kan bovendien
worden veroordeeld tot ontzetting van
rechten overeenkomstig artikel 33.
|
ART. 205
Hij die onder de naam van een openbaar
officier of ambtenaar valselijk een
getuigschrift opmaakt van goed gedrag,
behoeftigheid of andere omstandigheden
geschikt om de welwillendheid van het
openbaar gezag of van bijzondere
personen op te wekken voor de daarin
aangewezen persoon, of hem
indienststelling, krediet of hulpbetoon
te verschaffen, wordt gestraft met
gevangenisstraf van een maand tot een
jaar.
Indien het getuigschrift valselijk
opgemaakt wordt onder de naam van een
bijzondere persoon, wordt de schuldige
gestraft met gevangenisstraf van acht
dagen tot zes maanden.
|
ART. 206
Zij die onder de naam van een openbaar
officier of ambtenaar valselijk
getuigschriften van welke aard ook
opmaken die openbare of private belangen
kunnen schaden, worden gestraft met
gevangenisstraf van zes maanden tot vijf
jaar en zij kunnen bovendien worden
veroordeeld tot ontzetting van rechten
overeenkomstig artikel 33.
Indien het getuigschrift valselijk
opgemaakt wordt onder de naam van een
bijzondere persoon, wordt de schuldige
gestraft met gevangenisstraf van twee
maanden tot een jaar.
|
ART. 207
Hij die een getuigschrift vervalst en
hij die zich bedient van een vervalst
getuigschrift, van een vals
getuigschrift of van een getuigschrift
dat in de omstandigheden, omschreven in
de artikelen 203, 204, 205 en 206
valselijk is opgemaakt, worden gestraft
met de straffen bij die artikelen
gesteld en naar de onderscheidingen
aldaar gemaakt.
|
ART. 208
Ieder openbaar officier of ambtenaar die
in de uitoefening van zijn bediening een
vals getuigschrift afgeeft, een
getuigschrift vervalst of van een vals
of vervalst getuigschrift gebruik maakt,
wordt gestraft met [ opsluiting van vijf
jaar tot tien jaar ] .
(W. 23.1.2003 - art. 49 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 209
Zij die als getuige meewerken om door
een openbare overheid een vals
getuigschrift te doen afgeven, worden
gestraft met gevangenisstraf van acht
dagen tot twee jaar.
Indien zij zich door giften of
beloften hebben laten omkopen, worden
zij gestraft met gevangenisstraf van zes
maanden tot drie jaar en kunnen zij
worden veroordeeld tot ontzetting van
rechten overeenkomstig artikel 33.
|
ART. 210
[ Hij die bij de wet krachtens deze wet
gelast is betreffende het herbergen van
reizigers een register of kaarten te
houden en deze personen wetens op valse
namen inschrijft, of dit register of
deze kaarten op enige andere wijze
vervalst, wordt gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot drie
maanden. ]
(W. 17.12.1963 - art. 3 - B.S.
10.1.1964)
|
[ AFDELING IIbis. Valsheid in
informatica ] (W. 28.11.2000 - art. 4 -
B.S. 3.2.2001)
|
ART. 210bis
[§ 1. Hij die valsheid pleegt, door
gegevens die worden opgeslagen, verwerkt
of overgedragen door middel van een
informaticasysteem, in te voeren in een
informaticasysteem, te wijzigen, te
wissen of met enig ander technologisch
middel de mogelijke aanwending van
gegevens in een informaticasysteem te
veranderen, waardoor de juridische
draagwijdte van dergelijke gegevens
verandert, wordt gestraft met
gevangenisstraf van zes maanden tot vijf
jaar en met geldboete van zesentwintig
frank tot honderdduizend frank of met
een van die straffen alleen.
§ 2. Hij die, terwijl hij weet dat
aldus verkregen gegevens vals zijn,
hiervan gebruik maakt, wordt gestraft
alsof hij de dader van de valsheid was.
§ 3. Poging tot het plegen van het
misdrijf, bedoeld in § 1, wordt gestraft
met gevangenisstraf van zes maanden tot
drie jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot vijftigduizend
frank of met een van die straffen
alleen.
§ 4. De straffen bepaald in de §§ 1
tot 3 worden verdubbeld indien een
overtreding van een van die bepalingen
wordt begaan binnen vijf jaar na de
uitspraak houdende veroordeling wegens
een van die strafbare feiten of wegens
een van de strafbare feiten bedoeld in
de artikelen 259bis, 314bis, 504quater
of in titel IXbis. ]
|
AFDELING III Valsheid in telegrammen
|
ART. 211
Ambtenaren, bedienden en aangestelden
bij een telegraafdienst die in de
uitoefening van hun bediening valsheid
plegen door telegrammen valselijk op te
maken of te vervalsen, worden gestraft
met gevangenisstraf van een jaar tot
vijf jaar.
|
ART. 212
Hij die van het vals telegram gebruik
maakt, wordt gestraft alsof hij de dader
van de valsheid was.
|
BEPALINGEN AAN DE VIER VORIGE
HOOFDSTUKKEN GEMEEN
|
ART. 213
De toepassing van de straffen, gesteld
tegen hen die gebruik maken van de
munten, effecten, rente- of
dividendbewijzen, biljetten, zegels,
stempels, merken telegrammen en
geschriften welke nagemaakt, valselijk
opgemaakt of vervalst zijn, heeft
slechts plaats voor zover die personen
van de valse zaak gebruik maken met
bedrieglijk opzet of met het oogmerk om
te schaden.
|
ART. 214
In de gevallen, bij de vier vorige
hoofdstukken omschreven en waarvoor geen
geldboete in het bijzonder bepaald is,
wordt een geldboete van zesentwintig
frank tot tweeduizend frank
uitgesproken.
|
HOOFDSTUK V Vals getuigenis en
meineed
|
ART. 215
Vals getuigenis in criminele zaken,
hetzij ten nadele, hetzij ten voordele
van de beschuldigde, wordt gestraft met
[ opsluiting van vijf jaar tot tien jaar
] .
(W. 23.1.2003 - art. 49 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 216
[Indien de beschuldigde veroordeeld is
tot hechtenis van meer dan tien jaar of
tot tijdelijke opsluiting van meer dan
tien jaar, wordt de valse getuige die te
zijnen nadele getuigd heeft, gestraft
met opsluiting van tien jaar tot
vijftien jaar.
Hij wordt gestraft met opsluiting van
twintig jaar tot dertig jaar indien de
beschuldigde tot levenslange opsluiting
veroordeeld is. ]
(W. 23.1.2003 - art. 50 - B.S.
13.3.2003)
(W. 10.7.1996 - art. 17 - B.S.
1.8.1996)
|
ART. 217
De bij de twee vorige artikelen bepaalde
straffen worden met een graad verminderd
overeenkomstig artikel 80, wanneer
personen die in rechte opgeroepen worden
om er enkel inlichtingen te geven, zich
schuldig maken aan valse verklaringen
ten nadele of ten voordele van de
beschuldigde.
|
ART. 218
Hij die schuldig is aan vals getuigenis
in correctionele zaken, hetzij ten
nadele, hetzij ten voordele van de
beklaagde, wordt gestraft met
gevangenisstraf van zes maanden tot vijf
jaar.
|
ART. 219
Hij die schuldig is aan vals getuigenis
in politiezaken, hetzij ten nadele,
hetzij ten voordele van de beklaagde,
wordt gestraft met gevangenisstraf van
drie maanden tot een jaar.
|
ART. 220
Vals getuigenis in burgerlijke zaken
wordt gestraft met gevangenisstraf van
twee maanden tot drie jaar.
|
ART. 221
De tolk en de deskundige, schuldig aan
valse verklaringen, hetzij in criminele
zaken ten nadele of ten voordele van de
beschuldigde, hetzij in correctionele
zaken of in politiezaken ten nadele of
ten voordele van de beklaagde, hetzij in
burgerlijke zaken, worden als valse
getuige gestraft overeenkomstig de
artikelen 215, 216, 218, 219 en 220.
De deskundige in criminele zaken die
buiten ede mocht zijn gehoord, wordt
gestraft overeenkomstig artikel 217.
|
ART. 221bis
[Hij die, belast met het woordelijk
opnemen van een getuigenverhoor in
burgerlijke zaken, een vraag, een
verklaring, een aanmaning of een
antwoord wetens en willens weglaat, de
inhoud ervan wetens en willens wijzigt
door toevoeging, weglating of
verdraaiing van woorden of zinnen, de
nota's of toestellen, die gediend hebben
voor het opnemen van het gezegde, geheel
of ten dele verandert, wegmaakt of doet
verdwijnen, zulke nota's of toestellen
gebruikt, de inhoud ervan reproduceert
of ruchtbaar maakt voor doeleinden
buiten verband met het getuigenverhoor,
of het opgenomene wetens en willens
onjuist overschrijft, wordt gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot drie
jaar en met geldboete van zesentwintig
frank tot vijfhonderd frank of met een
van die straffen alleen.
Hij wordt gestraft met geldboete van
zesentwintig frank tot vijfhonderd frank
indien hij nalaat de nodige voorzorgen
te nemen, om te voorkomen hetzij dat
nota's of toestellen die gediend hebben
voor het opnemen van het gezegde,
verdwijnen of worden veranderd, hetzij
dat zulke nota's en toestellen worden
gebruikt, de inhoud ervan gereproduceerd
of ruchtbaar gemaakt wordt voor
doeleinden buiten verband met het
getuigenverhoor. ]
(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 132 -
B.S. 31.10.1967)
|
ART. 222
[ In de gevallen omschreven in de
artikelen 217, 218, 219, 220, 221 en
221bis, eerste lid, kan de schuldige
bovendien worden veroordeeld tot
ontzetting van de rechten overeenkomstig
artikel 33. ]
(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 133 -
B.S. 31.10.1967)
|
ART. 223
[Hij die schuldig is aan verleiding van
getuigen, deskundigen, tolken of
personen bedoeld in artikel 221bis, is
strafbaar met dezelfde straffen als de
valse getuigen, naar de onderscheidingen
in de artikelen 215 tot 222 gemaakt. ]
(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 134 -
B.S. 31.10.1967)
|
ART. 223
[Hij die, buiten het geval van artikel
221bis, de nota's of toestellen, die
gediend hebben voor het opnemen van
hetgeen tijdens een getuigenverhoor in
burgerlijke zaken is gezegd, geheel of
ten dele verandert, wegmaakt of doet
verdwijnen, of zulke nota's of
toestellen gebruikt, de inhoud ervan
reproduceert of ruchtbaar maakt voor
doeleinden buiten verband met het
getuigenverhoor, wordt gestraft met de
straffen in de artikelen 220 en 222
bepaald. ]
(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 135 -
B.S. 31.10.1967)
|
ART. 224
[ Hij die schuldig is aan vals
getuigenis, aan valse verklaringen of
aan een van de feiten in de artikelen
221bis en 223bis omschreven en die geld,
enige beloning of een belofte heeft
aangenomen, wordt bovendien veroordeeld
tot een geldboete van vijftig frank tot
drieduizend frank. ]
(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 136 -
B.S. 31.10.1967)
Dezelfde straf wordt toegepast op de
verleider, onverminderd de andere
straffen.
|
ART. 225
De vorige bepalingen betreffende de
valse verklaringen zijn niet
toepasselijk op kinderen beneden zestien
jaar, noch op personen die, uit hoofde
van bloed- of aanverwantschap met de
beschuldigden of de beklaagden, buiten
ede gehoord worden, wanneer die
verklaringen zijn afgelegd ten voordele
van de beschuldigden of de beklaagden.
|
ART. 226
Hij aan wie de eed in burgerlijke zaken
wordt opgedragen of teruggewezen en die
een valse eed aflegt, wordt gestraft met
gevangenisstraf van zes maanden tot drie
jaar en met geldboete van zesentwintig
frank tot tienduizend frank; hij kan
bovendien worden veroordeeld tot
ontzetting van rechten overeenkomstig
artikel 33.
[ Met dezelfde straffen wordt
gestraft hij die bij een verzegeling of
een boedelbeschrijving een valse eed
aflegt. ]
(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 137 -
B.S. 31.10.1967)
|
HOOFDSTUK VI Aanmatiging van ambten,
van titels of van een naam
|
ART. 227
Hij die zich inmengt in openbare ambten,
hetzij burgerlijke of militaire, wordt
gestraft met gevangenisstraf van een
maand tot twee jaar.
|
ART. 227bis
[[ § 1. Hij die in het openbaar de titel
of een graad aanneemt van officier van
het Belgisch leger of van de Weermacht
der Kolonie, die hem niet wettelijk is
verleend, wordt gestraft met geldboete
van tweehonderd frank tot duizend frank.
]
§ 2. Met geldboete van honderd frank
tot vijfhonderd frank worden gestraft de
reserveofficieren, gepensioneerde
officieren, officieren en
reserveofficieren titularissen van een
eregraad, die de titel van officier of
die van hun graad in het openbaar
voeren, zonder die, al naar het geval,
te doen voorafgaan door de vermelding, "reserve-",
"gepensioneerd", "ere-", "erereserve-".
]
(W. 7.5.1947 - enig art. - B.S.
19/20.5.1947)
(W. 1.2.1971 - enig art. - B.S.
3.3.1977)
|
ART. 227ter
[Hij die in het openbaar de titel van
advocaat aanneemt, zonder ingeschreven
te zijn op het tableau van de Orde of op
een lijst van stagiairs, of de titel van
ereadvocaat zonder in het bezit te zijn
van de in artikel 436 van het
Gerechtelijk Wetboek bedoelde
machtiging, wordt gestraft met geldboete
van tweehonderd frank tot duizend frank.
]
(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 138 -
B.S. 31.10.1967)
|
ART. 228
Hij die in het openbaar een kledij, een
uniform, een ereteken, een lint of
andere onderscheidingstekens van een
orde draagt, die hem niet toekomen,
wordt gestraft met geldboete van
tweehonderd frank tot duizend frank.
|
ART. 229
De Belg die in het openbaar het
ereteken, het lint of andere
onderscheidingstekens van een vreemde
orde draagt, alvorens daartoe van de
Koning verlof te hebben gekregen, wordt
gestraft met geldboete van vijftig frank
tot vijfhonderd frank.
|
ART. 230
Met geldboete van tweehonderd frank tot
duizend frank wordt gestraft hij die in
het openbaar een adellijke titel
aanneemt die hem niet toekomt.
|
ART. 231
Hij die in het openbaar een naam
aanneemt, die hem niet toekomt, wordt
gestraft met gevangenisstraf van acht
dagen tot drie maanden en met geldboete
van vijfentwintig frank tot driehonderd
frank, of met een van die straffen
alleen.
|
ART. 232
Ieder ambtenaar, ieder openbaar officier
die in
zijn akten aan de daarin vermelde
personen, in verstandhouding met hen,
namen of adellijke titels geeft die hun
niet toekomen, wordt gestraft met
geldboete van tweehonderd frank tot
duizend frank.
|
TITEL IV [ Misdaden en wanbedrijven
tegen de openbare orde, gepleegd door
personen die een openbaar ambt
uitoefenen of door bedienaren der
erediensten in de uitoefening van hun
bediening. ] (W. 10.02.1999 - art. 2 -
B.S. 23.03.1999)
|
EERSTE HOOFDSTUK Samenspanning van
ambtenaren
|
ART. 233
Wanneer personen of lichamen die met
enig gedeelte van het openbaar gezag
bekleed zij n, maatregelen die in strijd
zijn met de wetten of met koninklijke
besluiten, beramen, hetzij op een
bijeenkomst van die personen of die
lichamen, hetzij door het zenden van
afgevaardigden of van mededelingen aan
elkaar, worden de schuldigen gestraft
met gevangenisstraf van een maand tot
zes maanden.
|
ART. 234
Indien maatregelen tegen de uitvoering
van een wet of van een koninklijk
besluit beraamd worden door een van de
middelen, in het vorige artikel vermeld,
is de straf gevangenisstraf van zes
maanden tot vijf jaar.
De schuldigen kunnen bovendien worden
veroordeeld tot ontzetting van de
rechten genoemd in de eerste drie
nummers van artikel 31.
Indien de beraming plaatsheeft tussen
de burgerlijke overheden en militaire
korpsen of hun hoofden, worden degenen
die ze hebben uitgelokt, gestraft met
hechtenis van tien jaar of vijftien
jaar; de anderen, met hechtenis van vijf
jaar tot tien jaar.
|
ART. 235
Ingeval de burgerlijke overheden met de
militaire korpsen of met hun hoofden een
samenspanning smeden tegen de veiligheid
van de Staat, worden de uitlokkers
gestraft met [ hechtenis van vijftien
jaar tot twintig jaar ] ; de anderen,
met hechtenis van tien jaar tot vijftien
jaar.
(W. 23.1.2003 - art. 51 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 236
Met gevangenisstraf van een maand tot
twee jaar en met geldboete van honderd
frank tot vijfhonderd frank worden
gestraft de ambtenaren die ten gevolge
van een afspraak ontslag nemen met het
oogmerk om de rechtsbedeling of de
uitoefening van een wettelijke dienst te
verhinderen of te schorsen.
Zij kunnen bovendien worden
veroordeeld tot ontzetting van het recht
om openbare ambten, bedieningen of
betrekkingen te vervullen.
|
HOOFDSTUK II Aanmatiging van macht
door administratieve en rechterlijke
overheden
|
ART. 237
Met gevangenisstraf van een maand tot
twee jaar en met geldboete van vijftig
frank tot vijfhonderd frank worden
gestraft, en tot ontzetting, voor een
duur van vijf jaar tot tien jaar, van de
rechten genoemd in de eerste drie
nummers van artikel 31 kunnen worden
veroordeeld:
[ De leden en leden-assessoren van de
hoven en rechtbanken, officieren van de
gerechtelijke politie ], die hun macht
overschrijden door zich in te mengen in
zaken welke tot de bevoegdheid van de
administratieve overheid behoren, hetzij
door verordeningen betreffende die zaken
te maken, hetzij door de uitvoering te
verbieden van de bevelen die van het
bestuur uitgaan.
[ De leden en leden-assessoren van de
hoven en rechtbanken, officieren van de
gerechtelijke politie ], die zich in de
uitoefening van de wetgevende macht
inmengen, hetzij door verordeningen te
maken die wetgevende bepalingen
inhouden, hetzij door de uitvoering van
een of meer wetten te stuiten of te
schorsen, hetzij door te beraadslagen
over de vraag of die wetten zullen
worden uitgevoerd;
(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 139 -
B.S. 31.10.1967)
|
ART. 238
[ Rechters en assessoren in sociale
zaken of handelszaken ] die in een
geschil waarbij een administratieve
overheid betrokken is, vonnis wijzen
ondanks het door die overheid wettelijk
opgeworpen conflict en vóór de
beslissing van het Hof van Cassatie,
worden ieder met geldboete van
zesentwintig frank tot vijfhonderd frank
gestraft.
Ambtenaren van het openbaar
ministerie die met het oog op dat vonnis
vorderingen doen of conclusie nemen,
worden gestraft met dezelfde straf.
(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 139 -
B.S. 31.10.1067)
|
ART. 239
Provinciegouverneurs,
arrondissementscommissarissen,
burgemeesters en leden van
bestuurslichamen, die zich inmengen in
de uitoefening van de wetgevende macht,
zoals in artikel 237, tweede lid, is
omschreven, of die zich aanmatigen
besluiten te nemen, strekkende tot het
uitvaardigen van enig bevel of verbod
aan hoven of rechtbanken, worden
gestraft met gevangenisstraf van een
maand tot twee jaar en met geldboete van
vijftig frank tot vijfhonderd frank.
Zij kunnen bovendien worden
veroordeeld tot ontzetting, voor vijf
jaar tot tien jaar, van de rechten
genoemd in de eerste drie nummers van
artikel 31.
|
HOOFDSTUK III [ Verduistering,
knevelarij en belangenneming gepleegd
door personen die een openbaar ambt
uitoefenen. ] (W. 10.02.1999 - art. 3, §
1 - B.S. 23.03.1999)
|
ART. 240
[ Met opsluiting van vijf jaar tot tien
jaar en met geldboete van 500 frank tot
100 000 frank wordt gestraft iedere
persoon die een openbaar ambt uitoefent,
die openbare of private gelden,
geldswaardige papieren, stukken,
effecten, akten, roerende zaken
verduistert, welke hij uit kracht of uit
hoofde van zijn ambt onder zich heeft. ]
(W. 10.02.1999 - art. 3, § 2 - B.S.
23.03.1999)
|
ART. 241
[ Met opsluiting van vijf jaar tot tien
jaar en met geldboete van 500 frank tot
100 000 frank wordt gestraft iedere
persoon die een openbaar ambt uitoefent,
die akten of titels waarvan hij in die
hoedanigheid de bewaarder is, die hem
zijn bezorgd of waartoe hij uit hoofde
van zijn ambt toegang heeft gehad,
kwaadwillig of bedrieglijk vernietigt of
wegmaakt. ]
(W. 10.02.1999 - art. 3, § 2 - B.S.
23.03.1999)
|
ART. 242
[ Wanneer stukken of gerechtelijke
procesakten, ofwel andere papieren,
registers, geïnformatiseerde of
magnetische dragers, akten of voorwerpen
die in archieven, griffies of openbare
bewaarplaatsen berusten, of die aan een
openbaar bewaarder in die hoedanigheid
zijn toevertrouwd, worden ontvreemd of
vernietigd, wordt de nalatige bewaarder
gestraft met gevangenisstraf van een
maand tot zes maanden en met geldboete
van 100 frank tot 10 000 frank of met
één van die straffen. ]
(W. 10.02.1999 - art. 3, § 2 - B.S.
23.03.1999)
|
ART. 243
[ Iedere persoon die een openbaar ambt
uitoefent, die zich schuldig maakt aan
knevelarij, door bevel te geven om
rechten, taksen, belastingen, gelden,
inkomsten of interesten, lonen of wedden
te innen, of door die te vorderen of te
ontvangen, wetende dat zij niet
verschuldigd zijn of het verschuldigde
te boven gaan, wordt gestraft met
gevangenisstraf van zes maanden tot vijf
jaar en met geldboete van 100 frank tot
50 000 frank of met één van die
straffen, en hij kan bovendien,
overeenkomstig artikel 33, worden
veroordeeld tot ontzetting van het recht
om openbare ambten, bedieningen of
betrekkingen te vervullen.
De straf is opsluiting van vijf jaar
tot tien jaar en een geldboete van 500
frank tot 100 000 frank, indien de
knevelarij met behulp van geweld of van
bedreiging is gepleegd. ]
(W. 10.02.1999 - art. 3, § 2 - B.S.
23.03.1999)
|
ART. 244
[...]
(Opgeheven W. 10.02.1999 - art. 3, §
3 - B.S. 23.03.1999)
|
ART. 245
[ Iedere persoon die een openbaar ambt
uitoefent, die, hetzij rechtstreeks,
hetzij door tussenpersonen of door
schijnhandelingen, enig belang, welk het
ook zij, neemt of aanvaardt in de
verrichtingen, aanbestedingen,
aannemingen of werken in regie waarover
hij ten tijde van de handeling geheel of
ten dele het beheer of het toezicht had,
of die, belast met de ordonnancering van
de betaling of de vereffening van een
zaak, daarin enig belang neemt, wordt
gestraft met gevangenisstraf van een
jaar tot vijf jaar, en met geldboete van
100 frank tot 50 000 frank of met één
van die straffen en hij kan bovendien,
overeenkomstig artikel 33, worden
veroordeeld tot ontzetting van het recht
om openbare ambten, bedieningen of
betrekkingen te vervullen.
De voorafgaande bepaling is niet
toepasselijk op hem die in de gegeven
omstandigheden zijn private belangen
door zijn betrekking niet kon bevorderen
en openlijk heeft gehandeld. ]
(W. 10.02.1999 - art. 3, § 5 - B.S.
23.03.1999)
|
[ HOOFDSTUK IV Omkoping van personen
die een openbaar ambt uitoefenen ] (W.
10.02.1999 - art. 4, § 1 - B.S.
23.03.1999)
|
ART. 246
[ § 1. Passieve omkoping bestaat in het
feit dat een persoon die een openbaar
ambt uitoefent, rechtstreeks of door
tussenpersonen, voor zichzelf of voor
een derde, een aanbod, een belofte of
een voordeel van welke aard dan ook
vraagt of aanneemt om een van de in
artikel 247 bedoelde gedragingen aan te
nemen.
§ 2. Actieve omkoping bestaat in het
rechtstreeks of door tussenpersonen
voorstellen aan een persoon die een
openbaar ambt uitoefent, van een aanbod,
een belofte of een voordeel van welke
aard dan ook voor zichzelf of voor een
derde om een van de in artikel 247
bedoelde gedragingen aan te nemen.
§ 3. Met een persoon die een openbaar
ambt uitoefent in de zin van dit artikel
wordt gelijkgesteld elke persoon die
zich kandidaat heeft gesteld voor een
dergelijk ambt, die doet geloven een
dergelijk ambt te zullen uitoefenen of
die, door gebruik te maken van valse
hoedanigheden, doet geloven een
dergelijk ambt uit te oefenen. ]
(W. 10.2.1999 - art. 4, § 2 - B.S.
23.3.1999)
|
ART. 247
[ § 1. Indien de omkoping het verrichten
door de persoon die een openbaar ambt
uitoefent, van een rechtmatige maar niet
aan betaling onderworpen handeling van
zijn ambt tot doel heeft, is de straf
een gevangenisstraf van zes maanden tot
een jaar en een geldboete van 100 frank
tot 10 000 frank of één van die
straffen.
Indien, in het geval bepaald in het
vorige lid, de vraag bedoeld in artikel
246, § 1, gevolgd wordt door een
voorstel bedoeld in artikel 246, § 2,
evenals ingeval het voorstel bedoeld in
artikel 246, § 2, aangenomen wordt, is
de straf een gevangenisstraf van zes
maanden tot twee jaar en een geldboete
van 100 frank tot 25 000 frank of één
van die straffen.
§ 2. Indien de omkoping het
verrichten door de persoon die een
openbaar ambt uitoefent, van een
onrechtmatige handeling naar aanleiding
van de uitoefening van zijn ambt of het
nalaten van een handeling die tot zijn
ambtsplichten behoort tot doel heeft, is
de straf een gevangenisstraf van zes
maanden tot twee jaar en een geldboete
van 100 frank tot 25 000 frank.
Indien, in het geval bepaald in het
vorige lid, de vraag bedoeld in artikel
246, § 1, gevolgd wordt door een
voorstel bedoeld in artikel 246, § 2,
evenals ingeval dat voorstel bedoeld in
artikel 246, § 2, aangenomen wordt, is
de straf een gevangenisstraf van zes
maanden tot drie jaar en een geldboete
van 100 frank tot 50 000 frank.
Ingeval de omgekochte persoon de
onrechtmatige handeling heeft verricht
of nagelaten heeft een handeling te
verrichten die tot zijn ambtsplichten
behoort, wordt deze gestraft met
gevangenisstraf van zes maanden tot vijf
jaar en met geldboete van 100 frank tot
75 000 frank.
§ 3. Indien de omkoping het plegen
door de persoon die een openbaar ambt
uitoefent, van een misdaad of een
wanbedrijf naar aanleiding van de
uitoefening van zijn ambt tot doel
heeft, is de straf een gevangenisstraf
van zes maanden tot drie jaar en een
geldboete van 100 frank tot 50 000
frank.
Indien, in het geval bepaald in het
vorige lid, de vraag bedoeld in artikel
246, § 1, gevolgd wordt door een
voorstel bedoeld in artikel 246, § 2,
evenals ingeval het voorstel bedoeld in
artikel 246, § 2, aangenomen wordt, is
de straf een gevangenisstraf van twee
jaar tot vijf jaar en een geldboete van
500 frank tot 100 000 frank.
§ 4. Indien de omkoping het gebruik
tot doel heeft door de persoon die een
openbaar ambt uitoefent, van de echte of
vermeende invloed waarover hij uit
hoofde van zijn ambt beschikt om een
handeling van een openbare overheid of
een openbaar bestuur of het nalaten van
die handeling te verkrijgen, is de straf
een gevangenisstraf van zes maanden tot
een jaar en een geldboete van 100 frank
tot 10 000 frank.
Indien, in het geval bepaald in het
vorige lid, de vraag bedoeld in artikel
246, § 1, gevolgd wordt door een
voorstel bedoeld in artikel 246, § 2,
evenals ingeval het voorstel bedoeld in
artikel 246, § 2, aangenomen wordt, is
de straf een gevangenisstraf van zes
maanden tot twee jaar en een geldboete
van 100 frank tot 25 000 frank.
Indien de omgekochte persoon de
invloed waarover hij uit hoofde van zijn
ambt beschikte, effectief heeft
aangewend, wordt deze gestraft met
gevangenisstraf van zes maanden tot drie
jaar en met geldboete van 100 frank tot
50 000 frank. ]
(W. 10.02.1999 - art. 4, § 2 - B.S.
23.03.1999)
|
ART. 248
[ Wanneer de feiten bedoeld in de
artikelen 246 en 247, §§ 1 tot 3, een
politieambtenaar, een persoon met de
hoedanigheid van officier van
gerechtelijke politie of een lid van het
openbaar ministerie betreffen, worden de
omkoper en de omgekochte gestraft met
een straf waarvan het maximum wordt
gebracht op het dubbele van de straf die
in artikel 247 voor de feiten is
bepaald. ]
(W. 10.02.1999 - art. 4, § 2 - B.S.
23.03.1999)
|
ART. 249
[ § 1. Indien de in artikel 246 bepaalde
omkoping een arbiter betreft en
betrekking heeft op een handeling die
behoort tot zijn rechtsprekend ambt, is
de straf een gevangenisstraf van één
jaar tot drie jaar en een geldboete van
100 frank tot 50 000 frank.
Indien, in het geval bepaald in het
vorige lid, de vraag bedoeld in artikel
246, § 1, gevolgd wordt door een
voorstel bedoeld in artikel 246, § 2,
evenals ingeval het voorstel bedoeld in
artikel 246, § 2, aangenomen wordt, is
de straf een gevangenisstraf van twee
jaar tot vijf jaar en een geldboete van
500 frank tot 100 000 frank.
§ 2. Indien de in artikel 246
bepaalde omkoping een rechter-assessor
of een gezworene betreft en betrekking
heeft op een handeling die behoort tot
zijn rechtsprekend ambt, is de straf een
gevangenisstraf van twee jaar tot vijf
jaar en een geldboete van 500 frank tot
100 000 frank.
Indien, in het geval bepaald in het
vorige lid, de vraag bedoeld in artikel
246, § 1, gevolgd wordt door een
voorstel bedoeld in artikel 246, § 2,
evenals ingeval het voorstel bedoeld in
artikel 246, § 2, aangenomen wordt, is
de straf opsluiting van vijf jaar tot
tien jaar en een geldboete van 500 frank
tot 100 000 frank.
§ 3. Indien de in artikel 246
bepaalde omkoping een rechter betreft en
betrekking heeft op een handeling die
behoort tot zijn rechtsprekend ambt, is
de straf opsluiting van vijf jaar tot
tien jaar en een geldboete van 500 frank
tot 100 000 frank.
Indien, in het geval bepaald in het
vorige lid, de vraag bedoeld in artikel
246, § 1, gevolgd wordt door een
voorstel bedoeld in artikel 246, § 2,
evenals ingeval het voorstel bedoeld in
artikel 246, § 2, aangenomen wordt, is
de straf opsluiting van tien jaar tot
vijftien jaar en een geldboete van 500
frank tot 100 000 frank. ]
(W. 10.02.1999 - art. 4, § 2 - B.S.
23.03.1999)
|
ART. 250
[ Indien de in de artikelen 246 tot 249
bepaalde omkoping een persoon betreft
die een openbaar ambt uitoefent in een
vreemde Staat of in een internationale
publiekrechtelijke organisatie, zijn de
straffen die welke in die bepalingen
zijn gesteld. ]
(W. 11.5.2007 - art. 5 - B.S.
8.6.2007)
|
ART. 251
[ ... ]
(Opgeheven W. 11.5.2007 - art. 6 -
B.S. 8.6.2007)
|
ART. 252
[ Zij die op grond van de bepalingen van
dit hoofdstuk worden gestraft, kunnen
ook worden veroordeeld tot ontzetting
van rechten, overeenkomstig artikel 33
en onverminderd de artikelen 31 en 32. ]
(W. 10.02.1999 - art. 4, § 2 - B.S.
23.03.1999)
|
ART. 253
[...]
(Opgeheven W. 10.02.1999 - art. 4, §
3 - B.S. 23.03.1999)
|
HOOFDSTUK V Misbruik van gezag
|
ART. 254
Met gevangenisstraf van een jaar tot
vijf jaar wordt gestraft ieder openbaar
ambtenaar, ieder agent of aangestelde
van de Regering, van welke staat of rang
ook, die het optreden of het aanwenden
van de openbare macht vordert of
beveelt, doet vorderen of bevelen tegen
de uitvoering van een wet of van een
koninklijk besluit, tegen de inning van
een wettelijk ingevoerde belasting, of
tegen de uitvoering hetzij van een
rechterlijke beschikking of van een
rechterlijk bevel, hetzij van enig ander
bevel uitgaande van de overheid.
De schuldige kan bovendien worden
veroordeeld tot ontzetting van de
rechten genoemd in de eerste drie
nummers van artikel 31.
|
ART. 255
Indien aan die vordering of dat bevel
gevolg is gegeven, wordt de schuldige
gestraft met hechtenis van vijf jaar tot
tien jaar.
|
ART. 256
Indien de bevelen of vorderingen de
rechtstreekse oorzaak zijn van andere
misdaden, strafbaar met zwaardere
straffen dan in de artikelen 254 en 255
bepaald, worden die zwaardere straffen
toegepast op de ambtenaren, agenten of
aangestelden die zich schuldig hebben
gemaakt aan het geven van bedoelde
bevelen of aan het doen van bedoelde
vorderingen.
[ In dat geval echter wordt de
levenslange opsluiting vervangen door
opsluiting van twintig jaar tot dertig
jaar. ]
(W. 23.1.2003 - art. 52 - B.S.
13.3.2003)
(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S.
1.8.1996)
|
ART. 257
Wanneer een openbaar officier of
ambtenaar, een bestuurder, agent of
aangestelde van de Regering of van de
politie, een uitvoerder van rechterlijke
bevelen of van vonnissen, een
hoofdbevelhebber of ondergeschikt
bevelhebber van de openbare macht, in de
uitoefening of ter gelegenheid van de
uitoefening van zijn bediening, zonder
wettige reden tegen personen geweld
gebruikt of doet gebruiken, wordt het
minimum van de op die feiten gestelde
straf verhoogd overeenkomstig artikel
266.
|
ART. 258
Ieder rechter, ieder bestuurder of lid
van een bestuurslichaam die onder enig
voorwendsel, zelfs van het stilzwijgen
of de duisterheid van de wet, weigert
het aan partijen verschuldigde recht te
spreken, wordt gestraft met geldboete
van tweehonderd frank tot vijfhonderd
frank en kan worden veroordeeld tot
ontzetting van het recht om openbare
ambten, bedieningen of betrekkingen te
vervullen.
|
ART. 259
Ieder bevelhebber, ieder officier of
onderofficier van de openbare macht die,
na door de burgerlijke overheid
wettelijk te zijn gevorderd, weigert de
onder zijn bevel geplaatste macht te
doen optreden, wordt gestraft met
gevangenisstraf van vijftien dagen tot
drie maanden.
|
[ HOOFDSTUK Vbis Afluisteren,
kennisnemen en opnemen van
privé-communicatie en -telecommunicatie
] (W. 30.6.1994 - art. 1 - B.S.
24.1.1995)
|
ART. 259bis
[§ 1. Met gevangenisstraf van zes
maanden tot twee jaar en met geldboete
van vijfhonderd frank tot twintigduizend
frank of met een van die straffen alleen
wordt gestraft ieder openbaar officier
of ambtenaar, drager of agent van de
openbare macht die, naar aanleiding van
de uitoefening van zijn bediening,
buiten de gevallen die de wet bepaalt of
zonder inachtneming van de vormen die
zij voorschrijft:
1° ofwel, opzettelijk, met behulp van
enig toestel privé-communicatie of
-telecommunicatie, waaraan hij niet
deelneemt, tijdens de overbrenging
ervan, afluistert of doet afluisteren,
er kennis van neemt of doet van nemen,
opneemt of doet opnemen, zonder de
toestemming van alle deelnemers aan die
communicatie of telecommunicatie;
2° ofwel, met het opzet een van de
hierboven omschreven misdrijven te
plegen, enig toestel opstelt of doet
opstellen;
3° ofwel, wetens, de inhoud van
privé-communicatie of -telecommunicatie
die onwettig afgeluisterd of opgenomen
is of waarvan onwettig kennis genomen
is, onder zich houdt, aan een andere
persoon onthult of verspreidt, of wetens
enig gebruik maakt van een op die manier
verkregen inlichting.
§ 2. Met gevangenisstraf van zes
maanden tot drie jaar en met geldboete
van vijfhonderd frank tot dertigduizend
frank of met een van die straffen alleen
wordt gestraft ieder openbaar officier
of ambtenaar, drager of agent van de
openbare macht die, naar aanleiding van
de uitoefening van zijn bediening,
buiten de gevallen die de wet bepaalt of
zonder inachtneming van de vormen die
zij voorschrijft, met bedrieglijk opzet
of met het oogmerk te schaden, gebruik
maakt van een wettig gemaakte opname van
privé-communicatie of -telecommunicatie.
[ § 2bis. Met gevangenisstraf van zes
maanden tot twee jaar en met geldboete
van vijfhonderd euro tot twintigduizend
euro of met één van die straffen alleen
wordt gestraft ieder openbaar officier
of ambtenaar, drager of agent van de
openbare macht die, naar aanleiding van
de uitoefening van zijn bediening,
buiten de gevallen die de wet bepaalt of
zonder inachtneming van de vormen die
zij voorschrijft, onrechtmatig, een
instrument, met inbegrip van
informaticagegevens, dat hoofdzakelijk
is ontworpen of aangepast om het in § 1
bedoelde misdrijf mogelijk te maken,
bezit, produceert, verkoopt, verkrijgt
met het oog op het gebruik ervan,
invoert, verspreidt of op enige andere
manier ter beschikking stelt. ]
(W. 15.5.2006 art. 2, 1° - B.S.
12.9.2006)
§ 3. Poging tot het plegen van een
der misdrijven bedoeld [ in §§ 1, 2 of
2bis ] wordt gestraft zoals het misdrijf
zelf.
(W. 15.5.2006 art. 2, 2° - B.S.
12.9.2006)
§ 4. De straffen gesteld [ in de §§ 1
tot 3 ] worden verdubbeld indien een
overtreding van een van die bepalingen
wordt begaan binnen vijf jaar na de
uitspraak van een vonnis of een arrest
houdende veroordeling wegens een van die
strafbare feiten of wegens een van de
strafbare feiten beoogd [ in artikel
314bis, §§ 1 tot 3 ], dat in kracht van
gewijsde is gegaan. ]
(W. 30.6.1994 - art. 1 - B.S.
24.1.1995)
(W. 15.5.2006 art. 2, 3° - B.S.
12.9.2006)
[ § 5. De bepalingen van § 1, 1° en
2°, zijn niet van toepassing op het
onderscheppen, het afluisteren, het
kennisnemen of het opnemen door de
Algemene Dienst inlichting en Veiligheid
van de Krijgsmacht van elke vorm van
communicatie uitgezonden in het
buitenland zowel om redenen van
militaire aard in het kader van de
opdrachten gedefinieerd in artikel 11, §
2, 1° en 2°van de wet van 30 november
1998 houdende regeling van de
inlichtingen- en veiligheidsdienst als
om redenen van veiligheid en bescherming
van onze troepen en van deze van onze
geallieerden tijdens opdrachten in het
buitenland en van onze onderdanen die in
het buitenland gevestigd zijn, zoals
gedefinieerd in hetzelfde artikel 11, §
2, 3° et 4°. ]
(W. 3.4.2003 - art. 2 - B.S.
12.5.2003)
(W. 30.11.1998 - art. 44 - B.S.
18.12.1998)
|
BEPALING AAN DE VORIGE HOOFDSTUKKEN
GEMEEN
|
ART. 260
Wanneer een openbaar officier of
ambtenaar, een drager of agent van de
openbare macht enige handeling strijdig
met een wet of met een koninklijk
besluit heeft bevolen of verricht,
blijft hij vrij van straf indien hij
bewijst dat hij heeft gehandeld op bevel
van zijn meerderen, in zaken die tot hun
bevoegdheid behoren en waarin hij hun
als ondergeschikte gehoorzaamheid
verschuldigd was, in welk geval de straf
alleen wordt toegepast op de meerderen
die het bevel hebben gegeven.
|
HOOFDSTUK VI Onwettig vervroegde of
verlengde uitoefening van het openbaar
gezag
|
ART. 261
Ieder openbaar ambtenaar die met de
uitoefening van zijn bediening begint
zonder de door de wet voorgeschreven eed
te hebben afgelegd, wordt veroordeeld
tot geldboete van zesentwintig frank tot
vijfhonderd frank.
|
ART. 262
Ieder openbaar ambtenaar die wettig
ontslagen, afgezet, geschorst of van
rechten ontzet is en die, nadat hij
daarvan officieel kennis heeft gekregen,
zijn bediening blijft uitoefenen, wordt
gestraft met gevangenisstraf van acht
dagen tot een jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot vijfhonderd
frank.
Met dezelfde straffen wordt gestraft
ieder bij verkiezing of tijdelijk
aangesteld openbaar ambtenaar die zijn
bediening blijft uitoefenen nadat zij
wettelijk een einde heeft genomen.
|
HOOFDSTUK VII Enige wanbedrijven
betreffende het houden van de akten van
de burgerlijke stand
|
ART. 263
[ Met geldboete van zesentwintig frank
tot driehonderd frank wordt gestraft de
ambtenaar van de burgerlijke stand die
een van de bepalingen van de artikelen
34 tot 44, 49, 50 en 334 van het
Burgerlijk Wetboek overtreedt. ]
(W. 31.3.1987 - art. 88 - B.S.
27.5.1987)
|
ART. 264
[ Met geldboete van honderd frank tot
vijfhonderd frank worden gestraft de
ambtenaar van de burgerlijke stand of de
speciaal door hem gemachtigde beambte
die een van de bepalingen van artikel
45, § 1, van het Burgerlijk Wetboek
overtreden. ]
(W. 31.3.1987 - art. 89 - B.S.
27.5.1987)
|
ART. 265
[ Met geldboete van zesentwintig frank
tot vijfhonderd frank wordt gestraft de
ambtenaar van de burgerlijke stand, die
een huwelijk voltrekt zonder zich van
het bestaan van de vereiste
toestemmingen te vergewissen. ]
(W. 31.3.1987 - art. 90 - B.S.
27.5.1987)
|
ART. 266
Bijzondere bepaling
Buiten het geval dat de wet de
straffen wegens misdaden of wanbedrijven
door openbare officieren of ambtenaren
gepleegd in het bijzonder regelt, worden
degenen onder hen die zich schuldig
maken aan andere misdaden of aan andere
wanbedrijven welke zij gelast waren te
voorkomen, vast te stellen, te vervolgen
of te straffen, veroordeeld tot de op
deze misdaden of op deze wanbedrijven
gestelde straffen, waarvan het minimum
wordt verdubbeld indien het
gevangenisstraf betreft, en met twee
jaar verhoogd indien het [ opsluiting of
hechtenis van vijftien jaar tot twintig
jaar of gedurende een kortere tijd ]
betreft.
(W. 23.1.2003 - art. 53 - B.S.
13.3.2003)
|
HOOFDSTUK VIII Misdrijven door de
bedienaren der erediensten in de
uitoefening van hun bediening gepleegd
|
ART. 267
[ Ieder bedienaar van een eredienst die
een huwelijk inzegent vóór de
voltrekking van het burgerlijk huwelijk,
wordt gestraft met geldboete van vijftig
frank tot vijfhonderd frank.
Deze bepaling is niet van toepassing
wanneer een van de personen die de
huwelijksinzegening ontvangen hebben, in
levensgevaar verkeerde, en elk uitstel
die plechtigheid onmogelijk had kunnen
maken. ]
(W. 3.8.1909 - enig art. - B.S.
12.8.1909)
Pleegt de bedienaar opnieuw een
misdrijf van dezelfde soort, dan kan hij
bovendien worden veroordeeld tot
gevangenisstraf van acht dagen tot drie
maanden.
|
ART. 268
Met gevangenisstraf van acht dagen tot
drie maanden en met geldboete van
zesentwintig frank tot vijfhonderd frank
worden gestraft de bedienaren van een
eredienst die in de uitoefening van hun
bediening door woorden, in openbare
vergadering gesproken, de Regering, een
wet, een koninklijk besluit of enige
andere handeling van het openbaar gezag
rechtstreeks aanvallen.
|
TITEL V Misdaden en wanbedrijven
tegen de openbare orde door bijzondere
personen gepleegd
|
EERSTE HOOFDSTUK Weerspannigheid
|
ART. 269
Weerspannigheid wordt genoemd elke
aanval, elk verzet met geweld of
bedreiging tegen ministeriële
ambtenaren, veld- of boswachters,
dragers of agenten van de openbare
macht, personen aangesteld om taksen en
belastingen te innen, brengers van
dwangbevelen, aangestelden van de
douane, gerechtelijke bewaarders,
officieren of agenten van de
administratieve of de gerechtelijke
politie, wanneer zij handelen ter
uitvoering van de wetten, van de bevelen
of de beschikkingen van het openbaar
gezag, van rechterlijke bevelen of van
vonnissen.
|
ART. 270
[ ... ]
(W. 13.10.1930 - art. 31 - B.S.
18.10.1930)
|
ART. 271
Weerspannigheid, gepleegd door een enkel
persoon voorzien van wapens, wordt
gestraft met gevangenisstraf van drie
maanden tot twee jaar; zonder wapens
gepleegd, wordt zij gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot zes
maanden.
|
ART. 272
Wordt de weerspannigheid gepleegd door
verscheidene personen en ten gevolge van
een voorafgaande afspraak, dan worden de
weerspannigen die wapens dragen,
veroordeeld tot [ opsluiting van vijf
jaar tot tien jaar ] en de andere tot
gevangenisstraf van een jaar tot vijf
jaar.
(W. 23.1.2003 - art. 54 - B.S.
13.3.2003)
Is de weerspannigheid niet het gevolg
van een voorafgaande afspraak, dan
worden de gewapende schuldigen gestraft
met gevangenisstraf van een jaar tot
vijf jaar, en de andere met
gevangenisstraf van drie maanden tot
twee jaar
|
ART. 273
In geval van weerspannigheid in bende of
samenscholing gepleegd, is artikel 134
van dit wetboek toepasselijk op de
weerspannigen zonder functie of
bediening in de bende, die zich
verwijderen op de eerste waarschuwing
van het openbaar gezag, of zelfs
naderhand, indien zij, zonder nieuw
verzet en zonder wapens, worden gevat
buiten de plaats waar de weerspannigheid
is gepleegd.
|
ART. 274
In alle gevallen waarin gevangenisstraf
wegens weerspannigheid wordt
uitgesproken, kunnen de schuldigen
bovendien worden veroordeeld tot
geldboete van zesentwintig frank tot
tweehonderd frank.
De hoofden van de weerspannigheid en
zij die deze uitgelokt hebben, kunnen
bovendien worden veroordeeld [ ... ] tot
ontzetting van rechten overeenkomstig
artikel 33.
(W. 9.4.1930 - art. 32 - B.S.
11.5.1930)
|
HOOFDSTUK II Smaad en geweld tegen
ministers, leden van de wetgevende
kamers, dragers van het openbaar gezag
of van de openbare macht
|
ART. 275
[ Met gevangenisstraf van vijftien dagen
tot zes maanden en met geldboete van
vijftig frank tot driehonderd frank
wordt gestraft hij die een lid van de
Wetgevende Kamers in de uitoefening of
ter gelegenheid van de uitoefening van
zijn mandaat, een minister of een [
magistraat van de administratieve orde
of een lid van de rechterlijke orde ] of
een officier van de openbare macht in
actieve dienst, in de uitoefening of ter
gelegenheid van de uitoefening van hun
bediening, smaadt door daden, woorden,
gebaren of bedreigingen. ]
(W. 27.7.1934 - art. 1 - B.S.
28.7.1934)
(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 139 § 5
- B.S. 31.10.1967)
Indien de smaad gepleegd wordt in de
vergadering van een der Kamers of op de
terechtzitting van een hof of een
rechtbank, is de gevangenisstraf twee
maanden tot twee jaar en de geldboete
tweehonderd frank tot duizend frank.
Smaad tegen een lid van de Kamers
gepleegd kan, behalve bij ontdekking op
heterdaad, niet worden vervolgd dan op
klacht van de gesmade persoon of op
aangifte van de Kamer waarvan hij deel
uitmaakt.
|
ART. 276
Smaad door woorden, daden, gebaren of
bedreigingen gepleegd tegen een
ministerieel ambtenaar, een agent die
drager is van het openbaar gezag of van
de openbare macht of tegen enig ander
persoon met een openbare hoedanigheid
bekleed, in de uitoefening of ter
gelegenheid van de uitoefening van hun
bediening, wordt gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot een
maand en met geldboete van zesentwintig
frank tot tweehonderd frank.
|
ART. 277
Smaad tegen gestelde lichamen gepleegd
wordt op dezelfde wijze gestraft als
smaad tegen de leden van die lichamen,
naar de onderscheidingen in de twee
vorige artikelen gemaakt.
|
ART. 278
[ Met gevangenisstraf van twee maanden
tot twee jaar en met geldboete van
vijftig frank tot vijfhonderd frank
wordt gestraft hij die slagen toebrengt
aan een lid van de Wetgevende Kamers in
de uitoefening of ter gelegenheid van de
uitoefening van zijn mandaat, aan een
minister, een magistraat of een officier
van de openbare macht in actieve dienst,
in de uitoefening of ter gelegenheid van
de uitoefening van hun bediening. ]
(W. 27.7.1934 - art. 2 - B.S.
28.7.1934)
Indien de slagen worden toegebracht
in de vergadering van een der Kamers of
op de terechtzitting van een hof of een
rechtbank, wordt de schuldige gestraft
met gevangenisstraf van drie maanden tot
drie jaar en met geldboete van
tweehonderd frank tot duizend frank.
|
ART. 279
Indien de toegebrachte slagen
bloedstorting, verwonding of ziekte
veroorzaken, wordt de schuldige
veroordeeld tot gevangenisstraf van zes
maanden tot vijf jaar en tot geldboete
van tweehonderd frank tot
vijftienhonderd frank.
|
ART. 279bis
[ Wanneer de slagen worden toegebracht
zonder het oogmerk om te doden, en toch
de dood veroorzaken, wordt de schuldige
gestraft met opsluiting van zeven jaar
tot tien jaar.
Hij wordt gestraft met opsluiting van
twaalf jaar tot vijftien jaar indien hij
die gewelddaden met voorbedachten rade
pleegt. ]
(Ingevoegd W. 20.12.2006 - art. 1 -
B.S. 12.2.2007)
|
ART. 280
Hij die slagen toebrengt aan een
ministerieel ambtenaar, een agent die
drager is van het openbaar gezag of van
de openbare macht of aan enig ander
persoon met een openbare hoedanigheid
bekleed, in de uitoefening of ter
gelegenheid van de uitoefening van hun
bediening, wordt gestraft met
gevangenisstraf van een maand tot een
jaar en met geldboete van vijftig frank
tot driehonderd frank.
|
ART. 281
Indien de slagen bloedstorting,
verwonding of ziekte veroorzaken, is de
straf gevangenisstraf van drie maanden
tot twee jaar en geldboete van honderd
frank tot vijfhonderd frank.
[ De schuldige wordt gestraft met
gevangenisstraf van zes maanden tot drie
jaar en met geldboete van honderd euro
tot vijfhonderd euro indien hij met
voorbedachten rade heeft gehandeld. ]
(W. 20.12.2006 - art. 3 - B.S.
12.2.2007)
|
ART. 281bis
[ Indien de slagen, hetzij een
ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een
blijvende ongeschiktheid tot het
verrichten van persoonlijke arbeid,
hetzij het volledig verlies van het
gebruik van een orgaan, hetzij een zware
verminking ten gevolge hebben, is de
straf gevangenisstraf van vier jaar tot
vijf jaar en een geldboete van
tweehonderd euro tot vijfhonderd euro.
De straf is opsluiting van zeven jaar
tot tien jaar in geval de schuldige
heeft gehandeld met voorbedachten rade.
]
(Ingevoegd W. 20.12.2006 - art. 4 -
B.S. 12.2.2007)
|
ART. 281ter
[ Wanneer de slagen worden toegebracht
zonder het oogmerk om te doden, en toch
de dood veroorzaken, wordt de schuldige
gestraft met opsluiting van zeven jaar
tot tien jaar.
Hij wordt gestraft met opsluiting van
twaalf jaar tot vijftien jaar indien hij
die gewelddaden met voorbedachten rade
pleegt. ]
(Ingevoegd W. 20.12.2006 - art. 5 -
B.S. 12.2.2007)
|
ART. 282
De in de artikelen 275, 278 en 279
bepaalde straffen zijn toepasselijk in
het geval dat gezworenen uit hoofde van
hun bediening of getuigen uit hoofde van
hun verklaringen worden gesmaad of
geslagen.
|
HOOFDSTUK III Zegelverbreking
|
ART. 283
Wanneer zegels, op bevel van het
openbaar gezag gelegd, zijn verbroken,
worden de bewaarders, wegens enkele
nalatigheid, gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot zes
maanden.
|
ART. 284
Hij die opzettelijk zegels verbreekt,
wordt gestraft met gevangenisstraf van
zes maanden tot twee jaar, en indien het
de bewaarder zelf is of de openbare
ambtenaar die de verzegeling heeft
gelast of verricht, wordt hij gestraft
met gevangenisstraf van een jaar tot
drie jaar.
Poging tot dit wanbedrijf wordt in
het eerste geval van dit artikel
gestraft met gevangenisstraf van drie
maanden tot een jaar, en in het tweede
geval met gevangenisstraf van zes
maanden tot twee jaar.
|
ART. 285
[Indien de verbroken zegels waren gelegd
op papieren of zaken van iemand die
verdacht, beklaagd of beschuldigd was
van een misdaad waarop levenslange
opsluiting of levenslange hechtenis,
opsluiting van twintig jaar tot dertig
jaar of hechtenis van twintig jaar tot
dertig jaar is gesteld, of van iemand
die tot een van die straffen was
veroordeeld, wordt de nalatige bewaarder
gestraft met gevangenisstraf van drie
maanden tot een jaar. ]
(W. 23.1.2003 - art. 55 - B.S.
13.3.2003)
(W. 10.7.1996 - art. 16 - B.S.
1.8.1996)
|
ART. 286
Hij die opzettelijk zegels verbreekt,
die gelegd zijn op zodanige papieren of
zaken als in het vorige artikel bedoeld,
wordt gestraft met gevangenisstraf van
een jaar tot drie jaar, en indien het de
bewaarder zelf is of de openbare
ambtenaar die de verzegeling heeft
gelast, wordt de schuldige gestraft met
gevangenisstraf van twee jaar tot vijf
jaar.
Poging tot dit wanbedrijf wordt in
het eerste geval van dit artikel
gestraft met gevangenisstraf van zes
maanden tot twee jaar, en in het tweede
geval met gevangenisstraf van een jaar
tot drie jaar.
|
ART. 287
Indien de zegelverbreking geschiedt met
geweld tegen personen, wordt de
schuldige gestraft met gevangenisstraf
van twee jaar tot vijf jaar.
Poging tot zodanige zegelverbreking
wordt gestraft met gevangenisstraf van
zes maanden tot drie jaar.
|
ART. 288
In gevallen van de artikelen 284, 286 en
287 kan de schuldige bovendien worden
veroordeeld tot geldboete van vijftig
frank tot tweeduizend frank.
|
HOOFDSTUK IV Belemmering van de
uitvoering van openbare werken
|
ART. 289
Hij die zich door feitelijkheden verzet
tegen de uitvoering van werken waartoe
de bevoegde overheid bevel of machtiging
heeft gegeven, wordt gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot drie
maanden.
|
ART. 290
Zij die zich door samenscholing en
geweld, feitelijkheden of bedreigingen,
tegen de uitvoering van die werken
verzetten, worden gestraft met
gevangenisstraf van drie maanden tot
twee jaar.
De hoofden of aanstokers worden
gestraft met gevangenisstraf van zes
maanden tot drie jaar.
|
ART. 291
In de gevallen, bij de twee vorige
artikelen omschreven, kunnen de
schuldigen bovendien worden veroordeeld
tot geldboete van zesentwintig frank tot
vijfhonderd frank.
|
HOOFDSTUK V Misdaden en wanbedrijven
van leveranciers
|
ART. 292
Personen die belast zijn met leveringen,
met aannemingen of werken in regie voor
rekening van het leger of van de marine
en de hun opgedragen dienst opzettelijk
doen mislukken, worden gestraft met [
opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ]
en met geldboete van tweehonderd frank
tot drieduizend frank.
(W. 23.1.2003 - art. 56 - B.S.
13.3.2003)
Dezelfde straffen worden toegepast op
de agenten van de leveranciers, indien
deze agenten de dienst opzettelijk doen
mislukken.
|
ART. 293
Openbare ambtenaren of door de Regering
aangestelde of bezoldigde agenten die de
schuldigen aanzetten of helpen om de
dienst te doen mislukken, worden
veroordeeld tot opsluiting [ van zeven
jaar tot tien jaar ] en met geldboete
van driehonderd frank tot drieduizend
frank.
(W. 23.1.2003 - art. 57 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 294
Wanneer het staken van de dienst het
gevolg is van een nalatigheid van de
leveranciers, hun agenten, de openbare
ambtenaren of de door de Regering
aangestelde of bezoldigde agenten,
worden de schuldigen gestraft met
gevangenisstraf van drie maanden tot
twee jaar en met geldboete van honderd
frank tot duizend frank.
|
ART. 295
Indien de leveranties of de werken
opzettelijk worden vertraagd zonder dat
de dienst mislukt, worden de schuldigen
gestraft met gevangenisstraf van zes
maanden tot twee jaar en met geldboete
van tweehonderd frank tot duizend frank.
Zij worden gestraft met
gevangenisstraf van een maand tot een
jaar en met geldboete van vijftig frank
tot vijfhonderd frank, indien de
vertraging het gevolg is van
nalatigheid.
|
ART. 296
In de verschillende gevallen, bij de
artikelen 294 en 295, § 2, omschreven,
mag de vervolging niet plaatshebben dan
op aangifte van de minister die het
aangaat.
|
ART. 297
Indien bedrog gepleegd wordt omtrent de
aard, de hoedanigheid of de hoeveelheid
van de werken of van de arbeid of van de
geleverde zaken, worden de schuldigen
gestraft met gevangenisstraf van zes
maanden tot drie jaar en met geldboete
van honderd frank tot tienduizend frank.
Zij kunnen bovendien worden
veroordeeld tot ontzetting van rechten
overeenkomstig artikel 33.
|
ART. 298
De openbare ambtenaren of de door de
Regering aangestelde of bezoldigde
agenten die aan dit bedrog deelnemen,
worden gestraft met gevangenisstraf van
twee jaar tot vijf jaar en met geldboete
van tweehonderd frank tot tienduizend
frank.
Zij worden bovendien veroordeeld tot
ontzetting van rechten overeenkomstig
artikel 33.
|
HOOFDSTUK VI Uitgeven of verspreiden
van geschriften zonder vermelding van
naam en woonplaats van de schrijver of
van de drukker
|
ART. 299
Hij die wetens meehelpt tot het uitgeven
of verspreiden van enigerlei drukwerk,
zonder dat daarin de ware naam en
woonplaats van de schrijver of van de
drukker zijn vermeld, wordt gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot twee
maanden en met geldboete van
zesentwintig frank tot tweehonderd frank
of met een van die straffen alleen.
De gevangenisstraf kan echter niet
worden uitgesproken, wanneer het
drukwerk dat zonder de vereiste
vermeldingen is uitgegeven, deel
uitmaakt van een uitgave waarvan de
herkomst bekend is door hetgeen daarvan
vroeger verschenen is.
|
ART. 300
Van de straf, in het vorige artikel
bepaald, blijven vrij:
Zij die de drukker doen kennen;
De omroepers, aanplakkers, verkopers
of verspreiders, die de persoon doen
kennen, van wie zij het gedrukte stuk
gekregen hebben.
|
HOOFDSTUK VII Overtreding van de
wetten en verordeningen op loterijen,
speelhuizen en pandhuizen
|
ART. 301
Als loterijen worden beschouwd alle
verrichtingen die het publiek aangeboden
worden en die bestemd zijn om winst te
verschaffen door middel van het lot.
|
ART. 302
De aanleggers, ondernemers, beheerders,
aangestelden of agenten van niet
wettelijk toegelaten loterijen worden
gestraft met gevangenisstraf van acht
dagen tot drie maanden en met geldboete
van vijftig frank tot drieduizend frank.
De roerende goederen in de loterij
ingelegd en die welke voor de dienst van
de loterij gebruikt worden of bestemd
zijn, worden verbeurd verklaard.
Wanneer een onroerend goed in de
loterij is ingelegd, wordt de
verbeurdverklaring niet uitgesproken;
zij wordt vervangen door geldboete van
honderd frank tot tienduizend frank.
|
ART. 303
Met gevangenisstraf van acht dagen tot
een maand en met geldboete van
zesentwintig frank tot duizend frank of
met een van die straffen alleen wordt
gestraft:
Zij die briefjes van niet wettelijk
toegelaten loterijen plaatsen, venten of
verspreiden;
Zij die door berichten,
aankondigingen, aanplakbiljetten of door
enig ander publiciteitsmiddel het
bestaan van die loterijen doen kennen of
de uitgifte van de loterijbriefjes
bevorderen.
In alle gevallen worden de briefjes,
alsook de berichten, aankondigingen of
aanplakbiljetten, in beslag genomen en
vernietigd.
|
ART. 304
Van de straffen, in het vorige artikel
bepaald, blijven vrij de omroepers en de
aanplakkers die de persoon doen kennen
van wie zij de voormelde briefjes of
geschriften gekregen hebben.
|
ART. 305
[ .. ]
(Opgeheven W. 7.5.1999 - art. 73 -
B.S. 31.12.1999)
|
ART. 306
Zij die zonder wettelijke vergunning een
pandhuis houden, worden gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot drie
maanden en met geldboete van
zesentwintig frank tot duizend frank.
|
ART. 307
Zij die wel een vergunning hebben maar
geen overeenkomstig de verordeningen
ingericht register houden, waarin achter
elkaar, zonder enig wit vak of enige
tussenregel, zijn opgenomen de te leen
gegeven sommen of zaken, de namen, de
woonplaats en het beroep van de leners,
de aard, de hoedanigheid, de waarde van
de in pand gegeven zaken, worden
gestraft met gevangenisstraf van acht
dagen tot een maand en met geldboete van
zesentwintig frank tot vijfhonderd frank
of met een van die straffen alleen.
|
|
|
ART. 307
Zij die wel een vergunning hebben maar
geen overeenkomstig de verordeningen
ingericht register houden, waarin achter
elkaar, zonder enig wit vak of enige
tussenregel, zijn opgenomen de te leen
gegeven sommen of zaken, de namen, de
woonplaats en het beroep van de leners,
de aard, de hoedanigheid, de waarde van
de in pand gegeven zaken, worden
gestraft met gevangenisstraf van acht
dagen tot een maand en met geldboete van
zesentwintig frank tot vijfhonderd frank
of met een van die straffen alleen.
|
ART. 308
Met gevangenisstraf van acht dagen tot
drie maanden en met geldboete van
zesentwintig frank tot duizend frank
worden gestraft:
Zij die er een gewoonte van maken
voor een ander en tegen beloning zaken
naar de kantoren van de berg van
barmhartigheid te brengen;
Zij die er een gewoonte van maken
pandbewijzen van de berg van
barmhartigheid te kopen;
Zij die de pandbewijzen van die
instellingen, waaruit leningen op nieuwe
koopwaren blijken, kopen of aan anderen
overdragen.
|
HOOFDSTUK VIII Misdrijven
betreffende nijverheid, koophandel en
openbare veilingen
|
ART. 309
Hij die geheimen van de fabriek waarin
hij werkzaam geweest is of nog is,
kwaadwillig of bedrieglijk aan anderen
meedeelt, wordt gestraft met
gevangenisstraf van drie maanden tot
drie jaar en met geldboete van vijftig
frank tot tweeduizend frank.
|
ART. 310
[ ... ]
(Opgeheven W. 24.5.1921 - enig art. -
B.S. 28.5.1921)
|
ART. 311
Zij die door enig bedrieglijk middel de
stijging of daling van de prijs van
eetwaren of koopwaren of van openbare
effecten en papieren bewerken, worden
gestraft met gevangenisstraf van een
maand tot twee jaar en met geldboete van
driehonderd frank tot tienduizend frank.
|
ART. 312
Ieder bevelhebber van militaire
gebieden, van provincies of van plaatsen
en steden, ieder provinciegouverneur of
arrondissementscommissaris die, binnen
het gebied waar hij het recht heeft zijn
gezag uit te oefenen, dergelijke
handelingen pleegt of daaraan deelneemt,
hetzij openlijk, hetzij door
schijnhandelingen of door
tussenpersonen, wordt gestraft met
ontzetting van de rechten genoemd in de
eerste drie nummers van artikel 31,
onverminderd de straffen bij het vorige
artikel bepaald.
|
ART. 313
Zij die, door samenscholing en door
geweld of bedreiging, de openbare orde
op markten of in graanhallen storen met
het oogmerk om plundering uit te lokken,
of alleen maar om de verkopers te
dwingen hun waren van de hand te doen
tegen een lagere prijs dan die welke uit
vrije mededinging zou ontstaan, worden
gestraft met gevangenisstraf van drie
maanden tot twee jaar.
De hoofden of aanstokers worden
gestraft met gevangenisstraf van zes
maanden tot drie jaar [ ... ].
(W. 9.4.1930 - art. 31 - B.S.
11.5.1930)
|
ART. 314
Zij die bij toewijzingen van de
eigendom, van het vruchtgebruik of van
de huur van roerende of onroerende
zaken, van een aanneming, van een
levering, van een bedrijf of van enige
dienst, de vrijheid van opbod of van
inschrijving door geweld of bedreiging
belemmeren of storen, hetzij vóór hetzij
tijdens de opbiedingen of de
inschrijvingen, worden gestraft met
gevangenisstraf van vijftien dagen tot
zes maanden en met geldboete van honderd
frank tot drieduizend frank.
|
[ HOOFDSTUK VIIIbis Misdrijven
betreffende het geheim van
privé-communicatie en -telecommunicatie
] (W. 30.6.1994 - art. 2 - B.S.
24.1.1995)
|
ART. 314bis
[§ 1. Met gevangenisstraf van zes
maanden tot één jaar en met geldboete
van tweehonderd frank tot dienduizend
frank of met een van die straffen alleen
wordt gestraft hij die:
1° ofwel, opzettelijk, met behulp van
enig toestel privé-communicatie of
-telecommunicatie, waaraan hij niet
deelneemt, tijdens de overbrenging
ervan, afluistert of doet afluisteren,
er kennis van neemt of doet van nemen,
opneemt of doet opnemen, zonder de
toestemming van alle deelnemers aan die
communicatie of telecommunicatie.
2° ofwel, met het opzet een van de
hierboven omschreven misdrijven te
plegen, enig toestel opstelt of doet
opstellen.
§ 2. Met gevangenisstraf van zes
maanden tot twee jaar en met geldboete
van vijfhonderd frank tot twintigduizend
frank of met een van die straffen alleen
wordt gestraft hij, die wetens, de
inhoud van privé-communicatie of
-telecommunicatie die onwettig
afgeluisterd of opgenomen is of waarvan
onwettig kennis genomen is, onder zich
houdt, aan een andere persoon onthult of
verspreidt, of wetens enig gebruik maakt
van een op die manier verkregen
inlichting.
Met dezelfde straffen wordt gestraft
hij die, met bedrieglijk opzet of met
het oogmerk te schaden, gebruik maakt
van een wettig gemaakte opname van
privé-communicatie of -telecommunicatie.
[ § 2bis. Met gevangenisstraf van zes
maanden tot één jaar en met geldboete
van tweehonderd euro tot tienduizend
euro of met één van die straffen alleen
wordt gestraft hij die, onrechtmatig,
een instrument, met inbegrip van
informaticagegevens, dat hoofdzakelijk
is ontworpen of aangepast om het in § 1
bedoelde misdrijf mogelijk te maken,
bezit, produceert, verkoopt, verkrijgt
met het oog op het gebruik ervan,
invoert, verspreidt of op enige andere
manier ter beschikking stelt. ]
(W. 15.5.2006 - art. 3, 1° - B.S.
12.9.2006)
§ 3. Poging tot het plegen van een
der misdrijven bedoeld [ in §§ 1, 2 of
2bis ] wordt gestraft zoals het misdrijf
zelf.
(W. 15.5.2006 - art. 3, 2° - B.S.
12.9.2006)
§ 4. De straffen gesteld [ in de §§ 1
tot 3 ] worden verdubbeld indien een
overtreding van een van die bepalingen
wordt begaan binnen vijf jaar na de
uitspraak van een vonnis of een arrest
houdende veroordeling wegens een van die
strafbare feiten of wegens een van de
strafbare feiten beoogd [ in artikel
259bis, §§ 1 tot 3 ], dat in kracht van
gewijsde is gegaan. ]
(W. 30.6.1994 - art. 2 - B.S.
24.1.1995)
(W. 15.5.2006 - art. 3, 3° - B.S.
12.9.2006)
|
HOOFDSTUK IX Enige andere misdrijven
tegen de openbare orde
|
EERSTE AFDELING Overtreding van de
begrafeniswetten
|
ART. 315
Met gevangenisstraf van acht dagen tot
twee maanden of met geldboete van
zesentwintig frank tot driehonderd frank
worden gestraft:
Zij die, zonder voorafgaand verlof
van de openbare ambtenaar, een begraving
verrichten of doen verrichten;
Zij die op enigerlei wijze de wetten
en verordeningen betreffende de
begraafplaatsen en de vervroegde
begravingen overtreden.
|
AFDELING II [ Belemmering van de
uitoefening van de rechtsprekende
functie ] (W. 10.10.1967 - art. 3, art.
140 § 1 - B.S. 31.10.1967)
|
ART. 316
[ Hij die nagelaten heeft te antwoorden
op de onderzoekingen gelast door de
overheden met het oog op de
samenstelling van de lijsten van
gezworenen, of die om vrijgesteld te
worden van de vervulling van het ambt
van gezworene een valse verklaring doet,
wordt gestraft met een geldboete van
zesentwintig frank tot vijfhonderd
frank. ]
(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 140 § 2
- B.S. 31.10.1967)
|
ART. 316bis
[ Wordt gestraft met een geldboete van
vijftig frank tot duizend frank:
1° de niet vrijgestelde gezworene die
zich niet aanmeldt bij het hof van
assisen op de dag en het uur die voor de
opening van de debatten zijn gesteld, op
de dagvaarding die hem is betekend of op
de oproeping die hij heeft ontvangen;
2° de gezworene die de dagvaarding of
de oproeping heeft beantwoord en zich
terugtrekt zonder verlof van de
voorzitter, voordat zijn ambt voleindigd
is. ]
(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 140 § 3
- B.S. 31.10.1967)
|
ART. 317-318
[ ... ]
(Opgeheven W. 3.1.1933 - art. 28 -
B.S. 12.1.1933)
|
AFDELING III Misdrijven betreffende
veeziekten
|
ART. 319-321
[ ... ]
(Opgeheven W. 24.3.1987 - art. 32 -
B.S. 17.4.1987)
|
TITEL VI Misdaden en wanbedrijven
tegen de openbare veiligheid
|
[ HOOFDSTUK I. - Vereniging met het
oogmerk om een aanslag te plegen op
personen of op eigendommen en criminele
organisatie. ] (W. 10.1.1999 - art. 1 -
B.S. 26.2.1999)
|
ART. 322
Elke vereniging met het oogmerk om een
aanslag te plegen op personen of op
eigendommen, is een misdaad of een
wanbedrijf, bestaande door het enkele
feit van het inrichten der bende.
|
ART. 323
[Indien de vereniging tot doel heeft
gehad misdaden te plegen waarop
levenslange opsluiting staat of
opsluiting van tien jaar tot vijftien
jaar of een langere termijn, worden de
aanstokers tot die vereniging, de
hoofden van die bende en degenen die
daarin enig bevel hebben gevoerd,
gestraft met opsluiting van vijf jaar
tot tien jaar. ]
(W. 23.1.2003 - art. 58 - B.S.
13.3.2003)
(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S.
1.8.1996)
Zij worden gestraft met
gevangenisstraf van twee jaar tot vijf
jaar, indien de vereniging is opgericht
om andere misdaden te plegen, en met
gevangenisstraf van zes maanden tot drie
jaar, indien de vereniging is opgericht
om wanbedrijven te plegen.
|
ART. 324
Alle andere personen die van de
vereniging deel uitmaken en zij die
wetens en willens aan de bende of aan
haar afdelingen wapens, munitie,
werktuigen tot het plegen van misdaden,
een onderdak, een schuilplaats of een
vergaderplaats verschaffen, worden
gestraft:
In het eerste geval van het vorige
artikel, met gevangenisstraf van zes
maanden tot vijf jaar;
In het tweede geval, met
gevangenisstraf van twee maanden tot
drie jaar;
En in het derde, met gevangenisstraf
van een maand tot twee jaar.
|
Art. 324bis
[- Met criminele organisatie wordt
bedoeld iedere gestructureerde
vereniging van meer dan twee personen
die duurt in de tijd, met als oogmerk
het in onderling overleg plegen van
misdaden en wanbedrijven die strafbaar
zijn met gevangenisstraf van drie jaar
of een zwaardere straf, om direct of
indirect vermogensvoordelen te
verkrijgen, [ ... ].
(W. 10.8.2005 - art . 4 - B.S.
2.9.2005)
Een organisatie waarvan het
feitelijke oogmerk uitsluitend politiek,
vakorganisatorisch, menslievend,
levensbeschouwelijk of godsdienstig is
of die uitsluitend elk ander rechtmatig
oogmerk nastreeft, kan alszodanig niet
beschouwd worden als een criminale
organisatie zoals omschreven in het
eerste lid. ]
(W. 10.1.1999 - art. 3 - B.S.
26.2.1999)
|
Art. 324ter
[ § 1. [ Wanneer de criminele
organisatie gebruik maakt van
intimidatie, bedreiging, geweld, listige
kunstgrepen of corruptie, of commerciële
of andere structuren aanwendt om het
plegen van de misdrijven te verbergen of
te vergemakkelijken, wordt iedere
persoon die wetens en willens daarbij
betrokken is, gestraft met
gevangenisstraf van een jaar tot drie
jaar en met geldboete van honderd euro
tot vijfduizend euro of met een van die
straffen alleen, ook al heeft hij niet
de bedoeling een misdrijf in het raam
van die organisatie te plegen of daaraan
deel te nemen op één van de in de
artikelen 66 tot 69 bedoelde wijzen. ]
(W. 10.8.2005 - art . 5 - B.S.
2.9.2005)
§ 2. Ieder persoon die deelneemt aan
de voorbereiding of de uitvoering van
enige geoorloofde activiteit van die
criminele organisatie, terwijl hij weet
dat zijn deelneming bijdraagt tot de
oogmerken van deze criminele
organisatie, zoals bedoeld in artikel
324bis, wordt gestraft met
gevangenisstraf van één jaar tot drie
jaar en met geldboete van honderd frank
tot vijfduizend frank of met een van die
straffen alleen.
§ 3. Iedere persoon die deelneemt aan
het nemen van welke beslissing dan ook
in het raam van de activiteiten van de
criminele organisatie, terwijl hij weet
dat zijn deelneming bijdraagt tot de
oogmerken van deze criminele
organisatie, zoals bedoeld in artikel
324bis, wordt gestraft met opsluiting
van vijf jaar tot tien jaar en met een
geldboete van vijfhonderd frank tot
honderdduizend frank of met een van die
straffen alleen.
§ 4. Iedere leidend persoon van de
criminele organisatie wordt gestraft met
opsluiting van tien jaar tot vijftien
jaar en met geldboete van duizend frank
tot tweehonderdduizend frank of met een
van die straffen alleen. ].
(W. 10.1.1999 - art. 3 - B.S.
26.2.1999)
|
ART. 325
De schuldigen die tot gevangenisstraf
worden veroordeeld op grond van de
artikelen 323, [ 324 en 324ter ], kunnen
bovendien worden veroordeeld tot
ontzetting van rechten overeenkomstig
artikel 33 [ ... ] .
(W. 9.4.1930 - art. 32 - B.S.
11.5.1930)
(W. 10.1.1999 - art. 4 - B.S.
26.2.1999)
|
ART. 326
Van de in dit hoofdstuk bepaalde
straffen blijven vrij de schuldigen die,
vóór enige poging tot misdaden of
wanbedrijven welke het doel van de
vereniging zijn, en vóór enig begin van
vervolging, het bestaan van die benden
en de namen van hun hoofdbevelvoerders
of ondergeschikte bevelvoerders aan de
overheid kenbaar maken.
[ ... ] .
(Opgeheven W. 9.4.1930 - art. 32 -
B.S. 11.5.1930)
|
HOOFDSTUK II [ Bedreigingen met een
aanslag op personen of op eigendommen en
valse inlichtingen betreffende ernstige
aanslagen ] (W. 4.7.1972 - art. 5 - B.S.
29.7.1972)
|
ART. 327
[ Hij die, hetzij mondeling, hetzij bij
een naamloos of ondertekend geschrift,
iemand onder een bevel of onder een
voorwaarde, bedreigt met een aanslag op
personen of op eigendommen, waarop een
criminele straf gesteld is, wordt
gestraft met gevangenisstraf van zes
maanden tot vijf jaar en met geldboete
van honderd frank tot vijfhonderd frank.
De bedreiging met een aanslag op
personen of eigendommen waarop een
criminele straf gesteld is, bij naamloos
of ondertekend geschrift, zonder bevel
of voorwaarde, wordt gestraft met
gevangenisstraf van drie maanden tot
twee jaar en met geldboete van vijftig
frank tot driehonderd frank. ]
(W. 4.7.1972 - art. 1 - B.S.
29.7.1972)
|
ART. 328
[ Hij die, hetzij mondeling, hetzij bij
een naamloos of ondertekend geschrift, [
hetzij door welke gedraging ook, ]
wetens en willens een vals bericht geeft
over het bestaan van gevaar voor een
aanslag op personen of eigendommen,
waarop een criminele straf gesteld is,
wordt gestraft met gevangenisstraf van
drie maanden tot twee jaar en met
geldboete van vijftig tot driehonderd
frank. ]
(W. 4.4.2003 - art. 2 - B.S.
5.5.2003)
(W. 4.7.1972 - art. 2 - B.S.
29.7.1972)
|
ART. 328bis
[Hij die op om het even welke wijze
stoffen verspreidt die, zonder op
zichzelf gevaar in te houden, de indruk
geven gevaarlijk te zijn en waarvan hij
weet of moet weten dat hierdoor ernstige
gevoelens van vrees kunnen worden teweeg
gebracht voor een aanslag op personen of
op eigendommen, waarop gevangenisstraf
van ten minste twee jaar is gesteld,
wordt gestraft met een gevangenisstraf
van drie maanden tot twee jaar en met
geldboete van vijftig euro tot
driehonderd euro. ]
(W. 4.4.2003 - art. 3 - B.S.
5.5.2003)
|
ART. 329
[ Hij die iemand door gebaren of
zinnebeelden bedreigt met een aanslag op
personen of eigendommen, waarop een
criminele straf gesteld is, wordt
gestraft met gevangenisstraf van acht
dagen tot drie maanden en met geldboete
van zesentwintig frank tot honderd
frank. ]
(W. 4.7.1972 - art. 3 - B.S.
29.7.1972)
|
ART. 330
[ Hij die, hetzij mondeling, hetzij bij
een naamloos of ondertekend geschrift,
iemand onder een bevel of onder een
voorwaarde bedreigt met een aanslag op
personen of eigendommen, waarop
gevangenisstraf van ten minste drie
maanden gesteld is, wordt gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot drie
maanden en met geldboete van
zesentwintig frank tot honderd frank. ]
(W. 4.7.1972 - art. 4 - B.S.
29.7.1972)
|
ART. 330bis
[[ ... ] ]
(Ingevoegd W. 7.6.1963 - art. 1 - B.S.
15.6.1963)
(Opgeheven W. 4.7.1972 - art. 4 - B.S.
29.7.1972)
|
ART. 331
In de gevallen van artikel 327 kan de
schuldige bovendien worden veroordeeld
tot ontzetting van rechten
overeenkomstig artikel 33 [ ... ].
(W. 9.4.1930 - art. 32 - B.S.
11.5.1930)
|
ART. 331bis
[Met [ opsluiting van vijf jaar tot tien
jaar ] wordt gestraft:
(W. 23.1.2003 - art. 59 - B.S.
13.3.2003)
1° hij die dreigt kernmateriaal te
zullen gebruiken, voor een aanslag op
personen of op eigendommen;
2° hij die dreigt diefstal van
kernmateriaal te zullen plegen ten einde
een natuurlijke persoon of een
rechtspersoon, een internationale
organisatie of een Staat te dwingen iets
te doen of na te laten. ]
(W. 17.4.1986 - art. 1 - B.S.
14.8.1986)
[ 3° hij die dreigt biologische of
chemische wapens of producten te zullen
gebruiken voor een aanslag op personen,
op eigendommen, op rechtspersonen, op
internationale organisaties of op een
Staat. ]
(W. 4.4.2003 - art. 4 - B.S.
5.5.2003)
|
HOOFDSTUK III Ontvluchting van
gevangenen
|
ART. 332
In geval van ontvluchting van gevangenen
worden de personen, aangesteld om hen te
geleiden of te bewaken, gestraft zoals
hierna bepaald is.
|
ART. 333
[ Indien de ontvluchte vervolgd werd of
veroordeeld was wegens een wanbedrijf,
indien hij krijgsgevangene was, of
indien hij ter beschikking van de
minister van Justitie gehouden was,
worden die aangestelden, in geval van
nalatigheid, gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot drie
maanden en, in geval van
verstandhouding, met gevangenisstraf van
zes maanden tot twee jaar.
Dezelfde straffen worden opgelegd in
geval van ontvluchting van personen die
krachtens de wet van 9 april 1930 tot
bescherming van de maatschappij
geïnterneerd waren. ]
(W. 29.8.1945 - art. 1 - B.S.
16.9.1945)
|
ART. 334
Indien de ontvluchte vervolgd werd of
veroordeeld was wegens een misdaad of
indien hij aangehouden was krachtens de
uitleveringswet, worden die
aangestelden, in geval van nalatigheid,
gestraft met gevangenisstraf van
vijftien dagen tot een jaar en, in geval
van verstandhouding, met gevangenisstraf
van een jaar tot vijf jaar.
|
ART. 335
Zij die, niet belast zijnde met het
bewaken of het geleiden van de
gevangene, zijn ontvluchting bewerken of
vergemakkelijken, worden, in het geval
van artikel 333, gestraft met
gevangenisstraf van vijftien dagen tot
een jaar en, in het geval van artikel
334, met gevangenisstraf van drie
maanden tot twee jaar.
[ ... ]
(Opgeheven W. 29.6.1993 - enig art. -
B.S. 26.8.1993)
|
ART. 336
Indien de ontvluchting of de poging tot
ontvluchting geschiedt met geweld,
bedreiging of gevangenisbraak, worden
degenen die ze bevorderd hebben door het
verschaffen van daartoe geschikte
werktuigen, gestraft met de volgende
straffen:
In de bij artikel 333 vermelde
omstandigheden, de aangestelden met
gevangenisstraf van twee jaar tot vijf
jaar, en de andere personen met
gevangenisstraf van drie maanden tot
twee jaar;
In de bij artikel 334 vermelde
omstandigheden, de aangestelden met [
opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ]
en de andere personen met
gevangenisstraf van zes maanden tot drie
jaar.
(W. 23.1.2003 - art. 60 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 337
[Indien de ontvluchting of de poging tot
ontvluchting geschiedt met geweld,
bedreiging of gevangenisbraak, worden
degenen die ze bevorderd hebben door het
verschaffen van wapens, gestraft met de
volgende straffen :
In de bij artikel 333 vermelde
omstandigheden, de aangestelden met
opsluiting van vijf jaar tot tien jaar,
en de andere personen met
gevangenisstraf van twee jaar tot vijf
jaar.
In de bij artikel 334 vermelde
omstandigheden, de aangestelden met
opsluiting van tien jaar tot vijftien
jaar en de andere personen met
opsluiting van vijf jaar tot tien jaar.
]
(W. 23.1.2003 - art. 61 - B.S.
13.3.2003)
|
HOOFDSTUK IV Banbreuk en enige
gevallen van verberging
|
ART. 338
[ ... ]
(Opgeheven W. 9.4.1930 - art. 32 -
B.S. 11.5.1930)
|
ART. 339
Hij die personen verbergt of doet
verbergen, van wie hij weet dat zij
wegens een misdaad vervolgd worden of
veroordeeld zijn, wordt gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot twee
jaar en met geldboete van zesentwintig
frank tot vijfhonderd frank.
|
ART. 340
Hij die het lijk van iemand die gedood
is of tengevolge van slagen of
verwondingen gestorven is, verbergt of
doet verbergen, wegmaakt of doet
wegmaken, wordt gestraft met
gevangenisstraf van drie maanden tot
twee jaar en met geldboete van vijftig
frank tot zeshonderd frank.
|
ART. 341
De twee vorige bepalingen zijn niet van
toepassing op de bloedverwanten in de
opgaande of de nederdalende lijn, de
echtgenoten, zelfs na echtscheiding, de
broeders of zusters, en de aanverwanten
in dezelfde graden, van de verborgen
misdadigers, van de daders van of de
medeplichtigen aan de doodslag, de
slagen of de verwondingen.
|
HOOFDSTUK V Wanbedrijven tegen de
openbare veiligheid gepleegd door
landlopers of door bedelaars
|
ART. 342-347
tot 347 [ ... ]
(Opgeheven W. 12.1.1993 - art. 28 -
B.S. 4.2.1993)
|
[ TITEL VIbis Misdaden met
betrekking tot het nemen van gijzelaars
] (W. 2.7.1975 - art. 1 - B.S.
24.7.1975)
|
ART. 347bis
[- § 1. Gijzeling is de aanhouding, de
gevangenhouding of de ontvoering van
personen om deze borg te doen staan voor
de voldoening aan een bevel of een
voorwaarde, onder meer een misdaad of
een wanbedrijf voor te bereiden of te
vergemakkelijken, de vlucht, de
ontvluchting van de daders van een
misdaad of wanbedrijf of hun
medeplichtigen in de hand te werken, hun
vrijlating te verkrijgen of ze hun straf
te doen ontgaan.
§ 2. Gijzeling wordt gestraft met
opsluiting van twintig jaar tot dertig
jaar.
De straf is levenslange opsluiting
indien de gijzelaar een minderjarige is.
§ 3. Behalve in de in § 4 bedoelde
gevallen is de straf opsluiting van
vijftien jaar tot twintig jaar tot
twintig jaar indien binnen vijf dagen na
de aanhouding, de gevangenhouding of de
ontvoering, de gijzelaar vrijwillig
wordt vrijgelaten zonder dat aan het
bevel of aan de voorwaarde is voldaan.
§ 4. De straf is levenslange
opsluiting in de volgende gevallen :
1° indien de aanhouding, de
gevangenhouding of de ontvoering van de
gijzelaar, hetzij een ongeneeslijk
lijkende ziekte, hetzij blijvende
fysieke of psychische ongeschiktheid,
hetzij het volledige verlies van het
gebruik van een orgaan, hetzij zware
verminking, hetzij de dood ten gevolge
heeft;
2° [ 2° indien de gijzelaars zijn
onderworpen aan de handelingen bedoeld
in artikel 417ter, eerste lid. ] ]
(W. 28.11.2000 - art. 4 - B.S.
17.3.2001)
(W. 14.6.2002 - art. 2 - B.S.
14.6.2002)
|
TITEL VII Misdaden en wanbedrijven
tegen de orde der familie en tegen de
openbare zedelijkheid
|
EERSTE HOOFDSTUK Vruchtafdrijving
|
ART. 348
[ Hij die, al dan niet geneesheer, door
enig middel opzettelijk vruchtafdrijving
veroorzaakt bij een vrouw die daarin
niet heeft toegestemd, wordt gestraft
met [ opsluiting van vijf jaar tot tien
jaar ] . Indien de gebruikte middelen
hun uitwerking hebben gemist, vindt
artikel 52 toepassing. ]
(W. 23.1.2003 - art. 62 - B.S.
13.3.2003)
(W. 3.4.1990 - art. 1 - B.S.
5.3.1990)
|
ART. 349
Wanneer de vruchtafdrijving wordt
veroorzaakt door geweld, opzettelijk
gepleegd, maar zonder het oogmerk om
afdrijving te verwekken, wordt de
schuldige gestraft met gevangenisstraf
van drie maanden tot twee jaar en met
geldboete van zesentwintig frank tot
driehonderd frank.
Wordt het geweld gepleegd met
voorbedachten rade of met kennis van de
toestand van de vrouw, dan is de
gevangenisstraf zes maanden tot drie
jaar en de geldboete vijftig frank tot
vijfhonderd frank.
|
ART. 350
[ Hij die door spijzen, dranken,
artsenijen of door enig ander middel
vruchtafdrijving veroorzaakt bij een
vrouw die daarin heeft toegestemd, wordt
veroordeeld tot gevangenisstraf van drie
maanden tot een jaar en tot geldboete
van honderd frank tot vijfhonderd frank.
Er is evenwel geen misdrijf wanneer
de zwangere vrouw die door haar toestand
in een noodsituatie verkeert, een
geneesheer verzoekt haar zwangerschap af
te breken en indien de
zwangerschapsafbreking uitgevoerd wordt
onder de volgende voorwaarden:
1° a) de zwangerschapsafbreking moet
plaatsvinden vóór het einde van de
twaalfde week na de bevruchting;
b) de zwangerschapsafbreking moet
onder medisch verantwoorde
omstandigheden door een geneesheer
worden verricht in een instelling voor
gezondheidszorg waaraan een
voorlichtingsdienst is verbonden die de
zwangere vrouw opvangt en haar omstandig
inlicht inzonderheid over de rechten, de
bijstand en de voordelen, bij wet en
decreet gewaarborgd aan de gezinnen, aan
de al dan niet gehuwde moeders en hun
kinderen, alsook over de mogelijkheden
om het kind dat geboren zal worden te
laten adopteren; en die, op verzoek van
de geneesheer of van de vrouw, haar hulp
en raad geeft over de middelen waarop
zij een beroep zal kunnen doen voor de
oplossing van de psychologische en
maatschappelijke problemen welke door
haar toestand zijn ontstaan.
2° De geneesheer tot wie een vrouw
zich wendt om haar zwangerschap te laten
afbreken, moet:
a) de vrouw inlichten over de
onmiddellijke of toekomstige medische
risico's waaraan zij zich blootstelt
door het afbreken van de zwangerschap;
b) de verschillende
opvangmogelijkheden voor het kind dat
geboren zal worden in herinnering
brengen en, in voorkomend geval, een
beroep doen op het personeel van de
dienst bedoeld in het 1°, b, van dit
artikel om de daar bepaalde hulp en raad
te geven;
c) zich vergewissen van de vaste wil
van de vrouw om haar zwangerschap te
laten afbreken.
De appreciatie van de geneesheer over
de vaste wil en de noodsituatie van de
zwangere vrouw, op basis waarvan hij
aanvaardt de ingreep uit te voeren, kan
niet meer worden aangevochten indien is
voldaan aan de in dit artikel bepaalde
voorwaarden.
3° De geneesheer kan de
zwangerschapsafbreking niet eerder
verrichten dan zes dagen na de eerste
raadpleging en nadat de vrouw, de dag
van de ingreep, schriftelijk te kennen
heeft gegeven dat ze vastbesloten is de
ingreep te ondergaan.
Deze verklaring moet bij het medisch
dossier worden gevoegd.
4° Na de termijn van twaalf weken kan
de zwangerschap onder de voorwaarden
bepaald onder het 1°, b), het 2° en het
3° slechts worden afgebroken, indien het
voltooien van de zwangerschap een
ernstig gevaar inhoudt voor de
gezondheid van de vrouw of indien
vaststaat dat het kind dat geboren zal
worden, zal lijden aan een uiterst zware
kwaal die als ongeneeslijk wordt erkend
op het ogenblik van de diagnose. In dat
geval moet de geneesheer tot wie de
vrouw zich heeft gewend, de medewerking
vragen van een tweede geneesheer, wiens
advies bij het dossier moet worden
gevoegd.
5° De geneesheer of een andere
bevoegde persoon van de instelling voor
gezondheidszorg waar de ingreep is
verricht, moet aan de vrouw de nodige
voorlichting verstrekken inzake
contraceptiva.
6° Geen geneesheer, geen verpleger of
verpleegster, geen lid van het
paramedisch personeel kan gedwongen
worden medewerking te verlenen aan een
zwangerschapsafbreking.
De geneesheer die weigert een
dergelijke ingreep te verrichten, is
gehouden de vrouw bij haar eerste bezoek
in kennis te stellen van zijn weigering.
]
(W. 3.4.1990 - art. 2 - B.S.
5.4.1990)
|
ART. 351
[De vrouw die opzettelijk een
vruchtafdrijving laat verrichten buiten
de voorwaarden gesteld in artikel 350,
wordt gestraft met gevangenisstraf van
een maand tot een jaar en met geldboete
van vijftig frank tot tweehonderd frank.
]
(W. 3.4.1990 - art. 3 - B.S.
5.4.1990)
|
Art. 352
[Wanneer de middelen, gebruikt met het
oogmerk om vruchtafdrijving te
verwekken, de dood tot gevolg hebben,
wordt hij die ze met dat oogmerk heeft
aangewend of aangewezen, veroordeeld tot
opsluiting van vijf jaar tot tien jaar
indien de vrouw daarin weliswaar heeft
toegestemd doch de ingreep werd verricht
buiten de voorwaarden gesteld in artikel
350, en tot opsluiting van tien jaar tot
vijftien jaar indien zij daar niet in
heeft toegestemd. ]
(W. 23.1.2003 - art. 63 - B.S.
13.3.2003)
(W. 3.4.1990 - art. 4 - B.S.
5.4.1990)
|
ART. 353
[ ... ]
(Opgeheven W. 3.4.1990 - art. 5 - B.S.
5.4.1990)
|
HOOFDSTUK II Te vondeling leggen en
verlaten van kinderen
|
ART. 354-360bis
- 360bis. [ ... ]
(Opgeheven W. 28.11.2000 - art. 51 en
52 - B.S. 17.3.2001)
|
HOOFDSTUK III Misdaden en
wanbedrijven strekkende tot het
verhinderen of vernietigen van het
bewijs van de burgerlijke staat van
kinderen
|
ART. 361
[ Met gevangenisstraf van acht dagen tot
drie maanden en met geldboete van 26
frank tot 200 frank of met een van die
straffen alleen wordt gestraft:
1° hij die gehouden is krachtens
artikel 56, § 1, eerste lid, § 2, eerste
lid, en § 3, van het Burgerlijk Wetboek,
de geboorte van een kind aan te geven en
die aangifte niet doet overeenkomstig de
bepalingen van de artikelen 55 en 56 van
hetzelfde Wetboek;
2° hij die gehouden is krachtens
artikel 56, § 1, tweede lid, en § 2,
tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek
kennis te geven van een bevalling aan de
ambtenaar van de burgerlijke stand en
die kennisgeving niet doet
overeenkomstig die bepalingen. ]
(W. 30.3.1984 - art. 4 - B.S.
22.12.1984)
|
ART. 362
Met de straffen, bij het vorige artikel
bepaald, wordt gestraft hij die een
pasgeboren kind heeft gevonden en het
niet binnen drie dagen aan de ambtenaar
van de burgerlijke stand heeft
afgegeven, zoals bij artikel 58 van het
Burgerlijk Wetboek is voorgeschreven.
Deze bepaling is niet toepasselijk op
hem die erin heeft toegestemd het kind
te zijnen laste te nemen en
dienaangaande een verklaring heeft
afgelegd bij de gemeenteoverheid van de
plaats waar het kind gevonden is.
|
ART. 363
[- Met opsluiting van vijf jaar tot tien
jaar wordt gestraft hij die een kind met
een ander kind verwisselt of aan een
vrouw een kind toeschrijft waarvan zij
niet is bevallen.
Met gevangenisstraf van zes maanden
tot vijf jaar wordt gestraft hij die het
bewijs van de burgerlijke staat van een
kind vernietigt of het opmaken ervan
verhindert.
Dezelfde straf wordt toegepast op hen
die opdracht geven om de in de vorige
leden vermelde feiten te plegen, indien
die opdracht is uitgevoerd. ]
(W. 28.11.2000 - art. 5 - B.S.
17.3.2001)
|
ART. 364-367
- 367. [ ... ]
(Opgeheven W. 28.11.2000 - art. 52 -
B.S. 17.3.2001)
|
HOOFDSTUK IV Ontvoering van
minderjarigen
|
ART. 368-371
- 371. [ ... ]
(Opgeheven W. 28.11.2000 - art. 51 en
52 - B.S. 17.3.2001)
|
HOOFDSTUK V Aanranding van de
eerbaarheid en verkrachting
|
ART. 372
[ Elke aanranding van de eerbaarheid,
zonder geweld of bedreiging gepleegd op
de persoon of met behulp van de persoon
van een kind van het mannelijke of
vrouwelijke geslacht beneden de volle
leeftijd van zestien jaar, wordt
gestraft met opsluiting [ van vijf jaar
tot tien jaar ] .
(W. 28.11.2000 - art. 6, 1° - B.S.
17.3.2001)
De aanranding van de eerbaarheid,
zonder geweld of bedreiging door een
bloedverwant in de opgaande lijn [ of
adoptant ] gepleegd op de persoon of met
behulp van de persoon van een
minderjarige, zelfs indien deze de volle
leeftijd van zestien jaar heeft bereikt,
maar niet ontvoogd is door het huwelijk,
wordt gestraft met [ opsluiting ] van
tien jaar tot vijftien jaar. ] [
Dezelfde straf wordt toegepast indien de
schuldige hetzij de broer of de zus van
het minderjarige slachtoffer is of ieder
ander persoon die een soortgelijke
positie heeft in het gezin, hetzij
onverschillig welke persoon die
gewoonlijk of occasioneel met het
slachtoffer samenwoont en die over dat
slachtoffer gezag heeft. ]
(W. 15.5.1912 - art. 48 - B.S.
27/28/29.5.1912)
(W. 28.11.2000 - art. 6, 2°-4° - B.S.
17.3.2001)
|
ART. 372bis
[ ... ]
(Opgeheven W. 18.6.1985 - art. 1 -
B.S. 8.8.1985)
|
ART. 373
[ De aanranding van de eerbaarheid, met
geweld of bedreiging gepleegd op
personen van het mannelijke of
vrouwelijke geslacht, wordt gestraft met
gevangenisstraf van zes maanden tot vijf
jaar.
Wordt de aanranding gepleegd op de
persoon van een minderjarige boven de
volle leeftijd van zestien jaar, dan
wordt de schuldige gestraft met
opsluiting [ van vijf jaar tot tien jaar
] .
(W. 28.11.2000 - art. 7, 1° - B.S.
17.3.2001)
Is de minderjarige geen volle zestien
jaar oud, dan is de straf [ opsluiting ]
van tien jaar tot vijftien jaar. ]
(W. 15.5.1912 - art. 49 - B.S.
27/28/29.5.1912)
(W. 28.11.2000 - art. 7, 2° - B.S.
17.3.2001)
|
ART. 374
Aanranding bestaat, zodra er een begin
van uitvoering is.
(W. 15.5.1912 - art. 49 - B.S.
27/28/29.5.1912)
|
ART. 375
[ Verkrachting is elke daad van seksuele
penetratie van welke aard en met welk
middel ook, gepleegd op een persoon die
daar niet in toestemt.
Toestemming is er met name niet
wanneer de daad is opgedrongen door
middel van geweld, dwang of list of
mogelijk is gemaakt door een
onvolwaardigheid of een lichamelijk of
een geestelijk gebrek van het
slachtoffer.
Met opsluiting [ van vijf jaar tot
tien jaar ] wordt gestraft ieder die de
misdaad van verkrachting pleegt. ]
(W. 4.7.1989 - art. 1, 1° - B.S.
18.7.1989)
(W. 28.11.2000 - art. 8, 1° - B.S.
17.3.2001)
[ Wordt de misdaad gepleegd op de
persoon van een minderjarige boven de
volle leeftijd van zestien jaar, dan
wordt de schuldige gestraft met [
opsluiting ] van tien jaar tot vijftien
jaar. ]
(W. 14.5.1937 - art. 1 - B.S.
17/18/19.5.1937)
(W. 28.11.2000 - art. 8, 2° - B.S.
17.3.2001)
[ Wordt de misdaad gepleegd op de
persoon van een kind boven de volle
leeftijd van veertien jaar en beneden
die van zestien jaar, dan wordt de
schuldige gestraft met [ opsluiting ]
van vijftien jaar tot twintig jaar. ]
(W. 15.5.1912 - art. 50 -
27/28/29.5.1912)
(W. 28.11.2000 - art. 8, 2° - B.S.
17.3.2001)
[ Als verkrachting met behulp van
geweld wordt beschouwd elke daad van
seksuele penetratie, van welke aard en
met welk middel ook, die gepleegd wordt
op de persoon van een kind dat de volle
leeftijd van veertien jaar niet heeft
bereikt. In dat geval is de straf [
opsluiting ] van vijftien tot twintig
jaar. ]
(W. 4.7.1989 - art. 1, 2° - B.S.
18.7.1989)
(W. 28.11.2000 - art. 8, 2° - B.S.
17.3.2001)
[ De straf is [ opsluiting van
twintig jaar tot dertig jaar ], indien
het kind geen volle tien jaar oud is. ]
(W. 15.5.1912 - art. 50 - Mon.
27/28/29.5.1912)
(W. 28.11.2000 - art. 8, 3° - B.S.
17.3.2001)
|
ART. 376
[ Indien de verkrachting of de
aanranding van de eerbaarheid de dood
veroorzaakt van de persoon op wie zij is
gepleegd, wordt de schuldige gestraft
met [ opsluiting van twintig jaar tot
dertig jaar ] .
(W. 28.11.2000 - art. 9, 1° - B.S.
17.3.2001)
[ Indien de verkrachting of de
aanranding van de eerbaarheid is
voorafgegaan door of gepaard gegaan met
de handelingen bedoeld in artikel 417ter
, eerste lid, of opsluiting, wordt de
schuldige gestraft met opsluiting van
vijftien jaar tot twintig jaar. ]
(W. 14.6.2002 - art. 3 - B.S.
14.8.2002)
Indien de verkrachting of de
aanranding van de eerbaarheid gepleegd
is op een persoon die ingevolge
zwangerschap, een ziekte dan wel een
lichamelijk of een geestelijk gebrek of
onvolwaardigheid bijzonder kwetsbaar is,
of onder bedreiging van een wapen of een
op een wapen gelijkend voorwerp, wordt
de schuldige gestraft met [ opsluiting ]
van tien tot vijftien jaar. ]
(W. 4.7.1989 - art. 2 - B.S.
18.7.1989)
(W. 28.11.2000 - art. 9, 2° - B.S.
17.3.2001)
|
ART. 377
[ Is de schuldige een bloedverwant in de
opgaande lijn [ of adoptant ] ; behoort
hij tot degenen die over het slachtoffer
gezag hebben; heeft hij misbruik gemaakt
van het gezag of de faciliteiten die
zijn functies hem verlenen; is hij een
geneesheer, heelkundige, verloskundige
of officier van gezondheid aan wie het
kind ter verzorging was toevertrouwd; of
is de schuldige, wie hij ook zij, in de
gevallen van de artikelen 373, 375 en
376, door een of meer personen geholpen
in de uitvoering van de misdaad of van
het wanbedrijf [ ; of is hij hetzij de
broer of de zus van het minderjarige
slachtoffer of ieder ander persoon die
een gelijkaardige positie heeft in het
gezin, hetzij onverschillig welke
persoon die gewoonlijk of occasioneel
met het slachtoffer samenwoont en die
over dat slachtoffer gezag heeft, ] dan
worden de straffen bepaald als volgt: ]
(W. 4.7.1989 - art. 3, 1° - B.S.
18.7.1989)
(W. 28.11.2000 - art. 10, 1°-2° - B.S.
17.3.2001)
[ In de gevallen van artikel 372,
eerste lid, en van artikel 373, tweede
lid, is de straf [ opsluiting ] van tien
jaar tot vijftien jaar; ]
(W. 14.5.1937 - art. 2, 1 - B.S.
17/18/19.5.1937)
(W. 28.11.2000 - art. 10, 3° - B.S.
17.3.2001)
[ ... ]
(Opgeheven W. 18.6.1985 - art. 1 -
B.S. 8.8.1985)
[ In het geval van artikel 373,
eerste lid, wordt het minimum van de
gevangenisstraf verdubbeld; ]
(W. 15.5.1912 - art. 52 - B.S.
27/28/29.5.1912)
[ In de gevallen van artikel 373,
derde lid, 375, vierde lid, en 376,
derde lid, bedraagt de [ opsluiting ]
ten minste twaalf jaar; ]
(W. 4.7.1989 - art. 3, 2° - B.S.
18.7.1989)
(W. 28.11.2000 - art. 10, 3° - B.S.
17.3.2001)
In het geval van artikel 375, eerste
lid, bedraagt de opsluiting ten minste
zeven jaar; ]
(W. 15.5.1912 - art. 52 - B.S.
27/28/29.5.1912)
[ In de gevallen van [ artikel 375,
vijfde en zesde lid, en van artikel 376,
tweede lid [ ... ] bedraagt de [
opsluiting ] ten minste zeventien jaar.
(W. 14.5.1937 - art. 2, 3 - B.S.
17/18/19.5.1937)
(W. 28.11.2000 - art. 10, 3° - B.S.
17.3.2001)
[ ... ]
(Opgeheven 14.5.1937 - art. 2, 4 -
B.S. 17/18/19.5.1937)
|
ART. 377bis
[ In de gevallen bepaald in dit
hoofdstuk kan het minimum van de bij die
artikelen bepaalde straffen worden
verdubbeld in geval van gevangenisstraf
en met twee jaar verhoogd in geval van
opsluiting, wanneer een van de
drijfveren van de misdaad of het
wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het
misprijzen van of de vijandigheid tegen
een persoon wegens diens zogenaamd ras,
zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn
nationale of etnische afstamming, zijn
nationaliteit, zijn geslacht, zijn
seksuele geaardheid, zijn burgerlijke
staat, zijn geboorte, zijn leeftijd,
zijn fortuin, zijn geloof of
levensbeschouwing, zijn huidige of
toekomstige gezondheidstoestand, een
handicap, zijn taal, zijn politieke
overtuiging, een fysieke of genetische
eigenschap of zijn sociale afkomst. ]
(W. 10.5.2007 - art. 33 - B.S.
30.5.2007)
|
ART. 378
[- In de gevallen omschreven in dit
hoofdstuk worden de schuldigen
veroordeeld tot ontzetting van de
rechten genoemd in artikel 31. ]
(W. 28.11.2000 - art. 11 - B.S.
17.3.2001)
|
ART. 378bis
[- Publicatie en verspreiding door
middel van boeken, pers, film, radio,
televisie of op enige andere wijze, van
teksten, tekeningen, foto's, enigerlei
beelden of geluidsfragmenten waaruit de
identiteit kan blijken van het
slachtoffer van een in dit hoofdstuk
genoemd misdrijf zijn verboden, tenzij
met schriftelijke toestemming van het
slachtoffer of met toestemming, ten
behoeve van het opsporingsonderzoek of
het gerechtelijk onderzoek, van de
procureur des Konings of van de met het
onderzoek belaste magistraat.
Overtredingen van dit artikel worden
gestraft met gevangenisstraf van twee
maanden tot twee jaar en met geldboete
van driehonderd frank tot drieduizend
frank of met een van die straffen
alleen. ]
(W. 28.11.2000 - art. 12 - B.S.
17.3.2001)
|
HOOFDSTUK VI [ Bederf van de jeugd
en prostitutie ] (W. 26.5.1914 - art. 4
- B.S. 30.5.1914)
|
ART. 379
[Hij die een aanslag tegen de zeden
pleegt doordat hij, ten einde eens
anders driften te voldoen, de ontucht,
het bederf of de prostitutie van een
minderjarige van het mannelijke of
vrouwelijke geslacht opwekt, begunstigt
of vergemakkelijkt, wordt gestraft met
opsluiting [ van vijf jaar tot tien jaar
] en met geldboete van vijfhonderd frank
tot vijfentwintigduizend frank.
(W. 28.11.2000 - art. 13, 1° - B.S.
17.3.2001)
Hij wordt gestraft met [ opsluiting ]
van tien tot vijftien jaar en met
geldboete van vijfhonderd frank tot
vijftigduizend frank, indien de
minderjarige geen volle zestien jaar oud
is.
(W. 28.11.2000 - art. 13, 2° - B.S.
17.3.2001)
De straf is [ opsluiting ] van
vijftien jaar tot twintig jaar en
geldboete van duizend frank tot
honderdduizend frank, indien de
minderjarige geen volle [ veertien jaar]
oud is. ]
(W. 13.4.1995 - art. 2 - B.S.
25.4.1995)
(W. 28.11.2000 - art. 13, 3° - B.S.
17.3.2001)
|
ART. 380
[§ 1. Met gevangenisstraf van een jaar
tot vijf jaar en met geldboete van
vijfhonderd frank tot
vijentwintigduizend frank wordt
gestraft:
1° hij die, ten einde eens anders
driften te voldoen, een meerderjarige
zelfs met zijn toestemming, aanwerft,
meeneemt, wegbrengt of bij zich houdt
met het oog op het plegen van ontucht of
prostitutie;
2° hij die een huis van ontucht of
prostitutie houdt;
3° hij die kamers of enige andere
ruimte verkoopt, verhuurt of ter
beschikking stelt met het oog op
prostitutie met de bedoeling een
abnormaal profijt te realiseren;
4° hij die, op welke manier ook, eens
anders ontucht of prostitutie
exploiteert.
§ 2. Poging tot de in § 1 bedoelde
misdrijven wordt gestraft met
gevangenisstraf van zes maanden tot drie
jaar en met geldboete van honderd frank
tot vijfduizend frank.
§ 3. Met [ opsluiting ] van tien jaar
tot vijftien jaar en met geldboete van
vijfhonderd frank tot vijftigduizend
frank wordt gestraft het plegen van de
in § 1 bedoelde misdrijven wanneer de
dader daarbij:
(W. 28.11.2000 - art. 14, 1° - B.S.
17.3.2001)
1° direct of indirect gebruik maakt
van listige kunstgrepen, geweld,
bedreigingen of enige andere vorm van
dwang;
2° of misbruik maakt van de bijzonder
kwetsbare positie waarin een persoon
verkeert ten gevolge van een onwettige
of precaire administratieve toestand of
ten gevolge van zwangerschap, ziekte dan
wel een lichamelijk of een geestelijk
gebrek of onvolwaardigheid.
§ 4. Met [ opsluiting ] van tien jaar
tot vijftien jaar en met geldboete van
duizend frank tot honderdduizend frank
wordt gestraft:
(W. 28.11.2000 - art. 14, 1° - B.S.
17.3.2001)
1° hij die, ten einde eens andere
driften te voldoen, rechtstreeks of via
een tussenpersoon, een minderjarige [
... ] , zelfs met zijn toestemming
aanwerft, meeneemt, wegbrengt of bij
zich houdt met het oog op het plegen van
ontucht of prostitutie;
(W. 28.11.2000 - art. 14, 2° - B.S.
17.3.2001)
2° hij die, rechtstreeks of via een
tussenpersoon, een huis van ontucht of
prostitutie houdt waar minderjarigen
prostitutie of ontucht plegen;
3° hij die kamers of enige andere
ruimte verkoopt, verhuurt of ter
beschikking stelt van een minderjarige
met het oog op ontucht of prostitutie
met de bedoeling een abnormaal profijt
te realiseren;
4° hij die, op welke manier ook, de
ontucht of prostitutie van een
minderjarige [ ... ] exploiteert.
(W. 28.11.2000 - art. 14, 2° - B.S.
17.3.2001)
[ 5° hij die door de overhandiging,
het aanbod of de belofte van een
materieel of financieel voordeel ontucht
of prostitutie van een minderjarige
heeft verkregen. ]
(W. 28.11.2000 - art. 14, 3° - B.S.
17.3.2001)
§ 5. De misdrijven bedoeld in § 4
worden gestraft met [ opsluiting ] van
vijftien jaar tot twintig jaar en met
geldboete van duizend frank tot
honderdduizend frank als zij ten aanzien
van een minderjarige [ onder de zestien
jaar ] worden gepleegd. ]
(W. 13.4.1995 - art. 3 - B.S.
25.4.1995)
(W. 28.11.2000 - art. 14, 1° en 4° -
B.S. 17.3.2001)
[ § 6. Hij die ontucht of prostitutie
van een minderjarige bijwoont, wordt
gestraft met gevangenisstraf van een
maand tot twee jaar en met geldboete van
honderd frank tot tweeduizend frank. ]
(W. 28.11.2000 - art. 14, 5° - B.S.
17.3.2001)
|
ART. 380bis
[] . Met gevangenisstraf van acht dagen
tot drie maanden en met geldboete van
zesentwintig frank tot vijfhonderd frank
wordt gestraft hij die in een openbare
plaats door woorden, gebaren of tekens
iemand tot ontucht aanzet. De straf
wordt verdubbeld als het misdrijf
tegenover een minderjarige wordt
gepleegd. ]
(W. 21.8.1948 - art. 3 - B.S.
13/14.9.1948)
(W. 28.11.2000 - art. 15 - B.S.
17.3.2001)
[ ... ]
(Opgeheven W. 27. 3.1995 - art. 2 -
B.S. 25.4.1995)
[ Met dezelfde straffen wordt
gestraft hij die door enig
publiciteitsmiddel aanzet, door de
toespeling die er op wordt gemaakt, tot
de seksuele uitbuiting van volwassenen
of kinderen, of van een dergelijke
publiciteit gebruik maakt in het kader
van een aanbod van diensten. ]
(W. 9.3.1993 - art. 14 - B.S.
24.4.1993)
|
ART. 380ter
[§ 1. Met gevangenisstraf van twee
maanden tot twee jaar en met geldboete
van tweehonderd frank tot tweeduizend
frank wordt gestraft hij die op
enigerlei wijze, direct of indirect,
reclame maakt of doet mken, uitgeeft,
verdeeld of verspreidt voor een aanbod
van diensten van seksuele aard [ ... ] ,
indien die reclame specifiek gericht is
op minderjarigen of indien zij gewag
maakt van diensten aangeboden door
minderjarigen of indien zij gewag maakt
van diensten aangeboden door
minderjarigen of door personen van wie
wordt beweerd dat zij minderjarig zijn,
zelfs indien hij zijn aanbod verheelt
onder bedekte bewoordingen.
(W. 28.11.2000 - art. 16 - B.S.
17.3.2001)
Indien de in het eerste lid bedoelde
reclame tot doel of tot gevolg heeft,
direct of indirect, dat prostitutie of
ontucht van een minderjarige of zijn
exploitatie voor seksuele doeleinden
wordt vergemakkelijkt, is de straf drie
maanden tot drie jaar gevangenisstraf en
geldboete van driehonderd frank tot
drieduizend frank.
§ 2. Met gevangenisstraf van een
maand tot een jaar en met geldboete van
honderd frank tot duizend frank wordt
gestraft hij die op enigerlei wijze,
direct of indirect, reclame maakt of
doet maken, uitgeeft, verdeelt of
verspreidt voor een aanbod van diensten
van seksuele aard [ ... ] , die worden
verleend bij wege van een of ander
telecommunicatiemiddel, zelfs indien hij
zijn aanbod verheelt onder bedekte
bewoordingen.
(W. 28.11.2000 - art. 16 - B.S.
17.3.2001)
§ 3. In de gevallen die niet zijn
omschreven in de §§ 1 en 2, wordt
gestraft met gevangenisstraf van een
maand tot een jaar en met geldboete van
honderd frank tot duizend frank, hij die
door enig reclamemiddel, zelfs indien
hij de aard van zijn aanbod of zijn
vraag verheelt onder bedekte
bewoordingen, kenbaar maakt dat hij zich
aan prostitutie overgeeft, de
prostitutie van anderen vergemakkelijkt
of wenst in betrekking te komen met
iemand die zich aan ontucht overgeeft.
Met dezelfde straffen wordt gestraft
hij die door enig reclamemiddel aanzet,
door de toespeling die erop wordt
gemaakt, tot de seksuele exploitatie van
minderjarigen of meerderjarigen, of van
zulke reclame gebruik maakt naar
aanleiding van een aanbod van diensten.
]
(W. 27.3.1995 - art. 1 - B.S.
25.4.1995)
|
ART. 381
[- De misdrijven bedoeld in de artikelen
379 en 380, §§ 3 en 4, worden gestraft
met opsluiting van vijftien jaar tot
twintig jaar en met geldboete van
duizend frank tot honderdduizend frank
en de misdrijven bedoeld in artikel 380,
§ 5, worden gestraft met opsluiting van
zeventien jaar tot twintig jaar en met
geldboete van duizend frank tot
honderdduizend frank, indien ze daden
betreffen van deelneming aan de
hoofdbedrijvigheid of bijkomende
bedrijvigheid van een vereniging,
ongeacht of de schuldige de hoedanigheid
van leidend persoon heeft of niet. ]
(W. 28.11.2000 - art. 17 - B.S.
17.3.2001)
|
Art. 381bis
[ De in de artikelen 379 en 380bis, §§ 3
en 4, bedoelde misdrijven worden
gestraft met dwangarbeid van vijftien
jaar tot twintig jaar en met geldboete
van duizend frank tot honderdduizend
frank indien ze daden betreffen van
deelneming aan de hoofd- of bijkomende
bedrijvigheid van een vereniging,
ongeacht of de schuldige de hoedanigheid
van leidend persoon heeft of niet. ]
(W. 13.4.1995 - art 4 - B.S.
25.4.1995)
|
ART. 382
[- § 1. In de gevallen bedoeld in de
artikelen 379 en 380 worden de
schuldigen bovendien veroordeeld tot
ontzetting van de rechten genoemd in
artikel 31.
§ 2. De rechtbanken kunnen tegen de
personen die wegens een misdrijf bepaald
bij artikel 380, §§ 1 tot 3, veroordeeld
worden, het verbod uitspreken om
gedurende een jaar tot drie jaar een
drankgelegenheid, een bureau voor
arbeidsbemiddeling, een onderneming van
vertoningen, een zaak voor verhuur of
verkoop van visuele dragers, een hotel,
een bureau voor verhuur van
gemeubileerde kamers of appartementen,
een reisbureau, een huwelijksbureau, een
adoptieinstelling, een instelling
waaraan de bewaring van minderjarigen
wordt toevertrouwd, een bedrijf dat
leerlingen en jeugdgroepen vervoert, een
gelegenheid voor ontspanning of
vakantie, of een inrichting die
lichaamsverzorging of psychologische
begeleiding aanbiedt, hetzij
persoonlijk, hetzij door bemiddeling van
een tussenpersoon, uit te baten of er,
in welke hoedanigheid ook, werkzaam te
zijn.
In geval van een tweede veroordeling
wegens een misdrijf bepaald in artikel
380, §§ 1 tot 3, kan het verbod voor een
termijn van een jaar tot twintig jaar
worden uitgesproken.
In geval van een veroordeling wegens
een misdrijf bepaald bij de artikelen
379 en 380, §§ 4 en 5, kan het verbod
voor een termijn van een jaar tot
twintig jaar worden uitgesproken.
§ 3. Zonder rekening te houden met de
hoedanigheid van natuurlijke persoon of
rechtspersoon van de uitbater, eigenaar,
huurder of zaakvoerder, kan de rechtbank
de sluiting bevelen van de inrichting
waar de misdrijven zijn gepleegd, voor
een termijn van een maand tot drie jaar.
Wanneer de veroordeelde eigenaar,
uitbater, huurder noch zaakvoerder is
van de inrichting, kan de sluiting enkel
worden bevolen indien de ernst van de
concrete omstandigheden dit vereist, en
dit voor een termijn van maximaal twee
jaar, na dagvaarding van de eigenaar, de
uitbater, de huurder of de zaakvoerder
op vordering van het openbaar
ministerie.
De dagvaarding voor de rechtbank
wordt in het hypotheekkantoor van het
gebied waar de goederen gelegen zijn,
overgeschreven ten verzoeke van de
deurwaarder die het exploot heeft
opgemaakt.
De dagvaarding vermeldt de kadastrale
omschrijving van het betrokken
onroerende goed en identificeert de
eigenaar ervan in de vorm en volgens de
sanctie bepaald in artikel 12 van de wet
van 10 oktober 1913 houdende wijzigingen
in de hypotheekwet en in de wet op de
gedwongen onteigeningen en regelende de
herinrichting van de bewaring der
hypotheken.
Iedere in de zaak gewezen beslissing
wordt in de kant van de overgeschreven
dagvaarding vermeld op de wijze bepaald
in artikel 84 van de hypotheekwet. De
griffier doet de uittreksels en de
verklaring dat er geen rechtsmiddelen
aangewend zijn aan de hypotheekbewaarder
toekomen.
§ 4. Artikel 389 is van toepassing op
deze bepaling. ]
(W. 28.11.2000 - art. 18 - B.S.
17.3.2001)
|
ART. 382bis
[- Onverminderd de toepassing van
artikel 382 kan elke veroordeling wegens
feiten bedoeld in de artikelen 372 tot
377, 379 tot 380ter, 381 en 383 tot 387,
gepleegd op de persoon van een
minderjarige of met zijn deelneming, de
ontzetting meebrengen van het recht om,
voor een termijn van een jaar tot
twintig jaar :
1° in welke hoedanigheid ook deel te
nemen aan onderwijs in een openbare of
particuliere instelling die
minderjarigen opvangt;
2° deel uit te maken, als
vrijwilliger, als lid van het statutair
of contractueel personeel of als lid van
de organen van bestuur en beheer, van
elke rechtspersoon of feitelijke
vereniging waarvan de activiteit in
hoofdzaak op minderjarigen gericht is;
3° een activiteit toegewezen te
krijgen die de veroordeelde in een
vertrouwens- of een gezagsrelatie
tegenover minderjarigen plaatst, als
vrijwilliger, als lid van het statutair
of contractueel personeel of als lid van
de organen van bestuur en beheer, van
elke rechtspersoon of feitelijke
vereniging.
Artikel 389 is van toepassing op deze
bepaling. ]
(W. 28.11.2000 - art. 20 - B.S.
17.3.2001)
|
ART. 382ter
[] . De bijzondere verbeurdverklaring
zoals bedoeld in artikel 42, 1°, kan
worden toegepast zelfs wanneer de zaken
waarop zij betrekking heeft, niet het
eigendom van de veroordeelde zijn. ]
(W. 13.4.1995 - art. 6 - B.S.
25.4.1995)
(W. 28.11.2000 - art. 19 - B.S.
17.3.2001)
|
HOOFDSTUK VII Openbare schennis van
de goede zeden
|
ART. 383
Hij die liederen, vlugschriften of
andere geschriften, al dan niet gedrukt,
afbeeldingen of prenten, die strijdig
zijn met de goede zeden, tentoonstelt,
verkoopt of verspreidt, wordt gestraft
met gevangenisstraf van acht dagen tot
zes maanden en met geldboete van
zesentwintig frank tot vijfhonderd
frank.
[ Met dezelfde straffen wordt
gestraft hij die schunnigheden zingt,
leest, voordraagt, ten gehore brengt of
uit, in de openbare bijeenkomsten of
plaatsen bedoeld in artikel 444, tweede
lid. ]
(W. 29.1.1905 - art. 1 - B.S.
4.2.1905)
[ Met dezelfde straffen wordt
gestraft:
Hij die, met het oog op de handel of
de verspreiding, liederen,
vlugschriften, geschriften, afbeeldingen
of prenten, die strijdig zijn met de
goede zeden, vervaardigt, in voorraad
heeft, invoert of doet invoeren,
vervoert of doet vervoeren, aan een
vervoer- of een distributieagent
overhandigt, door enig
publiciteitsmiddel bekendmaakt; ]
[ Hij die zinnebeelden of voorwerpen,
die strijdig zijn met de goede zeden,
tentoonstelt, verkoopt of verspreidt, ze
met het oog op de handel of de
verspreiding vervaardigt of in voorraad
heeft, invoert of doet invoeren,
vervoert of doet vervoeren, aan een
vervoer- of een distributieagent
overhandigt, door enig
publiciteitsmiddel bekendmaakt; ]
(W. 14.6.1926 - art. 1 - B.S.
21/22.6.1926)
[ Hij die, hetzij door het
tentoonstellen, verkopen of verspreiden
van geschriften, al dan niet gedrukt,
hetzij door enig ander
publiciteitsmiddel, het gebruik van enig
middel om vruchtafdrijving te
veroorzaken aanprijst, aanwijzingen
verstrekt omtrent de wijze waarop het
wordt aangeschaft of gebruikt, of
personen die het toepassen, doet kennen
met het doel hen aan te bevelen;
Hij die artsenijen of tuigen,
speciaal bestemd om vruchtafdrijving te
veroorzaken of als zodanig voorgesteld,
tentoonstelt, verkoopt, verspreidt,
vervaardigt of doet vervaardigen, doet
invoeren, doet vervoeren, aan een
vervoer- of een distributieagent
overhandigt, door enig
publiciteitsmiddel bekendmaakt; ]
(W. 20.6.1923 - art. 1 - B.S.
25/26.6.1923)
[ ... ]
(Opgeheven W. 9.7.1973 - enig art.
B.S. 9.8.1973)
|
ART. 383bis
[[ § 1. Onverminderd de toepassing van
de artikelen 379 en 380 wordt hij die
zinnebeelden, voorwerpen, films, foto's,
dia's of andere beelddragers die
houdingen of seksuele handelingen met
pornografisch karakter voorstellen
waarbij minderjarigen betrokken zijn of
worden voorgesteld, tentoonstelt,
verkoopt, verhuurt, verspreidt, uitzendt
of overhandigt, ze met het oog op de
handel of de verspreiding vervaardigt of
in voorraad heeft, invoert of doet
invoeren, aan een vervoer- of een
distributieagent overhandigt, gestraft
met opsluiting van vijf jaar tot tien
jaar en met geldboete van vijfhonderd
frank tot tienduizend frank. ]
(W. 28.11.2000 - art. 21, 1° - B.S.
17.3.2001)
§ 2. Hij die wetens de in § 1
bedoelde zinnebeelden, voorwerpen,
films, foto's, dia's of andere
beelddragers bezit, wordt gestraft met
gevangenisstraf van een maand tot een
jaar en met geldboete van honderd frank
tot duizend frank.
§ 3. Het in § 1 bedoelde misdrijf
wordt gestraft met [ opsluiting ] van
tien jaar tot vijftien jaar en met
geldboete van vijfhonderd frank tot
vijfitgduizend frank indien het een daad
van deelneming aan de hoofd- of
bijkomende bedrijvigheid van een
vereniging betreft, ongeacht of de
schuldige de hoedanigheid van leidend
persoon heeft of niet.
(W. 28.11.2000 - art. 21, 2° - B.S.
17.3.2001)
§ 4. De bijzondere verbeurdverklaring
zoals bedoeld in artikel 42, 1°, kan
worden toegepast voor de misdrijven
bedoeld in de §§ 1 en 2, zelfs wanneer
de zaken waarop zij betrekking heeft,
niet het eigendom van de veroordeelde
zijn.
§ 5. [ De artikelen 382 en 389 zijn
van toepassing ] op de in §§ 1 en 3
bedoelde misdrijven. ]
(W. 13.4.1995 - art. 7 - B.S.
25.4.1995)
(W. 28.11.2000 - art. 21, 3° - B.S.
17.3.2001)
|
ART. 384
[ [ In de gevallen bedoeld in artikel
383 ] wordt de vervaardiger van het
geschrift, de afbeelding, de prent of
het voorwerp gestraft met
gevangenisstraf van een maand tot een
jaar en met geldboete van vijftig frank
tot duizend frank. ]
(W. 14.6.1926 - art. 2 - B.S.
21/22.6.1926)
(W. 28.11.2000 - art. 22 - B.S.
17.3.2001)
|
ART. 385
Hij die in het openbaar de zeden schendt
door handelingen die de eerbaarheid
kwetsen, wordt gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot een
jaar en met geldboete van zesentwintig
frank tot vijfhonderd frank.
[ Wordt de schennis gepleegd in [
aanwezigheid ] van een [ minderjarige ]
beneden de volle leeftijd van zestien
jaar, dan is de straf gevangenisstraf
van een maand tot drie jaar en geldboete
van honderd frank tot duizend frank. ]
(W. 15.5.1912 - art. 53 - B.S.
27/28/29.5.1912)
(W. 28.11.2000 - art. 23 - B.S.
17.3.2001)
|
ART. 386
[ Indien de misdrijven, omschreven in
artikel 383, zijn gepleegd tegenover
minderjarigen, is de gevangenisstraf zes
maanden tot twee jaar en de geldboete
duizend frank tot vijfduizend frank.
In hetzelfde geval kunnen de
straffen, bepaald in het eerste lid van
dat artikel, worden verdubbeld,
onverminderd de toepassing van artikel
385, tweede lid. ]
(W. 28.7.1962 - art. 2 - B.S.
5.9.1962)
|
ART. 387
[ Met gevangenisstraf van zes maanden
tot twee jaar en met geldboete van
duizend frank tot vijfduizend frank
wordt gestraft hij die aan minderjarigen
[ ... ] oneerbare prenten, afbeeldingen
of voorwerpen die hun verbeelding kunnen
prikkelen, verkoopt of uitdeelt, of
dergelijke prenten, afbeeldingen of
voorwerpen op of aan de openbare weg
tentoonstelt.
(Opgeheven W. 28.11.2000 - art. 24,
1° - B.S. 17.3.2001)
[ ... ] ]
(W. 28.7.1962 - art. 2 - B.S.
5.9.1962)
(Opgeheven W. 28.11.2000 - art. 24,
2° - B.S. 17.3.2001)
|
ART. 388
[- In de gevallen bepaald in dit
hoofdstuk kunnen de schuldigen bovendien
worden veroordeeld tot ontzetting van de
rechten genoemd in artikel 31.
In geval van veroordeling op grond
van artikel 386, eerste lid, of artikel
387 en indien het misdrijf gepleegd is
bij het exploiteren van een boekhandel,
een antiquariaat, een handel in
fotoartikelen of in materiaal vereist
voor de totstandkoming van iedere soort
van visuele drager of een onderneming
van vertoningen, kan de sluiting van de
inrichting worden bevolen voor een maand
tot drie maanden.
In geval van een tweede veroordeling
wegens een van de in het tweede lid
bedoelde feiten, gepleegd binnen een
termijn van drie jaar na de eerste
veroordeling, kan de sluiting worden
bevolen voor drie maanden tot zes
maanden.
In geval van een derde veroordeling
wegens dezelfde feiten, gepleegd binnen
een termijn van vijf jaar na de tweede
veroordeling, kan de definitieve
sluiting worden bevolen. In dit laatste
geval kunnen de hoven en rechtbanken
bovendien tegen de veroordeelden het
verbod uitspreken om een boekhandel, een
antiquariaat, een handel in
fotoartikelen of in materiaal vereist
voor de totstandkoming van iedere soort
van visuele drager, een onderneming van
vertoningen of een of meer handelszaken
of ondernemingen als hier bedoeld,
hetzij persoonlijk, hetzij door
bemiddeling van een tussenpersoon, te
exploiteren of er, in welke hoedanigheid
ook, werkzaam te zijn.
Wanneer de veroordeelde eigenaar,
uitbater, huurder noch zaakvoerder is
van de inrichting, kan de sluiting enkel
worden bevolen indien de ernst van de
concrete omstandigheden dit vereist. In
dit geval is artikel 382, ) 3, tweede
tot vijfde lid, van toepassing.
Artikel 389 is van toepassing op deze
bepaling. ]
(W. 28.11.2000 - art. 25 - B.S.
17.3.2001)
|
HOOFDSTUK VIII Overspel en dubbel
huwelijk
|
ART. 389
[- § 1. De tijd van de ontzetting
uitgesproken met toepassing van de
artikelen 378, 382, § 1, 382bis en 388,
eerste lid, gaat in op de dag van de
veroordeling met uitstel of op de dag
dat de veroordeelde zijn gevangenisstraf
heeft ondergaan of dat zijn straf
verjaard is ingeval hiervoor geen
uitstel is verleend en, in geval van
vervroegde invrijheidstelling, op de dag
van zijn invrijheidstelling voorzover
deze niet herroepen wordt.
Niettemin heeft het op grond van
artikel 382, § 2, uitgesproken verbod
zijn gevolgen met ingang van de dag
waarop de op tegenspraak of bij verstrek
gewezen veroordeling onherroepelijk is
geworden.
§ 2. Elke inbreuk op de beschikking
van het vonnis of arrest dat een verbod
of ontzetting uitspreekt met toepassing
van de artikelen bedoeld in § 1, wordt
gestraft met gevangenisstraf van een
maand tot zes maanden en met geldboete
van honderd frank tot duizend frank of
met een van die straffen alleen.
§ 3. De sluiting uitgesproken
overeenkomstig de artikelen 382, § 3, en
388 heeft haar gevolgen met ingang van
de dag waarop de op tegenspraak of bij
verstek gewezen veroordeling
onherroepelijk is geworden .
§ 4. Elke inbreuk op de beschikking
van het vonnis of arrest dat de sluiting
van een inrichting beveelt met
toepassing van de artikelen bedoeld in §
3, wordt gestraft met gevangenisstraf
van drie maanden tot drie jaar en met
geldboete van duizend frank tot
vijfduizend frank of met een van die
straffen alleen. ]
(W. 28.11.2000 - art. 26 - B.S.
17.3.2001)
|
ART. 390
[ ... ]
(Opgeheven W. 20.5.1987 - art. 1 -
B.S. 12.6.1987)
|
[ HOOFDSTUK VIIIbis. - Dubbel
huwelijk ] (W. 28.11.2000 - art. 27 -
B.S. 17.3.2001)
|
ART. 391
Hij die, door de banden van het huwelijk
verbonden, een ander huwelijk aangaat
vóór de ontbinding van het voorgaande,
wordt gestraft met [ opsluiting van vijf
jaar tot tien jaar ] .
(W. 23.1.2003 - art. 64 - B.S.
13.3.2003)
|
[ HOOFDSTUK IX Verlating van familie
] (W. 14.1.1928 - art. 1 - B.S.
16/17.1.1928)
|
ART. 391bis
[ Met gevangenisstraf van acht dagen tot
zes maanden en met geldboete van vijftig
frank tot vijfhonderd frank of met een
van die straffen alleen, onverminderd de
toepassing van strengere straffen,
indien daartoe grond bestaat, wordt
gestraft hij die, na door een
rechterlijke beslissing waartegen geen
verzet of hoger beroep meer openstaat,
te zijn veroordeeld om een uitkering tot
onderhoud te betalen aan zijn
echtgenoot, aan zijn bloedverwanten in
de nederdalende of in de opgaande lijn,
meer dan twee maanden vrijwillig in
gebreke blijft de termijnen ervan te
kwijten.
[ Met dezelfde straffen wordt
gestraft hij die, in de omstandigheden
omschreven in het eerste lid, niet
voldoet aan de verplichtingen bepaald in
de artikelen 203bis, 206, 207, 301, 303,
[ ... ] 336 [ en 353-14van het
Burgerlijk Wetboek ] en in de artikelen
1288, 3° en 4°, [ ... ] van het
Gerechtelijk Wetboek. ]
(W. 24.4.2003 - art. 6 - B.S.
16.5.2003)
(W. 27.4.2007 - art. 40,1° - B.S.
7.6.2007)
Dezelfde straffen zijn van toepassing
op de echtgenoot die zich vrijwillig
geheel of ten dele onttrekt aan de
gevolgen van de machtiging door de
rechter verleend krachtens [ de
artikelen 203ter, 221 en [ 301, § 11 ]
van het Burgerlijk Wetboek en 1280,
vijfde lid, [ ... ] van het Gerechtelijk
Wetboek ], wanneer tegen die machtiging
geen verzet of hoger beroep meer
openstaat.
(W. 27.4.2007 - art. 40,2° - B.S.
7.6.2007)
(W. 27.4.2007 - art. 40,3° - B.S.
7.6.2007)
Hetzelfde geldt voor de echtgenoot
die, na te zijn veroordeeld, hetzij tot
een van de verplichtingen op de niet
nakoming waarvan door de eerste twee
leden van dit artikel straf is gesteld,
hetzij ingevolge [ de artikelen 203ter,
221 en [ 301, § 11 ] van het Burgerlijk
Wetboek en 1280, vijfde lid, [ ... ] van
het Gerechtelijk Wetboek ] zich
vrijwillig ervan onthoudt de door de
sociale wetgeving voorgeschreven
formaliteiten te vervullen en zijn
echtgenoot of zijn kinderen aldus
berooft van de voordelen waarop zij
aanspraak konden maken.
(W. 27.4.2007 - art. 40,2° - B.S.
7.6.2007)
(W. 27.4.2007 - art. 40,3° - B.S.
7.6.2007)
[ Dezelfde straffen gelden voor
eenieder die het toezicht op de
gezinsbijslag of andere sociale
uitkeringen vrijwillig belemmert, door
na te laten de nodige documenten te
bezorgen aan de instellingen belast met
de vereffening van die uitkeringen, door
valse of onvolledige aangiften te doen,
of door de bestemming te wijzigen die de
persoon of de overheid, aangewezen
overeenkomstig artikel 29 van [ de wet
van 8 april 1965 betreffende de
jeugdbescherming, het ten laste nemen
van minderjarigen die een als misdrijf
omschreven feit hebben gepleegd en het
herstel van de door dit feit
veroorzaakte schade ] , eraan gegeven
heeft. ]
(W. 10.8.2005 - art. 2 - B.S.
2.9.2005)
(W. 15.5.2006 - art. 21 - B.S.
2.6.2006)
In geval van een tweede veroordeling
wegens een van de in dit artikel
omschreven misdrijven, gepleegd binnen
een termijn van vijf jaar te rekenen van
de eerste, kunnen de straffen worden
verdubbeld. ]
(W. 5.7.1963 - art. 1 - B.S.
19.7.1963)
(W. 31.3.1987 - art. 93 - B.S.
27.5.1987)
|
ART. 391ter
[ Wanneer een persoon meer dan twee
maanden in gebreke is gebleven te
voldoen aan een van de verplichtingen op
de niet-nakoming waarvan door artikel
391bis straf is gesteld, kan hij voor de
vrederechter worden opgeroepen op
verzoek van belanghebbenden of van het
openbaar ministerie. De oproeping
geschiedt door middel van een
aangetekende brief, door de griffier
getekend en verzonden met een bericht
van ontvangst.
De vrederechter neemt de verklaringen
van de partijen af en maakt van een en
ander een proces-verbaal op, dat hij aan
de procureur des Konings doet toekomen.
]
(W. 5.7.1963 - art. 2 - B.S.
19.7.1963)
|
[ HOOFDSTUK X. - Misdrijven en
wanbedrijven inzake adoptie ] (W.
24.4.2003 - art. 7 - B.S. 16.5.2003)
|
ART. 391quater
[ Met een gevangenisstraf van een maand
tot een jaar en met geldboete van
zesentwintig euro tot vijfhonderd euro
of met een van die straffen alleen wordt
gestraft hij die voor zichzelf, met
bedrieglijk inzicht, een adoptie heeft
verkregen of proberen te verkrijgen die
strijdig is met de bepalingen van de
wet.
Bij herhaling binnen drie jaar te
rekenen van een in kracht van gewijsde
gegaan vonnis van veroordeling wegens
overtreding van het bepaalde in het
eerste lid kunnen deze straffen worden
verdubbeld. ]
(W. 24.4.2003 - art. 7 - B.S.
16.5.2003)
|
ART. 391quinquies
[ Met een gevangenisstraf van een jaar
tot vijf jaar en met geldboete van
vijfhonderd euro tot
vijfentwintigduizend euro of met een van
die straffen alleen wordt gestraft hij
die bij een adoptie als tussenpersoon is
opgetreden en voor een derde een adoptie
heeft verkregen of proberen te
verkrijgen zonder lid te zijn van een
daartoe vooraf door de bevoegde
gemeenschap erkende adoptiedienst of die
als lid van een erkende adoptiedienst
voor een derde een adoptie heeft
verkregen of proberen te verkrijgen die
strijdig is met de bepalingen van de
wet. ]
(W. 24.4.2003 - art. 7 - B.S.
16.5.2003)
|
[ HOOFDSTUK XI Gedwongen huwelijk ]
(Ingevoegd W. 25.4.2007 - art. 2 - B.S.
15.6.2007)
|
ART. 391sexies
[ Hij die iemand door geweld of
bedreiging dwingt een huwelijk aan te
gaan, wordt gestraft met gevangenisstraf
van een maand tot twee jaar of met
geldboete van honderd euro tot
vijfhonderd euro.
De poging wordt gestraft met
gevangenisstraf van vijftien dagen tot
een jaar of met geldboete van vijftig
euro tot tweehonderd vijftig euro. ]
(Ingevoegd W. 25.4.2007 - art. 2 -
B.S. 15.6.2007)
|
TITEL VIII Misdaden en wanbedrijven
tegen personen
|
[ EERSTE HOOFDSTUK Opzettelijk
doden, opzettelijk toebrengen van
lichamelijk letsel, foltering,
onmenselijke behandeling en onterende
behandeling ] (W. 14.6.2002 - art. 4 -
B.S. 14.8.2002)
|
ART. 392
Opzettelijk worden genoemd het doden en
het toebrengen van letsel met het
oogmerk om een bepaald persoon of een
persoon die zal worden aangetroffen of
ontmoet, aan te randen, ook al was dit
oogmerk afhankelijk van enige
omstandigheid of van enige voorwaarde en
zelfs al heeft de dader zich vergist
omtrent de persoon die het slachtoffer
van de aanranding is geworden.
|
ART. 392bis
[Voor de toepassing van dit hoofdstuk
worden met de woorden "vader", "moeder",
"ouders" en "bloedverwant in opgaande
lijn" ook de adoptanten en, in geval van
adoptie en volle adoptie, ook de
bloedverwanten in de opgaande lijn van
de adoptanten bedoeld. ]
(W. 31.3.1987 - art. 94 - B.S.
27.5.1987)
|
EERSTE AFDELING Doodslag en
verschillende soorten van doodslag
|
ART. 393
Doden met het oogmerk om te doden wordt
doodslag genoemd. Het wordt gestraft met
[ opsluiting van twintig jaar tot dertig
jaar ] .
(W. 23.1.2003 - art. 65 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 394
Doodslag met voorbedachten rade wordt
moord genoemd. Hij wordt gestraft met [
levenslange opsluiting ].
(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S.
1.8.1996)
|
ART. 395
[ Doodslag op de vader, de moeder of
andere bloedverwanten in de opgaande
lijn wordt oudermoord genoemd en wordt
gestraft met [ levenslange opsluiting. ]
(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S.
1.8.1996)
(W. 31.3.1987 - art. 95 - B.S.
27.5.1987)
|
ART. 396
Doodslag gepleegd op een kind bij de
geboorte of dadelijk daarna, wordt
kindermoord genoemd.
Kindermoord wordt naar gelang van de
omstandigheden gestraft als doodslag of
als moord.
[ ... ]
(Opgeheven bij W. 12.7.1984 - enig
art - B.S. 31.8.1984)
|
ART. 397
Vergiftiging wordt genoemd de doodslag
gepleegd door middel van stoffen die min
of meer snel de dood kunnen
teweegbrengen, op welke wijze die
stoffen ook aangewend of toegediend
zijn. Zij wordt gestraft met [
levenslange opsluiting ].
(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S.
1.8.1996)
|
AFDELING II Opzettelijk doden, niet
doodslag genoemd, en opzettelijk
toebrengen van lichamelijk letsel
|
ART. 398
Hij die opzettelijk verwondingen of
slagen toebrengt, wordt gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot zes
maanden en met geldboete van
zesentwintig frank tot honderd frank of
met een van die straffen alleen.
Ingeval de schuldige heeft gehandeld
met voorbedachten rade, wordt hij
veroordeeld tot gevangenisstraf van een
maand tot een jaar en tot geldboete van
vijftig frank tot tweehonderd frank.
|
ART. 399
Indien de slagen of verwondingen een
ziekte of ongeschiktheid tot het
verrichten van persoonlijke arbeid ten
gevolge hebben, wordt de schuldige
gestraft met gevangenisstraf van twee
maanden tot twee jaar en met geldboete
van vijftig frank tot tweehonderd frank.
De schuldige wordt gestraft met
gevangenisstraf van zes maanden tot drie
jaar en met geldboete van honderd frank
tot vijfhonderd frank, indien hij met
voorbedachten rade heeft gehandeld.
|
ART. 400
De straf is gevangenisstraf van twee
jaar tot vijf jaar en geldboete van
tweehonderd frank tot vijfhonderd frank,
indien de slagen of verwondingen, hetzij
een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij
een blijvende ongeschiktheid tot het
verrichten van persoonlijke arbeid,
hetzij het volledig verlies van het
gebruik van een orgaan, hetzij een zware
verminking ten gevolge hebben.
De straf is [ opsluiting van vijf
jaar tot tien jaar ] , ingeval de
schuldige heeft gehandeld met
voorbedachten rade.
(W. 23.1.2003 - art. 66 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 401
[Wanneer de slagen of verwondingen
opzettelijk worden toegebracht, maar
zonder het oogmerk om te doden, en toch
de dood veroorzaken, wordt de schuldige
gestraft met opsluiting van vijf jaar
tot tien jaar.
Hij wordt gestraft met opsluiting van
tien jaar tot vijftien jaar indien hij
die gewelddaden met voorbedachten rade
pleegt. ]
(W. 23.1.2003 - art. 67 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 401bis
[ ... ]
(Opgeheven W. 28.11.2000 - art. 52 -
B.S. 17.3.2001)
|
ART. 402
Met gevangenisstraf van drie maanden tot
vijf jaar en met geldboete van vijftig
frank tot vijfhonderd frank wordt
gestraft hij die bij een ander een
ziekte of ongeschiktheid tot het
verrichten van persoonlijke arbeid
veroorzaakt door hem, opzettelijk maar
zonder het oogmerk om te doden, stoffen
toe te dienen die de dood kunnen
teweegbrengen, of stoffen die, al zijn
zij niet van die aard dat zij de dood
teweegbrengen, toch de gezondheid zwaar
kunnen schaden.
|
ART. 403
De straf is [ opsluiting van vijf jaar
tot tien jaar ] , wanneer die stoffen
hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte,
hetzij een blijvende ongeschiktheid tot
het verrichten van persoonlijke arbeid,
hetzij het volledig verlies van het
gebruik van een orgaan ten gevolge
hebben.
(W. 23.1.2003 - art. 68 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 404
Indien de stoffen opzettelijk worden
toegediend, maar zonder het oogmerk om
te doden, en toch de dood veroorzaken,
wordt de schuldige gestraft met [
opsluiting ] van vijftien jaar tot
twintig jaar.
(W. 23.1.2003 - art. 69 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 405
Poging om iemand stoffen als bedoeld in
artikel 402 toe te dienen, zonder het
oogmerk om te doden, wordt gestraft met
gevangenisstraf van een maand tot drie
jaar en met geldboete van zesentwintig
frank tot driehonderd frank.
|
ART. 405bis
[In de hierna bedoelde gevallen, indien
de misdaad of het wanbedrijf is gepleegd
op een minderjarige of op een persoon
die uit hoofde van zijn lichaams- of
geestestoestand niet bij machte is om in
zijn onderhoud te voorzien, zijn de
straffen de volgende :
1° in de gevallen bedoeld in artikel
398, eerste lid, zijn de straffen
gevangenisstraf van een maand tot een
jaar en geldboete van zesen-twintig
frank tot honderd frank;
2° in de gevallen bedoeld in artikel
398, tweede lid, zijn de straffen
gevangenisstraf van twee maanden tot
twee jaar en geldboete van vijftig frank
tot tweehonderd frank;
3° in de gevallen bedoeld in artikel
399, eerste lid, zijn de straffen
gevangenisstraf van vier maanden tot
vier jaar en geldboete van vijftig frank
tot tweehonderd frank;
4° in de gevallen bedoeld in artikel
399, tweede lid, zijn de straffen
gevangenisstraf van een jaar tot vijf
jaar en geldboete van honderd frank tot
vijfhonderd frank;
5° in de gevallen bedoeld in artikel
400, eerste lid, is de straf opsluiting
van vijf jaar tot tien jaar;
6° in de gevallen bedoeld in artikel
400, tweede lid, is de straf opsluiting
van tien jaar tot vijftien jaar;
7° in de gevallen bedoeld in artikel
401, eerste lid, is de straf opsluiting
van tien jaar tot vijftien jaar;
8° in de gevallen bedoeld in artikel
401, tweede lid, is de straf opsluiting
van vijftien jaar tot twintig jaar;
9° in de gevallen bedoeld in artikel
402 is de straf opsluiting van vijf jaar
tot tien jaar;
10° in de gevallen bedoeld in artikel
403 is de straf opsluiting van tien jaar
tot vijftien jaar.
11° in de gevallen bedoeld in artikel
404 is de straf opsluiting van zeventien
jaar tot twintig jaar. ]
(W. 28.11.2000 - art. 28 - B.S.
17.3.2001)
|
ART. 405ter
[- In de gevallen bepaald in de
artikelen 398 tot 405bis, indien de
misdaad of het wanbedrijf is gepleegd op
een minderjarige of op een persoon die,
uit hoofde van zijn lichaams- of
geestestoestand niet bij machte is om in
zijn onderhoud te voorzien, door zijn
vader, moeder of andere bloedverwanten
in de opgaande lijn, of door enige
andere persoon die gezag heeft over de
minderjarige of de onbekwame, of door
een persoon die hen onder zijn bewaring
heeft, of door een persoon die
occasioneel of gewoonlijk samenwoont met
het slachtoffer, wordt het minimum van
de bij die artikelen bepaalde straffen
verdubbeld in geval van gevangenisstraf
en met twee jaar verhoogd in geval van
opsluiting. ]
|
ART. 405quater
[ In de gevallen bepaald in de artikelen
393 tot 405bis kan het minimum van de
bij die artikelen bepaalde straffen
worden verdubbeld in geval van
correctionele straffen en met twee jaar
verhoogd in geval van opsluiting,
wanneer een van de drijfveren van de
misdaad of het wanbedrijf bestaat in de
haat tegen, het misprijzen van of de
vijandigheid tegen een persoon wegens
diens zogenaamd ras, zijn huidskleur,
zijn afkomst, zijn nationale of etnische
afstamming, zijn nationaliteit, zijn
geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn
burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn
leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of
levensbeschouwing, zijn huidige of
toekomstige gezondheidstoestand, een
handicap, zijn taal, zijn politieke
overtuiging, een fysieke of genetische
eigenschap of zijn sociale afkomst. ]
(W. 10.5.2007 - art. 34 - B.S.
30.5.2007)
|
ART. 406
[ Met [ opsluiting van vijf jaar tot
tien jaar ] wordt gestraft hij die
kwaadwillig het verkeer op de spoorweg,
de weg, de binnenwateren of op zee
belemmert door enige handeling die een
aanslag uitmaakt op de verkeerswegen, de
kunstwerken of het materieel, of door
enige andere handeling die het verkeer
met of het gebruik van vervoermiddelen
gevaarlijk kan maken of die ongevallen
kan veroorzaken bij het gebruik van of
het verkeer met die vervoermiddelen.
(W. 23.1.2003 - art. 70 - B.S.
13.3.2003)
Buiten de gevallen van het vorige lid
wordt met gevangenisstraf van acht dagen
tot drie maanden, en met geldboete van
zesentwintig frank tot duizend frank
gestraft hij die kwaadwillig het verkeer
op de spoorweg, de weg, de binnenwateren
of op zee belemmert door enig voorwerp
dat een belemmering voor het verkeer met
of voor het gebruik van vervoermiddelen
uitmaakt.
Met gevangenisstraf van acht dagen
tot twee maanden en met geldboete van
zesentwintig frank tot vijfhonderd frank
wordt gestraft hij die, door enige
andere handeling, kwaadwillig het
verkeer dat gaande is op de spoorweg of
op de weg, belet. ]
(W. 7.6.1963 - art. 2 - B.S.
15.6.1963)
|
ART. 407
[Indien het feit verwondingen als
bedoeld in artikel 399 ten gevolge
heeft, wordt de schuldige veroordeeld
tot opsluiting van tien jaar tot
vijftien jaar. Hij wordt veroordeeld tot
opsluiting van vijftien jaar tot twintig
jaar indien het verwondingen betreft als
bedoeld in artikel 400. ]
(W. 23.1.2003 - art. 71 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 408
Indien het feit iemands dood ten gevolge
heeft, wordt de schuldige gestraft met [
opsluiting van twintig jaar tot dertig
jaar ] .
(W. 23.1.2003 - art. 72 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 409
[- § 1. Hij die eender welke vorm van
verminking van de genitaliën van een
persoon van het vrouwelijk geslacht
uitvoert, vergemakkelijkt of bevordert,
met of zonder haar toestemming, wordt
gestraft met gevangenisstraf van drie
jaar tot vijf jaar.
De poging wordt gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot een
jaar.
§ 2. Indien de verminking uitgevoerd
wordt op een minderjarige of met een
winstoogmerk, is de straf opsluiting van
vijf jaar tot zeven jaar.
§ 3. Indien de verminking een
ongeneeslijk lijkende ziekte of een
blijvende arbeidsongeschiktheid heeft
veroorzaakt, is de straf opsluiting van
vijf jaar tot tien jaar.
§ 4. Wanneer de verminking zonder het
oogmerk om te doden, toch de dood ten
gevolge heeft, is de straf opsluiting
van tien jaar tot vijftien jaar.
§ 5. Is de in § 1 bedoelde verminking
op een minderjarige of een persoon die
uit hoofde van zijn lichaams- of
geestestoestand niet bij machte is om in
zijn onderhoud te voorzien, uitgevoerd
door zijn vader, moeder of andere
bloedverwanten in de opgaande lijn, of
door enige andere persoon die gezag
heeft over de minderjarige of de
onbekwame, of door een persoon die hen
onder zijn bewaring heeft, of door een
persoon die occasioneel of gewoonlijk
samenwoont met het slachtoffer, dan
wordt het minimum van de bij de §§ 1 tot
4 bepaalde straffen verdubbeld in geval
van gevangenisstraf en met twee jaar
verhoogd in geval van opsluiting. ]
(W. 28.11.2000 - art. 29 - B.S.
17.3.2001)
|
ART. 410
[ Indien de schuldige, in de gevallen
omschreven in de artikelen 398 tot 405,
de misdaad of het wanbedrijf pleegt
tegen zijn vader, moeder of andere
bloedverwanten in de opgaande lijn,
wordt de minimumstraf bedoeld in die
artikelen verdubbeld in geval van
gevangenisstraf en met twee jaar
verhoogd in geval van opsluiting. ]
(W. 28.11.2000 - art. 30, 1° - B.S.
17.3.2001)
[ ... ]
(Opgeheven W. 28.11.2000 - art. 30,
2° - B.S. 17.3.2001)
[ Hetzelfde geldt [ ... ] ingeval de
schuldige de misdaad of het wanbedrijf
heeft gepleegd tegen zijn echtgenoot of
de persoon met wie hij samenleeft of
samengeleefd heeft en een duurzame
affectieve en seksuele relatie heeft of
gehad heeft. ] [ Bovendien wordt de
maximumstraf, in het geval bepaald in
artikel 398, eerste lid, verhoogd tot
gevangenisstraf van een jaar. ]
(W. 24.11.1997 - art. 2 - B.S.
6.2.1998)
(W. 28.11.2000 - art. 30, 3° - B.S.
17.3.2001)
(W. 28.1.2003 - art. 2 - B.S.
12.2.2003)
|
ART. 410bis
[ Indien de schuldige, in de gevallen
omschreven in de artikelen 398 tot 405,
de misdaad of het wanbedrijf pleegt
tegen een chauffeur, een begeleider, een
controleur of een loketbediende van een
uitbater van een netwerk voor openbaar
vervoer, een postbode, een brandweerman,
een lid van de civiele bescherming, een
ambulancier, een arts, een apotheker,
een kinesitherapeut, een
verpleegkundige, een lid van het
personeel aangesteld voor het onthaal in
de spoeddiensten van de
verzorgingsinstellingen, een
maatschappelijk werker of een psycholoog
van een openbare dienst, in de
uitoefening van hun bediening, wordt de
minimumstraf bedoeld in die artikelen
verdubbeld in geval van gevangenisstraf
en met twee jaar verhoogd in geval van
opsluiting.
Hetzelfde geldt wanneer de schuldige,
die als leerling of student is
ingeschreven in een onderwijsinstelling
of er was ingeschreven tijdens de zes
maanden die aan de feiten zijn
voorafgegaan, of die vader, moeder of
familielid van die leerling of student
is, of enige andere persoon is die gezag
heeft over die leerling of student of
hem onder zijn bewaring heeft, de
misdaad of het wanbedrijf heeft gepleegd
tegen een lid van het personeel of van
de directie van de onderwijsinstelling,
tegen de personen die de opvang van
leerlingen verzorgen in een
medisch-pedagogisch Instituut dat door
een gemeenschap wordt ingericht of
gesubsidieerd, of tegen een externe
actor die door de gemeenschapsoverheden
belast is met het voorkomen en het
oplossen van geweld op school, in de
uitoefening van hun bediening. ]
(Ingevoegd W. 20.12.2006 - art. 6 -
B.S. 12.2.2007)
|
AFDELING III Verschoonbare doodslag,
verschoonbare verwondingen en
verschoonbare slagen
|
ART. 411
Doodslag, verwondingen en slagen zijn
verschoonbaar, indien zij onmiddellijk
uitgelokt worden door zware gewelddaden
tegen personen.
|
ART. 412
De misdaden en wanbedrijven, in het
vorige artikel genoemd, zijn eveneens
verschoonbaar, indien zij gepleegd
worden bij het afweren overdag van de
beklimming of de braak van de
afsluitingen, muren of toegangen van een
bewoond huis of appartement of de
aanhorigheden ervan, behalve wanneer
blijkt dat de dader niet kon geloven aan
een aanranding van personen, hetzij als
rechtstreeks doel van hem die poogt in
te klimmen of in te breken. hetzij als
gevolg van de weerstand welke diens
voornemen mocht ontmoeten.
|
ART. 413
[ ... ]
(Opgeheven W. 24.11.1997 - art. 3 -
B.S. 6.2.1998)
|
ART. 414
Wanneer het verschonend feit bewezen is,
wordt de straf verminderd als volgt:
Tot gevangenisstraf van een jaar tot
vijf jaar en tot geldboete van honderd
frank tot vijfhonderd frank, indien het
een misdaad betreft, waarop [
levenslange opsluiting ] of [ opsluiting
van twintig jaar tot dertig jaar ]
gesteld is;
(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S.
1.8.1996)
(W. 23.1.2003 - art. 73 - B.S.
13.3.2003)
Tot gevangenisstraf van zes maanden
tot twee jaar en tot geldboete van
vijftig frank tot tweehonderd frank,
indien het enige andere misdaad betreft;
Tot gevangenisstraf van acht dagen
tot drie maanden en tot geldboete van
zesentwintig frank tot honderd frank,
indien het een wanbedrijf betreft.
|
ART. 415
[ ... ]
(Opgeheven W. 28.11.2000 - art. 52 -
B.S. 17.3.2001)
|
AFDELING IV Gerechtvaardigde
doodslag, gerechtvaardigde verwondingen
en gerechtvaardigde slagen
|
ART. 416
Er is noch misdaad, noch wanbedrijf,
wanneer de doodslag, de verwondingen en
de slagen geboden zijn door de
ogenblikkelijke noodzaak van de wettige
verdediging van zichzelf of van een
ander.
|
ART. 417
Onder de gevallen van ogenblikkelijke
noodzaak van de verdediging worden de
twee volgende gevallen begrepen:
Wanneer de doodslag gepleegd wordt,
wanneer de verwondingen of de slagen
toegebracht worden bij het afweren, bij
nacht, van de beklimming of de braak van
de afsluitingen, muren of toegangen van
een bewoond huis of appartement of de
aanhorigheden ervan, behalve wanneer
blijkt dat de dader niet kon geloven aan
een aanranding van personen, hetzij als
rechtstreeks doel van hem die poogt in
te klimmen of in te breken, hetzij als
gevolg van de weerstand welke diens
voornemen mocht ontmoeten;
Wanneer het feit plaatsheeft bij het
zich verdedigen tegen de daders van
diefstal of plundering die met geweld
tegen personen wordt gepleegd.
|
[ AFDELING V Foltering, onmenselijke
behandeling en onterende behandeling
|
ART. 417bis
Voor de toepassing van deze afdeling
wordt verstaan onder :
1° foltering : elke opzettelijke
onmenselijke behandeling die hevige pijn
of ernstig en vreselijk lichamelijk of
geestelijk lijden veroorzaakt;
2° onmenselijke behandeling : elke
behandeling waardoor een persoon
opzettelijk ernstig geestelijk of
lichamelijk leed wordt toegebracht,
onder meer om van hem inlichtingen te
verkrijgen of bekentenissen af te
dwingen of om hem te straffen, of om
druk op hem of op derden uit te oefenen,
of hem of derden te intimideren;
3° onterende behandeling : elke
behandeling die in de ogen van het
slachtoffer of van derden een ernstige
krenking of aantasting van de menselijke
waardigheid uitmaakt. ]
(W. 14.6.2002 - art. 5 - B.S.
14.8.2002)
|
ART. 417ter
Hij die een persoon aan foltering
onderwerpt, wordt gestraft met
opsluiting van tien jaar tot vijftien
jaar.
Het misdrijf bedoeld in het eerste
lid wordt gestraft met opsluiting van
vijftien jaar tot twintig jaar in de
volgende gevallen :
1° als het is gepleegd :
a) hetzij door een openbaar officier
of ambtenaar, drager of agent van de
openbare macht die handelt naar
aanleiding van de uitoefening van zijn
bediening;
b) hetzij op een persoon die ten
gevolge van zwangerschap, een ziekte,
dan wel een lichamelijk of een
geestelijk gebrek of onvolwaardigheid of
wegens een precaire toestand bijzonder
kwetsbaar is;
c) hetzij op een minderjarige;
2° of wanneer de handeling een
ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een
blijvende fysieke of psychische
ongeschiktheid, hetzij het volledig
verlies van een orgaan of van het
gebruik van een orgaan, hetzij een zware
verminking heeft veroorzaakt.
Het misdrijf bedoeld in het eerste
lid wordt gestraft met opsluiting van
twintig jaar tot dertig jaar als :
1° als het is gepleegd op een
minderjarige of op een persoon die uit
hoofde van zijn lichaams- of
geestestoestand niet bij machte is om in
zijn onderhoud te voorzien, door de
vader, de moeder of door andere
bloedverwanten in de opgaande lijn, door
enig andere persoon die gezag over hem
heeft of die hem onder zijn bewaring
heeft, of door iedere meerderjarige
persoon die occasioneel of gewoonlijk
met het slachtoffer samenleeft;
2° of als het de dood heeft
veroorzaakt, en gepleegd is zonder het
oogmerk om te doden.
Het bevel van een meerdere of van een
gezag kan het misdrijf bedoeld in het
eerste lid niet verantwoorden. ]
(W. 14.6.2002 - art. 5 - B.S.
14.8.2002)
[ De noodtoestand kan het misdrijf
bedoeld in het eerste lid niet
verantwoorden. ]
(W. 18.5.2006 - art. 2 - B.S.
1.12.2006)
|
ART. 417quater
Hij die een persoon aan een onmenselijke
behandeling onderwerpt, wordt gestraft
met opsluiting van vijf jaar tot tien
jaar.
Het misdrijf bedoeld in het eerste
lid wordt gestraft met opsluiting van
tien jaar tot vijftien jaar in de
volgende gevallen :
1° als het is gepleegd :
a) hetzij door een openbaar officier
of ambtenaar, drager of agent van de
openbare macht die handelt naar
aanleiding van de uitoefening van zijn
bediening;
b) hetzij op een persoon die ten
gevolge van zwangerschap, een ziekte,
dan wel een lichamelijk of een
geestelijk gebrek of onvolwaardigheid of
wegens een precaire toestand bijzonder
kwetsbaar is;
c) hetzij op een minderjarige;
2° of wanneer de handeling een
ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een
blijvende fysieke of psychische
ongeschiktheid, hetzij het volledig
verlies van een orgaan of van het
gebruik van een orgaan, hetzij een zware
verminking heeft veroorzaakt.
Het misdrijf bedoeld in het eerste
lid wordt gestraft met opsluiting van
vijftien jaar tot twintig jaar :
1° als het is gepleegd op een
minderjarige of op een persoon die uit
hoofde van zijn lichaams- of
geestestoestand niet bij machte is om in
zijn onderhoud te voorzien, door de
vader, de moeder of door andere
bloedverwanten in de opgaande lijn, door
enig andere persoon die gezag over hem
heeft of die hem onder zijn bewaring
heeft, of door iedere meerderjarige
persoon die occasioneel of gewoonlijk
met het slachtoffer samenleeft;
2° of als het de dood heeft
veroorzaakt en gepleegd is zonder het
oogmerk te doden.
Het bevel van een meerdere of van een
gezag kan het misdrijf bedoeld in het
eerste lid niet verantwoorden. ]
(W. 14.6.2002 - art. 5 - B.S.
14.8.2002)
|
ART. 417quinquies
Hij die een persoon aan een onterende
behandeling onderwerpt, wordt gestraft
met gevangenisstraf van vijftien dagen
tot twee jaar en met geldboete van 50
EUR tot 300 EUR of met een van die
straffen alleen. ]
(W. 14.6.2002 - art. 5 - B.S.
14.8.2002)
|
HOOFDSTUK II Onopzettelijk doden en
onopzettelijk toebrengen van lichamelijk
letsel
|
ART. 418
Schuldig aan onopzettelijk doden of aan
onopzettelijk toebrengen van letsel is
hij die het kwaad veroorzaakt door
gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg,
maar zonder het oogmerk om de persoon
van een ander aan te randen.
|
ART. 419
Hij die onopzettelijk iemands dood
veroorzaakt, wordt gestraft met
gevangenisstraf van drie maanden tot
twee jaar en met geldboete van vijftig
frank tot duizend frank.
[ Wanneer de doding het gevolg is van
een verkeersongeval dan bedraagt de
gevangenisstraf drie maanden tot vijf
jaar en de geldboete 50 euro tot 2000
euro. ]
(W. 20.7.2005 - art. 28 - B.S.
11.8.2005)
|
ART. 419bis
[ ... ]
(Opgeheven W. 20.7.2005 - art. 30 -
B.S. 11.8.2005)
|
ART. 420
Indien het gebrek aan voorzichtigheid of
voorzorg alleen slagen of verwondingen
ten gevolge heeft, wordt de schuldige
gestraft [ met gevangenisstraf van acht
dagen tot zes maanden ] en met geldboete
van vijftig frank tot vijfhonderd frank
of met een van die straffen alleen.
(W. 31.3.1936 - art. 1 - B.S.
19.4.1936)
[ Wanneer de slagen of verwondingen
het gevolg zijn van een verkeersongeval
dan bedraagt de gevangenisstraf acht
dagen tot een jaar en de geldboete 50
euro tot 1000 euro. ]
(W. 20.7.2005 - art. 29 - B.S.
11.8.2005)
|
ART. 420bis
[ ... ]
(Opgeheven W. 20.7.2005 - art. 30 -
B.S. 11.8.2005)
|
ART. 421
Met gevangenisstraf van acht dagen tot
een jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot tweehonderd frank
of met een van die straffen alleen wordt
gestraft hij die onopzettelijk bij een
ander een ziekte of ongeschiktheid tot
het verrichten van persoonlijke arbeid
veroorzaakt door hem stoffen toe te
dienen, die de dood kunnen teweegbrengen
of de gezondheid zwaar kunnen schaden.
|
ART. 422
Wanneer zich een treinongeval voordoet,
dat de personen die zich in de trein
bevinden, in gevaar kan brengen, wordt
hij die onopzettelijk de oorzaak ervan
is, gestraft met gevangenisstraf van
acht dagen tot twee maanden en met
geldboete van zesentwintig frank tot
tweehonderd frank of met een van die
straffen alleen.
Indien het ongeval enig lichamelijk
letsel ten gevolge heeft, wordt de
schuldige gestraft met gevangenisstraf
van een maand tot drie jaar en met
geldboete van vijftig frank tot
driehonderd frank.
Indien het ongeval de dood van een
persoon ten gevolge heeft, is de
gevangenisstraf zes maanden tot vijf
jaar en de geldboete honderd frank tot
zeshonderd frank.
|
[ Enkele gevallen van schuldig
verzuim ] (W. 6.1.1961 - art. 1 - B.S.
14.1.1961)
|
ART. 422bis
[ Met gevangenisstraf van acht dagen tot
[ een jaar ] en met geldboete van
vijftig frank tot vijfhonderd frank of
met een van die straffen alleen wordt
gestraft hij die verzuimt hulp te
verlenen of te verschaffen aan iemand
die in groot gevaar verkeert, hetzij hij
zelf diens toestand heeft vastgesteld,
hetzij die toestand hem is beschreven
door degenen die zijn hulp inroepen.
Voor het misdrijf is vereist dat de
verzuimer kon helpen zonder ernstig
gevaar voor zichzelf of voor anderen.
Heeft de verzuimer niet persoonlijk het
gevaar vastgesteld waarin de
hulpbehoevende verkeerde, dan kan hij
niet worden gestraft, indien hij op
grond van de omstandigheden waarin hij
werd verzocht te helpen, kon geloven dat
het verzoek niet ernstig was of dat er
gevaar aan verbonden was. ]
(W. 6.1.1961 - art. 1 - B.S.
14.1.1961)
(W. 13.4.1995 - art. 4 - B.S.
25.4.1995)
[ De straf bedoeld in het eerste lid
wordt op twee jaar gebracht indien de
persoon die in groot gevaar verkeert,
minderjarig is. ]
(W. 13.4.1995 - art. 4 - B.S.
25.4.1995)
|
ART. 422ter
[ Met de straffen in het vorige artikel
bepaald wordt gestraft hij die, hoewel
hij in staat is het te doen zonder
ernstig gevaar voor zichzelf of voor
anderen, weigert of nalaat aan iemand
die in gevaar verkeert, de hulp te
bieden waartoe hij wettelijk wordt
opgevorderd; hij die, hoewel daartoe in
staat, weigert of nalaat het werk of de
dienst te doen of de hulp te verlenen
waartoe hij wordt opgevorderd bij
ongeval, beroering, schipbreuk,
overstroming, brand of andere rampen,
evenals in geval van roverij,
plundering, ontdekking op heterdaad,
vervolging door het openbaar geroep of
van gerechtelijke tenuitvoerlegging. ]
(W. 6.1.1961 - art. 1 - B.S.
14.1.1691)
|
ART. 422quater
[ In de gevallen bepaald in de artikelen
422bis en 422ter kan het minimum van de
bij die artikelen bepaalde correctionele
straffen worden verdubbeld, wanneer een
van de drijfveren van de misdaad of het
wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het
misprijzen van of de vijandigheid tegen
een persoon wegens diens zogenaamd ras,
zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn
nationale of etnische afstamming, zijn
nationaliteit, zijn geslacht, zijn
seksuele geaardheid, zijn burgerlijke
staat, zijn geboorte, zijn leeftijd,
zijn fortuin, zijn geloof of
levensbeschouwing, zijn huidige of
toekomstige gezondheidstoestand, een
handicap, zijn taal, zijn politieke
overtuiging, een fysieke of genetische
eigenschap of zijn sociale afkomst. ]
(W. 10.5.2007 - art. 35 - B.S.
30.5.2007)
|
[ HOOFDSTUK III. - Aantasting van de
persoon van minderjarigen, van
onbekwamen en van het gezin.
|
AFDELING I. - Verlaten of in
behoeftige toestand achterlaten van
kinderen of onbekwamen
|
ART. 423
- § 1. Zij die een minderjarige of een
persoon die uit hoofde van zijn
lichaams- of geestestoestand niet in
staat is om zichzelf te beschermen, op
om het even welke plaats verlaten of
doen verlaten, worden gestraft met
gevangenisstraf van een maand tot drie
jaar en met geldboete van zesentwintig
frank tot driehonderd frank.
§ 2. Indien de verlating een ernstige
verminking van de in § 1 bedoelde
persoon of een ongeneeslijk lijkende
ziekte of het volledig verlies van het
gebruik van een orgaan ten gevolge
heeft, worden de schuldigen gestraft met
gevangenisstraf van zes maanden tot vijf
jaar en met geldboete van vijftig frank
tot driehonderd frank of met een van die
straffen alleen.
§ 3. Indien de verlating de dood van
de in § 1 bedoelde persoon ten gevolge
heeft, worden de schuldigen gestraft met
opsluiting van vijf jaar tot tien jaar.
]
(W. 28.11.2000 - art. 31 - B.S.
17.3.2001)
|
ART. 424
- Met gevangenisstraf van acht dagen tot
zes maanden en met geldboete van vijftig
frank tot zeshonderd frank of met een
van die straffen alleen, onverminderd,
indien daartoe grond bestaat, de
toepassing van strengere
strafbepalingen, worden gestraft :
De vader of moeder of de adoptanten
die hun kind in behoeftige toestand
achterlaten, ook al wordt het niet
alleen gelaten, die weigeren het weer
bij zich te nemen en weigeren zijn
onderhoud te betalen als zij het aan een
derde hebben toevertrouwd of als het bij
rechterlijke beslissing aan een derde is
toevertrouwd.
In geval van een tweede veroordeling
wegens een van de in dit artikel
omschreven misdrijven, gepleegd binnen
een termijn van vijf jaar, te rekenen
van de eerste, kunnen de straffen worden
verdubbeld. ]
(W. 28.11.2000 - art. 31 - B.S.
17.3.2001)
|
AFDELING II. - Onthouden van voedsel
of verzorging aan minderjarigen en aan
onbekwamen
|
ART. 425
- § 1. Zij die een minderjarige of een
persoon die uit hoofde van zijn
lichaams- of geestestoestand niet in
staat is om in zijn onderhoud te
voorzien, opzettelijk voedsel of
verzorging onthouden, in dusdanige mate
dat zijn gezondheid in het gedrang wordt
gebracht, worden gestraft met
gevangenisstraf van een maand tot drie
jaar en met geldboete van zesentwintig
frank tot driehonderd frank of met een
van die straffen alleen.
§ 2. Indien het onthouden van voedsel
of verzorging een ongeneeslijk lijkende
ziekte, het volledige verlies van het
gebruik van een orgaan of ernstige
verminking ten gevolge heeft, wordt de
schuldige gestraft met opsluiting van
vijf jaar tot tien jaar.
§ 3. Indien het opzettelijk onthouden
van voedsel of verzorging, zonder het
oogmerk om te doden, toch de dood ten
gevolge heeft, wordt de schuldige
gestraft met opsluiting van tien jaar
tot vijftien jaar. ]
(W. 28.11.2000 - art. 31 - B.S.
17.3.2001)
|
ART. 426
- § 1. Met gevangenisstraf van acht
dagen tot twee maanden en met geldboete
van vijftig frank tot vijfhonderd frank
of met een van die straffen alleen,
onverminderd, indien daartoe grond
bestaat, de toepassing van strengere
strafbepalingen, worden gestraft zij die
de bewaring hebben van een minderjarige
of van een persoon die uit hoofde van
zijn lichaams- of geestestoestand niet
in staat is om in zijn onderhoud te
voorzien, het onderhoud van het kind of
van de persoon in dusdanige mate
nagelaten hebben dat zijn gezondheid in
het gedrang wordt gebracht.
§ 2. Indien de nalatigheid de dood
veroorzaakt van de minderjarige of van
de persoon die uit hoofde van zijn
lichaams- of geestestoestand niet in
staat is in zijn onderhoud te voorzien,
wordt de schuldige gestraft met
gevangenisstraf van drie maanden tot
twee jaar en met geldboete van vijftig
frank tot duizend frank. ]
(W. 28.11.2000 - art. 31 - B.S.
17.3.2001)
|
AFDELING III. - Bepaling aan de
afdelingen I en II gemeen
|
ART. 427
- In de gevallen omschreven in de
artikelen 423, 425 en 426, wordt de
minimumstraf gesteld in die artikelen
verdubbeld in geval van gevangenisstraf
en met twee jaar verhoogd in geval van
opsluiting indien de schuldige de daden
tegen zijn vader, moeder, adoptanten of
andere bloedverwanten in de opgaande
lijn heeft gepleegd.
Hetzelfde geldt indien de schuldige,
de vader, de moeder of de adoptant is
van het slachtoffer dan wel elke andere
persoon die gezag over het slachtoffer
heeft of de bewaring ervan heeft. ]
(W. 28.11.2000 - art. 31 - B.S.
17.3.2001)
|
AFDELING IV. - Ontvoering en
verberging van minderjarigen
|
ART. 428
- § 1. Met opsluiting van vijf jaar tot
tien jaar wordt gestraft hij die een
minderjarige die de leeftijd van twaalf
jaar niet heeft bereikt, ontvoert of
doet ontvoeren, zelfs als de
minderjarige zijn ontvoerder vrijwillig
is gevolgd.
§ 2. Met opsluiting van vijf jaar tot
tien jaar wordt gestraft hij die een
minderjarige die de leeftijd van twaalf
jaar heeft bereikt, ontvoert of doet
ontvoeren door geweld, list of
bedreiging.
§ 3. [ ... ]
(Opgeheven W. 14.6.2002 - art. 6 -
B.S. 14.8.2002)
§ 4. De straf is opsluiting van
vijftien jaar tot twintig jaar indien de
ontvoering of de gevangenhouding van de
ontvoerde minderjarige, hetzij een
ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een
blijvende fysieke of psychische
ongeschiktheid, hetzij het volledig
verlies van het gebruik van een orgaan,
hetzij een zware verminking ten gevolge
heeft.
§ 5. Indien de ontvoering of de
gevangenhouding de dood ten gevolge
heeft, is de straf opsluiting van
twintig jaar tot dertig jaar. ]
(W. 28.11.2000 - art. 31 - B.S.
17.3.2001)
|
ART. 429
- Met dezelfde straffen als de dader van
de ontvoering wordt gestraft hij die een
minderjarige van wie hij weet dat hij is
ontvoerd, bij zich houdt. ]
(W. 28.11.2000 - art. 31 - B.S.
17.3.2001)
|
ART. 430
- In de gevallen bedoeld in de artikelen
428 en 429, met uitzondering van de
gevallen bedoeld in artikel 428, §§ 3
tot 5, is de straf gevangenisstraf van
twee jaar tot vijf jaar en geldboete van
tweehonderd frank tot vijfhonderd frank
indien, binnen vijf dagen na de
ontvoering, de ontvoerder of de persoon
bedoeld in artikel 429 de minderjarige
vrijwillig heeft teruggegeven. ]
(W. 28.11.2000 - art. 31 - B.S.
17.3.2001)
|
AFDELING V. - Niet-afgeven van
kinderen
|
ART. 431
- Met gevangenisstraf van acht dagen tot
een jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot honderd frank of
met een van die straffen alleen worden
gestraft zij aan wie een minderjarige
beneden de leeftijd van twaalf jaar is
toevertrouwd en hem niet afgeven aan de
personen die het recht hebben hem op te
eisen.
Indien de schuldige deze minderjarige
meer dan vijf dagen verborgen houdt voor
degenen die het recht hebben hem op te
eisen of deze minderjarige onrechtmatig
buiten het grondgebied van het
Koninkrijk vasthoudt, wordt hij gestraft
met gevangenisstraf van een jaar tot
vijf jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot tweehonderd frank
of met een van die straffen alleen. ]
(W. 28.11.2000 - art. 31 - B.S.
17.3.2001)
|
ART. 432
- § 1. Met gevangenisstraf van acht
dagen tot een jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot duizend frank, of
met een van deze straffen alleen worden
gestraft :
de vader of moeder die het
minderjarige kind onttrekt of poogt te
onttrekken aan de rechtsvervolging,
tegen dit kind ingesteld uit kracht van
de wetgeving betreffende de
jeugdbescherming of betreffende de
jeugdbijstand, die het onttrekt of poogt
te onttrekken aan de bewaring van de
personen aan wie de bevoegde overheid
het heeft toevertrouwd, die het niet
afgeeft aan degenen die het recht hebben
het op te eisen of die het, zelfs met
zijn toestemming, ontvoert of doet
ontvoeren.
Is de schuldige geheel of ten dele
ontzet uit de ouderlijke macht, dan kan
de gevangenisstraf tot drie jaar worden
verhoogd.
§ 2. Indien de schuldige het
minderjarige kind meer dan vijf dagen
verborgen houdt voor degenen die het
recht hebben het op te eisen of het
minderjarige kind onrechtmatig buiten
het grondgebied van het Koninkrijk
vasthoudt, wordt hij gestraft met
gevangenisstraf van een jaar tot vijf
jaar en met geldboete van vijftig frank
tot duizend frank, of met een van deze
straffen alleen.
Is de schuldige geheel of ten dele
ontzet uit de ouderlijke macht, dan is
de gevangenisstraf minstens drie jaar.
§ 3. Wanneer over de bewaring van het
minderjarige kind mocht zijn beslist,
hetzij gedurende het verloop of ten
gevolge van een geding tot echtscheiding
of tot scheiding van tafel en bed,
hetzij in andere bij de wet bepaalde
omstandigheden, dan worden de straffen
bepaald in de §§ 1 en 2 toegepast op de
vader of de moeder die het minderjarige
kind onttrekt of poogt te onttrekken aan
de bewaring van hen aan wie het
krachtens de beslissing is toevertrouwd,
die het niet afgeeft aan degenen die het
recht hebben het op te eisen of die het,
zelfs met zijn toestemming, ontvoert of
doet ontvoeren.
§ 4. Indien over de bewaring van het
minderjarige kind een aan de
rechtspleging door onderlinge
toestemming voorafgaande minnelijke
schikking is getroffen, worden de
straffen bepaald in §§ 1 en 2 toegepast
op de vader of de moeder die, vanaf de
datum van de overschrijving van de
echtscheiding door onderlinge
toestemming, het minderjarige kind
onttrekt of poogt te ontrekken aan de
bewaring van hen aan wie het krachtens
de beslissing of de minnelijke schikking
is toevertrouwd, die het niet afgeeft
aan hen die het recht hebben het op te
eisen of die het, zelfs met zijn
toestemming, ontvoert of doet ontvoeren.
]
(W. 28.11.2000 - art. 31 - B.S.
17.3.2001)
|
[ AFDELING VI. - Gebruik van
minderjarigen met het oog op het plegen
van een misdaad of een wanbedrijf ]
(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art. 3 - B.S.
2.9.2005)
|
ART. 433
[ Onder voorbehoud van de toepassing van
artikel 433quinquies, wordt eenieder die
een minderjarige, rechtstreeks of via
een tussenpersoon, aantrekt of gebruikt
om, op één van de in artikel 66 bepaalde
wijzen, een misdaad of een wanbedrijf te
plegen, gestraft met de straffen bepaald
voor die misdaad of dat wanbedrijf,
waarvan het minimum van de
vrijheidsstraf verhoogd wordt met één
maand ingeval het maximum van de
bepaalde gevangenisstraf één jaar is,
met twee maanden wanneer het maximum
twee jaar is, met drie maanden wanneer
het maximum drie jaar is, met vijf
maanden wanneer het maximum vijf jaar is
en met twee jaar in het geval van
tijdelijke opsluiting, en waarvan, in
voorkomend geval, het minimum van de
geldboete verdubbeld wordt.
Het minimum van de in het eerste lid
bepaalde straffen wordt nogmaals, en in
dezelfde verhouding verhoogd ingeval :
1° de minderjarige jonger is dan
zestien jaar, of
2° de persoon bedoeld in het eerste
lid misbruik maakt van de bijzonder
kwetsbare positie waarin de minderjarige
verkeert, of
3° de persoon bedoeld in het eerste
lid, de vader, de moeder of een andere
bloedverwant in de opgaande lijn is, de
adoptant, of enige andere persoon die
gezag heeft over de minderjarige, of een
persoon die hem onder zijn bewaring
heeft, of
4° een gewoonte wordt gemaakt van het
aantrekken of gebruiken van
minderjarigen om een misdaad of een
wanbedrijf te plegen. ]
(W. 10.8.2005 - art. 4 - B.S.
2.9.2005)
|
[ AFDELING VII. - Aantasting van de
persoonlijke levenssfeer van
minderjarigen ] (Ingevoegd W. 10.8.2005
- art. 5 - B.S. 2.9.2005)
|
ART. 433bis
[ Publicatie en verspreiding van het
verslag van de debatten voor de
jeugdrechtbank, voor de
onderzoeksrechter en voor de kamers van
het hof van beroep die bevoegd zijn om
over het hoger beroep tegen hun
beslissingen te oordelen, door middel
van boeken, pers, film, radio,
televisie, of op enige andere wijze,
zijn verboden.
Alleen de motieven en het beschikkend
gedeelte van de in openbare
terechtzitting uitgesproken rechterlijke
beslissing vormen, onder voorbehoud van
de toepassing van het derde lid, hierop
een uitzondering.
Publicatie en verspreiding door
middel van welke procédés ook van
teksten, tekeningen, foto's of beelden
waaruit de identiteit kan blijken van
een persoon die vervolgd wordt, of ten
aanzien van wie een maatregel is genomen
als bedoeld in de [ de artikelen 37, 39,
43, 49, 52, 52quater en 57bis van de wet
van 8 april 1965 betreffende de
jeugdbescherming, het ten laste nemen
van minderjarigen die een als misdrijf
omschreven feit hebben gepleegd en het
herstel van de door dit feit
veroorzaakte schade ] of in de wet van 1
maart 2002 betreffende de voorlopige
plaatsing van minderjarigen die een als
misdrijf omschreven feit hebben
gepleegd, zijn eveneens verboden.
Hetzelfde geldt voor de persoon ten
aanzien van wie een maatregel genomen is
in het kader van de rechtspleging als
bedoeld in artikel 63bis van de wet van
8 april 1965 betreffende de
jeugdbescherming.
(W. 15.5.2006 - art. 22 - B.S.
2.6.2006)
Overtreding van dit artikel wordt
gestraft met gevangenisstraf van twee
maanden tot twee jaar en met geldboete
van driehonderd euro tot drieduizend
euro of met een van die straffen alleen.
]
(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art. 6 -
B.S. 2.9.2005)
|
[ HOOFDSTUK IIIbis. Exploitatie van
bedelarij ] (Ingevoegd W. 10.8.2005 -
art . 6 - B.S. 2.9.2005)
|
ART. 433ter
[ Met gevangenisstraf van zes maanden
tot drie jaar en met geldboete van
vijfhonderd euro tot
vijfentwintigduizend euro wordt gestraft
:
1° hij die een persoon aanwerft,
meeneemt, wegbrengt, bij zich houdt
teneinde hem over te leveren aan de
bedelarij, hem ertoe aanzet te bedelen
of door te gaan met bedelen, of hem ter
beschikking van een bedelaar stelt opdat
deze laatste zich van hem bedient om het
openbaar medelijden op te wekken;
2° hij die, op welke manier ook, eens
anders bedelarij exploiteert.
Poging tot de in het eerste lid
bedoelde misdrijven wordt gestraft met
een gevangenisstraf van een maand tot
twee jaar en met een geldboete van
honderd euro tot tweeduizend euro. ]
(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 7 -
B.S. 2.9.2005)
|
ART. 433quater
[ Het in artikel 433ter, eerste lid,
bedoelde misdrijf wordt gestraft met
gevangenisstraf van een jaar tot vijf
jaar en met geldboete van vijfhonderd
euro tot vijftigduizend euro wanneer het
wordt gepleegd :
1° ten opzichte van een minderjarige;
2° door misbruik te maken van de
bijzonder kwetsbare positie waarin een
persoon verkeert ten gevolge van zijn
onwettige of precaire administratieve
toestand, zijn precaire sociale toestand
of tengevolge van zwangerschap, ziekte
dan wel een lichamelijk of geestelijk
gebrek of onvolwaardigheid, zodanig dat
de betrokken persoon in feite geen
andere echte en aanvaardbare keuze heeft
dan zich te laten misbruiken;
3° door direct of indirect gebruik te
maken van listige kunstgrepen, geweld,
bedreigingen of enige andere vorm van
dwang. ]
(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 8 -
B.S. 2.9.2005)
|
[ HOOFDSTUK IIIter Mensenhandel ]
(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 9 - B.S.
2.9.2005)
|
ART. 433quinquies
[ § 1. Levert het misdrijf mensenhandel
op, de werving, het vervoer, de
overbrenging, de huisvesting, de opvang
van een persoon, de wisseling of de
overdracht van de controle over hem
teneinde :
1° ten aanzien van deze persoon de
misdrijven te laten plegen die bedoeld
worden in de artikelen 379, 380, § 1 en
§ 4, en 383bis, § 1;
2° ten aanzien van deze persoon het
misdrijf te laten plegen dat bedoeld
wordt in artikel 433ter ;
3° deze persoon aan het werk te
zetten of te laten aan het werk zetten
in omstandigheden die in strijd zijn met
de menselijke waardigheid;
4° bij deze persoon organen of
weefsels weg te nemen of te laten
wegnemen in strijd met de wet van 13
juni 1986 betreffende het wegnemen en
transplanteren van organen;
5° of deze persoon tegen zijn wil een
misdaad of een wanbedrijf te doen
plegen.
Behalve in het in 5 bedoelde geval is
de toestemming van de in het eerste lid
bedoelde persoon met de voorgenomen of
daadwerkelijke uitbuiting van geen
belang.
§ 2. Het in § 1 bedoelde misdrijf
wordt gestraft met gevangenisstraf van
één jaar tot vijf jaar en met geldboete
van vijfhonderd euro tot vijftigduizend
euro.
§ 3. Poging tot het in § 1 bedoelde
misdrijf wordt gestraft met
gevangenisstraf van één jaar tot drie
jaar en met geldboete van honderd euro
tot tienduizend euro. ]
(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 10 -
B.S. 2.9.2005)
|
ART. 433sexies
[ Het in artikel 433quinquies, § 1,
bedoelde misdrijf wordt gestraft met
opsluiting van vijf jaar tot tien jaar
en met geldboete van zevenhonderd
vijftig euro tot vijfenzeventigduizend
euro ingeval het werd gepleegd :
1° door een persoon die gezag heeft
over het slachtoffer of door een persoon
die misbruik heeft gemaakt van het gezag
of de faciliteiten die zijn functies hem
verlenen;
2° door een openbaar officier of
ambtenaar, drager of agent van de
openbare macht die handelt naar
aanleiding van de uitoefening van zijn
bediening. ]
(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 11 -
B.S. 2.9.2005)
|
ART. 433septies
[ Het in artikel 433quinquies, § 1,
bedoelde misdrijf wordt gestraft met
opsluiting van tien jaar tot vijftien
jaar en met geldboete van duizend euro
tot honderdduizend euro in de volgende
gevallen :
1° ingeval het misdrijf is gepleegd
ten opzichte van een minderjarige;
2° ingeval het is gepleegd door
misbruik te maken van de bijzonder
kwetsbare positie waarin een persoon
verkeert ten gevolge van zijn onwettige
of precaire administratieve toestand,
zijn precaire sociale toestand of ten
gevolge van zwangerschap, ziekte dan wel
een lichamelijk of geestelijk gebrek of
onvolwaardigheid, zodanig dat de
betrokken persoon in feite geen andere
echte en aanvaardbare keuze heeft dan
zich te laten misbruiken;
3° ingeval het is gepleegd door
direct of indirect gebruik te maken van
listige kunstgrepen, geweld,
bedreigingen of enige vorm van dwang;
4° ingeval het leven van het
slachtoffer opzettelijk of door grove
nalatigheid in gevaar is gebracht;
5° ingeval het misdrijf een
ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een
blijvende fysieke of psychische
ongeschiktheid, hetzij het volledig
verlies van een orgaan of van het
gebruik van een orgaan, hetzij een zware
verminking heeft veroorzaakt;
6° in geval van de betrokken
activiteit een gewoonte wordt gemaakt;
7° ingeval het een daad van
deelneming aan de hoofd- of bijkomende
bedrijvigheid van een vereniging
betreft, ongeacht of de schuldige de
hoedanigheid van leidend persoon heeft
of niet. ]
(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 12 -
B.S. 2.9.2005)
|
ART. 433octies
[ Het in artikel 433quinquies, § 1,
bedoelde misdrijf wordt gestraft met
opsluiting van vijftien jaar tot twintig
jaar en met geldboete van duizend euro
tot honderdvijftigduizend euro in de
volgende gevallen :
1° ingeval het misdrijf de dood van
het slachtoffer heeft veroorzaakt zonder
het oogmerk te doden;
2° ingeval het een daad van
deelneming aan de hoofd- of bijkomende
bedrijvigheid van een criminele
organisatie betreft, ongeacht of de
schuldige de hoedanigheid van leidend
persoon heeft of niet. ]
(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 13 -
B.S. 2.9.2005)
|
ART. 433novies
[ In de gevallen bedoeld in de artikelen
433sexies, 433septies en 433octies
worden de schuldigen bovendien
veroordeeld tot ontzetting van de in
artikel 31 genoemde rechten.
Zonder rekening te houden met de
hoedanigheid van natuurlijke persoon of
rechtspersoon van de uitbater, eigenaar,
huurder of zaakvoerder, kan de rechtbank
de tijdelijke of definitieve,
gedeeltelijke of volledige sluiting
bevelen van de onderneming waar het in
artikel 433quinquies bedoelde misdrijf
is gepleegd.
De bijzondere verbeurdverklaring
zoals bedoeld in artikel 42, 1°, wordt
toegepast op degenen die zich schuldig
hebben gemaakt aan het in artikel
433quinquies bedoelde misdrijf, zelfs
wanneer de zaken waarop zij betrekking
heeft geen eigendom van de veroordeelde
zijn, zonder dat deze verbeurdverklaring
nochtans de rechten van derden op de
goederen die het voorwerp kunnen
uitmaken van de verbeurdverklaring
schaadt. ]
(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 14 -
B.S. 2.9.2005)
|
[ HOOFDSTUK IIIquater Misbruik van
andermans bijzonder kwetsbare positie
door de verkoop, verhuur of
terbeschikkingstelling van goederen met
de bedoeling een abnormaal profijt te
realiseren ] (Ingevoegd W. 10.8.2005 -
art . 15 - B.S. 2.9.2005)
|
ART. 433decies
[ Met gevangenisstraf van zes maanden
tot drie jaar en met geldboete van
vijfhonderd euro tot
vijfentwintigduizend euro wordt gestraft
hij die rechtstreeks of via een
tussenpersoon misbruik maakt van de
bijzonder kwetsbare positie van een
persoon ten gevolge van zijn onwettige
of precaire administratieve toestand of
zijn precaire sociale toestand door, met
de bedoeling een abnormaal profijt te
realiseren, een roerend goed, een deel
ervan, een onroerend goed, een kamer of
een andere in artikel 479 bedoelde
ruimte, te verkopen, te verhuren of ter
beschikking te stellen in omstandigheden
die in strijd zijn met de menselijke
waardigheid, zodanig dat de betrokken
persoon in feite geen andere echte en
aanvaardbare keuze heeft dan zich te
laten misbruiken. De boete wordt zo veel
keer toegepast als er slachtoffers zijn.
]
(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 16 -
B.S. 2.9.2005)
|
ART. 433undecies
[ Het in artikel 433decies bedoelde
misdrijf wordt gestraft met
gevangenisstraf van een jaar tot vijf
jaar en met geldboete van duizend euro
tot honderdduizend euro in de volgende
gevallen :
1° ingeval van de betrokken
activiteit een gewoonte wordt gemaakt;
2° in geval het een daad van
deelneming aan de hoofd- of bijkomende
bedrijvigheid van een vereniging
betreft, ongeacht of de schuldige de
hoedanigheid van leidend persoon heeft
of niet.
De boete wordt zo veel keer toegepast
als er slachtoffers zijn. ]
(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 17 -
B.S. 2.9.2005)
|
ART. 433duodecies
[ Het in artikel 433decies bedoelde
misdrijf wordt gestraft met opsluiting
van vijf jaar tot tien jaar en met
geldboete van duizend euro tot
honderdvijftigduizend euro ingeval het
een daad van deelneming aan de hoofd- of
bijkomende bedrijvigheid van een
criminele organisatie betreft, ongeacht
of de schuldige de hoedanigheid van
leidend persoon heeft of niet.
De boete wordt zo veel keer toegepast
als er slachtoffers zijn. ]
(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 18 -
B.S. 2.9.2005)
|
ART. 433terdecies
[ In de gevallen bedoeld in de artikelen
433undecies en 433duodecies worden de
schuldigen bovendien veroordeeld tot de
ontzetting van de rechten bedoeld in
artikel 31.
De bijzondere verbeurdverklaring
zoals bedoeld in artikel 42, 1°, wordt
toegepast op de schuldigen aan het
misdrijf bedoeld in artikel 433decies,
zelfs ingeval de zaken waarop zij
betrekking heeft niet het eigendom van
de veroordeelde zijn, zonder dat deze
verbeurdverklaring evenwel afbreuk kan
doen aan de rechten van de derden op de
goederen die verbeurd zouden kunnen
worden verklaard. Zij moet in dezelfde
omstandigheden ook worden toegepast op
het roerend goed, het deel ervan, het
onroerend goed, de kamer of enige andere
ruimte bedoeld in dat artikel. ]
(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 19 -
B.S. 2.9.2005)
[ Ze kan ook worden toegepast op de
tegenwaarde van deze roerende of
onroerende goederen die werden vervreemd
tussen het tijdstip waarop het misdrijf
werd gepleegd en de definitieve
rechterlijke beslissing. ]
(W. 9.2.2006 - art. 3 - B.S.
28.2.2006)
|
ART. 433quaterdecies
[ Naargelang van het geval kan de
procureur des Konings of de
onderzoeksrechter beslag leggen op het
roerend goed, het deel ervan, het
onroerend goed, de kamer of enige andere
in artikel 433decies bedoelde ruimte.
Indien hij beslist tot inbeslagneming
moet voormeld roerend goed, het deel
ervan, het onroerend goed, de kamer of
enige andere in artikel 433decies
bedoelde ruimte worden verzegeld, of met
schriftelijk akkoord van de eigenaar of
verhuurder, ter beschikking worden
gesteld van het O.C.M.W. teneinde
opgeknapt en tijdelijk verhuurd te
worden. De beslissing tot inbeslagneming
van, naargelang van het geval, de
procureur des Konings of de
onderzoeksrechter wordt betekend aan de
eigenaar of de verhuurder. In geval van
beslag op een onroerend goed moet de
beslissing bovendien worden betekend
uiterlijk binnen vierentwintig uur,
alsmede ter overschrijving worden
aangeboden op het kantoor der hypotheken
van de plaats waar het goed gelegen is.
Als dagtekening van de overschrijving
geldt de dag van de betekening van de
beslissing tot inbeslagneming. Het
beslag geldt tot op het tijdstip van de
definitieve rechterlijke beslissing
waarbij hetzij de verbeurdverklaring
werd bevolen, hetzij de opheffing van
het beslag wordt uitgesproken. Opheffing
van het beslag kan voordien te allen
tijde worden verleend, al naar gelang
van het geval, door de procureur des
Konings of door de onderzoeksrechter
nadat deze de procureur des Konings
daarvan in kennis heeft gesteld. De
beslagene kan de rechtsmiddelen waarin
voorzien wordt in de artikelen 28sexies
en 61quater van het Wetboek van
strafvordering slechts instellen na
verloop van een termijn van een jaar te
rekenen van de datum van de
inbeslagneming. ]
(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 20 -
B.S. 2.9.2005)
|
ART. 433quinquiesdecies
[ In de in artikel 433decies van het
Strafwetboek bedoelde gevallen kunnen
slachtoffers op beslissing, naargelang
het geval, van de bevoegde minister, van
de bevoegde overheid of de door hen
aangewezen ambtenaren, in overleg met de
terzake bevoegde diensten, in voorkomend
geval worden opgevangen of gehuisvest.
Deze huisvestingskosten komen ten laste
van de beklaagde.
Wanneer de beklaagde wordt
vrijgesproken, worden de kosten ten
laste gelegd al naargelang het geval,
van de Staat of van het bevoegde
O.C.M.W. ]
(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art . 21 -
B.S. 2.9.2005)
|
HOOFDSTUK IV Aanslag op de
persoonlijke vrijheid en op de
onschendbaarheid van de woning, gepleegd
door bijzondere personen
|
ART. 434
Met gevangenisstraf van drie maanden tot
twee jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot tweehonderd frank
worden gestraft zij die iemand aanhouden
of doen aanhouden, gevangen houden of
doen gevangen houden, zonder een bevel
van het gestelde gezag en buiten de
gevallen waarin de wet de aanhouding of
de gevangenhouding van bijzondere
personen toelaat of voorschrijft.
|
ART. 435
De gevangenisstraf is zes maanden tot
drie jaar en de geldboete vijftig frank
tot driehonderd frank, indien de
wederrechtelijke en willekeurige
vrijheidsberoving langer dan tien dagen
duurt.
|
ART. 436
Indien de wederrechtelijke en
willekeurige vrijheidsberoving langer
dan een maand duurt, wordt de schuldige
veroordeeld tot gevangenisstraf van een
jaar tot vijf jaar en tot geldboete van
honderd frank tot vijfhonderd frank.
|
ART. 437
[ Opsluiting van vijf jaar tot tien jaar
] wordt uitgesproken, indien de
aanhouding verricht wordt, hetzij op een
vals bevel van het openbaar gezag,
hetzij in de kledij of onder de naam van
een van zijn agenten, of indien de
aangehouden of gevangen gehouden persoon
met de dood bedreigd wordt.
(W. 23.1.2003 - art. 74 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 438
[ ... ]
(Opgeheven W. 14.6.2002 - art. 7 -
B.S. 14.8.2002)
|
ART. 438bis
[ In de gevallen bepaald in dit
hoofdstuk kan het minimum van de bij die
artikelen bepaalde straffen worden
verdubbeld in geval van correctionele
straffen en met twee jaar verhoogd in
geval van opsluiting, wanneer een van de
drijfveren van de misdaad of het
wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het
misprijzen van of de vijandigheid tegen
een persoon wegens diens zogenaamd ras,
zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn
nationale of etnische afstamming, zijn
nationaliteit, zijn geslacht, zijn
seksuele geaardheid, zijn burgerlijke
staat, zijn geboorte, zijn leeftijd,
zijn fortuin, zijn geloof of
levensbeschouwing, zijn huidige of
toekomstige gezondheidstoestand, een
handicap, zijn taal, zijn politieke
overtuiging, een fysieke of genetische
eigenschap of zijn sociale afkomst. ]
(W. 10.5.2007 - art. 36 - B.S.
30.5.2007)
|
ART. 439
Met gevangenisstraf van vijftien dagen
tot twee jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot driehonderd frank
wordt gestraft hij die, zonder een bevel
van de overheid en buiten de gevallen
waarin de wet toelaat in de woning van
bijzondere personen tegen hun wil binnen
te treden, in een door een ander bewoond
huis, appartement, kamer of verblijf, of
in de aanhorigheden ervan binnendringt,
hetzij met behulp van bedreiging of
geweld tegen personen, hetzij door
middel van braak, inklimming of valse
sleutels.
|
ART. 440
De gevangenisstraf is zes maanden tot
vijf jaar en de geldboete honderd frank
tot vijfhonderd frank, indien het feit
gepleegd wordt, hetzij op een vals bevel
van het openbaar gezag, hetzij in de
kledij, hetzij onder de naam van een van
haar agenten, hetzij met vereniging van
de volgende drie omstandigheden:
Dat het feit wordt gepleegd bij
nacht;
Dat het wordt gepleegd door twee of
meer personen;
Dat de schuldigen of een van hen
wapens bij zich hebben.
De schuldigen kunnen bovendien worden
veroordeeld tot ontzetting van rechten
overeenkomstig artikel 33 [ ... ].
(W. 9.4.1930 - art. 31 - B.S.
11.5.1930)
|
ART. 441
Poging tot het in het vorige artikel
omschreven wanbedrijf wordt gestraft met
gevangenisstraf van een maand tot een
jaar en met geldboete van vijftig frank
tot driehonderd frank.
|
ART. 442
Met gevangenisstraf van vijftien dagen
tot twee jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot driehonderd frank
wordt gestraft hij die, zonder
toestemming van de eigenaar of van de
huurder, in de bij artikel 439
aangewezen plaatsen binnendringt en daar
bij nacht wordt aangetroffen.
|
[ HOOFDSTUK IVbis Belaging ] (W.
30.10.1998 - art. 2 - B.S. 17.12.1998)
|
ART. 442bis
[Hij die een persoon heeft belaagd
terwijl hij wist of had moeten weten dat
hij door zijn gedrag de rust van die
bewuste persoon ernstig zou verstoren,
wordt gestraft met gevangenisstraf van
vijftien dagen tot twee jaar en met
geldboete van vijftig frank tot
driehonderd frank of met een van die
straffen alleen.
Tegen het in dit artikel bedoelde
misdrijf kan alleen vervolging worden
ingesteld op een klacht van de persoon
die beweert te worden belaagd. ]
(W. 30.10.1998 - art. 2 - B.S.
17.12.1998)
|
ART. 442ter
[ In de gevallen bepaald in artikel
442bis kan het minimum van de bij dit
artikel bepaalde correctionele straffen
worden verdubbeld, wanneer een van de
drijfveren van het wanbedrijf bestaat in
de haat tegen, het misprijzen van of de
vijandigheid tegen een persoon wegens
diens zogenaamd ras, zijn huidskleur,
zijn afkomst, zijn nationale of etnische
afstamming, zijn nationaliteit, zijn
geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn
burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn
leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of
levensbeschouwing, zijn huidige of
toekomstige gezondheidstoestand, een
handicap, zijn taal, zijn politieke
overtuiging, een fysieke of genetische
eigenschap of zijn sociale afkomst. ]
(W. 10.5.2007 - art. 37 - B.S.
30.5.2007)
|
HOOFDSTUK V Aanranding van de eer of
de goede naam van personen
|
ART. 443
Hij die in de hierna aangeduide gevallen
aan een persoon kwaadwillig een bepaald
feit ten laste legt, dat zijn eer kan
krenken of hem aan de openbare
verachting kan blootstellen, en waarvan
het wettelijk bewijs niet wordt
geleverd, is schuldig aan laster,
wanneer de wet het bewijs van het ten
laste gelegde feit toelaat, en aan
eerroof, wanneer de wet dit bewijs niet
toelaat.
[ Wanneer het ten laste gelegde feit
hierin bestaat dat gedurende
vijandelijkheden is geheuld met de
vijand, hetzij door hem te helpen door
het verschaffen van soldaten,
manschappen, geld, levensmiddelen,
wapens, munitie of materialen, hetzij
door hem het betreden van het
grondgebied, het zich handhaven of het
verblijven aldaar door enig middel
mogelijk of gemakkelijk te maken, zonder
daartoe gedwongen of gevorderd te zijn,
is het bewijs daarvan altijd
ontvankelijk en kan het door alle
middelen geleverd worden.
Wordt een genoegzaam bewijs geleverd,
dan geeft de tenlastelegging geen
aanleiding tot enige strafvervolging ]
(W. 11.10.1919 - enig art. - B.S.
29/30.3.1920)
|
ART. 444
De schuldige wordt gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot een
jaar en met geldboete van zesentwintig
frank tot tweehonderd frank, wanneer de
tenlasteleggingen geschieden:
Hetzij in openbare bijeenkomsten of
plaatsen;
Hetzij in tegenwoordigheid van
verscheidene personen, in een plaats die
niet openbaar is, maar toegankelijk voor
een aantal personen die het recht hebben
er te vergaderen of ze te bezoeken;
Hetzij om het even welke plaats, in
tegenwoordigheid van de beledigde en
voor getuigen;
Hetzij door geschriften, al dan niet
gedrukt, door prenten of zinnebeelden,
die aangeplakt, verspreid of verkocht,
te koop geboden of openlijk
tentoongesteld worden;
Hetzij ten slotte door geschriften,
die niet openbaar gemaakt, maar aan
verscheidene personen toegestuurd of
meegedeeld worden.
|
ART. 445
Met gevangenisstraf van vijftien dagen
tot zes maanden en met geldboete van
vijftig frank tot duizend frank wordt
gestraft:
Hij die schriftelijk bij de overheid
een lasterlijke aangifte indient;
Hij die schriftelijk aan een persoon
lasterlijke aantijgingen tegen zijn
ondergeschikte toestuurt.
|
ART. 446
Laster en eerroof jegens een gesteld
lichaam worden op dezelfde wijze
gestraft als laster en eerroof jegens
individuele personen.
|
ART. 447
Hij die van laster beticht wordt wegens
tenlasteleggingen, gericht, hetzij tegen
dragers of agenten van het gezag of
tegen enig persoon met een openbare
hoedanigheid bekleed, hetzij tegen enig
gesteld lichaam, naar aanleiding van
feiten in verband met hun bediening,
wordt toegelaten om door alle gewone
middelen het bewijs van de ten laste
gelegde feiten te leveren, behoudens het
tegenbewijs door dezelfde middelen.
Indien het een feit betreft dat tot
het private leven behoort, mag de dader
van de tenlastelegging geen ander bewijs
tot zijn verdediging aanvoeren dan het
bewijs dat volgt uit een vonnis of uit
enige andere authentieke akte.
Indien het ten laste gelegde feit het
voorwerp is van een strafvervolging of
een aangifte waarover nog geen uitspraak
is gedaan, wordt de vordering wegens
laster geschorst tot het definitief
vonnis of tot de eindbeslissing van de
bevoegde overheid.
[ Zo de strafvordering of de
tuchtvordering met betrekking tot het
ten laste gelegde feit vervallen is,
wordt het betrokken dossier bij het
dossier van het geding wegens laster
gevoegd en wordt de vordering wegens
laster hervat.
In geval van een beslissing van
seponering of buitenvervolgingstelling
betreffende de vordering met betrekking
tot het ten laste gelegde feit, wordt de
vordering wegens laster hervat,
onverminderd een schorsing van deze
vordering wanneer het onderzoek met
betrekking tot het ten laste gelegde
feit een nieuwe gerechtelijke
ontwikkeling kent. ]
(W. 4.7.2001 - art. 2 - B.S.
10.8.2001)
|
ART. 448
Hij die hetzij door daden, hetzij door
geschriften, prenten of zinnebeelden
iemand beledigt in een van de
omstandigheden in artikel 444 bepaald,
wordt gestraft met gevangenisstraf van
acht dagen tot twee maanden en met
geldboete van zesentwintig frank tot
vijfhonderd frank of met een van die
straffen alleen.
[ Met dezelfde straffen wordt
gestraft hij die, in een van de
omstandigheden in artikel 444 bepaald,
iemand die drager is van het openbaar
gezag of van de openbare macht of die
met een openbare hoedanigheid is
bekleed, door woorden beledigt in zijn
hoedanigheid of wegens zijn bediening. ]
(W. 27.7.1934 - art. 3 - B.S.
28.7.1934)
|
ART. 449
Indien er op het ogenblik van het
misdrijf een wettelijk bewijs van de ten
laste gelegde feiten bestaat en het
blijkt dat de beklaagde de
tenlastelegging heeft gedaan zonder
enige reden van openbaar of van privaat
belang en enkel met het oogmerk om te
schaden, wordt hij, als schuldig aan
kwaadwillige ruchtbaarmaking, gestraft
met gevangenisstraf van acht dagen tot
twee maanden en met geldboete van
zesentwintig frank tot vierhonderd frank
of met een van die straffen alleen.
|
ART. 450
De in dit hoofdstuk omschreven
misdrijven tegen bijzondere personen
gepleegd, de lasterlijke aangifte
uitgezonderd, kunnen niet worden
vervolgd dan op klacht van de persoon
die beweert beledigd te zijn.
Indien de persoon overleden is zonder
een klacht te hebben gedaan of zonder
daarvan te hebben afgezien, of indien de
laster of de eerroof tegen iemand is
gericht na zijn overlijden, kan de
vervolging niet geschieden dan op klacht
van zijn echtgenoot, van zijn
afstammelingen of [ wettelijke ]
erfgenamen tot en met de derde graad.
(W. 31.3.1987 - art. 98 - B.S.
27.5.1987)
|
ART. 451
Niemand kan als rechtvaardigings- of
verschoningsgrond aanvoeren dat de
geschriften, drukwerken, prenten of
zinnebeelden die het voorwerp van de
vervolging uitmaken, slechts de
reproduktie zijn van uitgaven die in
België of in het buitenland verschenen
zijn.
|
ART. 452
[ Vóór de rechtbank gesproken woorden of
aan de rechtbank overlegde geschriften,
geven geen aanleiding tot
strafvervolging wanneer die woorden of
die geschriften op de zaak of op de
partijen betrekking hebben.
Lasterlijke, beledigende of
eerrovende tenlasteleggingen die aan de
zaak of aan de partijen vreemd zijn
kunnen aanleiding geven hetzij tot een
strafvordering hetzij tot burgerlijke
rechtsvordering van de partijen of van
derden. ]
(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 141 -
B.S. 31.10.1967)
|
ART. 453
Bijzondere bepaling
Met gevangenisstraf van een maand tot
een jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot tweehonderd frank
wordt gestraft hij die zich schuldig
maakt aan grafschennis.
|
ART. 453bis
[ In de gevallen bepaald in dit
hoofdstuk kan het minimum van de
correctionele straffen worden
verdubbeld, wanneer een van de
drijfveren van het wanbedrijf bestaat in
de haat tegen, het misprijzen van of de
vijandigheid tegen een persoon wegens
diens zogenaamd ras, zijn huidskleur,
zijn afkomst, zijn nationale of etnische
afstamming, zijn nationaliteit, zijn
geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn
burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn
leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of
levensbeschouwing, zijn huidige of
toekomstige gezondheidstoestand, een
handicap, zijn taal, zijn politieke
overtuiging, een fysieke of genetische
eigenschap of zijn sociale afkomst. ]
(W. 10.5.2007 - art. 38 - B.S.
30.5.2007)
|
HOOFDSTUK VI Enige andere
wanbedrijven tegen personen
|
ART. 454
Hij die onder spijzen of dranken of
onder voedingsmiddelen of voedingswaren,
welke dan ook, bestemd om verkocht of
gesleten te worden, stoffen mengt of
doet mengen die de dood kunnen
teweegbrengen of de gezondheid zwaar
kunnen schaden, wordt gestraft met
gevangenisstraf van zes maanden tot vijf
jaar en met geldboete van tweehonderd
frank tot tweeduizend frank.
|
ART. 455
Met de straffen, bij het vorige artikel
bepaald, wordt gestraft:
Hij die spijzen, dranken,
voedingsmiddelen of voedingswaren, welke
dan ook, verkoopt, slijt of te koop
stelt, wetende dat zij stoffen bevatten
die de dood kunnen teweegbrengen of de
gezondheid zwaar kunnen schaden;
Hij die deze stoffen verkoopt of
verschaft, wetende dat zij tot
vervalsing van voedingsmiddelen of
voedingswaren moeten dienen.
|
ART. 456
Met gevangenisstraf van drie maanden tot
drie jaar en met geldboete van honderd
frank tot duizend frank wordt gestraft
hij die in zijn magazijn, in zijn winkel
of in enige andere plaats spijzen,
dranken, voedingsmiddelen of
voedingswaren heeft, die bestemd zijn om
verkocht of gesleten te worden, wetende
dat zij stoffen bevatten die de dood
kunnen teweegbrengen of de gezondheid
zwaar kunnen schaden.
|
ART. 457
De vermengde spijzen, dranken,
voedingswaren of voedingsmiddelen worden
in beslag genomen, verbeurd verklaard en
onbruikbaar gemaakt.
[ ... ]
De schuldige kan bovendien worden
veroordeeld tot ontzetting van rechten
overeenkomstig artikel 33.
De rechtbank beveelt dat het vonnis
zal worden aangeplakt op de plaatsen die
zij bepaalt, en in zijn geheel of bij
uittreksel zal worden opgenomen in de
bladen die zij aanwijst; een en ander op
kosten van de veroordeelde.
(W. 29.10.1919 - art. 90 - B.S.
7.11.1919)
|
ART. 458
Geneesheren, heelkundigen, officieren
van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen
en alle andere personen die uit hoofde
van hun staat of beroep kennis dragen
van geheimen die hun zijn toevertrouwd,
en deze bekendmaken buiten het geval dat
zij geroepen worden om in rechte [ of
voor een parlementaire
onderzoekscommissie ] getuigenis af te
leggen en buiten het geval dat de wet
hen verplicht die geheimen bekend te
maken worden gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot zes
maanden en met geldboete van honderd
frank tot vijfhonderd frank.
(W. 30.6.1996 - art. 10 - B.S.
16.7.1996)
|
ART. 458bis
[- Eenieder, die uit hoofde van zijn
staat of beroep houder is van geheimen
en die hierdoor kennis heeft van een
misdrijf zoals omschreven in de
artikelen 372 tot 377, 392 tot 394, 396
tot 405ter, 409, 423, 425 en 426,
gepleegd op een minderjarige kan,
onverminderd de verplichtingen hem
opgelegd door artikel 422bis, het
misdrijf ter kennis brengen van de
procureur des Konings, op voorwaarde dat
hij het slachtoffer heeft onderzocht of
door het slachtoffer in vertrouwen werd
genomen, er een ernstig en dreigend
gevaar bestaat voor de psychische of
fysieke integrieteit van de betrokkene
en hij deze integriteit zelf of met hulp
van anderen niet kan beschermen. ]
(W. 28.11.2000 - art. 33 - B.S.
17.3.2001)
|
ART. 459
Met dezelfde straffen worden gestraft de
bedienden of agenten van de berg van
barmhartigheid die aan anderen dan aan
de officieren van politie of aan de
rechterlijke overheid de naam
bekendmaken van hen die in deze
instelling zaken hebben gezet of hebben
doen zetten.
|
ART. 460
Hij die schuldig bevonden wordt aan het
wegmaken van een aan de post
toevertrouwde brief of aan het openen
van een zodanige brief om het geheim
ervan te schenden, wordt gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot een
maand en met geldboete van zesentwintig
frank tot tweehonderd frank of met een
van die straffen alleen, onverminderd
zwaardere straffen, indien de schuldige
een ambtenaar of een agent van de
Regering of van de posterijen is.
|
ART. 460bis
[Met dezelfde straffen wordt gestraft
hij die het afschrift van een exploot
dat hij in zijn bezit heeft ingevolge
artikel 68bis van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering, wegmaakt of
die de omslag opent waarin dit afschrift
zich bevindt, om het geheim ervan te
schenden, behalve, in dit laatste geval,
wanneer hij een van de ouders is van een
minderjarig kind, ofwel de echtgenoot,
de voogd, de bewindvoerder, de curator
of de gerechtelijke raadsman van de
betrokken persoon. ]
(W. 14.1.1928 - art. 4 - B.S.
16/17.1.1928)
|
ART. 460ter
[Elk gebruik door de
inverdenkinggestelde of de burgerlijke
partij van door de inzage in het dossier
verkregen inlichtingen, dat tot doel en
tot gevolg heeft het verloop van het
gerechtelijk onderzoek te hinderen,
inbreuk te maken op het privéleven, de
fysieke of, morele integriteit of de
goederen van een in het dossier genoemde
persoon, wordt gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot één
jaar of met geldboete van zesentwintig
frank tot vijfhonderd frank. ]
(W. 12.3.1998 - art. 44 - B.S.
2.4.1998)
|
TITEL IX Misdaden en wanbedrijven
tegen eigendommen
|
EERSTE HOOFDSTUK Diefstal en
afpersing
|
ART. 461
Hij die een zaak die hem niet
toebehoort, bedrieglijk wegneemt, is
schuldig aan diefstal.
[ Met diefstal wordt gelijkgesteld
het bedrieglijk wegnemen van andermans
goed voor een kortstondig gebruik. ]
(W. 25.6.1964 - art. 1 - B.S.
8.7.1964)
|
ART. 462
Diefstallen gepleegd door een gehuwde
ten nadele van zijn echtgenoot, door een
weduwnaar of een weduwe wat zaken
betreft die aan de overleden echtgenoot
hebben toebehoord, door afstammelingen
ten nadele van hun bloedverwanten in de
opgaande lijn, door bloedverwanten in de
opgaande lijn ten nadele van hun
afstammelingen, of door aanverwanten in
dezelfde graden, geven alleen aanleiding
tot burgerrechtelijke vergoeding.
Ieder ander persoon die aan deze
diefstallen deelneemt of die de gestolen
voorwerpen of een gedeelte ervan heelt,
wordt gestraft alsof de vorige bepaling
niet bestond.
|
EERSTE AFDELING Diefstal zonder
geweld of bedreiging
|
ART. 463
Diefstallen, in dit hoofdstuk niet nader
omschreven, worden gestraft met
gevangenisstraf van een maand tot vijf
jaar en met geldboete van zesentwintig
frank tot vijfhonderd frank.
[ In het geval bedoeld bij artikel
461, tweede lid, bedraagt de
gevangenisstraf echter niet meer dan
drie jaren. ]
(W. 25.6.1964 - art. 2 - B.S.
8.7.1964)
|
ART. 464
De gevangenisstraf is ten minste drie
maanden, indien de dief een dienstbode
of een loondienaar is, zelfs wanneer hij
de diefstal gepleegd heeft ten nadele
van andere personen dan die welke hij
diende, maar die zich bevonden hetzij in
het huis van de meester, hetzij in het
huis waar hij hem vergezelde, of indien
de dief een werkman, gezel of leerling
is, die de diefstal heeft gepleegd in
het huis, het werkhuis of het magazijn
van zijn meester, of ook indien de dief
een persoon is die gewoonlijk arbeid
verricht in de woning waar hij gestolen
heeft.
|
ART. 465
In de gevallen van de vorige artikelen
kunnen de schuldigen bovendien worden
veroordeeld tot ontzetting van rechten
overeenkomstig artikel 33 [ ... ].
(W. 9.4.1930 - art. 31 - B.S.
11.5.1930)
|
ART. 466
Poging tot een van de diefstallen, in de
vorige artikelen vermeld, wordt gestraft
met gevangenisstraf van acht dagen tot
drie jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot driehonderd
frank.
|
ART. 467
Diefstal wordt gestraft met [ opsluiting
van vijf jaar tot tien jaar ]:
(W. 23.1.2003 - art. 75 - B.S.
13.3.2003)
Indien hij gepleegd wordt door middel
van braak, inklimming of valse sleutels;
Indien hij gepleegd wordt door een
openbaar ambtenaar door middel van zijn
ambtsbediening;
Indien de schuldigen of een van hen
de titel of de kentekens van een
openbaar ambtenaar aannemen of een vals
bevel van het openbaar gezag inroepen.
|
AFDELING II Diefstal door middel van
geweld of bedreiging gepleegd en
afpersing
|
ART. 468
Hij die een diefstal pleegt door middel
van geweld of bedreiging, wordt gestraft
met [ opsluiting van vijf jaar tot tien
jaar ].
(W. 23.1.2003 - art. 75 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 469
Met diefstal gepleegd door middel van
geweld of bedreiging wordt gelijkgesteld
het geval waarin de dief op heterdaad
betrapt wordt en geweld of bedreigingen
gebruikt hetzij om in het bezit van de
weggenomen voorwerpen te kunnen blijven,
hetzij om zijn vlucht te verzekeren.
|
ART. 470
Met de straffen, bij het artikel 468
bepaald, wordt gestraft alsof hij een
diefstal met geweld of bedreiging had
gepleegd, hij die met behulp van geweld
of bedreiging afperst, hetzij gelden,
waarden, roerende voorwerpen,
schuldbrieven, biljetten, promessen,
kwijtingen, hetzij de ondertekening of
de afgifte van enig stuk dat een
verbintenis, beschikking of
schuldbevrijding inhoudt of
teweegbrengt.
|
ART. 471
[ In de gevallen van de artikelen 468,
469 en 470 is de straf de opsluiting van
tien jaar tot vijftien jaar :
indien het misdrijf wordt gepleegd
door middel van braak, inklimming of
valse sleutels;
indien het misdrijf wordt gepleegd
door een openbaar ambtenaar door middel
van zijn ambtsbediening;
indien de schuldigen of een van hen
de titel of de kentekens van een
openbaar ambtenaar aannemen of een vals
bevel van het openbaar gezag inroepen;
indien het misdrijf gepleegd wordt
bij nacht;
indien het misdrijf gepleegd wordt
door twee of meer personen;
indien de schuldige, om het misdrijf
te vergemakkelijken of zijn vlucht te
verzekeren, gebruik maakt van een
voertuig of enig ander al of niet met
een motor aangedreven tuig. ]
(W. 11.12.2001 - art. 3 - B.S.
7.2.2002)
|
ART. 472
[In de gevallen van de artikelen 468,
469 en 470 is de straf de opsluiting van
vijftien jaar tot twintig jaar :
indien het misdrijf wordt gepleegd
onder twee van de in artikel 471
vermelde omstandigheden;
indien wapens of op wapens gelijkende
voorwerpen worden gebruikt of getoond,
of indien de schuldige doet geloven dat
hij gewapend is;
indien de schuldige, om het misdrijf
te plegen of zijn vlucht te verzekeren,
gebruik maakt van weerloosmakende of
giftige stoffen;
indien de schuldige, om het misdrijf
te vergemakkelijken of zijn vlucht te
verzekeren, gebruik maakt van een
voertuig of enig ander al of niet met
een motor aangedreven tuig, dat
verkregen is door een misdaad of een
wanbedrijf;
indien de schuldige, om het misdrijf
te vergemakkelijken of zijn vlucht te
verzekeren, gebruik maakt van een
motorvoertuig of enig ander met een
motor aangedreven tuig voorzien van
kentekens of toestellen waardoor
verwarring kan ontstaan met een
motorvoertuig of enig ander met een
motor aangedreven tuig van de
ordediensten. ]
(W. 11.12.2001 - art. 4 - B.S.
7.2.2002)
|
ART. 473
[ In de gevallen van de artikelen 468,
469, 470 en 471 is de straf [ opsluiting
] van vijftien jaar tot twintig jaar,
indien het geweld of de bedreiging,
hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte,
hetzij een blijvende fysische of
psychische ongeschiktheid, hetzij het
volledig verlies van het gebruik van een
orgaan, hetzij een zware verminking ten
gevolge heeft.
(W. 14.6.2002 - art. 8 - B.S.
14.8.2002)
Dezelfde straf wordt toegepast,
indien de boosdoeners de personen [
hebben onderworpen aan de handelingen
bedoeld in artikel 417ter, eerste lid ]
;
(W. 14.6.2002 - art. 8 - B.S.
14.8.2002)
In de gevallen van artikel 472 wordt
de straf op [ opsluiting van twintig
jaar tot dertig jaar ] gebracht. ]
(W. 14.6.2002 - art. 8 - B.S.
14.8.2002)
(W. 2.7.1975 - art. 4 - B.S.
24.7.1975)
|
ART. 474
Indien het geweld of de bedreiging
gepleegd wordt zonder het oogmerk om te
doden, en toch de dood veroorzaakt,
worden de schuldigen veroordeeld tot [
opsluiting van twintig jaar tot dertig
jaar ] .
(W. 23.1.2003 - art. 76 - B.S.
13.3.2003)
[ ... ]
(Opgeheven W. 2.7.1975 - art. 6 -
B.S. 24.7.1975)
|
ART. 475
Doodslag, gepleegd om diefstal of
afpersing te vergemakkelijken of om de
straffeloosheid ervan te verzekeren,
wordt gestraft met [ levenslange
opsluiting ].
(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S.
1.8.1996)
|
ART. 476
De straffen, bij de artikelen 473 en 474
bepaald, worden zelfs dan toegepast
wanneer de voltooiing van de diefstal of
van de afpersing wordt verhinderd door
omstandigheden, onafhankelijk van de wil
van de schuldigen.
|
[ AFDELING IIbis Diefstal en
afpersing van kernmateriaal ]
|
ART. 477
[Diefstal van kernmateriaal wordt
gestraft met [ opsluiting van vijf jaar
tot tien jaar. ] ]
(W. 23.1.2003 - art. 77 - B.S.
13.3.2003)
(W. 17.4.1986 - art. 2 - B.S.
14.8.1986)
|
ART. 477bis
[De diefstal van kernmateriaal wordt
gestraft met [ opsluiting ] van tien
jaar tot vijftien jaar:
(W. 23.1.2003 - art. 78 - B.S.
13.3.2003)
1° indien hij gepleegd wordt door
middel van geweld of bedreiging;
2° indien hij gepleegd wordt door
middel van braak, inklimming of valse
sleutels;
3° indien hij gepleegd wordt door een
openbaar ambtenaar door middel van zijn
ambtsbediening;
4° indien de schuldigen of een van
hen de titel of de kentekens van een
openbaar ambtenaar hebben aangenomen of
een vals bevel van het openbaar gezag
hebben ingeroepen. ]
(W. 17.4.1986 - art. 2 - B.S.
14.8.1986)
|
ART. 477ter
[Afpersing van kernmateriaal door middel
van geweld of bedreiging wordt gestraft
met [ opsluiting ] van tien jaar tot
vijftien jaar. ]
(W. 23.1.2003 - art. 78 - B.S.
13.3.2003)
(W. 17.4.1986 - art. 2 - B.S.
14.8.1986)
|
ART. 477quater
[Met diefstal of afpersing van
kernmateriaal, gepleegd door middel van
geweld of bedreiging, wordt
gelijkgesteld het geval waarin de dief
of de afperser op heterdaad betrapt,
geweld heeft gepleegd of bedreigingen
heeft geuit, ofwel om het ontvreemde
kernmateriaal in zijn bezit te houden,
ofwel om zijn vlucht te dekken. ]
(W. 17.4.1986 - art. 2 - B.S.
14.8.1986)
|
ART. 477quinquies
[De diefstal of de afpersing van
kernmateriaal gepleegd door middel van
geweld of bedreiging, alsmede het feit
bedoeld in artikel 477quater; worden
gestraft met [ opsluiting ] van vijftien
tot twintig jaar:
(W. 23.1.2003 - art. 78 - B.S.
13.3.2003)
1° indien zij gepleegd worden door
middel van braak, inklimming of valse
sleutels:
2° indien zij gepleegd worden door
een openbaar ambtenaar door middel van
zijn ambtsbediening;
3° indien de schuldigen of een van
hen de titel of de kentekens van een
openbaar ambtenaar aannemen of een vals
bevel van het openbaar gezag inroepen;
4° indien zij gepleegd worden bij
nacht;
5° indien zij gepleegd worden door
twee of meer personen;
6° indien de schuldige, om de
afpersing te vergemakkelijken of zijn
vlucht te verzekeren, gebruik maakt van
een voertuig of enig ander al dan niet
met een motor aangedreven tuig. ]
(W. 17.4.1986 - art. 2 - B.S.
14.8.1986)
|
ART. 477sexies
[§ 1. De diefstal of de afpersing van
kernmateriaal met behulp van geweld of
bedreiging alsmede het feit bedoeld in
artikel 477quater, worden gestraft met [
opsluiting van twintig jaar tot dertig
jaar ] :
(W. 23.1.2003 - art. 79 - B.S.
13.3.2003)
1° indien zij gepleegd worden onder
twee van de omstandigheden vermeld in
artikel 477quinquies;
2° indien wapens of op wapens
gelijkende voorwerpen worden gebruikt of
getoond, of indien de schuldige doet
geloven dat hij gewapend is;
3° indien de schuldige, om het feit
te plegen of zijn vlucht te verzekeren,
gebruik maakt van weerloosmakende of
giftige stoffen;
4° indien de schuldige, om het feit
te vergemakkelijken of zijn vlucht te
verzekeren, gebruik maakt van een
gestolen voertuig of enig ander al dan
niet met een motor aangedreven gestolen
tuig;
5° indien de schuldige, om het feit
te vergemakkelijken of zijn vlucht te
verzekeren, gebruik maakt van een
motorvoertuig of enig ander met een
motor aangedreven tuig voorzien van
kentekens of toestellen waardoor de
verwarring kan onstaan met een
motorvoertuig of enig ander met een
motor aangedreven tuig van de
ordediensten.
§ 2. Dezelfde feiten worden gestraft
met dezelfde straf:
1° indien het geweld of de
bedreiging, hetzij een ongeneeslijk
lijkende ziekte, hetzij een blijvende
lichamelijke of geestelijke
ongeschiktheid, hetzij het volledig
verlies van het gebruik van een orgaan
of een zware verminking heeft
veroorzaakt;
2° [ indien de boosdoeners de
personen aan de handelingen bedoeld in
artikel 417ter, eerste lid, hebben
onderworpen ];
(W. 14.6.2002 - art. 9 - B.S.
14.8.2002)
3° indien het geweld of de bedreiging
gepleegd zonder het oogmerk te doden,
toch de dood heeft veroorzaakt.
§ 3. De straf bepaald bij § 2 wordt
zelfs dan toegepast wanneer de
voltooiing van de diefstal of van de
afpersing wordt verhinderd door
omstandigheden, onafhankelijk van de wil
van de schuldigen. ]
(W. 17.4.1986 - art. 2 - B.S.
14.8.1986)
|
AFDELING III [ Betekenis van sommige
in dit Wetboek voorkomende uitdrukkingen
] (W. 2.7.1975 - art. 4 - B.S.
24.7.1975)
|
ART. 478
Diefstal bij nacht is de diefstal
gepleegd meer dan een uur voor
zonsopgang en meer dan een uur na
zonsondergang.
|
ART. 479
Als bewoond huis wordt beschouwd elk
gebouw, appartement, verblijf, loods,
elke zelfs verplaatsbare hut of elke
andere gelegenheid die tot woning dient.
|
ART. 480
Als aanhorigheden van een bewoond huis
worden beschouwd de binnenplaatsen,
neerhoven, tuinen en alle andere
besloten erven, alsook de schuren,
stallen en alle andere bouwwerken die
zich daarin bevinden, onverschillig
waarvoor zij gebruikt worden, zelfs
wanneer zij een afzonderlijke ruimte
vormen binnen de algemene omheining.
|
ART. 481
Verplaatsbare omheiningen, bestemd om
vee in het open veld ingesloten te
houden, op welke wijze ook gemaakt,
worden als aanhorigheden van een bewoond
huis beschouwd, wanneer zij staan op
hetzelfde stuk grond als de
verplaatsbare hutten of andere
schuilplaatsen, bestemd voor de
veehoeders.
|
ART. 482
Onder het woord wapens worden begrepen
de voorwerpen, bedoeld in artikel 135
van dit wetboek.
|
ART. 483
Onder geweld verstaat de wet daden van
fysieke dwang gepleegd op personen.
Onder bedreiging verstaat de wet alle
middelen van morele dwang door het
verwekken van vrees voor een dreigend
kwaad.
|
ART. 484
Braak bestaat in het openbreken,
stukbreken, beschadigen, afbreken of
wegnemen van om het even welke in- of
uitwendige sluiting van enig huis,
gebouw, bouwwerk of aanhorigheden, van
een vaartuig, een wagon, een voertuig;
in het openbreken van gesloten kasten of
meubels, bestemd om ter plaatse te
blijven en om de daarin besloten
voorwerpen te beveiligen.
|
ART. 485
Met diefstal door middel van braak
worden gelijkgesteld:
Het wegnemen van de meubels waarvan
sprake in het vorige artikel;
De diefstal gepleegd met
zegelverbreking.
|
ART. 486
Inklimming wordt genoemd:
Het binnenkomen over muren, deuren,
daken of om het even welke andere
afsluiting, in huizen, gebouwen,
binnenplaatsen, neerhoven, bouwwerken
van welke aard ook, tuinen, parken,
besloten erven;
Het binnenkomen door een ondergrondse
opening die niet gemaakt is om tot
toegang te dienen.
|
ART. 487
Valse sleutels worden genoemd:
Alle haken, opstekers, lopers,
nagebootste, nagemaakte of vervalste
sleutels;
Sleutels die door de eigenaar,
huurder, logementhouder, of
kamerverhuurder niet bestemd zijn voor
de sloten, hangsloten of voor welk
sluitwerk ook, waartoe de schuldige ze
gebruikt;
Verloren, zoekgeraakte of weggenomen
sleutels die tot het plegen van de
diefstal dienen.
Evenwel is het gebruik van valse
sleutels alleen dan een verzwarende
omstandigheid, wanneer zij dienen om
voorwerpen te openen, waarvan de braak
een verzwaring van straf ten gevolge zou
hebben.
|
ART. 487bis
[Onder kernmateriaal wordt verstaan
plutonium, met uitzondering van
plutonium waarvan de isotoopconcentratie
aan plutonium - 238 hoger is dan 80%;
uranium - 233; uranium, verrijkt in de
isotopen 235 of 233; uranium, bestaande
uit een mengsel van isotopen, zoals deze
in de natuur voorkomen anders dan in de
vorm van erts of ertsresidu, en elke
stof die een of meer van de hierboven
genoemde isotopen bevat. ]
(W. 17.4.1986 - art. 3 - B.S.
14.8.1986)
|
ART. 488
Bijzondere bepalingen
Hij die bedrieglijk sleutels namaakt
of vervalst, wordt veroordeeld tot
gevangenisstraf van drie maanden tot
twee jaar en tot geldboete van
zesentwintig frank tot tweehonderd
frank.
Indien de schuldige slotenmaker van
beroep is, wordt hij gestraft met
gevangenisstraf van twee jaar tot vijf
jaar en met geldboete van tweehonderd
frank tot duizend frank.
|
[ HOOFDSTUK 1BIS Externe beveiliging
van kernmateriaal ] (W. 17.4.1986 - art.
4 - B.S. 14.8.1986)
|
ART. 488bis
§ 1 Hij die opzettelijk en zonder
vergunning, verleend door het bevoegd
gezag, of niet op de voorwaarden daarin
gesteld, zich kernmateriaal laat
afgeven, dan wel zodanig materiaal
verkrijgt, in zijn bezit houdt,
gebruikt, verandert, afstaat,
achterlaat, vervoert of verspreidt,
wordt gestraft met [ opsluiting van vijf
jaar tot tien jaar ] .
(W. 23.1.2003 - art. 80, 1° - B.S.
13.3.2003)
§ 2. De straf is [ opsluiting ] van
tien jaar tot vijftien jaar, indien het
strafbaar feit voor een ander heeft
veroorzaakt:
(W. 23.1.2003 - art. 80, 2° - B.S.
13.3.2003)
1° hetzij een ongeneeslijk lijkende
ziekte, een blijvende ongeschiktheid tot
het verrichten van persoonlijke arbeid,
het volledig verlies van het gebruik van
een orgaan of een zware verminking;
2° de algemene of gedeeltelijke
vernietiging van gebouwen, bruggen,
dijken, straatwegen, spoorwegen,
sluizen, magazijnen, werkplaatsen,
loodsen, schepen, vaartuigen,
vliegtuigen of andere kunstwerken of
bouwwerken die aan een ander toebehoren.
§ 3. Indien het strafbaar feit,
gepleegd zonder het oogmerk om te doden,
toch de dood heeft veroorzaakt, wordt de
schuldige gestraft met [ opsluiting ]
van vijftien tot twintig jaar. ]
(W. 23.1.2003 - art. 80, 2° - B.S.
13.3.2003)
(W. 17.4.1986 - art. 4 - B.S.
14.8.1986)
|
HOOFDSTUK II Bedrog
|
[ AFDELING I Misdrijven die verband
houden met de staat van faillissement ]
(W. 8.8.1997 - art. 117 - B.S.
28.10.1997)
|
ART. 489
[ Met gevangenisstraf van een maand tot
een jaar en met geldboete van honderd
frank tot honderdduizend frank of met
een van die straffen alleen worden
gestraft de kooplieden die zich in staat
van faillissement bevinden in de zin van
artikel 2 van de faillissementswet, of
de bestuurders, in recht of in feite,
van handelsvennootschappen die zich in
staat van faillissement bevinden, die:
1° zonder voldoende tegenprestatie,
ten behoeve van derden met inachtneming
van de financiële toestand van de
onderneming te aanzienlijke
verbintenissen hebben aangegaan
2° zonder wettig verhinderd te zijn,
verzuimd hebben de verplichtingen
gesteld bij artikel 53 van de
faillissementswet na te leven. ]
(W. 8.8.1997 - art. 118 - B.S.
28.10.1997)
|
ART. 489bis
[Met gevangenisstraf van een maand tot
twee jaar en met geldboete van honderd
frank tot vijfhonderdduizend frank of
met een van die straffen alleen worden
gestraft de personen bedoeld in artikel
489 die:
1° met het oogmerk om de
faillietverklaring uit te stellen,
aankopen hebben gedaan tot wederverkoop
beneden de koers of toegestemd hebben in
leningen, effectencirculaties en andere
al te kostelijke middelen om zich geld
te verschaffen;
2° verdichte uitgaven of verliezen
hebben opgegeven of geen verantwoording
hebben verschaft van het bestaan of van
de aanwending van de activa of een deel
ervan, zoals zij uit de boekhoudkundige
stukken blijken op de datum van staking
van betaling, en van alle goederen van
welke aard ook, die zij naderhand zouden
hebben verkregen;
3° met het oogmerk om de
faillietverklaring uit te stellen, een
schuldeiser ten nadele van de boedel
betaald of bevoordeeld hebben;
4° met hetzelfde oogmerk, verzuimd
hebben binnen de bij artikel 9 van de
faillissementswet gestelde termijn
aangifte te doen van het faillissement;
wetens verzuimd hebben naar aanleiding
van de aangifte van het faillissement de
inlichtingen vereist bij artikel 10 van
dezelfde wet te verstrekken; wetens naar
aanleiding van de aangifte van het
faillissement of naderhand, op de vragen
van de rechter-commissaris of van de
curators, onjuiste inlichtingen hebben
verstrekt. ]
(W. 8.8.1997 - art. 119 - B.S.
28.10.1997)
|
ART. 489ter
[Met gevangenisstraf van een maand tot
vijf jaar en met geldboete van honderd
frank tot vijfhonderdduizend frank
worden gestraft de in artikel 489
bedoelde personen die met bedrieglijk
opzet of met het oogmerk om te schaden:
1° een gedeelte van de activa hebben
verduisterd of verborgen;
2° de boeken of bescheiden bedoeld in
hoofdstuk I van de wet van 17 juli 1975
op de boekhouding en de jaarrekening van
de ondernemingen, geheel of gedeeltelijk
hebben doen verdwijnen; poging tot die
wanbedrijven wordt gestraft met
gevangenisstraf van een maand tot drie
jaar en met geldboete van honderd frank
tot vijfhonderdduizend frank.
Zij die zich aan die wanbedrijven of
poging daartoe schuldig hebben gemaakt,
kunnen bovendien worden veroordeeld tot
ontzetting van rechten overeenkomstig
artikel 33. ]
(W. 8.8.1997 - art. 120 - B.S.
28.10.1997)
|
ART. 489quater
[De strafvordering terzake van de
strafbare feiten omschreven in de
artikelen 489, 489bis en 489ter wordt
vervolgd los van enige vordering die bij
de rechtbank van koophandel mocht zijn
ingesteld. Nochtans kan de staat van
faillissement voor de strafrechter niet
worden betwist wanneer hij vastgesteld
is bij een in kracht van gewijsde gegane
beslissing van de rechtbank van
koophandel of van het hof van beroep aan
het slot van een procedure waarbij de
beklaagde partij was, hetzij
persoonlijk, hetzij als
vertegenwoordiger van de gefailleerde
vennootschap. ]
(W. 8.8.1997 - art. 121 - B.S.
28.10.1997)
|
ART. 489quinquies
[Met gevangenisstraf van een maand tot
twee jaar en met geldboete van honderd
frank tot vijfhonderdduizend frank of
met een van die straffen alleen worden
gestraft zij die bedrieglijk:
1° in het belang van de failliet
verklaarde koopman of
handelsvennootschap, zelfs zonder de
medewerking van de koopman of van de
bestuurders, in rechte of in feite, van
de vennootschap, de activa geheel of ten
dele wegnemen, verbergen of helen;
2° verdichte of overdreven
schuldvorderingen bij het faillissement
indienen en bevestigen in eigen naam of
door tussenpersonen. ]
(W. 8.8.1997 - art. 122 - B.S.
28.10.1997)
|
ART. 489sexies
[Met gevangenisstraf van een maand tot
vijf jaar en met geldboete van honderd
frank tot vijfhonderdduizend frank wordt
gestraft de curator die zich schuldig
maakt aan ontrouw in zijn beheer. Hij
wordt daarenboven veroordeeld tot
teruggave en schadeloosstelling die aan
de boedel is verschuldigd. De schuldige
kan bovendien veroordeeld worden tot
ontzetting van rechten overeenkomstig
artikel 33. ]
(W. 8.8.1997 - art. 123 - B.S.
28.10.1997)
|
ART. 490
[ Alle arresten of vonnissen van
veroordeling tot een gevangenisstraf,
uitgesproken krachtens de artikelen 489,
489bis en 489ter, bevelen dat de
beslissing op kosten van de veroordeelde
bij uittreksel zal worden bekendgemaakt
in het Belgisch Staatsblad.
Het uittreksel bevat:
1° de naam, de voornamen, de plaats
en datum van geboorte, alsmede het adres
en het inschrijvingsnummer in het
handelsregister, van de veroordeelden
en, in voorkomend geval, de handelsnaam
of de benaming en de zetel van de
faillietverklaarde
handelsvennootschappen waarvan zij in
rechte of in feite bestuurder zijn;
2° de datum van het arrest of van het
vonnis van veroordeling en het gerecht
dat het heeft uitgesproken;
3° de strafbare feiten die tot de
veroordelingen aanleiding hebben gegeven
en de uitgesproken straffen; wanneer,
wegens eenheid van opzet, een enkele
straf is uitgesproken uit hoofde van een
van de voornoemde strafbare feiten en
uit hoofde van andere strafbare feiten,
vermelden de uittreksels alle strafbare
feiten die met deze ene straf worden
gestraft. ]
(W. 8.8.1997 - art. 124 - B.S.
28.10.1997)
|
ART. 490bis
[Met gevangenisstraf van een maand tot
twee jaar en met geldboete van honderd
frank tot vijfhonderdduizend frank of
met een van die straffen alleen wordt
gestraft hij die bedrieglijk zijn
onvermogen heeft bewerkt en aan de op
hem rustende verplichtingen niet heeft
voldaan.
Dat de schuldenaar zijn onvermogen
heeft bewerkt, kan worden afgeleid uit
enige omstandigheid waaruit blijkt dat
hij zich onvermogend heeft willen maken.
Ten aanzien van de derde die
mededader of medeplichtig is, vervalt de
strafvordering wanneer hij de hem
overhandigde goederen teruggeeft. ]
(W. 8.8.1997 - art. 141 - B.S.
28.10.1997)
|
AFDELING II Misbruik van vertrouwen
|
ART. 491
Hij die ten nadele van een ander
goederen, gelden, koopwaren, biljetten,
kwijtingen, geschriften van om het even
welke aard, die een verbintenis of een
schuldbevrijding inhouden of
teweegbrengen en die hem overhandigd
zijn onder verplichting om ze terug te
geven of ze voor een bepaald doel te
gebruiken of aan te wenden, bedrieglijk
verduistert of verspilt, wordt gestraft
met gevangenisstraf van een maand tot
vijf jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot vijfhonderd
frank.
De schuldige kan bovendien worden
veroordeeld tot ontzetting van rechten
overeenkomstig artikel 33.
|
ART. 492
De bepaling van artikel 462 is
toepasselijk op het misdrijf in het
vorige artikel omschreven.
|
ART. 492bis
[Met gevangenisstraf van een maand tot
vijf jaar en met geldboete van honderd
frank tot vijfhonderdduizend frank
worden gestraft de bestuurders, in feite
of in rechte, van burgerlijke en
handelsvennootschappen, alsook van
verenigingen zonder winstoogmerk, die
met bedrieglijk opzet en voor
persoonlijke rechtstreekse of indirecte
doeleinden gebruik hebben gemaakt van de
goederen of van het krediet van de
rechtspersoon, hoewel zij wisten dat
zulks op betekenisvolle wijze in het
nadeel was van de vermogensbelangen van
de rechtspersoon en van die van zijn
schuldeisers of vennoten.
De schuldigen kunnen daarenboven
veroordeeld worden tot ontzetting van
hun rechten overeenkomstig artikel 33. ]
(W. 8.8.1997 - art. 142 - B.S.
28.10.1997)
|
ART. 493
Met gevangenisstraf van drie maanden tot
vijf jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot vijfhonderd frank
wordt gestraft hij die misbruik maakt
van de behoeften, de zwakheden, [ de
hartstochten of de onwetendheid ] van
een minderjarige om hem, te zijnen
nadele, verbintenissen, kwijtingen,
schuldbevrijdingen, handelspapieren of
enig ander verbindend papier te doen
tekenen, in welke vorm deze handeling
ook verricht of vermomd mag zijn.
De schuldige kan bovendien worden
veroordeeld tot ontzetting van rechten
overeenkomstig artikel 33.
(K.B. 18.3.1935 - art. 1 - B.S.
20.3.1935)
|
ART. 494
[ Met gevangenisstraf van een maand tot
een jaar en met geldboete van duizend
frank tot tienduizend frank of met een
van die straffen alleen wordt gestraft
hij die zich wegens een in enigerlei
vorm aangegane geldlening voor zichzelf
of voor een ander een interest of andere
voordelen doet beloven, die de
wettelijke interest overschrijden,
indien hij er een gewoonte van maakt de
zwakheden of de hartstochten van de
lener te misbruiken.
Met dezelfde straffen wordt gestraft
hij die zich wegens een in enigerlei
vorm aangegane geldlening voor zichzelf
of voor een ander een interest of andere
voordelen doet beloven, die
klaarblijkelijk de normale interest en
de dekking van het risico van die lening
overschrijden, indien hij er een
gewoonte van maakt de behoeften of de
onwetendheid van de lener te misbruiken.
In de gevallen van dit artikel
vermindert de rechter, op vordering van
elke benadeelde partij, haar
verplichtingen overeenkomstig artikel
1907ter van het Burgerlijk Wetboek. ]
(K.B. 18.3.1935 - art. 2 - B.S.
20.3.1935)
|
ART. 495
Hij die, na in een rechtsgeding enige
titel, enig stuk of enige memorie te
hebben overgelegd, die titel, dat stuk
of die memorie, op welke wijze ook,
kwaadwillig of bedrieglijk verduistert,
wordt gestraft met geldboete van
zesentwintig frank tot driehonderd
frank.
Deze straf wordt uitgesproken door de
rechtbank waarbij het geschil aanhangig
is.
|
ART. 495bis
[Met gevangenisstraf van acht dagen tot
twee jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot duizend frank, of
met een van die straffen alleen, wordt
gestraft hij die een stuk dat hij onder
zich heeft en waarvan de overlegging in
rechte bij een vonnis wordt bevolen,
bedrieglijk vernietigt, verandert of
verbergt. ]
(W. 10.10.1967 - art. 3, art. 144 -
B.S. 31.10.1967)
|
AFDELING III Oplichting en
bedriegerij
|
ART. 496
Hij die, met het oogmerk om zich een
zaak toe te eigenen die aan een ander
toebehoort, zich gelden, roerende
goederen, verbintenissen, kwijtingen,
schuldbevrijdingen doet afgeven of
leveren, hetzij door het gebruik maken
van valse namen of valse hoedanigheden,
hetzij door het aanwenden van listige
kunstgrepen om te doen geloven aan het
bestaan van valse ondernemingen, van een
denkbeeldige macht of van een
denkbeeldig krediet, om een goede
afloop, een ongeval of enige andere
hersenschimmige gebeurtenis te doen
verwachten of te doen vrezen of om op
andere wijze misbruik te maken van het
vertrouwen of van de lichtgelovigheid,
wordt gestraft met gevangenisstraf van
een maand tot vijf jaar en met geldboete
van zesentwintig frank tot drieduizend
frank.
[ Poging tot het wanbedrijf
omschreven in het eerste lid wordt
gestraft met gevangenisstraf van acht
dagen tot drie jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot tweeduizend
frank. ]
[ In de gevallen in de vorige leden
omschreven kan de schuldige bovendien
worden veroordeeld tot ontzetting van
rechten overeenkomstig artikel 33. ]
(W. 16.6.1993 - enig art. - B.S.
24.7.1993)
|
ART. 497
Met gevangenisstraf van acht dagen tot
drie jaar en met geldboete van vijftig
frank tot vijfhonderd frank worden
gestraft:
[ Zij die met bedrieglijk opzet aan
een in België of in het buitenland
wettelijk gangbare munt de schijn geven
of pogen te geven van een munt van
grotere waarde;
Zij die munten uitgeven of pogen uit
te geven, waaraan de schijn is gegeven
van munten van grotere waarde, of
zodanige munten in het land invoeren of
pogen in te voeren met het doel die in
omloop te brengen. ]
Zij die stukken metaal zonder enige
muntslag uitgeven of pogen uit te geven
voor muntstukken.
(W. 12.7.1932 - art. 1, 12 - B.S.
20.8.1932)
|
ART. 497bis
[ Met gevangenisstraf van acht dagen tot
zes maanden en met geldboete van
zesentwintig frank tot vijfhonderd frank
worden gestraft zij die munten waaraan
de schijn is gegeven van munten van
grotere waarde, ontvangen of zich
aanschaffen met het doel die in omloop
te brengen.
Poging wordt gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot drie
maanden en met geldboete van
zesentwintig frank tot duizend frank. ]
(W. 12.7.1932 - art. 1, 13 - B.S.
20.8.1932)
|
ART. 498
Met gevangenisstraf van een maand tot
een jaar en met geldboete van vijftig
frank tot duizend frank of met een van
die straffen alleen wordt gestraft hij
die de koper bedriegt:
Omtrent de identiteit van de
verkochte zaak, door bedrieglijk een
andere zaak te leveren dan het bepaalde
voorwerp waarop de overeenkomst slaat;
Omtrent de aard of de oorsprong van
de verkochte zaak, door een zaak te
verkopen of te leveren, die in schijn
gelijk is aan die welke hij heeft
gekocht of heeft gemeend te kopen.
|
ART. 499
[ Tot gevangenisstraf van acht dagen tot
een jaar en tot geldboete van
zesentwintig frank tot duizend frank of
tot een van die straffen alleen worden
veroordeeld zij die door het aanwenden
van listige kunstgrepen:
1° De koper of de verkoper omtrent de
hoeveelheid van de verkochte zaken
bedriegen;
2° De partijen, verbonden door een
contract van huur van werk, of een van
die partijen, bedriegen, hetzij omtrent
de hoeveelheid, hetzij omtrent de
hoedanigheid van het geleverde werk,
wanneer in dit tweede geval de bepaling
van de hoedanigheid van het werk moet
dienen om het bedrag van het loon vast
te stellen. ]
(W. 17.6.1896 - enig art. B.S.
25.6.1896)
|
ART. 500
Met gevangenisstraf van acht dagen tot
een jaar en met geldboete van vijftig
frank tot duizend frank of met een van
die straffen alleen worden gestraft:
Zij die [ voedingsmiddelen ] bestemd
om verkocht of gesleten te worden,
vervalsen of doen vervalsen;
Zij die deze zaken verkopen, slijten
of te koop stellen, wetende dat zij
vervalst zijn;
Zij die door aanplakbiljetten of door
berichten, al dan niet gedrukt,
kwaadwillig of bedrieglijk het procédé
om diezelfde zaken te vervalsen,
verbreiden of bekendmaken.
(W. 24.1.1977 - art. 24 - B.S.
8.4.1977)
|
ART. 501
Met gevangenisstraf van acht dagen tot
zes maanden en met geldboete van
zesentwintig frank tot vijfhonderd frank
of met een van die straffen alleen wordt
gestraft hij bij wie [ voedingsmiddelen
gevonden worden ] bestemd om verkocht of
gesleten te worden, en die weet dat zij
vervalst zijn.
(W. 24.1.1977 - art. 24 - B.S.
8.4.1977)
|
ART. 501bis
[Wordt gestraft met gevangenisstraf van
acht dagen tot drie maanden en met een
geldboete van zesentwintig tot
driehonderd frank of met één dezer
straffen alleen, hij die, zonder het in
artikel 500 vereiste bedrieglijk opzet,
vervalste [ voedingsmiddelen ] heeft
verkocht, gesleten of te koop gesteld. ]
(W. 20.6.1964 - art. 15 - B.S.
10.7.1964)
(W. 24.1.1977 - art. 24 - B.S.
8.4.1977)
|
ART. 502
In de gevallen [ van de artikelen 500 en
501 ] kan de rechtbank bevelen dat het
vonnis zal worden aangeplakt op de
plaatsen die zij bepaalt, en in zijn
geheel of bij uittreksel zal worden
opgenomen in de bladen die zij aanwijst;
een en ander op kosten van de
veroordeelde.
(W. 24.1.1977 - art. 24 - B.S.
8.4.1977)
[ ... ]
(W. 29.10.1919 - art. 90 - B.S.
7.11.1919)
|
ART. 503
[ De vervalste voedingsmiddelen die in
het bezit van de schuldige worden
gevonden, worden in beslag genomen en
verbeurd verklaard.
Nochtans moeten die voedingsmiddelen,
wanneer zij ingevolge de vervalsing voor
de voeding ongeschikt zijn gemaakt en
wegens hun aard of toestand niet kunnen
worden bewaard, na monsterneming worden
vernietigd of gedenatureerd door de
bekeurende beambte, bijgestaan door een
ambtenaar bedoeld in artikel 11 van de
wet betreffende de bescherming van de
gezondheid van de verbruikers op het
stuk van de voedingsmiddelen en andere
produkten, welke personen gezamenlijk de
processen-verbaal van de inbeslagneming
en vernietiging of denaturering van die
voedingsmiddelen ondertekenen. In ieder
geval wordt de verbeurdverklaring
bevolen.
De voedingsmiddelen die
niettegenstaande hun vervalsing voor de
voeding geschikt blijven, mogen worden
overgemaakt aan een van een
ondergeschikt bestuur afhangende
inrichting voor maatschappelijk
dienstbetoon, hetzij onmiddellijk na
monsterneming zo het voedingsmiddelen
betreft die niet voor bewaring vatbaar
zijn, hetzij na rechterlijke beslissing
waarbij de verbeurdverklaring wordt
bevolen, zo deze voedingsmiddelen
vatbaar zijn voor bewaring. ]
(W. 24.1.1977 - art. 25 - B.S.
8.4.1977)
|
ART. 504
De bepaling van artikel 462 is
toepasselijk op de misdrijven, in de
artikelen 496, 498 en 499 omschreven.
|
[ AFDELING IIIbis Private omkoping
|
Art. 504bis
§ 1. Passieve private omkoping bestaat
in het feit dat een persoon die
bestuurder of zaakvoerder van een
rechtspersoon, lasthebber of aangestelde
van een rechtspersoon of van een
natuurlijke persoon is, rechtstreeks of
door tussenpersonen, voor zichzelf of
voor een derde, een aanbod, een belofte
of een voordeel van welke aard dan ook
vraagt of aanneemt, om zonder medeweten
en zonder machtiging van, naar gelang
van het geval, de raad van bestuur of de
algemene vergadering, de lastgever of de
werkgever, een handeling van zijn
functie of een door zijn functie
vergemakkelijkte handeling te verrichten
of na te laten.
§ 2. Actieve private omkoping bestaat
in het rechtstreeks of door
tussenpersonen voorstellen aan een
persoon die bestuurder of zaakvoerder
van een rechtspersoon, lasthebber of
aangestelde van een rechtspersoon of van
een natuurlijke persoon is, van een
aanbod, een belofte of een voordeel van
welke aard dan ook voor zichzelf of voor
een derde om zonder medeweten en zonder
machtiging van, naar gelang van het
geval, de raad van bestuur of de
algemene vergadering, de lastgever of de
werkgever, een handeling van zijn
functie of een door zijn functie
vergemakkelijkte handeling te verrichten
of na te laten. ]
(W. 10.2.1999 - art. 5 - B.S.
23.3.1999)
|
Art. 504ter
§ 1. In geval van private omkoping is de
straf een gevangenisstraf van zes
maanden tot twee jaar en een geldboete
van 100 frank tot 100 000 frank of één
van die straffen.
§ 2. Indien de vraag bedoeld in
artikel 504bis, § 1, gevolgd wordt door
een voorstel bedoeld in artikel 504bis,
§ 2, evenals ingeval het voorstel
bedoeld in artikel 504bis, § 2,
aangenomen wordt, is de straf een
gevangenisstraf van zes maanden tot drie
jaar en een geldboete van 100 frank tot
50 000 frank of één van die straffen. ]
(W. 10.02.1999 - art. 5 - B.S.
23.03.1999)
|
[ AFDELING IIIbis. Informaticabedrog
] (W. 28.11.2000 - art. 4 - B.S.
3.2.2001)
|
ART. 504quater
§ 1. [ Hij die, met bedrieglijk opzet,
beoogt een onrechtmatig economisch
voordeel voor zichzelf of voor een ander
te verwerven ], door gegevens die worden
opgeslagen, verwerkt of overgedragen
door middel van een informaticasysteem,
in een informaticasysteem in te voeren,
te wijzigen, te wissen of met enig ander
technologisch middel [ de normale
aanwending ] van gegevens in een
informaticasysteem te veranderen, wordt
gestraft met gevangenisstraf van zes
maanden tot vijf jaar en met geldboete
van zesentwintig frank tot
honderdduizend frank of met een van die
straffen alleen.
(W. 15.5.2006 - art. 4 - B.S.
11.9.2006)
§ 2. Poging tot het plegen van het
misdrijf bedoeld in § 1 wordt gestraft
met gevangenisstraf van zes maanden tot
drie jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot vijftigduizend
frank, of met een van die straffen
alleen.
§ 3. De straffen bepaald in de §§ 1
en 2 worden verdubbeld indien een
overtreding van een van die bepalingen
wordt begaan binnen vijf jaar na de
uitspraak houdende veroordeling wegens
een van die strafbare feiten of wegens
een van de strafbare feiten bedoeld in
de artikelen 210bis, 259bis, 314bis of
in titel IXbis.
|
[ AFDELING IV Heling en andere
verrichtingen met betrekking tot zaken
die uit een misdrijf voortkomen ] (W.
17.7.1990 - art. 4 - B.S. 15.8.1990)
|
ART. 505
[ Met gevangenisstraf van vijftien dagen
tot vijf jaar en met geldboete van
zesentwintig [ euro ] tot honderdduizend
[ euro ] of met een van die straffen
alleen worden gestraft :
1° zij die weggenomen, verduisterde
of door misdaad of wanbedrijf verkregen
zaken of een gedeelte ervan helen;
2° [ zij die zaken bedoeld in artikel
42, 3°, kopen, ruilen of om niet
ontvangen, bezitten, bewaren of beheren,
ofschoon zij op het ogenblik van de
aanvang van deze handelingen, de
oorsprong van die zaken kenden of
moesten kennen ; ]
(W. 10.5.2007 - art. 2,1° - B.S.
22.8.2007)
3° zij die de zaken, bedoeld in
artikel 42, 3°, [ omzetten of overdragen
] met de bedoeling de illegale herkomst
ervan te verbergen of te verdoezelen of
een persoon die betrokken is bij een
misdrijf waaruit deze zaken voortkomen,
te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen
van zijn daden;
(W. 10.5.2007 - art. 2,2° - B.S.
22.8.2007)
4° [ zij die de aard, oorsprong,
vindplaats, vervreemding, verplaatsing
of eigendom van de in artikel 42, 3°,
bedoelde zaken verhelen of verhullen,
ofschoon zij op het ogenblik van de
aanvang van deze handelingen de
oorsprong van die zaken kenden of
moesten kennen. ]
(W. 10.5.2007 - art. 2,3° - B.S.
22.8.2007)
[ in het eerste lid, 3° en 4°,
genoemde misdrijven bestaan, indien de
dader ervan ook dader, mededader van of
medeplichtige is aan het misdrijf
waaruit de zaken genoemd in artikel 42,
3°, voortkomen. De in het eerste lid, 1°
en 2°, genoemde misdrijven bestaan, ook
indien de dader ervan eveneens de dader,
mededader van of medeplichtige is aan
het misdrijf waaruit de zaken genoemd in
artikel 42, 3°, voortkomen, wanneer dit
misdrijf in het buitenland is gepleegd
en in België niet kan worden vervolgd. ]
(W. 10.5.2007 - art. 2,4° - B.S.
22.8.2007)
[ Behalve ten aanzien van de dader,
de mededader en de medeplichtige van het
misdrijf dat de zaken bedoeld in artikel
42, 3°, heeft opgeleverd, hebben op
fiscaal vlak de misdrijven bedoeld in
het eerste lid, 2° en 4°, uitsluitend
betrekking op feiten gepleegd in het
raam van ernstige en georganiseerde
fiscale fraude waarbij bijzonder
ingewikkelde mechanismen of procédés van
internationale omvang worden aangewend.
De in de artikelen 2, 2bis en 2ter
van de wet van 11 januari 1993 tot
voorkoming van het gebruik van het
financiële stelsel voor het witwassen
van geld en de financiering van
terrorisme beoogde instellingen en
personen kunnen zich op het vorige lid
beroepen voor zover zij zich, ten
aanzien van de beoogde feiten, hebben
geconformeerd aan de voorziene
verplichting van artikel 14quinquies van
de wet van 11 januari 1993 die de wijze
van informatieverstrekking aan de Cel
voor financiële informatieverwerking
regelt. ]
(W. 10.5.2007 - art. 2,5° - B.S.
22.8.2007)
De zaken bedoeld [ in het eerste lid,
1° ] van dit artikel maken het voorwerp
uit van [ het misdrijf dat gedekt is
door deze bepaling ], in de zin van
artikel 42, 1°, en zij worden
verbeurdverklaard, ook indien zij geen
eigendom zijn van de veroordeelde,
zonder dat [ deze straf ] nochtans de
rechten van derden op de goederen die
het voorwerp kunnen uitmaken van de
verbeurd verklaring, schaadt.
(W. 10.5.2007 - art. 2,6° - B.S.
22.8.2007)
[ De in het eerste lid, 3° en 4°,
bedoelde zaken zijn het voorwerp van de
door deze bepalingen bedoelde misdrijven
in de zin van artikel 42, 1°, en worden
verbeurd verklaard ten aanzien van alle
daders, mededaders of medeplichtigen van
die misdrijven, ook al heeft de
veroordeelde die zaken niet in eigendom.
Die straf mag evenwel geen schade
berokkenen aan de rechten die derden op
de voor verbeurdverklaring vatbare
goederen kunnen doen gelden. Zo die
zaken niet in het vermogen van de
veroordeelde kunnen worden aangetroffen,
gaat de rechter over tot een raming van
de geldwaarde ervan en heeft de
verbeurdverklaring betrekking op een
daarmee overeenstemmend geldbedrag. In
dat geval kan de rechter dat bedrag
evenwel verminderen teneinde de
veroordeelde geen onredelijk zware straf
op te leggen.
De in het eerste lid, 2°, bedoelde
zaken zijn het voorwerp van het door
deze bepaling bedoeld misdrijf in de zin
van artikel 42, 1°, en worden verbeurd
verklaard ten aanzien van alle daders,
mededaders of medeplichtigen van die
misdrijven, ook al heeft de veroordeelde
die zaken niet in bezit. Daarbij mag die
straf geen schade berokkenen aan de
rechten die derden op de voor
verbeurdverklaring vatbare goederen
kunnen doen gelden. Zo die zaken niet in
het vermogen van de veroordeelde kunnen
worden aangetroffen, gaat de rechter
over tot een raming van de geldwaarde
ervan en heeft de verbeurdverklaring
betrekking op een geldbedrag dat in
verhouding staat tot de mate waarin de
veroordeelde bij het misdrijf betrokken
was. ]
(W. 10.5.2007 - art. 2,7° - B.S.
22.8.2007)
Poging tot een van de misdrijven
bedoeld in 2°, 3° en 4° van dit artikel
wordt bestraft met gevangenisstraf van
acht dagen tot drie jaar en met
geldboete van zesentwintig [ euro ] tot
vijftigduizend [ euro ] of met een van
die straffen alleen.
De personen die krachtens deze
bepalingen worden gestraft, kunnen
bovendien veroordeeld worden tot
ontzetting, overeenkomstig artikel 33. ]
(W. 26.6.2000 - art. 2 - B.S.
29.7.2000)
(W. 7.4.1995 - art. 7 - B.S.
10.5.1995)
|
ART. 505bis
[ Zij die weggenomen, verduisterde of
door de misdaad of het wanbedrijf
bedoeld in artikel 433 verkregen zaken
of een gedeelte ervan helen, worden
gestraft met de straffen bepaald in
artikel 505, eerste lid, waarbij de
minimumstraf in het geval van
gevangenisstraf wordt verhoogd tot drie
maanden en in het geval van geldboete
tot duizend euro. ]
(Ingevoegd W. 10.8.2005 - art. 7 -
B.S. 2.9.2005)
|
ART. 506
[Ingeval de straf, toepasselijk op de
daders van de misdaad, levenslange
opsluiting of opsluiting van twintig
jaar tot dertig jaar is, worden [ de in
de artikelen 505 en 505bis bedoelde
helers ] veroordeeld tot opsluiting van
vijf jaar tot tien jaar indien bevonden
wordt dat zij ten tijde van de heling
kennis droegen van de omstandigheden
waaraan de wet levenslange opsluiting of
opsluiting van twintig jaar tot dertig
jaar verbindt. ]
(W. 23.1.2003 - art. 81 - B.S.
13.3.2003)
(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S.
1.8.1996)
(W. 10.7.1996 - art. 3 - B.S.
1.8.1996)
(W. 10.8.2005 - art. 8 - B.S.
2.9.2005)
|
AFDELING V Enige andere soorten van
bedrog
|
ART. 507
Met gevangenisstraf van acht dagen tot
twee jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot vijfhonderd frank
worden gestraft de beslagene en allen
die voorwerpen waarop tegen hem beslag
is gedaan, in zijn belang bedrieglijk
vernietigen of wegmaken.
[ Dezelfde bepaling is van toepassing
op de echtgenoot of op hen die in zijn
belang roerende goederen vernietigen,
beschadigen of wegmaken, ten aanzien
waarvan een maatregel is uitgevaardigd
als bedoeld in artikel 223 van het
Burgerlijk Wetboek ] [ en in de
artikelen 1253septies, tweede lid en
1280 van het Gerechtelijk Wetboek. ]
(W. 14.7.1976 - art. 39 - B.S.
18.9.1976)
(W. 30.4.1958 - art. 6 - B.S.
10.5.1958)
(W. 9.4.1990 - enig art. - B.S.
9.6.1990)
|
ART. 507bis
[Met gevangenisstraf van acht dagen tot
twee jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot vijfhonderd frank
wordt gestraft hij die de overeenkomstig
de artikelen 28sexies en 61quater van
het Wetboek van Strafvordering opgelegde
voorwaarden bij de opheffing van een
opsporings- of onderzoekshandeling niet
naleeft. ]
(W. 12.3.1998 - art. 45 - B.S.
2.4.1998)
|
ART. 508
Met gevangenisstraf van acht dagen tot
twee jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot vijfhonderd frank
worden gestraft:
Zij die een roerende zaak die aan een
ander toebehoort en die zij hebben
gevonden of die bij toeval in hun bezit
is gekomen, bedrieglijk verbergen of aan
derden afgeven;
Zij die zich een door hen ontdekte
schat toeëigenen ten nadele van de
personen aan wie de wet een deel daarvan
toekent.
|
ART. 508bis
[ Met gevangenisstraf van acht dagen tot
drie maanden en met geldboete van
tweehonderd frank tot vijftienhonderd
frank of met een van die straffen alleen
wordt gestraft hij die, wetende dat hij
in de volstrekte onmogelijkheid verkeert
om te betalen, zich in een daartoe
bestemde inrichting dranken of spijzen
laat opdienen, die hij daar geheel of
gedeeltelijk verbruikt, zich logies doet
geven in een reizigershotel of in een
herberg, of een huurrijtuig huurt.
In geval van herhaling kunnen de
straffen worden verdubbeld. ]
[ ... ]
(W. 23.3.1936 - enig art. - B.S.
27.3.1936)
(Opgeheven W. 17.12.1963 - art. 2 -
B.S. 10.1.1964)
|
ART. 508ter
[Met gevangenisstraf van acht dagen tot
drie maanden en met geldboete van
tweehonderd frank tot vijftienhonderd
frank of met een van die straffen alleen
wordt gestraft hij die, na een voertuig
van brandstof of smeerolie te hebben
laten voorzien, zich bedrieglijk aan de
onmiddellijke betaling onttrekt.
Bij herhaling kunnen de straffen
worden verdubbeld. ]
(W. 17.12.1963 - art. 1 - B.S.
10.1.1964)
|
ART. 509
Met gevangenisstraf van een maand tot
twee jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot drieduizend frank
wordt gestraft hij die zich gelden,
waarden of schuldbevrijdingen
bedrieglijk aanschaft door middel van
een effect, getrokken op een persoon die
niet bestaat of van wie hij weet dat hij
zijn schuldenaar niet is of op de
vervaldag niet zijn zal, en die hem niet
heeft gemachtigd op hem te trekken.
De vervolging zal echter niet
plaatshebben of zal worden gestaakt,
indien het effect betaald is of indien
fonds bezorgd is op het ogenblik dat het
bedrog ontdekt wordt, tenzij de
betrokkene klacht heeft gedaan.
In dat geval wordt de schuldige
veroordeeld tot gevangenisstraf van
vijftien dagen tot drie maanden en tot
geldboete van zesentwintig frank tot
driehonderd frank of tot een van die
straffen alleen.
|
ART. 509bis
[ Met gevangenisstraf van een maand tot
twee jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot drieduizend frank
wordt gestraft:
1° Hij die wetens en willens een
postcheque of een postoverschrijving
uitgeeft zonder toereikende,
voorafgaande en beschikbare dekking;
2° Hij die een van deze titels
overdraagt, wetende dat de dekking niet
tevens toereikend en beschikbaar is;
3° Hij die na een van deze titels te
hebben uitgegeven, wetens en willens hun
dekking geheel of gedeeltelijk afhaalt
binnen zes maanden na hun uitgifte;
4° Hij die, na een van deze titels te
hebben uitgegeven, met bedrieglijk opzet
of met het oogmerk om te schaden, de
dekking geheel of ten dele onbeschikbaar
maakt. ]
(W. 2.5.1956 - art. 28 - B.S.
18.5.1956)
|
ART. 509ter
[ Met gevangenisstraf van een maand tot
twee jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot drieduizend
frank, of met een van die straffen
alleen wordt gestraft:
1° Hij die, na een factuur te hebben
geëndosseerd, wetens het bedrag ervan
int ten eigen bate;
2° Hij die, na het origineel of een
duplicaat van een factuur te hebben
geëndosseerd, zich wetens geld doet ter
hand stellen of enig voordeel doet
toekennen dank zij het endossement van
een ander exemplaar (het origineel of
een duplicaat) van dezelfde factuur;
3° Hij die zich geld doet afgeven of
zich enig voordeel doet toekennen door
wetens een factuur betreffende een
wettelijk teniet gegane verbintenis te
endosseren. ]
(W. 31.3.1958 - art. 3 - B.S.
27.4.1958)
|
ART. 509quater
[ Met gevangenisstraf van acht dagen tot
drie maanden en met geldboete van
tweehonderd euro tot vijftienhonderd
euro of met een van die straffen alleen
wordt gestraft de deskundige die,
wetende dat een rechtstreekse betaling
niet toegelaten is, deze toch aanvaardt
van een partij in het geding. ]
(Hersteld W. 15.5.2007 - art. 33 -
B.S. 22.8.2007)
|
HOOFDSTUK III Vernieling,
beschadiging, aanrichting van schade
|
EERSTE AFDELING Brandstichting
|
ART. 510
[ Met [ opsluiting ] van vijftien jaar
tot twintig jaar worden gestraft zij die
in brand steken: gebouwen, bruggen,
dijken, straatwegen, spoorwegen,
sluizen, magazijnen, werkplaatsen,
loodsen, schepen, vaartuigen,
rijtuigenwagons, vliegtuigen of andere
kunstwerken, bouwwerken of
motorvoertuigen, indien de dader moest
vermoeden dat zich aldaar op het
ogenblik van de brand een of meer
personen bevonden. ]
(W. 23.1.2003 - art. 82 - B.S.
13.3.2003)
(W. 7.6.1963 - art. 3 - B.S.
15.6.1963)
|
ART. 511
[ Met [ opsluiting ] van tien jaar tot
vijftien jaar worden gestraft zij die in
brand steken, hetzij de onroerende
eigendommen in artikel 510 vermeld,
hetzij schepen, vaartuigen en
vliegtuigen, maar buiten de gevallen in
dat artikel omschreven, hetzij wouden,
bossen, schaarhout of vruchten te velde.
(W. 23.1.2003 - art. 82 - B.S.
13.3.2003)
Indien de eigendommen echter
uitsluitend toebehoren aan hen die ze
hebben in brand gestoken, en de brand
met kwaad of bedrieglijk opzet is
gesticht, worden de schuldigen gestraft
met gevangenisstraf van een jaar tot
vijf jaar en met geldboete van
tweehonderd frank tot duizend frank. ]
(W. 7.6.1963 - art. 4 - B.S.
15.6.1963)
|
ART. 512
[ Met gevangenisstraf van een jaar tot
vijf jaar en met geldboete van honderd
frank tot duizend frank worden gestraft
zij die opzettelijk de roerende goederen
die aan een ander toebehoren in brand
steken, met uitzondering van schepen,
vaartuigen en vliegtuigen, en op
voorwaarde dat de daad aan anderen
ernstig nadeel kan berokkenen.
Indien de roerende goederen
uitsluitend toebehoren aan hen die ze
hebben in brand gestoken en de brand met
kwaad of bedrieglijk opzet is gesticht,
zijn de straffen zes maanden tot drie
jaar gevangenisstraf en geldboete van
zesentwintig frank tot tweehonderd
frank. ]
(W. 7.6.1963 - art. 5 - B.S.
15.6.1963)
|
ART. 513
[Wordt de brand bij nacht gesticht dan
worden de bij de artikelen 510 tot 512
bepaalde straffen vervangen als volgt :
opsluiting van vijftien jaar tot
twintig jaar, door opsluiting van
twintig jaar tot dertig jaar;
opsluiting van tien jaar tot vijftien
jaar, door opsluiting van vijftien jaar
tot twintig jaar;
de gevangenisstraf en de geldboete,
bij artikel 511, tweede lid, en artikel
512, eerst lid, bepaald, door opsluiting
van vijf jaar tot tien jaar;
de gevangenisstraf en de geldboete,
bij artikel 512, tweede lid, bepaald,
door gevangenisstraf van een jaar tot
vier jaar en geldboete van vijftig frank
tot vijfhonderd frank. ]
(W. 23.1.2003 - art. 83 - B.S.
13.3.2003)
(W. 7.6.1963 - art. 6 - B.S.
15.6.1963)
|
ART. 514
Wanneer op brandstichting
gevangenisstraf gesteld is, wordt de
poging tot brandstichting gestraft met
gevangenisstraf van twee maanden tot
twee jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot tweehonderd
frank.
|
ART. 514bis
[ In de gevallen bepaald in de artikelen
510 tot 514 kan het minimum van de bij
die artikelen bepaalde straffen worden
verdubbeld in geval van correctionele
straffen en met twee jaar verhoogd in
geval van opsluiting, wanneer een van de
drijfveren van de misdaad of het
wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het
misprijzen van of de vijandigheid tegen
een persoon wegens diens zogenaamd ras,
zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn
nationale of etnische afstamming, zijn
nationaliteit, zijn geslacht, zijn
seksuele geaardheid, zijn burgerlijke
staat, zijn geboorte, zijn leeftijd,
zijn fortuin, zijn geloof of
levensbeschouwing, zijn huidige of
toekomstige gezondheidstoestand, een
handicap, zijn taal, zijn politieke
overtuiging, een fysieke of genetische
eigenschap of zijn sociale afkomst. ]
(W. 10.5.2007 - art. 39 - B.S.
30.5.2007)
|
ART. 515
In de gevallen in de vorige artikelen
omschreven, kan de schuldige die tot
gevangenisstraf veroordeeld wordt,
bovendien worden veroordeeld tot
ontzetting van rechten overeenkomstig
artikel 33 [ ... ].
(W. 9.4.1930 - art. 31 - B.S.
11.5.1930)
|
ART. 516
Hij die, met het oogmerk om een van de
feiten te plegen, omschreven in de
artikelen 510, 511 en 512, enige zaak in
brand steekt, zodanig geplaatst dat de
brand zal overslaan op de zaak die hij
wil vernielen, wordt gestraft alsof hij
rechtstreeks de laatstbedoelde zaak had
in brand gestoken of gepoogd in brand te
steken.
|
ART. 517
Wanneer de brand overslaat van de zaak
die de schuldige wilde verbranden, op
een andere zaak waarvan de vernieling
strafbaar is met een zwaardere straf,
wordt deze uitgesproken, indien de twee
zaken zodanig geplaatst waren dat de
brand noodzakelijk van de ene op de
andere moest overslaan.
|
ART. 518
[ Wanneer de brand verwondingen heeft
veroorzaakt aan een of meer personen en
de dader van het feit moest vermoeden
dat zij zich in de in brand gestoken
plaatsen bevonden op het ogenblik van de
misdaad of van het wanbedrijf, wordt de
schuldige veroordeeld alsof die
verwondingen met voorbedachten rade
waren toegebracht en wordt de door de
wet hierop gestelde straf toegepast,
indien deze zwaarder is dan de straf die
wegens brandstichting op hem
toepasselijk is.
In het tegenovergestelde geval wordt
de laatstbedoelde straf tot twee jaar
boven het maximum verhoogd, indien zij
in opsluiting [ van vijftien jaar tot
twintig jaar of gedurende een kortere
tijd ] bestaat.
(W. 23.1.2003 - art. 84 - B.S.
13.3.2003)
Indien het feit de dood ten gevolge
heeft, wordt [ levenslange opsluiting ]
toegepast. ]
(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S.
1.8.1996)
(W. 7.6.1963 - art. 7 - B.S.
15.6.1963)
|
ART. 519
Met gevangenisstraf van acht dagen tot
drie maanden en met geldboete van
zesentwintig frank tot vijfhonderd frank
of met een van die straffen alleen wordt
gestraft het veroorzaken van brand van
andermans roerende of onroerende
eigendommen, hetzij door ouderdom of
gebrek aan herstelling of reiniging van
nabijgelegen ovens, schoorstenen,
smederijen, huizen of fabrieken, hetzij
door het aansteken van vuren op het veld
op minder dan honderd meter afstand van
huizen, gebouwen, wouden, heiden,
bossen, boomgaarden, beplantingen,
hagen, mijten, tassen graan, stro, hooi,
voeder of van enige andere stapel
brandbare stoffen, hetzij door vuur of
licht te dragen of te laten staan of
vuurwerk aan- of af te steken zonder
voldoende voorzorg.
|
ART. 520
[ Met de straffen bij de vorige
artikelen bepaald, en naar de
onderscheidingen aldaar gemaakt, worden
gestraft zij die gebouwen, bruggen,
dijken, straatwegen spoorwegen, sluizen,
magazijnen, werkplaatsen, loodsen,
schepen, vaartuigen, rijtuigen, wagons,
vliegtuigen of andere kunstwerken,
bouwwerken of motorvoertuigen, door het
veroorzaken van een ontploffing,
vernielen of pogen te vernielen. ]
(W. 7.6.1963 - art. 8 - B.S.
15.6.1963)
|
AFDELING II Vernieling van
bouwwerken, stoommachines en
telegraaftoestellen
|
ART. 521
[ Hij die buiten de gevallen in de
artikelen 510 tot 520 genoemd, door welk
middel ook, gebouwen, bruggen, dijken,
straatwegen, spoorwegen, sluizen,
magazijnen, werkplaatsen, loodsen,
schepen, vaartuigen, vliegtuigen of
andere kunstwerken of bouwwerken die aan
een ander toebehoren, geheel of ten dele
vernielt, wordt gestraft met [
opsluiting van vijf jaar tot tien jaar ]
.
(W. 23.1.2003 - art. 85 - B.S.
13.3.2003)
Bij onbruikbaarmaking met het oogmerk
om te schaden, is de straf vijftien
dagen tot drie jaar gevangenis en
geldboete van vijftig frank tot
vijfhonderd frank.
De in het tweede lid bedoelde straf
is toepasselijk in geval van gehele of
gedeeltelijke vernieling of van
onbruikbaarmaking, met het oogmerk om te
schaden, van rijtuigen, wagons en
motorvoertuigen. ]
(W. 7.6.1963 - art. 9 - B.S.
15.6.1963)
|
ART. 522
De bepaling van artikel 518 is
toepasselijk op het geval in het vorige
artikel omschreven.
|
ART. 523
[ Hij die een machine vernielt, die aan
een ander toebehoort en bestemd is voor
voortbrenging, omzetting of verdeling
van drijfkracht of voor het verbruik
ervan voor andere dan louter
huishoudelijke doeleinden, wordt
veroordeeld tot gevangenisstraf van
vijftien dagen tot drie jaar en tot
geldboete van vijfhonderd frank.
Vernieling bestaat zodra de werking
van de machine geheel of ten dele
verhinderd is, onverschillig of het feit
de aandrijvende dan wel de aangedreven
toestellen betreft. ]
(W. 7.6.1963 - art. 10 - B.S.
15.6.1963)
|
ART. 524
[ ... ]
(Opgeheven W. 13.10.1930 - art. 31 -
B.S. 18.10.1930).
|
ART. 525
[Wanneer de feiten, in de twee vorige
artikelen omschreven, gepleegd worden in
vereniging of in bende en met behulp van
gewelddaden, feitelijkheden of
bedreigingen, worden de schuldigen
gestraft met opsluiting van vijf jaar
tot tien jaar.
De hoofden en de aanstokers worden
veroordeeld tot opsluiting van tien jaar
tot vijftien jaar en tot geldboete van
vijfhonderd frank tot vijfduizend frank.
]
(W 23.1.2003 - art. 86 - B.S
13.3.2003)
|
AFDELING III Vernieling of
beschadiging van graven, monumenten,
kunstvoorwerpen, titels, bescheiden of
andere papieren
|
ART. 526
Met gevangenisstraf van acht dagen tot
een jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot vijfhonderd frank
wordt gestraft hij die vernielt,
neerhaalt, verminkt of beschadigt:
Grafsteden, gedenktekens of
grafstenen;
Monumenten, standbeelden of andere
voorwerpen die tot algemeen nut of tot
openbare versiering bestemd zijn en door
de bevoegde overheid of met haar
machtiging zijn opgericht;
Monumenten, standbeelden,
schilderijen of welke kunstvoorwerpen
ook, die in kerken, tempels of andere
openbare gebouwen zijn geplaatst.
|
ART. 527
Hij die registers, minuten of
oorspronkelijke akten van het openbaar
gezag, titels, biljetten, wisselbrieven,
handels- of bankpapieren, die een
verbintenis, beschikking of
schuldbevrijding inhouden of
teweegbrengen, op enigerlei wijze
kwaadwillig of bedrieglijk vernietigt,
wordt gestraft alsof hij die stukken had
weggenomen, en naar de onderscheidingen
in het eerste hoofdstuk van deze titel
gemaakt.
|
AFDELING IV Vernieling of
beschadiging van eetwaren, koopwaren of
andere roerende eigendommen
|
ART. 528
Elke vernieling, elke beschadiging van
andermans roerende eigendommen, gepleegd
met behulp van geweld of bedreiging,
wordt gestraft met gevangenisstraf van
acht dagen tot drie jaar en met
geldboete van zesentwintig frank tot
vijfhonderd frank of met een van die
straffen alleen.
|
ART. 529
[Indien het feit gepleegd wordt in
vereniging of in bende, is de straf
opsluiting van vijf jaar tot tien jaar.
De hoofden en de aanstokers worden
gestraft met opsluiting van tien jaar
tot vijftien jaar. ]
(W. 23.1.2003 - art. 87 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 530
[Vernieling of beschadiging van
andermans roerende eigendommen, gepleegd
met behulp van geweld of bedreiging, in
een bewoond huis of in de aanhorigheden
ervan en met een van de omstandigheden
van artikel 471, wordt gestraft met
opsluiting van tien jaar tot vijftien
jaar.
De straf zal niet minder zijn dan
twaalf jaar indien de misdaad in
vereniging of in bende gepleegd wordt.
De hoofden en de aanstokers worden
gestraft met opsluiting van vijftien
jaar tot twintig jaar. ]
(W. 23.1.2003 - art. 88 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 531
Indien het geweld of de bedreiging met
behulp waarvan de vernieling of de
beschadiging wordt gepleegd, een ziekte
of een lichamelijk letsel als bedoeld in
artikel 400 ten gevolge heeft, worden de
schuldigen gestraft met de straf
onmiddellijk hoger dan die waarmee zij
op grond van de twee vorige artikelen
zouden worden gestraft.
|
ART. 532
Doodslag gepleegd om de vernieling of de
beschadiging te vergemakkelijken of om
de straffeloosheid ervan te verzekeren,
wordt gestraft met [ levenslange
opsluiting ].
(W. 10.7.1996 - art. 15 - B.S.
1.8.1996)
|
ART. 532bis
[ In de gevallen bepaald in de artikelen
528 tot 532 kan het minimum van de bij
die artikelen bepaalde straffen worden
verdubbeld in geval van correctionele
straffen en met twee jaar verhoogd in
geval van opsluiting, wanneer een van de
drijfveren van de misdaad of het
wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het
misprijzen van of de vijandigheid tegen
een persoon wegens diens zogenaamd ras,
zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn
nationale of etnische afstamming, zijn
nationaliteit, zijn geslacht, zijn
seksuele geaardheid, zijn burgerlijke
staat, zijn geboorte, zijn leeftijd,
zijn fortuin, zijn geloof of
levensbeschouwing, zijn huidige of
toekomstige gezondheidstoestand, een
handicap, zijn taal, zijn politieke
over- tuiging, een fysieke of genetische
eigenschap of zijn sociale afkomst. ]
(W. 10.5.2007 - art. 41 - B.S.
30.5.2007)
|
ART. 533
Hij die koopwaren of stoffen dienende om
verwerkt te worden, kwaadwillig of
bedrieglijk vervalst of beschadigt,
wordt gestraft met gevangenisstraf van
een maand tot een jaar en met geldboete
van zesentwintig frank tot driehonderd
frank.
De gevangenisstraf is zes maanden tot
drie jaar en de geldboete vijftig frank
tot vijfhonderd frank, indien het
misdrijf wordt gepleegd door iemand die
in de fabriek, het werkhuis of het
handelshuis werkzaam is.
|
ART. 534
Hij die de banden of de hindernissen
waarmee een vaartuig, een wagon of
voertuig is vastgelegd, kwaadwillig
wegneemt, doorsnijdt of vernielt, wordt
gestraft met gevangenisstraf van acht
dagen tot twee jaar.
|
[ AFDELING IVbis Graffiti en
beschadiging van onroerende eigendommen
] (W. 25.1.2007 - art. 2 - B.S.
20.2.2007)
|
ART. 534bis
[ § 1. Met gevangenisstraf van één maand
tot zes maanden en met geldboete van
zesentwintig euro tot tweehonderd euro
of met een van die straffen alleen wordt
gestraft hij die zonder toestemming
graffiti aanbrengt op roerende of
onroerende goederen.
§ 2. Het maximum van de
gevangenisstraf wordt gebracht op één
jaar gevangenisstraf bij herhaling van
een in de eerste paragraaf bedoeld
misdrijf binnen vijf jaar te rekenen van
de dag van de uitspraak van een vorig
veroordelend vonnis dat in kracht van
gewijsde is gegaan. ]
(Ingevoegd W. 25.1.2007 - art. 3 -
B.S. 20.2.2007)
|
ART. 534ter
[ Met gevangenisstraf van een maand tot
zes maanden en met geldboete van
zesentwintig euro tot tweehonderd euro
of met een van die straffen alleen wordt
gestraft hij die opzettelijk andermans
onroerende eigendommen beschadigt. ]
(Ingevoegd W. 25.1.2007 - art. 4 -
B.S. 20.2.2007)
|
ART. 534quater
[ In de gevallen bepaald in de artikelen
534bis en 534ter kan het minimum van de
bij die artikelen bepaalde straffen
worden verdubbeld in geval van
correctionele straffen en met twee jaar
verhoogd in geval van opsluiting,
wanneer een van de drijfveren van het
wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het
misprijzen van of de vijandigheid tegen
een persoon wegens diens zogenaamd ras,
zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn
nationale of etnische afstamming, zijn
nationaliteit, zijn geslacht, zijn
seksuele geaardheid, zijn burgerlijke
staat, zijn geboorte, zijn leeftijd,
zijn fortuin, zijn geloof of
levensbeschouwing, zijn huidige of
toekomstige gezondheidstoestand, een
handicap, zijn taal, zijn politieke
overtuiging, een fysieke of genetische
eigenschap of zijn sociale afkomst. ]
(Ingevoegd W. 10.5.2007 - art. 42 -
B.S. 30.5.2007)
|
AFDELING V Vernieling en verwoesting
van veldvruchten, planten, bomen, enten,
granen en voeder, vernieling van
landbouwgereedschappen
|
ART. 535
Met gevangenisstraf van een maand tot
drie jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot vijfhonderd frank
wordt gestraft hij die vruchten te velde
of natuurlijk opgekomen of gepoot
plantsoen kwaadwillig afsnijdt of
verwoest.
|
ART. 536
Met gevangenisstraf van een maand tot
twee jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot tweehonderd frank
wordt gestraft hij die kwaadwillig een
bezaaide akker verwoest, zaad van dolik
of van enig ander schadelijk kruid of
gewas op een akker strooit,
landbouwgereedschappen, omheiningen voor
het vee of wachtershutten stukbreekt of
onbruikbaar maakt.
|
ART. 537
Hij die kwaadwillig een of meer bomen
omhakt of zodanig snijdt, verminkt of
ontschorst dat zij vergaan, of een of
meer enten vernielt, wordt gestraft:
Voor elke boom, met gevangenisstraf
van acht dagen tot drie maanden en met
geldboete van zesentwintig frank tot
honderd frank;
Voor elke ent, met gevangenisstraf
van acht dagen tot vijftien dagen en met
geldboete van zesentwintig frank tot
vijftig frank of met een van die
straffen alleen.
In geen geval mag de gezamenlijke
straf hoger zijn dan drie jaar wat de
gevangenisstraf en vijfhonderd frank wat
de geldboete betreft.
|
AFDELING VI Ombrengen van dieren
|
ART. 538
Hij die paarden of andere trek- of
lastdieren, hoornvee, schapen, geiten of
varkens vergiftigt, wordt gestraft met
gevangenisstraf van drie maanden tot
twee jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot driehonderd
frank.
|
ART. 539
Hij die in een rivier, een vaart, een
beek, een vijver, een visvijver of een
viskom stoffen werpt die de vis kunnen
vernielen, en met het oogmerk om die
uitslag te bereiken, wordt gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot drie
maanden en met geldboete van
zesentwintig frank tot driehonderd
frank.
|
ART. 540
Zij die buiten noodzaak een van de in
artikel 538 vermelde dieren doden of
zwaar letsel toebrengen, worden gestraft
met de volgende straffen:
Indien het misdrijf wordt gepleegd in
gebouwen, besloten erven en
aanhorigheden of op gronden waarvan de
meester van het gedode of gewonde dier
eigenaar, huurder, deelpachter of
pachter is, is de straf gevangenisstraf
van een maand tot zes maanden en
geldboete van vijftig frank tot
driehonderd frank;
Indien het gepleegd wordt op plaatsen
waarvan de schuldige zelf eigenaar,
huurder, deelpachter of pachter is, is
de straf gevangenisstraf van acht dagen
tot twee maanden en geldboete van
zesentwintig frank tot honderd frank;
Indien het gepleegd wordt op enige
andere plaats, wordt gevangenisstraf van
vijftien dagen tot drie maanden en
geldboete van vijftig frank tot
tweehonderd frank opgelegd.
|
ART. 541
Hij die buiten noodzaak een ander
huisdier dan de in artikel 538 vermelde
doodt of zwaar letsel toebrengt, op een
plaats waarvan degene aan wie het dier
toebehoort, eigenaar, vruchtgebruiker,
gebruiker, huurder, deelpachter of
pachter is, wordt gestraft met
gevangenisstraf van acht dagen tot drie
maanden en met geldboete van
zesentwintig frank tot tweehonderd frank
of met een van die straffen alleen.
Deze straffen worden opgelegd, indien
die feiten kwaadwillig gepleegd worden
op een tam of een gevangen gehouden dier
op de plaatsen waar zij gehouden worden,
ofwel op een huisdier op het ogenblik
dat het gebruikt wordt tot de dienst
waartoe het bestemd is en op een plaats
waar zijn meester het recht heeft zich
te bevinden.
|
ART. 542
Indien er in de gevallen van de vorige
artikelen schending van afsluiting heeft
plaatsgehad, wordt het minimum van de
straf verhoogd overeenkomstig artikel
266.
|
AFDELING VII Bepalingen aan de
vorige afdelingen gemeen
|
ART. 543
Indien de feiten, in de afdelingen V en
VI van dit hoofdstuk omschreven,
gepleegd worden hetzij uit haat tegen
een openbaar ambtenaar en uit hoofde van
zijn bediening, hetzij bij nacht, wordt
het minimum van de straf verhoogd
overeenkomstig artikel 266.
|
ART. 544
[ ... ]
(Opgeheven W. 9.4.1930 - art. 31 -
B.S. 11.5.1930)
|
AFDELING VIII Vernieling van
afsluitingen, verplaatsing of
verwijdering van grenspalen en hoekbomen
|
ART. 545
Met gevangenisstraf van acht dagen tot
zes maanden en met geldboete van
zesentwintig frank tot tweehonderd frank
of met een van die straffen alleen wordt
gestraft hij die geheel of ten dele
grachten dempt, levende of dode hagen
afhakt of uitrukt, landelijke of
stedelijke afsluitingen, uit welke
materialen ook gemaakt, vernielt;
grenspalen, hoekbomen of andere bomen,
geplant of erkend om de grenzen tussen
verschillende erven te bepalen,
verplaatst of verwijdert.
|
ART. 546
Wanneer de feiten, in het vorige artikel
omschreven, gepleegd worden met het
oogmerk om een bezitsaanmatiging op een
erf te plegen, is de straf
gevangenisstraf van een maand tot een
jaar en geldboete van vijftig frank tot
tweeduizend frank.
|
AFDELING XI Vernieling en schade
door overstroming veroorzaakt
|
ART. 547
[Met opsluiting van tien jaar tot
vijftien jaar worden gestraft zij die
kwaadwillig of bedrieglijk de werken van
een mijn geheel of ten dele onder water
zetten.
Indien de schuldige op grond van de
omstandigheden moest vermoeden dat een
of meer personen zich op het ogenblik
van de overstroming in de mijn bevonden,
wordt hij veroordeeld tot opsluiting van
vijftien jaar tot twintig jaar. ]
(W. 23.1.2003 - art. 89 - B.S.
13.3.2003)
|
ART. 548
De bepaling van artikel 518 is
toepasselijk op het feit in het vorige
artikel omschreven.
|
ART. 549
Hij die kwaadwillig of bedrieglijk
andermans erf onder water zet of er het
water op schadelijke wijze op doet
lopen, wordt veroordeeld tot geldboete
van zesentwintig frank tot driehonderd
frank.
|
ART. 550
Met geldboete van vijftig frank tot
vijfhonderd frank worden gestraft de
eigenaars, de pachters of alle andere
personen die molens, fabrieken of
vijvers in gebruik hebben en die
andermans wegen of eigendommen onder
water zetten door het verhogen van hun
overlaten boven het peil dat door de
bevoegde overheid is bepaald.
Indien uit die feiten enige
beschadiging ontstaat, wordt, naast
geldboete, gevangenisstraf van acht
dagen tot een maand opgelegd.
|
[ TITEL IXbis. Misdrijven tegen de
vertrouwelijkheid, integriteit en
beschikbaarheid van informaticasystemen
en van de gegevens die door middel
daarvan worden opgeslagen, verwerkt of
overgedragen. ] (W. 28.11.2000 - art. 5
- B.S. 3.2.2001)
|
ART. 550bis
§ 1. Hij die, terwijl hij weet dat hij
daar toe niet gerechtigd is, zich
toegang verschaft tot een
informaticasysteem of zich daarin
handhaaft, wordt gestraft met
gevangenisstraf van drie maanden tot een
jaar en met geldboete van zesentwintig
frank tot vijfentwintig duizend frank of
met een van die straffen alleen.
Wanneer het misdrijf, bedoeld in het
eerste lid, gepleegd wordt met
bedrieglijk opzet, bedraagt de
gevangenisstraf zes maanden tot twee
jaar.
§ 2. Hij die, met bedrieglijk opzet
of met het oogmerk om te schaden, zijn
toegangsbevoegdheid tot een
informaticasysteem overschrijdt, wordt
gestraft met gevangenisstraf van zes
maanden tot twee jaar en met geldboete
van zesentwintig frank tot
vijfentwintigduizend frank of met een
van die straffen alleen.
§ 3. Hij die zich in een van de
gevallen bedoeld in de §§ 1 en 2 bevindt
en :
1° hetzij de gegevens die worden
opgeslagen, verwerkt of overgedragen
door middel van het informaticasysteem
op enige manier overneemt;
2° hetzij enig gebruik maakt van een
informaticasysteem van een derde of zich
bedient van het informaticasysteem om
toegang te verkrijgen tot een
informaticasysteem van een derde;
3° hetzij enige schade, zelfs
onopzettelijk, veroorzaakt aan het
informaticasysteem of aan de gegevens
die door middel van het
informaticasysteem worden opgeslagen,
verwerkt of overgedragen of aan een
informaticasysteem van een derde of aan
de gegevens die door middel van het
laatstgenoemde informaticasysteem worden
opgeslagen, verwerkt of overgedragen;
wordt gestraft met gevangenisstraf
van een jaar tot drie jaar en met
geldboete van zesentwintig frank tot
vijftigduizend frank of met een van die
straffen alleen.
§ 4. Poging tot het plegen van een
van de misdrijven, bedoeld in §§ 1 en 2,
wordt gestraft met dezelfde straffen.
[ § 5. Hij die, onrechtmatig, enig
instrument, met inbegrip van
informaticagegevens, dat hoofdzakelijk
is ontworpen of aangepast om die in §§ 1
tot 4 bedoelde misdrijven mogelijk te
maken, bezit, produceert, verkoopt,
verkrijgt met het oog op het gebruik
ervan, invoert, verspreidt of op enige
andere manier ter beschikking stelt,
wordt gestraft met gevangenisstraf van
zes maanden tot drie jaar en met
geldboete van zesentwintig euro tot
honderdduizend euro of met één van die
straffen alleen. ]
(W. 15.5.2006 - art. 5 - B.S.
12.9.2006
§ 6. Hij die opdracht geeft of aanzet
tot het plegen van een van de
misdrijven, bedoeld in §§ 1 tot 5, wordt
gestraft met gevangenisstraf van zes
maanden tot vijf jaar en met geldboete
van honderd frank tot tweehonderdduizend
frank of met een van die straffen
alleen.
§ 7 Hij die, terwijl hij weet dat
gegevens bekomen zijn door het plegen
van een van de misdrijven bedoeld in §§
1 tot 3, deze gegevens onder zich houdt,
aan een andere persoon onthult of
verspreidt, of er enig gebruik van
maakt, wordt gestraft met
gevangenisstraf van zes maanden tot drie
jaar en met geldboete van zesentwintig
frank tot honderdduizend frank of met
een van die straffen alleen.
§ 8. De straffen bepaald in de §§ 1
tot 7 worden verdubbeld indien een
overtreding van een van die bepalingen
wordt begaan binnen vijf jaar na de
uitspraak houdende veroordeling wegens
een van die strafbare feiten of wegens
een van de strafbare feiten bedoeld in
de artikelen 210bis, 259bis, 314bis,
504quater of 550ter.
|
ART. 550ter
[ § 1. Hij die, terwijl hij weet dat hij
daartoe niet gerechtigd is, rechtstreeks
of onrechtstreeks, gegevens in een
informaticasysteem invoert, wijzigt,
wist of met enig ander technologisch
middel de normale aanwending van
gegevens in een informaticasysteem
verandert, wordt gestraft met
gevangenisstraf van zes maanden tot drie
jaar en met geldboete van zesentwintig
euro tot vijfentwintigduizend euro of
met één van die straffen alleen.
Wanneer het in het eerste lid
bedoelde misdrijf gepleegd wordt met
bedrieglijk opzet of met het oogmerk om
te schaden, bedraagt de gevangenisstraf
zes maanden tot vijf jaar. ]
(W. 15.5.2006 - art. 6, 1° - B.S.
12.9.2006)
§ 2. Hij die, ten gevolge van het
plegen van een misdrijf bedoeld in § 1,
schade berokkent aan gegevens in dit of
enig ander informaticasysteem, wordt
gestraft met gevangenisstraf van zes
maanden tot vijf jaar en met geldboete
van zesentwintig frank tot
vijfenzeventigduizend frank of met een
van die straffen alleen.
§ 3. Hij die, ten gevolge van het
plegen van een van de misdrijven bedoeld
in § 1, de correcte werking van dit of
enig ander informaticasysteem geheel of
gedeeltelijk belemmert, wordt gestraft
met gevangenisstraf van een jaar tot
vijf jaar en met geldboete van
zesentwintig frank tot honderdduizend
frank of met een van die straffen
alleen.
[ § 4. Hij die onrechtmatig enig
instrument, met inbegrip van
informaticagegevens, dat hoofdzakelijk
is ontworpen of aangepast om de in §§ 1
tot 3 bedoelde misdrijven mogelijk te
maken, bezit, produceert, verkoopt,
verkrijgt met het oog op gebruik ervan,
invoert, verspreidt of op enige andere
manier ter beschikkking stelt terwijl
hij weet dat deze gegevens aangewend
kunnen worden om schade te berokkenen
aan gegevens of, geheel of gedeeltelijk,
de correcte werking van een
informaticasysteem te belemmeren, wordt
gestraft met gevangenisstraf van zes
maanden tot drie jaar en met geldboete
van zesentwintig euro tot honderdduizend
euro of met één van die straffen alleen.
]
(W. 15.5.2006 - art. 6, 2° - B.S.
12.9.2006)
§ 5. De straffen bepaald in de §§ 1
tot 4 worden verdubbeld indien een
overtreding van een van die bepalingen
wordt begaan binnen vijf jaar na de
uitspraak houdende veroordeling wegens
een van die strafbare feiten of wegens
een van de strafbare feiten bedoeld in
de artikelen 210bis, 259bis, 314bis,
504quater of 550bis.
[ § 6. Poging tot het plegen van het
in § 1 bedoelde misdrijf wordt gestraft
met dezelfde straffen. ]
(W. 15.5.2006 - art. 6, 3° - B.S.
12.9.2006)
|
TITEL X Overtredingen
|
EERSTE HOOFDSTUK [ ... ] (Opgeheven
W. 17.6.2004 - art. 4, 1° - B.S.
23.7.2004)
|
ART. 551
[ ... ]
(Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1°
- B.S. 23.7.2004)
|
ART. 552
[ ... ]
(Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1°
- B.S. 23.7.2004)
|
ART. 553
[ ... ]
(Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1°
- B.S. 23.7.2004)
|
ART. 554
[ ... ]
(Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1°
- B.S. 23.7.2004)
|
HOOFDSTUK II [ ... ] (Opgeheven W.
17.6.2004 - art. 4, 1° - B.S. 23.7.2004)
|
555
[ ... ]
(Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1°
- B.S. 23.7.2004)
|
ART. 556
[ ... ]
(Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1°
- B.S. 23.7.2004)
|
ART. 557
[ ... ]
(Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1°
- B.S. 23.7.2004)
|
ART. 558
[ ... ]
(Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1°
- B.S. 23.7.2004)
|
HOOFDSTUK III [ ... ] (Opgeheven W.
17.6.2004 - art. 4, 1° - B.S. 23.7.2004)
|
ART. 559
Met geldboete van tien frank tot twintig
frank worden gestraft:
1° Zij die, buiten de gevallen
omschreven in boek II, titel IX,
hoofdstuk III, van dit wetboek,
andermans roerende eigendommen
opzettelijk beschadigen of vernielen;
[ ... ]
(Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1°
- B.S. 23.7.2004)
|
ART. 560
[ ... ]
(Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1°
- B.S. 23.7.2004)
|
ART. 561
Met geldboete van tien frank tot twintig
frank en met gevangenisstraf van een dag
tot vijf dagen of met een van die
straffen alleen worden gestraft:
1° Zij die zich schuldig maken aan
nachtgerucht of nachtrumoer waardoor de
rust van de inwoners kan worden
verstoord;
[ ... ]
(Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1°
- B.S. 23.7.2004)
|
ART. 562
In geval van herhaling kan, naast
geldboete, gevangenisstraf van ten
hoogste vijf dagen worden uitgesproken
wegens de overtredingen, in de artikelen
559 en 560 omschreven.
Ten aanzien van de overtredingen, in
het vorige artikel omschreven, kan de
rechter, in geval van herhaling, naast
geldboete, gevangenisstraf van ten
hoogste negen dagen uitspreken.
|
HOOFDSTUK IV [ ... ] (Opgeheven W.
17.6.2004 - art. 4, 1° - B.S. 23.7.2004)
|
ART. 563
Met geldboete van vijftien frank tot
vijfentwintig frank en met
gevangenisstraf van een dag tot zeven
dagen of met een van die straffen alleen
worden gestraft:
[ ... ]
(Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1°
- B.S. 23.7.2004)
2° Zij die stedelijke of landelijke
afsluitingen, uit welke materialen ook
gemaakt, opzettelijk beschadigen;
3° Daders van feitelijkheden of
lichte gewelddaden, mits zij niemand
gewond of geslagen hebben en mits de
feitelijkheden niet tot de klasse van de
beledigingen behoren: in het bijzonder
zij die opzettelijk, doch zonder het
oogmerk om te beledigen, enig voorwerp
op iemand werpen dat hem kan hinderen of
bevuilen;
[ ... ]
(Opgeheven W. 17.6.2004 - art. 4, 1°
- B.S. 23.7.2004)
|
ART. 564
In geval van herhaling is de rechtbank
bevoegd om, naast geldboete,
gevangenisstraf van ten hoogste twaalf
dagen uit te spreken.
|
[ ... ] (Opgeheven W. 17.6.2004 -
art. 4, 1° - B.S. 23.7.2004)
|
ART. 565
In de gevallen in de vier vorige
hoofdstukken omschreven, bestaat
herhaling wanneer de overtreder wegens
dezelfde overtreding reeds is
veroordeeld binnen de twaalf
voorafgaande maanden [ ... ].
(K.B. 10.1.1935 - art. 3 - B.S.
13.1.1935)
|
ART. 566
Wanneer in de gevallen in de vier vorige
hoofdstukken omschreven, verzachtende
omstandigheden aanwezig zijn, kan de
geldboete tot beneden vijf frank
verminderd worden, zonder dat zij ooit
lager mag zijn dan een frank.
|
|
|