-A +A

termijn betwisting vaderschap

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

opgelet zie: Het nieuwe afstammingsrecht met recente wetswijzigingen. Zie terzake ook de geconsolideerde wetgeving op de site van het staatsblad

rechtsleer:  Betwisting van vaderschap in Advocatenpraktijk, B.R. nr. 9,  9 mei 1999

wettelijke bepaling afstamming: uittreksel uit BW 

Uitbreiding van de termijn van 1 jaar door de rechtspraak

Heel wat problemen stellen zich mbt de zeer korte termijn van 1 jaar waarbinnen de vordering dient ingesteld. De rechtbank van eerste aanleg te Leuven velde een opmerkelijk vonnis op 12 december 2005, R.W. 12/12/2005, 524, met noot, Tim Wuyts, de termijn voor de betwisting van het vaderschap door de (ex)echtgenoot herbekeken en RABG 2007/3,169 met noot M. Govaerts, De vervaltermijn tot het instellen van de vordering tot betwisting van vaderschap versus het recht op eerbiediging van het privéleven.

De rechtbank stelde dat de bedoeling van de wetgever bij de bepaling van de vervaltermijn van art. 332, vierde lid van het B.W. het belang van het kind is. De rechtbank stelde verder dat een kind dat niet veel verder te verwachten heeft van diens juridische vader maar des te meer van een biologische vader die zijn vaderrol wil opnemen. Hierop besliste de rechtbank dat een soepele interpretatie van het begrip overmacht zich opdringt zodat de termijn tot instelling van de vordering betwisting vaderschap in dit geval kan verlengd worden tot één jaar na kennisname van het ontbreken van de biologische band.

De rechtbank ging nog een stap verder door te stellen dat de eerbiediging van het privéleven van de echtgenoot van de moeder vereist dat hij een effectieve mogelijkheid heeft om zijn vaderschap te betwisten en geen theoretische. Wanneer er geen rekening wordt gehouden met het ontbreken van kennis van het ontbreken van de bloedband, wordt deze eerbiediging van het privéleven geschonden. Door de rechtstreekse werking van het EVRM in het Belgisch recht, besluit de rechter dat art. 332, vierde lid BW strijdig is met art. 8 EVRM en dat art. 332, vierde lid BW aldus buiten toepassing moet worden gelaten.

Zie in zelfde zin Burgerlijke rechtbank Antwerpen, 7 maart 2006, R.W. 2006-2007, 532 en RABG 2006/16

meer info over betwisting vaderschap met alle wettelijke bepalingen

DNA onderzoek hoe en waar

Ten deze dient dan ook gewezen worden op het arrest van het grondwettelijk Hof van 31/05/2011 AR 96/2011 (juridat) en RW 2011-20012, 1113, 

Samenvatting:

Het Hof zegt voor recht :
In de in B.7 beschreven hypothese schendt artikel 318, § 2, van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Tekst arrest:

Arrest nr. 96/2011

Onderwerp van de prejudiciële vragen

Bij vonnis van 8 juni 2010 heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg te Nijvel de volgende prejudiciële vragen gesteld:

“– Schendt art. 318, § 2 BW art. 10, 11 en 22 Gw. en art. 8 en 14 EVRM, in zoverre die bepaling het de heer [D.L.] onmogelijk maakt om op te komen tegen zijn afstamming die juridisch is vastgesteld en dit zonder dat enig concreet en daadwerkelijk belang een dergelijke inmenging kan verantwoorden?

– Schenden art. 318, § 2 en art. 330 BW art. 10, 11 en 22 Gw. en art. 8 en 14 EVRM, in zoverre zij een discriminatie meebrengen tussen de personen die geboren zijn binnen het huwelijk en diegenen die geboren zijn buiten het huwelijk, op het vlak van de latere vaststelling van de werkelijke afstammingsband, aangezien de eersten, om hun vaderschap te betwisten, slechts beschikken over 22 jaar, of één jaar vanaf de ontdekking van het feit dat diegene die de echtgenoot was van hun moeder niet hun vader is, waarbij die betwisting een noodzakelijke voorwaarde is voor het onderzoek naar het vaderschap, terwijl de tweeden in ieder geval over een termijn van 48 jaar beschikken?”...

In rechte
...

Ten aanzien van de draagwijdte van de prejudiciële vragen

B.1.1. In een eerste vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de verenigbaarheid van art. 318, § 2 BW met art. 10, 11 en 22 Gw., gelezen in samenhang met art. 8 en 14 EVRM, in zoverre die bepaling tot gevolg zou hebben een kind te beletten op te komen tegen zijn afstamming van vaderszijde die juridisch is vastgesteld, terwijl geen enkel concreet en daadwerkelijk belang die inmenging zou verantwoorden.

B.1.2. In een tweede vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over dezelfde bepaling van het Burgerlijk Wetboek, alsook over art. 331ter BW, in zoverre die bepalingen een discriminatie in het leven zouden roepen tussen de personen die zijn geboren binnen het huwelijk en diegenen die zijn geboren buiten het huwelijk, aangezien de eersten over een termijn van 22 jaar beschikken om het vermoeden van vaderschap dat is vastgesteld ten aanzien van de echtgenoot van de moeder te betwisten, of van één jaar te rekenen vanaf de ontdekking van het feit dat de echtgenoot niet de vader van het kind is, terwijl de tweeden over een termijn van 48 jaar beschikken.

B.1.3. In de eerste aan het Hof voorgelegde vraag wordt gewag gemaakt van de eventuele schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verankerd in art. 10 en 11 Gw. en die van art. 22 Gw., gelezen in samenhang met art. 8 en 14 EVRM. Die vraag beoogt de personen die, met toepassing van art. 318, § 2 BW, in de onmogelijkheid zijn om op te komen tegen hun juridisch vastgestelde afstamming.

Alleen in de tweede prejudiciële vraag wordt aangegeven ten opzichte van welke categorieën van personen de categorieën bedoeld in de eerste vraag moeten worden vergeleken ten aanzien van het recht op eerbiediging van hun privéleven.

Beide vragen dienen samen te worden onderzocht.

Ten aanzien van het in het geding zijnde art. 318, § 2 BW

B.2. Art. 318, §§ 1 en 2 BW bepaalt:

“§ 1. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot, kan het vermoeden van vaderschap worden betwist door de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap van het kind opeist.

“§ 2. De vordering van de moeder moet worden ingesteld binnen een jaar na de geboorte. De vordering van de echtgenoot moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, die van de man die het vaderschap van het kind opeist moet worden ingesteld binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is en die van het kind moet worden ingesteld op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot zijn vader niet is.

“Indien de echtgenoot overleden is zonder in rechte te zijn opgetreden, terwijl de termijn om zulks te doen nog niet verstreken is, kan zijn vaderschap binnen een jaar na zijn overlijden of na de geboorte, worden betwist door zijn bloedverwanten in de opgaande en in de neerdalende lijn.

“Het vaderschap dat vaststaat krachtens artikel 317 kan daarenboven worden betwist door de vorige echtgenoot”.

B.3.1. De wet van 31 maart 1987 heeft, zoals het opschrift ervan aangeeft, verscheidene wetsbepalingen betreffende de afstamming gewijzigd.

Volgens de memorie van toelichting bestond de bedoeling van de wet van 31 maart 1987 onder meer erin “de waarheid zoveel mogelijk te benaderen”, d.w.z. de biologische afstamming (Parl.St. Senaat 1977-78, nr. 305, 1, p. 3). In verband met de vaststelling van de afstamming van vaderszijde is erop gewezen dat “de wil om de regeling van de vaststelling van de afstamming zo dicht mogelijk de waarheid te doen benaderen [...] het openstellen van de mogelijkheden tot betwisting tot gevolg [behoorde] te hebben” (ibid., p. 12). Uit dezelfde parlementaire voorbereiding blijkt echter dat de wetgever ook de “rust der families” in overweging heeft willen nemen en heeft willen beschermen door, indien hiertoe nodig, het zoeken naar de biologische waarheid te temperen (ibid., p. 15). Hij heeft ervoor geopteerd niet af te stappen van het adagium “pater is est quem nuptiae demonstrant” (ibid. p. 11).

B.3.2. Op het ogenblik van de aanneming van de voormelde wet van 31 maart 1987 bepaalde art. 332 BW, gewijd aan de vordering tot betwisting van vaderschap:

“Het vaderschap dat vaststaat krachtens artikel 315, kan worden betwist door de echtgenoot, door de moeder en door het kind.
[...]

“De rechtsvordering van de moeder moet worden ingesteld binnen een jaar na de geboorte en die van de echtgenoot of van de vorige echtgenoot binnen een jaar na de geboorte of na de ontdekking ervan.

“De rechtsvordering van het kind moet worden ingesteld uiterlijk vier jaar nadat het de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. Behoudens buitengewone omstandigheden is ze niet ontvankelijk wanneer de echtgenoot het kind als het zijne heeft opgevoed.
[...]”.

Omdat de wetgever oordeelde dat het toekennen van een vorderingsrecht vanaf de geboorte problemen kon doen rijzen in verband met de vertegenwoordiging van de minderjarige en belangentegenstellingen kon meebrengen, heeft hij aldus ervoor gekozen het kind een persoonlijk vorderingsrecht toe te kennen vanaf het ogenblik dat het moet worden geacht zelf een weloverwogen beslissing te kunnen nemen (Parl.St. Senaat 1984-1985, nr. 904-2, p. 115 e.v.).

B.4.1. Het afstammingsrecht is diepgaand hervormd door de aanneming van de wet van 1 juli 2006 “tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan”.

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever de teksten die ter zake door het Hof werden afgekeurd, heeft willen hervormen en rekening heeft willen houden met de sociologische evolutie door de afstammingen binnen en buiten het huwelijk dichter bij elkaar te brengen: “De indieners wensen ook de afstammingen binnen en buiten het huwelijk dichter bij elkaar te brengen, gelet op de onmiskenbare sociologische evolutie van de jongste decennia waarbij het huwelijk almaar vaker met het samenwonen gelijkgesteld wordt. In de 21e eeuw komt het enigszins archaïsch over dat voor die twee afstammingen verschillende regels gelden. De wet van 1987 heeft nagenoeg alle verschillen uitgevlakt wat de uitwerking betreft, maar ze heeft een mechanisme van vermoeden van vaderschap in stand gehouden dat stuitende gevolgen heeft voor de vaststelling van de afstamming. Zo heeft het Arbitragehof in verscheidene arresten aangegeven dat de echte biologische vader van het kind volkomen machteloos staat als hij zijn vaderschap wil laten vaststellen (behalve als de moeder en de echtgenoot op grond van rechterlijke beslissingen gescheiden zijn). Onlangs nog heeft het Arbitragehof in een arrest nr. 56/2001 van 8 mei 2001 een vrouw toegestaan het vaderschap van de vader van het kind volledig uit te sluiten eenvoudigweg omdat ze vóór de geboorte met een andere man was getrouwd. Dit wetsvoorstel beoogt dus tevens het vermoeden van vaderschap te behouden en er gevolgen aan te geven die nagenoeg dezelfde zijn als die van een erkenning” (Parl.St. Kamer 2003-04, DOC 51-0597/001, p. 5 en 6).

B.4.2. De wetgever heeft het bezit van staat als grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap willen invoeren teneinde “de gezinscel van het kind zoveel mogelijk te beschermen door eensdeels het bezit van staat te behouden die overeenstemt met de situatie van een kind dat door iedereen werkelijk als het kind van zijn ouders wordt beschouwd, ook al strookt dat niet met de biologische afstamming, en anderdeels door termijnen te bepalen voor het instellen van de vordering” (Parl.St. Kamer, 2004-05, DOC 51-0597/026, p. 6, en DOC 51-0597/032, p. 31).

Aan het einde van de bespreking in de Commissie voor de Justitie van de Senaat heeft de minister van Justitie het belang van het begrip “bezit van staat” bevestigd door het volgende te verklaren: “Het ontwerp wijzigt reeds een groot aantal regels, en ook al rijzen er bij de toepassing van het begrip soms problemen, toch hoeft dit niet te worden aangepast. De wetgever heeft er in 1987 voor gekozen het begrip te behouden om ervoor te zorgen dat de biologische waarheid het niet altijd wint van de sociaal-affectieve realiteit. Deze keuze moet behouden blijven en het bezit van staat hoeft dus niet te worden aangepast” (Parl.St. Senaat 2005-06, nr. 3-1402/7, p. 9).

B.4.3.1. Wat meer bepaald de vordering tot betwisting van vaderschap betreft, werd die bij art. 7 van de wet van 1 juli 2006 opgenomen in art. 318 BW.

Dat laatste bepaalde toen in § 2 ervan: “De vordering van de echtgenoot moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, die van de man die het vaderschap van het kind opeist moet worden ingesteld binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is en die van het kind moet worden ingesteld op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt”.

B.4.3.2. Art. 7 van de wet van 1 juli 2006 vindt zijn oorsprong in een amendement nr. 112 dat in de Kamer werd ingediend en waarmee onder andere werd gepreciseerd dat de vordering van het kind moest worden ingesteld uiterlijk binnen vier jaar te rekenen vanaf het ogenblik waarop het de leeftijd van achttien jaar had bereikt.

Dat amendement werd als volgt verantwoord: “Het voorgestelde art. 330 zorgt zowel voor de vordering tot betwisting van de erkenning als voor de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap voor een soortgelijke procedure. Ten eerste beoogt het voorgestelde amendement degenen die een vordering mogen instellen te beperken tot de personen die daadwerkelijk belanghebbenden zijn, namelijk de echtgenoot, de moeder, het kind en de persoon die het vaderschap of het moederschap van het kind opeist. Vervolgens lijkt het ons nodig de gezinscel van het kind zoveel mogelijk te beschermen door eensdeels het bezit van staat te behouden die overeenstemt met de situatie van een kind dat door iedereen werkelijk als het kind van zijn ouders wordt beschouwd, ook al strookt dat niet met de biologische afstamming, en anderdeels door termijnen te bepalen voor het instellen van de vordering. Om een leemte te voorkomen tussen de vordering tot betwisting en de erkenning, zoals thans het geval is, wordt ten slotte bepaald dat de beslissing die gevolg geeft aan een vordering tot betwisting die werd ingesteld door een persoon die beweert de biologische vader of moeder van het kind te zijn, van rechtswege de vaststelling van de afstammingsband van de verzoeker meebrengt” (Parl.St. Kamer 2004-05, DOC 51-0597/026, p. 4 tot 6).

B.4.3.3. Dat amendement heeft zelf het voorwerp uitgemaakt van een subamendement nr. 134 in de Kamer, dat erin voorzag dat de vordering van het kind moest worden ingesteld uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar had bereikt.

Het ging erom “een einde te maken aan de controverse of art. 332, vijfde lid BW een van de ouders toestaat op te treden als vertegenwoordiger van de belangen van het minderjarige kind”.

Dienaangaande werd gepreciseerd: “Die controverse is in stand gehouden door onder meer tegenstrijdige standpunten van de rechtsleer en een onzekere rechtspraak. Toestaan dat een van de ouders optreedt als vertegenwoordiger van de belangen van het minderjarige kind was volgens sommigen in strijd met de samenhang van de wet, omdat dit de mogelijkheid zou bieden gemakkelijk het verbod te omzeilen om in rechte op te treden na het verstrijken van de termijn van één jaar die geldt voor de vordering van de vader en de moeder. Anderen waren daarentegen van oordeel dat de wetgever, door te bepalen dat de vordering moest worden ingesteld “ten laatste” vier jaar te rekenen van het ogenblik waarop het kind de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, heeft toegestaan dat de minderjarige vóór die tijd in rechte mocht optreden, via zijn wettelijke vertegenwoordiger. Ter wille van de duidelijkheid stellen de indieners van dit amendement dus voor art. 322, vijfde lid te wijzigen teneinde aan te geven dat de vordering tot betwisting van het kind door een van de ouders kan worden ingesteld vóór het kind achttien jaar oud is of door het kind zelf tussen de leeftijd van 18 en 22 jaar” (Parl.St. Kamer 2004-05, DOC 51-0597/029, p. 7).

B.4.3.4. Bij de bespreking ervan in de Senaat heeft de tekst nog het voorwerp uitgemaakt van verschillende amendementen. Zo voorzag een amendement nr. 37 erin dat het kind zijn vordering ten vroegste kon inleiden als hij de volle leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt en uiterlijk vóór hij de volle leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt (Parl.St. Senaat 2005-06, nr. 3-1402/4, p. 9). De leeftijd van vijftien jaar is uiteindelijk teruggebracht tot twaalf jaar via een ander amendement nr. 46 dat is verantwoord door het feit dat op die leeftijd het kind kan worden gehoord en andere vorderingen kan instellen, met dien verstande dat het kind in dat geval niet zelf kan optreden maar wel de voogd ad hoc (Parl.St. Senaat 2005-06, nr. 3-1402/5, p. 6).

Uiteindelijk zal worden gekozen voor de regel volgens welke de vordering van het kind moet worden ingesteld op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt, onder verwijzing naar de voormelde amendementen nrs. 37 en 46, alsook naar de verantwoording ervoor, ter gelegenheid van de amendementen nrs. 50 en 52 (Parl.St. Senaat 2005-06, nr. 3-1402/6, p. 2 en 5) die in de Commissie voor de Justitie van de Senaat zijn aangenomen (Parl.St. Senaat 2005-06, nr. 3-1402/7, p. 60).

B.5.1. Door de artikelen 368 tot 370 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) beoogde de wetgever de wet van 1 juli 2006 te verbeteren.

B.5.2. De memorie van toelichting bij het ontwerp dat heeft geleid tot de aanneming van de wet van 27 december 2006 vermeldt: “De wet van 1 juli 2006 legt vooraf bepaalde termijnen op voor de vaderschapsbetwistingen. Voor de diverse betrokkenen kan het aanvangspunt van de termijn worden uitgesteld, aangezien de datum die in aanmerking moet worden genomen die is van de kennisname van het onjuiste karakter van de band van afstamming. Alleen voor de vordering van het kind gold deze mogelijkheid niet. Deze beperking moet worden verbeterd, want men zou die als discriminerend kunnen beschouwen” (Parl.St. Kamer 2006-07, DOC 51-2760/001, p. 239; Parl.St. Senaat 2006-07, nr. 3-1988/4, p. 3 en 4).

Ten aanzien van art. 331ter BW

B.6.1. Vóór de aanneming van de wet van 31 maart 1987, bepaalde art. 331ter BW: “Wanneer de wet geen kortere termijn stelt, verjaren de vorderingen betreffende de afstamming door verloop van dertig jaar te rekenen van de dag waarop het kind de staat die hij inroept is ontzegd, of van de dag waarop hij in het bezit van de betwiste staat is gekomen”.

Toen een lid van de Commissie voor de Justitie van de Senaat vroeg of de in dat artikel vermelde termijn niet zou moeten worden ingekort, werd geantwoord “dat het verkieslijker [was] geen tijdsbeperking in te lassen als er geen bezit van staat is. De tekst gaat immers uit van de hypothese dat de staat bestond, maar op een bepaald ogenblik werd ontzegd” (Parl.St. Senaat 1984-85, nr. 904/2, p. 105).

De tekst is aldus ongewijzigd aangenomen.

B.6.2. Art. 17 van de wet van 1 juli 2006 heeft de voormelde bepaling vervangen door de volgende tekst: “Wanneer de wet geen kortere termijn stelt, verjaren de vorderingen betreffende de afstamming door verloop van dertig jaar te rekenen van de dag waarop het bezit van staat geëindigd is, of, bij gebreke van bezit van staat, vanaf de geboorte, of te rekenen van de dag waarop het kind in het bezit van staat is gekomen overeenkomstig de staat die hem werd betwist, waarbij artikel 2252 onverkort van toepassing blijft.

“Artikel 2253 is niet van toepassing.

“De in dit artikel bepaalde verjaringstermijn geldt niet voor de op artikel 329bis gegronde vorderingen”.

Een inkorting van die termijn tot een verjaringstermijn van tien jaar werd in het oorspronkelijke voorstel overwogen teneinde zich te conformeren aan de verjaringstermijn van het gemene recht (Parl.St. Kamer 2003-04, DOC 51-0597/001, p. 11, 17 en 18; Parl.St. Kamer 2003-04, DOC 51-0597/032, p. 48). De dertigjarige termijn is evenwel gehandhaafd, op initiatief van een amendement van de regering dat als volgt werd verantwoord: “De specificiteit van de vorderingen inzake de afstamming rechtvaardigt het behouden van een verschil in behandeling in vergelijking met de verjaringstermijn van het gemene recht (tien jaar sedert 1998). Zie advies van de Raad van State en dat van de ondervraagde specialisten” (Parl.St. Senaat 2005-06, nr. 3-1402/3, p. 14).

Ten gronde

B.7. Uit de motivering van het vonnis van de verwijzende rechter blijkt dat, volgens de elementen van het dossier, het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot van de moeder dat te dezen was vastgesteld ten aanzien van de eiser voor de verwijzende rechter, niet overeenstemt met de biologische waarheid, noch met de socio-affectieve waarheid. Het Hof zal het onderzoek van de bij art. 318, § 2 BW voorgeschreven termijn betreffende de vordering tot betwisting van vaderschap tot die hypothese beperken.

Het Hof moet dus nagaan of het voormelde art. 318, § 2 niet op discriminerende wijze afbreuk doet aan het recht op de eerbiediging van het privéleven, zoals het is verankerd in art. 22 Gw. en in art. 8 EVRM, van het kind dat, bij ontstentenis van bezit van staat, het vermoeden van vaderschap wil betwisten dat is vastgesteld ten aanzien van de echtgenoot van zijn moeder, door de termijnen die dat art. 318, § 2 BW daartoe voorschrijft.

B.8. Art. 22 Gw. bepaalt:

“Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.

“De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht”.

Art. 8 EVRM bepaalt:

“1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.

“2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen”.

Uit de parlementaire voorbereiding van art. 22 Gw. blijkt dat de Grondwetgever “een zo groot mogelijke concordantie [heeft willen nastreven] met art. 8 EVRM, teneinde betwistingen over de inhoud van dit grondwetsartikel respectievelijk art. 8 van het EVRM te vermijden” (Parl.St. Kamer 1992-93, nr. 997/5, p. 2).

B.9. De in het geding zijnde regeling voor de betwisting van het vermoeden van vaderschap valt onder de toepassing van art. 22 Gw. en van art. 8 EVRM.

B.10. Het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven, zoals het door de voormelde bepalingen wordt gewaarborgd, beoogt in wezen de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven en hun gezinsleven.

Art. 22, eerste lid Gw. sluit, evenmin als art. 8 EVRM, een overheidsinmenging in de uitoefening van dat recht niet uit, maar beide artikelen vereisen dat in die inmenging wordt voorzien door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. Die bepalingen houden voor de overheid bovendien de positieve verplichting in om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven verzekeren, zelfs in de sfeer van de onderlinge verhoudingen tussen individuen (EHRM 27 oktober 1994, Kroon e.a. t/ Nederland, § 31).

B.11. De wetgever beschikt bij de uitwerking van een regeling die een overheidsinmenging in het privéleven inhoudt, over een appreciatiemarge om rekening te houden met een billijk evenwicht tussen de tegenstrijdige belangen van het individu en de samenleving in haar geheel (EHRM 26 mei 1994, Keegan t/ Ierland, § 49; EHRM 27 oktober 1994, Kroon e.a. t/ Nederland, § 31; EHRM 2 juni 2005, Znamenskaya t/ Rusland, § 28; EHRM 24 november 2005, Shofman t/ Rusland, § 34).

Die appreciatiemarge van de wetgever is evenwel niet onbegrensd: om te oordelen of een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op de eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft gevonden tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. Dit vereist dat de wetgever niet alleen een afweging maakt tussen de belangen van het individu tegenover die van de samenleving in haar geheel, maar ook tussen de tegenstrijdige belangen van de betrokken personen (EHRM 6 juli 2010, Backlund t/ Finland, § 46), op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig is met de nagestreefde wettige doelstellingen. Die belangenafweging moet ertoe leiden dat de biologische en sociale werkelijkheid primeert op een wettelijk vermoeden indien dat laatste frontaal ingaat tegen de vastgestelde feiten en de wensen van de betrokkenen, zonder dat het iemand een tastbaar voordeel oplevert (EHRM 27 oktober 1994, Kroon e.a. t/ Nederland, § 40; EHRM 24 november 2005, Shofman t/ Rusland, § 44; EHRM 12 januari 2006, Mizzi t/ Malta, § 113; EHRM 10 oktober 2006, Paulik t/ Slovakije, § 46).

B.12. Het vaststellen van een verjaringstermijn voor het instellen van een vordering tot onderzoek naar het vaderschap kan worden verantwoord door de zorg om de rechtszekerheid en een definitief karakter van de familiale relaties te waarborgen. Om vast te stellen of art. 8 EVRM in acht wordt genomen, dient te worden nagegaan of de staat een billijk evenwicht heeft ingesteld tussen de op het spel staande concurrerende rechten en belangen. Aldus dienen niet alleen de belangen van het individu te worden afgemeten tegen het algemeen belang van de gemeenschap in haar geheel, maar dienen ook de op het spel staande concurrerende privébelangen tegen elkaar te worden afgewogen (EHRM 20 december 2007, Phinikaridou t/ Cyprus, §§ 51 tot 53).

B.13. De rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind, anderzijds, zijn legitieme doelstellingen waarvan de wetgever kan uitgaan om een onbeperkte mogelijkheid tot betwisting van het vaderschap te verhinderen.

B.14. Door te bepalen dat een kind het vermoeden van vaderschap dat is vastgesteld ten aanzien van de echtgenoot van zijn moeder niet meer kan betwisten na de leeftijd van 22 jaar of na het jaar te rekenen vanaf de ontdekking van het feit dat diegene die de echtgenoot van zijn moeder was, niet zijn vader is, terwijl dat vermoeden met geen enkele biologische noch socio-affectieve realiteit overeenstemt, wordt evenwel op discriminerende wijze afbreuk gedaan aan het recht op de eerbiediging van het privéleven van dat kind. Door de korte verjaringstermijn zou het kunnen dat dat kind niet meer beschikt over de mogelijkheid om zich tot een rechter te wenden die rekening kan houden met de vaststaande feiten, alsook met het belang van alle betrokken partijen, zonder dat een en ander kan worden verantwoord door de zorg om de rust der families te bewaren, terwijl de familiale banden te dezen onbestaande zijn.

B.15. De prejudiciële vragen dienen bevestigend te worden beantwoord.
 

ook beschikbaar in pdf

Noot onder dit arest:

Marek Verhoeven, Termijn betwisting vaderschapsvermoeden is discriminerend: Juristenkrant 15 juni 2011, 5

 

 

Nog dit: 

Zie ook het baanbrekend arrest van 03/02/11 van het grondwettelijk Hof waardoor zelfs het bezit van staat niet meer als beletsel geldt voor de vordering tot betwisting van vaderschap. Klik hier voor dit arrest

Uittreksel uit dit arrest:

Artikel 318, § 1, van het Burgerlijk Wetboek schendt artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de vordering tot betwisting van vaderschap niet ontvankelijk is indien het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot van de moeder.

Immers:

Artikel 318 van het Burgerlijk Wetboek regelt de mogelijkheid tot betwisting van het vermoeden van het vaderschap van de echtgenoot van de moeder van het kind. Het vermoeden van vaderschap is ingesteld in artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek. Binnen de in paragraaf 2 van artikel 318 bepaalde termijnen - die verschillen naar gelang van de vorderingsgerechtigden - staat de vordering enkel open voor de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap van het kind opeist.

De mogelijkheid tot betwisting van het vermoeden van vaderschap is evenwel onderworpen aan een beperking : de vordering is - voor alle vorderingsgerechtigden - onontvankelijk wanneer het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot.

Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 318 van het Burgerlijk Wetboek blijkt dat aanvankelijk geen eensgezindheid leek te bestaan over de vraag of het bezit van staat elke betwisting van de afstamming onmogelijk diende te maken, onder meer omdat dit begrip niet noodzakelijk samenvalt met het begrip « belang van het kind », en omdat de opvattingen over de familievrede, die het wil beschermen, snel evolueren (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0597/024, pp. 60-62). Na uitvoerig overleg binnen de subcommissie Familierecht van de Commissie voor de Justitie van de Kamer van volksvertegenwoordigers heeft de wetgever gemeend het « bezit van staat » als grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap te moeten invoeren.

Het daartoe strekkende amendement, dat aan de basis ligt van de in het geding zijnde bepaling, werd als volgt verantwoord :

« Ten eerste beoogt het voorgestelde amendement degenen die een vordering mogen instellen te beperken tot de personen die daadwerkelijk belanghebbenden zijn, namelijk de echtgenoot, de moeder, het kind en de persoon die het vaderschap of het moederschap van het kind opeist.
Vervolgens lijkt het ons nodig de gezinscel van het kind zoveel mogelijk te beschermen door eensdeels het bezit van staat te behouden die overeenstemt met de situatie van een kind dat door iedereen werkelijk als het kind van zijn ouders wordt beschouwd, ook al strookt dat niet met de biologische afstamming, en anderdeels door termijnen te bepalen voor het instellen van de vordering » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0597/026, p. 6, en DOC 51-0597/032, p. 31).

Het was derhalve de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om de afstammingsband beter te beschermen, enerzijds, door het bezit van staat te behouden en anderzijds, andere derden, zoals grootouders, te beletten om op te treden (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3- 1402/7, p. 4). Nadat binnen de Senaatscommissie voor de Justitie bij die uitgangspunten vraagtekens werden geplaatst, onder meer met betrekking tot de interpretatieproblemen waartoe het begrip « bezit van staat » aanleiding kon geven, bevestigde de minister van Justitie dat de Kamer niet heeft overwogen de regels inzake het « bezit van staat » te wijzigen :

« Het ontwerp wijzigt reeds een groot aantal regels, en ook al rijzen er bij de toepassing van het begrip soms problemen, toch hoeft dit niet te worden aangepast.

De wetgever heeft er in 1987 voor gekozen het begrip te behouden om ervoor te zorgen dat de biologische waarheid het niet altijd wint van de sociaal-affectieve realiteit. Deze keuze moet behouden blijven en het bezit van staat hoeft dus niet te worden aangepast » (Parl. St., Senaat, 2005- 2006, nr. 3-1402/7, p. 9).

Artikel 318, § 1, van het Burgerlijk Wetboek dient evenwel getoetst aan artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Artikel 22 van de Grondwet bepaalt :

« Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.
De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ».

Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ».

Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 22 van de Grondwet blijkt dat de Grondwetgever « een zo groot mogelijke concordantie [heeft willen nastreven] met artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), teneinde betwistingen over de inhoud van dit Grondwetsartikel respectievelijk art. 8 van het EVRM te vermijden » (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2).

De wettelijke regeling van de relatie van de vader tot het kind dat is geboren binnen het huwelijk, raakt het privéleven van de vader (EHRM, 28 november 1984, Rasmussen t. Denemarken, § 33; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 30; 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 102). De uitdrukking « eenieder » in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens slaat zowel op het kind als op zijn vermoedelijke vader (EHRM, 6 juli 2010, Grönmark t. Finland, § 48).

De in het geding zijnde regeling van betwisting van het vermoeden van vaderschap valt derhalve onder de toepassing van artikel 22 van de Grondwet en van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
Het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven, zoals het door de voormelde bepalingen wordt gewaarborgd, heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven en hun gezinsleven.

Artikel 22, eerste lid, van de Grondwet sluit, evenmin als artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, een overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven niet uit, maar vereist dat erin is voorzien in een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. Die bepalingen houden bovendien de positieve verplichting in voor de overheid om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven verzekeren, zelfs in de sfeer van de onderlinge verhoudingen van individuen (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e. a. t. Nederland, § 31).

De wetgever beschikt over een appreciatiemarge om bij de uitwerking van een wettelijke regeling die een overheidsinmenging in het privéleven inhoudt, rekening te houden met een billijk evenwicht tussen de tegenstrijdige belangen van het individu en de samenleving in haar geheel (EHRM, 26 mei 1994, Keegan t. Ierland, § 49; 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31; 2 juni 2005, Znamenskaya t. Rusland, § 28; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 34).

Die appreciatiemarge van de wetgever is evenwel niet onbegrensd : opdat een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft gevonden tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn.

Zulks vereist dat de wetgever niet alleen een afweging maakt tussen de belangen van het individu tegenover de samenleving in haar geheel, maar tevens tussen de tegenstrijdige belangen van de betrokken personen (EHRM, 6 juli 2010, Backlund t. Finland, § 46), op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig is met de nagestreefde wettige doelstellingen. Die belangenafweging moet ertoe leiden dat de biologische en sociale werkelijkheid primeert op een wettelijk vermoeden indien dit laatste frontaal ingaat tegen de vastgestelde feiten en de wensen van de betrokkenen, zonder dat het iemand een tastbaar voordeel oplevert (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e. a. t. Nederland, § 40; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 44; 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 113).

Het mogelijk belang van het kind om het « bezit van staat » te genieten van kind van de echtgenoot van de moeder, mag het niet halen op het legitieme recht van deze laatste om ten minste één gelegenheid te krijgen om het vaderschap te betwisten van een kind dat op grond van wetenschappelijke bewijzen, niet van hem is.

Het geval waarin een wettelijk vermoeden voorrang krijgt op de biologische werkelijkheid is niet bestaanbaar met de verplichting een daadwerkelijk respect voor het privé- en gezinsleven te waarborgen, zelfs rekening houdend met de appreciatiemarge waarover de wetgever beschikt (EHRM, 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, §§ 112 en 113).

Het feit dat iemand nooit werd toegelaten zijn vaderschap te betwisten ten aanzien van zijn kind, werd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet evenredig geacht met de nagestreefde doelstellingen, omdat aldus geen billijk evenwicht tot stand is gebracht tussen het algemeen belang van de bescherming van de rechtszekerheid van de familiale banden en het recht van de betrokkene om een heronderzoek te verkrijgen van het wettelijk vermoeden van vaderschap in het licht van de biologische bewijzen (EHRM, 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 114).

De rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind, anderzijds, zijn legitieme doelstellingen waarvan de wetgever kan uitgaan om een onbeperkte mogelijkheid tot betwisting van het vaderschap te verhinderen. In dat opzicht is het pertinent om de biologische werkelijkheid niet a priori te laten prevaleren op de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap.

Door het « bezit van staat » als absolute grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap in te stellen, heeft de wetgever de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap evenwel steeds laten prevaleren op de biologische werkelijkheid. Door die absolute grond van niet-ontvankelijkheid wordt de echtgenoot van de moeder die te goeder trouw het socio-affectieve vaderschap heeft opgenomen, op absolute wijze uitgesloten van de mogelijkheid om zijn vaderschap te betwisten omdat zijn handelen te goeder trouw precies heeft bijgedragen tot de totstandkoming van de feiten die de criteria uitmaken van het bezit van staat.
Aldus bestaat voor de rechter geen enkele mogelijkheid om rekening te houden met de vaststaande feiten en de belangen van alle betrokken partijen.

Een dergelijke maatregel is onevenredig met de door de wetgever nagestreefde, legitieme doelstellingen, en derhalve niet bestaanbaar met artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: zo, 12/02/2012 - 11:50

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.