-A +A

Valsheid voor de Burgerlijke rechter

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Inzake valsheid van stukken en geschriften voorziet het Gerechtelijk Wetboek in een specifieke procedure, namelijk de valsheidsprocedure (art. 895-914 Ger.W.). Hierdoor wordt preventief (en niet post factum, bv. via herroeping van het gewijsde) in de loop van de eigenlijke procedure waarin een mogelijk vals stuk wordt gebruikt, opgekomen tegen het aanwenden van een dergelijk stuk.

Valsheid onderstelt een verdraaiing van de waarheid; in casu wordt blijkbaar intellectuele valsheid ingeroepen.

Met toepassing van art. 896, eerste lid Ger.W. moet de partij die een valsheidsvordering instelt, de redenen daartoe nauwkeurig opgeven; deze verplichting strekt ertoe lichtzinnige valsheidsvorderingen te vermijden en de rechter de mogelijkheid te bieden met kennis van zaken te oordelen over de opportuniteit en het nut van deze maatregel, aangezien per slot van rekening de procedure geschorst wordt tot na de uitspraak over de valsheidsvordering (art. 897 Ger.W.).

 

Valsheidsprocedure voor de burgerlijke rechter:


Afdeling IV. Valsheidsprocedure.

Eerste onderafdeling  Algemene bepalingen.

Art. 895. Tegen valsheid kan worden opgekomen bij een hoofdvordering of bij een tussenvordering.
De rechter voor wie de hoofdvordering aanhangig is, is bevoegd om uitspraak te doen in de valsheidsincidenten die opkomen in de voor hem gebrachte geschillen.

Art. 896. De valsheidsvordering moet de middelen inzake valsheid nauwkeurig opgeven.
Zij wordt ontvangen, ook al is omtrent het van valsheid betichte stuk een schriftonderzoek ingesteld en al is het voor erkend en echt gehouden.

Art. 897. In geval van een tussenvordering wegens valsheid in burgerlijke zaken stelt de rechter voor wie de hoofdvordering aanhangig is, zijn uitspraak hierover uit, indien geen uitspraak kan worden gedaan zonder rekening te houden met het van valsheid betichte stuk.

Art. 898. In geval van een hoofdvordering of een tussenvordering wegens valsheid in burgerlijke zaken beveelt de rechter de partijen voor hem te verschijnen, in voorkomend geval bijgestaan door hun advocaten, en gelast hij de verweerder het van valsheid betichte stuk over te leggen.
De griffier zendt de oproeping aan de partijen bij gerechtsbrief.

Art. 899. Indien de verweerder niet verschijnt, ofschoon hij regelmatig is opgeroepen, kan de rechter, na tegen hem verstek te hebben verleend, beslissen dat het van valsheid betichte stuk niet kan worden ingeroepen tegen de eiser.

Art. 900. Indien de verweerder verschijnt en verklaart dat hij zich niet van het stuk wil bedienen ten opzichte van de eiser, geeft de rechter aan de eiser akte daarvan en doet hij proces-verbaal opmaken.
De kosten van de vordering of van het tussengeschil blijven in dat geval ten laste van de eiser.

Art. 901. Indien de verweerder verschijnt en verklaart dat hij zich van het stuk wil bedienen ten opzichte van de eiser, parafeert de rechter het stuk en beveelt hij dat het op de griffie zal worden neergelegd. Hij doet de griffier de processen-verbaal opmaken, die hij samen met hem en de partijen ondertekent.

Art. 902. De rechter kan de zaak onmiddellijk behandelen, indien hem blijkt dat zij zonder meer kan worden berecht.
Anders besluit de rechter tot alle dienstige onderzoeksmaatregelen, die hij zelf verricht of onder zijn leiding doet verrichten overeenkomstig de bepalingen betreffende het schriftonderzoek.

Art. 903. Ingeval het van valsheid betichte stuk in minuut verleden is, beveelt de rechter aan de verweerder of aan de bewaarder van de minuut het stuk neer te leggen op de griffie of op een andere plaats, door hem aangewezen voor het verrichten van de onderzoeksmaatregelen die hij heeft bevolen.
De rechter bepaalt de termijn voor die neerlegging.
Is de minuut in handen van een openbaar bewaarder, dan wordt zij vooraf gefotografeerd en een fotografische afdruk, op de kant waarvan de griffier melding maakt van de valsheidsvordering, wordt met het origineel vergeleken door de voorzitter van de rechtbank, die daarvan proces-verbaal opmaakt; de afdruk wordt door de bewaarder bij zijn minuten gelegd om in de plaats ervan te treden totdat over de valsheid vonnis gewezen is en hij mag daarvan grossen en uitgiften afgeven met vermelding van het proces-verbaal dat is opgemaakt.
De rechter schrijft alle maatregelen voor betreffende de afdrukken die gelegd worden in de plaats van de minuten of van de originelen totdat de stukken zijn teruggeleverd, alsmede alle andere maatregelen betreffende het afgeven van grossen of uitgiften, onder verplichting om daarvan melding te maken in het proces-verbaal.
De kosten van de kopie worden door de eiser inzake valsheid aan de bewaarder terugbetaald volgens de begroting van de rechter.

Art. 904. Indien de rechter het stuk vals verklaart, maakt de griffier melding van het vonnis op de kant van het vals verklaarde stuk. Van deze kanttekening wordt proces-verbaal opgemaakt.
De rechter die het stuk vals verklaart, beveelt de inbeslagneming ervan.
Dat stuk wordt, met een afschrift van het vonnis van valsverklaring, door de griffier binnen vijftien dagen na de dagtekening van dat vonnis, aan de procureur des Konings gezonden.

Art. 905. De eiser inzake valsheid die in het ongelijk wordt gesteld, kan bij het vonnis over de vordering worden veroordeeld tot schadevergoeding jegens de partij.

Art. 906. Afstand of dading betreffende een valsheidsprocedure moet, op straffe van nietigheid, worden gehomologeerd door de rechter voor wie de valsheidsvordering aanhangig is, het openbaar ministerie gehoord.

Onderafdeling 2. _ Procedure inzake valsheidsincident vóór het Hof van Cassatie.

Art. 907. Het is iedere partij in een cassatiegeding toegelaten om een in dit geding regelmatig overlegd stuk van valsheid te betichten, wanneer de valsheid ten onrechte verwerping of toewijzing van de voorziening ten gevolge kan hebben.
In het cassatiegeding kunnen alleen die stukken van valsheid worden beticht waartegen zulke betichting niet mogelijk is geweest vóór het gerecht in hoogste feitelijke aanleg of waarvan de valsheid geen grond kan opleveren voor herroeping van het gewijsde.

Art. 908. De valsheidsvordering wordt ingesteld bij verzoekschrift, ondertekend door de partij en door de advocaat bij het Hof van Cassatie die voor haar optreedt in het geding.
Het verzoekschrift wijst nauwkeurig het van valsheid betichte stuk aan en vermeldt de aangevoerde middelen inzake valsheid.
Het verzoekschrift wordt vóór de indiening betekend aan de verweerder in de valsheidsprocedure, met aanmaning om binnen de bij de wet bepaalde termijn te verklaren of hij zich van het van valsheid betichte stuk wil bedienen, en met dagvaarding om voor het hof te verschijnen ten einde te horen beslissen over de gegrondheid van de valsheidsvordering.

Art. 909. Binnen vijftien dagen te rekenen van de betekening van het verzoekschrift geeft de verweerder in de valsheidsprocedure zijn antwoord te kennen door afgifte op de griffie van een verklaring, welke ondertekend is door hem en door de advocaat bij het Hof van Cassatie die voor hem optreedt in het geding, en welke vooraf betekend is aan de eiser.

Art. 910. Indien de verweerder in de valsheidsprocedure niet antwoordt binnen de bij de wet bepaalde termijn, of verklaart zich niet van het van valsheid betichte stuk te willen bedienen, beveelt het hof dat het stuk uit het geding wordt gehouden.
Ingeval de verweerder verklaard heeft zich niet van het van valsheid betichte stuk te willen bedienen, wordt de eiser veroordeeld in de kosten van het tussengeschil.

Art. 911. Inden de verweerder verklaart zich te willen bedienen van het stuk, doet het hof uitspraak over de toewijsbaarheid van de vordering, de opmerkingen van de advocaten gehoord.
Indien het hof de vordering afwijst, veroordeelt het bij hetzelfde arrest de eiser tot de kosten van het tussengeschil.
Indien het hof het verzoekschrift ontvangt en de vordering toewijst, verwijst het bij hetzelfde arrest de partijen naar een gerecht in hoogste feitelijke aanleg van dezelfde rang als het gerecht dat de door de cassatievoorziening bestreden beslissing heeft gewezen.

Art. 912. Ingeval het hof de vordering toewijst, stelt het de uitspraak op de cassatievoorziening uit, totdat over het tussengeschil een eindbeslissing is gegeven.

Art. 913. Het gerecht in hoogste feitelijke aanleg waarnaar de zaak is verwezen, doet uitspraak op de valsheidsvordering in de vorm bepaald bij de artikelen 898, 899 en 902 tot 906.

Art. 914. Een uitgifte van de beslissing van het gerecht in hoogste feitelijke aanleg waarnaar de zaak is verwezen, wordt door de griffier aan de griffie van het Hof van Cassatie gezonden om bij het dossier van het oorspronkelijke cassatiegeding te worden gevoegd.

 

 

Nog dit: 
uittreksel uit het wetboek van strafvordering
 
TITEL IV. - ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD.
HOOFDSTUK I. - VALSHEID.
Artikel 448. In alle gedingen ter zake van valsheid in geschrifte wordt het van valsheid betichte stuk, zodra het is ingebracht, neergelegd op de griffie, getekend en geparafeerd op elke bladzijde door de griffier, die een omstandig proces-verbaal opmaakt van de materiële toestand van het stuk, alsook door degene die het heeft neergelegd, indien hij kan tekenen, waarvan melding wordt gemaakt; een en ander op straffe van geldboete van vijftig frank tegen de griffier die het stuk in ontvangst heeft genomen zonder dat die formaliteit vervuld is.
Art. 449. Indien het van valsheid betichte stuk uit een openbare bewaarplaats wordt genomen, wordt het ook door de ambtenaar die het uit handen geeft, getekend en geparafeerd zoals hiervoren bepaald is, op straffe van dezelfde geldboete.
Art. 450. Het van valsheid betichte stuk wordt bovendien getekend door de officier van gerechtelijke politie, en door de burgerlijke partij of haar pleitbezorger indien dezen zich aanmelden.
Het wordt ook getekend door de verdachte op het ogenblik dat hij verschijnt.
Indien de verschijnende personen of enige onder hen niet kunnen of niet willen tekenen, maakt het proces-verbaal daarvan melding.
In geval van nalatigheid of van verzuim wordt de griffier gestraft met geldboete van vijftig frank.
Art. 451. Aan de klachten en aangiften ter zake van valsheid kan altijd gevolg gegeven worden, zelfs wanneer de van valsheid betichte stukken tot grondslag hebben gediend van gerechtelijke of burgerlijke akten.
Art. 452. Ieder openbaar of bijzonder bewaarder van stukken die van valsheid beticht worden, is verplicht (...) die af te geven op bevelschrift van de ambtenaar van het openbaar ministerie of van de onderzoeksrechter. <W 10-07-1967, art. 1, 172°>
Dit bevelschrift en de akte van neerlegging strekken hem tot ontlasting jegens allen die bij het stuk belang hebben.
Art. 453. De stukken die overgebracht worden om tot vergelijking te dienen, worden getekend en geparafeerd, zoals in de eerste drie artikelen van dit hoofdstuk bepaald is betreffende het van valsheid betichte stuk, en onder dezelfde straffen.
Art. 454. Alle openbare bewaarders kunnen worden genoodzaakt (...) de stukken van vergelijking die zij in hun bezit hebben, over te brengen; het bevelschrift en de akte van neerlegging strekken hun tot ontlasting jegens hen die bij die stukken belang mochten hebben. <W 10-07-1967, art. 1, 173°>
Art. 455. (Indien het nodig is dat een openbaar bewaarder een authentiek stuk uit handen geeft, wordt het vooraf gefotografeerd en een fotocopie wordt na verificatie door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement, die daarvan proces-verbaal opmaakt, door de bewaarder bij zijn minuten gelegd om in de plaats te treden van het stuk totdat het wordt teruggezonden, en hij mag grossen of uitgiften daarvan afgeven met vermelding van het proces-verbaal dat is opgemaakt.) <KB 246 22-02-1936, art. 4>
Indien het stuk evenwel deel uitmaakt van een register zodat het daarvan niet voor een tijd kan worden afgescheiden, kan de rechtbank de overbrenging van het register bevelen en van de bij dit artikel vastgestelde formaliteit vrijstellen.
Art. 456. Onderhandse geschriften kunnen eveneens als stukken van vergelijking overgelegd en als zodanig aangenomen worden, indien de belanghebbende partijen ze erkennen.
Evenwel kunnen bijzondere personen die zodanige geschriften, zelfs volgens eigen bekentenis, in hun bezit hebben, niet onmiddellijk worden genoodzaakt die af te geven; doch indien zij voor de rechtbank die met de kennisneming van de zaak is belast, gedagvaard worden om die afgifte te doen of om de redenen van hun weigering voor te dragen, en zij in het ongelijk worden gesteld, kan het arrest of het vonnis bevelen dat zij daartoe (...) zullen worden genoodzaakt. <W 10-07-1967, art. 1, 174°>
Art. 457. Wanneer de getuigen zich verklaren omtrent een stuk van het geding, paraferen en tekenen zij het; kunnen zij niet tekenen, dan maakt het proces-verbaal daarvan melding.
Art. 458. Indien een van de partijen in de loop van een onderzoek of van een rechtspleging een overgelegd stuk van valsheid beticht, maant zij de andere partij aan te verklaren of zij zich van het stuk wil bedienen.
Art. 459. Indien de partij verklaart zich van het stuk niet te willen bedienen of indien zij binnen acht dagen geen verklaring doet, wordt het stuk buiten het geding gehouden en wordt overgegaan tot het onderzoek en de uitspraak.
Indien de partij verklaart dat hij zich van het stuk wil bedienen, wordt de valsheid als tussengeschil behandeld voor het hof of de rechtbank waarvoor de hoofdzaak aanhangig is.
Art. 460. Indien de partij die het stuk van valsheid beticht heeft, staande houdt dat hij die het overgelegd heeft, dader van of medeplichtige aan de valsheid is, of indien uit de rechtspleging blijkt dat de dader of de medeplichtige nog in leven is en de vervolging van de misdaad nog niet vervallen is door verjaring, zal de strafvervolging plaatshebben in de hierboven voorgeschreven vorm.
Indien het geding ingesteld is voor de burgerlijke rechter, wordt de berechting geschorst totdat over de valsheid is beslist.
Indien het een misdaad, een wanbedrijf of een overtreding betreft, moet het hof of de rechtbank waarvoor de zaak aanhangig is, vooraf beslissen, na de ambtenaar belast met het openbaar ministerie te hebben gehoord, of er al dan niet reden is tot schorsing.
Art. 461. Van de beklaagde of de beschuldigde kan worden gevorderd dat hij een geschreven stuk overlegt of een schrijfproef aflegt; bij weigering of stilzwijgen maakt het proces-verbaal daarvan melding.
Art. 462. Indien het hof of een rechtbank, bij het onderzoek van een geding, zelfs van een burgerlijk geding, aanwijzingen vindt omtrent een valsheid en omtrent de persoon die ze gepleegd heeft, doet de ambtenaar belast met het openbaar ministerie of de voorzitter de stukken toekomen aan (de procureur des Konings) bij de onderzoeksrechter, hetzij van de plaats waar het misdrijf schijnt gepleegd te zijn, hetzij van de plaats waar de verdachte mocht worden gevat, en hij kan zelfs een bevel tot medebrenging verlenen. <W 10-10-1967, art. 156>
Art. 463. Wanneer authentieke akten geheel of ten dele vals verklaard zijn, beveelt het hof of de rechtbank die van de valsheid heeft kennis genomen, dat zij zullen worden hersteld, doorgehaald of verbeterd; van alles wordt proces-verbaal opgemaakt.
De stukken van vergelijking worden teruggezonden naar de bewaarplaatsen waaruit zij zijn genomen, of terugbezorgd aan de personen die ze hebben meegedeeld, een en ander binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen van de dag van het arrest of het vonnis, op straffe van geldboete van vijftig frank tegen de griffier.
Art. 464. Voor het overige geschiedt het onderzoek omtrent de valsheid zoals voor de andere misdrijven, behoudens de volgende uitzondering.
De voorzitters van de hoven van assisen (...), de procureurs-generaal of de procureur des Konings), de onderzoeksrechters en de (rechters in de politierechtbank) kunnen de nodige opsporingen buiten hun rechtsgebied voortzetten bij personen die verdacht worden (valse biljetten aan toonder door de Staatskas uitgegeven of valse bankbiljetten aan toonder waarvan de uitgifte door of krachtens een wet is toegelaten), te hebben vervaardigd, ingevoerd of verspreid. <W 10-07-1967, art. 1, 176°> <W 10-10-1967, art. 91, § 3 en 156, § 2>
Deze bepaling geldt ook voor de misdaad van valsmunterij of van namaking van 's Lands zegel.

 

 
Gerelateerd
0
Aangemaakt op: di, 25/01/2011 - 00:09
Laatst aangepast op: za, 19/01/2013 - 17:27

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.