-A +A

verbeurdverklaring

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

confiscatie in strafzaken
Rechtsleer: Francis Desterbeck, De inbeslagname en verbeurdverklaring in strafzaken in België

J. Rozie voordeelsontneming, Intersentia

 

 

 

 

 

definitie: de verbeurdverklaring is de beslissing van de rechter als bijkomende straf, naast een hoofdstraf die het eigendomsrecht over bepaalde zaken die verband houden met een misdrijf aan de veroordeelde ontneemt.

wettelijke basis:  art. 42-43quater Sw.
art. 17 GW: de Grondwetgever verbiedt de algemene verbeurdverklaring. De rechter kan dus niet de algemeenheid van de goederen van een veroordeelde verbeurdverklaren. Elke verbeurdverklaring is derhalve een bijzondere verbeurdverklaring.

De verbeurdverklaring dient onderscheiden te worden van de inbeslagname in het kader van het vooronderzoek. Deze maatregel heeft namelijk geen eigendomsoverdracht tot gevolg.

uitwegen voor de verdediging: uitstel van de verbeurdverklaring

soorten:

1. gewone verbeurdverklaring
2. verbeurdverklaring confiscatie van vermogensvoordelen de zogeheten voordeelsontneming (Wet 17 juli 1990)
3. de verruimde verbeurdverklaring van vermogensvoordelen
(Kaalplukwet 19 december 2002)
4. de verbeurdverklaring als beveiligingsmaatregel
5. de verbeurdverklaring in het buitenland (Wet 20 mei 1997)

1. De gewone of klassieke verbeurdverklaring (art. 42, 1° en 2° Sw).

Deze verbeurdverklaring volgt steeds op een veroordeling wegens een wanbedrijf of een misdaad (art. 43 Sw), zelfs zo de wet de verbeurdverklaring bij dit misdrijf niet voorziet en niet bij een overtreding, tenzij de wet de verbeurdverklaring voor de overtreding voorziet. Om de gewone verbeurdverklaring te vermijden kunnen geen verzachtende omstandigheden worden ingeroepen. Over verbeurdverklaring onder voorwaarden en de probatiewet zie Arbitragehof 18 januari 2006 en Antwerpen 08/02/2006, met noot in RABG 2006/12.
 

Welke zaken zijn vatbaar voor verbeurdverklaring?

- de zaken die het voorwerp van het misdrijf uitmaken
- de zaken die gediend hebben of bestemd waren om het misdrijf te plegen
- de zaken die uit het misdrijf voortkomen

voorbeelden:


OBJECTUM SCELERIS: zaken die het voorwerp van het misdrijf uitmaken  (ART. 42, 1° SW.)
vervalste documenten, smeergeld, witgewassen geld. Noteer dus dat witgewassen geld aanleiding geeft tot verplichte verbeurdverklaring.
INSTRUMENTUM SCELERIS: zaken die gediend hebben of bestemd waren om een opzettelijk misdrijf te plegen (ART. 42, 1° SW.)voertuigen, inbrekersmateriaal, wapens, valse sleutels,…)
PRODUCTUM SCELERIS (ART. 42, 2° SW.) zaken die door het misdrijf werden voortgebracht (vb. vals geld, valse koopwaar

Behoudens de voortbrengsels van een misdrijf en de uitz. van art. 505 Sw, blijven de rechten van derden op deze goederen beschermd.

2. De verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen(lucra sceleris) of voordeelsontneming
(art. 42, 3° en 43bis Sw).

Signaal van de wetgever: een misdrijf loont niet

De voordeelsontneming is een facultatieve bijkomende sanctie die op vordering van het parket voor alle misdrijven kan gevorderd worden met inbegrip van de overtredingen.

Deze verbeurdverklaring slaat niet alleen op hetgeen rechtstreeks uit het misdrijf voortkomt maar ook op hetgeen werd aangekocht of verworven middels de opbrengsten van het misdrijf, evenals op de aanwassen van de opbrengsten van het misdrijf zoals interesten. Anders dan de gewone verbeurdverklaring die enkel kan slaan op roerende goederen, kan zij ook slaan op onroerende goederen.
zie art. 35bis Sv.art. 35ter Sv.

procedure

Indien het parket een vordering tot verbeurdverklaring van vermogensvoordelen wenst in te stellen dient zij deze vordering schriftelijk stellen.  Zij draagt dan de bewijslast dat de goederen een criminele oorsprong hebben. De vordering tot verbeurdverklaring dient door het parket ingesteld bij de vonnisrechter die uitspraak deed over de schuld van
de veroordeelde binnen de 2 jaar na de uitspraak.
 

Wanneer de vordering wordt ingewilligd, start een ONTNEMINGSONDERZOEK ondergezag en leiding van het parket

Deze vordering heeft steeds een facultatief karakter behoudens ten aanzien van het vermogen dat ter beschikking staat van een criminele organisatie. In dit geval is de verbeurdverklaring verplicht (art.43quater Sw.)

Het eigendomsrecht van de geconfisceerde vermogensvoordelen kan toegekend worden aan:
• de Staat
• de burgerlijke partij
• derden (art. 43bis Sw.) (KB 9 augustus 1991)

Artikel 43bis Strafwetboek, dat van toepassing is op het in het vermelde artikel 42, 3°, bedoelde vermogensvoordeel, bepaalt dat, in zoverre een vermogensvoordeel niet kan worden gevonden in het vermogen van de veroordeelde, de rechter de geldwaarde ervan raamt door begroting van een daarmee overeenstemmend bedrag.

3. De verruimde voordeelsontneming

Kaalplukwet 19 december 2002 art. 43quater Sw.

Deze verruimde verbeurdverklaring slaat niet alleen op de vermogensvoordelen in rechtstreeks verband met het misdrijf, maar ook op vermoedelijke vermogensvoordelen verworven uit andere misdrijven dan deze die bewezen verklaard werden
en waarvoor men werd veroordeeld. Deze verbeurdverklaring slaat dus op andere vermogensvoordelen waarbij aanwijzingen bestaan dat deze voortspruiten uit hetzelfde misdrijf, hetzij uit identieke feiten gepleegd in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de inverdenkingstelling tot aan de datum van de uitspraak.

Deze verruimde confiscatie van vermogensvoordelen kan enkel uitgesproken worden tav personen die schuldig bevonden werden aan:
•• publieke/private omkoping,
• drughandel, mensenhandel, toedienen van hormonen aan dieren (art. 43quater, § 1 (a) Sw.)
•• een aantal strafbare feiten gepleegd in het kader van een criminele organisatie (jeugdbederf, prostitutie, zware diefstal, roofmoord, wapenhandel…) (art. 43quater, § 1 (b) Sw.)
•• strafbare feiten gepleegd in het kader van ernstige en georganiseerde fiscale fraude (btw-carrousels,…) (art.43quater, § 1 (c) Sw.)

De bewijslast bij de verruimde verbeurdverklaring, zijnde de kaalplukwet is verdeeld tussen het parket en de veroordeelde.
Het parket moet enkel het bewijs leveren van concrete en ernstige aanwijzingen die aantonen dat de vermogensvoordelen een criminele oorsprong hebben.

Wil de veroordeelde na dit geleverde bewijs van aanwijzingen de dans ontsnappen dan moet hij geloofwaardig maken dat de aangroei van zijn vermogen niet afkomstig is van feiten waarvoor hij werd veroordeeld noch afkomstig van identieke feiten. De veroordeelde moet dus de legale oorsprong van zijn
goederen aan te tonen (het tegendeel te bewijzen)

4. Verbeurdverklaring als beveiligingsmaatregel

In bepaalde gevallen wordt de verbeurdverklaring toegepast als BEVEILIGINGSMAATREGEL, niet als straf.
Deze verbeurdverklaring is ook mogelijk wanneer de beklaagde wordt vrijgesproken of de strafvordering zou komen te vervallen vb. door dood of verjaring.

5. De verbeurdverklaringen de rechten van derden

Het gebeurt meer dan eens dat een misdrijf wordt gepleegd met een goed waarvan een derde beweert de eigenaar te zijn. Denk maar eens aan een misdrijf gepleegd met een motorfiets. aldus kunnen derden het slachtoffer worden van de verbeurdverklaring. Door deze verbeurdverklaring wordt de derde partij in de strafprocedure, zelfs wanneer hij in het strafproces zelf niet eens tussengekomen. Deze derde kan dus een rechtsmiddelen aanwenden tegen de strafrechtelijke uitspraak.

De eigendoms vereiste zal moeten worden beoordeeld op het ogenblik van de feiten. Ten aanzien van roerende goederen ligt deze bewijslast zwaar, waarbij deze kan vergeleken worden met de bewijslast bij een revindicatie voor de beslagrechter. voor een uitstekende bijdrage over dit onderwerp, zie noot, "eigendoms perikelen bij de verbeurdverklaring van de instrumenten van het misdrijf", Rozie, RABG 2007/12, 842, noot onder of van beroep Gent, 13 december 2006, RABG 2007/12,835

Rechtsleer en rechtspraak

over uitstel en de verbeurdverklaring zie de rechtsleer en de rechtspraak:

RABG 2006/12, 905. Behoudens de verbeurdverklaring uit veiligheidsoverwegingen staat de hoofdstraf los van de bijkomende straf, met dien verstande dat een effectieve gevangenisstraf, geldboete of werkstraf gepaard kan gaan met een verbeurdverklaring uitgesproken met uitstel en vice versa. Cass. 16 maart 1970, Pas. 1969-70,I,632, Luik 11 februari 1964, R.W. 1963-1964, 2077,; Luik 18 mei 1988, JLMB 1989, 520 met noot.

Uitstel kan ook verleend worden voor een bepaald deel van de bijzondere verbeurdverklaring. zie J. Rozie Voordeelontneming, De wisselwerking tussen de toepassingsvoorwaarden en het rechtskarakter van de verbeurdverklaring van illegale vermogensvoordelen, Antwerpen, Intersentia, 2005, 91 ev.

Verschillende verbeurdverklaringen uitgesproken als bijkomende straf bij een en dezelfde veroordeling kunnen verschillende regimes volgen, de ene met uitstel en de andere niet... zie Luik 18 mei 1988, JLMB 1989, 520-521.

•• Cass. 4 december 2007:

De verbeurdverklaring overeenkomstig artikel 505, derde lid, Strafwetboek van de zaken bedoeld in 1°, 2°, 3° en 4° van dit artikel, is een straf en ze mag daarom niet meer betreffen dan de door de wet bedoelde zaken.

Wanneer de strafrechter de verbeurdverklaring uitspreekt van een onroerend goed waarvan de aankoopprijs wordt betaald met geldsommen die zo witgewassen worden, moet hij derhalve die verbeurdverklaring beperken tot beloop van de overeenkomstige waarde van de witgewassen betalingen, zoniet verklaart hij meer verbeurd dan wat artikel 505, derde lid, Strafwetboek bepaalt.

De omstandigheid dat de zakelijke zekerheidsrechten ten gevolge van het volgrecht en de rechten van derden zijn gewaarborgd, doet daaraan niet af.

De appelrechters verklaren de onroerende goederen verbeurd zonder deze verbeurdverklaring te beperken tot het beloop van de witgewassen geldsommen die ervoor werden betaald. Aldus schenden zij artikel 505, derde lid, Strafwetboek.

•• Cass. 25 november 2008:

De bijzondere verbeurdverklaring die de rechter met toepassing van artikel 42, 1°, Strafwetboek moet uitspreken, vereist dat het te verbeurdverklaren goed de eigendom van de veroordeelde is; om te bepalen of aan die eigendomsvereiste is voldaan, moet de rechter zich plaatsen op het ogenblik van het plegen van het misdrijf (1). (1) Zie Cass., 29 jan. 1951, A.C., 1951, 298; 13 juni 1955, A.C., 1955, 839; TROUSSE, P.E., Novelles, Droit pénal, Deel I, nr 78; CONSTANT, J., Traité élém. droit pénal, deel II, nr 722, p. 775; DE NAUW, A., Inleiding tot het algemeen strafrecht, 2006, p. 149; STESSENS, G., De verbeurdverklaring, Strafrecht en Strafprocesrecht, XXXIIste postuniversitaire cyclus W. Delva, 2005- 2006, p. 338; DUPONT, L. en VERSTRAETEN, R., Handboek Belgisch Strafrecht, p. 378, nr 692; ROZIE, J., Voordeelsontneming. De wisselwerking tussen de toepassingsvoorwaarden en het rechtskarakter van de verbeurdverklaring van illegale vermogensvoordelen, Antwerpen, Intersentia 2005, p. 265; VAN MUYLEM, E., Commentaar Strafrecht en Strafvordering, (Bijzondere) Verbeurdverklaring, nr 41 p. 18.

•• Hof van Beroep te Antwerpen 12e Kamer – 15 juni 2005 RW 2007-2008, 1043.

"Dat het Hof te dezen de hogere beroepen van de beklaagde en van het openbaar ministerie, en behoudens dat beide ook de schuld en de strafmaat beogen, met betrekking tot de voordeelsontneming aldus begrijpt dat de beklaagde het door de eerste rechter bevolen bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen bestrijdt, terwijl het openbaar ministerie niet akkoord gaat in zoverre de schriftelijk gevorderde verbeurdverklaring werd afgewezen.

Dat er een onderscheid bestaat tussen de verschillende vorderingen van het openbaar ministerie met betrekking tot de voordeelsontneming en zoals ingeleid voor de eerste rechter en namelijk enerzijds de schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring op grond van de artikelen 42, 43, 43bis en 44 Sw., en anderzijds de mondelinge vordering tot een bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen op grond van art. 524bis Sv., waarvan akte op het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 december 2003;

Dat zowel de cumul van deze beide vorderingen voor de eerste rechter als het successievelijk karakter van het formuleren ervan (de laatste werd pas geformuleerd na de uitspraak over de eerste), de ontvankelijkheid van die vorderingen overeind laten, omdat de ene vordering beoogt een beslissing ten gronde over een voordeelsontneming te verkrijgen, terwijl de andere vordering enkel beoogt een beslissing alvorens recht te doen te verkrijgen;

Overwegende dat art. 40 van het decreet van de Vlaamse Raad betreffende de milieuvergunning te dezen niet van toepassing is en derhalve in de tenlastelegging sub A niet vermeld dient te worden;

Overwegende dat de schuld van de beklaagde aan de haar ten laste gelegde feiten bewezen is gebleven na hernieuwd onderzoek door het Hof ter terechtzitting en aan de hand van de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan en om de oordeelkundige overwegingen van de eerste rechter, door beklaagde niet weerlegd zijnde, die het Hof bijvalt en alhier overneemt en als volgt aanvult;

Dat beklaagde zelf de dansavonden in de tijd situeert vanaf 1998, terwijl reeds in 1979 de oppervlakte van de exploitatie aanzienlijk was vermeerderd; dat de periode van het uitbaten van een kampeerterrein niet noodzakelijk volledig voorafgaand was aan de periode van de exploitatie van (ook) een dansgelegenheid in de mate zoals in de tenlastelegging aangegeven en de daaraan gekoppelde milieu-overtredingen, en dat integendeel dient te worden aangenomen dat beide periodes elkaar deels overlapten; dat voorts alle overige feitelijke beweringen van de beklaagde in conclusies niet van aard zijn om anders te moeten oordelen;

Overwegende dat de eerste rechter terecht aannam dat de verschillende misdrijven zoals aangenomen en bewezen bevonden, de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, zodat met toepassing van art. 65, eerste lid, Sw. alleen de zwaarste straf dient te worden uitgesproken;

Overwegende dat, gelet op de aard, de omvang en de bijzondere ernst van de feiten en mede om reden dat niet wordt aangetoond dat haar reclassering zou worden bevorderd door het uitspreken van een straf, niet wordt ingegaan op het verzoek van de beklaagde om de opschorting van de uitspraak van de veroordeling te bevelen, temeer omdat zulks niet van aard zou zijn om haar het zwaarwegende karakter van de feiten duidelijk te maken;

...

Overwegende dat er thans geen aanleiding bestaat om aan de beklaagde nog verbod op te leggen de eenmanszaak (...) te exploiteren onder verbeurte van een dwangsom, omdat de beklaagde een milieuvergunning klasse 2 verkreeg onder welomschreven voorwaarden en verstrijkende op 24 maart 2009;

Overwegende dat de eerste rechter ten onrechte oordeelde niet te moeten ingaan op de schriftelijk geformuleerde vordering tot verbeurdverklaring van het openbaar ministerie, omdat de echtgenoot van beklaagde, de heer S., eventueel rechten kan doen gelden op de vermogensvoordelen en omdat hij niet van de rechtsdag was verwittigd overeenkomstig art. 5ter Voorafgaande Titel Sv.;

Dat, afgezien van de vraag of de heer S. als een belanghebbende derde dient beschouwd, de wet niet voorschrijft op welke wijze een belanghebbende derde in de zin van voormeld wetsartikel op de hoogte dient te worden gebracht van de rechtsdag voor het gerecht dat zal vonnissen over de grond van de zaak; dat de wet alleszins geen sanctie bepaalt ingeval een zodanige derde niet werd opgeroepen, terwijl zodanige belanghebbende derde alleszins geen onherstelbare schade kan oplopen ingeval hij niet werd opgeroepen, omdat hem wettelijke initiatieven ter beschikking blijven om te ageren ter bescherming van zijn rechten;

Dat het dan ook past deze schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring te beoordelen;

Overwegende dat blijkens de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie, de bijzondere verbeurdverklaring wordt gevorderd op grond van art. 42, 3o, Sw. waarbij wordt aangevoerd dat het bedrag van 117.706,36 euro een voorlopige raming is van het vermogensvoordeel, voortvloeiende uit de tenlastelegging sub A, namelijk de bruto-inkomsten uit de illegale exploitatie over het jaar 2002;

Dat evenwel niet is aangetoond dat voormeld bedrag de vermogensvoordelen vormt die rechtstreeks uit het misdrijf sub A zijn verkregen, goederen en waarden vormen die in de plaats ervan zijn gesteld of inkomsten uit belegde voordelen zijn, zodat de vordering tot verbeurdverklaring niet gegrond is;

Overwegende dat het openbaar ministerie ter terechtzitting van 18 mei 2005 verklaarde niet te insisteren met betrekking tot de (andere) vordering tot een bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen;

Dat volledigheidshalve wordt vastgesteld dat het openbaar ministerie niet door middel van ernstige en concrete aanwijzingen aantoont dat de beklaagde-veroordeelde uit het misdrijf of uit identieke feiten in de zin van art. 43quater Sw. vermogensvoordelen van enig belang heeft behaald; dat deze vordering dan ook en overeenkomstig art. 524bis Sv. niet gegrond is".

• Cass. 4 DECEMBER 2007

"1. Het middel voert schending aan van artikel 505, derde lid, Strafwetboek: de waarde van de verbeurdverklaarde onroerende goederen, gelegen aan het Falconplein 21 en 25 te Antwerpen, overtreft de geldsommen waarvoor de eisers werden vervolgd en die in de telastlegging uitdrukkelijk worden vermeld.

2. De verbeurdverklaring overeenkomstig artikel 505, derde lid, Strafwetboek van de zaken bedoeld in 1°, 2°, 3° en 4° van dit artikel, is een straf en ze mag daarom niet meer betreffen dan de door de wet bedoelde zaken.

Wanneer de strafrechter de verbeurdverklaring uitspreekt van een onroerend goed waarvan de aankoopprijs wordt betaald met geldsommen die zo witgewassen worden, moet hij derhalve die verbeurdverklaring beperken tot beloop van de overeenkomstige waarde van de witgewassen betalingen, zoniet verklaart hij meer verbeurd dan wat artikel 505, derde lid, Strafwetboek bepaalt.

De omstandigheid dat de zakelijke zekerheidsrechten ten gevolge van het volgrecht en de rechten van derden zijn gewaarborgd, doet daaraan niet af.

3. De appelrechters verklaren de onroerende goederen Falconplein 25 (zaak II) en Falconplein 21 (zaak IV), verbeurd zonder deze verbeurdverklaring te beperken tot het beloop van de witgewassen geldsommen die ervoor werden betaald. Aldus schenden zij artikel 505, derde lid, Strafwetboek.
Het middel is gegrond."

•• Cass. 11 december 2007

"...Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 42, 1° en 3°, 43, 43bis en 505 Strafwetboek: de appelrechters hebben onterecht 1.130.000 euro tweemaal verbeurdverklaard, namelijk als vermogensvoordeel voortkomend uit de bewezen verklaarde prostitutieactiviteiten (artikelen 42, 3° en 43 Strafwetboek) en een tweede maal als voorwerp van de bewezen verklaarde witwasmisdrijven (artikelen 42, 1° en 505 Strafwetboek).
13. De verbeurdverklaring van de illegale vermogensvoordelen en deze van de witgewassen zaken van artikel 505, derde lid, Strafwetboek, samen met artikel 42, 1°, Strafwetboek, zijn beide straffen met een zakelijk karakter.

Hieruit volgt dat zij worden uitgesproken tegen elke schuldige en enkel de door de wet bepaalde zaken kunnen betreffen.

14. Wanneer dezelfde dader schuldig is aan een misdrijf dat de illegale vermogensvoordelen heeft voortgebracht en aan latere feiten van witwassen ervan, kunnen zij tegen hem slechts eenmaal verbeurdverklaard worden.

15. Het arrest verklaart het bedrag van 1.130.000 euro tweemaal verbeurd, een eerste maal als vermogensvoordeel verkregen door de bewezen verklaarde telastleggingen A, B1, B2, C1, C2, D1, D2, F1 tot F7, F18, G1, H1, I1 tot I5, J, K, L1 en L2, een tweede maal als witgewassen vermogensvoordelen, voorwerp van de bewezen verklaarde telastleggingen P1 tot en met P33. Aldus is de beslissing niet naar recht verantwoord.
Het middel is gegrond...."

•• Hof van Cassatie 2e Kamer – 4 maart 2008, RW 2008-2009,  608, met noot S. Van Dromme, Strafrechtelijk beslag op een onroerend goed dat het voorwerp is van een witwasmisdrijf

Wanneer het voorwerp van het misdrijf witwassen een onroerend goed is, is het tevens een vermogensvoordeel dat voortkomt uit een misdrijf en kan het overeenkomstig art. 35bis Sv. in beslag worden genomen. De omstandigheid dat de eigenaar van dat goed geen dader of mededader van het basismisdrijf is waaruit het oorspronkelijk vermogensvoordeel voortkomt of dat de onderzoeksrechter die het beslag heeft bevolen, niet gelast is met het onderzoek naar het basismisdrijf, doet hieraan geen afbreuk.

L.M. t/ O.M.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 25 oktober 2007.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest doet uitspraak over het hoger beroep tegen de beschikking van de onderzoeksrechter waarbij het verzoek van de eiseres tot het opheffen van een onderzoekshandeling met betrekking tot haar goederen, ingesteld met toepassing van art. 61quater Sv., wordt afgewezen.

2. In zoverre het arrest uitspraak doet over de opportuniteit van de gewraakte onderzoekshandeling, bevat het geen eindbeslissing en doet het geen uitspraak in een der gevallen bedoeld in art. 416, tweede lid, Sv.

Het cassatieberoep is in zoverre niet ontvankelijk.

Eerste middel

3. Het middel voert schending aan van art. 35bis Sv.: het arrest oordeelt ten onrechte dat het onroerend goed van de eiseres als voorwerp van een witwasmisdrijf in beslag kan worden genomen; die wetsbepaling laat niet toe een vermogensvoordeel uit een basismisdrijf dat niet het voorwerp uitmaakt van het gerechtelijk onderzoek, in beslag te nemen.

4. Art. 35 Sv., zoals het van toepassing was op het ogenblik dat het beslag werd gelegd, bepaalt dat de procureur des Konings alles in beslag neemt wat een van de in art. 42 Sw. bedoelde zaken schijnt uit te maken en alles wat dienen kan om de waarheid aan de dag te leggen. Overeenkomstig art. 89, eerste lid, Sv., kan de onderzoeksrechter dit beslag bevelen.

5. Art. 35bis Sv. bepaalt dat indien de zaken die het uit het misdrijf verkregen vermogensvoordeel schijnen te vormen, onroerende goederen zijn, bewarend beslag op onroerend goed gedaan wordt.

6. Wanneer een vermogensvoordeel dat voortkomt uit een misdrijf als bedoeld in art. 42, 3o, Sw., wordt witgewassen, dan is dit overeenkomstig art. 505, derde lid, Sw., zoals van toepassing op het ogenblik dat het beslag werd gelegd, het voorwerp van het in het eerste lid, 2o, 3o en 4o, van dat artikel bepaalde misdrijf witwassen in de zin van art. 42, 1o, Sw. en wordt het verbeurdverklaard.

7. Uit deze bepalingen volgt dat een vermogensvoordeel uit een ander misdrijf, dat tevens het voorwerp van het misdrijf witwassen is, in beslag kan worden genomen.

8. Wanneer het voorwerp van het misdrijf witwassen een onroerend goed is, is het tevens een vermogensvoordeel dat voortkomt uit een misdrijf en kan het overeenkomstig art. 35bis Sv. in beslag worden genomen. De omstandigheid dat de eigenaar van dat goed geen dader of mededader van het basismisdrijf is waaruit het oorspronkelijk vermogensvoordeel voortkomt of dat de onderzoeksrechter die het beslag bevolen heeft, niet gelast is met het onderzoek naar het basismisdrijf, doet daaraan geen afbreuk.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

• Hof van Cassatie 1e Kamer – 21 december 2007, RW 2009-2010, 1689

De fout van de administratieve overheid die, op grond van art. 1382 en 1383 B.W. haar aansprakelijkheid in het gedrang kan brengen, bestaat in een gedraging die ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat beoordeeld moet worden volgens de maatstaf van een normaal zorgvuldige en voorzichtige overheid die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of een andere rechtvaardigingsgrond, een miskenning inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij die overheid verplicht is iets niet te doen of iets op een bepaalde manier wel te doen.

Het arrest stelt vast dat de verweerder, krachtens art. 222 van de algemene wet inzake douane en accijnzen, beslag heeft gelegd op een vrachtwagen die tot smokkel werd aangewend of in gebruik gesteld en toebehoorde aan de eiseressen die vreemd waren aan die ingebruikstelling.

Bij het arrest nr. 162/2001 van 9 maart 2002 heeft het Grondwettelijk Hof gezegd dat voornoemd artikel, dat bepaalt dat de vervoermiddelen die tot smokkel worden aangewend of in gebruik gesteld, verbeurd moeten worden verklaard, art. 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat het de eigenaar niet mogelijk maakt aan te tonen dat hij vreemd is aan het misdrijf en de teruggave van zijn goed te verkrijgen.

Het arrest beslist dat het de verweerder niet kan worden verweten dat hij voornoemd art. 222 heeft toegepast vóór de publicatie van voornoemd arrest in het Belgisch Staatsblad van 9 maart 2002 op grond dat de administratie van douane en accijnzen «uiteraard niet hoort de grondwettigheid van de wetten te toetsen».

Het arrest dat aldus oordeelt dat de schending van de Grondwet geen fout oplevert wanneer zij wordt verantwoord door de toepassing van een wet die door het Grondwettelijk Hof niet ongrondwettig noch nietig werd verklaard, verantwoordt zijn beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

• Medeigendom volstaat voor de verbeurdverklaring Hof van Beroep Antwerpen, AR AR 2013/PGA2954

Samenvatting

Om te bepalen of aan de eigendomsvereiste van artikel 42,1° van het Strafwetboek is voldaan, moet de rechter zich plaatsen op het ogenblik van de feiten. Het volstaat dat één van de daders mede-eigenaar is van het voorwerp dat gediend heeft om het misdrijf te plegen opdat dit lastens hem kan verbeurd verklaard worden. In geval van mede-eigendom zal de verbeurdverklaring een onverdeeldheid doen ontstaan tussen de Staat en de overige mede-eigenaars.

Tekst arrest

Het Hof van Beroep, zitting houdende op 6 februari 2014 te Antwerpen, 12e kamer, juridat

(...)

4. Beoordeling

4.1. Ontvankelijkheid van de hogere beroepen

Het hoger beroep van de belanghebbende K. L., regelmatig naar vorm en termijn, is ontvankelijk.

De belanghebbende derde kan hoger beroep aantekenen tegen een beslissing wanneer tegen hem een maatregel zoals een verbeurdverklaring is uitgesproken, ook al was hij geen partij in de zaak in eerste aanleg.

4.2. Motivering ten gronde

Mevrouw K. L. houdt voor dat zij eigenaar is van het voertuig Opel Astra dat bij vonnis d.d. 21 juni 2013 van de correctionele rechtbank te Antwerpen werd verbeurd verklaard, als zijnde eigendom van de beklaagde T. en dat gediend heeft om een misdrijf te plegen (verbeurd verklaard op grond van art. 42,1° Sw. en art. 43, 1ste lid Sw.).

Om te bepalen of aan de eigendomsvereiste is voldaan moet de rechter zich plaatsen op het ogenblik van de feiten. Het volstaat dat één van de daders mede-eigenaar is van het voorwerp dat gediend heeft om het misdrijf te plegen opdat dit lastens hem kan verbeurd verklaard worden. In geval van mede-eigendom zal de verbeurdverklaring een onverdeeldheid doen ontstaan tussen de Staat en de overige mede-eigenaars.

Mevrouw K. L. is gehuwd met de veroordeelde T. op 20 mei 2002 (stuk 1 bundel belanghebbende K. L.).

Het bijkomend onderzoek toont aan dat:
- het voertuig staat ingeschreven op naam van T. D. (bijlage 2 bijkomend onderzoek: "certificat d'immatriculation - T. D. est le propriétaire du véhicule")
- het verzekeringscontract MMA staat op naam van T. (naam van de veroordeelde) en L. (voornaam van K.). De verzekeringspolis registreert zowel veroordeelde T. als zijn echtgenote K. als bestuurders van het voertuig Opel Astra (zie bijlagen 2 en 3 van het bijkomend onderzoek)
- de autolening werd aangegaan bij de GMAC Banque door K. L. en als medeontlener T. (zie bijlage 4 p. 2)
- uit deze gegevens leidt het hof af dat de veroordeelde T. D. mede-eigenaar is van het voertuig Opel Astra dat op zijn naam werd ingeschreven en waarvoor hij als medeontlener een krediet aanging bij de bank. De eerste rechter heeft dan ook terecht de verbeurdverklaring van dit voertuig Opel Astra op grond van art. 42,1° Sw. en art. 43, 1ste lid Sw. uitgesproken. Noch het feit dat er een autoverzekering werd afgesloten op naam van K. L., waarbij haar echtgenoot ook als bestuurder is vermeld, noch het feit dat K. L. de lening alleen afbetaalt, doet afbreuk aan het gegeven dat haar echtgenoot T. mede-eigenaar is van dit voertuig Opel Astra en de eerste rechter terecht de verbeurdverklaring uitsprak van dit voertuig.(...)

Rechtsleer

over opschorting en de verbeurdverklaring zie de rechtsleer:

RABG 2006/12, 906: zie art 6 lid 2 van de probatiewet na aanpassing in gevolge de wet van 19 december 2002 en haar interpretatiemoeilijkheden.

De verdediging beschikt verder over een waaier van mogelijkheden ten aanzien van de facultatieve verbeurdverklaring, waarbij zij de opportuniteit van de bijkomende straf kan aanvechten. Ten aanzien van de verplichte verbeurdverklaringen zal de verdediging zich vooreerst toespitsen op de vrijspraak en ondergeschikt op het nazicht van de vervulling van de voorwaarden van verplichte confiscatie.

Nog dit: 

De verbeurdverklaring als straf heeft een individueel karakter. Een hoofdelijke veroordeling houdende verbeurdverklaring van het uit het misdrijf verkregen vermogensvoordeel schendt het beginsel van het persoonlijk karakter van de straf.

Zie Cass. 5 oktober 2010, 1095

E.B. en R.L. t/ IVEKA

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 18 maart 2010.

...

II. Beslissing van het Hof

...

Derde onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van art. 42, 3o, en art. 43bis Sw., evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijke karakter van de straf: het arrest spreekt tegen de eisers onterecht hoofdelijk de verbeurdverklaring uit van het geheel van de berekende opbrengst van de cannabisoogst.

3. Uit art. 42, 3o, en art. 43bis, eerste lid, Sw. volgt dat de rechter, voor zover dit door het openbaar ministerie schriftelijk is gevorderd, steeds de bijzondere verbeurdverklaring kan bevelen van de vermogensvoordelen die uit het misdrijf zijn verkregen, alsook van de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en van de inkomsten uit de belegde voordelen.

Ingevolge het facultatieve karakter van deze straf, belet niets de rechter de aldus verbeurdverklaarde bedragen te verdelen onder de wegens eenzelfde misdrijf veroordeelde mededaders, waarbij hij erop moet toezien dat het totale bedrag van de verbeurdverklaringen het bedrag van de rechtstreeks uit het misdrijf verkregen vermogensvoordelen niet overschrijdt.

Noch art. 50 Sw. noch enige andere wettelijke bepaling laat de rechter toe verschillende personen hoofdelijk tot eenzelfde straf te veroordelen, ook al betreft het een bijkomende straf.

4. Het arrest dat de beide eisers schuldig verklaart aan de feiten van de telastlegging A (cannabisteelt), zonder de verzwarende omstandigheid, spreekt ten laste van de beide eisers solidair de verbeurdverklaring uit van het uit dit misdrijf verkregen vermogensvoordeel geraamd op 12.632,50 euro. Die beslissing is niet naar recht verantwoord.

Het onderdeel is gegrond.

...

Zie ook:

Cass. 27 mei 2009, Pas. 2009, p. 1327, nr. 352, met conclusie van advocaat-generaal D. Vandermeersch, RW 2010-11, 570, noot T. Vandromme; J. Rozie, «Over de hoofdelijkheid bij de voordeelsontneming» (noot onder Cass. 27 mei 2009), NC 2010, 180-184.
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: ma, 07/07/2014 - 13:30

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.