-A +A

Verbeurdverklaring

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

confiscatie in strafzaken
Rechtsleer: Francis Desterbeck, De inbeslagname en verbeurdverklaring in strafzaken in België

J. Rozie voordeelsontneming, Intersentia

 

 

 

 

 

definitie: de verbeurdverklaring is de beslissing van de rechter als bijkomende straf, naast een hoofdstraf die het eigendomsrecht over bepaalde zaken die verband houden met een misdrijf aan de veroordeelde ontneemt.

wettelijke basis:  art. 42-43quater Sw.
art. 17 GW: de Grondwetgever verbiedt de algemene verbeurdverklaring. De rechter kan dus niet de algemeenheid van de goederen van een veroordeelde verbeurdverklaren. Elke verbeurdverklaring is derhalve een bijzondere verbeurdverklaring.

De verbeurdverklaring dient onderscheiden te worden van de inbeslagname in het kader van het vooronderzoek. Deze maatregel heeft namelijk geen eigendomsoverdracht tot gevolg.

uitwegen voor de verdediging: uitstel van de verbeurdverklaring

soorten:

1. gewone verbeurdverklaring
2. verbeurdverklaring confiscatie van vermogensvoordelen de zogeheten voordeelsontneming (Wet 17 juli 1990)
3. de verruimde verbeurdverklaring van vermogensvoordelen
(Kaalplukwet 19 december 2002)
4. de verbeurdverklaring als beveiligingsmaatregel
5. de verbeurdverklaring in het buitenland (Wet 20 mei 1997)

1. De gewone of klassieke verbeurdverklaring (art. 42, 1° en 2° Sw).

Deze verbeurdverklaring volgt steeds op een veroordeling wegens een wanbedrijf of een misdaad (art. 43 Sw), zelfs zo de wet de verbeurdverklaring bij dit misdrijf niet voorziet en niet bij een overtreding, tenzij de wet de verbeurdverklaring voor de overtreding voorziet. Om de gewone verbeurdverklaring te vermijden kunnen geen verzachtende omstandigheden worden ingeroepen. Over verbeurdverklaring onder voorwaarden en de probatiewet zie Arbitragehof 18 januari 2006 en Antwerpen 08/02/2006, met noot in RABG 2006/12.
 

Welke zaken zijn vatbaar voor verbeurdverklaring?

- de zaken die het voorwerp van het misdrijf uitmaken
- de zaken die gediend hebben of bestemd waren om het misdrijf te plegen
- de zaken die uit het misdrijf voortkomen

voorbeelden:


OBJECTUM SCELERIS: zaken die het voorwerp van het misdrijf uitmaken  (ART. 42, 1° SW.)
vervalste documenten, smeergeld, witgewassen geld. Noteer dus dat witgewassen geld aanleiding geeft tot verplichte verbeurdverklaring.
INSTRUMENTUM SCELERIS: zaken die gediend hebben of bestemd waren om een opzettelijk misdrijf te plegen (ART. 42, 1° SW.)voertuigen, inbrekersmateriaal, wapens, valse sleutels,…)
PRODUCTUM SCELERIS (ART. 42, 2° SW.) zaken die door het misdrijf werden voortgebracht (vb. vals geld, valse koopwaar

Behoudens de voortbrengsels van een misdrijf en de uitz. van art. 505 Sw, blijven de rechten van derden op deze goederen beschermd.

2. De verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen(lucra sceleris) of voordeelsontneming
(art. 42, 3° en 43bis Sw).

Signaal van de wetgever: een misdrijf loont niet

De voordeelsontneming is een facultatieve bijkomende sanctie die op vordering van het parket voor alle misdrijven kan gevorderd worden met inbegrip van de overtredingen.

Deze verbeurdverklaring slaat niet alleen op hetgeen rechtstreeks uit het misdrijf voortkomt maar ook op hetgeen werd aangekocht of verworven middels de opbrengsten van het misdrijf, evenals op de aanwassen van de opbrengsten van het misdrijf zoals interesten. Anders dan de gewone verbeurdverklaring die enkel kan slaan op roerende goederen, kan zij ook slaan op onroerende goederen.
zie art. 35bis Sv.art. 35ter Sv.

procedure

Indien het parket een vordering tot verbeurdverklaring van vermogensvoordelen wenst in te stellen dient zij deze vordering schriftelijk stellen.  Zij draagt dan de bewijslast dat de goederen een criminele oorsprong hebben. De vordering tot verbeurdverklaring dient door het parket ingesteld bij de vonnisrechter die uitspraak deed over de schuld van
de veroordeelde binnen de 2 jaar na de uitspraak.
 

Wanneer de vordering wordt ingewilligd, start een ONTNEMINGSONDERZOEK ondergezag en leiding van het parket

Deze vordering heeft steeds een facultatief karakter behoudens ten aanzien van het vermogen dat ter beschikking staat van een criminele organisatie. In dit geval is de verbeurdverklaring verplicht (art.43quater Sw.)

Het eigendomsrecht van de geconfisceerde vermogensvoordelen kan toegekend worden aan:
• de Staat
• de burgerlijke partij
• derden (art. 43bis Sw.) (KB 9 augustus 1991)

Artikel 43bis Strafwetboek, dat van toepassing is op het in het vermelde artikel 42, 3°, bedoelde vermogensvoordeel, bepaalt dat, in zoverre een vermogensvoordeel niet kan worden gevonden in het vermogen van de veroordeelde, de rechter de geldwaarde ervan raamt door begroting van een daarmee overeenstemmend bedrag.

3. De verruimde voordeelsontneming

Kaalplukwet 19 december 2002 art. 43quater Sw.

Deze verruimde verbeurdverklaring slaat niet alleen op de vermogensvoordelen in rechtstreeks verband met het misdrijf, maar ook op vermoedelijke vermogensvoordelen verworven uit andere misdrijven dan deze die bewezen verklaard werden
en waarvoor men werd veroordeeld. Deze verbeurdverklaring slaat dus op andere vermogensvoordelen waarbij aanwijzingen bestaan dat deze voortspruiten uit hetzelfde misdrijf, hetzij uit identieke feiten gepleegd in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de inverdenkingstelling tot aan de datum van de uitspraak.

Deze verruimde confiscatie van vermogensvoordelen kan enkel uitgesproken worden tav personen die schuldig bevonden werden aan:
•• publieke/private omkoping,
• drughandel, mensenhandel, toedienen van hormonen aan dieren (art. 43quater, § 1 (a) Sw.)
•• een aantal strafbare feiten gepleegd in het kader van een criminele organisatie (jeugdbederf, prostitutie, zware diefstal, roofmoord, wapenhandel…) (art. 43quater, § 1 (b) Sw.)
•• strafbare feiten gepleegd in het kader van ernstige en georganiseerde fiscale fraude (btw-carrousels,…) (art.43quater, § 1 (c) Sw.)

De bewijslast bij de verruimde verbeurdverklaring, zijnde de kaalplukwet is verdeeld tussen het parket en de veroordeelde.
Het parket moet enkel het bewijs leveren van concrete en ernstige aanwijzingen die aantonen dat de vermogensvoordelen een criminele oorsprong hebben.

Wil de veroordeelde na dit geleverde bewijs van aanwijzingen de dans ontsnappen dan moet hij geloofwaardig maken dat de aangroei van zijn vermogen niet afkomstig is van feiten waarvoor hij werd veroordeeld noch afkomstig van identieke feiten. De veroordeelde moet dus de legale oorsprong van zijn
goederen aan te tonen (het tegendeel te bewijzen)

4. Verbeurdverklaring als beveiligingsmaatregel

In bepaalde gevallen wordt de verbeurdverklaring toegepast als BEVEILIGINGSMAATREGEL, niet als straf.
Deze verbeurdverklaring is ook mogelijk wanneer de beklaagde wordt vrijgesproken of de strafvordering zou komen te vervallen vb. door dood of verjaring.

5. De verbeurdverklaringen de rechten van derden

Het gebeurt meer dan eens dat een misdrijf wordt gepleegd met een goed waarvan een derde beweert de eigenaar te zijn. Denk maar eens aan een misdrijf gepleegd met een motorfiets. aldus kunnen derden het slachtoffer worden van de verbeurdverklaring. Door deze verbeurdverklaring wordt de derde partij in de strafprocedure, zelfs wanneer hij in het strafproces zelf niet eens tussengekomen. Deze derde kan dus een rechtsmiddelen aanwenden tegen de strafrechtelijke uitspraak.

De eigendoms vereiste zal moeten worden beoordeeld op het ogenblik van de feiten. Ten aanzien van roerende goederen ligt deze bewijslast zwaar, waarbij deze kan vergeleken worden met de bewijslast bij een revindicatie voor de beslagrechter. voor een uitstekende bijdrage over dit onderwerp, zie noot, "eigendoms perikelen bij de verbeurdverklaring van de instrumenten van het misdrijf", Rozie, RABG 2007/12, 842, noot onder of van beroep Gent, 13 december 2006, RABG 2007/12,835

Rechtsleer en rechtspraak

over uitstel en de verbeurdverklaring zie de rechtsleer en de rechtspraak:

RABG 2006/12, 905. Behoudens de verbeurdverklaring uit veiligheidsoverwegingen staat de hoofdstraf los van de bijkomende straf, met dien verstande dat een effectieve gevangenisstraf, geldboete of werkstraf gepaard kan gaan met een verbeurdverklaring uitgesproken met uitstel en vice versa. Cass. 16 maart 1970, Pas. 1969-70,I,632, Luik 11 februari 1964, R.W. 1963-1964, 2077,; Luik 18 mei 1988, JLMB 1989, 520 met noot.

Uitstel kan ook verleend worden voor een bepaald deel van de bijzondere verbeurdverklaring. zie J. Rozie Voordeelontneming, De wisselwerking tussen de toepassingsvoorwaarden en het rechtskarakter van de verbeurdverklaring van illegale vermogensvoordelen, Antwerpen, Intersentia, 2005, 91 ev.

Verschillende verbeurdverklaringen uitgesproken als bijkomende straf bij een en dezelfde veroordeling kunnen verschillende regimes volgen, de ene met uitstel en de andere niet... zie Luik 18 mei 1988, JLMB 1989, 520-521.

•• Cass. 4 december 2007:

De verbeurdverklaring overeenkomstig artikel 505, derde lid, Strafwetboek van de zaken bedoeld in 1°, 2°, 3° en 4° van dit artikel, is een straf en ze mag daarom niet meer betreffen dan de door de wet bedoelde zaken.

Wanneer de strafrechter de verbeurdverklaring uitspreekt van een onroerend goed waarvan de aankoopprijs wordt betaald met geldsommen die zo witgewassen worden, moet hij derhalve die verbeurdverklaring beperken tot beloop van de overeenkomstige waarde van de witgewassen betalingen, zoniet verklaart hij meer verbeurd dan wat artikel 505, derde lid, Strafwetboek bepaalt.

De omstandigheid dat de zakelijke zekerheidsrechten ten gevolge van het volgrecht en de rechten van derden zijn gewaarborgd, doet daaraan niet af.

De appelrechters verklaren de onroerende goederen verbeurd zonder deze verbeurdverklaring te beperken tot het beloop van de witgewassen geldsommen die ervoor werden betaald. Aldus schenden zij artikel 505, derde lid, Strafwetboek.

•• Cass. 25 november 2008:

De bijzondere verbeurdverklaring die de rechter met toepassing van artikel 42, 1°, Strafwetboek moet uitspreken, vereist dat het te verbeurdverklaren goed de eigendom van de veroordeelde is; om te bepalen of aan die eigendomsvereiste is voldaan, moet de rechter zich plaatsen op het ogenblik van het plegen van het misdrijf (1). (1) Zie Cass., 29 jan. 1951, A.C., 1951, 298; 13 juni 1955, A.C., 1955, 839; TROUSSE, P.E., Novelles, Droit pénal, Deel I, nr 78; CONSTANT, J., Traité élém. droit pénal, deel II, nr 722, p. 775; DE NAUW, A., Inleiding tot het algemeen strafrecht, 2006, p. 149; STESSENS, G., De verbeurdverklaring, Strafrecht en Strafprocesrecht, XXXIIste postuniversitaire cyclus W. Delva, 2005- 2006, p. 338; DUPONT, L. en VERSTRAETEN, R., Handboek Belgisch Strafrecht, p. 378, nr 692; ROZIE, J., Voordeelsontneming. De wisselwerking tussen de toepassingsvoorwaarden en het rechtskarakter van de verbeurdverklaring van illegale vermogensvoordelen, Antwerpen, Intersentia 2005, p. 265; VAN MUYLEM, E., Commentaar Strafrecht en Strafvordering, (Bijzondere) Verbeurdverklaring, nr 41 p. 18.

•• Hof van Beroep te Antwerpen 12e Kamer – 15 juni 2005 RW 2007-2008, 1043.

"Dat het Hof te dezen de hogere beroepen van de beklaagde en van het openbaar ministerie, en behoudens dat beide ook de schuld en de strafmaat beogen, met betrekking tot de voordeelsontneming aldus begrijpt dat de beklaagde het door de eerste rechter bevolen bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen bestrijdt, terwijl het openbaar ministerie niet akkoord gaat in zoverre de schriftelijk gevorderde verbeurdverklaring werd afgewezen.

Dat er een onderscheid bestaat tussen de verschillende vorderingen van het openbaar ministerie met betrekking tot de voordeelsontneming en zoals ingeleid voor de eerste rechter en namelijk enerzijds de schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring op grond van de artikelen 42, 43, 43bis en 44 Sw., en anderzijds de mondelinge vordering tot een bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen op grond van art. 524bis Sv., waarvan akte op het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 december 2003;

Dat zowel de cumul van deze beide vorderingen voor de eerste rechter als het successievelijk karakter van het formuleren ervan (de laatste werd pas geformuleerd na de uitspraak over de eerste), de ontvankelijkheid van die vorderingen overeind laten, omdat de ene vordering beoogt een beslissing ten gronde over een voordeelsontneming te verkrijgen, terwijl de andere vordering enkel beoogt een beslissing alvorens recht te doen te verkrijgen;

Overwegende dat art. 40 van het decreet van de Vlaamse Raad betreffende de milieuvergunning te dezen niet van toepassing is en derhalve in de tenlastelegging sub A niet vermeld dient te worden;

Overwegende dat de schuld van de beklaagde aan de haar ten laste gelegde feiten bewezen is gebleven na hernieuwd onderzoek door het Hof ter terechtzitting en aan de hand van de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan en om de oordeelkundige overwegingen van de eerste rechter, door beklaagde niet weerlegd zijnde, die het Hof bijvalt en alhier overneemt en als volgt aanvult;

Dat beklaagde zelf de dansavonden in de tijd situeert vanaf 1998, terwijl reeds in 1979 de oppervlakte van de exploitatie aanzienlijk was vermeerderd; dat de periode van het uitbaten van een kampeerterrein niet noodzakelijk volledig voorafgaand was aan de periode van de exploitatie van (ook) een dansgelegenheid in de mate zoals in de tenlastelegging aangegeven en de daaraan gekoppelde milieu-overtredingen, en dat integendeel dient te worden aangenomen dat beide periodes elkaar deels overlapten; dat voorts alle overige feitelijke beweringen van de beklaagde in conclusies niet van aard zijn om anders te moeten oordelen;

Overwegende dat de eerste rechter terecht aannam dat de verschillende misdrijven zoals aangenomen en bewezen bevonden, de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, zodat met toepassing van art. 65, eerste lid, Sw. alleen de zwaarste straf dient te worden uitgesproken;

Overwegende dat, gelet op de aard, de omvang en de bijzondere ernst van de feiten en mede om reden dat niet wordt aangetoond dat haar reclassering zou worden bevorderd door het uitspreken van een straf, niet wordt ingegaan op het verzoek van de beklaagde om de opschorting van de uitspraak van de veroordeling te bevelen, temeer omdat zulks niet van aard zou zijn om haar het zwaarwegende karakter van de feiten duidelijk te maken;

...

Overwegende dat er thans geen aanleiding bestaat om aan de beklaagde nog verbod op te leggen de eenmanszaak (...) te exploiteren onder verbeurte van een dwangsom, omdat de beklaagde een milieuvergunning klasse 2 verkreeg onder welomschreven voorwaarden en verstrijkende op 24 maart 2009;

Overwegende dat de eerste rechter ten onrechte oordeelde niet te moeten ingaan op de schriftelijk geformuleerde vordering tot verbeurdverklaring van het openbaar ministerie, omdat de echtgenoot van beklaagde, de heer S., eventueel rechten kan doen gelden op de vermogensvoordelen en omdat hij niet van de rechtsdag was verwittigd overeenkomstig art. 5ter Voorafgaande Titel Sv.;

Dat, afgezien van de vraag of de heer S. als een belanghebbende derde dient beschouwd, de wet niet voorschrijft op welke wijze een belanghebbende derde in de zin van voormeld wetsartikel op de hoogte dient te worden gebracht van de rechtsdag voor het gerecht dat zal vonnissen over de grond van de zaak; dat de wet alleszins geen sanctie bepaalt ingeval een zodanige derde niet werd opgeroepen, terwijl zodanige belanghebbende derde alleszins geen onherstelbare schade kan oplopen ingeval hij niet werd opgeroepen, omdat hem wettelijke initiatieven ter beschikking blijven om te ageren ter bescherming van zijn rechten;

Dat het dan ook past deze schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring te beoordelen;

Overwegende dat blijkens de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie, de bijzondere verbeurdverklaring wordt gevorderd op grond van art. 42, 3o, Sw. waarbij wordt aangevoerd dat het bedrag van 117.706,36 euro een voorlopige raming is van het vermogensvoordeel, voortvloeiende uit de tenlastelegging sub A, namelijk de bruto-inkomsten uit de illegale exploitatie over het jaar 2002;

Dat evenwel niet is aangetoond dat voormeld bedrag de vermogensvoordelen vormt die rechtstreeks uit het misdrijf sub A zijn verkregen, goederen en waarden vormen die in de plaats ervan zijn gesteld of inkomsten uit belegde voordelen zijn, zodat de vordering tot verbeurdverklaring niet gegrond is;

Overwegende dat het openbaar ministerie ter terechtzitting van 18 mei 2005 verklaarde niet te insisteren met betrekking tot de (andere) vordering tot een bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen;

Dat volledigheidshalve wordt vastgesteld dat het openbaar ministerie niet door middel van ernstige en concrete aanwijzingen aantoont dat de beklaagde-veroordeelde uit het misdrijf of uit identieke feiten in de zin van art. 43quater Sw. vermogensvoordelen van enig belang heeft behaald; dat deze vordering dan ook en overeenkomstig art. 524bis Sv. niet gegrond is".

• Cass. 4 DECEMBER 2007

"1. Het middel voert schending aan van artikel 505, derde lid, Strafwetboek: de waarde van de verbeurdverklaarde onroerende goederen, gelegen aan het Falconplein 21 en 25 te Antwerpen, overtreft de geldsommen waarvoor de eisers werden vervolgd en die in de telastlegging uitdrukkelijk worden vermeld.

2. De verbeurdverklaring overeenkomstig artikel 505, derde lid, Strafwetboek van de zaken bedoeld in 1°, 2°, 3° en 4° van dit artikel, is een straf en ze mag daarom niet meer betreffen dan de door de wet bedoelde zaken.

Wanneer de strafrechter de verbeurdverklaring uitspreekt van een onroerend goed waarvan de aankoopprijs wordt betaald met geldsommen die zo witgewassen worden, moet hij derhalve die verbeurdverklaring beperken tot beloop van de overeenkomstige waarde van de witgewassen betalingen, zoniet verklaart hij meer verbeurd dan wat artikel 505, derde lid, Strafwetboek bepaalt.

De omstandigheid dat de zakelijke zekerheidsrechten ten gevolge van het volgrecht en de rechten van derden zijn gewaarborgd, doet daaraan niet af.

3. De appelrechters verklaren de onroerende goederen Falconplein 25 (zaak II) en Falconplein 21 (zaak IV), verbeurd zonder deze verbeurdverklaring te beperken tot het beloop van de witgewassen geldsommen die ervoor werden betaald. Aldus schenden zij artikel 505, derde lid, Strafwetboek.
Het middel is gegrond."

•• Cass. 11 december 2007

"...Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 42, 1° en 3°, 43, 43bis en 505 Strafwetboek: de appelrechters hebben onterecht 1.130.000 euro tweemaal verbeurdverklaard, namelijk als vermogensvoordeel voortkomend uit de bewezen verklaarde prostitutieactiviteiten (artikelen 42, 3° en 43 Strafwetboek) en een tweede maal als voorwerp van de bewezen verklaarde witwasmisdrijven (artikelen 42, 1° en 505 Strafwetboek).
13. De verbeurdverklaring van de illegale vermogensvoordelen en deze van de witgewassen zaken van artikel 505, derde lid, Strafwetboek, samen met artikel 42, 1°, Strafwetboek, zijn beide straffen met een zakelijk karakter.

Hieruit volgt dat zij worden uitgesproken tegen elke schuldige en enkel de door de wet bepaalde zaken kunnen betreffen.

14. Wanneer dezelfde dader schuldig is aan een misdrijf dat de illegale vermogensvoordelen heeft voortgebracht en aan latere feiten van witwassen ervan, kunnen zij tegen hem slechts eenmaal verbeurdverklaard worden.

15. Het arrest verklaart het bedrag van 1.130.000 euro tweemaal verbeurd, een eerste maal als vermogensvoordeel verkregen door de bewezen verklaarde telastleggingen A, B1, B2, C1, C2, D1, D2, F1 tot F7, F18, G1, H1, I1 tot I5, J, K, L1 en L2, een tweede maal als witgewassen vermogensvoordelen, voorwerp van de bewezen verklaarde telastleggingen P1 tot en met P33. Aldus is de beslissing niet naar recht verantwoord.
Het middel is gegrond...."

•• Hof van Cassatie 2e Kamer – 4 maart 2008, RW 2008-2009,  608, met noot S. Van Dromme, Strafrechtelijk beslag op een onroerend goed dat het voorwerp is van een witwasmisdrijf

Wanneer het voorwerp van het misdrijf witwassen een onroerend goed is, is het tevens een vermogensvoordeel dat voortkomt uit een misdrijf en kan het overeenkomstig art. 35bis Sv. in beslag worden genomen. De omstandigheid dat de eigenaar van dat goed geen dader of mededader van het basismisdrijf is waaruit het oorspronkelijk vermogensvoordeel voortkomt of dat de onderzoeksrechter die het beslag heeft bevolen, niet gelast is met het onderzoek naar het basismisdrijf, doet hieraan geen afbreuk.

L.M. t/ O.M.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 25 oktober 2007.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest doet uitspraak over het hoger beroep tegen de beschikking van de onderzoeksrechter waarbij het verzoek van de eiseres tot het opheffen van een onderzoekshandeling met betrekking tot haar goederen, ingesteld met toepassing van art. 61quater Sv., wordt afgewezen.

2. In zoverre het arrest uitspraak doet over de opportuniteit van de gewraakte onderzoekshandeling, bevat het geen eindbeslissing en doet het geen uitspraak in een der gevallen bedoeld in art. 416, tweede lid, Sv.

Het cassatieberoep is in zoverre niet ontvankelijk.

Eerste middel

3. Het middel voert schending aan van art. 35bis Sv.: het arrest oordeelt ten onrechte dat het onroerend goed van de eiseres als voorwerp van een witwasmisdrijf in beslag kan worden genomen; die wetsbepaling laat niet toe een vermogensvoordeel uit een basismisdrijf dat niet het voorwerp uitmaakt van het gerechtelijk onderzoek, in beslag te nemen.

4. Art. 35 Sv., zoals het van toepassing was op het ogenblik dat het beslag werd gelegd, bepaalt dat de procureur des Konings alles in beslag neemt wat een van de in art. 42 Sw. bedoelde zaken schijnt uit te maken en alles wat dienen kan om de waarheid aan de dag te leggen. Overeenkomstig art. 89, eerste lid, Sv., kan de onderzoeksrechter dit beslag bevelen.

5. Art. 35bis Sv. bepaalt dat indien de zaken die het uit het misdrijf verkregen vermogensvoordeel schijnen te vormen, onroerende goederen zijn, bewarend beslag op onroerend goed gedaan wordt.

6. Wanneer een vermogensvoordeel dat voortkomt uit een misdrijf als bedoeld in art. 42, 3o, Sw., wordt witgewassen, dan is dit overeenkomstig art. 505, derde lid, Sw., zoals van toepassing op het ogenblik dat het beslag werd gelegd, het voorwerp van het in het eerste lid, 2o, 3o en 4o, van dat artikel bepaalde misdrijf witwassen in de zin van art. 42, 1o, Sw. en wordt het verbeurdverklaard.

7. Uit deze bepalingen volgt dat een vermogensvoordeel uit een ander misdrijf, dat tevens het voorwerp van het misdrijf witwassen is, in beslag kan worden genomen.

8. Wanneer het voorwerp van het misdrijf witwassen een onroerend goed is, is het tevens een vermogensvoordeel dat voortkomt uit een misdrijf en kan het overeenkomstig art. 35bis Sv. in beslag worden genomen. De omstandigheid dat de eigenaar van dat goed geen dader of mededader van het basismisdrijf is waaruit het oorspronkelijk vermogensvoordeel voortkomt of dat de onderzoeksrechter die het beslag bevolen heeft, niet gelast is met het onderzoek naar het basismisdrijf, doet daaraan geen afbreuk.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

• Hof van Cassatie 1e Kamer – 21 december 2007, RW 2009-2010, 1689

De fout van de administratieve overheid die, op grond van art. 1382 en 1383 B.W. haar aansprakelijkheid in het gedrang kan brengen, bestaat in een gedraging die ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat beoordeeld moet worden volgens de maatstaf van een normaal zorgvuldige en voorzichtige overheid die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of een andere rechtvaardigingsgrond, een miskenning inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij die overheid verplicht is iets niet te doen of iets op een bepaalde manier wel te doen.

Het arrest stelt vast dat de verweerder, krachtens art. 222 van de algemene wet inzake douane en accijnzen, beslag heeft gelegd op een vrachtwagen die tot smokkel werd aangewend of in gebruik gesteld en toebehoorde aan de eiseressen die vreemd waren aan die ingebruikstelling.

Bij het arrest nr. 162/2001 van 9 maart 2002 heeft het Grondwettelijk Hof gezegd dat voornoemd artikel, dat bepaalt dat de vervoermiddelen die tot smokkel worden aangewend of in gebruik gesteld, verbeurd moeten worden verklaard, art. 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat het de eigenaar niet mogelijk maakt aan te tonen dat hij vreemd is aan het misdrijf en de teruggave van zijn goed te verkrijgen.

Het arrest beslist dat het de verweerder niet kan worden verweten dat hij voornoemd art. 222 heeft toegepast vóór de publicatie van voornoemd arrest in het Belgisch Staatsblad van 9 maart 2002 op grond dat de administratie van douane en accijnzen «uiteraard niet hoort de grondwettigheid van de wetten te toetsen».

Het arrest dat aldus oordeelt dat de schending van de Grondwet geen fout oplevert wanneer zij wordt verantwoord door de toepassing van een wet die door het Grondwettelijk Hof niet ongrondwettig noch nietig werd verklaard, verantwoordt zijn beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

• Medeigendom volstaat voor de verbeurdverklaring Hof van Beroep Antwerpen, AR AR 2013/PGA2954

Samenvatting

Om te bepalen of aan de eigendomsvereiste van artikel 42,1° van het Strafwetboek is voldaan, moet de rechter zich plaatsen op het ogenblik van de feiten. Het volstaat dat één van de daders mede-eigenaar is van het voorwerp dat gediend heeft om het misdrijf te plegen opdat dit lastens hem kan verbeurd verklaard worden. In geval van mede-eigendom zal de verbeurdverklaring een onverdeeldheid doen ontstaan tussen de Staat en de overige mede-eigenaars.

Tekst arrest

Het Hof van Beroep, zitting houdende op 6 februari 2014 te Antwerpen, 12e kamer, juridat

(...)

4. Beoordeling

4.1. Ontvankelijkheid van de hogere beroepen

Het hoger beroep van de belanghebbende K. L., regelmatig naar vorm en termijn, is ontvankelijk.

De belanghebbende derde kan hoger beroep aantekenen tegen een beslissing wanneer tegen hem een maatregel zoals een verbeurdverklaring is uitgesproken, ook al was hij geen partij in de zaak in eerste aanleg.

4.2. Motivering ten gronde

Mevrouw K. L. houdt voor dat zij eigenaar is van het voertuig Opel Astra dat bij vonnis d.d. 21 juni 2013 van de correctionele rechtbank te Antwerpen werd verbeurd verklaard, als zijnde eigendom van de beklaagde T. en dat gediend heeft om een misdrijf te plegen (verbeurd verklaard op grond van art. 42,1° Sw. en art. 43, 1ste lid Sw.).

Om te bepalen of aan de eigendomsvereiste is voldaan moet de rechter zich plaatsen op het ogenblik van de feiten. Het volstaat dat één van de daders mede-eigenaar is van het voorwerp dat gediend heeft om het misdrijf te plegen opdat dit lastens hem kan verbeurd verklaard worden. In geval van mede-eigendom zal de verbeurdverklaring een onverdeeldheid doen ontstaan tussen de Staat en de overige mede-eigenaars.

Mevrouw K. L. is gehuwd met de veroordeelde T. op 20 mei 2002 (stuk 1 bundel belanghebbende K. L.).

Het bijkomend onderzoek toont aan dat:
- het voertuig staat ingeschreven op naam van T. D. (bijlage 2 bijkomend onderzoek: "certificat d'immatriculation - T. D. est le propriétaire du véhicule")
- het verzekeringscontract MMA staat op naam van T. (naam van de veroordeelde) en L. (voornaam van K.). De verzekeringspolis registreert zowel veroordeelde T. als zijn echtgenote K. als bestuurders van het voertuig Opel Astra (zie bijlagen 2 en 3 van het bijkomend onderzoek)
- de autolening werd aangegaan bij de GMAC Banque door K. L. en als medeontlener T. (zie bijlage 4 p. 2)
- uit deze gegevens leidt het hof af dat de veroordeelde T. D. mede-eigenaar is van het voertuig Opel Astra dat op zijn naam werd ingeschreven en waarvoor hij als medeontlener een krediet aanging bij de bank. De eerste rechter heeft dan ook terecht de verbeurdverklaring van dit voertuig Opel Astra op grond van art. 42,1° Sw. en art. 43, 1ste lid Sw. uitgesproken. Noch het feit dat er een autoverzekering werd afgesloten op naam van K. L., waarbij haar echtgenoot ook als bestuurder is vermeld, noch het feit dat K. L. de lening alleen afbetaalt, doet afbreuk aan het gegeven dat haar echtgenoot T. mede-eigenaar is van dit voertuig Opel Astra en de eerste rechter terecht de verbeurdverklaring uitsprak van dit voertuig.(...)

Rechtsleer

over opschorting en de verbeurdverklaring zie de rechtsleer:

RABG 2006/12, 906: zie art 6 lid 2 van de probatiewet na aanpassing in gevolge de wet van 19 december 2002 en haar interpretatiemoeilijkheden.

De verdediging beschikt verder over een waaier van mogelijkheden ten aanzien van de facultatieve verbeurdverklaring, waarbij zij de opportuniteit van de bijkomende straf kan aanvechten. Ten aanzien van de verplichte verbeurdverklaringen zal de verdediging zich vooreerst toespitsen op de vrijspraak en ondergeschikt op het nazicht van de vervulling van de voorwaarden van verplichte confiscatie.

Verbeurdverklaring ten aanzien van alle daders:

De verbeurd verklaring geschiedt ten aanzien van alle daders, mededaders of medeplichtigen van die misdrijven, ook al heeft de veroordeelde die zaken niet in eigendom. Die straf mag evenwel geen schade berokkenen aan de rechten die derden op de voor verbeurdverklaring vatbare goederen kunnen doen gelden. Zo die zaken niet in het vermogen van de veroordeelde kunnen worden aangetroffen, gaat de rechter over tot een raming van de geldwaarde ervan en heeft de verbeurdverklaring betrekking op een daarmee overeenstemmend geldbedrag. In dat geval kan de rechter dat bedrag evenwel verminderen teneinde de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen.

Zie cass. 16/12/2014, AR P.14.1149.N:

I
M G M K,
beklaagde, aangehouden,
eiser,
II
E G E L D,
beklaagde,
eiseres,
III RENOVAMA nv, met zetel te 3980 Tessenderlo, Baalbergstraat 31, vertegenwoordigd door de lasthebber ad hoc Stijn GEUVENS, met kantoor te 3001 Heverlee, Ambachtenlaan 6,
beklaagde,
eiseres.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 21 januari 2014.

De eiser I voert in een verzoekschrift en in een memorie die aan dit arrest zijn ge-hecht, telkens twee gelijkluidende middelen aan.

De eiseres II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

De eiseres III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest spreekt de eiser I vrij voor de telastleggingen E1, E2, E3 en E4, de eiseres II voor de telastleggingen B2, B3, C2, E1, E2, E3 en E4 en de eiseres III voor de telastlegging E.5, in zoverre feiten bedoeld worden vóór 2 juli 1999.
In zoverre ook tegen deze beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen van de ei-sers, voor elk wat hen betreft, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Middelen van de eiser I
Eerste middel
Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: het arrest neemt bij de beoordeling van de redelijke termijn-vereiste ten onrechte de datum van het hoger beroep van de eiser I in aanmerking en niet het tijdstip waarop hij werd in-gelicht over het feit dat hij het voorwerp van een vervolging uitmaakte; dit heeft zijn impact op de ernst en de gevolgen van de overschrijding van de redelijke ter-mijn; het gegeven dat de thans beoordeelde feiten samen met andere feiten waar-voor reeds definitieve beslissingen zijn gewezen, een voortgezet misdrijf vormen laat niet toe het aanvangstijdstip te verplaatsen naar het tijdstip van het laatst gepleegde feit.

3. De appelrechters oordelen niet dat ingeval van een voortgezet misdrijf de redelijke termijn niet kan aanvangen vóór het tijdstip van het laatst gepleegde feit.

In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

4. De eiser I heeft voor het appelgerecht miskenning aangevoerd van zijn recht op een behandeling binnen een redelijke termijn van de tegen hem ingestelde strafvervolging met als enkele verantwoording dat de feiten dateren van 1993 en volgende en dat de overheden in deze zaak niet diligent hebben gehandeld.

De appelrechters konden zich dan ook beperken tot de vaststelling dat de redelijke termijnvereiste was miskend door de ongerechtvaardigde vertraging in de behandeling van de zaak sinds het hoger beroep van de eiser I, waarmee zij te kennen geven dat er tot op dat tijdstip van enige ongeoorloofde vertraging geen sprake is.

Aldus is die beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest motiveert foutief waarom de schade door de overschrijding van de redelijke termijn is beperkt gebleven; het arrest kon niet zonder meer oor-delen dat het nadeel voor de eiser I ingevolge de miskenning van de redelijke ter-mijn-vereiste beperkt bleef tot het te lang in onzekerheid blijven over het lot van de hangende strafvervolging; het arrest onderzoekt niet, hoewel verplicht, waarom de door de eiser I ingeroepen gronden niet van aard zijn om te besluiten dat de bewijsvoering en het recht van verdediging ernstig en onherstelbaar zijn aangetast, zodat geen eerlijk proces meer mogelijk is; het verstrijken van de redelijke termijn heeft tot gevolg gehad dat het voor de eiser I onmogelijk was om de waar-achtigheid of de valsheid van de in dit dossier afgelegde verklaringen na te gaan of te weerleggen; nergens wordt aangegeven dat de eiser I deze mogelijkheid wel had.

6. De gevolgen van een overschrijding van de door artikel 6.1 EVRM gewaar-borgde behandeling van een strafvervolging binnen een redelijke termijn moeten worden beoordeeld, eensdeels, in het licht van het teloorgaan van bewijsmateriaal en de normale uitoefening van het recht van verdediging, en, anderdeels, met het aan die feiten te verbinden strafgevolg.

7. De rechter oordeelt onaantastbaar of de miskenning van de redelijke termijn-vereiste heeft geleid tot het teloorgaan van bewijs of een impact heeft gehad op de normale uitoefening van het recht van verdediging.

8. Het arrest oordeelt dat spijts de termijnoverschrijding er geen bewijsmidde-len zijn teloor gegaan en de eiser I niet in zijn verdediging werd beperkt of be-moeilijkt, zodat het mogelijk bleef hem een eerlijk proces te garanderen.

Aldus onderzoekt het arrest de impact van de aangevoerde miskenning van de re-delijke termijn-vereiste op zijn recht op een eerlijk proces, beantwoordt en ver-werpt het eisers verweer dat het hem onmogelijk werd gemaakt om de waarach-tigheid van de afgelegde verklaringen na te gaan en verantwoordt het naar recht de beslissing dat zijn schade beperkt bleef tot het te lang in onzekerheid blijven over het lot van de tegen hem ingestelde strafvervolging.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

9. Het middel voert schending aan van artikel 39 Strafwetboek, alsmede mis-kenning van het persoonlijk en individueel karakter van de straf: door ten laste van de eisers I, II en III de som van 228.062,24 euro verbeurd te verklaren, in hoofde van de eiseres III beperkt tot het bedrag van 171.046,80 euro, maar zonder de sommen te bepalen die lastens elk van deze eisers worden verbeurd verklaard, spreekt het arrest lastens de eiser I een solidaire bijzondere verbeurdverklaring uit.

10. Artikel 505, derde lid, Strafwetboek, in versie zoals van toepassing vanaf 25 mei 1995 tot 1 september 2007, bepaalt: De zaken bedoeld in 1°, 2°, 3° en 4° van dit artikel maken het voorwerp uit van de misdrijven die gedekt worden door deze bepalingen, in de zin van artikel 42, 1°, en zij worden verbeurdverklaard, ook in-dien zij geen eigendom zijn van de veroordeelde, zonder dat deze verbeurdverkla-ring nochtans de rechten van derden op de goederen die het voorwerp kunnen uitmaken van de verbeurdverklaring, schaadt."

Artikel 505, vijfde lid, eerste zin, Strafwetboek, zoals van toepassing vanaf 1 sep-tember 2007, bepaalt: "De in het eerste lid, 3° en 4°, bedoelde zaken zijn het voorwerp van de door deze bepalingen bedoelde misdrijven in de zin van artikel 42, 1°, en worden verbeurd verklaard ten aanzien van alle daders, mededaders of medeplichtigen van die misdrijven, ook al heeft de veroordeelde die zaken niet in eigendom."

11. Uit de tekst van deze wetsbepalingen, de doelstelling ervan en de wetsge-schiedenis volgt dat ongeacht de tekst van artikel 39 Strafwetboek en het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straf, de rechter het voorwerp van het witwasmisdrijf dient verbeurd te verklaren tegen alle daders, mededaders of medeplichtigen.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

12. Het arrest verklaart de eisers I, II en III schuldig aan de telastlegging E.5 en aldus aan het door artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek bedoelde witwasmis-drijf, voor de periode vanaf 1996 tot minstens 23 april 2008 wat betreft de eisers I en II en voor de periode vanaf 2 juli 1999 tot minstens 23 april 2008 wat betreft de eiseres III, concreet bestaande in het investeren van diverse geldsommen af-komstig uit allerlei misdrijven waaronder minstens btw-fraude en frauduleus fail-lissement, in de aankoop, afbetaling en verfraaiing van een onroerend goed.

Op grond van die bewezen verklaarde telastlegging verklaart het arrest ten laste van de eisers I, II en III de som van 228.062,24 euro verbeurd, evenwel in hoofde van de eiseres III beperkt tot een bedrag van 171.046,80 euro.

Aldus is de bijzondere verbeurdverklaring van het voorwerp van de door artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek bedoelde witwasmisdrijf lastens de eiser I naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Middelen van de eiseres II

Eerste middel

13. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 14.2 IVBPR en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat de vervolgende of de burgerlijke partij het bewijs moet leveren van het misdrijf: het arrest legt de bewijslast voor de rechtmatige oorsprong van de witgewassen gelden bij de eiseres II; het niet ongeloofwaardige verweer van de eiseres II dat zij en de eiser I over aanzienlijke rechtmatige inkomsten beschikten die mogelijk konden zijn aangewend voor de investeringen in de onroerende goederen vermeld onder de telastleggingen E.5 en E.6, wordt immers tot driemaal beantwoord met de motivering dat de legale oorsprong van de gelden niet is aangetoond, zonder evenwel vast te stellen dat elke mogelijke legale oorsprong van de gelden is uitge-sloten.

14. Het arrest oordeelt met betrekking tot de telastleggingen E.5 en E.6 door overname van de redenen van het beroepen vonnis en met eigen redenen dat:

- opdat de witwasmisdrijven zouden bewezen zijn, het noodzakelijk is, maar voldoende dat een legale herkomst voor de geldsommen bedoeld in de telast-leggingen E.5 en E.6 is uitgesloten;

- wat betreft de firma Arnotex uit het verhoor van Arnaud Hensen blijkt dat hij alle bestaande aandelen had overgedragen aan de eiser I, welke Arnotex ge-bruikte om het onroerend goed te Zutendaal weder aan te kopen naar aanlei-ding van de openbare verkoop ingevolge het faillissement van een firma van de eiser I aan wie het gebouw toebehoorde;

- in deze vennootschap 149 aandelen toebehoorden aan Arnaud Hensen en 151 aan Voac Orientspecialist; deze laatste financierde de kapitaalverhoging in Ar-notex; die gelden waren evenwel afkomstig van de Globetrotter van A B; er werden ook nog andere bedragen overgeschreven op dezelfde rekening met de vermelding "huur" terwijl Voac Orientspecialist geen enkele huur had gesloten met Arnotex;

- Arnaud Hensen bevestigde dat de kapitaalsverhoging werd gefinancierd door de eiser I en dat bij gebrek aan gelden in Arnotex hij de eiseres II diende te bel-len;

- alhoewel Arnaud Hensen afgevaardigde bestuurder was van Arnotex, hij niets diende te doen;

- voor de aankoop van de goederen te Zutendaal een 100 procent-krediet werd aangegaan bij KBC voor 285.077, 25 euro, waarvan jaarlijks 19.005,20 euro werd terugbetaald;

- de inkomsten van Arnotex afkomstig waren van de verhuur aan de eiseres II, haar ouders, Hoboke bvba die betrokken was bij een btw-carrousel waarvoor de eiser I werd veroordeeld, Voac Orientspecialist die een fictieve huur uitbe-taalde, Euromax betrokken in een btw-carrousel, ECL ook betrokken in een btw-carrousel en een huurcontract met Frankfurt Investments geregeld door de eiseres II;

- de eiseres II hiervoor cashgelden ontving via enveloppes afkomstig van V uit de btw-carrousels en zij zelfs teveel huurgelden betaalde;

- dit ook nog wordt bevestigd door D die stelde dat Arnotex in 2002 op de proppen kwam met Frankfurt Investmens en dat aangezien Arnotex geen huurinkomsten meer had die nodig waren om de bankleningen af te betalen, hij in opdracht van de eiser I een huurcontract diende op te stellen tussen Frankfurt Investments en Arnotex waardoor er opnieuw geld kon binnenkomen via Arnotex;

- uit de briefwisseling tussen de eisers I en II vanuit de gevangenis blijkt dat er allerlei maatregelen werden genomen om de huurgelden te beschouwen als een investering van "hun bouw", juridisch van de eiseres III, die op termijn zou renderen;

- er bij de eiseres III talrijke documenten werden gevonden betreffende Arnotex en dat zij onder meer de onroerende voorheffing voor die vennootschap betaal-de;

- uit de bovenstaande elementen kan worden afgeleid dat de afbetaling van de kredieten van de woning met winkelruimten en loodsen geschiedde via een schermvennootschap, zijnde de eiseres III, die werd gebruikt door de eiser I met de noodzakelijke hulp van de eiseres II en die alleszins werd gefinancierd met fictieve huurgelden of huurgelden afkomstig van vennootschappen betrok-ken bij fraudecircuits;

- er voor de villa te Genk een huurkoop werd aangegaan waarvoor vanaf 2007 twee Nederlanders cash huurgelden betaalden;

- het huis werd gehuurd door P en ook K K er zijn intrek in nam en er huurgeld voor werd betaald, doch dat dit huurgeld kaderde in de samenwerking tussen de eiser I, P en K en afkomstig was van door P en K gepleegde btw-misdrijven;

- er verschillende vennootschappen werden gedomicilieerd, waarbij er een voor een louter postbusadres 22.500 euro huur betaalde;

- D verklaarde dat hij in opdracht van de eiser I diverse huurcontracten diende op te stellen met vennootschappen die er geen activiteiten hadden en dat het de bedoeling was om via de kostenrekening "huur" een gedeelte van de omzet van deze firma's naar hem te laten toevloeien;

- uit bovenvermeld feitenrelaas blijkt dat de eisers I en II gelden inden onder de vorm van huurgelden en die afkomstig waren van een aantal firma's waaronder die van P die btw-fraude pleegde;

- uit het geheel van de voorliggende onderzoeksgegevens blijkt dat geen legale herkomst van de gelden die dienstig zijn geweest tot de terugbetaling van het door de eiseres III (voorheen Arnotex genoemd) aangegane krediet voor de verwerving van de onroerende goederen in de telastlegging E.5, meer bepaald voor de daarin geïnvesteerde gelden voor de aankoop, afbetaling en verfraaiing, aangetoond is;

- uit het geheel van gegevens blijkt dat de eiseres III, gezien haar contractspartij-en, kennis moet hebben gehad van het gegeven dat de bedoelde geldsommen van de eiser I afkomstig waren, die op zijn beurt niet op aangetoonde legale wijze de geldsommen verwierf, nu geen beroepsactiviteit is aangetoond voor de eiser I die leidt tot de verwerving van een inkomen of een vermogen voor een zo groot bedrag als uitgewezen door de in de telastlegging E.5 bedoelde geldsommen;

- uit het geheel der voorliggende onderzoeksgegevens blijkt dat geen legale her-komst van de gelden dienstig voor aankoop, afbetaling en verfraaiing bedoeld in de telastlegging E.6, is aangetoond en dat zulks evenmin het geval is voor de geïnde huuropbrengsten bedoeld in deze telastlegging;

- op grond van het onderzoek van het geheel der voorliggende gegevens en het onderzoek ter terechtzitting een legale herkomst voor de geldsommen niet is aangetoond noch aannemelijk geworden.

Met het geheel van die redenen verwerpt het arrest het verweer van de eiseres II dat de met de telastleggingen E.5 en E.6 bedoelde geldsommen een legale oor-sprong hadden en geeft het zonder aan de eiseres II enige bewijslast op te leggen, te kennen dat elke legale herkomst voor die geldsommen is uitgesloten.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

15. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 65, tweede lid, Strafwetboek: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het stelt ener-zijds bij toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek vast dat de bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 7 april 2004 opgelegde straffen volstaan ter bestraffing van de feiten die het voorwerp vormen van de telastlegging E.5, maar het houdt bij de bepaling van de lastens de eiseres II uit te spreken vermo-gensvoordelen ook rekening met de periode daterend van vóór 7 april 2004.

16. Het arrest (p. 32, eerste tot en met derde alinea, p. 36) verwijst wat betreft de eiseres II bij toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek voor de be-straffing van de feiten D en E5, die laatste in zoverre gepleegd vóór 7 april 2004, naar de met het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 7 april 2004 opge-legde straffen.

Voor de feiten E5 en E.6, telkens in zoverre gepleegd tussen 7 april 2004 en 23 april 2008, legt het arrest (p. 32, vierde en vijfde alinea; p. 36), rekening houdend met de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, aan de eiseres II de met het beroepen vonnis van 29 april 2010 opgelegde hoofdgevangenisstraf, geld-boete, vervangende gevangenisstraf en beroepsverbod op, alsook de in het bestre-den arrest bepaalde bijzondere verbeurdverklaringen.

17. Het bestreden arrest spreekt lastens de eiseres II op grond van de telastleg-ging E.5 de bijzondere verbeurdverklaring uit van een bedrag van 228.062,24 eu-ro.

18. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt evenwel dat het bedrag van 228.062,24 euro niet uitsluitend betrekking heeft op de telastlegging E.5, in zoverre gepleegd tussen 7 april 2004 en 23 april 2008, maar wel op de gehele in-criminatieperiode, namelijk vanaf 1996 tot 23 april 2008. De beslissing om lastens de eiseres II voor wat betreft de telastlegging E.5 in zoverre gepleegd tussen 7 april 2004 en 23 april 2008, een bedrag van 228.062,24 euro verbeurd te verklaren, is dan ook niet naar recht verantwoord.

Het middel is in zoverre gegrond.

Derde middel

19. Het middel voert schending aan van de artikelen 42, 3°, 43bis en 505, vijfde lid, Strafwetboek: door lastens de eisers de som van 228.062,24 euro verbeurd te verklaren, zij het beperkt wat de eiseres III betreft tot een bedrag van 171.046,80 euro, spreekt het arrest lastens deze beklaagde één gezamenlijke verbeurdverkla-ring uit, niettegenstaande geen enkele bepaling toelaat de beklaagde hoofdelijk tot eenzelfde straf te veroordelen, ook niet als het een bijzondere verbeurdverklaring betreft.

20. Gelet op de vernietiging ingevolge het tweede middel van de lastens de eiseres II op grond van de telastlegging E.5 uitgesproken bijzondere verbeurdverklaring van het bedrag van 228.062,24 euro, behoeft het derde middel geen antwoord.

Middelen van de eiseres III

Eerste middel

21. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 182 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de omschrijving van de telastlegging E.5 voldoende duidelijk is; de vonnisrechter moet zeker we-ten welke feiten bij hem aanhangig zijn;

zonder nadere motivering oordelen de appelrechters dat deze telastlegging verwijst naar een aantal stukken uit het strafdossier zodat de eiseres III duidelijk weet dat zij zich moet verdedigen tegen de omzetting van geldsommen en dat het meer bepaald alle uit het strafdossier blij-kende geldsommen betreft die in de eiseres III werden ingebracht of aan haar werden overgemaakt in de periode van de telastlegging; aldus is eiseres' veroordeling niet naar recht verantwoord; aangezien het niet duidelijk is op welke feiten deze telastlegging precies slaat, kan het Hof zijn wettigheidstoezicht niet uitoefe-nen.

22. De akte van aanhangigmaking en de daaropvolgende als dagvaarding geldende dagstelling moeten de feiten zodanig precies omschrijven dat de rechter weet voor welke feiten hij is gevat en de beklaagde weet voor welke feiten hij zich moet verdedigen.

23. De rechter oordeelt onaantastbaar of de feiten die met een bepaalde telast-legging worden beoogd, voldoende duidelijk zijn omschreven zodat de rechter kan uitmaken voor welke feiten hij is gevat en de beklaagde weet waarover hij zich moet verdedigen.

24. De eiseres III wordt met de telastlegging E.5 vervolgd omdat zij strijdig met artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek zaken bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwet-boek zou hebben omgezet of overgedragen met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen of een persoon die betrokken is bij een mis-drijf waaruit deze zaken voortkomen, te helpen ontsnappen aan de rechtsgevolgen van zijn daden, namelijk door in de periode van 1996 tot 23 april 2008 diverse geldsommen eigendom van de eiser I, afkomstig uit allerlei misdrijven waaronder minstens btw-fraude, te hebben geïnvesteerd door de aankoop, afbetaling en verfraaiing van een woning met appartement, manege, stallen, dubbele garage, loods, winkelruimte en parking, gelegen te 3690 Zutendaal, Langendijkstraat 10 en ei-gendom van de eiseres III.

25. Het arrest oordeelt dat:
- de telastlegging E.5 het aan de eiseres III verweten misdrijf op voldoende dui-delijke wijze omschrijft;
- uit die omschrijving blijkt dat het gaat om alle in de telastlegging aangegeven periode uit het strafdossier blijkende geldsommen die in de eiseres III werden ingebracht of aan haar werden overgemaakt, zijnde de beoogde investering en dit door aankoop, afbetaling en verfraaiing van de vermelde gebouwen en ter-reinen.

26. Met die redenen oordelen de appelrechters, zonder het Hof te beletten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, dat de omschrijving van de telastlegging E.5 voor de eiseres III voldoende duidelijk is en verantwoorden zij die beslissing naar recht.
Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

27. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en artikel 505, eerste en tweede lid, Strafwetboek, alsmede miskenning van de al-gemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging, het vermoeden van on-schuld en het recht op een eerlijk proces: met het oordeel dat het noodzakelijk maar voldoende is dat een legale herkomst van de in de telastlegging E.5 bedoelde geldsommen is uitgesloten en de eiseres III vervolgens voor deze telastlegging te veroordelen, verschuift het arrest de bewijslast naar de eiseres III, terwijl een wit-wasmisdrijf van een beklaagde geen enkel bewijs vergt; de eiseres III had aange-voerd dat zij volledig los stond van de btw-carrousels en het frauduleus faillisse-ment waarnaar het openbaar ministerie verwees en dat het niet bewezen was dat de gelden van de eiser I werden aangewend voor de afbetaling van het onroerend goed te Zutendaal, maar dat die gelden afkomstig waren van de verhuur van haar onroerend goed; het openbaar ministerie moet aantonen dat op grond van feitelijke gegevens met zekerheid elke legale herkomst van de kwestieuze zaken bepaald naar aard en omvang kan worden uitgesloten en dat de eiseres III daar kennis van had, wat het niet heeft gedaan; bovendien kon de eiseres III zich op deze niet-voorzienbare vaststelling niet voorbereiden en verdedigen;

28. Een beklaagde wordt geacht zich te verdedigen over alle constitutieve be-standdelen van het hem ten laste gelegde feit of de hem verweten deelneming. De vaststelling door de rechter dat een constitutief bestanddeel van een aan een be-klaagde verweten misdrijf of de deelneming aan dit misdrijf is aangetoond, is niet onvoorzienbaar.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

29. Uit de enkele omstandigheid dat de rechter het verweer van een beklaagde verwerpt, volgt niet dat hij hem enige bewijslast oplegt.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

30. In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

31. Met het geheel van redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel van de eiseres II, verwerpt het arrest het verweer van de eiseres III dat de met de telastlegging E.5 bedoelde geldsommen, voor wat betreft de periode vanaf 2 juli 1999, een legale oorsprong hadden en geeft het zonder aan de eiseres III enige bewijslast op te leggen, te kennen dat elke legale herkomst voor die geldsommen is uitgesloten.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Derde middel

Eerste onderdeel

32. Het onderdeel voert schending aan artikel 5 Strafwetboek: het arrest heeft artikel 5 Strafwetboek onjuist toegepast; een cumulatieve veroordeling van de rechtspersoon en een natuurlijk persoon is maar mogelijk indien de verantwoorde-lijkheid van de rechtspersoon in het gedrang werd gebracht uitsluitend door de tussenkomst van een geïdentificeerde natuurlijke persoon en de natuurlijke per-soon de inbreuk wetens en willens heeft begaan; het arrest dat oordeelt dat de ei-seres III niet uitsluitend wegens het optreden van een geïdentificeerde natuurlijke persoon verantwoordelijk is, maar integendeel ingevolge het optreden van haar orgaan wetens en willens mededader is, is daarmee niet in overeenstemming.

33. De toepassing van de strafuitsluitingsgrond van artikel 5, tweede lid, Straf-wetboek is slechts mogelijk indien de natuurlijke personen die samen met de rechtspersonen worden vervolgd en schuldig bevonden, de feiten niet wetens en willens hebben gepleegd. Indien de rechter vaststelt dat de natuurlijk personen de feiten wetens en willens hebben gepleegd, kan deze strafuitsluitingsgrond niet worden toegepast.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

34. Met de redenen die het arrest (p. 25-27) bevat, stellen de appelrechters on-aantastbaar vast dat de eiser I en de eiseres II, die samen met de eiseres III werden vervolgd en schuldig bevonden aan de telastlegging E.5, welke een bijzonder opzet vereist, deze feiten wetens en willens hebben gepleegd.

In zoverre het onderdeel opkomt tegen die vaststelling, is het niet ontvankelijk.

35. Voor het overige komt het onderdeel op tegen overtollige redenen en is het niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

36. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 43 en 505, zesde lid, Strafwetboek: het arrest beantwoordt niet het in onderge-schikte orde geformuleerde verweer dat aangezien de telastlegging E.5 in vage termen is opgesteld en betrekking heeft op diverse geldsommen, er geen bijzonde-re verbeurdverklaring kan worden uitgesproken; bovendien had het arrest de bij-zondere verbeurdverklaring in elk geval moeten beperken tot het bedrag van de overeenkomstige waarde van de betalingen die met zekerheid werden witgewas-sen; de eiseres III heeft aangevoerd dat geenszins bewezen was dat voor 171.046,80 euro was witgewassen, zoals was vastgesteld door de eerste rechter op basis van de hypothecaire aflossingen; de beslissing tot bijzondere verbeurdver-klaring is dan ook onwettig.

37. Het arrest verwerpt het verweer met betrekking tot de voorgehouden vaag-heid van de omschrijving van de telastlegging E.5
Het hoefde dan ook niet meer te antwoorden op het doelloos verweer dat gelet op die vaagheid op grond van de telastlegging E.5 geen bijzondere verbeurdverklaring kon worden uitgesproken.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

38. Met de redenen die het arrest (p. 28 en p. 33, derde alinea) bevat, beant-woordt het het verweer van de eiseres III betreffende de omvang van de bijzondere verbeurdverklaring op grond van de telastlegging E.5 en verantwoordt het die beslissing wat betreft de eiseres III naar recht.

In zoverre kan het onderdeel evenmin worden aangenomen.

Ambtshalve middel
Geschonden wettelijke bepaling
- artikel 149 Grondwet

39. Opdat een bijzondere verbeurdverklaring wettig zou zijn gemotiveerd, moet het voorwerp ervan duidelijk zijn bepaald.

40. Het arrest verklaart lastens de eisers I en II op grond van de telastleggingen D en E.6 tweemaal een onbepaald bedrag verbeurd.

Die beslissing waarvan het Hof de wettigheid niet kan nagaan, schendt de vermel-de grondwettelijke bepaling.
Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering voor het overige

41. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Onmiddellijke aanhouding

42. Ingevolge de hierna uit te spreken gedeeltelijke verwerping van het cassa-tieberoep van de eiser I, gaat het arrest onder meer in zoverre hij tot hoofdgevan-genisstraf werd veroordeeld, in kracht van gewijsde.
In zoverre het cassatieberoep I betrekking heeft op de beslissing tot onmiddellijke aanhouding, heeft het geen voorwerp meer.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het
- lastens de eiseres II op grond van de telastlegging E5 de bijzondere verbeurd-verklaring uitspreekt van de som van 228.062,24 euro;
- lastens de eisers I en II op grond van de telastleggingen D en E.6 de bijzondere verbeurdverklaring uitspreekt van tweemaal een onbepaald bedrag.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.
Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.
Veroordeelt de eiser I tot negen tienden van de kosten van het cassatieberoep I.
Veroordeelt de eiseres II tot acht tienden van de kosten van het cassatieberoep II.
Veroordeelt de eiseres III tot de kosten van haar cassatieberoep.
Laat de overige kosten ten laste van de Staat.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
Bepaalt de kosten in het geheel op 592,69 euro, waarvan de eiser I 251,32 euro verschuldigd is, de eiseres II 254,63 euro en de eiseres III 86,74 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Bart Wylleman, en op de openbare rechtszitting van 16 december 2014 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van afgevaar-digd griffier Véronique Kosynsky.
V. Kosynsky

B. Wylleman A. Lievens
A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei


 

Nog dit: 

De verbeurdverklaring als straf heeft een individueel karakter. Een hoofdelijke veroordeling houdende verbeurdverklaring van het uit het misdrijf verkregen vermogensvoordeel schendt het beginsel van het persoonlijk karakter van de straf.

Zie Cass. 5 oktober 2010, 1095

E.B. en R.L. t/ IVEKA

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 18 maart 2010.

...

II. Beslissing van het Hof

...

Derde onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van art. 42, 3o, en art. 43bis Sw., evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijke karakter van de straf: het arrest spreekt tegen de eisers onterecht hoofdelijk de verbeurdverklaring uit van het geheel van de berekende opbrengst van de cannabisoogst.

3. Uit art. 42, 3o, en art. 43bis, eerste lid, Sw. volgt dat de rechter, voor zover dit door het openbaar ministerie schriftelijk is gevorderd, steeds de bijzondere verbeurdverklaring kan bevelen van de vermogensvoordelen die uit het misdrijf zijn verkregen, alsook van de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en van de inkomsten uit de belegde voordelen.

Ingevolge het facultatieve karakter van deze straf, belet niets de rechter de aldus verbeurdverklaarde bedragen te verdelen onder de wegens eenzelfde misdrijf veroordeelde mededaders, waarbij hij erop moet toezien dat het totale bedrag van de verbeurdverklaringen het bedrag van de rechtstreeks uit het misdrijf verkregen vermogensvoordelen niet overschrijdt.

Noch art. 50 Sw. noch enige andere wettelijke bepaling laat de rechter toe verschillende personen hoofdelijk tot eenzelfde straf te veroordelen, ook al betreft het een bijkomende straf.

4. Het arrest dat de beide eisers schuldig verklaart aan de feiten van de telastlegging A (cannabisteelt), zonder de verzwarende omstandigheid, spreekt ten laste van de beide eisers solidair de verbeurdverklaring uit van het uit dit misdrijf verkregen vermogensvoordeel geraamd op 12.632,50 euro. Die beslissing is niet naar recht verantwoord.

Het onderdeel is gegrond.

...

Zie ook:

Cass. 27 mei 2009, Pas. 2009, p. 1327, nr. 352, met conclusie van advocaat-generaal D. Vandermeersch, RW 2010-11, 570, noot T. Vandromme; J. Rozie, «Over de hoofdelijkheid bij de voordeelsontneming» (noot onder Cass. 27 mei 2009), NC 2010, 180-184.
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:15
Laatst aangepast op: zo, 20/03/2016 - 19:37

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.