Verbintenissen
|
|
TITEL III. - CONTRACTEN OF
VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST IN HET ALGEMEEN.
HOOFDSTUK I. - VOORAFGAANDE BEPALINGEN.
Artikel 1101. Een contract is een overeenkomst waarbij een of meer
personen zich jegens een of meer andere verbinden iets te geven, te
doen, of niet te doen.
Art. 1102. Een contract is wederkerig of tweezijdig, wanneer de
contractanten zich over en weder jegens elkaar verbinden.
Art. 1103. Het is eenzijdig, wanneer een of meer personen verbonden
zijn jegens een of meer andere, zonder enige verbintenis voor
laatstgenoemden.
Art. 1104. Het is vergeldend, wanneer elke partij zich verbindt iets
te geven of te doen, dat beschouwd wordt als gelijkwaardig met wat
men haar geeft of voor haar doet.
Wanneer het gelijkwaardige gelegen is in de kans van winst of
verlies, die voor elke partij afhankelijk is van een onzekere
gebeurtenis, is het contract een kanscontract.
Art. 1105. Het contract uit vrijgevigheid is dat waarbij een partij
aan de andere geheel om niet een voordeel verschaft.
Art. 1106. Het contract onder bezwarende titel is dat waarbij aan
elke partij de verplichting wordt opgelegd om iets te geven of te
doen.
Art. 1107. De contracten, onverschillig of zij al dan niet een eigen
benaming hebben, zijn onderworpen aan algemene regels, die het
onderwerp van deze titel uitmaken.
De regels die alleen voor bepaalde contracten gelden, worden
vastgesteld in de titels die elk van die contracten betreffen; en de
regels die alleen voor handelsovereenkomsten gelden, worden bepaald
door de wetten op de koophandel.
HOOFDSTUK II. - VOORWAARDEN DIE TOT DE GELDIGHEID VAN DE
OVEREENKOMSTEN VEREIST ZIJN.
Art. 1108. Tot de geldigheid van een overeenkomst zijn vier
voorwaarden vereist :
De toestemming van de partij die zich verbindt;
Haar bekwaamheid om contracten aan te gaan;
Een bepaald voorwerp als inhoud van de verbintenis;
Een geoorloofde oorzaak van verbintenis.
AFDELING I. - TOESTEMMING.
Art. 1109. Geen toestemming is geldig, indien zij alleen door
dwaling is gegeven, door geweld afgeperst of door bedrog verkregen.
Art. 1110. Dwaling is alleen dan een oorzaak van nietigheid van de
overeenkomst, wanneer zij de zelfstandigheid betreft van de zaak die
het voorwerp van de overeenkomst uitmaakt.
Zij is geen oorzaak van nietigheid, wanneer zij alleen de persoon
betreft met wie men bedoelde te handelen, tenzij de overeenkomst
hoofdzakelijk uit aanmerking van deze persoon is aangegaan.
Art. 1111. Geweld, gepleegd tegen hem die de verbintenis heeft
aangegaan, is een oorzaak van nietigheid, zelfs al is het gepleegd
door een derde, onderscheiden van degene ten voordele van wie de
overeenkomst is aangegaan.
Art. 1112. Het geweld moet van dien aard zijn dat het op een
redelijk mens moet indruk maken en hem kan doen vrezen dat hij zelf
of zijn vermogen aan een aanzienlijk en dadelijk kwaad is
blootgesteld.
Hierbij wordt gelet op de leeftijd, het geslacht en de stand van de
personen.
Art. 1113. Geweld is een oorzaak van nietigheid van het contract,
niet alleen wanneer het gepleegd wordt tegen de persoon die het
contract aangaat, doch ook wanneer het gepleegd wordt tegen zijn
echtgenoot of tegen zijn echtgenote, of tegen zijn bloedverwanten in
de nederdalende of in de opgaande lijn.
Art. 1114. De vrees uit eerbied voor vader of moeder of een ander
bloedverwant in de opgaande lijn, zonder dat enig geweld is
gepleegd, is op zichzelf niet voldoende om het contract te
vernietigen.
Art. 1115. Men kan niet meer tegen een contract uit hoofde van
geweld opkomen, indien dat contract sinds het ophouden van het
geweld is goedgekeurd, hetzij uitdrukkelijk, hetzij stilzwijgend,
hetzij doordat men de tijd, bij de wet voor het herstel bepaald,
heeft laten voorbijgaan.
Art. 1116. Bedrog is een oorzaak van nietigheid van de overeenkomst,
wanneer de kunstgrepen, door een van de partijen gebezigd, van dien
aard zijn dat de andere partij zonder die kunstgrepen
klaarblijkelijk het contract niet zou hebben aangegaan.
Bedrog wordt niet vermoed, het moet worden bewezen.
Art. 1117. Een overeenkomst die door dwaling, geweld of bedrog is
aangegaan, is niet van rechtswege nietig; zij levert slechts grond
op voor een vordering tot nietigverklaring of tot vernietiging, in
de gevallen en op de wijze, bepaald in afdeling VII van hoofdstuk V
van deze titel.
Art. 1118. Benadeling maakt overeenkomsten slechts nietig wat
betreft bepaalde contracten of bepaalde personen, zoals in dezelfde
afdeling zal worden vastgesteld.
Art. 1119. In het algemeen kan niemand zich verbinden of iets
bedingen in zijn eigen naam, dan voor zichzelf.
Art. 1120. Niettemin kan men zich sterk maken voor een derde, door
te beloven dat deze iets doen zal; behoudens schadevergoeding ten
laste van hem die zich heeft sterk gemaakt of die beloofd heeft de
verbintenis te zullen doen bekrachtigen, indien de derde weigert ze
na te komen.
Art. 1121. Evenzo kan men bedingen ten behoeve van een derde,
wanneer zulks de voorwaarde is van een beding dat men voor zichzelf
maakt of van een schenking die men aan een ander doet. Hij die
zodanig beding gemaakt heeft, kan het niet meer herroepen, indien de
derde verklaard heeft daarvan te willen gebruik maken.
Art. 1122. Men wordt geacht te hebben bedongen voor zichzelf en voor
zijn erfgenamen en rechtverkrijgenden, tenzij het tegendeel
uitdrukkelijk bepaald is of uit de aard van de overeenkomst
voortvloeit.
AFDELING II. - BEKWAAMHEID VAN DE CONTRACTERENDE PARTIJEN.
Art. 1123. Een ieder kan contacten aangaan, indien hij daartoe door
de wet niet onbekwaam is verklaard.
Art. 1124. <W 30-04-1958, art. 7> Onbekwaam om contracten aan te
gaan zijn : minderjarigen, onbekwaamverklaarden en, in het algemeen,
al degenen aan wie de wet het aangaan van bepaalde contracten
verbiedt.
Art. 1125. <W 30-04-1958, art. 7> Minderjarigen en
onbekwaamverklaarden kunnen slechts in de bij de wet bepaalde
gevallen tegen hun verbintenissen opkomen op grond van
onbekwaamheid.
Personen die bekwaam zijn om verbintenissen aan te gaan, kunnen zich
niet beroepen op de onbekwaamheid van de minderjarige of de
onbekwaamverklaarde, met wie zij een contract hebben aangegaan.
AFDELING III. - VOORWERP EN INHOUD VAN DE CONTRACTEN.
Art. 1126. Ieder contract heeft tot voorwerp iets dat een partij
zich verbindt te geven, of dat een partij zich verbindt te doen of
niet te doen.
Art. 1127. Het enkel gebruik of het enkel bezit van een zaak kan,
evenals de zaak zelf, het voorwerp van een contract uitmaken.
Art. 1128. Alleen zaken die in de handel zijn, kunnen het voorwerp
van overeenkomsten uitmaken.
Art. 1129. De verbintenis moet tot voorwerp hebben een zaak die ten
minste ten aanzien van haar soort bepaald is.
De hoeveelheid van de zaak mag onzeker zijn, mits deze hoeveelheid
nader bepaald kan worden.
Art. 1130. Toekomstige zaken kunnen het voorwerp van een verbintenis
uitmaken.
Men kan echter een nalatenschap die nog niet is opengevallen, niet
verwerpen en evenmin omtrent zodanige nalatenschap enig beding
maken, zelfs niet met toestemming van hem wiens nalatenschap het
betreft (, tenzij in de gevallen bij de wet bepaald). <W
2003-04-22/46, art. 4, 013 ; Inwerkingtreding : 01-06-2003>
AFDELING IV. - OORZAAK.
Art. 1131. Een verbintenis, aangegaan zonder oorzaak of uit een
valse oorzaak of uit een ongeoorloofde oorzaak, kan geen gevolg
hebben.
Art. 1132. De overeenkomst is niettemin geldig, hoewel de oorzaak
ervan niet is uitgedrukt.
Art. 1133. De oorzaak is ongeoorloofd, wanneer zij door de wet
verboden is, of wanneer zij strijdig is met de goede zeden of met de
openbare orde.
HOOFDSTUK III. - GEVOLGEN VAN DE VERBINTENISSEN.
AFDELING I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 1134. Alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, strekken
degenen die deze hebben aangegaan, tot wet.
Zij kunnen niet herroepen worden dan met hun wederzijdse toestemming
of op de gronden door de wet erkend.
Zij moeten te goeder trouw worden ten uitvoer gebracht.
Art. 1135. Overeenkomsten verbinden niet alleen tot hetgeen daarin
uitdrukkelijk bepaald is, maar ook tot alle gevolgen die door de
billijkheid, het gebruik of de wet aan de verbintenis, volgens de
aard ervan, worden toegekend.
AFDELING II. - VERBINTENIS OM IETS TE GEVEN.
Art. 1136. In de verbintenis om iets te geven is begrepen de
verbintenis om de zaak te leveren en, tot aan de levering, voor haar
behoud te zorgen, op straffe van schadevergoeding jegens de
schuldeiser.
Art. 1137. De verbintenis om voor het behoud van de zaak te zorgen
verplicht hem die ermee belast is, daaraan alle zorgen van een goed
huisvader te besteden, onverschillig of de overeenkomst een van de
partijen of beide partijen gemeenschappelijk tot nut strekt.
Deze verplichting is meer of minder uitgestrekt wat betreft bepaalde
contracten, waarvan de gevolgen te dien opzichte worden vastgesteld
in de titels die daarop betrekking hebben.
Art. 1138. De verbintenis om een zaak te leveren is voltrokken door
de enkele toestemming van de contracterende partijen.
Zij maakt de schuldeiser tot eigenaar en heeft ten gevolge dat het
risico van de zaak voor hem is, van het ogenblik dat deze moest
geleverd worden, ook al heeft de overgave ervan niet plaatsgehad,
tenzij de schuldenaar in gebreke is ze te leveren; in dit geval
blijft het risico van de zaak voor de laatstgenoemde.
Art. 1139. De schuldenaar wordt in gebreke gesteld, hetzij door een
aanmaning of door een andere daarmee gelijkstaande akte, hetzij door
de overeenkomst zelf, wanneer deze bepaalt dat de schuldenaar zal in
gebreke zijn zonder dat enige akte nodig is en door het enkel
verschijnen van de vervaltijd.
Art. 1140. De gevolgen van de verbintenis om een onroerend goed te
geven of te leveren worden geregeld in de titel Koop en in de titel
Voorrechten en hypotheken.
Art. 1141. Indien de zaak die men zich achtereenvolgens verbonden
heeft te geven of te leveren aan twee personen, een zuiver roerende
zaak is, heeft degene van beiden, die in het werkelijk bezit ervan
gesteld is, de voorkeur en blijft hij eigenaar ervan, ook al is zijn
titel van latere datum, mits althans het bezit te goeder trouw is.
AFDELING III. - VERBINTENIS OM IETS TE DOEN OF NIET TE DOEN.
Art. 1142. Iedere verbintenis om iets te doen of niet te doen wordt
opgelost in schadevergoeding, ingeval de schuldenaar de verbintenis
niet nakomt.
Art. 1143. Niettemin heeft de schuldeiser het recht om de
vernietiging te vorderen van hetgeen in strijd met de verbintenis
verricht is; en hij kan zich doen machtigen om het te vernietigen op
kosten van de schuldenaar, onverminderd schadevergoeding, indien
daartoe grond bestaat.
Art. 1144. De schuldeiser kan ook, ingeval de verbintenis niet ten
uitvoer wordt gebracht, gemachtigd worden om zelf de verbintenis te
doen uitvoeren op kosten van de schuldenaar.
Art. 1145. Indien de verbintenis bestaat in iets niet te doen, is
hij die daartegen handelt, uit hoofde van de enkele overtreding
schadevergoeding verschuldigd.
AFDELING IV. - SCHADEVERGOEDING WEGENS NIET-NAKOMING VAN DE
VERBINTENIS.
Art. 1146. Schadevergoeding is dan eerst verschuldigd wanneer de
schuldenaar in gebreke is zijn verbintenis na te komen, behalve
indien hetgeen de schuldenaar zich verbonden heeft te geven of te
doen, niet kon gegeven of gedaan worden dan binnen een bepaalde
tijd, die hij heeft laten voorbijgaan.
Art. 1147. De schuldenaar wordt, indien daartoe grond bestaat,
veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding, hetzij wegens niet
uitvoering van de verbintenis, hetzij wegens vertraging in de
uitvoering, wanneer hij niet bewijst dat het niet nakomen het gevolg
is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend, en
hoewel er zijnerzijds geen kwade trouw is.
Art. 1148. Geen schadevergoeding is verschuldigd, wanneer de
schuldenaar door overmacht of toeval verhinderd is geworden datgene
te geven of te doen waartoe hij verbonden was, of datgene gedaan
heeft wat hem verboden was.
Art. 1149. De aan de schuldeiser verschuldigde schadevergoeding
bestaat, in het algemeen, in het verlies dat hij heeft geleden en in
de winst die hij heeft moeten derven, behoudens de hierna gestelde
uitzonderingen en beperkingen.
Art. 1150. De schuldenaar is slechts gehouden tot vergoeding van de
schade die was voorzien of die men heeft kunnen voorzien ten tijde
van het aangaan van het contract, wanneer het niet uitvoeren van de
verbintenis niet door zijn opzet is veroorzaakt.
Art. 1151. Zelfs ingeval het niet uitvoeren van de overeenkomst is
veroorzaakt door opzet van de schuldenaar, moet de schadevergoeding,
wat betreft het verlies dat de schuldeiser heeft geleden en de winst
die hij heeft moeten derven, alleen omvatten hetgeen een
onmiddellijk en rechtstreeks gevolg is van het niet uitvoeren van de
overeenkomst.
Art. 1152. (Opgeheven) <W 1998-11-23/36, art. 5, 005;
Inwerkingtreding : 23-01-1999>
Art. 1153. <W 01-05-1913, art. 6> Inzake verbintenissen die alleen
betrekking hebben op het betalen van een bepaalde geldsom, bestaat
de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering nooit in iets
anders dan in de wettelijke interest, behoudens de bij de wet
gestelde uitzonderingen.
Die schadevergoeding is verschuldigd zonder dat de schuldeiser enig
verlies hoeft te bewijzen.
Zij is verschuldigd te rekenen van de dag der aanmaning tot
betaling, behalve ingeval de wet ze van rechtswege doet lopen.
Indien er opzet van de schuldenaar is, kan de schadevergoeding de
wettelijke interest te boven gaan.
(Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 1907, kan de
rechter, ambtshalve of op verzoek van de schuldenaar, de interest
die werd bedongen als schadevergoeding wegens vertraging in de
uitvoering, verminderen, indien de bedongen interest kennelijk de
ten gevolge van de vertraging geleden schade te boven gaat. In geval
van herziening kan de rechter de schuldenaar niet veroordelen tot
een interest die lager is dan de wettelijke interest. Ieder beding
dat strijdig is met de bepalingen van dit lid wordt voor
niet-geschreven gehouden.) <W 1998-11-23/36, art. 2, 005;
Inwerkingtreding : 23-01-1999>
Art. 1154. Vervallen interesten van kapitalen kunnen interest
opbrengen, ofwel ten gevolge van een gerechtelijke (aanmaning) ofwel
ten gevolge van een bijzondere overeenkomst, mits de (aanmaning) of
de overeenkomst betrekking heeft op interesten die ten minste voor
een geheel jaar verschuldigd zijn. <W 01-05-1913, art. 7>
Art. 1155. Vervallen inkomsten echter, zoals pachtgelden,
huurgelden, termijnen van altijddurende renten of van lijfrenten,
brengen interest op van de dag der (aanmaning) of der overeenkomst.
<W 01-05-1913, art. 7>
Dezelfde regel is toepasselijk op de teruggave van vruchten en op de
interest die door een derde aan de schuldeiser tot ontlasting van de
schuldenaar betaald is.
AFDELING V. - UITLEGGING VAN DE OVEREENKOMSTEN.
Art. 1156. Men moet in de overeenkomsten nagaan welke de
gemeenschappelijke bedoeling van de contracterende partijen is
geweest, veeleer dan zich aan de letterlijke zin van de woorden te
houden.
Art. 1157. Wanneer een beding voor tweeërlei zin vatbaar is, moet
men het veeleer opvatten in de zin waarin het enig gevolg kan
hebben, dan in die waarin het geen gevolg kan teweegbrengen.
Art. 1158. Bewoordingen die voor tweeërlei zin vatbaar zijn, moeten
worden opgevat in de zin die met de inhoud van het contract het best
overeenstemt.
Art. 1159. Hetgeen dubbelzinnig is, wordt uitgelegd volgens hetgeen
gebruikelijk is in het gewest waar het contract is aangegaan.
Art. 1160. Men moet het contract aanvullen met de daarbij
gebruikelijke bedingen, hoewel die er niet in zijn uitgedrukt.
Art. 1161. Alle bedingen van een overeenkomst worden uitgelegd het
ene door het andere, zodat elk beding wordt opgevat in de zin die
uit de gehele akte voortvloeit.
Art. 1162. In geval van twijfel wordt de overeenkomst uitgelegd ten
nadele van hem die bedongen heeft en ten voordele van hem die zich
verbonden heeft.
Art. 1163. Hoe algemeen ook de bewoordingen zijn waarin een
overeenkomst gesteld is, toch omvat zij alleen die zaken waaromtrent
het blijkt dat partijen bedoelden te contracteren.
Art. 1164. Wanneer men in een contract een geval heeft vermeld tot
verduidelijking van de verbintenis, wordt men niet geacht daardoor
haar gebied te hebben willen beperken, wat betreft de niet vermelde
gevallen die de verbintenis naar recht omvat.
AFDELING VI. - GEVOLGEN VAN DE OVEREENKOMSTEN TEN AANZIEN VAN
DERDEN.
Art. 1165. Overeenkomsten brengen alleen gevolgen teweeg tussen de
contracterende partijen; zij brengen aan derden geen nadeel toe en
strekken hun slechts tot voordeel in het geval voorzien bij artikel
1121.
Art. 1166. Niettemin kunnen de schuldeisers alle rechten en
vorderingen van hun schuldenaar uitoefenen, met uitzondering van die
welke uitsluitend aan de persoon verbonden zijn.
Art. 1167. Zij kunnen ook in hun eigen naam opkomen tegen de
handelingen die hun schuldenaar verricht heeft met bedrieglijke
benadeling van hun rechten.
Niettemin, wat betreft hun rechten vermeld in de titel Erfenissen en
in de titel (Huwelijksvermogensstelsels), moeten zij zich naar de
aldaar voorgeschreven regels gedragen. <W 14-07-1976, art. IV, 10>
HOOFDSTUK IV. - VERSCHILLENDE SOORTEN VAN VERBINTENISSEN.
AFDELING I. - VOORWAARDELIJKE VERBINTENISSEN.
§ 1. DE VOORWAARDE IN HET ALGEMEEN EN HAAR VERSCHILLENDE SOORTEN.
Art. 1168. Een verbintenis is voorwaardelijk, wanneer men deze doet
afhangen van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, hetzij door de
verbintenis op te schorten totdat de gebeurtenis zal plaatshebben,
hetzij door ze teniet te doen, naargelang de gebeurtenis plaatsheeft
of niet plaatsheeft.
Art. 1169. Een toevallige voorwaarde is die welke van een louter
toeval afhangt en geenszins in de macht is van de schuldeiser of van
de schuldenaar.
Art. 1170. Een potestatieve voorwaarde is die welke de uitvoering
van de overeenkomst doet afhangen van een gebeurtenis die de ene of
de andere van de contracterende partijen vermag te doen plaatshebben
of te verhinderen.
Art. 1171. Een gemengde voorwaarde is die welke afhangt tegelijk van
de wil van een van de contracterende partijen en van de wil van een
derde.
Art. 1172. Iedere voorwaarde die bestaat in iets dat onmogelijk is,
of met de goede zeden strijdig is of door de wet verboden, is nietig
en maakt de overeenkomst die ervan afhangt, nietig.
Art. 1173. De voorwaarde om iets niet te doen dat onmogelijk is,
maakt de onder die voorwaarde aangegane verbintenis niet nietig.
Art. 1174. Iedere verbintenis is nietig, wanneer zij is aangegaan
onder een potestatieve voorwaarde van de zijde van degene die zich
verbindt.
Art. 1175. Iedere voorwaarde moet vervuld worden op zodanige wijze
als partijen het waarschijnlijk gewild en verstaan hebben.
Art. 1176. Wanneer een verbintenis is aangegaan onder voorwaarde dat
een gebeurtenis binnen een bepaalde tijd zal plaatshebben, wordt die
voorwaarde voor onvervuld gehouden, wanneer de tijd verlopen is
zonder dat de gebeurtenis heeft plaatsgehad. Indien geen tijd
bepaald is, kan de voorwaarde altijd vervuld worden; en zij wordt
eerst geacht onvervuld te zijn, wanneer het zeker geworden is dat de
gebeurtenis niet zal plaatshebben.
Art. 1177. Wanneer een verbintenis is aangegaan onder voorwaarde dat
een gebeurtenis binnen een bepaalde tijd niet zal plaatshebben, is
die voorwaarde vervuld, wanneer de tijd verlopen is zonder dat de
gebeurtenis heeft plaatsgehad; zij is eveneens vervuld, wanneer het,
voor het verloop van die tijd, zeker is dat de gebeurtenis niet zal
plaatshebben; en indien geen tijd is bepaald, is zij eerst vervuld,
wanneer het zeker is dat de gebeurtenis niet zal plaatshebben.
Art. 1178. De voorwaarde wordt geacht vervuld te zijn, wanneer de
schuldenaar die zich onder die voorwaarde verbonden heeft, zelf de
vervulling ervan verhinderd heeft.
Art. 1179. De vervulde voorwaarde werkt terug tot op de dag waarop
de verbintenis is aangegaan. Indien de schuldeiser overleden is
voordat de voorwaarde vervuld is, gaan zijn rechten op zijn
erfgenaam over.
Art. 1180. De schuldeiser kan, voordat de voorwaarde vervuld is,
alle handelingen tot bewaring van zijn recht verrichten.
§ II. OPSCHORTENDE VOORWAARDE.
Art. 1181. Een verbintenis onder een opschortende voorwaarde
aangegaan, is die welke afhangt ofwel van een toekomstige en
onzekere gebeurtenis, ofwel van een gebeurtenis die reeds heeft
plaatsgehad, maar aan partijen nog onbekend is.
In het eerste geval kan de verbintenis niet uitgevoerd worden dan
nadat de gebeurtenis heeft plaatsgehad.
In het tweede geval heeft de verbintenis haar gevolgen met ingang
van de dag waarop zij is aangegaan.
Art. 1182. Wanneer de verbintenis is aangegaan onder een
opschortende voorwaarde, blijft het risico van de zaak die het
voorwerp van de overeenkomst uitmaakt, voor de schuldenaar die zich
slechts verbonden heeft ze te leveren ingeval de voorwaarde vervuld
wordt.
Indien de zaak geheel teniet gegaan is buiten de schuld van de
schuldenaar, is de verbintenis teniet.
Indien de zaak schade geleden heeft buiten de schuld van de
schuldenaar, heeft de schuldeiser de keus om ofwel de verbintenis
teniet te doen, ofwel de zaak te eisen in de staat waarin zij zich
bevindt, zonder vermindering van de prijs.
Indien de zaak schade geleden heeft door de schuld van de
schuldenaar, heeft de schuldeiser het recht om ofwel de verbintenis
teniet te doen, ofwel de zaak te eisen in de staat waarin zij zich
bevindt, met schadevergoeding.
§ III. ONTBINDENDE VOORWAARDE.
Art. 1183. _ Een ontbindende voorwaarde is die welke, bij haar
vervulling, de verbintenis teniet doet, en de zaken herstelt in
dezelfde toestand alsof er geen verbintenis had bestaan.
Zij schort de uitvoering van de verbintenis niet op; alleen
verplicht zij de schuldeiser om, ingeval de door de voorwaarde
bedoelde gebeurtenis plaatsheeft, terug te geven hetgeen hij
ontvangen heeft.
Art. 1184. In wederkerige contracten is de ontbindende voorwaarde
altijd stilzwijgend begrepen, voor het geval dat een van beide
partijen haar verbintenis niet nakomt.
In dit geval is het contract niet van rechtswege ontbonden. De
partij jegens wie de verbintenis niet is uitgevoerd, heeft de keus
om ofwel de andere partij te noodzaken de overeenkomst uit te
voeren, wanneer de uitvoering mogelijk is, ofwel de ontbinding van
de overeenkomst te vorderen, met schadevergoeding.
De ontbinding moet in rechte gevorderd worden, en aan de verweerder
kan, naar gelang van de omstandigheden, uitstel worden verleend.
AFDELING II. - VERBINTENISSEN MET TIJDSBEPALING.
Art. 1185. De tijdsbepaling verschilt van de voorwaarden hierin, dat
zij de verbintenis niet opschort, maar alleen haar uitvoering
uitstelt.
Art. 1186. Hetgeen slechts met tijdsbepaling verschuldigd is, kan
niet geëist worden voordat de vervaltijd verschenen is; maar hetgeen
vooruit betaald is, kan niet teruggevorderd worden.
Art. 1187. De tijdsbepaling wordt altijd vermoed te zijn bedongen
ten voordele van de schuldenaar, tenzij uit het beding of uit de
omstandigheden blijkt dat zij ook ten voordele van de schuldeiser
bedongen is.
Art. 1188. De schuldenaar kan het voordeel van de tijdsbepaling niet
meer inroepen wanneer hij failliet gegaan is, of wanneer hij de
zekerheid die hij bij het contract ten behoeve van zijn schuldeiser
gesteld had, door zijn toedoen heeft verminderd.
AFDELING III. - ALTERNATIEVE VERBINTENISSEN.
Art. 1189. De schuldenaar van een alternatieve verbintenis is van
zijn schuld bevrijd door de levering van een van de twee zaken die
in de verbintenis begrepen zijn.
Art. 1190. De keus behoort aan de schuldenaar, indien zij niet
uitdrukkelijk toegestaan is aan de schuldeiser.
Art. 1191. De schuldenaar kan zich van zijn schuld bevrijden door
een van de twee beloofde zaken te leveren; maar hij kan de
schuldeiser niet noodzaken een gedeelte van de ene zaak en een
gedeelte van de andere aan te nemen.
Art. 1192. Een verbintenis, al is zij aangegaan als zijnde
alternatief, is zuiver en eenvoudig, indien een van de twee beloofde
zaken geen voorwerp van de verbintenis kan zijn.
Art. 1193. Een verbintenis is zuiver en eenvoudig, hoewel zij als
alternatieve verbintenis is aangegaan, indien een van de beloofde
zaken teniet gaat en niet meer geleverd kan worden, al is het ook
door de schuld van de schuldenaar. De waarde van die zaak kan niet
in haar plaats aangeboden worden.
Indien beide zaken zijn teniet gegaan en de schuldenaar schuld heeft
wat betreft een van beide, moet hij de waarde betalen van de zaak
die het laatst is teniet gegaan.
Art. 1194. Wanneer, in de bij het vorige artikel vermelde gevallen,
de keus door de overeenkomst aan de schuldeiser werd gelaten, en
Ofwel slechts een van de zaken is teniet gegaan; dan moet de
schuldeiser, indien zulks buiten de schuld van de schuldenaar
geschied is, de zaak krijgen die overgebleven is; en indien de
schuldenaar daaraan schuld heeft, kan de schuldeiser de overgebleven
zaak eisen of de waarde van die welke is teniet gegaan;
Ofwel beide zaken zijn teniet gegaan; dan kan de schuldeiser, indien
de schuldenaar daaraan schuld heeft wat beide betreft, of zelfs wat
slechts een enkele betreft, de waarde eisen van de ene of van de
andere, naar zijn keus.
Art. 1195. Indien beide zaken zijn teniet gegaan buiten de schuld
van de schuldenaar en voordat hij in gebreke was, is de verbintenis
teniet, overeenkomstig artikel 1302.
Art. 1196. Dezelfde beginselen zijn van toepassing, ingeval meer dan
twee zaken in de alternatieve verbintenis begrepen zijn.
AFDELING IV. - HOOFDELIJKE VERBINTENISSEN.
§ 1. HOOFDELIJKHEID TUSSEN SCHULDEISERS.
Art. 1197. Een verbintenis is hoofdelijk tussen verscheidene
schuldeisers, wanneer de titel uitdrukkelijk aan ieder van hen het
recht geeft om betaling van de gehele schuld te eisen en de betaling
aan een van hen gedaan de schuldenaar bevrijdt, ook al is het
voordeel van de verbintenis splitsbaar en deelbaar tussen de
onderscheidene schuldeisers.
Art. 1198. De schuldenaar kan aan een van de hoofdelijke
schuldeisers, naar eigen keus, betalen, zolang hij niet door een van
hen vervolgd is.
Nochtans bevrijdt de kwijtschelding die door slechts een van de
hoofdelijke schuldeisers verleend wordt, de schuldenaar enkel voor
het aandeel van die schuldeiser.
Art. 1199. Elke daad die de verjaring stuit ten aanzien van een van
de hoofdelijke schuldeisers, strekt tot voordeel van de andere
schuldeisers.
§ II. HOOFDELIJKHEID TUSSEN SCHULDENAARS.
Art. 1200. Er bestaat hoofdelijkheid tussen schuldenaars, wanneer
zij verplicht zijn tot een en dezelfde zaak, zodat ieder voor het
geheel kan worden aangesproken, en de betaling door een van hen
gedaan, de overige schuldenaars jegens de schuldeiser bevrijdt.
Art. 1201. Er kan hoofdelijke verbintenis bestaan, hoewel een van de
schuldenaars op een andere wijze dan de overige schuldenaars tot
betaling van dezelfde zaak verbonden is; bij voorbeeld wanneer de
ene slechts voorwaardelijk verbonden is, terwijl de verbintenis van
de ander zuiver en eenvoudig is, of wanneer de ene een tijdsbepaling
heeft bedongen, die aan de andere niet is toegestaan.
Art. 1202. _ Hoofdelijkheid wordt niet vermoed; zij moet
uitdrukkelijk bedongen zijn.
Deze regel lijdt alleen uitzondering in de gevallen waarin
hoofdelijkheid bestaat van rechtswege, krachtens een bepaling van de
wet.
Art. 1203. De schuldeiser van een hoofdelijke verbintenis kan van de
schuldenaars degene aanspreken die hij verkiest, zonder dat deze het
voorrecht van schuldsplitsing tegen hem kan inroepen.
Art. 1204. Vervolgingen tegen een van de schuldenaars gericht
beletten de schuldeiser niet, ook tegen de overigen vervolgingen in
te stellen.
Art. 1205. Indien de verschuldigde zaak is teniet gegaan door de
schuld van een of meer van de hoofdelijke schuldenaars of terwijl
zij in gebreke waren, zijn de overige medeschuldenaars niet
ontslagen van de verplichting om de waarde van de zaak te betalen;
zij zijn echter niet tot schadevergoeding gehouden.
De schuldeiser kan geen schadevergoeding eisen dan van de
schuldenaars door wier schuld de zaak is teniet gegaan en van de
schuldenaars die in gebreke waren.
Art. 1206. Vervolgingen tegen een van de hoofdelijke schuldenaars
stuiten de verjaring ten aanzien van allen.
Art. 1207. De eis tot betaling van interest tegen een van de
hoofdelijke schuldenaars, doet de interest lopen ten aanzien van
allen.
Art. 1208. Een hoofdelijke medeschuldenaar die door de schuldeiser
vervolgd wordt, kan alle excepties inroepen die uit de aard van de
verbintenis voortvloeien, en al die welke hem eigen zijn, alsook die
welke aan alle medeschuldenaars gemeen zijn.
Hij kan de excepties niet inroepen die aan de persoon van sommige
van de overige medeschuldenaars eigen zijn.
Art. 1209. Wanneer een van de schuldenaars de enige erfgenaam wordt
van de schuldeiser, of wanneer de schuldeiser de enige erfgenaam
wordt van een van de schuldenaars, doet de schuldvermenging de
hoofdelijke schuldvordering slechts teniet wat betreft het aandeel
van de schuldenaar of van de schuldeiser.
Art. 1210. De schuldeiser die toestemt in de verdeling van de schuld
ten aanzien van een van de medeschuldenaars, behoudt zijn
hoofdelijke vordering tegen de overige schuldenaars, doch onder
aftrek van het aandeel van de schuldenaar die hij van de
hoofdelijkheid ontslagen heeft.
Art. 1211. De schuldeiser die het aandeel van een van de
schuldenaars afzonderlijk ontvangt, zonder in de kwijting de
hoofdelijkheid of zijn rechten in het algemeen voor te behouden,
doet slechts ten aanzien van die schuldenaar afstand van de
hoofdelijkheid.
De schuldeiser wordt niet geacht de schuldenaar te ontslaan van de
hoofdelijkheid, wanneer hij van hem een som ontvangt gelijk aan zijn
aandeel in de schuld, indien de kwijting niet vermeldt dat het voor
zijn aandeel is.
Hetzelfde geldt voor het enkel instellen van de eis tegen een van de
medeschuldenaars voor zijn aandeel, indien deze schuldenaar in de
eis niet heeft berust, of indien daarop geen vonnis van veroordeling
is gevolgd.
Art. 1212. De schuldeiser die afzonderlijk en zonder voorbehoud het
aandeel ontvangt van een van de medeschuldenaars in de
rentetermijnen of de interesten van de schuld, verliest het voordeel
van de hoofdelijkheid alleen wat betreft de rentetermijnen of de
interesten die vervallen zijn, en niet wat betreft die welke nog
moeten vervallen, noch wat betreft het kapitaal, tenzij de
afzonderlijke betaling gedurende tien achtereenvolgende jaren is
voortgezet.
Art. 1213. De verbintenis die hoofdelijk jegens de schuldeiser is
aangegaan, is van rechtswege deelbaar tussen de schuldenaars, die
onder elkaar slechts ieder voor zijn aandeel verbonden zijn.
Art. 1214. De medeschuldenaar van een hoofdelijke schuld, die de
gehele schuld voldaan heeft, kan van de overige schuldenaars niet
méér terugvorderen dan wat ieders aandeel bedraagt.
Indien een van hen onvermogend is, wordt het door zijn onvermogen
veroorzaakte verlies naar evenredigheid omgeslagen over al de andere
schuldenaars die in staat zijn om te betalen, en degene die de
schuld voldaan heeft.
Art. 1215. Ingeval de schuldeiser ten aanzien van een van de
schuldenaars afstand gedaan heeft van de hoofdelijke vordering en
een of meer van de overige medeschuldenaars onvermogend worden, dan
wordt het aandeel van de onvermogenden naar evenredigheid omgeslagen
over alle schuldenaars, zelfs over degenen die tevoren door de
schuldeiser van de hoofdelijkheid zijn ontslagen.
Art. 1216. Indien de zaak waarvoor de schuld hoofdelijk is
aangegaan, slechts een van de hoofdelijke medeschuldenaars aangaat,
is deze tot voldoening van de gehele schuld gehouden ten aanzien van
de overige medeschuldenaars, die te zijnen opzichte slechts als zijn
borgen beschouwd worden.
AFDELING V. - DEELBARE EN ONDEELBARE VERBINTENISSEN.
Art. 1217. Een verbintenis is deelbaar of ondeelbaar naargelang zij
tot voorwerp heeft, ofwel een zaak die in haar levering, ofwel een
daad die in haar uitvoering, hetzij materieel, hetzij intellectueel
voor verdeling vatbaar is of niet.
Art. 1218. Een verbintenis is ondeelbaar, hoewel de zaak of de daad
die het voorwerp ervan uitmaakt, uit haar aard deelbaar is, indien
het verband waarin zij in de verbintenis is beschouwd, ze voor
gedeeltelijke uitvoering onvatbaar maakt.
Art. 1219. Het beding van hoofdelijkheid maakt de verbintenis niet
ondeelbaar.
§ I. GEVOLGEN VAN DE DEELBARE VERBINTENIS.
Art. 1220. De verbintenis die voor verdeling vatbaar is, moet tussen
schuldeiser en schuldenaar ten uitvoer gebracht worden alsof zij
ondeelbaar was. De deelbaarheid is alleen van toepassing ten aanzien
van hun erfgenamen, die de schuld niet kunnen vorderen of niet
verplicht zijn deze te voldoen dan voor het aandeel waarop zij recht
hebben of waartoe zij gehouden zijn als vertegenwoordigers van de
schuldeiser of van de schuldenaar.
Art. 1221. Het beginsel in het vorige artikel vastgesteld lijdt
uitzondering ten aanzien van de erfgenamen van de schuldenaar :
1°. Ingeval het een hypothecaire schuld betreft;
2°. Wanneer de schuld in een bepaalde zaak bestaat;
3°. Wanneer het een alternatieve schuld betreft van zaken waartussen
de schuldeiser mag kiezen en waarvan er ene ondeelbaar is;
4°. Wanneer de titel slechts een van de erfgenamen met de uitvoering
van de verbintenis heeft belast;
5°. Wanneer, hetzij uit de aard van de verbintenis, hetzij uit de
zaak die het voorwerp ervan uitmaakt, hetzij uit het oogmerk dat men
zich bij het contract heeft voorgesteld, de bedoeling van de
contractanten blijkt dat de schuld niet bij gedeelten mag worden
voldaan.
In de eerste drie gevallen kan de erfgenaam die in het bezit is van
de verschuldigde zaak of van het erf dat wegens schuld met hypotheek
bezwaard is, voor het geheel vervolgd worden op de verschuldigde
zaak of op het met hypotheek bezwaarde goed, behoudens zijn verhaal
op zijn medeërfgenamen. In het vierde geval kan de erfgenaam die
alleen met de schuld belast is, en in het vijfde geval kan ieder
erfgenaam ook vervolgd worden voor het geheel; behoudens zijn
verhaal op zijn medeërfgenamen.
§ II. GEVOLGEN VAN DE ONDEELBARE VERBINTENIS.
Art. 1222. Ieder van hen die gezamenlijk een ondeelbare schuld
hebben aangegaan, staat in voor het geheel, ook al is de verbintenis
niet hoofdelijk aangegaan.
Art. 1223. Hetzelfde geldt voor de erfgenamen van degene die
zodanige verbintenis heeft aangegaan.
Art. 1224. Ieder erfgenaam van de schuldeiser kan de uitvoering van
de ondeelbare verbintenis in haar geheel vorderen.
Alleen kan hij de schuld in haar geheel niet kwijtschelden; alleen
kan hij evenmin de waarde van de zaak in de plaats van de zaak zelf
ontvangen. Indien slechts een van de erfgenamen de schuld
kwijtgescholden of de waarde van de zaak ontvangen heeft, kan zijn
medeërfgenaam de ondeelbare zaak niet vorderen, zonder het aandeel
van de medeërfgenaam die de schuld kwijtgescholden of de waarde van
de zaak ontvangen heeft, in mindering te brengen.
Art. 1225. De erfgenaam van de schuldenaar kan, wanneer hij voor de
verbintenis in haar geheel gedagvaard wordt, uitstel vragen om zijn
medeërfgenamen in de zaak te betrekken, tenzij de schuld van dien
aard is dat zij slechts kan worden voldaan door de gedagvaarde
erfgenaam, die, in dit geval, alleen veroordeeld kan worden;
behoudens zijn vordering tot schadeloosstelling tegen zijn
medeërfgenamen.
AFDELING VI. - VERBINTENISSEN ONDER STRAFBEDING.
Art. 1226. <W 1998-11-23/36, art. 3, 005; Inwerkingtreding :
23-01-1999> Een strafbeding is een beding waarbij een persoon zich
voor het geval van niet-uitvoering van de overeenkomst verbindt tot
betaling van een forfaitaire vergoeding van de schade die kan worden
geleden ten gevolge van de niet-uitvoering van de overeenkomst.
Art. 1227. Nietigheid van de hoofdverbintenis maakt ook het
strafbeding nietig.
Nietigheid van het strafbeding heeft geenszins nietigheid van de
hoofdverbintenis ten gevolge.
Art. 1228. De schuldeiser kan, in plaats van de bedongen straf te
vorderen tegen de schuldenaar die in gebreke is, nakoming van de
hoofdverbintenis eisen.
Art. 1229. Het strafbeding vergoedt de schade die de schuldeiser
lijdt ten gevolge van het niet nakomen van de hoofdverbintenis.
Hij kan niet tegelijk het nakomen van de hoofdverbintenis en de
straf vorderen, tenzij deze voor de enkele vertraging bedongen is.
Art. 1230. Bepaalt de oorspronkelijke verbintenis een tijd of
bepaalt zij geen tijd waarbinnen zij moet worden uitgevoerd, in elk
geval is de straf alleen dan toepasselijk, wanneer hij die zich
heeft verbonden iets te geven, of iets te ontvangen, of iets te
doen, in gebreke is.
Art. 1231. <W 1998-11-23/36, art. 4, 005; Inwerkingtreding :
23-01-1999> § 1. De rechter kan, ambtshalve of op verzoek van de
schuldenaar, de straf die bestaat in het betalen van een bepaalde
geldsom verminderen, wanneer die som kennelijk het bedrag te boven
gaat dat de partijen konden vaststellen om de schade wegens de
niet-uitvoering van de overeenkomst te vergoeden.
In geval van herziening kan de rechter de schuldenaar niet
veroordelen tot een kleinere geldsom dan bij gebrek aan strafbeding
verschuldigd zou zijn geweest.
§ 2. De straf kan door de rechter worden verminderd wanneer de
hoofdverbintenis gedeeltelijk is uitgevoerd.
§ 3. Ieder beding dat strijdig is met de bepalingen van dit artikel
wordt voor niet-geschreven gehouden.
Art. 1232. Wanneer de oorspronkelijke verbintenis, onder strafbeding
aangegaan, een ondeelbare zaak betreft, is de straf toepasselijk
doordat één van de erfgenamen van de schuldenaar tegen de
verbintenis gehandeld heeft, en de straf kan gevorderd worden,
hetzij van hem die de overtreding heeft begaan, en zulks voor het
geheel, hetzij van ieder van de medeërfgenamen voor zijn aandeel, en
hypothecair voor het geheel, behoudens hun verhaal op hem die de
toepassing van de straf veroorzaakt heeft.
Art. 1233. Wanneer de oorspronkelijke verbintenis, onder strafbeding
aangegaan, deelbaar is, is de straf alleen toepasselijk op degene
van de erfgenamen van de schuldenaar die tegen deze verbintenis
gehandeld heeft, en zulks enkel voor het aandeel waartoe hij in de
hoofdverbintenis gehouden was, zonder dat enige vordering bestaat
tegen hen die de verbintenis hebben nagekomen.
Deze regel lijdt uitzondering wanneer het strafbeding is ingelast
met de bedoeling dat de betaling niet bij gedeelten zal kunnen
geschieden, en een medeërfgenaam de nakoming van de verbintenis in
haar geheel verhinderd heeft. Alsdan kan de straf van laatstgenoemde
geëist worden voor het geheel, en van de overige medeërfgenamen
slechts voor hun aandeel, behoudens hun recht van verhaal.
HOOFDSTUK V. - TENIETGAAN VAN DE VERBINTENISSEN.
Art. 1234. Verbintenissen gaan teniet :
Door betaling,
Door schuldvernieuwing,
Door vrijwillige kwijtschelding,
Door schuldvergelijking,
Door schuldvermenging,
Door verlies van de zaak,
Door nietigverklaring of vernietiging,
Door de werking van de ontbindende voorwaarde, die in het vorige
hoofdstuk is bepaald,
En door verjaring, die het onderwerp van een afzonderlijke titel
uitmaakt.
AFDELING I. - BETALING.
§ I. BETALING IN HET ALGEMEEN.
Art. 1235. Iedere betaling onderstelt een schuld : hetgeen betaald
is zonder verschuldigd te zijn, kan worden teruggevorderd.
Geen terugvordering kan plaatshebben ten opzichte van natuurlijke
verbintenissen die men vrijwillig voldaan heeft.
Art. 1236. Een verbintenis kan voldaan worden door ieder die daarbij
belang heeft, gelijk een medeschuldenaar of een borg.
De verbintenis kan zelfs voldaan worden door een derde die daarbij
geen belang heeft, mits die derde in naam en tot kwijting van de
schuldenaar handelt of mits hij, handelende in zijn eigen naam, niet
in de rechten van de schuldeiser gesteld wordt.
Art. 1237. Een verbintenis om iets te doen kan door een derde niet
voldaan worden tegen de zin van de schuldeiser, wanneer deze laatste
er belang bij heeft dat zij door de schuldenaar zelf voldaan wordt.
Art. 1238. Om een geldige betaling te kunnen doen, moet men eigenaar
zijn van de in betaling gegeven zaak en bekwaam om deze te
vervreemden.
Nochtans kan de betaling van een geldsom of van enige andere zaak
die door het gebruik teniet gaat, niet worden teruggevorderd van de
schuldeiser die het in betaling gegevene te goeder trouw verbruikt
heeft, hoewel de betaling ervan is gedaan door iemand die er geen
eigenaar van was of die niet bekwaam was om het te vervreemden.
Art. 1239. De betaling moet gedaan worden aan de schuldeiser of aan
iemand die volmacht van hem heeft, of die door de rechter of door de
wet gemachtigd is om voor hem te ontvangen.
De betaling gedaan aan iemand die geen macht heeft om voor de
schuldeiser te ontvangen, is geldig, indien de schuldeiser de
betaling bekrachtigt of indien hij er voordeel uit getrokken heeft.
Art. 1240. De betaling, te goeder trouw gedaan aan iemand die in het
bezit is van de schuldvordering, is geldig, al wordt ook de bezitter
naderhand uit dat bezit ontzet.
Art. 1240bis . § 1. Behoudens andersluidende
wettelijke bepalingen, geeft een schuldenaar te goeder trouw
bevrijdend tegoeden van een overledene vrij, indien dit gebeurt aan
of op instructie van de personen aangewezen in een attest van
erfopvolging opgesteld door de ontvanger van het successiekantoor
bevoegd voor de inlevering van de aangifte van nalatenschap van de
overledene, of in een attest of in een akte van erfopvolging
opgemaakt door een notaris.
Het attest of de akte van erfopvolging wordt op verzoek van een
belanghebbende afgeleverd met het oog op de in het eerste lid
bedoelde vrijgave van tegoeden.
§ 2. De afgeleverde akte of het afgeleverde attest ontslaat de in
paragraaf 1 bedoelde schuldenaar in geen geval van eventuele andere
wettelijke verplichtingen voorgeschreven voor de deblokkering van
deze tegoeden.
§ 3. De belanghebbende heeft de vrije keuze om zich te wenden tot de
in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde ontvanger of de notaris. In de
gevallen waarin de erfenis van de overledene niet uitsluitend wordt
vererfd overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 718 tot 755,
in geval van bestaan van onbekwame erfopvolgers of indien er sprake
is van een uiterste wilsbeschikking, een contractuele erfstelling of
een huwelijkscontract in hoofde van de overledene is alleen de
notaris bevoegd om een akte of een attest van erfopvolging af te
leveren.
§ 4. Zowel de akte als het attest van erfopvolging vermelden op
duidelijke wijze wie de erfgerechtigden zijn die aanspraak kunnen
maken op de tegoeden van de overledene, met vermelding van volgende
identificatiegegevens : naam, voornamen, plaats en datum van
geboorte, adres en eventueel de datum van overlijden.
§ 5. De notaris of de ontvanger van het successiekantoor kunnen elke
aflevering van een akte of een attest van erfopvolging weigeren
indien zij aan de hand van de door de verzoekende belanghebbende
voorgelegde stukken, de gedane verklaringen en de verrichte
opzoekingen, niet met zekerheid de erfgenamen kunnen aanwijzen. (wet
van 6 mei 2009 houdende diverse bepalingen)
Art. 1241. De betaling aan de schuldeiser gedaan is niet geldig,
indien hij onbekwaam was om de betaling te ontvangen, tenzij de
schuldenaar bewijst dat de schuldeiser uit die betaling voordeel
getrokken heeft.
Art. 1242. De betaling, door de schuldenaar aan zijn schuldeiser
gedaan in weerwil van een beslag of een verzet, is niet geldig ten
aanzien van de schuldeisers die het beslag gelegd of het verzet
gedaan hebben; dezen kunnen, volgens hun recht, de schuldenaar
noodzaken opnieuw te betalen, behoudens, in dat geval alleen, zijn
verhaal op de schuldeiser.
Art. 1243. De schuldeiser kan niet genoodzaakt worden een andere
zaak aan te nemen dan die welke hem verschuldigd is, al heeft ook de
aangeboden zaak een gelijke of zelfs een grotere waarde.
Art. 1244. <W 10-10-1967, art. 102> De schuldenaar kan de
schuldeiser niet verplichten betaling te ontvangen van een gedeelte
van een schuld, al is die schuld ook deelbaar.Maar de rechter kan,
niettegenstaande ieder andersluidend beding, met inachtneming van de
toestand der partijen, gebruik makend van deze bevoegdheid met grote
omzichtigheid en daarbij rekening houdend met de termijnen die de
schuldenaar reeds heeft genoten, gematigd uitstel verlenen voor de
betaling en de vervolgingen doen schorsen, ook wanneer de schuld
blijkt uit een andere authentieke akte dan een vonnis.
Art. 1245. De schuldenaar van een zekere en bepaalde zaak is van
zijn schuld bevrijd door de afgifte van de zaak in de staat waarin
zij zich ten tijde van de levering bevindt, op voorwaarde dat de
beschadiging die zij ondergaan heeft, niet is veroorzaakt door zijn
daad of door zijn schuld, noch door die van de personen voor wie hij
aansprakelijk is, en hij niet reeds voor het ontstaan van de
beschadiging in gebreke was.
Art. 1246. Indien de verschuldigde zaak alleen is bepaald ten
aanzien van haar soort, is de schuldenaar, om zich van de schuld te
bevrijden, niet verplicht de beste soort te geven; doch hij mag ook
niet de slechtste aanbieden.
Art. 1247. De betaling moet gedaan worden op de plaats die door de
overeenkomst is aangewezen. Indien geen plaats is aangewezen, moet,
wanneer het een zekere en bepaalde zaak betreft, de betaling gedaan
worden op de plaats waar de zaak die het voorwerp ervan is, zich
bevond ten tijde van het aangaan der verbintenis.
Buiten deze twee gevallen moet de betaling gedaan worden ter
woonplaats van de schuldenaar.
Art. 1248. De kosten van betaling komen ten laste van de
schuldenaar.
§ II. BETALING MET INDEPLAATSSTELLING.
Art. 1249. Indeplaatsstelling in de rechten van de schuldeiser ten
voordele van een derde persoon die hem betaalt, geschiedt bij
overeenkomst of krachtens de wet.
Art. 1250. Indeplaatsstelling geschiedt bij overeenkomst :
1° Wanneer de schuldeiser, die betaling ontvangt van een derde
persoon, hem doet treden in zijn rechten, rechtsvorderingen,
voorrechten of hypotheken tegen de schuldenaar; deze
indeplaatsstelling moet uitdrukkelijk en gelijktijdig met de
betaling geschieden;
2° Wanneer de schuldenaar geld leent ten einde zijn schuld te
betalen en de uitlener in de rechten van zijn schuldeiser te doen
treden. Opdat deze indeplaatsstelling geldig zal zijn, moeten de
akte van lening en de kwijting voor notaris verleden worden; moet in
de akte van lening verklaard worden dat het geld geleend is om
daarmee de betaling te doen, en moet in de kwijting verklaard worden
dat de betaling gedaan is met de daartoe door de nieuwe schuldeiser
verschafte penningen. Deze indeplaatsstelling komt tot stand zonder
de medewerking van de schuldeiser.
Art. 1251. Indeplaatsstelling geschiedt van rechtswege :
1° Ten voordele van hem die, zelf schuldeiser zijnde, een andere
schuldeiser betaalt, die voorrang boven hem heeft uit hoofde van
zijn voorrechten of hypotheken;
2° Ten voordele van de verkrijger van een onroerend goed, die de
prijs van het verkregen goed besteedt tot betaling van de
schuldeisers ten behoeve van wie dat goed met hypotheek was
bezwaard;
3° Ten voordele van hem die, met andere of voor anderen tot betaling
van een schuld gehouden zijnde, er belang bij had deze te voldoen;
4° Ten voordele van de erfgenaam onder voorrecht van
boedelbeschrijving, die met zijn eigen penningen de schulden van de
nalatenschap betaald heeft.
Art. 1252. De indeplaatsstelling, bij de vorige artikelen bepaald,
heeft plaats zowel tegen de borgen als tegen de schuldenaars : zij
vermag niet de schuldeiser te benadelen, wanneer deze slechts
gedeeltelijk betaald is; in dit geval kan hij zijn rechten, voor wat
hem nog verschuldigd blijft, uitoefenen bij voorkeur boven degene
van wie hij slechts een gedeeltelijke betaling bekomen heeft.
§ III. TOEREKENING VAN BETALINGEN.
Art. 1253. De schuldenaar van verscheidene schulden heeft het recht
om, wanneer hij betaalt, te verklaren welke schuld hij wil voldoen.
Art. 1254. De schuldenaar van een schuld die interest geeft of
rentetermijnen opbrengt, kan, buiten de toestemming van de
schuldeiser, de betaling die hij doet, niet toerekenen op het
kapitaal eerder dan op de rentetermijnen of de interesten; de
betaling die op het kapitaal en de interesten gedaan wordt, maar
waarmee de gehele schuld niet is gekweten, wordt in de eerste plaats
op de interesten toegerekend.
Art. 1255. Wanneer de schuldenaar van verscheidene schulden een
kwijting heeft aangenomen, waarbij de schuldeiser datgene wat hij
ontvangen heeft in het bijzonder op een van die schulden toerekent,
kan de schuldenaar niet meer vorderen dat de toerekening zal
geschieden op een andere schuld, tenzij er van de zijde van de
schuldeiser bedrog of verschalking heeft plaatsgehad.
Art. 1256. Wanneer in de kwijting geen sprake is van enige
toerekening, moet de betaling toegerekend worden op de schuld die de
schuldenaar alsdan, onder alle vervallen schulden, het meeste belang
had te voldoen; anders, op de vervallen schuld, hoewel deze minder
bezwarend is dan die welke niet vervallen zijn.
Indien de schulden van gelijke aard zijn, geschiedt de toerekening
op de oudste; alles gelijkstaande, geschiedt zij op alle schulden
naar evenredigheid.
§ IV. AANBOD VAN BETALING EN CONSIGNATIE.
Art. 1257. Wanneer de schuldeiser weigert betaling te ontvangen, kan
de schuldenaar hem een aanbod van gerede betaling doen en, indien de
schuldeiser weigert dit aan te nemen, de aangeboden geldsom of zaak
in consignatie geven.
Het aanbod van gerede betaling, gevolgd van consignatie, bevrijdt de
schuldenaar; het geldt te zijnen opzichte als betaling, wanneer het
op wettige wijze gedaan is, en het risico van de aldus in
consignatie gegeven zaak is voor de schuldeiser.
Art. 1258. Voor een geldig aanbod van gerede betaling is vereist :
1° Dat het aanbod gedaan wordt aan een schuldeiser die bekwaam is om
te ontvangen, of aan degene die de macht heeft om voor hem te
ontvangen;
2° Dat het gedaan wordt door een persoon die bekwaam is om te
betalen;
3° Dat het loopt over de gehele opeisbare som, de verschuldigde
rentetermijnen of interesten, de kosten die vereffend zijn, en een
som tot voldoening van de nog niet vereffende kosten, onder
voorbehoud van latere aanvulling van deze som;
4° Dat de termijn verstreken is, indien hij ten voordele van de
schuldeiser bedongen is;
5° Dat de voorwaarde waaronder de schuld is aangedaan, vervuld is;
6° Dat het aanbod gedaan wordt op de plaats waar de betaling volgens
overeenkomst moet geschieden, en, indien er betreffende de plaats
van betaling geen bijzondere overeenkomst bestaat, ofwel aan de
persoon van de schuldeiser, ofwel aan zijn woonplaats, ofwel aan de
woonplaats die voor de uitvoering van de overeenkomst gekozen is;
7° Dat het aanbod gedaan wordt door een voor zulke akten bevoegd
ministerieel ambtenaar.
Art. 1259. Voor de geldigheid van de consignatie is geen machtiging
van de rechter nodig; het is voldoende :
1° Dat zij is voorafgegaan van een aanmaning, aan de schuldeiser
betekend en houdende aanwijzing van de dag, het uur en de plaats
waarop de aangeboden zaak in bewaring zal worden gesteld;
2° Dat de schuldenaar zich van de aangeboden zaak ontdaan heeft,
door deze, samen met de interest tot de dag van de bewaarstelling,
af te geven in de bewaarplaats die voor consignaties door de wet is
aangewezen;
3° Dat de ministeriële ambtenaar een proces-verbaal opmaakt
betreffende de aard van de aangeboden muntspeciën, de weigering van
de schuldeiser om deze aan te nemen of zijn niet-verschijning, en
ten slotte betreffende de bewaarstelling;
4° Dat in geval van niet-verschijning van de schuldeiser, het
proces-verbaal van bewaarstelling hem betekend is met aanmaning om
de in bewaring gestelde zaak te lichten.
Art. 1260. De kosten van het aanbod van gerede betaling en van de
consignatie, indien beide op wettige wijze gedaan zijn, komen ten
laste van de schuldeiser.
Art. 1261. Zolang de schuldeiser de consignatie niet heeft
aangenomen, kan de schuldenaar die intrekken; en, indien hij ze
intrekt, zijn de medeschuldenaars of de borgen niet bevrijd.
Art. 1262. Wanneer de schuldenaar zelf een vonnis heeft verkregen
dat in kracht van gewijsde is gegaan, en waarbij zijn aanbod en zijn
consignatie goed en van waarde verklaard zijn, kan hij, zelfs met
toestemming van de schuldeiser, zijn consignatie niet meer intrekken
ten nadele van de medeschuldenaars of van de borgen.
Art. 1263. De schuldeiser die erin toestemt dat de schuldenaar zijn
consignatie intrekt nadat deze van waarde verklaard is bij een
vonnis dat in kracht van gewijsde is gedaan, kan, tot betaling van
zijn schuldvordering, de hieraan verbonden voorrechten of hypotheken
niet meer doen gelden; hij heeft geen hypotheek meer dan van de dag
dat de akte waarbij hij heeft toegestemd in het intrekken van de
consignatie, voorzien wordt van de vormen die vereist zijn om
hypotheek te vestigen.
Art. 1264. Ingeval het verschuldigde bestaat in een bepaalde zaak
die geleverd moet worden op de plaats waar zij zich bevindt, moet de
schuldenaar de schuldeiser aanmanen die weg te halen, en zulks door
een akte betekend aan zijn persoon of aan zijn woonplaats, of aan de
woonplaats die voor de uitvoering van de overeenkomst gekozen is.
Indien, na deze aanmaning, de schuldeiser de zaak niet weghaalt, en
de schuldenaar de plaats nodig heeft, waar die zich bevindt, kan de
laatstgenoemde van de rechter verlof bekomen om ze op een andere
plaats in bewaring te stellen.
§ V. BOEDELAFSTAND.
Art. 1265. Er is boedelafstand wanneer een schuldenaar die zich
buiten staat bevindt om zijn schulden te betalen, al zijn goederen
aan zijn schuldeisers overlaat.
Art. 1266. Boedelafstand geschiedt vrijwillig of gerechtelijk.
Art. 1267. Vrijwillige boedelafstand is de boedelafstand die door de
schuldeisers vrijwillig aangenomen wordt en die geen ander gevolg
heeft dan hetgeen voortvloeit uit de bepalingen zelf van het
contract dat tussen hen en de schuldenaar is gesloten.
Art. 1268. Gerechtelijke boedelafstand is een voorrecht dat door de
wet verleend wordt aan de schuldenaar die ongelukkig en te goeder
trouw is; om de vrijheid van zijn persoon te behouden is het hem,
niettegenstaande ieder andersluidend beding, geoorloofd aan zijn
schuldeisers in rechte afstand te doen van al zijn goederen.
Art. 1269. Gerechtelijke boedelafstand kent aan de schuldeisers de
eigendom niet toe; hij verleent hun slechts het recht om de goederen
te hunnen voordele te doen verkopen, en tot aan de verkoping de
inkomsten ervan te ontvangen.
Art. 1270. Behalve in de gevallen door de wet uitgezonderd, kunnen
de schuldeisers de gerechtelijke boedelafstand niet weigeren.
Deze heeft ontslag van de lijfsdwang ten gevolge.
Overigens bevrijdt hij de schuldenaar slechts ten belope van de
waarde van de overgelaten goederen; ingeval die ontoereikend waren
en de schuldenaar andere goederen verkrijgt, is hij verplicht deze
laatste over te laten tot algehele voldoening toe.
AFDELING II. - SCHULDVERNIEUWING.
Art. 1271. Schuldvernieuwing komt tot stand op drieërlei wijze :
1° Wanneer de schuldenaar tegenover zijn schuldeiser een nieuwe
schuld aangaat welke gesteld wordt in de plaats van de oude, die
teniet gaat;
2° Wanneer een nieuwe schuldenaar gesteld wordt in de plaats van de
vorige, die door de schuldeiser van zijn verbintenis ontslagen
wordt;
3° Wanneer, ten gevolge van een nieuwe verbintenis, een nieuwe
schuldeiser gesteld wordt in de plaats van de vorige, ten opzichte
van wie de schuldenaar van zijn verbintenis ontslagen wordt.
Art. 1272. Schuldvernieuwing kan slechts tot stand komen tussen
personen die bekwaam zijn om contracten aan te gaan.
Art. 1273. Schuldvernieuwing wordt niet vermoed; de wil om ze tot
stand te brengen moet duidelijk uit de handeling blijken.
Art. 1274. Schuldvernieuwing door het in de plaats stellen van een
nieuwe schuldenaar kan tot stand komen zonder de medewerking van de
eerste schuldenaar.
Art. 1275. Een delegatie, waarbij een schuldenaar aan de schuldeiser
een andere schuldenaar geeft die zich tegenover de schuldeiser
verbindt, brengt geen schuldvernieuwing teweeg, indien de
schuldeiser niet uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij zijn
schuldenaar die de delegatie gedaan heeft, van zijn verbintenis wil
ontslaan.
Art. 1276. De schuldeiser die de schuldenaar door wie de delegatie
gedaan is, heeft ontslagen, heeft geen verhaal op deze schuldenaar,
indien de in de plaats gestelde schuldenaar onvermogend wordt,
tenzij bij de overeenkomst uitdrukkelijk voorbehoud daaromtrent is
gemaakt, of tenzij de in de plaats gestelde schuldenaar ten tijde
van de delegatie zich reeds in staat van faillissement of in staat
van kennelijk onvermogen bevond.
Art. 1277. _ De enkele aanwijzing, door de schuldenaar, van een
persoon die in zijn plaats moet betalen, brengt geen
schuldvernieuwing teweeg.
Hetzelfde geldt voor de enkele aanwijzing, door de schuldeiser, van
een persoon die voor hem moet ontvangen.
Art. 1278. De voorrechten en hypotheken die aan de oude
schuldvordering verbonden waren, volgen de schuldvordering die in
haar plaats gesteld wordt, niet, tenzij de schuldeiser zich die
uitdrukkelijk heeft voorbehouden.
Art. 1279. Wanneer schuldvernieuwing tot stand komt doordat een
nieuwe schuldenaar gesteld wordt in de plaats van de vorige
schuldenaar, kunnen de oorspronkelijke voorrechten en hypotheken,
aan de schuldvordering verbonden, niet overgaan op de goederen van
de nieuwe schuldenaar.
Art. 1280. Wanneer schuldvernieuwing tot stand komt tussen de
schuldeiser en een van de hoofdelijke schuldenaars, kunnen de aan de
oude schuldvordering verbonden voorrechten en hypotheken alleen
voorbehouden worden op de goederen van degene die de nieuwe schuld
aangaat.
Art. 1281. Door schuldvernieuwing, tussen de schuldeiser en een van
de hoofdelijke schuldenaars tot stand gekomen, zijn de
medeschuldenaars bevrijd.
Schuldvernieuwing, ten aanzien van de hoofdschuldenaar tot stand
gekomen, bevrijdt de borgen.
Wanneer echter de schuldeiser, in het eerste geval, de toetreding
van de medeschuldenaars of, in het tweede geval, die van de borgen
geëist heeft, blijft de oude schuldvordering bestaan, indien de
medeschuldenaars of de borgen weigeren tot de nieuwe schikking toe
te treden.
AFDELING III. - KWIJTSCHELDING VAN SCHULD.
Art. 1282. Vrijwillige teruggave van de oorspronkelijke onderhandse
titel door de schuldeiser aan de schuldenaar, bewijst de bevrijding
van de schuldenaar.
Art. 1283. Vrijwillige teruggave van de grosse van een titel doet
kwijtschelding of betaling van de schuld vermoeden, behoudens
tegenbewijs.
Art. 1284. Teruggave van de oorspronkelijke onderhandse titel of van
de grosse van de titel aan een van de hoofdelijke schuldenaars,
heeft hetzelfde gevolg ten voordele van zijn medeschuldenaars.
Art. 1285. Kwijtschelding of ontslag bij overeenkomst ten voordele
van een van de hoofdelijke medeschuldenaars, bevrijdt al de
overigen, tenzij de schuldeiser zich uitdrukkelijk zijn rechten
tegen hen heeft voorbehouden.
In dit laatste geval kan hij de schuld niet invorderen dan na aftrek
van het aandeel van degene aan wie hij kwijtschelding verleend
heeft.
Art. 1286. Teruggave van de in pand gegeven zaak is niet voldoende
om kwijtschelding van de schuld te doen vermoeden.
Art. 1287. Kwijtschelding of ontslag, bij overeenkomst aan de
hoofdschuldenaar verleend, bevrijdt de borgen;
Aan de borg verleend, bevrijdt zij de hoofdschuldenaar niet;
Aan een van de borgen verleend, bevrijdt zij de overigen niet.
Art. 1288. Hetgeen de schuldeiser ontvangen heeft van een borg, om
deze van zijn borgstelling te ontslaan, moet in mindering gebracht
worden van de schuld en moet strekken tot ontlasting van de
hoofdschuldenaar en van de overige borgen.
AFDELING IV. - SCHULDVERGELIJKING.
Art. 1289. Wanneer twee personen elkaars schuldenaar zijn, heeft
tussen hen schuldvergelijking plaats, waardoor de twee schulden
teniet gaan, op de wijze en in de gevallen hierna vermeld.
Art. 1290. Schuldvergelijking heeft van rechtswege plaats uit kracht
van de wet, zelfs buiten weten van de schuldenaars; de twee schulden
vernietigen elkaar op het ogenblik dat zij tegelijk bestaan, ten
belope van hun wederkerig bedrag.
Art. 1291. Schuldvergelijking heeft alleen plaats tussen twee
schulden die beide tot voorwerp hebben een geldsom of een zekere
hoeveelheid vervangbare zaken van dezelfde soort en die beide
vaststaande en opeisbaar zijn.
Niet betwiste verplichtingen tot levering van granen of waren,
waarvan de prijs door de officiële marktberichten wordt bepaald,
kunnen in vergelijking gebracht worden met geldschulden die
vaststaande en opeisbaar zijn.
Art. 1292. Uitstel van betaling verhindert de schuldvergelijking
niet.
Art. 1293. Schuldvergelijking heeft plaats, uit welke oorzaak de
wederzijdse schulden ook ontstaan, uitgezonderd in geval van :
1° Een eis tot teruggave van een zaak die de eigenaar
wederrechtelijk is ontnomen;
2° Een eis tot teruggave van iets dat in bewaring of in bruikleen is
gegeven;
3° Een schuld uit hoofde van levensonderhoud dat verklaard is niet
vatbaar voor beslag te zijn.
Art. 1294. De borg kan in vergelijking brengen hetgeen de
schuldeiser aan de hoofdschuldenaar verschuldigd is;
De hoofdschuldenaar kan echter niet in vergelijking brengen hetgeen
de schuldeiser aan de borg verschuldigd is.
De hoofdelijke schuldenaar kan evenmin in vergelijking brengen
hetgeen de schuldeiser aan zijn medeschuldenaar verschuldigd is.
Art. 1295. <W 1994-07-06/32, art. 6, 002; Inwerkingtreding :
25-07-1994> Wanneer de overdracht aan de schuldenaar ter kennis werd
gebracht of door de schuldenaar werd erkend, kan deze laatste zich
niet meer beroepen op de schuldvergelijking van de schuldvorderingen
die daarna tot stand komt.
Art. 1296. Wanneer beide schulden niet op dezelfde plaats betaalbaar
zijn, kunnen zij niet in vergelijking gebracht worden dan met
vergoeding van de kosten der overmaking.
Art. 1297. Wanneer verscheidene voor vergelijking vatbare schulden
bestaan ten laste van een zelfde persoon, volgt men, voor de
schuldvergelijking, de regels bij artikel 1256 voorgeschreven voor
de toerekening.
Art. 1298. Schuldvergelijking heeft niet plaats ten nadele van de
verkregen rechten van een derde. Aldus kan hij die, schuldenaar
zijnde, schuldeiser geworden is nadat in zijn handen door iemand
beslag onder derden is gelegd, zich op de schuldvergelijking niet
beroepen ten nadele van de beslaglegger.
Art. 1299. Hij die een schuld betaald heeft die van rechtswege door
vergelijking was teniet gegaan, kan, bij het verhalen van de
schuldvordering die hij niet in vergelijking gebracht heeft, zich
ten nadele van derden niet meer beroepen op de voorrechten of
hypotheken welke aan deze schuldvordering verbonden waren, tenzij
hij een gegronde reden heeft gehad om onkundig te zijn van de
schuldvordering waarmee zijn schuld moest worden in vergelijking
gebracht.
AFDELING V. - SCHULDVERMENGING.
Art. 1300. Wanneer de hoedanigheden van schuldeiser en schuldenaar
in dezelfde persoon verenigd worden, heeft van rechtswege
schuldvermenging plaats, waardoor de twee schuldvorderingen teniet
gaan.
Art. 1301. Schuldvermenging die in de persoon van de
hoofdschuldenaar plaatsheeft, strekt tot voordeel van zijn borgen;
Schuldvermenging die in de persoon van de borg plaatsheeft, doet
geenszins de hoofdverbintenis teniet;
Schuldvermenging die in de persoon van de schuldeiser plaatsheeft,
strekt niet verder tot voordeel van zijn hoofdelijke
medeschuldenaars dan voor het aandeel waarvoor hij schuldenaar was.
AFDELING VI. - VERLIES VAN DE VERSCHULDIGDE ZAAK.
Art. 1302. Wanneer de zekere en bepaalde zaak die het voorwerp van
de verbintenis uitmaakte, teniet gaat, buiten de handel gesteld
wordt, of verloren gaat zodanig dat men van haar bestaan geheel
onkundig is, vervalt de verbintenis, indien de zaak is teniet gegaan
of verloren buiten de schuld van de schuldenaar en vooraleer hij in
gebreke was.
Zelfs wanneer de schuldenaar in gebreke is, en indien hij het toeval
niet te zijnen laste heeft genomen, vervalt de verbintenis, ingeval
de zaak eveneens bij de schuldeiser zou zijn teniet gegaan, ware zij
hem geleverd.
De schuldenaar is gehouden het toeval waarop hij zich beroept, te
bewijzen.
Wanneer een gestolen zaak op enigerlei wijze teniet of verloren
gegaan is, ontslaat dit verlies de ontvreemder niet van de
verplichting om de waarde te vergoeden.
Art. 1303. Wanneer de zaak is teniet gegaan, buiten de handel is
gesteld of is verloren gegaan, buiten de schuld van de schuldenaar,
is deze gehouden, ingeval hij omtrent die zaak enig recht of enige
vordering tot schadevergoeding bezit, dat recht of die vordering aan
zijn schuldeiser af te staan.
AFDELING VII. - VORDERING TOT NIETIGVERKLARING OF TOT VERNIETIGING
VAN DE OVEREENKOMSTEN.
Art. 1304. In alle gevallen waarin de rechtsvordering tot
nietigverklaring of tot vernietiging van een overeenkomst niet door
een bijzondere wet tot een kortere tijd is beperkt, duurt deze
rechtsvordering tien jaren.
(In geval van geweld begint deze tijd eerst te lopen van de dag
waarop dit heeft opgehouden en, in geval van dwaling of van bedrog,
van de dag waarop deze zijn ontdekt) <W 14-07-1976, art, IV, 11>
Ten aanzien van handelingen van onbekwaamverklaarden, begint de tijd
te lopen van de dag waarop de onbekwaamverklaring is opgeheven; en
ten aanzien van handelingen van minderjarigen, van de dag van de
meerderjarigheid.
<NOTA : Bij wijze van overgangsmaatregel (zie art. IV, 47, § 2, W.
14 juli 1976) blijft de hierna volgende tekst (zijnde het tweede lid
van de vroegere tekst van art. 1304 B.W.) van kracht in de voorziene
gevallen : In geval van geweld begint deze tijd te lopen van de dag
waarop dit heeft opgehouden; in geval van dwaling of van bedrog, van
de dag waarop deze zijn ontdekt; en voor handelingen door gehuwde
vrouwen zonder machtiging verricht, van de dag van de ontbinding van
het huwelijk.>
Art. 1305. Eenvoudige benadeling levert grond op voor vernietiging
ten voordele van de niet ontvoogde minderjarige, wat betreft alle
soorten van overeenkomsten; en ten voordele van de ontvoogde
minderjarige, wat betreft alle overeenkomsten die de grenzen van
zijn bekwaamheid te buiten gaan, zoals deze bepaald is in de titel
Minderjarigheid, voogdij en ontvoogding.
Art. 1306. De minderjarige kan niet in zijn recht hersteld worden
uit hoofde van benadeling, wanneer deze enkel het gevolg is van een
toevallige en onvoorziene gebeurtenis.
Art. 1307. De enkele verklaring van de minderjarige dat hij
meerderjarig is, verhindert niet dat hij in zijn recht hersteld
wordt.
Art. 1308. (Opgeheven) <W 19-01-1990, art. 35>
Art. 1309. <W 19-01-1990, art. 36> De minderjarige kan niet in zijn
recht hersteld worden betreffende overeenkomsten in zijn
huwelijkscontract vervat, wanneer die zijn aangegaan met de bijstand
van zijn ouders, één van hen, of bij ontstentenis daarvan, met de
toestemming van de jeugdrechtbank.
Art. 1310. Hij kan niet in zijn recht hersteld worden tegen de
verbintenissen die volgen uit zijn misdrijf of oneigenlijk misdrijf.
Art. 1311. Hij is niet meer ontvankelijk om op te komen tegen een
verbintenis die hij tijdens zijn minderjarigheid heeft aangegaan,
hetzij die verbintenis nietig was naar de vorm of slechts aanleiding
gaf tot herstel, wanneer hij de verbintenis na zijn meerderjarigheid
heeft bekrachtigd.
Art. 1312. <W 30-04-1958, art. 7> Wanneer minderjarigen of
onbekwaamverklaarden, als zodanig, worden toegelaten tot herstel in
hun recht tegen hun verbintenissen, kan hetgeen ten gevolge van die
verbintenissen is betaald tijdens de minderjarigheid of de
onbekwaamverklaring, van hen niet worden teruggevorderd, tenzij
bewezen is dat het betaalde tot hun voordeel gestrekt heeft.
Art. 1313. Meerderjarigen worden, uit hoofde van benadeling, in hun
recht niet hersteld dan in de gevallen en onder de voorwaarden die
in dit Wetboek uitdrukkelijk bepaald zijn.
Art. 1314. Wanneer de formaliteiten, ten aanzien van minderjarigen
of van onbekwaamverklaarden vereist, hetzij voor de vervreemding van
onroerende goederen, hetzij bij de verdeling van een nalatenschap,
zijn in acht genomen, worden de minderjarigen of
onbekwaamverklaarden, met betrekking tot die handelingen, beschouwd
alsof zij die verricht hadden na hun meerderjarigheid of voor hun
onbekwaamverklaring.
HOOFDSTUK VI. - BEWIJS VAN DE VERBINTENISSEN EN BEWIJS VAN DE
BETALING.
Art. 1315. Hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, moet
het bestaan daarvan bewijzen.
Omgekeerd moet hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren
van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn
verbintenis heeft teweeggebracht.
Art. 1316. De regels betreffende het schriftelijk bewijs, het bewijs
door getuigen, de vermoedens, de bekentenis van partijen en de eed,
worden in de volgende afdelingen bepaald.
AFDELING I. - SCHRIFTELIJK BEWIJS.
§ I. DE AUTHENTIEKE TITEL.
Art. 1317. Een authentieke akte is een akte die in de wettelijke
vorm is verleden voor openbare ambtenaren die daartoe bevoegd zijn
ter plaatse waar zij is opgemaakt.
(Ze mag op elke informatiedrager geplaatst worden, mits ze opgemaakt
en bewaard wordt onder de door de Koning, bij een besluit
vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaalde voorwaarden.) <W
2003-03-11/32, art. 28, 011; Inwerkingtreding : 27-03-2003>
Art. 1318. Een akte die, uit hoofde van onbevoegdheid of
onbekwaamheid van de ambtenaar of uit hoofde van een gebrek in de
vorm, geen authentieke akte is, geldt als onderhands geschrift,
indien zij door de partijen ondertekend is.
Art. 1319. De authentieke akte levert tussen de contracterende
partijen en hun erfgenamen of rechtverkrijgenden een volledig bewijs
op van de overeenkomst die erin is vervat.
Echter wordt, in geval van betichting van valsheid als
hoofdvordering, de uitvoering van de akte die men beweert vals te
zijn, door de inbeschuldigingstelling geschorst; en, in geval van
betichting van valsheid (...), kunnen de rechtbanken, naar gelang
van de omstandigheden, de uitvoering van de akte voorlopig schorsen.
<W 10-10-1967, art. 103>
Art. 1320. De akte, zij het een authentieke of een onderhandse,
levert tussen partijen bewijs op, zelfs van hetgeen daarin slechts
bij wijze van vermelding wordt uitgedrukt, mits de vermelding
rechtstreeks verband houdt met de beschikking. Vermeldingen buiten
verband met de beschikking kunnen alleen dienen tot begin van
bewijs.
Art. 1321. Tegenbrieven kunnen enkel tussen de contracterende
partijen gevolg hebben; zij werken niet tegen derden.
§ II. DE ONDERHANDSE AKTE.
Art. 1322. Een onderhandse akte die erkend is door degenen tegen wie
men zich daarop beroept, of die wettelijk voor erkend wordt
gehouden, heeft tussen de ondertekenaars van de akte en tussen hun
erfgenamen en rechtverkrijgenden dezelfde bewijskracht als een
authentieke akte.
(Kan, voor de toepassing van dit artikel, voldoen aan de vereiste
van een handtekening, een geheel van elektronische gegevens dat aan
een bepaalde persoon kan worden toegerekend en het behoud van de
integriteit van de inhoud van de akte aantoont.) <W 2000-10-20/40,
art. 2, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art. 1323. Hij tegen wie men zich op een onderhandse akte beroept,
is verplicht zijn schrift of zijn handtekening op stellige wijze te
erkennen of te ontkennen.
Zijn erfgenamen of rechtverkrijgenden kunnen volstaan met te
verklaren dat zij het schrift of de handtekening van hun
rechtsvoorganger niet kennen.
Art. 1324. Ingeval een partij haar schrift of haar handtekening
ontkent, en ingeval haar erfgenamen of rechtverkrijgenden verklaren
dat zij dat schrift of die handtekening niet kennen, wordt een
gerechtelijk onderzoek naar de echtheid ervan bevolen.
Art. 1325. Onderhandse akten die wederkerige overeenkomsten
bevatten, zijn slechts geldig voor zover zij opgemaakt zijn in
zoveel originelen als er partijen zijn die een onderscheiden belang
hebben.
Eén origineel is voldoende voor allen die hetzelfde belang hebben.
In elk origineel moet vermeld worden hoeveel originelen zijn
opgemaakt.
Echter kan het ontbreken van de vermelding dat de originelen in
tweevoud, drievoud enz., zijn opgemaakt niet ingeroepen worden door
hem die zijnerzijds de overeenkomst heeft uitgevoerd, welke in de
akte is vervat.
Art. 1326. Een onderhands biljet of een onderhandse belofte waarbij
een enkele partij zich tegenover de andere verbindt om haar een
geldsom of een waardeerbare zaak te betalen, moet geheel geschreven
zijn met de hand van de ondertekenaar; of tenminste moet deze,
benevens zijn handtekening, met de hand een goed voor of een
goedgekeurd voor geschreven hebben, waarbij de som of de hoeveelheid
van de zaak voluit in letters is uitgedrukt.
Uitgezonderd ingeval de akte uitgaat van kooplieden, ambachtslieden,
landbouwers, wijngaardeniers, dagloners of dienstboden.
Art. 1327. Indien de som die in de akte zelf is uitgedrukt,
verschilt van die welke bij het "goed voor" is uitgedrukt, wordt de
verbintenis vermoed slechts voor de minste som te zijn aangegaan,
zelfs wanneer de akte, alsook het "goed voor", geheel geschreven
zijn met de hand van hem die zich verbonden heeft, tenzij bewezen
wordt waar de vergissing ligt.
Art. 1328. Onderhandse akten hebben, ten aanzien van derden, geen
dagtekening dan van de dag waarop zij zijn geregistreerd, ofwel van
de dag van het overlijden van degene of van een van degenen die de
akten ondertekend hebben, ofwel van de dag waarop de hoofdinhoud
ervan is vastgesteld in akten door openbare ambtenaren opgemaakt,
zoals processen-verbaal van verzegeling of van boedelbeschrijving.
Art. 1329. Koopmansboeken bewijzen de daarin vermelde leveringen
niet tegen personen die geen koopman zijn, behoudens wat met
betrekking tot de eed zal worden bepaald.
Art. 1330. Boeken van kooplieden leveren bewijs op tegen hen; maar
hij die daaruit voordeel wil trekken, kan ze niet splitsen met het
oog op hetgeen daarin strijdig is met zijn bewering.
Art. 1331. Huiselijke registers en papieren leveren geen bewijs op
ten voordele van degene die ze geschreven heeft. Zij leveren bewijs
op tegen hem : 1° in alle gevallen waarin zij uitdrukkelijk melding
maken van een ontvangen betaling; 2° wanneer zij uitdrukkelijk
vermelden dat de aantekening gemaakt is om te voorzien in het
ontbreken van een titel ten behoeve van degene in wiens voordeel zij
een verbintenis vaststellen.
Art. 1332. Aantekeningen, door de schuldeiser geschreven aan de
voet, op de kant of op de rug van een titel die altijd in zijn bezit
gebleven is, leveren bewijs op, hoewel zij door hem noch ondertekend
noch gedagtekend zijn, wanneer zij ertoe strekken de bevrijding van
de schuldenaar vast te stellen.
Hetzelfde geldt voor aantekeningen door de schuldeiser geschreven op
de rug, of op de kant, of aan de voet van het dubbel van een titel
of van een kwijting, mits dit dubbel in handen van de schuldenaar
is.
§ III. KERVEN.
Art. 1333. Kerven die met hun tegenkerven overeenkomen, leveren
bewijs op tussen personen die gewoon zijn de leveringen in het
klein, welke zij doen of ontvangen, op deze wijze vast te stellen.
§ IV. AFSCHRIFTEN VAN TITELS.
Art. 1334. Wanneer de oorspronkelijke titel nog bestaat, leveren de
afschriften alleen bewijs op van wat voorkomt in de titel, waarvan
de vertoning altijd kan worden gevorderd.
Art. 1335. _ Wanneer de oorspronkelijke titel niet meer bestaat,
leveren de afschriften bewijs op naar de volgende onderscheidingen :
1° De grossen of eerste uitgiften hebben dezelfde bewijskracht als
het origineel; hetzelfde geldt voor afschriften die gemaakt zijn op
rechterlijk gezag, in tegenwoordigheid van de partijen of deze
behoorlijk opgeroepen zijnde, of voor afschriften die gemaakt zijn
in tegenwoordigheid van de partijen en met hun wederzijdse
toestemming;
2° De afschriften die niet op rechterlijk gezag, of zonder
toestemming van de partijen, en sinds het afgeven van de grossen of
eerste uitgiften, volgens de minuut van de akte gemaakt zijn door de
notaris voor wie de akte is verleden, of door een van zijn
opvolgers, of door openbare ambtenaren die, als zodanig, de minuten
in bewaring hebben, kunnen, ingeval het origineel is verloren
gegaan, bewijs opleveren, wanneer het oude afschriften zijn;
Zij worden als oude afschriften beschouwd, wanneer zij meer dan
dertig jaar oud zijn;
Indien zij minder dan dertig jaar oud zijn, kunnen zij slechts
dienen tot begin van bewijs door geschrift;
3° Wanneer de afschriften van de minuut van een akte gemaakt zijn
door anderen dan de notaris voor wie de akte is verleden, of een van
zijn opvolgers, of openbare ambtenaren die, als zodanig, de minuten
in bewaring hebben, kunnen die afschriften, hoe oud zij ook zijn,
slechts dienen tot begin van bewijs door geschrift;
4° Afschriften van afschriften kunnen, naar gelang van de
omstandigheden worden beschouwd als eenvoudige inlichtingen.
Art. 1336. De overschrijving van een akte in de openbare registers
kan slechts dienen tot begin van bewijs door geschrift; en daartoe
is zelfs vereist :
1° Dat het vaststaat dat alle minuten van de notaris uit het jaar
waarin de akte schijnt te zijn opgemaakt, verloren zijn, of dat men
bewijst dat de minuut van die akte door een bijzonder voorval is
verloren gegaan;
2° Dat er een behoorlijk gehouden repertorium van de notaris
bestaat, waaruit blijkt dat de akte op dezelfde datum is opgemaakt.
Wanneer, ten gevolge van de samenloop van deze beide omstandigheden,
het bewijs door getuigen wordt toegelaten, moeten de personen die
bij de akte getuige zijn geweest, indien zij nog in leven zijn,
gehoord worden.
§ V. AKTEN VAN ERKENNING EN VAN BEVESTIGING.
Art. 1337. Akten van erkenning ontslaan niet van de verplichting om
de oorspronkelijke titel te vertonen, tenzij de inhoud van die titel
daarin bepaaldelijk is weergegeven.
Hetgeen daarin meer staat dan in de oorspronkelijke titel of van die
titel afwijkt, heeft geen gevolg.
Zijn er echter verscheidene gelijkluidende akten van erkenning die
door het bezit gestaafd worden en waarvan een meer dan dertig jaar
oud is, dan kan de schuldeiser ontslagen worden van de verplichting
om de oorspronkelijke titel te vertonen.
Art. 1338. Een akte van bevestiging of bekrachtiging van een
verbintenis waartegen de wet een vordering tot nietigverklaring of
tot vernietiging toelaat, is slechts geldig, indien in de akte wordt
melding gemaakt van de hoofdinhoud van de verbintenis, van de reden
waarom de vernietiging kan worden gevorderd en van de bedoeling om
het gebrek, waarop die vordering berust, te verbeteren.
Bij gebrek van een akte van bevestiging of bekrachtiging, is het
voldoende dat de verbintenis vrijwillig is uitgevoerd na de tijd,
waarop zij op geldige wijze bevestigd of bekrachtigd kon worden.
Uit de bevestiging, bekrachtiging of vrijwillige uitvoering in de
vorm en op het tijdstip door de wet bepaald, volgt de afstand van de
middelen en excepties die men tegen die akte kon inroepen,
onverminderd nochtans de rechten van derden.
Art. 1339. De schenker kan de gebreken van een schenking onder de
levenden niet verhelpen door enige akte van bevestiging; de
schenking die nietig is wat de vorm betreft, moet in de wettelijke
vorm opnieuw gedaan worden
Art. 1340. Uit de bevestiging, bekrachtiging of vrijwillige
uitvoering van een schenking door de erfgenamen of
rechtverkrijgenden van de schenker, na zijn overlijden, volgt de
afstand hunnerzijds van het recht om zich te beroepen hetzij op
gebreken in de vorm, hetzij op enige andere exceptie.
AFDELING II. - BEWIJS DOOR GETUIGEN.
Art. 1341. (Een akte voor een notaris of een onderhandse akte moet
worden opgemaakt van alle zaken die de som of de waarde van (375
EUR) te boven gaan, zelfs betreffende vrijwillige bewaargevingen;
het bewijs door getuigen wordt niet toegelaten tegen en boven de
inhoud van de akten, en evenmin omtrent hetgeen men zou beweren
voor, tijdens of sinds het opmaken te zijn gezegd, al betreft het
ook een som of een waarde van minder dan (375 EUR).) <W 10-12-1990,
art. 1> <KB 2000-07-20/58, art. 1, 007; Inwerkingtreding :
01-01-2002>
Een en ander onverminderd hetgeen wordt voorgeschreven in de wetten
betreffende de koophandel.
Art. 1342. De hiervoren bepaalde regel is van toepassing ingeval een
vordering, benevens de eis van het kapitaal, ook de eis omvat van
interest die, samen met het kapitaal, meer dan ((375 EUR)) bedraagt.
<W 10-12-1990, art. 2> <KB 2000-07-20/58, art. 1, 007;
Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Art. 1343. Hij die een vordering heeft ingesteld die meer dan ((375
EUR)) bedraagt, kan tot het bewijs door getuigen niet meer
toegelaten worden, zelfs al verminderde hij zijn oorspronkelijke
vordering. <W 10-12-1990, art. 2> <KB 2000-07-20/58, art. 1, 007;
Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Art. 1344. Zelfs indien de gevorderde som minder bedraagt dan ((375
EUR)), kan het bewijs door getuigen niet toegelaten worden, wanneer
blijkt dat die som het overschot of een gedeelte is van een grotere
schuldvordering die niet door geschrift bewezen is. <W 10-12-1990,
art. 2> <KB 2000-07-20/58, art. 1, 007; Inwerkingtreding :
01-01-2002>
Art. 1345. Indien een partij in een zelfde geding verscheidene eisen
instelt, waarvoor geen schriftelijke titel bestaat, en die eisen,
samen genomen, meer dan ((375 EUR)) bedragen, kan het bewijs door
getuigen niet toegelaten worden, zelfs indien de partij beweert dat
die schuldvorderingen voortkomen uit verschillende oorzaken, en dat
zij ontstaan zijn op verschillende tijdstippen, behalve wanneer die
rechten door erfenis, door schenking of op andere wijze, van
verschillende personen afkomstig zijn. <W 10-12-1990, art. 2> <KB
2000-07-20/58, art. 1, 007; ED : 01-01-2002>
Art. 1346. Alle eisen, uit welken hoofde ook, die niet volledig door
geschrift bewezen zijn, worden bij één en hetzelfde exploot
ingesteld; na dit exploot zijn de overige eisen, waarvoor geen
schriftelijk bewijs aanwezig is, niet meer ontvankelijk.
Art. 1347. De hiervoor bepaalde regels lijden uitzondering, wanneer
er een begin van bewijs door geschrift aanwezig is.
Men noemt begin van bewijs door geschrift elke geschreven akte die
uitgegaan is van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld, of
van de persoon door hem vertegenwoordigd, en waardoor het beweerde
feit waarschijnlijk wordt gemaakt.
Art. 1348. Die regels lijden eveneens uitzondering in alle gevallen
waarin het de schuldeiser niet mogelijk geweest is zich een
schriftelijk bewijs te verschaffen van de verbintenis die jegens hem
is aangegaan.
Deze tweede uitzondering is van toepassing :
1° Op verbintenissen die ontstaan uit oneigenlijke contracten en uit
misdrijven of oneigenlijke misdrijven;
2° Op bewaargevingen uit noodzaak in geval van brand, instorting,
wanordelijkheden of schipbreuk, en op bewaargevingen door reizigers
die hun intrek nemen in een hotel, alles naar gelang van de
hoedanigheid van de personen en de omstandigheden van het feit;
3° Op verbintenissen die aangegaan worden bij onvoorziene
voorvallen, waarbij men geen schriftelijke akten heeft kunnen
opmaken;
4° Ingeval de schuldeiser de titel die hem tot schriftelijk bewijs
diende, verloren heeft ten gevolge van een onvoorzien en door
overmacht veroorzaakt toeval.
AFDELING III. - VERMOEDENS.
Art. 1349. Vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de wet of de rechter
afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit.
§ 1. VERMOEDENS DIE BIJ DE WET ZIJN INGESTELD.
Art. 1350. Een wettelijk vermoeden is het vermoeden dat door een
bijzondere wetsbepaling met zekere handelingen of met zekere feiten
verbonden is; zodanig zijn :
1° De handelingen die de wet nietig verklaart, omdat zij uit hun
aard zelf vermoed worden te zijn verricht om wetsbepalingen te
ontduiken;
2° De gevallen waarin de wet de eigendom of de bevrijding van schuld
uit zekere bepaalde omstandigheden afleidt;
3° Het gezag dat de wet aan het rechterlijk gewijsde toekent;
4° De kracht die de wet aan de bekentenis of aan de eed van partijen
toekent.
Art. 1351. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 22>
Art. 1352. Het wettelijk vermoeden ontslaat degene in wiens voordeel
het bestaat, van ieder bewijs.
Geen bewijs wordt tegen het wettelijk vermoeden toegelaten, wanneer
de wet, op grond van dit vermoeden, bepaalde handelingen nietig
verklaart of de rechtsvordering ontzegt, tenzij de wet het
tegenbewijs heeft vrijgelaten, en onverminderd hetgeen omtrent de
gerechtelijke eed en de gerechtelijke bekentenis zal worden bepaald.
§ II. VERMOEDENS DIE NIET BIJ DE WET ZIJN INGESTELD.
Art. 1353. Vermoedens die niet bij de wet zijn ingesteld, worden
overgelaten aan het oordeel en aan het beleid van de rechter, die
geen andere dan gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende
vermoedens zal aannemen, en zulks alleen in de gevallen waarin de
wet het bewijs door getuigen toelaat, behalve wanneer tegen een
handeling uit hoofde van arglist of bedrog wordt opgekomen.
AFDELING IV. - BEKENTENIS VAN PARTIJEN.
Art. 1354. De bekentenis waarop men zich tegen een partij beroept,
is ofwel buitengerechtelijk ofwel gerechtelijk
Art. 1355. Een zuiver mondelinge buitengerechtelijke bekentenis kan
niet worden ingeroepen, wanneer het een eis betreft waarvan het
bewijs door getuigen niet zou kunnen worden toegelaten.
Art. 1356. Een gerechtelijke bekentenis is een verklaring die in
rechte gedaan wordt door de partij of door haar bijzondere
gevolmachtigde.
Zij levert een volledig bewijs op tegen hem die de bekentenis gedaan
heeft.
Zij mag niet te zijnen nadele gesplitst worden.
Zij kan niet herroepen worden, tenzij men bewijst dat zij het gevolg
is van een dwaling omtrent de feiten. Zij zou niet kunnen herroepen
worden onder voorwendsel van een dwaling omtrent het recht.
AFDELING V. - DE EED.
Art. 1357. De gerechtelijke eed is van tweeërlei aard :
1° Die welke door de ene partij aan de andere wordt opgedragen om de
beslissing van de zaak daarvan te doen afhangen : deze wordt
beslissende eed genoemd;
2° Die welke door de rechter ambtshalve aan een van beide partijen
wordt opgelegd.
§ I. DE BESLISSENDE EED.
Art. 1358. De beslissende eed kan worden opgedragen omtrent alle
geschillen, van welke aard ook.
Art. 1359. Hij kan alleen worden opgedragen omtrent een feit waarbij
de partij, aan wie men hem opdraagt, persoonlijk betrokken is.
Art. 1360. Hij kan opgedragen worden in elke stand van het geding,
zelfs wanneer van de eis of van de exceptie waaromtrent hij
gevorderd wordt, geen begin van bewijs aanwezig is.
Art. 1361. De partij aan wie de eed is opgedragen en die weigert hem
af te leggen of er niet in toestemt hem aan de tegenpartij terug te
wijzen, of de tegenpartij aan wie de eed is teruggewezen en die
weigert hem af te leggen, moet in haar eis of in haar exceptie in
het ongelijk worden gesteld.
Art. 1362. _ De eed mag niet teruggewezen worden, wanneer niet beide
partijen persoonlijk zijn betrokken bij het feit dat het voorwerp
ervan uitmaakt, maar alleen de partij aan wie de eed is opgedragen.
Art. 1363. Wanneer de opgedragen of teruggewezen eed is afgelegd, is
de tegenpartij niet ontvankelijk om de valsheid daarvan te bewijzen.
Art. 1364. De partij die de eed heeft opgedragen of teruggewezen,
kan daarop niet meer terugkomen, wanneer de tegenpartij zich heeft
bereid verklaard die eed af te leggen.
Art. 1365. De gedane eed levert alleen bewijs op ten voordele van
hem die de eed heeft opgedragen of tegen hem, en ten voordele van
zijn erfgenamen en rechtverkrijgenden of tegen hen.
Wanneer echter de eed door een van de hoofdelijke schuldeisers is
opgedragen aan de schuldenaar, bevrijdt hij de schuldenaar niet
verder dan voor het aandeel van die schuldeiser;
De eed aan de hoofdschuldenaar opgedragen, bevrijdt eveneens de
borgen;
De eed aan een van de hoofdelijke schuldenaars opgedragen, strekt
ten voordele van de medeschuldenaars;
En de eed aan de borg opgedragen, strekt ten voordele van de
hoofdschuldenaar.
In de laatste twee gevallen strekt de eed van de hoofdelijke
medeschuldenaar of van de borg alleen dan ten voordele van de
overige medeschuldenaars of van de hoofdschuldenaar, indien hij is
opgedragen omtrent de schuld zelf, en niet omtrent de hoofdelijkheid
of de borgtocht.
§ II. DE AMBTSHALVE OPGELEGDE EED.
Art. 1366. De rechter kan aan een van de partijen de eed opleggen,
hetzij om de beslissing van de zaak daarvan te doen afhangen, hetzij
alleen om het bedrag van de veroordeling te bepalen.
Art. 1367. De rechter kan de eed, hetzij omtrent de eis, hetzij
omtrent de exceptie die tegen de eis wordt opgeworpen, alleen dan
ambtshalve opleggen, wanneer aan de twee volgende voorwaarden
voldaan is :
1° Dat de eis of de exceptie niet volledig bewezen is;
2° Dat de eis of de exceptie niet geheel van bewijs ontbloot is.
Buiten deze twee gevallen moet de rechter de eis zonder meer
toewijzen of ontzeggen.
Art. 1368. De eed die de rechter ambtshalve oplegt aan een van de
partijen, kan door deze niet aan de andere worden teruggewezen.
Art. 1369. De eed omtrent de waarde van de gevorderde zaak kan door
de rechter aan de eiser niet worden opgelegd, dan wanneer het
onmogelijk is die waarde op andere wijze vast te stellen.
Zelfs moet de rechter in dat geval de som bepalen, ten belope
waarvan de eiser op zijn eed zal worden geloofd.
TITEL IV. - VERBINTENISSEN BUITEN OVEREENKOMST.
Art. 1370. Sommige verbintenissen ontstaan zonder dat er enige
overeenkomst is, noch van de zijde van degene die zich verbindt,
noch van de zijde van degene tegenover wie hij verbonden is.
De ene ontstaan uit kracht van de wet alleen; de andere vinden hun
oorsprong in de eigen daad van degene die verbonden is.
De eerste zijn de verbintenissen die buiten de wil om ontstaan,
zoals verbintenissen tussen naburige eigenaars, (...). <W
2001-04-29/39, art. 40, 008; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
De verbintenissen die hun oorsprong vinden in de eigen daad van
degene die verbonden is, ontstaan ofwel uit oneigenlijke contracten,
ofwel uit misdrijven of oneigenlijke misdrijven; zij maken het
onderwerp uit van deze titel.
HOOFDSTUK I. - ONEIGENLIJKE CONTRACTEN.
Art. 1371. Oneigenlijke contracten zijn geheel vrijwillige daden van
de mens, waaruit enige verbintenis ontstaat jegens een derde, en
soms een wederzijdse verbintenis voor beide partijen.
Art. 1372. Wanneer iemand vrijwillig eens anders zaak waarneemt
hetzij met, hetzij buiten weten van de eigenaar, verbindt hij zich
stilzwijgend om de door hem begonnen zaakwaarneming voort te zetten
en die te voltooien, totdat de eigenaar in staat is zelf daarin te
voorzien; hij moet zich eveneens belasten met alles wat bij
diezelfde zaak behoort.
Hij onderwerpt zich aan alle verplichtingen die zouden ontstaan uit
een uitdrukkelijke lastgeving die hij van de eigenaar zou hebben
gekregen.
Art. 1373. Hij is verplicht zijn zaakwaarneming voort te zetten,
zelfs indien de eigenaar komt te overlijden voordat de zaak is ten
einde gebracht, totdat de erfgenaam de leiding ervan op zich heeft
kunnen nemen.
Art. 1374. Hij is verplicht aan de zaakwaarneming alle zorgen van
een goed huisvader te besteden.
Niettemin kan de rechter de vergoeding van de schade die door de
schuld of de nalatigheid van de waarnemer mocht zijn veroorzaakt,
matigen, op grond van de omstandigheden die hem tot de
zaakwaarneming hebben bewogen.
Art. 1375. De eigenaar wiens zaak behoorlijk is waargenomen, moet de
verbintenissen nakomen die in zijn naam door de waarnemer zijn
aangegaan, hem schadeloos stellen voor alle persoonlijke
verbintenissen die hij op zich heeft genomen, en hem alle nuttige of
noodzakelijke uitgaven die hij gedaan heeft, vergoeden.
Art. 1376. Hij die bij vergissing of met zijn weten iets ontvangen
heeft dat hem niet verschuldigd was, is verplicht het terug te geven
aan degene van wie hij het ontvangen heeft zonder dat het
verschuldigd was.
Art. 1377. Wanneer een persoon die bij vergissing meende schuldenaar
te zijn, een schuld betaald heeft, is hij gerechtigd het betaalde
van de schuldeiser terug te vorderen.
Dit recht houdt evenwel op wanneer de schuldeiser, ten gevolge van
die betaling, zijn titel vernietigd heeft, behoudens het verhaal van
degene die betaald heeft, op de werkelijke schuldenaar.
Art. 1378. Indien hij die ontvangen heeft, te kwader trouw was, moet
hij niet alleen het kapitaal teruggeven, maar ook de interesten of
de vruchten, te rekenen van de dag van de betaling.
Art. 1379. Hij die een onroerend goed of een lichamelijk roerend
goed ontvangen heeft zonder dat het verschuldigd was, is verplicht
het in natura terug te geven, indien het nog bestaat, of de waarde
ervan, indien het door zijn schuld is teniet gegaan of beschadigd;
hij moet zelfs instaan voor het verlies van het goed door toeval,
indien hij het te kwader trouw ontvangen heeft.
Art. 1380. Indien hij die een zaak te goeder trouw ontvangen heeft,
die zaak verkocht heeft, moet hij alleen de verkoopprijs teruggeven.
Art. 1381. Hij aan wie de zaak teruggegeven wordt, moet zelfs aan de
bezitter te kwader trouw alle noodzakelijke en nuttige uitgaven
vergoeden, die tot behoud van de zaak gedaan zijn.
HOOFDSTUK II. - MISDRIJVEN EN ONEIGENLIJKE MISDRIJVEN.
Art. 1382. Elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade
wordt veroorzaakt, verplicht degene door wiens schuld de schade is
ontstaan, deze te vergoeden.
Art. 1383. Ieder is aansprakelijk niet alleen voor de schade welke
hij door zijn daad, maar ook voor die welke hij door zijn
nalatigheid of door zijn onvoorzichtigheid heeft veroorzaakt.
Art. 1384. Men is aansprakelijk niet alleen voor de schade welke men
veroorzaakt door zijn eigen daad maar ook voor die welke veroorzaakt
wordt door de daad van personen voor wie men moet instaan, of van
zaken die men onder zijn bewaring heeft.
(De vader en de moeder zijn aansprakelijk voor de schade veroorzaakt
door hun minderjarige kinderen.) <W 06-07-1977, art. 1>
De meesters en zij die anderen aanstellen, voor de schade door hun
dienstboden en aangestelden veroorzaakt in de bediening waartoe zij
hen gebezigd hebben.
De onderwijzers en de ambachtslieden, voor de schade door hun
leerlingen en leerjongens veroorzaakt gedurende de tijd dat deze
onder hun toezicht staan.
De hierboven geregelde aansprakelijkheid houdt op, indien de ouders,
onderwijzers en ambachtslieden bewijzen dat zij de daad welke tot
die aansprakelijkheid aanleiding geeft, niet hebben kunnen beletten.
Art. 1385. De eigenaar van een dier, of, terwijl hij het in gebruik
heeft, degene die zich ervan bedient, is aansprakelijk voor de
schade die door het dier is veroorzaakt, hetzij het onder zijn
bewaring stond, dan wel verdwaald of ontsnapt was.
Art. 1386. De eigenaar van een gebouw is aansprakelijk voor de
schade door de instorting ervan veroorzaakt, wanneer deze te wijten
is aan verzuim van onderhoud of aan een gebrek in de bouw.
TITEL IVbis. - VERGOEDING VAN DE SCHADE DOOR ABNORMALEN VEROORZAAKT.
Art. 1386bis. <Ingevoegd bij W 16-04-1935, art. 1> Wanneer aan een
ander schade wordt veroorzaakt door een persoon die zich in staat
van krankzinnigheid bevindt, of in een staat van ernstige
geestesstoornis of zwakzinnigheid die hem voor de controle van zijn
daden ongeschikt maakt, kan de rechter hem veroordelen tot de gehele
vergoeding of tot een gedeelte van de vergoeding waartoe hij zou
zijn gehouden, indien hij de controle van zijn daden had.
De rechter doet uitspraak naar billijkheid, rekening houdende met de
omstandigheden en met de toestand van de partijen.
Advocatenkantoor Elfri De Neve
Stationsstraat 29
9700 Oudenaarde
voor afspraak 055/31.86.47
Fax. 055/31.14.03
Heeft u een concrete vraag in dit verband
klik dan hier
Artikel 1108 B.W.
Tot de geldigheid van een overeenkomst zijn vier voorwaarden
vereist:
De
toestemming van de partij die zich verbindt;
Haar
bekwaamheid om contracten aan te gaan;
Een bepaald
voorwerp als inhoud van de verbintenis;
Een geoorloofde
oorzaak van verbintenis.