-A +A

Verbintenissen onder voorwaarde

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een voorwaarde is een onzekere en toekomstige gebeurtenis waarvan hetzij het ontstaan, hetzij het tenietgaan van een verbintenis afhangt.

Een verbintenis onder ontbindende voorwaarde betekent dat bij vervulling van de voorwaarde de gesloten overeenkomst komt te vervallen waarna partijen worden hersteld in hun oorspronkelijke toestand.

Een verbintenis onder opschortende voorwaarde komt pas tot stand bij de vervulling van de voorwaarde.

Een verbintenis onder toevallige voorwaarde komt tot stand wanneer de toevallige omstandigheid (externe factor die buiten de wil van de partijen ligt) zich voordoet

Een verbintenis onder potestatieve voorwaarde komt tot stand onder een  voorwaarde waarvan de vervulling louter afhangt van de wil van één van de partijen.

Krachtens art. 1168 BW is een verbintenis voorwaardelijk, wanneer men deze doet afhangen van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, hetzij, door de verbintenis op te schorten totdat de gebeurtenis zal plaatshebben, hetzij, door ze teniet te doen, naargelang de gebeurtenis plaatsheeft of niet plaatsheeft.

Een voorwaarde is derhalve een toekomstige en onzekere gebeurtenis waarvan de contractpartijen de uitvoering of de uitdoving van de verbintenis laten afhangen.

Krachtens art. 1185 BW verschilt de tijdsbepaling van de voorwaarde hierin, dat zij de verbintenis niet opschort, maar alleen haar uitvoering uitstelt.

Hieruit volgt dat de tijdsbepaling een toekomstige en zekere gebeurtenis is.

Wanneer de verwezenlijking van de toekomstige gebeurtenis die de verbintenis tenietdoet onzeker is, kan die gebeurtenis niet als een uitdovende tijdsbepaling worden beschouwd. De verbintenis is alsdan onder ontbindende voorwaarde en voor onbepaalde duur aangegaan.
 

Over de potestatieve voorwaarde 

- de potestatieve voorwaarde afhankelijk van de wil van de schuldeiser (vb. een aankoopoptie verbindt de verkoper, maar koper beslist zelf of hij de optie licht), is perfect geldig.
- de potestatieve voorwaarde afhankelijk van de wil van de schuldenaar is eveneens geldig mits de voorwaarde ontbindend is (vb. bedenkingstermijn bij verkoop op afstand). Maar elke andere potestatieve voorwaarde en vanzelfsprekend ook de opschortende potestatieve voorwaarde uitgaande van de schuldenaar is nietig omdat dan de schuldenaar zich niet werkelijk verbindt. De verbintenis bestaat dan gewoon niet bij gebrek aan toestemming.
- een potestatieve voorwaarde afhankelijk van de wil van de schuldenaar met een schorsend karakter (ik zal een huis kopen als ik zal trouwen) is ongeldig en schept geen overeenkomst. In feite is er geen wilsovereenstemming.

Let wel deze regels gelden niet ten aanzien van schenkingen. Ten aanzien van schenkingen zijn ontbindende, opschortende, en potestative voorwaarden in hoofde van de schenker nietig.

over de partijbeslissing: P. Van Ommeslaghe, «Examen de jurisprudence (1968 à 1973). Les obligations», R.C.J.B. 1975, 455; R. Kruithof, H. Moons en C. Paulus, «Overzicht van rechtspraak (1965-73), Verbintenissen», T.P.R. 1975, 481; J. Ronse, «Marginale toetsing in het privaatrecht», T.P.R. 1977, 212; W. Van Gerven, «Beginselen van behoorlijk handelen», R.W. 1982-83, 961; M.E. Storme, «De bepaling van het voorwerp van een verbintenis bij partijbeslissing», T.P.R. 1988, 1260; R. Kruithof, H. Bocken, F. De Ly en B. Temmerman, «Overzicht van rechtspraak (1981-1992). Verbintenissenrecht», T.P.R. 1994, 365; S. Stijns, De gerechtelijke en buitengerechtelijke ontbinding van overeenkomsten, Antwerpen, Maklu, 1994, 484; W. van Eeckhoutte, De ondraaglijke onveranderlijkheid van de arbeidsovereenkomst, Postuniversitaire cyclus Willy Delva 1995/1996, Gent, Mys en Breesch, 1996, 14; L. Cornelis, Algemene theorie van de verbintenis, Antwerpen, Intersentia, 2000, 126

zie Art. 944 B.W. . Een schenking onder de levenden die gedaan is onder voorwaarden waarvan de uitvoering van de enkele wil van de schenker afhangt, is nietig.
Art. 945. B.W. Zij is eveneens nietig, indien zij gedaan is onder voorwaarde om andere schulden of lasten te voldoen dan die welke ten tijde van de schenking bestonden, of welke uitgedrukt mochten zijn, hetzij in de akte van schenking, hetzij in de staat die eraan moet zijn gehecht.over de partijbeslissing:

P. Van Ommeslaghe, «Examen de jurisprudence (1968 à 1973). Les obligations», R.C.J.B. 1975, 455; R. Kruithof, H. Moons en C. Paulus, «Overzicht van rechtspraak (1965-73), Verbintenissen», T.P.R. 1975, 481; J. Ronse, «Marginale toetsing in het privaatrecht», T.P.R. 1977, 212; W. Van Gerven, «Beginselen van behoorlijk handelen», R.W. 1982-83, 961; M.E. Storme, «De bepaling van het voorwerp van een verbintenis bij partijbeslissing», T.P.R. 1988, 1260; R. Kruithof, H. Bocken, F. De Ly en B. Temmerman, «Overzicht van rechtspraak (1981-1992). Verbintenissenrecht», T.P.R. 1994, 365; S. Stijns, De gerechtelijke en buitengerechtelijke ontbinding van overeenkomsten, Antwerpen, Maklu, 1994, 484; W. van Eeckhoutte, De ondraaglijke onveranderlijkheid van de arbeidsovereenkomst, Postuniversitaire cyclus Willy Delva 1995/1996, Gent, Mys en Breesch, 1996, 14; L. Cornelis, Algemene theorie van de verbintenis, Antwerpen, Intersentia, 2000, 126
 

de art. 1168-1182 B.W

VOORWAARDELIJKE VERBINTENISSEN.

§ 1. DE VOORWAARDE IN HET ALGEMEEN EN HAAR VERSCHILLENDE SOORTEN.

Art. 1168. Een verbintenis is voorwaardelijk, wanneer men deze doet afhangen van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, hetzij door de verbintenis op te schorten totdat de gebeurtenis zal plaatshebben, hetzij door ze teniet te doen, naargelang de gebeurtenis plaatsheeft of niet plaatsheeft.

Art. 1169. Een toevallige voorwaarde is die welke van een louter toeval afhangt en geenszins in de macht is van de schuldeiser of van de schuldenaar.

Art. 1170. Een potestatieve voorwaarde is die welke de uitvoering van de overeenkomst doet afhangen van een gebeurtenis die de ene of de andere van de contracterende partijen vermag te doen plaatshebben of te verhinderen.

Art. 1171. Een gemengde voorwaarde is die welke afhangt tegelijk van de wil van een van de contracterende partijen en van de wil van een derde.

Art. 1172. Iedere voorwaarde die bestaat in iets dat onmogelijk is, of met de goede zeden strijdig is of door de wet verboden, is nietig en maakt de overeenkomst die ervan afhangt, nietig.

Art. 1173. De voorwaarde om iets niet te doen dat onmogelijk is, maakt de onder die voorwaarde aangegane verbintenis niet nietig.

Art. 1174. Iedere verbintenis is nietig, wanneer zij is aangegaan onder een potestatieve voorwaarde van de zijde van degene die zich verbindt.

Art. 1175. Iedere voorwaarde moet vervuld worden op zodanige wijze als partijen het waarschijnlijk gewild en verstaan hebben.

Art. 1176. Wanneer een verbintenis is aangegaan onder voorwaarde dat een gebeurtenis binnen een bepaalde tijd zal plaatshebben, wordt die voorwaarde voor onvervuld gehouden, wanneer de tijd verlopen is zonder dat de gebeurtenis heeft plaatsgehad. Indien geen tijd bepaald is, kan de voorwaarde altijd vervuld worden; en zij wordt eerst geacht onvervuld te zijn, wanneer het zeker geworden is dat de gebeurtenis niet zal plaatshebben.

Art. 1177. Wanneer een verbintenis is aangegaan onder voorwaarde dat een gebeurtenis binnen een bepaalde tijd niet zal plaatshebben, is die voorwaarde vervuld, wanneer de tijd verlopen is zonder dat de gebeurtenis heeft plaatsgehad; zij is eveneens vervuld, wanneer het, voor het verloop van die tijd, zeker is dat de gebeurtenis niet zal plaatshebben; en indien geen tijd is bepaald, is zij eerst vervuld, wanneer het zeker is dat de gebeurtenis niet zal plaatshebben.

Art. 1178. De voorwaarde wordt geacht vervuld te zijn, wanneer de schuldenaar die zich onder die voorwaarde verbonden heeft, zelf de vervulling ervan verhinderd heeft.

Art. 1179. De vervulde voorwaarde werkt terug tot op de dag waarop de verbintenis is aangegaan. Indien de schuldeiser overleden is voordat de voorwaarde vervuld is, gaan zijn rechten op zijn erfgenaam over.

Art. 1180. De schuldeiser kan, voordat de voorwaarde vervuld is, alle handelingen tot bewaring van zijn recht verrichten.

§ II. OPSCHORTENDE VOORWAARDE.

Art. 1181. Een verbintenis onder een opschortende voorwaarde aangegaan, is die welke afhangt ofwel van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, ofwel van een gebeurtenis die reeds heeft plaatsgehad, maar aan partijen nog onbekend is.

In het eerste geval kan de verbintenis niet uitgevoerd worden dan nadat de gebeurtenis heeft plaatsgehad.

In het tweede geval heeft de verbintenis haar gevolgen met ingang van de dag waarop zij is aangegaan.

Art. 1182. Wanneer de verbintenis is aangegaan onder een opschortende voorwaarde, blijft het risico van de zaak die het voorwerp van de overeenkomst uitmaakt, voor de schuldenaar die zich slechts verbonden heeft ze te leveren ingeval de voorwaarde vervuld wordt.

Indien de zaak geheel teniet gegaan is buiten de schuld van de schuldenaar, is de verbintenis teniet.

Indien de zaak schade geleden heeft buiten de schuld van de schuldenaar, heeft de schuldeiser de keus om ofwel de verbintenis teniet te doen, ofwel de zaak te eisen in de staat waarin zij zich bevindt, zonder vermindering van de prijs.

Indien de zaak schade geleden heeft door de schuld van de schuldenaar, heeft de schuldeiser het recht om ofwel de verbintenis teniet te doen, ofwel de zaak te eisen in de staat waarin zij zich bevindt, met schadevergoeding.

§ III. ONTBINDENDE VOORWAARDE.

Art. 1183. _ Een ontbindende voorwaarde is die welke, bij haar vervulling, de verbintenis teniet doet, en de zaken herstelt in dezelfde toestand alsof er geen verbintenis had bestaan.

Zij schort de uitvoering van de verbintenis niet op; alleen verplicht zij de schuldeiser om, ingeval de door de voorwaarde bedoelde gebeurtenis plaatsheeft, terug te geven hetgeen hij ontvangen heeft.

Art. 1184. In wederkerige contracten is de ontbindende voorwaarde altijd stilzwijgend begrepen, voor het geval dat een van beide partijen haar verbintenis niet nakomt.

In dit geval is het contract niet van rechtswege ontbonden. De partij jegens wie de verbintenis niet is uitgevoerd, heeft de keus om ofwel de andere partij te noodzaken de overeenkomst uit te voeren, wanneer de uitvoering mogelijk is, ofwel de ontbinding van de overeenkomst te vorderen, met schadevergoeding.

De ontbinding moet in rechte gevorderd worden, en aan de verweerder kan, naar gelang van de omstandigheden, uitstel worden verleend.

AFDELING II. - VERBINTENISSEN MET TIJDSBEPALING.

Art. 1185. De tijdsbepaling verschilt van de voorwaarden hierin, dat zij de verbintenis niet opschort, maar alleen haar uitvoering uitstelt.

Art. 1186. Hetgeen slechts met tijdsbepaling verschuldigd is, kan niet geëist worden voordat de vervaltijd verschenen is; maar hetgeen vooruit betaald is, kan niet teruggevorderd worden.

Art. 1187. De tijdsbepaling wordt altijd vermoed te zijn bedongen ten voordele van de schuldenaar, tenzij uit het beding of uit de omstandigheden blijkt dat zij ook ten voordele van de schuldeiser bedongen is.

Art. 1188. De schuldenaar kan het voordeel van de tijdsbepaling niet meer inroepen wanneer hij failliet gegaan is, of wanneer hij de zekerheid die hij bij het contract ten behoeve van zijn schuldeiser gesteld had, door zijn toedoen heeft verminderd.

Rechtsleer:

M. Van Quickenborne en J. Del Corral, Voorwaarde, Bijdragen in boek - In: X., Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, IV. Commentaar Verbintenissenrecht, Titel I, Hfdst. 3, Afd. 1, 1-184 (184 p.) - juli 201, Voorwaardelijke verbintenis, algemeen, jurabibliotheek, Eveneens verschenen in: DEL CORRAL, J., Voorwaardelijke verbintenissen, Kluwer, Mechelen, 2014, 205 p.

Nuttige tips: 

Rechtspraak:

Arbeidshof Brussel, 15/06/2012, Juridat, 2011/AB/1044

Samenvatting:

Het niet vaststellen van de objectieven voor variabel loon is een contractuele fout in hoofde van de werkgever

Art. 1178 BW bepaalt dat een voorwaarde wordt geacht vervuld te zijn, wanneer de schuldenaar die zich onder die voorwaarde verbonden heeft, zelf de vervulling ervan verhinderd heeft.

Hierbij is vereist dat de handeling van de schuldenaar een fout uitmaakt, wat ten deze het geval is.

Tekst arrest

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 15 JUNI 2012 3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

ROBERT BOSCH NV, met maatschappelijke zetel te

1070 ANDERLECHT, Henri-Joseph Genessestraat 1,

appellante,



Tegen:

V. K.,

geïntimeerde,



***

*

 

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 2 september 2011 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 10/3074/A),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 17 november 2011,

- de conclusie voor de appellante, neergelegd ter griffie op 16 maart 2012,

- de conclusie en de syntheseconclusie voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 12 januari 2012 en 2 april 2012,

- de voorgelegde stukken.



***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 18 mei 2012, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.



***

*



I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Op 21 december 1993 ondertekenden de NV Robert Bosch (hierna afgekort als Bosch) en mevrouw K. V. een arbeidsovereenkomst voor bedienden van onbepaalde tijd, waardoor mevrouw V. met ingang van 31 januari 1994 werd aangeworven als Hoofd Binnendienst Mobiele Communicatie.

In art. 3 werd het vast loon bepaald op 75.000 Bef, tijdens de proefperiode van 6 maanden verhoogd met een jaarlijkse forfaitaire premie van 9.500 Bef.

Na de proefperiode werd deze premie als volgt vervangen door variabel loon:

Na de proefperiode zal deze forfaitaire premie vervangen worden door een jaarlijkse variabele vergoeding van 115.000 Fr/bruto. (...)

Er zal de bediende jaarlijks een bijlage bij het arbeidskontrakt overhandigd worden waarin de doelstellingen en beoordelingscriteria die de variabele beloning bepalen vastgelegd worden.

Het variabel loon wordt jaarlijks na de afsluiting van het boekjaar betaald onder de vorm van een premie.

...

2. In een interne circulaire werd een meer uitgewerkte policy opgenomen in verband met de variabele beloning (LAB).

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen:

- Het garantie-salaris, bestaande uit het vast maandsalaris, vakantiegeld en dertiende maand.

- Het variabel inkomen (LAB) of een premie afhankelijk van het behalen van de doelstellingen.

- Het richtinkomen of het totale inkomen dat als doel gesteld wordt. Dit inkomen wordt betaald als men de doelstellingen voor 100% behaald.

(= garantiesalaris + LAB 100%)

- Het jaarinkomen of het garantiesalaris + het feitelijke variabele inkomen

- Het bereikbaar inkomen of het garantiesalaris + het maximaal te bereiken variabel inkomen.



Bij de vaststelling van het jaarinkomen en de berekening van het variabel inkomen wordt uitgelegd dat op basis van kwantitatieve en kwalitatieve doelen een variabel inkomen kan verkregen worden binnen een vork van 85% en 115%, waarbij 100% het richtinkomen is.

Over het vastleggen en beoordelen van de doelstellingen wordt bepaald:

De doelstellingen worden opgesteld in het begin van het jaar en u wordt beoordeeld rond het einde van het boekjaar. U kunt ‘kwantitatieve' doelstellingen hebben (bijv. orderontvangst, rendement of marge) en ‘kwalitatieve' doelstellingen (bijv.: kwaliteit van de klantcontacten). De doelstellingen kunnen door de Divisie Directeur/Manager per divisie, per afdeling, per functie of per medewerker worden bepaald.

Er wordt voor de evaluatie van de doelstellingen gewerkt met een weegfactor en een percentage binnen een bandbreedte.

Bij vertrek in de loop van het beoordelingsjaar voorziet men in een pro rata vergoeding en een beoordeling op het ogenblik van het vertrek.

In bijzondere omstandigheden kunnen de doelstellingen gewijzigd worden tijdens het jaar.

Op basis van dit prestatiegericht bonussysteem ontving mevrouw V. steeds een groter percentage dan het richtinkomen van 100%.

Bezien over de jaren 2005, 2006 en 2007 haalde ze een gemiddelde van 106,30%.

3. In 1997 werd ze Product Manager, in januari 2000 werd ze Marketing manager Benelux, in november 2002 International Marketing manager Benelux & France.

Ze was tewerkgesteld binnen de divisie Blaupunkt. Op 20 januari 2009 kondigde Bosch de sluiting van deze afdeling aan.

Op 20 april 2009 werd mevrouw V. ontslagen met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding van 18 maanden of euro 131.567,23.

De eerste maand na haar ontslag mocht ze de bedrijfswagen Renault Espace blijven gebruiken.

4. De nieuwe overste van mevrouw V. , de heer A.K., bepaalde begin 2008 geen doelstellingen. Begin 2009 ontving ze een bonus op basis van 100%, waartegen ze protest aantekende. De heer K. gaf in zijn e-mail van 3 maart 2009 toe dat hij de doelstellingen niet meer bepaald had, gelet op de wijzigende situatie en cijfers en gelet op de niet meewerkende samenwerking van mevrouw V. met hemzelf.

Ook voor 2009 werden geen doelstellingen bepaald en werd een bonus op basis van 100% uitgekeerd.

Na het ontslag schreef Bosch een aantal lovende aanbevelingsbrieven.

In een schrijven van 13 januari 2010 wordt ze o.m. geprezen omwille van haar nauwe samenwerking met collega's.

Ze zal worden aangeworven door een joint venture, waarin Bosch participeerde.

5. Bij aangetekende brief van de raadsman van mevrouw V. van 2 september 2009 werd de bonusuitwerking voor 2008 en 2009 betwist, samen met de berekening van het jaarloon voor de opzeggingsvergoeding.

Bij antwoordschrijven van de raadsman van Bosch van 29 september 2009 werden deze aanspraken afgewezen.

6. Op 19 februari 2010 dagvaardde mevrouw V. Bosch voor de arbeidsrechtbank te Brussel en vroeg betaling van:

- een saldo bonus 2008 en 2009 van euro 5.966,40

- het vakantiegeld hierop of euro 915,25

- een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 16.696,98, later gebracht op euro 17.585,29

vermeerderd met intresten en kosten.

7. Bij vonnis van 2 september 2011 verklaarde de arbeidsrechtbank te Brussel deze vordering in volgende mate gegrond:

- saldo variabel loon 2008: euro 4.156,44

- saldo bonus 2009: euro 1.809,96

- vakantiegeld hierop of euro 915,25

- saldo opzeggingsvergoeding: euro 17.405,39

vermeerderd met intresten en kosten.

8. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 17 november 2011, tekende Bosch hoger beroep aan en vroeg dat de vorderingen zouden worden afgewezen met veroordeling van mevrouw V. tot de kosten.

II. BEOORDELING.

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan.

Het variabel loon

2. In art. 3 van de arbeidsovereenkomst en in de interne circulaire (policy) werden de contractuele afspraken over het variabel loon duidelijk bepaald

(Zie randnummer I.1 en 2).

Deze afspraken houden o.m. in dat er jaarlijks een kwantitatieve en een kwalitatieve evaluatie gebeurt van de resultaten op basis van vooraf door de werkgever geformuleerde doelstellingen.

Met Bosch kan aangenomen worden dat de rechter zich niet in de plaats mag stellen van de werkgever voor de louter beleidsmatige afweging van de resultaten van de werknemer.

Dit neemt echter niet weg dat de correcte naleving van de contractuele afspraken kan worden nagegaan. Deze afspraken moeten te goeder trouw worden uitgevoerd, wat inhoudt dat een afweging moet berusten op reële omstandigheden en feiten.

3. Niet betwist wordt dat Bosch noch voor het jaar 2008, noch voor het jaar 2009, bij het begin van het jaar doelstellingen bepaald heeft.

Mevrouw V. ontving voor beide jaren 100% van het richtinkomen, terwijl niet wordt tegengesproken dat ze de 3 voorgaande jaren een hoger variabel loon had ontvangen, hetzij 106,30%. De interne richtlijnen voorzien in een vork van 85% tot 115%.

Mevrouw V. heeft tegen deze handelwijze geprotesteerd, voor 2008 via een interne klacht (zie stuk 17 van Bosch), voor 2009 via het schrijven van haar raadsman van 2 september 2009 (stuk 10 mevrouw V. ).

4. De reactie van de overste van mevrouw V. van 3 maart 2009 (stuk 17 Bosch) kan niet overtuigen.

- Het feit dat de heer K. pas in februari 2008 aantrad, verhindert niet dat zijn voorganger of een andere leidinggevende realistische doelstellingen had kunnen bepalen. De doelstellingen moeten immers worden vastgelegd bij het begin van het jaar en kunnen, indien nodig, in bijzondere situaties worden gewijzigd.

- Ook voor 2009 heeft de heer K. nagelaten vooraf bepaalde doelstellingen te formuleren.

- Bij het vertrek van mevrouw V. op 20 april 2009 gebeurde geen beoordelingsgesprek, zoals voorzien in de interne richtlijnen. Wel werd reeds op de datum van het ontslag een referentiebrief geschreven, waarin ze werd aangeprezen als de draaispil van de marketingactiviteiten en de budgetcontrole en als een aangename, doorzettende en communicatieve collega. In een latere brief van 13 januari 2010 werd ze geprezen voor haar nauwe samenwerking met collega's en voor haar leiderschap.

- Ondanks het ontbreken van doelstellingen gedurende 2 jaar, maakt de heer K. nog ten overvloede gewag van een tekort aan samenwerking van mevrouw V. met hemzelf. Dit lijkt eerder een persoonlijke aangelegenheid in hoofde van de manager, want het staat in schril contrast met bovenvermelde aanbevelingsbrieven van de werkgever en met het feit dat mevrouw V. nadien in dienst mocht treden bij BSH Home Appliances, een joint venture van Bosch en Siemens.

5. In weerwil van de contractuele afspraken heeft Bosch voor de jaren 2008 en 2009 nagelaten om de te behalen doelstellingen bij het begin van het jaar vast te leggen. Hierdoor heeft Bosch een essentiële voorwaarde voor het bekomen van het variabel loon verhinderd.

Art. 1178 BW bepaalt dat een voorwaarde wordt geacht vervuld te zijn, wanneer de schuldenaar die zich onder die voorwaarde verbonden heeft, zelf de vervulling ervan verhinderd heeft.

Hierbij is vereist dat de handeling van de schuldenaar een fout uitmaakt (Cass. 8 september 1989, Arr.Cass. 1989-90, 24, noot; Bull. 1990, 22, noot; Pas. 1990, I, 22, noot; RW 1989-90, 1220; Cass; 5 mei 1955, Arr. Cass. 1955, 739; Cass. 18 mei 1998, JTT 1998, 426; J. Hebbelinck en O. Rijckaert, Variabel loon en aandachts-punten bij de toekenning van bonussen binnen de onderneming, TPR 2010, 294, nr. 43).

Het niet vaststellen van de objectieven is een contractuele fout in hoofde van de werkgever (Arbh Brussel, 8 juni 2005, J.T.T. 2005, 365; Arbh. Brussel 21 maart 2008, AR 49673, niet gepubliceerd).

Mevrouw V. wordt dus door het niet vaststellen van doelstellingen geacht deze voorwaarde voor het bekomen van variabel loon te hebben nageleefd.

6. Bosch houdt hierbij voor dat de toekenning van variabel loon betrekking heeft op het richtinkomen.

Dit is niet helemaal correct, omdat het LAB-plan bij het bereiken van de doelstellingen voorziet in een variabel inkomen binnen een vork van 85% tot 115%, uitgaande van een richtinkomen van 100%.

In de policy wordt het bereikbaar inkomen omschreven als het garantiesalaris + het maximaal te bereiken variabel inkomen.

Dit plan voorziet dan ook in een hoger variabel inkomen dan het richtinkomen en mevrouw V. toont aan dat ze in de jaren 2005, 2006 en 2007 ook een hoger variabel inkomen bereikte, zijnde gemiddeld 106,30%.

Mevrouw V. beperkt haar vordering redelijkerwijze tot dit percentage.

Terecht maakt ze dan ook aanspraak op de achterstallen voor 2008 en 2009 op die basis en op het vakantiegeld hierop. De becijfering wordt als dusdanig niet betwist.

Het hoger beroep is op deze onderdelen ongegrond.

De becijfering van de opzeggingsvergoeding en het jaarloon

7. Partijen hebben discussie over de samenstelling van het jaarloon

• De betwiste onderdelen van het basisloon

- Privaat gebruik bedrijfswagen

8. Niet betwist wordt dat mevrouw V. beschikte over een Renault Espace, waarvan het privaat gebruik toegestaan was, met daarenboven een onderhouds-contract, verzekering en gratis brandstof.

De eerste rechter heeft uitgaande van de voorgebrachte gegevens dit voordeel billijk geraamd op euro 484,47/maand, hierbij rekening houdend met de persoonlijke bijdrage van mevrouw V. .

Voor de maand mei 2009 werd eenzelfde bedrag in mindering gebracht.

- Privaat gebruik GSM

9. De eerste rechter aanvaardde terecht een forfaitair geschat bedrag van

euro 50/maand voor het privégebruik van de GSM. Mevrouw V. aanvaardt de herleiding van het initieel door haar vooropgestelde bedrag.

Uit de GSM policy (stuk 10 Bosch) en uit de onthaalbrochure (stuk 11) kan afgeleid worden dat een redelijk privaat gebruik toegestaan was, ook al was de GSM toegekend als werkinstrument voor zakelijke gesprekken.

- Variabel loon

10. Uit wat toegelicht werd in de randnummers 2 tot 6 volgt dat voor de berekening van het basisloon rekening moet gehouden worden met het variabel loon en het vakantiegeld hierop.

Bosch brengt geen kritiek uit op de becijfering door de eerste rechter.

11. De begroting van de opzeggingsvergoeding op basis van 18 maanden werd door mevrouw V. niet betwist. Uit de randnummers 8 tot 10 volgt dat de eerste rechter het basisloon correct begroot heeft.

Het hoger beroep is op dit punt ongegrond.

De gerechtskosten

12. Aangezien het hoger beroep ongegrond is, dienen de gerechtskosten ten laste van Bosch te worden gelegd;

Ook na de mogelijkheid om een procedure voor de arbeidsrechtbank veralgemeend in te leiden met een verzoekschrift op tegenspraak, behoudt de eiser de vrijheid om de vordering via dagvaarding aanhangig te maken, zonder dat de hieruit voortvloeiende meerkost ten zijne laste kan worden gelegd (Art. 704 en 1017 Ger.W.) (Arbh. Gent (afd. Brugge) 13 januari 2011 TGR-TWVR 2011, 106).

De eerste rechter heeft de gerechtskosten voor de eerste aanleg correct begroot en vereffend.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht doende op tegenspraak;

Verklaart het hogere ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn onderdelen.

Veroordeelt de NV Robert Bosch tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van mevrouw V. begroot en vereffend op:

Rechtsplegingsvergoeding basisbedrag euro 2.200.



Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:16
Laatst aangepast op: di, 03/07/2018 - 10:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.