-A +A

vereffening van vennootschappen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De wet treedt in werking op 06/07/06
Rechtsleer: NJW 148, 696,Nieuwe wet op de vereffeningsprocedure: een verstrengde controle door de rechtbank van koophandel en NJW 172, 866, Vereffeningsprocedure en R.W. 2006-2007, 662, Vereffening van vennootschappen: nieuwe bevoegdheid van de rechtbank van koophandel

opgelet 19 MAART 2012. - Wet tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen wat de vereffeningsprocedure betreft

opgelet22 APRIL 2012. - Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat betreft de vereffeningsprocedure van vennootschappen

- benoeming van de vereffenaar door de Algemene vergadering, bekrachtiging door de rechtbank van eerste aanleg die een andere vereffenaar kan aanstellen..
- verslag van de vereffening aan de rechtbank van koophandel;
- vereffeningsdossier op de griffie
- plan van verdeling activa voor te leggen aan de rechtbank.

vereffenen is geen alternatief faillissement

commentaren op de wetten van 22 april 2012 en 19 maart 2012 zie NJW 263 jaargaang 2012, 263

 

Sinds de wet van 02/06/06 werd het vennootschapswetboek gewijzigd inzake de vereffening van de vennootschappen.

Krachtlijnen van de wet:

artikel 184 van het Wetboek van Vennootschappen bepaalt thans dat de rechtbank van koophandel (van het arrondissement waar de vennootschap haar maatschappelijke zetel heeft) de benoeming van de vereffenaar door de algemene vergadering, dient te bevestigen vooraleer de vereffenaar zijn functie begint uit te oefenen.

Indien de rechtbank de benoeming weigert, stelt de rechtbank van koophandel zelf een vereffenaar aan, eventueel op voorstel van de algemene vergadering.

Om de bevestiging van de benoeming van de vereffenaar te bekomen dient een eenzijdig verzoekschrift uitgaande van de vennootschap neergelegd (overeenkomstig de artikelen 1025 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek), ondertekend door het bevoegde orgaan van de vennootschap of door een advocaat. Aan dit rekwest dient een boekhoudkundige staat van de activa en passiva gevoegd. De rechtbank doet uitspraak binnen vierentwintig uur nadat het verzoekschrift is ingediend. Het initiatief kan ook uitgaan van de procureur des Konings en belanghebbende derden.

art 189 bis van het wetboek van Vennootschappen voorziet dat de vereffenaars, op straffe van boete, in de zesde en twaalfde maand, en vervolgens ieder jaar, aan de rechtbank van koophandel een omstandige staat moeten overmaken. die onder meer de ontvangsten, de uitgaven en de uitkeringen bevat en dient te melden wat nog moet worden vereffend.

artikel 195bis W. Venn. voorziet dat voor elke vereffening een vereffenings-dossier moet worden bijgehouden ter griffie van de rechtbank van koophandel waarvan de schuldeisers kunnen kennis nemen, teneinde geïnformeerd te zijn over de stand van de vereffening.

De vereffenaars moeten voor de sluiting van de vereffening het plan voor de verdeling van de activa onder de verschillende schuldeisers voor akkoord voorleggen aan de rechtbank van koophandel.

Hierna volgen de nieuwe bepalingen van het vennootschapswetboek waarin de wetswijzigingen werden verwerkt.

TITEL IX. - Ontbinding en vereffening.

HOOFDSTUK I. - Voorstel tot ontbinding.

Art. 181. § 1. Het voorstel tot ontbinding van een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, van een commanditaire vennootschap op aandelen, van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (, van een Europese vennootschap) of van een naamloze vennootschap wordt toegelicht in een verslag dat door het bestuursorgaan wordt opgemaakt en dat vermeld wordt in de agenda van de algemene vergadering die zich over de ontbinding moet uitspreken. <KB 2004-09-01/30, art. 11, 019; Inwerkingtreding: 08-10-2004>
Bij dat verslag wordt een staat van activa en passiva gevoegd, die niet meer dan drie maanden voordien is vastgesteld. Voor de gevallen waarin de vennootschap besluit haar activiteiten te beëindigen of indien niet langer ervan kan worden uitgegaan dat de vennootschap haar bedrijf zal voortzetten, wordt voornoemde staat, behoudens met redenen omklede afwijking, opgesteld conform de waarderingsregels vastgesteld ter uitvoering van artikel 92.
De commissaris of, bij zijn ontstentenis, een bedrijfsrevisor of een externe accountant die door het bestuursorgaan wordt aangewezen, brengt over deze staat verslag uit en vermeldt inzonderheid of daarin de toestand van de vennootschap op volledige, getrouwe en juiste wijze is weergegeven.
§ 2. Een afschrift van de in § 1 bedoelde verslagen en staat van activa en passiva wordt aan de vennoten verzonden overeenkomstig de artikelen 269, 381 of 535, al naargelang het een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, een coöperatieve vennootschap of een naamloze vennootschap, dan wel een commanditaire vennootschap op aandelen betreft.
§ 3. De beslissing van de algemene vergadering genomen terwijl de verslagen bedoeld in dit artikel ontbreken, is nietig.
§ 4. Vóór de beslissing tot ontbinding van de vennootschap bij authentieke akte wordt opgesteld, moet de notaris na onderzoek het bestaan en de externe wettigheid bevestigen van de rechtshandelingen en formaliteiten waartoe de vennootschap waarbij hij optreedt, krachtens § 1 gehouden is.
In de akte worden de conclusies overgenomen van het verslag dat de commissaris, de bedrijfsrevisor of de externe accountant overeenkomstig § 1 heeft opgemaakt.

HOOFDSTUK II. - De gerechtelijke ontbinding van niet meer actieve vennootschappen.

Art. 182. § 1. De rechtbank kan op vraag van iedere belanghebbende of van het openbaar ministerie de ontbinding uitspreken van een vennootschap die gedurende drie opeenvolgende boekjaren niet heeft voldaan aan de verplichting om een jaarrekening neer te leggen overeenkomstig de artikelen 98 en 100, tenzij een regularisatie van de toestand mogelijk is en plaatsvindt vooraleer uitspraak wordt gedaan over de grond van de zaak.
§ 2. De vordering tot ontbinding bedoeld in § 1 kan slechts worden ingesteld na het verstrijken van een termijn van zeven maanden te rekenen van de datum van afsluiting van het derde boekjaar.
Die vordering wordt ingesteld tegen de vennootschap.
De ontbinding heeft gevolg vanaf de datum waarop zij is uitgesproken.
De ontbinding kan evenwel aan derden slechts worden tegengeworpen vanaf de bekendmaking van de beslissing voorgeschreven door artikel 74, en onder de voorwaarden bepaald in artikel 67, behalve indien de vennootschap bewijst dat die derden er voordien van op de hoogte waren.
§ 3. De rechtbank kan hetzij de onmiddellijke afsluiting van de vereffening uitspreken, hetzij de vereffeningswijze bepalen en een of meer vereffenaars aanwijzen. Wanneer de vereffening is beëindigd, brengt de vereffenaar verslag uit aan de rechtbank en legt, in voorkomend geval, aan de rechtbank een overzicht voor van de waarden van de vennootschap en van het gebruik ervan.
De rechtbank spreekt de afsluiting van de vereffening uit.
§ 4. De Koning bepaalt welke procedure gevolgd moet worden voor de consignatie van de activa die de vennootschap zouden toebehoren en wat er met die activa moet gebeuren ingeval nieuwe passiva aan het licht komen.

HOOFDSTUK III. - De vereffening.

Art. 183. § 1. Een vennootschap wordt na ontbinding geacht voort te bestaan voor haar vereffening.
Alle stukken uitgaande van een ontbonden vennootschap vermelden dat zij in vereffening is.
§ 2. Iedere wijziging van de naam van een vennootschap in vereffening is verboden.
§ 3. Een besluit tot verplaatsing van de zetel van een vennootschap in vereffening kan niet worden uitgevoerd dan na homologatie door de rechtbank van koophandel van het rechtsgebied waarbinnen de vennootschap haar zetel heeft.
De homologatie wordt bij verzoekschrift aangevraagd door de vereffenaar.
De rechtbank doet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken en na het openbaar ministerie te hebben gehoord. Zij verleent de homologatie wanneer zij oordeelt dat de zetelverplaatsing dienstig is voor de vereffening.
Een akte houdende verplaatsing van de zetel van een vennootschap in vereffening kan slechts geldig worden neergelegd overeenkomstig (artikel 74) wanneer er een afschrift van de beslissing tot homologatie door de rechtbank van koophandel wordt bijgevoegd. <W 2001-01-23/30, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 06-02-2001>
Art. 184. § 1. Voorzover de statuten niet anders bepalen wordt de wijze van vereffening bepaald door de algemene vergadering.
De vereffenaars treden pas in functie nadat de rechtbank van koophandel is overgegaan tot de bevestiging van hun benoeming ingevolge de beslissing van de algemene vergadering. De bevoegde rechtbank is die van het arrondissement waar de vennootschap op de dag van het besluit tot ontbinding haar zetel heeft. Indien de zetel van de vennootschap binnen zes maanden voor het besluit tot ontbinding verplaatst werd, is de bevoegde rechtbank die van het arrondissement waar de vennootschap haar zetel had voor de verplaatsing ervan. De rechtbank gaat pas over tot de bevestiging van de benoeming nadat zij heeft nagegaan dat de vereffenaars alle waarborgen van rechtschapenheid bieden. De rechtbank oordeelt tevens over de handelingen die de vereffenaar eventueel gesteld heeft tussen zijn benoeming door de algemene vergadering en de bevestiging ervan. Zij kan die handelingen met terugwerkende kracht bevestigen, dan wel nietig verklaren indien ze kennelijk in strijd zijn met de rechten van derden. Een alkte houdende benoeming van een vereffenaar kan slechts geldig worden neergelegd overeenkomstig artikel 74 wanneer er een afschrift van de beslissing tot bevestiging of homologatie door de rechtbank van koophandel wordt bijgevoegd.
Eenieder die werd veroordeeld wegens een inbreuk op de artikelen 489 tot 490bis van het Strafwetboek dan wel wegens diefstal, valsheid, knevelarij, oplichting of misbruik van vertrouwen mag niet tot vereffenaar worden aangewezen, net zomin als enige bewaarder, voogd, bestuurder of rekenplichtige die niet tijdig rekening en verantwoording heeft gedaan en niet tijdig heeft afgerekend. Tot die uitsluiting mag alleen worden besloten binnen een termijn van tien jaar, te rekenen van een definitief vonnis van veroordeling dan wel van het uitblijven van het tijdig rekening en verantwoording doen en tijdig afrekenen.
Tenzij de bevoegde rechtbank daartoe homologatie verleent, mag evenmin tot vereffenaar worden benoemd eenieder die failliet werd verklaard zonder rehabilitatie te hebben verkregen, alsook wie een gevangenisstraf, zelfs met uitstel, heeft opgelopen wegens een van de strafbare feiten die bedoeld worden in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, wegens een inbreuk op de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding van de ondernemingen of op de uitvoeringsbesluiten ervan, of wegens een inbreuk op de fiscale wetgeving.
Zo de bevoegde rechtbank weigert over te gaan tot homologatie of bevestiging, wijst ze zelf een vereffenaar aan, eventueel op voorstel van de algemene vergadering.
De rechtbank van koophandel wordt aangezocht bij eenzijdig verzoekschrift van de vennootschap, dat wordt ingediend overeenkomstig de artikelen 1025 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. Het verzoekschrift wordt ondertekend door het bevoegde orgaan van de vennootschap dan wel door een advocaat, en wordt ingediend met een boekhoudkundige staat van activa en passiva. De rechtbank doet uitspraak uiterlijk binnen vierentwintig uur nadat het verzoekschrift is ingediend.
De rechtbank kan eveneens worden aangezocht bij verzoekschrift van de procureur des Konings dan wel van iedere belanghebbende derde, overeenkomstig de artikelen 1034bis en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
In de vennootschappen onder firma en in de gewone commanditaire vennootschappen zijn de besluiten slechts geldig indien zij worden genomen door de helft van de vennoten, in het bezit van drie vierde van het vennootschapsvermogen; bij gebreke van deze meerderheid beslist de rechtbank.
De vereffenaars vormen een college.
Ingeval de vereffenaar een rechtspersoon is, moet de natuurlijke persoon die hem vertegenwoordigt voor de uitoefening van de vereffening in het benoemingsbesluit worden aangewezen. Iedere wijziging van deze aanwijzing moet overeenkomstig deze paragraaf worden besloten en overeenkomstig artikel 74, 2°, worden neergelegd en openbaar gemaakt.
§ 2. Zo de artikelen 189bis en 190, § 1, niet in acht werden genomen, kan de bevoegde rechtbank op verzoek van het openbaar ministerie dan wel van iedere belanghebbende derde en nadat de vereffenaar werd gehoord, overgaan tot diens vervanging. »

Art. 185. Zijn geen vereffenaars benoemd, dan worden de vennoten-zaakvoerders in de vennootschappen onder firma of in de commanditaire vennootschappen, (de leden van de raad van bestuur of de leden van directieraad in een Europese vennootschap) alsook de bestuurders of de zaakvoerders in de naamloze vennootschappen, in de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, in de coöperatieve vennootschappen en in de economische samenwerkingsverbanden ten aanzien van derden als vereffenaars beschouwd. <KB 2004-09-01/30, art. 12, 019; Inwerkingtreding : 08-10-2004>
Hetzelfde geldt in geval van onmiddellijke afsluiting van de vereffening overeenkomstig artikel 182.
Art. 186. Voor zover de statuten of de akte van benoeming niet anders bepalen, kunnen de vereffenaars alle rechtsgedingen voeren, hetzij als eiser hetzij als verweerder, alle betalingen ontvangen, opheffing van inschrijving verlenen met of zonder kwijting, alle roerende waarden van de vennootschap te gelde maken, alle handelspapieren endosseren, dadingen of compromissen aangaan betreffende alle geschillen. Zij kunnen de onroerende goederen van de vennootschap openbaar verkopen indien zij de verkoop nodig achten voor de betaling van de schulden van de vennootschap.
Art. 187. Zij kunnen, maar alleen met machtiging van de algemene vergadering, verleend overeenkomstig artikel 184, het bedrijf of de handel voortzetten tot de tegeldemaking, leningen aangaan voor de betaling van de schulden der vennootschap, handelspapier uitgeven, de goederen van de vennootschap hypothekeren of in pand geven, de onroerende goederen, zelfs uit de hand, verkopen en het vermogen in andere vennootschappen inbrengen.
Art. 188. De vereffenaars kunnen van de vennoten betaling eisen van de bedragen tot de storting waarvan ze zich verbonden hebben en welke nodig lijken om haar schulden en de kosten van vereffening te voldoen.
Art. 189. <W 2001-01-23/30, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 06-02-2001> De vereffenaars moeten de algemene vergadering van vennoten bijeenroepen wanneer vennoten die één vijfde van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen, het vragen en zij moeten de algemene vergadering van obligatiehouders bijeenroepen wanneer obligatiehouders die één vijfde van het bedrag van de in omloop zijnde obligaties vertegenwoordigen, het vragen.
Art. 189bis. De vereffenaars zenden in de zesde en de twaalfde maand van het eerste vereffeningsjaar een omstandige staat van de toestand van de vereffening over aan de griffie van de rechtbank van koophandel van het arrondissement waarin de vennootschap haar zetel heeft.
Die omstandige staat, die onder meer de ontvangsten, de uitgaven en de uitkeringen vermeldt en die wat nog moet worden vereffend, aangeeft, wordt bij het in artikel 195bis bedoelde vereffeningsdossier gevoegd.
Vanaf het tweede jaar van de vereffening wordt die omstandige staat slechts om het jaar aan de griffie overgezonden en bij het vereffeningsdossier gevoegd. »
Art. 4. Artikel 190, § 1, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met de volgende leden :
« Vooraleer de vereffening wordt afgesloten, leggen de vereffenaars het plan voor de verdeling van de activa onder de verschillende schuldeisers voor akkoord voor aan de rechtbank van koophandel van het arrondissement waarbinnen de vennootschap haar zetel heeft.
De rechtbank kan van de vereffenaar alle dienstige inlichtingen vorderen om de geldigheid van het verdelingsplan na te gaan.

Art. 190. § 1. Onverminderd de rechten van de bevoorrechte schuldeisers, betalen de vereffenaars alle schulden naar evenredigheid en zonder onderscheid tussen opeisbare en niet opeisbare schulden, onder aftrek, wat deze betreft, van het disconto.
Zij mogen echter op eigen risico eerst de opeisbare schulden betalen, ingeval de baten de lasten aanmerkelijk te boven gaan of de schuldvorderingen op termijn voldoende gewaarborgd zijn, onverminderd het recht van de schuldeisers om zich tot de rechtbank te wenden.
§ 2. Na betaling van de schulden of consignatie van de nodige gelden om die te voldoen, verdelen de vereffenaars onder de vennoten de gelden of waarden die gelijk verdeeld kunnen worden; zij overhandigen hun de goederen die zij voor nadere verdeling hebben moeten overhouden.
Zij kunnen, met de in artikel 187 bedoelde machtiging, de aandelen van de vennootschap inkopen, hetzij op de beurs, hetzij door middel van een bod of een prijsaanvraag, gericht aan de vennoten, die allen aan de verrichting moeten kunnen deelnemen.
Art. 191. In naamloze vennootschappen (, Europese vennootschappen) en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid is het lid van een college van vereffenaars dat rechtstreeks of onrechtstreeks een belang van vermogensrechtelijke aard heeft dat strijdig is met een beslissing of een aan het college voorgelegde verrichting, gehouden de artikelen 259 en 523 na te komen, die van overeenkomstige toepassing zijn. <KB 2004-09-01/30, art. 13, 019; Inwerkingtreding : 08-10-2004>
Indien slechts één vereffenaar is benoemd en hij voor die tegenstrijdigheid van belangen is geplaatst, dan stelt hij de vennoten daarvan in kennis en de beslissing mag slechts worden genomen of de verrichting mag slechts worden gedaan voor rekening van de vennootschap door een lasthebber ad hoc.
Indien de vereffenaar de enige vennoot is van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, is artikel 261 van overeenkomstige toepassing.
Art. 192. De vereffenaars zijn zowel jegens derden als jegens de vennoten verantwoordelijk voor de vervulling van hun taak en aansprakelijk voor de tekortkomingen in hun bestuur.
Art. 193. Elk jaar leggen de vereffenaars (...) aan de algemene vergadering de jaarrekening voor met vermelding van de redenen waarom de vereffening niet kon worden voltooid. <W 2001-01-23/30, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 06-02-2001>
Betreft het een naamloze vennootschap, (een Europese vennootschap,) een coöperatieve vennootschap, een commanditaire vennootschap op aandelen of een (besloten vennootschap) met beperkte aansprakelijkheid, dan moeten zij een jaarrekening opstellen overeenkomstig artikel 92, die voorleggen aan de algemene vergadering en, binnen dertig dagen na de datum van de vergadering (, en ten laatste zeven maanden na de datum van afsluiting van het boekjaar), neerleggen bij de Nationale Bank van België, samen met de andere bij dit artikel voorgeschreven stukken; de artikelen 101 en 102 zijn van toepassing op deze neerlegging. <W 2001-01-23/30, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 06-02-2001; meer over inwerkingtreding in art. 181 van W 2003-04-08/33> <KB 2004-09-01/30, art. 14, 019; Inwerkingtreding : 08-10-2004>
Art. 194. Na afloop van de vereffening en ten minste één maand voor de algemene vergadering, leggen de vereffenaars op de zetel van de vennootschap de rekeningen neer, samen met de stukken tot staving. Deze documenten worden gecontroleerd door de commissaris. Bij ontstentenis van een commissaris, beschikken de vennoten over een individueel onderzoeksrecht, waarbij zij zich kunnen laten bijstaan door een bedrijfsrevisor of een externe accountant.
In voorkomend geval aanhoort de algemene vergadering het verslag van de commissaris en beslist over de kwijting.
Art. 195. § 1. De afsluiting van de vereffening wordt bekendgemaakt overeenkomstig de artikelen 67 en 73.
Deze bekendmaking behelst bovendien opgave :
1° van de plaats, door de algemene vergadering aangewezen, waar de boeken en bescheiden van de vennootschap moeten worden neergelegd en bewaard gedurende ten minste vijf jaar;
2° van de maatregelen, genomen voor de consignatie van de gelden en waarden die aan schuldeisers of aan vennoten toekomen en die hun niet konden worden afgegeven.
§ 2. In geval van gerechtelijke afsluiting van de vereffening, worden het uittreksel uit de in kracht van gewijsde gegane of bij voorraad uitvoerbare rechterlijke beslissing waarbij de gerechtelijke afsluiting van de vereffening wordt uitgesproken, alsook het uittreksel uit de rechterlijke beslissing waarbij voornoemd bij voorraad uitvoerbaar vonnis wordt teniet gedaan, neergelegd en bekendgemaakt overeenkomstig de artikelen 67 en 73.
Dat uittreksel vermeldt :
1° de naam en de zetel van de vennootschap;
2° de datum van de beslissing en de rechter die ze heeft gewezen;
3° in voorkomend geval, de naam, de voornamen en het adres van de vereffenaars; ingeval de vereffenaar een rechtspersoon is, bevat het uittreksel de aanwijzing of de wijziging van de aanwijzing van de natuurlijke persoon die deze vertegenwoordigt voor de uitoefening van de vereffening;
4° de plaats waar de boeken en bescheiden van de vennootschap worden neergelegd en gedurende ten minste vijf jaar moeten worden bewaard en de in consignatie gegeven geldsommen en effecten die aan de schuldeisers of aan de vennoten toekomen en die hun nog niet konden worden afgegeven.

Art. 195bis. Voor elke vereffening wordt ter griffie een dossier bijgehouden dat de volgende stukken bevat :
1° het in artikel 67, § 2, bedoelde dossier;
2° het afschrift van de in artikel 181, § 1, bedoelde verslagen;
3° een afschrift van de in artikel 189bis bedoelde vereffeningsstaten;
4° de uittreksels van de in de artikelen 74, 2°, en 195, bedoelde bekendmakingen;
5° in voorkomend geval, de lijst van homologaties en bevestigingen.
Elke belanghebbende kan kosteloos inzage nemen van het dossier en er tegen betaling van de griffiekosten een afschrift van verkrijgen


HOOFDSTUK IV. - Strafbepaling.

Art. 196. Worden gestraft met geldboete van vijftig frank tot tienduizend frank:
1° de bestuurders of zaakvoerders die het bijzonder verslag, samen met het verslag van de commissaris, van de bedrijfsrevisor of van de externe accountant, niet voorleggen overeenkomstig artikel 181;
2° (de vereffenaars die een van de bij de artikelen 81, 82, 83, 1°, 84 tot 87, 95 en 96 gestelde verplichtingen niet nakomen;) <W 2003-04-08/33, art. 178, 014; Inwerkingtreding : 17-04-2003; meer over inwerkingtreding in art. 181 van W 2003-04-08/33>
3° de vereffenaars die verzuimen de algemene vergadering bijeen te roepen, overeenkomstig artikel 189, binnen drie weken na het hun gedane verzoek;
4° (de vereffenaars die nalaten aan de algemene vergadering de jaarrekening of de uitkomsten van de vereffening voor te leggen, overeenkomstig de artikelen 193 en 194;) <W 2003-04-08/33, art. 178, 014; Inwerkingtreding : 17-04-2003; meer over inwerkingtreding in art. 181 van W 2003-04-08/33>
Indien de schending van de artikelen bedoeld in het eerste lid, 2° gebeurt met bedrieglijk oogmerk kunnen zij bovendien worden gestraft met gevangenisstraf van een maand tot een jaar of met beide straffen samen.

« 5° de vereffenaars die verzuimen aan de griffie van de rechtbank van koophandel van het arrondissement waarin de vennootschap haar zetel heeft, de omstandige staat van de toestand van de vereffening over te zenden, overeenkomstig artikel 189bis.

(derde lid opgeheven) <W 2003-04-08/33, art. 178, 014; Inwerkingtreding : 17-04-2003; meer over inwerkingtreding in art. 181 van W 2003-04-08/33>
Hoofdstuk V. - Administratieve geldboetes. <Ingevoegd bij W 2003-04-08/33, art. 179; Inwerkingtreding : 17-04-2003; meer over inwerkingtreding in art. 181 van W 2003-04-08/33>
Art. 196bis. <Ingevoegd bij W 2003-04-08/33, art. 180; Inwerkingtreding : 17-04-2003; meer over inwerkingtreding in art. 181 van W 2003-04-08/33> De vereffenaars zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de krachtens artikel 129bis opgelegde geldboetes.
 

TITEL X. - Rechtsvorderingen en verjaring.

Art. 197. De rechtsvorderingen tegen vennootschappen verjaren door verloop van dezelfde tijd als de rechtsvorderingen tegen natuurlijke personen.
Art. 198. § 1. Door verloop van vijf jaren verjaren :
- alle rechtsvorderingen tegen vennoten, te rekenen van de bekendmaking hetzij van hun uittreding hetzij van de akte van ontbinding van de vennootschap, of te rekenen van het verstrijken van de overeengekomen duur;
- alle rechtsvorderingen van derden tot teruggave van ten onrechte uitgekeerde dividenden, te rekenen van de uitkering;
- alle rechtsvorderingen tegen de vereffenaars als zodanig, of bij ontstentenis van vereffenaars, tegen de personen die krachtens artikel 185 als vereffenaars worden beschouwd, te rekenen van de bekendmaking voorgeschreven bij artikel 195;
- alle rechtsvorderingen tegen zaakvoerders, bestuurders, (leden van de directieraad, leden van de raad van toezicht,) commissarissen, vereffenaars, wegens verrichtingen in verband met hun taak, te rekenen van die verrichtingen of, indien ze met opzet verborgen zijn gehouden, te rekenen van de ontdekking; <KB 2004-09-01/30, art. 15, 019; Inwerkingtreding : 08-10-2004>
- alle rechtsvorderingen tot nietigverklaring van een naamloze vennootschap, (een Europese vennootschap,) een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (, een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid) of een commanditaire vennootschap op aandelen, gegrond op een vormgebrek, te rekenen van de bekendmaking, indien het vennootschapscontract gedurende ten minste vijf jaar is uitgevoerd, onverminderd de schadevergoeding, zo daartoe grond bestaat. <W 2001-01-23/30, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 06-02-2001> <KB 2004-09-01/30, art. 15, 019; ED : 08-10-2004>
§ 2. De vorderingen tot nietigverklaring van een fusie of splitsing, bedoeld in artikel 689, kunnen niet meer worden ingesteld na het verstrijken van een termijn van zes maanden te rekenen van de dag waarop de fusie of de splitsing kan worden tegengeworpen aan degene die de nietigheid inroept, dan wel wanneer de toestand is geregulariseerd.
De vorderingen tot nietigverklaring van een rechtshandeling, bedoeld in artikel 688, kunnen niet meer worden ingesteld na het verstrijken van een termijn van zes maanden te rekenen van de dag waarop die rechtshandeling kan worden tegengeworpen aan degene die de nietigheid inroept.
De vorderingen tot nietigverklaring van een besluit van de algemene vergadering bedoeld in artikel 178 kunnen niet meer worden ingesteld na het verstrijken van een termijn van zes maanden te rekenen van de dag waarop de besluiten kunnen worden tegengeworpen aan degene die de nietigheid inroept of van de dag waarop hij er kennis van heeft gekregen.
Art. 199. In alle vennootschappen kunnen de schuldeisers door de rechter de geldstortingen doen bevelen die door de statuten zijn bedongen en noodzakelijk zijn tot bewaring van hun rechten; de vennootschap kan de rechtsvordering afweren door hun schuldvordering te voldoen naar haar waarde, verminderd met het disconto.
De zaakvoerders of bestuurders zijn persoonlijk verplicht de daarop gewezen vonnissen uit te voeren.
De schuldeisers kunnen overeenkomstig artikel 1166 van het Burgerlijk Wetboek tegen de vennoten de rechten van de vennootschap uitoefenen ten aanzien van de te verrichten geldstortingen die opeisbaar zijn krachtens de statuten, een besluit van de vennootschap of een vonnis.
Art. 200. Op de beschuldigingen geuit tegen zaakvoerders, bestuurders (, leden van de directieraad, leden van de raad van toezicht) en commissarissen van besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, coöperatieve vennootschappen, naamloze vennootschappen (, Europese vennootschappen) en commanditaire vennootschappen op aandelen zijn de artikelen 5, 6, 7 en 8 van het decreet van 20 juli 1831 op de drukpers van toepassing. <KB 2004-09-01/30, art. 16, 019; Inwerkingtreding : 08-10-2004>

 

Wet 2 JUNI 2006 B.S. 26/06/06
Wet tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen, teneinde de vereffeningsprocedure te verbeteren (1)

(deze wetswijziging is reeds verwerkt in de bovenstaande tekst)

ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegeneheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2. Artikel 184 van het Wetboek van vennootschappen wordt vervangen als volgt :
« Art. 184. § 1. Voorzover de statuten niet anders bepalen wordt de wijze van vereffening bepaald door de algemene vergadering.
De vereffenaars treden pas in functie nadat de rechtbank van koophandel is overgegaan tot de bevestiging van hun benoeming ingevolge de beslissing van de algemene vergadering. De bevoegde rechtbank is die van het arrondissement waar de vennootschap op de dag van het besluit tot ontbinding haar zetel heeft. Indien de zetel van de vennootschap binnen zes maanden voor het besluit tot ontbinding verplaatst werd, is de bevoegde rechtbank die van het arrondissement waar de vennootschap haar zetel had voor de verplaatsing ervan. De rechtbank gaat pas over tot de bevestiging van de benoeming nadat zij heeft nagegaan dat de vereffenaars alle waarborgen van rechtschapenheid bieden. De rechtbank oordeelt tevens over de handelingen die de vereffenaar eventueel gesteld heeft tussen zijn benoeming door de algemene vergadering en de bevestiging ervan. Zij kan die handelingen met terugwerkende kracht bevestigen, dan wel nietig verklaren indien ze kennelijk in strijd zijn met de rechten van derden. Een alkte houdende benoeming van een vereffenaar kan slechts geldig worden neergelegd overeenkomstig artikel 74 wanneer er een afschrift van de beslissing tot bevestiging of homologatie door de rechtbank van koophandel wordt bijgevoegd.
Eenieder die werd veroordeeld wegens een inbreuk op de artikelen 489 tot 490bis van het Strafwetboek dan wel wegens diefstal, valsheid, knevelarij, oplichting of misbruik van vertrouwen mag niet tot vereffenaar worden aangewezen, net zomin als enige bewaarder, voogd, bestuurder of rekenplichtige die niet tijdig rekening en verantwoording heeft gedaan en niet tijdig heeft afgerekend. Tot die uitsluiting mag alleen worden besloten binnen een termijn van tien jaar, te rekenen van een definitief vonnis van veroordeling dan wel van het uitblijven van het tijdig rekening en verantwoording doen en tijdig afrekenen.
Tenzij de bevoegde rechtbank daartoe homologatie verleent, mag evenmin tot vereffenaar worden benoemd eenieder die failliet werd verklaard zonder rehabilitatie te hebben verkregen, alsook wie een gevangenisstraf, zelfs met uitstel, heeft opgelopen wegens een van de strafbare feiten die bedoeld worden in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, wegens een inbreuk op de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding van de ondernemingen of op de uitvoeringsbesluiten ervan, of wegens een inbreuk op de fiscale wetgeving.
Zo de bevoegde rechtbank weigert over te gaan tot homologatie of bevestiging, wijst ze zelf een vereffenaar aan, eventueel op voorstel van de algemene vergadering.
De rechtbank van koophandel wordt aangezocht bij eenzijdig verzoekschrift van de vennootschap, dat wordt ingediend overeenkomstig de artikelen 1025 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. Het verzoekschrift wordt ondertekend door het bevoegde orgaan van de vennootschap dan wel door een advocaat, en wordt ingediend met een boekhoudkundige staat van activa en passiva. De rechtbank doet uitspraak uiterlijk binnen vierentwintig uur nadat het verzoekschrift is ingediend.
De rechtbank kan eveneens worden aangezocht bij verzoekschrift van de procureur des Konings dan wel van iedere belanghebbende derde, overeenkomstig de artikelen 1034bis en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
In de vennootschappen onder firma en in de gewone commanditaire vennootschappen zijn de besluiten slechts geldig indien zij worden genomen door de helft van de vennoten, in het bezit van drie vierde van het vennootschapsvermogen; bij gebreke van deze meerderheid beslist de rechtbank.
De vereffenaars vormen een college.
Ingeval de vereffenaar een rechtspersoon is, moet de natuurlijke persoon die hem vertegenwoordigt voor de uitoefening van de vereffening in het benoemingsbesluit worden aangewezen. Iedere wijziging van deze aanwijzing moet overeenkomstig deze paragraaf worden besloten en overeenkomstig artikel 74, 2°, worden neergelegd en openbaar gemaakt.
§ 2. Zo de artikelen 189bis en 190, § 1, niet in acht werden genomen, kan de bevoegde rechtbank op verzoek van het openbaar ministerie dan wel van iedere belanghebbende derde en nadat de vereffenaar werd gehoord, overgaan tot diens vervanging. »
Art. 3. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 189bis ingevoegd, luidende :
« Art. 189bis. De vereffenaars zenden in de zesde en de twaalfde maand van het eerste vereffeningsjaar een omstandige staat van de toestand van de vereffening over aan de griffie van de rechtbank van koophandel van het arrondissement waarin de vennootschap haar zetel heeft.
Die omstandige staat, die onder meer de ontvangsten, de uitgaven en de uitkeringen vermeldt en die wat nog moet worden vereffend, aangeeft, wordt bij het in artikel 195bis bedoelde vereffeningsdossier gevoegd.
Vanaf het tweede jaar van de vereffening wordt die omstandige staat slechts om het jaar aan de griffie overgezonden en bij het vereffeningsdossier gevoegd. »
Art. 4. Artikel 190, § 1, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met de volgende leden :
« Vooraleer de vereffening wordt afgesloten, leggen de vereffenaars het plan voor de verdeling van de activa onder de verschillende schuldeisers voor akkoord voor aan de rechtbank van koophandel van het arrondissement waarbinnen de vennootschap haar zetel heeft.
De rechtbank kan van de vereffenaar alle dienstige inlichtingen vorderen om de geldigheid van het verdelingsplan na te gaan. »
Art. 5. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 195bis ingevoegd luidende :
« Art. 195bis. Voor elke vereffening wordt ter griffie een dossier bijgehouden dat de volgende stukken bevat :
1° het in artikel 67, § 2, bedoelde dossier;
2° het afschrift van de in artikel 181, § 1, bedoelde verslagen;
3° een afschrift van de in artikel 189bis bedoelde vereffeningsstaten;
4° de uittreksels van de in de artikelen 74, 2°, en 195, bedoelde bekendmakingen;
5° in voorkomend geval, de lijst van homologaties en bevestigingen.
Elke belanghebbende kan kosteloos inzage nemen van het dossier en er tegen betaling van de griffiekosten een afschrift van verkrijgen. »
Art. 6. Artikel 196, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 8 april 2003, wordt aangevuld met het volgende punt :
« 5° de vereffenaars die verzuimen aan de griffie van de rechtbank van koophandel van het arrondissement waarin de vennootschap haar zetel heeft, de omstandige staat van de toestand van de vereffening over te zenden, overeenkomstig artikel 189bis. »
Art. 7. Binnen het jaar waarin deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, nemen de vereffenaars voor de vereffeningen die lopen op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet de nodige maatregelen om zich te schikken naar de bepalingen ervan.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Schriftelijke vraag 3-5632 van Brotcorne Christian (CDH) d.d. 12 juli 2006:
Vereffeningsprocedure - Wet van 2 juni 2006 tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen, teneinde de vereffeningsprocedure te verbeteren - Inwerkingtreding - Gevolgen voor de lopende vereffeningen.Vice-eerste minister en minister van Justitie

Vraag:

Conform de wet van 2 juni 2006 tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen, teneinde de vereffeningsprocedure te verbeteren (Belgisch Staatsblad van 26 juni 2006) treden de vereffenaars voortaan pas in functie nadat de rechtbank van koophandel is overgegaan tot de bevestiging van hun benoeming. Ze kunnen slechts worden aangewezen op voorwaarde dat ze niet werden veroordeeld wegens een inbreuk op de artikelen 489 tot 490bis van het Strafwetboek dan wel wegens diefstal, valsheid, knevelarij, oplichting of misbruik van vertrouwen. Zij die een beroepsverbod gekregen hebben of als voogd, bestuurder of rekenplichtige niet tijdig rekening en verantwoording hebben gedaan en niet tijdig hebben afgerekend, kunnen net zo min tot vereffenaar worden benoemd.

De vereffenaars zenden voortaan in de zesde en de twaalfde maand van het eerste vereffeningsjaar een omstandige staat van de toestand van de vereffening over aan de griffie van de rechtbank van koophandel waar voor elke vereffening een dossier zal worden bijgehouden.
De vereffenaars moeten bovendien, vooraleer de vereffening wordt afgesloten, het plan voor de verdeling van de activa onder de verschillende schuldeisers voor akkoord voorleggen aan de rechtbank van koophandel.
Binnen het jaar waarin deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, nemen de vereffenaars voor de vereffeningen die lopen op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet de nodige maatregelen om zich te schikken naar de bepalingen ervan.

Welke maatregelen moeten de vereffenaars nemen om zich te schikken naar de bepalingen van de wet van 2 juni 2006 tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen, teneinde de vereffeningsprocedure te verbeteren?
Moet hun benoeming het voorwerp uitmaken van een bevestiging of homologatie van de rechtbank van koophandel binnen het jaar waarin de wet van 2 juni 2006 wordt bekendgemaakt? Moeten de vereffenaars een omstandige staat van de situatie van de vereffening naar de griffie van de rechtbank van koophandel sturen?

Moeten de vereffenaars het plan voor de verdeling van de activa onder de verschillende schuldeisers voor akkoord voorleggen aan de rechtbank van koophandel als de vereffening wordt afgesloten binnen het jaar waarin de wet van 2 juni 2006 wordt bekendgemaakt?


Antwoord ontvangen op 6 september 2006:

Met « de nodige maatregelen » worden alle maatregelen bedoeld die nodig zijn opdat vereffenaars de nieuwe verplichtingen van de wet naleven.
Een van de te treffen « nodige maatregelen » is de aanwijzing van de vereffenaar door de algemene vergadering te laten bevestigen door de rechtbank van koophandel (artikel 184, § 1, tweede lid, W. Venn.) van het arrondissement waar de vennootschap op de dag van het ontbindingsbesluit haar zetel heeft (artikel 184, § 1, tweede lid, tweede volzin, W. Venn.).

Een andere nodige maatregel is zich te richten naar de verplichting in de zesde/ resp. twaalfde maand van het eerste vereffeningsjaar een omstandige vereffeningsstaat over te zenden (artikel 189bis W. Venn.). Hetzelfde
geldt voor de verplichting van artikel 190, § 1, W. Venn. (voorleggen door de vereffenaars van het plan voor de verdeling van de activa aan de rechtbank, alvorens de vereffening af te sluiten).

Het is evenwel zo dat in een periode van één jaar als overgangsperiode werd voorzien.

Met andere woorden vereffenaars hebben tot 26 juni 2007 de tijd om voormelde verplichtingen na te leven (welteverstaan, voor vereffeningen die werden geopend voor de inwerkingtreding van de wet). Dit heeft als
gevolg dat indien de vereffening afgesloten wordt binnen het jaar van inwerkingtreding van de wet, deze verplichtingen niet toepasselijk zijn, nadien uiteraard wel.

Kan een reeds vereffende vennootschap nog een vordering instellen? - Neen.

Zie: Burgerlijke Rechtbank te Antwerpen 4e F Kamer – 15 januari 2007, R.W. 2007-2008, 1084

Samenvatting:

De vordering ingeleid door een reeds vereffende vennootschap, vertegenwoordigd door haar vereffenaar, is ontoelaatbaar, omdat deze vennootschap geen actieve rechtspersoonlijkheid meer had op de dag waarop zij de vordering in rechte instelde, terwijl zij zich evenmin verweert tegen een tegen haar ingestelde vordering, in dit geval een te haren name gevestigde aanslag in de inkomstenbelasting.

tekst van het vonnis:


De vereffening van eiseres blijkt te zijn gesloten bij een notarisakte van 19 juli 2002 die in samenvatting is verschenen in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 2 augustus 2002.

Op 6 augustus 2004 is er op de gewestelijke directie namens eiseres een bezwaarschrift ingekomen door bijzonder gevolmachtigde, «in opdracht van de vereffenaar». Het gaat om de roerende voorheffing die namens eiseres spontaan is aangegeven op 6 maart 2003 en die spontaan is betaald op aangifte.

Een gedelegeerd ambtenaar beoordeelde op grond van het arrest van het Arbitragehof van 23 juni 2004 het bezwaar gegrond, maar hij ontzegde daarop moratoriuminterest wegens terugbetaling aan de schuldenaar van aan de bron teveel betaalde roerende voorheffing, zulks met toepassing van art. 419, 3o, WIB92.

Met een verzoekschrift op tegenspraak van 16 maart 2005 werd de vordering in rechte ingeleid. Eiseres is NV De N., in rechte vertegenwoordigd door haar vereffenaar. Voorts blijkt het verzoekschrift enkel te zijn ondertekend door een bedrijfsrevisor.

Verweerder voert om verschillende redenen aan dat huidige vordering ontoelaatbaar dient te worden verklaard.

Hij dient te worden bijgevallen om bepaaldelijk volgende redenen, abstractie gemaakt van de kwestie of niet reeds het eerdere bezwaar onontvankelijk had dienen te worden verklaard.

Allereerst wordt te dezen een vordering in rechte ingesteld namens een vennootschap waarvan de vereffening reeds was gesloten voordat de rechtsvordering werd ingesteld. Eiseres had alzo geen actieve rechtspersoonlijkheid meer op de dag waarop zij haar vordering in rechte instelde.

Ook verweert zij zich hier niet op een te haren name gevestigde aanslag, in welk geval zij wel volop verweerrecht op aanslag had behouden (vgl. Cass. 17 juni 1965, R.W. 1965-66, 940).

Aangezien de rechtsvordering te dezen wordt gesteld door een niet meer bestaande vennootschap, en de rechtsvordering evenmin enig verweer vormt op een vordering te haren laste, dient ze alzo ontoelaatbaar te worden verklaard.

Zuiver ten overvloede blijkt ook het gedinginleidende verzoekschrift niet ondertekend te zijn door de partij zelf of door een advocaat, zodat de erin uitgedrukte vordering om ook die reden niet kan worden toegelaten.

Art. 1017 Ger. W. noopt ten slotte tot veroordeling van eiseres als in het ongelijk gestelde partij tot de kosten, zulks in het raam van haar passieve rechtspersoonlijkheid.

Vereffening is geen alternatief voor een faillissement en brengt een grote verantwoordelijkheid mee voor de vereffenaars:

• Rechtbank van Koophandel te Tongeren, RW 2008-2009, 13 januari 2005, 504

a) De feitelijke vereffening van de vennootschap met miskenning van het vennootschapsrecht en de wetgeving op de voorrechten en hypotheken waarbij leningen werden toegestaan met de voorkennis dat deze leningen niet zouden kunnen worden terugbetaald en zonder dat een volledige en correcte boekhouding werd gevoerd, is een kennelijk grove fout van de bestuurders in de zin van art. 530 W.Venn.

b) Het niet neerleggen van een jaarrekening zoals voorgeschreven door het Wetboek van Vennootschappen vormt een schending van een resultaatsverbintenis die door het Wetboek van Vennootschappen wordt opgelegd aan de bestuurders.

c) het nalaten van bestuurders van de staking van betaling in de wetenschap  dat de vennootschap zich in staat van faillissement bevond, is een fout in de zin van art. 1382 B.W.

Faillissement BVBA R. t/ L.R. en A.R.

1. Antecedenten

(a) De BVBA R. werd op 9 februari 1993 opgericht door eerste verweerder, R.L., voor het ambt van Notaris D.-S., met als maatschappelijk doel bouwpromotie, handel in onroerende goederen en algemene bouwactiviteiten. Eerste verweerder R.L. werd aangesteld als enig zaakvoerder.

De curatoren voeren aan dat de vennootschap in feite werd bestuurd door tweede verweerder, R.A., die de vennootschap rechtsgeldig kon vertegenwoordigen bij onroerende verrichtingen blijkens een notariële volmacht van 20 november 1996. De curatoren verwijzen desbetreffend tevens naar een onderzoek van de sociale inspectie naar het sociaal statuut van tweede verweerder. Ingevolge de bevindingen van dit onderzoek heeft de R.S.Z. de voor tweede verweerder ingediende aangiften over de periode van 1 juli 1998 tot 27 maart 2003 ambtshalve geschrapt wegens het ontbreken van één van de constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst, namelijk het ondergeschikt verband.

Verweerders stellen dat tussen hen werd afgesproken dat tweede verweerder R.A. het bestuur van de vennootschap «minstens vanaf anno 2000 exclusief» zou waarnemen, en dat de activiteiten van eerste verweerder R.L. zich zouden beperken tot bestuur en aanwezigheid op de werven, en ze voegen eraan toe «Overigens was deze afspraak veeleer een vaderlijk bevel dat door eerste verweerder niet kon worden genegeerd, wel integendeel».

De activiteiten van de vennootschap bereikten hun hoogtepunt in 1998, toen er circa twintig arbeiders en drie bedienden tewerkgesteld waren, die instonden voor de bouw van ongeveer vijftig woningen per jaar. Vanaf dat ogenblik liepen de activiteiten echter terug tot op 27 maart 2003 het faillissement werd uitgesproken.

(b) De curatoren voeren aan dat de vennootschap, onder de actieve en uitsluitende leiding van tweede verweerder R.A., vanaf 2001 «ogenschijnlijk» ging fungeren als geldschieter voor de NV R.C., een vennootschap van de heer R.A. en zijn echtgenote, en in staat van faillissement gesteld op 23 januari 2003 door de rechtbank van koophandel te Tongeren.

In 2001 werd het doel van de vennootschap NV R.C. uitgebreid tot de uitbating van horecazaken, en achtereenvolgens werden volgende horecazaken in uitbating genomen: restaurant La G., taverne De P., en danscafé de P., volgens aanleggers q.q. zonder dat de vennootschap over voldoende financiering beschikte. De balans van de BVBA R. vertoonde daardoor, aldus verder de curatoren, per 31 december 2002 een vordering in rekening-courant ten opzichte van de NV R.C. van 368.934,15 euro.

Verweerders geven toe dat de zaken vanaf 2001 inderdaad bergaf gingen, en dat dit eigenlijk alleen te wijten was aan grote spanningen tussen tweede verweerder R.A. en zijn voormalige echtgenote M.

(c) De aannemingsactiviteiten van de BVBA R. werden stopgezet eind 2002, en vanaf 1 januari 2003 werden aldus geen prestaties meer verricht door de arbeiders.

Er werd geopteerd voor een vrijwillige vereffening van de BVBA R., en de feitelijke vereffeningsactiviteiten werden aangevat, ondanks het feit dat geen formele beslissing tot ontbinding werd genomen, zo argumenteren de curatoren verder.

Aangezien de inkomstenstroom eind 2002 was stilgevallen, was de vennootschap verplicht vanaf begin 2003 activa te realiseren om de schuldeisers te voldoen.

In de periode van 24 februari 2003 tot 20 maart 2003 werden acht onroerende goederen verkocht voor een totaal bedrag van 272.870,55 euro, en de opbrengst werd voor het grootste gedeelte uitgekeerd aan de schuldeisers die beslag hadden gelegd.

Er bleven echter geen bedragen meer over om de lopende verbintenissen te voldoen. De lonen werden niet meer betaald vanaf februari 2003, en een aantal schuldeisers en leveranciers bleven onbetaald, zodat op 26 maart 2003 uiteindelijk de boeken werden neergelegd.

(d) De curatoren stelden vast dat de boekhouding onvolledig was en dat zo ook alle bescheiden voor het jaar 2001 ontbraken. Ondanks aanmaning tot afgifte werd hieraan door verweerders geen gevolg gegeven.

Bij beschikking van de rechter-commissaris van 6 maart 2003 werden de curatoren gemachtigd zich te laten bijstaan door de heer B., revisor uit Peer.

De heer B. kwam ondermeer tot de volgende bevindingen:

«De boekhouding van BVBA R. is onvolledig, niet correct en werd niet gevoerd conform de wettelijke bepalingen. Zij is op vele punten in overtreding met de boekhoudwetgeving en bevat niet-verantwoorde compensatieboekingen en diverse onduidelijke boekingen. Voor al deze boekingen ontbreken de wettelijk vereiste verantwoordingsstukken. Een kasboek werd niet bijgehouden. Gelden werden aan de vennootschap onttrokken zonder onderbouwing of bewijskrachtige bescheiden.

Voor verschillende van deze boekingen is het wenselijk, zo niet noodzakelijk om aanvullende toelichtingen en/of verantwoordingsstukken op te vragen. Het betreft voornamelijk de transacties met betrekking tot de aanzuivering van leningen en voorschotten via verkoop van gronden, en boekingen met betrekking tot de zaakvoerders en R.C.

Overzicht van zonder verantwoordingsstukken aan de vennootschap onttrokken bedragen:

– aanzuivering rekening-courant zaakvoerder:

40.287,00 euro

– betalingen voor rekening van R.C.:

25.376,00 euro

– compensatie klant A.R./BTW schuld:

54.500,00 euro

– ontvangen vooruitbetalingen met zekerheid aan de vennootschap onttrokken:

10.845,00 euro

nog te onderzoeken:

30.358,00 euro

– opname loketcheques via kas:

470.240,00 euro

waarvan toegekend aan R.C.:

303.241,00 euro

waarvan de begunstigde niet is gekend:

167.000,00 euro

Totaal:

601.248,00 euro

(e) Bij inleidende dagvaarding van 12 en 13 januari 2004 vorderden aanleggers q.q. van verweerders solidair en in solidum, de ene bij gebreke van de andere, betaling van de provisionele som van 379.778,80 euro, vermeerderd met de gerechtelijke interesten en kosten. Dit bedrag werd verantwoord door verwijzing naar de volgende bedragen, die uit het vennootschapsvermogen zijn verdwenen, zonder dat daarvoor enige bedrijfseconomische rechtvaardiging, laat staan een boekhoudkundig verantwoordingsstuk, bestaat:

– geldopnames fictief toegewezen aan «toegestane leningen» R.C.:

368.934,00 euro

– totaal niet-verantwoorde geldopnames:

10.844,80 euro

Totaal:

379.778,80 euro

Het bedrag van 368.934 euro is de som die de NV nog verschuldigd zou zijn aan de BVBA R., volgens de boekhouding van deze laatste vennootschap. Uit de boekhouding van de NV R.C., die op dit punt het spiegelbeeld zou moeten zijn van de boekhouding van de BVBA R., blijkt uit hoofde van deze rekening-courant echter geen schuld te bestaan. Dit laatste wordt bevestigd door de aangifte van schuldvordering van de BVBA R., waarin geen sprake is van een rekening- courant. De curatoren besluiten hieruit dat dit bedrag aan opgenomen gelden uit de vennootschap werd onttrokken.

Het bedrag van 10.844,80 euro werd verkregen door het verschil tussen 41.202,98 euro, zijnde niet geboekte voorschotbetalingen, met een bedrag van 30.358,18 euro, zijnde een balanspost «460000 – Ontvangen vooruitbetalingen».

De curatoren baseerden hun vordering juridisch op:

– de kennelijk grove fouten (art. 530 W.Venn.) van verweerders, die hebben bijgedragen tot het faillissement;

– de gemeenrechtelijke bestuursfouten (art. 527 W.Venn. en art. 1382 B.W.);

– overtredingen van de Vennootschapswet of de statuten (art. 528 W.Venn.).

2. Ten gronde

(a) De heren R. stellen primair dat het verslag van de heer B. niet kan worden gehanteerd, aangezien dit onderzoek niet op tegenspraak werd gevoerd, zodat er een manifeste schending is van het recht van verdediging, en een gerechtelijk onderzoek op tegenspraak noodzakelijk is.

Zij voeren voorts aan dat de boekhouding werd gevoerd door A. te S., zijnde een eerbaar en erkend accountant, hetgeen een vermoeden is dat de boekhouding wel conform de wettelijke bepalingen werd gevoerd.

Voorts voeren verweerders aan dat in het raam van een gerechtelijke expertise de verantwoording zal blijken van de rekening-courant zaakvoerders, van het feit dat de post «leningen R.C.» niet slaat op gelden die werden onttrokken aan het vennootschapsvermogen, en van het feit dat de curatoren ten onrechte beweren dat niet-geboekte voorschotbetalingen werden teruggevonden voor een bedrag van 41.202,98 euro.

Ten slotte verzoeken verweerders de curatoren te bevelen zich te gedragen naar art. 54, 2o, Faillissementswet.

De curatoren betogen dat het gegeven dat het verslag B. niet op tegenspraak werd opgesteld, nog niet inhoudt dat hieruit geen bewijskracht kan worden geput. Zij voeren aan dat de aangewreven feiten evengoed in conclusies zouden kunnen worden weerlegd.

Voorts leggen de curatoren uit dat door hen geen verwijt wordt gestuurd naar de boekhouder van de gefailleerde onderneming. A. te S., die als louter technisch uitvoerder moest worden beschouwd, terwijl de bedrijfsleiders nalieten A. van de nodige informatie te voorzien. A. kreeg de instructie de talrijke geldbewegingen te boeken op de rekening-courant zaakvoerder, en deed zulks niet uit eigen initiatief.

In antwoord op de bemerking van de heren R. dat de curatoren verzuimd hebben de boekhouding te laten bijwerken, zoals bepaald in art. 54, 2o, Faillissementswet, betogen de curatoren dat zulks niet mogelijk was.

In antwoord op de argumentatie van de heer R.A. dat het bestuur hem vanaf begin 2002 zwaar viel ingevolge zijn echtelijke moeilijkheden, betogen de curatoren dat het Wetboek van Vennootschappen, en meer bepaald het aansprakelijkheidsregime voor bestuurders, geen verzachtende omstandigheden kent, noch verschoningsgronden, behoudens de weerlegging van het schuldvermoeden, het uitdrukkelijk verzet van een bestuurder tegen een bestuursdaad waarmee hij het niet eens is, of zijn uitdrukkelijke aanklacht hiertegen op de algemene vergadering.

Voor wat eerste verweerder R.L. betreft, verwijzen de curatoren naar het feit dat hij formeel bestuurder was.

(b) De waarde van het verslag B.

De vraag rijst welke de waarde is van het verslag B., en meer bepaald of dit als (voldoende) bewijskrachtig kan worden aanvaard, dan wel of de aanstelling van een gerechtsdeskundige noodzakelijk is.

Op basis van cassatierechtspraak (Cass. 14 september 1984, Arr. Cass. 1984-1985, 88) wordt meestal aangenomen dat de rechter naargelang de omstandigheden de eenzijdige expertise mag aanvaarden als een vermoeden, waarbij als «omstandigheden» onder meer de gebruiken van de sector, de autoriteit van de deskundige (bekwaamheid, onafhankelijkheid, eerlijkheid, ...) en de wijze waarop het deskundig onderzoek werd gevoerd, in aanmerking kunnen worden genomen. Art. 986 Ger. W. maakt bovendien geen onderscheid tussen contradictoire en niet-contradictoire deskundigenonderzoeken, zodat ook voor het eenzijdig deskundigenonderzoek zou gelden dat de feitenrechter in feite, en dus op onaantastbare wijze de bewijswaarde van het deskundig verslag beoordeelt (K. Deketelaere, M. Schoups en A. Verbeke (red.), Handboek Bouwrecht, Intersentia-die Keure, 2004, p. 1030, nr. XIII.19).

De eenzijdige expertise kan door de rechter in aanmerking worden genomen als een attest, met andere woorden als een vermoeden. De geloofwaardigheid van dit vermoeden zal enkel afhangen van de eerlijkheid, de bevoegdheid en de onafhankelijkheid van de opsteller van het verslag, alsook van de min of meer ideale voorwaarden waarin het onderzoek van de eenzijdig aangestelde deskundige heeft plaatsgehad (A. Cloquet, Deskundigenonderzoek in zaken van privaatrecht, in A.P.R., 1975, p. 22, nr. 54).

Het verslag B. heeft in voorliggend geval bewijskracht, aangezien men er op basis van de omstandigheden geloof aan kan hechten, waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat de heer R., die zich nu beklaagt over de onvolledige boekhouding, in de bewuste periode zelf de verantwoordelijkheid droeg om deze in orde te brengen, maar naliet zulks te doen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de heer B. bedrijfsrevisor is, en geregeld door de rechtbank wordt aangesteld, zodat hij ongetwijfeld vertrouwen geniet en verdient.

Voorts dient te worden aangestipt dat de afgevaardigde-bestuurders en zaakvoerders ertoe gehouden zijn, niet alleen om de boekhouding conform de wettelijke voorschriften te voeren, maar tevens om die boekhouding volledig ter beschikking te stellen van de curatoren. Het is de volledig ter beschikking gestelde boekhouding, die als basis heeft gediend voor het onderzoek dat werd uitgevoerd door de heer B., zodat er geen inkomende (bewijskrachtige) elementen kunnen zijn die een onderzoek en besluit kunnen funderen.

In deze omstandigheden kan niet worden ingegaan op het verzoek van verweerders om een gerechtelijke boekhoudkundige expertise te bevelen.

De volgende opmerking in het verslag B. verandert hieraan niets: «Voor verschillende van deze boekingen is het wenselijk, zo niet noodzakelijk, om aanvullende toelichtingen en/of verantwoordingsstukken op te vragen. Het betreft voornamelijk de transacties met betrekking tot de aanzuivering van leningen en voorschotten via verkoop van gronden, en boekingen met betrekking tot de zaakvoerders en R.C.».

Het verslag B. besluit tot een bedrag van 601.248 euro, dat zonder verantwoordingsstukken werd onttrokken aan de vennootschap. Er wordt desbetreffend door verweerders in conclusies geen bewijskrachtig element voorgebracht en geen aannemelijke uitleg verstrekt om deze onttrekking te verantwoorden, terwijl de vordering van de curatoren beduidend lager is dan het bedrag aangenomen in het verslag B., en tevens dient gelet op de aard (reden, samenstelling van het bedrag) van de door hen gestelde vordering, zodat een (gedeeltelijke en aanvaarde) uitleg van de zijde van verweerders nog onvoldoende zou zijn om de vordering van de curatoren te weerleggen.

(c) Verwerende partij R. verwijst naar het feit dat de curatoren hebben nagelaten zich te houden aan de nieuwe taak, die door de reparatiewet van 4 september 2002 werd opgelegd aan de curator, en die geformuleerd werd in art. 54 Faillissementswet. Deze taak houdt onder meer in dat de curatoren, wanneer geen balans werd neergelegd, de balans moeten opmaken, overeenkomstig de regelen en beginselen van het boekhoudrecht, met bijstand van een accountant, en gebeurlijk op kosten van de bestuurders en zaakvoerders.

De curatoren dienen deze verplichting naar best vermogen te vervullen, maar niemand kan gehouden zijn tot het onmogelijke. Deze verplichting dient redelijk te worden geïnterpreteerd, en men kan van een curator niet eisen dat hij een balans zou opstellen wanneer geen enkel document beschikbaar is (A. Zenner, Faillites et concordats 2002. La réforme de la réforme et sa pratique, Les dossiers du Journal des Tribunaux, Larcier, 2003, p. 263, nr. 234, en de verwijzingen aldaar).

De minister van Justitie verklaarde trouwens dat deze verplichting niet dezelfde inhoud heeft als de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen, een balans niets anders is dan een tabel met het actief en het passief, en niet slaat op het opstellen van alle rekeningen en bijlagen, die een onderneming jaarlijks dient op te stellen (A. Zenner, ibid.).

De verplichting om de volledige boekhouding in orde te stellen kan in voorliggend geval dan ook niet aan de curatoren worden opgelegd, aangezien:

– de boekhouding, zoals ook vastgesteld door de heer B., totaal onvolledig en incorrect was, zodat een samenstelling ervan onmogelijk is, en derhalve ook het opstellen van een getrouwe balans;

– het een bijkomende kostelijke operatie is, die door de schuldeisers gedragen zou moeten worden gelet op de (beweerde) insolvabiliteit van verweerders, en die geen bijkomende nuttige elementen zou kunnen brengen bovenop het verslag B.;

– een dergelijke operatie niet op kosten van de schuldeisers kan worden bevolen, omdat ze in voorliggend geval enkel zou moeten strekken om het verweer van verweerders mogelijkerwijze te ondersteunen.

(d) De juridische basis van de vordering

Aanleggers q.q. baseren hun vordering op diverse wetsartikelen.

1. Artikel 530 W.Venn.

Art. 530 W.Venn. (art. 265 en 409) bepaalt dat, indien bij een faillissement de schulden de baten overtreffen, de bestuurders persoonlijk en al dan niet hoofdelijk, aansprakelijk worden gesteld voor het geheel of een deel van de schulden, tot beloop van het tekort, indien komt vast te staan dat een door hen begane kennelijk grove fout heeft bijgedragen tot het faillissement.

De aansprakelijkheid is individueel, maar de rechter kan de hoofdelijkheid uitspreken (B. Vander Meulen en D. Vercruysse, Praktische gids voor faillissementscuratoren, Kluwer, 2003, p. 327, nr. 498; Kh. Charleroi 8 september 1992, R.R.D. 1993, 28).

Er zijn in feite vier toepassingsvoorwaarden (De gids voor de vennootschappen, Ced. Samsom, 2004, p. 255, punt 2.5):

– het faillissement moet uitgesproken zijn. Dit artikel is dus niet van toepassing in geval van gerechtelijk akkoord of vereffening;

– het actief moet ontoereikend zijn om de schuldeisers te kunnen betalen. De schulden moeten worden verhoogd met de vereffeningskosten van het faillissement, en dus ook met de opzegvergoedingen en de andere boedelschulden;

– de aanwezigheid van een kennelijk grove fout, zoals het ontbreken van elke vorm van boekhouding, of het systematisch vervalsen van de boekhouding door verkoop in het zwart, of het aanvangen van een activiteit zonder over de minste reserves te beschikken om de verbintenissen die dit meebrengt te kunnen financieren, of het doen van prestigeuitgaven zonder verband met de toestand van de vennootschap;

– deze fout moet hebben bijgedragen tot het faillissement. Een precies oorzakelijk verband wordt niet vereist (Bergen 22 maart 1993, R.P.S. 1993, 323; Kh. Luik 10 september 1991, T.B.H. 1992, 501; Gent 31 maart 1994, T.B.H. 1994, 977).

Een kennelijk grove fout is een fout die een redelijk voorzichtig en vooruitziend bedrijfsleider niet zou hebben begaan en die schade toebrengt aan het voortbestaan van de vennootschap; de overtreding van een norm die belangrijk, zo niet essentieel is voor de handhaving en het bestaan van de vennootschap (zie o.a.: K. Geens en J. Vananroye, «Burgerrechtelijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid in de vennootschappelijke context, met inbegrip van het misbruik van vennootschappen», in Vennootschaps- en financieel recht, Themis, academiejaar 2001-2002, p. 22, nr. 39; Kh. Charleroi 8 september 1992, R.R.D. 1993, 29; Rb. Gent 26 maart 1993, T.B.H. 1993, 935).

De curator moet het bewijs leveren van een verband tussen de kennelijk grove fout en het faillissement, niet van een verband tussen de fout en onvoldoende actief. Wanneer een kennelijk grove fout heeft bijgedragen tot het faillissement, wordt de bestuurder vermoed aansprakelijk te zijn voor het onvoldoende actief (I. Verougstraete, «L‘action en comblement du passif», in Les créanciers et le droit de la faillite, Brussel, Bruylant, 1983, 425; A. Benoit-Moury, «Dix ans de jurisprudence en matière de sociétés», Act. Dr. 1991, 110; Bergen 22 maart 1993, R.P.S. 1993, 323; Kh. Brussel 10 september 1985, T.B.H. 1987, 523; Kh. Luik 10 september 1991, T.B.H. 1992, 501; Kh. Hasselt 26 november 2002, R.W. 2004-2005, 710).

De rechter moet bij zijn beoordeling de beleidsmarge van de bestuurders eerbiedigen en kan enkel een sanctie opleggen wegens «kennelijke fouten, die buiten de marge vallen waarbinnen zorgvuldige, onderlegde en redelijke bestuurders van mening kunnen verschillen over het te volgen beleid of de te nemen beslissing» (S. Van Crombrugge, «De aansprakelijkheid van vennootschapsbestuurders», R.W. 1989-1990, 1141; Kh. Brussel 29 maart 1995, V.&F. 1998, 284-285; O. Ralet, Responsabilités des dirigeants de sociétés, Larcier, 1996, p. 58, nr. 41, en de referenties aldaar). Dit erkent de beleidsvrijheid van de bestuurder en wil voorkomen dat bestuurders uit vrees voor aansprakelijkheid bij elk mislukt project enkel risicoloze beslissingen nemen waardoor waardevolle projecten niet meer zouden worden gerealiseerd.

Het loutere feit dat bestuurders een bevoegdheid hebben gedelegeerd, zoals in voorliggend geval beweerdelijk gebeurde door eerste verweerder R.L., ontslaat hen niet automatisch van hun aansprakelijkheid (K. Geens, M. Denef, F. Hellemans, R. Tas en J. Vananroye, «Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen, 1992-1998», T.P.R. 2000, 99, e.v., p. 326, nr. 294).

Indien de bestuurders een kennelijk grove fout wordt aangewreven, bestaat deze fout meestal uit een geheel van feiten, zoals in voorliggend geval. Een Luiks vonnis beschouwde als kennelijk grove fout de combinatie van de afwezigheid van enige deugdelijke boekhouding, het verderzetten van een verlieslatende activiteit zonder enige storting van socialezekerheidsbijdragen en van bedrijfsvoorheffing, alsook het niet naleven van de alarmbelprocedure (Kh. Luik 10 september 1991, T.B.H. 1992, 501). Het Hof van Beroep te Gent stelde bestuurders aansprakelijk wegens een geheel van financiële, fiscale en boekhoudkundige wanpraktijken (Gent 31 maart 1994, T.B.H. 1994, 977).

Andere voorbeelden van kennelijk grove fout:

– een systematisch wanbeheer in de boekhouding om zichzelf ten nadele van de vennootschap en de schuldeisers op bedrieglijke wijze te verrijken (Gent 31 maart 1994, T.B.H. 1994, 976);

– het op onredelijke wijze verderzetten van een deficitaire handel zonder adequate boekhouding te voeren, noch jaarrekeningen neer te leggen (Kh. Charleroi 8 september 1992, R.R.D. 1993, 29);

– het negeren van de knipperlichtenprocedure sedert verschillende jaren, en het voeren van een deficitaire voortzetting van activiteiten met een negatief eigen vermogen, die er niet op gericht was te pogen de onderneming te redden, maar enkel om zichzelf te verrijken ten koste van de schuldeisers (Gent 2 november 1994, Snelberichten Handelsrecht 1995, 59);

– het kunstmatig in leven houden van de vennootschap tegen alle regels van doeltreffend management in (Kort ged. Kh. Nijvel 22 januari 1997, V.&F. 1997, 160);

– het voeren van een avontuurlijk industrieel beleid, zonder economische, juridische of financiële grondvesten, dat noodgedwongen tot een faillissement moest leiden (Bergen 22 maart 1993, Rev. Prat. Soc. 1993, 323);

– het aangaan van verbintenissen in het algemeen, die buiten verhouding staan tot de financiële draagkracht van de vennootschap (Kh. Brussel 11 december 1984, T.B.H. 1985, 491);

– belangrijke opnames in rekening-courant (Kh. Brussel 10 september 1985, T.B.H. 1987, 523). In voorliggend geval blijkt uit het verslag B. dat de rekening-courant zaakvoerder werd aangezuiverd voor een bedrag van 40.287 euro, en dat voor 470.240 euro opnames gebeurden via loketcheques, en dit alles zonder verantwoordingsstuk;

– het systematisch wanbeheer in de boekhouding om zichzelf ten nadele van de vennootschap en de schuldeisers jarenlang op bedrieglijke wijze te verrijken (Gent 31 maart 1994, T.B.H. 1994, 976).

Voorts is er in voorliggend geval het niet betwist gegeven dat de vennootschap feitelijk werd vereffend zonder dat de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en de wetgeving op de voorrechten en hypotheken werden nageleefd.

Tevens zij verwezen naar het feit dat aan de NV R.C. (waarin de heer R. tevens de plak zwaaide) leningen werden toegestaan in de wetenschap dat deze leningen niet zouden kunnen worden terugbetaald. Er zij desbetreffend tevens verwezen naar het besluit van het verslag B.: «De boekhouding van de BVBA R. is onvolledig, niet correct en werd niet gevoerd conform de wettelijke bepalingen. Zij is op vele punten in overtreding met de boekhoudwetgeving en bevat niet-verantwoorde compensatieboekingen en diverse onduidelijke boekingen. Voor al deze boekingen ontbreken de wettelijk vereiste verantwoordingsstukken. Een kasboek werd niet bijgehouden. Gelden werden aan de vennootschap onttrokken zonder onderbouwing of bewijskrachtige bescheiden. Voor verschillende van deze boekingen is het wenselijk, zo niet noodzakelijk om aanvullende toelichtingen en/of verantwoordingsstukken op te vragen. Het betreft voornamelijk de transacties met betrekking tot de aanzuivering van leningen en voorschotten via verkoop van gronden, en boekingen met betrekking tot de zaakvoerders en R.C.».

De heer B. becijferde een bedrag van 601.428 euro, dat zonder verantwoordingsstukken aan de vennootschap werd onttrokken.

De kennelijk grove fout van beide verweerders is derhalve bewezen.

2. Art. 528 W.Venn. (overtredingen van de Vennootschapswet of de statuten)

De vordering wordt eveneens gebaseerd op art. 528 W.Venn., dat bepaalt dat bestuurders, hetzij jegens derden, hetzij jegens de vennootschap hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle schade die het gevolg is van een overtreding van het W.Venn. of van de statuten van de vennootschap. Bij een overtreding van het W.Venn. of de statuten is de aansprakelijkheid altijd hoofdelijk (art. 263 en 528 W.Venn.).

De meeste bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen of van de statuten houden een resultaatsverplichting in, zodat elke overtreding ervan automatisch een fout uitmaakt. In dit geval heeft de rechter geen beoordelingsbevoegdheid, hij heeft die enkel wanneer enkel inspanningsverbintenissen worden opgelegd aan de bestuurders en zaakvoerders.

Voor deze overtredingen dient schade, en een oorzakelijk verband tussen fout en schade te worden aangetoond, aangezien het een aansprakelijkheid van gemeen recht betreft. Er wordt door verweerders geen enkel element voorgelegd om deze elementen te weerleggen.

De gewone regel is dat bestuurders individueel aansprakelijk zijn (Rb. Gent 26 maart 1993, T.B.H. 1993, 945), zij het dat bij samenlopende of gemeenschappelijke fout de aansprakelijkheid in solidum en de hoofdelijke aansprakelijkheid geldt (S. Van Crombrugge, o.c., R.W. 1989-1990, 1439, nr. 4; S. Stijns, «Over passieve hoofdelijkheid en in solidum gehoudenheid, over gemeenschappelijke fouten en samenlopende fouten», R. Cass. 1994, 49 e.v.).

De bestuurder wordt vermoed aansprakelijk te zijn voor een overtreding van het W.Venn. of de statuten, tenzij hij geen deel heeft gehad, hem geen schuld kan worden verweten, en hij de overtreding heeft aangeklaagd op de eerstvolgende algemene vergadering nadat hij ervan kennis heeft gekregen. De gebeurlijk door de algemene vergadering gegeven décharge geldt enkel ten opzichte van de vennootschap, maar is niet tegenwerpelijk aan de curator of aan derden.

In voorliggend geval werden de jaarrekeningen niet neergelegd.

Het houden van een regelmatige boekhouding en het neerleggen van een balans is een verplichting voor de bestuurders van een vennootschap tot op het ogenblik van het faillissement, die bepaald is in het Wetboek van Vennootschappen. In voorliggend geval, zo werd bevestigd in het onderzoek van de heer B., werd geen correcte boekhouding gevoerd.

De bestuurders en zaakvoerders zijn er, ingevolge de vennootschapswetgeving, toe gehouden de jaarrekeningen (bestaande uit de balans, de resultatenrekening en de toelichting) neer te leggen binnen dertig dagen nadat ze door de algemene vergadering werden goedgekeurd. Het gaat om een resultaatsverbintenis (E. Janssens, Fiscoloog, Nieuwsbrief, Editie 894, jaargang 24). Het betreft hier een verplichting, waarvan de miskenning niet alleen strafrechtelijke en administratieve sancties meebrengt, maar tevens de solidaire verantwoordelijkheid van de bestuurders en zaakvoerders impliceert (O. Ralet, o.c., p. 137, nr. 101, en de referenties aldaar; B. Vander Meulen en D. Vercruysse, o.c., p. 323, nr. 496).

Wanneer de jaarrekeningen niet werden voorgelegd aan de algemene vergadering binnen de zes maanden na de afsluiting van het boekjaar, of niet werden neergelegd, wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed, dat de schade die derden hebben geleden hierdoor werd veroorzaakt (O. Ralet, o.c., p. 138, nr. 101; Zakboekje voor de bestuurder van de NV, Ced Samsom, 1997, p. 164, nr. 13.9).

Andere voorbeelden van overtredingen van de Vennootschappenwet of de statuten, die in voorliggend geval van toepassing zijn (aangehaald in: B. Vander Meulen en D. Vercruysse, o.c., p. 323, nr. 496):

– ten onrechte een verlieslatende activiteit te hebben verdergezet;

– middelen van de vennootschap te hebben aangewend voor andere doeleinden dan het maatschappelijk doel, in het bijzonder in het persoonlijk voordeel van de bestuurder.

De overtredingen van de Vennootschappenwet en de statuten zijn derhalve eveneens bewezen.

3. De onrechtmatige daad (art. 1382 B.W.)

Bestuurders die een onrechtmatige daad (fout, miskenning van de algemene zorgvuldigheidsplicht) plegen ten aanzien van derden zijn hiervoor aansprakelijk, zowel ten opzichte van de vennootschap als ten opzichte van derden (zie verder: K. Geens, M. Denef, F. Hellemans, R. Tas en J. Vananroye, o.c., T.P.R. 2000, 99 e.v., p. 306, nrs. 268 e.v.; B. Vander Meulen en D. Vercruysse, o.c., 323, nr. 496).

Voorbeelden van fouten in de zin van art. 1382 B.W. die in voorliggend geval van toepassing zijn, zijn (aangehaald in: B. Vander Meulen en D. Vercruysse, o.c., 324, nr. 497):

– ontdraging van activa ten nadele van de vennootschap, misbruik van vennootschapsgoederen;

– verderzetten van een verlieslatende activiteit;

– het voeren van een nep-boekhouding met uitsluitend doel de vennootschap leeg te zuigen.

Een vennootschap is onder de nieuwe faillissementswet verplicht om binnen één maand nadat ze opgehouden heeft te betalen, daarvan aangifte te doen (art. 9 Faillissementswet). Het niet aangeven is volgens het Hof van Cassatie niet automatisch een onrechtmatige daad van de leden van de bestuursorganen. De bestuurder is pas aansprakelijk indien hij wist of had moeten weten dat de vennootschap zich in staat van faillissement bevond (zie verder: K. Geens, M. Denef, F. Hellemans, R. Tas en J. Vananroye, o.c., T.P.R. 2000, 99 e.v., p. 317, K. Geens en J. Vananroye, o.c., in Vennootschaps- en financieel recht, Themis, Academiejaar 2001-2002, p. 21, nr. 33; B. Vander Meulen en D. Vercruysse, o.c., p. 323, nr. 497; Cass. 22 september 1988, R.W. 1988-1989, 847; Cass. 7 september 1990, T.R.V. 1991, 86). Art. 1382 B.W. is derhalve in casu eveneens van toepassing.





 

Nog dit: 

Hof van Beroep te Antwerpen, 5e Kamer – 3 juni 2010, RW 2010-2011, 1603

S.I. t/ Vereffenaars BVBA V.T.

I. Antecedenten – procedure

Het voorwerp van de door S.I. bij verzoekschrift van 6 januari 2009 ingestelde vordering en de daaraan ten grondslag liggende feiten werden uiteengezet in het bestreden vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Tongeren van 9 februari 2009 en het hof verwijst daarnaar.

De eerste rechter verklaarde de vordering ongegrond.

S.I. heeft bij een ter griffie van het hof op 5 maart 2009 neergelegd verzoekschrift hoger beroep ingesteld en handhaaft zijn verzoek tot vervanging van de bij vonnis van 12 september 2007 door de Rechtbank van Koophandel te Tongeren aangestelde vereffenaars van de op 28 augustus 2007 vrijwillig ontbonden BVBA V.T.

De vereffenaars besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

II. Beoordeling

1. Onder punt 3 («Ten gronde») van het bestreden vonnis dient: «Indien de vereffenaar dit weigert, zal de rechtbank hieromtrent uitspraak moeten doen en de sluiting van de vereffening bevelen» als volgt verbeterd en gelezen te worden: «Indien de algemene vergadering dit weigert, zal de rechtbank hieromtrent uitspraak doen en de sluiting van de vereffening bevelen».

2. De eerste rechter heeft op oordeelkundige gronden, die door appellant niet weerlegd en door het hof aldus verbeterd overgenomen worden, het verzoek tot vervanging van de vereffenaars ongegrond verklaard.

3. Het hof voegt daar enkel nog aan toe dat:

a) de heer S.I. blijkens de ontwikkelde grieven vooral kritiek heeft op de door de vereffenaars aangerekende kosten en erelonen, waarover echter de rechtbank van koophandel in geval van betwisting zal oordelen; een dergelijke kritiek kan geen grond vormen tot vervanging van de door de rechtbank van koophandel aangestelde vereffenaar(s);

b) het feit dat de heer S.I. zijn verzoekschrift tot vervanging van de vereffenaars pas heeft neergelegd op 6 januari 2009 en dus nadat alle voor de vereffening noodzakelijke verrichtingen reeds uitgevoerd waren, enkel bevestigt dat zelfs S.I. op het gepaste ogenblik geen gronden tot vervanging van de vereffenaars aanwezig achtte.

...

NOOT – gepubliceerd in het RW onder arrest, H. Braeckmans: De door de rechtbank aangewezen vereffenaar


• Rechtbank van Koophandel te Tongeren, 1e Kamer – 9 februari 2009, RW 2010-2011, 1606

S.I. t/ Vereffenaars BVBA V.T.

Gezien het verzoekschrift tot vervanging van de vereffenaars op 6 januari 2009 neergelegd met toepassing van art. 184 W.Venn. door de heer I.S. als enige aandeelhouder van de BVBA V.T.;

...

I. Antecedenten

Op 23 december 2002 werd de BVBA V.M. opgericht. In 2006 werd de vennootschap overgenomen door de heer S. De vennootschap legde nooit een balans neer en zou volgens verzoeker nooit een activiteit hebben gehad. Het maatschappelijk kapitaal werd in strijd met de vennootschapsrechtelijke bepalingen onmiddellijk opnieuw opgenomen. Door wie en wanneer dit gebeurde, kan uit de stukken, bij gebrek aan enige boekhouding niet worden opgemaakt. De algemene vergadering van 28 augustus 2007 besloot tot de ontbinding en de aanstelling van de heer S. als vereffenaar. Deze legde een verzoekschrift neer tot bevestiging van zijn benoeming. Bij vonnis van 12 september 2007 werd deze bevestiging geweigerd en werden drie advocaten-curatoren aangesteld als vereffenaars. Tegen dit vonnis werd geen hoger beroep aangetekend. De reden voor de weigering was het feit dat nooit een balans werd neergelegd en het besluit van de revisor dat de neergelegde boekhoudkundige staat niet voortvloeit uit de boekhouding van de vennootschap. Volgens de neergelegde boekhoudkundige staat werd het kapitaal van 25.000 euro opgenomen in rekening-courant. Er wordt een verlies geboekt van 2.500 euro, zijnde provisie voor de kosten van vereffening en publicatie.

De vereffenaars stellen na onderzoek vast dat er geen activa zijn, behoudens de rekening-courant, en dat er geen passiva zijn, behoudens de kosten van vereffening geraamd door de vennootschap zelf op 2.500 euro. Zij leggen dan ook op 11 februari 2008 een verslag met plan van verdeling neer waarin zij deze elementen opnemen.

Recht doende op het verzoekschrift van de vereffenaars wordt het plan van verdeling goedgekeurd bij beschikking van deze rechtbank van 18 februari 2008. In de overwegingen wordt uitdrukkelijk vermeld: «de zaakvoerder heeft een schuld in rekening-courant, maar zal de kosten van de vereffening dragen». Verzoeker betwist thans dat hij zich ooit bereid zou hebben verklaard de kosten van de vereffening te dragen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de grond van deze overweging voortvloeit uit de zorg van de rechtbank dat de kosten van de gerechtelijk vereffenaar vergoed worden. Meestal verklaren de aandeelhouders zich bereid de kosten te dragen. Bij een zuivere gerechtelijke vereffening op dagvaarding van het openbaar ministerie en zonder actief worden de kosten ten laste gelegd van de Belgische Staat. Dit is niet het geval wanneer er activa zijn. Dan dient de vennootschap in te staan voor de kosten. Het feit dat de aangestelde vereffenaar dit gratis zou doen, bindt uiteraard de door de rechtbank aangestelde vereffenaars niet.

Na de goedkeuring van het verdeelplan willen de vereffenaars dit uitvoeren. Zij begroten hun kosten op 970 euro en vragen aan verzoeker als schuldenaar in rekening-courant van de vennootschap om deze staat te voldoen. Zij beperken dus hun vordering, zoals in een dergelijke procedure in het arrondissement gebruikelijk is en in overeenstemming met art. 188 W.Venn., tot het bedrag nodig om de kosten te dekken, en vorderen niet de volledige rekening-courant op. Verzoeker weigert het bedrag te voldoen.

De vereffenaars vragen dan de kosteloze rechtspleging aan die wordt toegestaan op 27 oktober 2008. Op 7 november 2008 wordt verzoeker door de vereffenaars q.q. gedagvaard in betaling van de volledige rekening-courant. Op 19 november 2008 vragen de vereffenaars aan de raadsman van verzoeker betaling van 1.720 euro, met de vermelding dat na de juiste afrekening het eventueel saldo zal worden teruggestort. Ondanks deze beperking wordt op 21 november 2008 een bedrag van 25.312,32 euro betaald door mevrouw Z. aan de vereffenaars. De procedure in aanzuivering van de rekening-courant wordt doorgehaald bij vonnis van 15 december 2008, en op 27 november 2008 was het bedrag van 23.592,32 euro reeds teruggestort aan de raadsman van verzoeker.

Aangezien de kosten voldaan zijn, wensen de vereffenaars over te gaan tot de sluiting van de vereffening. Omdat het gaat om een vrijwillige vereffening – en geen gerechtelijke – dient de sluiting te gebeuren door de algemene vergadering. De vereffenaars riepen dan ook een algemene vergadering samen op 18 december 2008. Verzoeker wenst een punt toe te voegen aan de agenda, en de vereffenaars gaan daarmee akkoord. De bedrijfsrevisor aangesteld door verzoeker maakt op 22 december 2008 een aantal opmerkingen, die zullen worden hernomen in het verzoek tot vervanging en dan ook daar besproken zullen worden. Op de algemene vergadering weigert de enige vennoot de sluiting van de vereffening en kondigt aan dat hij een verzoek tot vervanging zal neerleggen.

II. Ten gronde

Verzoeker voert een hele reeks elementen aan om de vervanging van de vereffenaars te vragen, zich hierbij vooral baserend op het verslag van de revisor. Opmerkelijk hierbij is dat de bedrijfsrevisor geen enkele aandacht besteedt aan de eerdere onregelmatigheden binnen de vennootschap, die naar aanleiding van de vereffening door zijn collega werden vastgesteld.

1. Het opstellen van de jaarrekening

Verzoeker voert aan dat in de loop van de vereffening geen jaarrekening werd voorgelegd aan de algemene vergadering. Dit is juist. Hij verliest echter uit het oog dat nooit een jaarrekening werd neergelegd en dat juist om die reden zijn aanstelling werd geweigerd. De zogenaamde balans, die bij het oorspronkelijk verzoek werd gevoegd, beantwoordt volgens de revisor niet aan de boekhouding. Ze werd ook nooit neergelegd. De vereffenaars hebben reeds enkele maanden na hun aanstelling een verdeelplan opgesteld en voorgelegd ter goedkeuring. Wegens die goedkeuring diende geen nieuwe balans meer te worden opgesteld en dienden nadien ook geen tussentijdse verslagen meer te worden opgesteld. Het is enkel door de houding van verzoeker zelf die weigerde zijn verplichtingen ten opzichte van de vennootschap na te komen dat de vereffening zo lang aansleepte. Verzoeker beklaagt zich over de onnodige kosten die worden veroorzaakt door de aanstelling van de vereffenaars. Hij verliest daarbij uit het oog dat zijn eigen houding deze kosten veroorzaakt. Ter zitting vordert hij uitdrukkelijk dat de vereffenaars alle jaarrekeningen sinds de oprichting van de vennootschap in 2002 neerleggen. De vereffenaars kunnen niet anders dan dit doen, omdat de enige aandeelhouder het vraagt. Het is evident dat dit slechts kan gebeuren nadat verzoeker de kosten heeft betaald. Noch de vereffenaars noch de Belgische Staat (zie toekenning rechtsbijstand) kunnen opdraaien voor de onnodige kosten die door de houding van verzoeker worden veroorzaakt.

2. Het opstellen van de staat van kosten en erelonen

Verzoeker maakt misbruik van de goede trouw van de vereffenaars en van de door de rechtbank in het algemeen gevoerde politiek. Wanneer een vennootschap geen schulden heeft en er een belangrijke rekening-courant is op de vennoten, wordt enkel het gedeelte van de rekening-courant opgevorderd dat nodig is om de kosten van vereffening te voldoen. Aldus worden de vennoten niet op onnodige kosten gejaagd en worden hun gelden niet onnodig geblokkeerd. De vereffenaars hebben hun oorspronkelijke staat, die trouwens nooit door de rechtbank begroot werd, aangepast wegens de bijkomende kosten die verzoeker zelf heeft veroorzaakt. Zij hebben in de afrekening aan de raadsman van verzoeker uitdrukkelijk slechts een bedrag van 1.470 euro gevorderd, vermeerderd met de kosten van dagvaarding. Het ging dus om een geraamd bedrag dat zou volstaan om hun kosten te dekken. Verzoeker heeft desondanks het volledige bedrag laten storten door een derde. De vereffenaars hebben onmiddellijk, hoewel zij hiertoe niet verplicht waren, het surplus teruggestort. Zij zullen nu een nieuwe vordering moeten stellen om de kosten van het neerleggen van de balansen van 2003 tot 2008 te voldoen. Verzoeker heeft deze kosten enkel aan zichzelf te wijten.

De staat van kosten en erelonen van de vereffenaar wordt samen met het plan van verdeling goedgekeurd door de algemene vergadering van de vennootschap bij de sluiting van de vereffening van de vennootschap. De wetgever heeft bij de hervorming van de procedure van sluiting geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat de staat van de vereffenaar, die door de rechtbank werd aangesteld in vervanging van de gekozen vereffenaar, zou worden betwist. Het is echter duidelijk dat in geval van een dergelijke betwisting de rechtbank die de vereffenaar heeft aangesteld dient te beslissen over de staat van kosten en erelonen. De gerechtelijk aangestelde vereffenaar kan niet afhankelijk zijn van de goodwill van de vennootschap waarover hij als vereffenaar werd aangesteld. Indien de vennoten weigeren de staat van kosten en erelonen goed te keuren en te betalen uit de vereffening, dient de rechtbank dit geschil te beslechten. Dit is echter niet het voorwerp van de huidige vordering. Het standpunt van verzoeker dat hij de kosten van de vereffenaar weigert te betalen, is niet ter zake. Hij heeft de vereffenaar niet aangesteld en dient de kosten niet te voldoen. De kosten van de vereffening vallen ten laste van de vereffende vennootschap, en bij betwisting begroot de rechtbank. Dat de gelden van hem worden gevorderd, is het gevolg van het feit dat hij schuldenaar is van de vennootschap.

3. Dezelfde redenering dient te worden gemaakt voor de sluiting. Normalerwijze gebeurt de sluiting van de vereffening door de algemene vergadering. Indien de vereffenaar dit weigert, zal de rechtbank hieromtrent uitspraak moeten doen en de sluiting van de vereffening bevelen.

4. Verzoeker voert aan dat er een onverenigbaarheid is in de persoon van de vereffenaars en dat zij een lasthebber ad hoc hadden dienen aan te stellen. Dit standpunt is onjuist en een miskenning van de principes van het vennootschapsrecht. Verzoeker zelf had een belangenconflict. Hij zou als vereffenaar q.q. zichzelf hebben moeten dagvaarden in betaling van zijn rekening-courant. Dat lijkt nogal moeilijk. De vereffenaars hebben niets anders gedaan dan in hun hoedanigheid van vereffenaars verzoeker gedagvaard. De dagvaarding dient niet door de vennootschap te worden uitgebracht zoals verzoeker beweert, maar door de vereffenaars. Vanaf de vereffening wordt de vennootschap in rechte vertegenwoordigd door haar vereffenaars (art. 186 W.Venn.). Zij kunnen van de vennoten betaling vragen van de bedragen nodig om de schulden en de kosten van de vereffening te voldoen (art. 188 W.Venn.). De vereffenaars zijn daarbij wel degelijk opgetreden als college. De kritiek dat er geen verslagen werden opgesteld van de vergaderingen van het college van vereffenaars klinkt lachwekkend uit de mond van een zaakvoerder die nooit een balans heeft opgesteld of een algemene vergadering heeft gehouden.

5. De opmerkingen van verzoeker dat de 25.000 euro buiten de balans zijn gehouden, missen iedere grond. De invordering van een rekening-courant houdt balanstechnisch in dat het bedrag bij betaling van de ene post naar de andere wordt overgeheveld. De invordering van de rekening-courant is enkel gebeurd om de kosten van de vereffening te betalen. De vereffenaars hebben daar ook naar gehandeld. Verzoeker zou de vereffeningskosten volgens zijn staat van activa – die geen balans is – hebben gereserveerd. Dit bleek niet juist. Daarop is ingevorderd. Toen een derde meer betaalde dan het door de vereffenaars in hun afrekening gevraagde bedrag, werd dit onmiddellijk teruggestort. Het bijkomend bedrag van 500 euro werd ingehouden wegens de bijkomende kosten die verzoeker zelf had veroorzaakt. Uit de briefwisseling blijkt dat verzoeker op ieder ogenblik op de hoogte was van wat de vereffenaars hebben gedaan en om welke reden ze betaling vroegen. Nu zal, wegens de bijkomende eisen gesteld door verzoeker als aandeelhouder, opnieuw gedagvaard moeten worden om de kosten van de neerlegging van de balansen te voldoen. Het plan van verdeling bestaat wel degelijk en werd goedgekeurd. Het vermeldt letterlijk «De rekening- courant zaakvoerder, zijnde het enige actief-bestanddeel, min de staat van kosten en erelonen van de vereffenaars, komt integraal toe aan de heer I.S.». Meer is er niet te verdelen. Uiteraard is op dat ogenblik van bijkomende kosten nog geen sprake, omdat deze pas later door verzoeker werden veroorzaakt. Dat het bedrag van 500 euro op die manier buiten de boekhouding werd gehouden, is nonsens. De eindstaat zou ook de definitieve kostenstaat bevatten en als zodanig voorgelegd worden aan de algemene vergadering, wat trouwens gebeurd is. Vereffenaars zijn geen handelaars en dienen geen factuur op te stellen. Nu kan er ter attentie van verzoeker reeds op gewezen worden dat de vereffenaars een nieuwe staat zullen moeten opstellen voor hun bijkomende prestaties, zoals opstellen en neerleggen van de balans, nieuwe dagvaarding tot inning van de rekening- courant, voorleggen van een nieuw plan van verdeling. Ook deze staat zal door de vennootschap moeten worden gedragen.

Uit het bovenstaande is duidelijk dat het verzoek tot vervanging van de vereffenaars ongegrond is.

...

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:15
Laatst aangepast op: wo, 17/07/2013 - 17:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.