-A +A

vereffening van vennootschappen onvoldoende meerderheid en beslissing van de rechtbank tot aanstelling deskundige

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Rechtspraak: 

• Rechtbank van Koophandel te Dendermonde, 25/02/2008, RW 2011-2012, 1305

B. t/ CVOA F., F.C., CVOA I.S. en BVBA T.L.

...

2. Relevante feiten

Eisende partij is aandeelhouder in het boekhoudkantoor CVOA F., meer bepaald heeft zij 49% van de aandelen in haar bezit. De heer F.C. is aandeelhouder voor 51%.

Uit de stukken blijkt dat de CVOA F. sinds 2001 wordt bestuurd door de heer F.C., de CVOA I.S. en de BVBA T.L. Deze vennootschappen hebben eigenlijk alle dezelfde bestuurders. De BVBA T.L. heeft hetzelfde maatschappelijk doel als de CVOA F.

De eisende partij is van mening dat de CVOA F. vanaf 2002 wordt leeggezogen door de heer F.C. en de BVBA T.L. Een aangetekende brief van 28 december 2005 met verzoek tot uitbetaling naar aanleiding van de verkoop van een gedeelte van de cliëntèle aan D.M., werd geprotesteerd en verwijst naar een mogelijke minnelijke regeling.

Uit de bijlagen van het Belgisch Staatsblad blijkt dat de CVOA F. op 5 maart 2007 in vereffening werd gesteld met als vereffenaar de heer F.B. Uit de stukken blijkt voorts dat de eisende partij niet tot deze algemene vergadering werd uitgenodigd en als tweede aandeelhouder de echtgenote van de heer F.C. werd aangeduid, die de beslissing mee ondertekend heeft.

3. Standpunt van de partijen

3.1. De eisende partij verwijst naar de toepasselijke wettelijke bepalingen inzake de invereffeningstelling van de vennootschap en betoogt dat de verwerende partij heeft nagelaten om de correcte procedure te voeren. Eisende partij betwist ooit bestuurder te zijn geweest van de CVOA F., maar enkel – gedurende een korte tijd – werkend vennoot. Eisende partij verwijst naar grove belangenconflicten in de persoon van de heer F.C., die concurrerende activiteiten uitoefent via andere vennootschappen. Eisende partij voert aan dat er sprake is van afwending van vennootschapsvermogen en onrechtmatige overdracht van activa, zijnde cliëntèle. Uit de voorafgaande feiten blijkt nog volgens de eisende partij dat de heer F.C. het actief van de CVOA F. heeft gedebiteerd en dat er sprake is van overheveling van cliëntèle, zonder dat er sprake is van enige vergoeding voor de vennootschap.

Eisende partij wrijft grove bestuursfouten aan de tegenpartijen aan, met name niet-neerlegging van de jaarrekeningen 2003, 2005 en 2006, niet-goedkeuring van de jaarrekening door een geldig bijeengeroepen algemene vergadering van aandeelhouders (eisende partij is ter zake nooit opgeroepen); dat er slechts 717,54 euro aan vennootschapsbelasting werd betaald, wat in contrast met de waardering van de vennootschap anno 1999 staat (347.050 euro).

Betreffende het vennootschapsrechtelijke deskundigenonderzoek betoogt de eisende partij dat het Wetboek Vennootschappen deze vordering toelaat (art. 168), welke vordering kan worden ingesteld in samenhang met een gemeenrechtelijk deskundigenonderzoek voor die aspecten die niet in het vennootschapsrechtelijke onderzoek worden onderzocht.

3.2. De verwerende partij stelt de houding van de eisende partij in een totaal ander daglicht en wijst er in hoofdzaak op dat zij zich uit de vennootschap als bestuurder zou hebben teruggetrokken om redenen dat zij niet wilde opdraaien voor de onbeperkte aansprakelijkheid, eigen aan de CVOA.

Betreffende de vordering tot aanstelling van een deskundige overeenkomstig art. 962 e.v. Ger.W. voeren de verwerende partijen aan dat de vordering onontvankelijk is om redenen dat er geen vordering ten gronde wordt gesteld én dat de rechtbank van koophandel onbevoegd is omdat niet alle partijen handelaar zijn.

Betreffende de vordering zoals gesteld in de inleidende dagvaarding gedragen de verwerende partijen zich naar de wijsheid van de rechtbank.

De verwerende partijen verzetten zich tegen het vennootschapsrechtelijk onderzoek om redenen dat de eisende partij elke verantwoordelijkheid zou hebben ontlopen en zij toch nog van de vennootschap zou hebben geprofiteerd, onder meer in de vorm van een wagen en de mogelijkheid om stempelgerechtigd te zijn/worden. Het feit dat de vennootschap werd/is leeggezogen, wordt betwist. De CVOA F. moet geen jaarrekening neerleggen. De verwerende partijen voeren aan dat een vennootschapsrechtelijke expertise enkel een foto van de vennootschap op dit ogenblik kan maken en geen middel is om bewijzen te vergaren, zodat de vordering dient te worden afgewezen. Subsidiair menen de verwerende partijen dat de opdracht té ruim is omschreven en het niet de bedoeling is dat de deskundige als een detective tewerkgaat.

Betreffende het gemeenrechtelijke deskundigenonderzoek voeren de verwerende partijen aan dat er geen noodzaak voor een dergelijke maatregel bestaat.

4. Beoordeling

4.1. De vordering aangaande de nietigheid van het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van 5 maart 2007

Het is vaststaand en duidelijk dat de formaliteiten voor het in vereffening stellen van de vennootschap niet werden nageleefd. Overeenkomstig art. 383 W.Venn. moeten immers vijftien dagen voorafgaandelijk aan de algemene vergadering, de vennoten per aangetekende brief worden opgeroepen, en dit door de bestuurder, tenzij andersluidende statutaire bepaling.

De verwerende partijen tonen niet aan dat deze formaliteit is gebeurd. De verwerende partijen betwisten de vordering op zich niet, omdat zij zich naar de wijsheid van de rechtbank gedragen.

Gelet op het ontbreken van een rechtsgeldige oproeping van de algemene vergadering dient het besluit tot invereffeningstelling van 5 maart 2007 nietig te worden verklaard, overeenkomstig de bepalingen van art. 178 e.v. W.Venn.

De vordering van de eisende partij wordt gegrond verklaard en het vonnis zal worden gepubliceerd overeenkomstig het art. 179, § 2, W.Venn.

4.2. Het derdenverzet tegen de beschikking tot bevestiging van de benoeming van de vereffenaar

Aangezien het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van 5 maart 2007 waarin werd besloten tot de invereffeningstelling van de CVOA F. nietig werd verklaard en dus de beslissing tot invereffeningstelling geacht wordt nooit te zijn genomen, moet mutatis mutandis de beslissing van de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde waarbij de invereffeningstelling werd gehomologeerd, zonder voorwerp worden verklaard. Deze beslissing wordt geacht nooit te hebben bestaan. Ook hier dient de publicatie zoals gevorderd te gebeuren.

4.3. De vorderingen tot deskundigenonderzoek – Vennootschapsrechtelijk en gemeenrechtelijk

4.3.1. De ontvankelijkheid

De verwerende partijen voeren aan dat de vordering tot aanstelling van een deskundige niet ontvankelijk zou zijn om redenen dat er geen vordering ten gronde wordt ingesteld.

Deze stelling van de verwerende partijen dateert van vóór het Gerechtelijk Wetboek. Immers, met de invoering van het Gerechtelijk Wetboek in 1967 ontstond tevens de mogelijkheid om de aanstelling van een deskundige te vorderen en dit bij wijze van hoofdvordering en voor de rechter ten gronde (K. Vanderper, “De vordering tot aanstelling van een deskundige”, in Expertise, Antwerpen, Kluwer, 1987).

Met hoofdvordering wordt ter zake bedoeld een vordering die losstaat van enige andere aanspraak in rechte. De vordering die er enkel toe strekt een deskundigenonderzoek te bevelen, is een volwaardige inleidende vordering. De wetgever heeft deze mogelijkheid ingevoerd teneinde te voorkomen dat er louter pro forma vorderingen zouden worden ingesteld enkel met het oog op het verkrijgen van een expertise.

De vordering tot aanstelling van een gerechtsdeskundige (vennootschapsrechtelijk en gemeenrechtelijk) is dan ook ontvankelijk.

4.3.2. De bevoegdheid

Verwerende partijen betwisten de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel en verzoeken de verzending naar de rechtbank van eerste aanleg om redenen dat zij niet allen handelaars zijn.

Art. 169, eerste lid, W.Venn. bepaalt dat de procedure dient te worden ingesteld via een dagvaarding, dat de procedure in principe ten gronde moet worden gevoerd én voor de rechtbank van koophandel moet worden gebracht. Art. 168 W.Venn. spreekt van de rechtbank, maar dit sluit de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel niet uit. In de Franse versie, die de oorspronkelijke versie van de wet is, spreekt men over “le tribunal de commerce”. Dit laat dus geen twijfel over de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel (zie hieromtrent: J.M. Nelissen Grade en S. Loosveld, “Het deskundigenonderzoek in geschillen omtrent het bestuur van vennootschappen” in G. De Leval en B. Tilleman, Gerechtelijk deskundigenonderzoek. De rol van de accountant en de belastingconsulent, Brugge, die Keure, 2003, 453, noot 13).

4.3.3. Ten gronde

a) Het vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek

1. Verwerende partijen verwijten enerzijds eisende partij jarenlange inertie en anderzijds betogen zij dat uit haar voorliggende stukken blijkt dat zij voldoende op de hoogte is van de situatie, een vennootschapsrechtelijke expertise enkel een foto kan opleveren van de situatie zoals deze bestaat en geen middel is om bewijs te verzamelen in een andere procedure.

Art. 168 W.Venn. bepaalt dat de deskundige de rekeningen en de boeken van de vennootschap kan nazien en ook de verrichtingen die haar organen hebben gedaan. Deze mogelijkheid is ruimer dan een foto van de onderneming op het ogenblik van de dagvaarding en die blijkt uit de door de verwerende partijen voorgelegde stukken naar aanleiding van het kort geding. De aanstelling van een deskundige om de vennootschap over een aantal jaren te controleren, is perfect mogelijk (zie: Kh. Brussel 3 september 1992, TBH 1994, 166).

Het criterium om een vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek te bevelen, is, overeenkomstig de wettelijke bepalingen, het vennootschapsbelang, met name indien er aanwijzingen zijn dat de belangen van de vennootschap op ernstige wijze in gevaar komen of dreigen te komen.

Ter zake betreft het aanwijzingen, zodat een begin van bewijs volstaat (Kh. Dendermonde 15 februari 1996, TBH 1997, 185; Kh. Kortrijk 10 februari 1994, DAOR 1996, nr. 40, p. 81; Kh. Kortrijk 7 december 1995, DAOR 1996, nr. 40, p. 85).

In de rechtspraak worden tal van criteria aangewend, zijnde een vermoeden van onregelmatigheden in de bedrijfsvoering, boekhouding of vereffening van de vennootschap; de vrees dat in de vennootschap een zwartgeldcircuit op gang is of dat de beschikbare middelen al te genereus worden omgezet in een vordering rekening-courant op de bestuurders; de vaststelling dat de vennootschap in belangrijke mate teert op voorschotten die haar door de vennoten in rekening-courant worden toegekend en dat deze informatie wordt verborgen gehouden voor een vennoot die 33% van de aandelen bezit, of dat uit het verslag van de bedrijfsrevisoren blijkt dat de vennootschap belangrijke waardeverminderingen zou moeten doorvoeren op deelnemingen en ten gevolge daarvan de alarmbelprocedure mogelijk moet worden gevolgd (zie: K. Geens, M. Denef, R. Tas, F. Hellemans en J. Vananroy, “Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen 1992-1998”, TPR 2000, nr. 343 en de aldaar vermelde rechtspraak en verwijzingen).

Eisende partij voert aan dat er thans reeds schade is, omdat de aandelen een ernstige waardevermindering ondergaan en zij geen liquidatieboni heeft ontvangen; dat er burgerrechtelijke, vennootschapsrechtelijke, boekhoudkundige en strafrechtelijke overtredingen zijn en tevens ernstige schendingen van het vennootschapsbelang.

Betreffende de waardering van de aandelen verwijst de eisende partij naar een waardering in november 1999 van 347.050 euro terwijl er thans slechts 717,54 euro belastingen meer wordt betaald.

Eisende partij verwijst tevens naar het afwenden van het vermogen en het nemen van beslissingen in strijd met het belang van de vennootschap, namelijk een overdracht van cliëntèle naar de BVBA T.L.

De rechtbank is van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de belangen van de vennootschap ernstig in gevaar zijn. Uit de voorliggende stukken blijkt dat tal van boekhoudkundige prestaties plots worden gefactureerd door de BVBA T.L., niet alleen medebestuurder van de CVOA F., maar ook een vennootschap die een soortgelijk maatschappelijk doel heeft. Er zijn dan ook ernstige vragen te stellen in welke mate de CVOA F. op een ernstige wijze werd bestuurd, mede in het licht van mogelijke belangenconflicten.

Het feit dat op een kleine tien jaar de vennootschap een ernstige waardevermindering heeft ondervonden, is mede een aanwijzing dat er problemen met het bestuur waren/zijn.

Bovendien blijkt uit het verslag van de algemene vergadering en de redenen om tot vereffening over te gaan dat de vennootschap niet meer over de nodige vergunningen beschikt om haar maatschappelijk doel te verwezenlijken. Ook hier kunnen ernstige vraagtekens worden geplaatst.

Ten slotte is er het gegeven dat de verwerende partijen bij de oproeping van de algemene vergadering de eisende partij niet hebben uitgenodigd en de heer F.C. en zijn echtgenote als medeaandeelhouder hebben aangeduid. Deze manier van werken kan bezwaarlijk geruststellend genoemd worden en doet vermoeden dat er heel wat malversaties in de vennootschap hebben plaatsgevonden en misschien nog plaatsvinden.

Deze elementen zijn alle van dien aard dat een vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek dient te worden bevolen.

2. Vervolgens en subsidiair betwisten de verwerende partijen de opdracht van de deskundige om redenen dat deze veel te ruim is en geen opdracht tot het spelen van detective voor een vennoot om diens eigen private belangen te behartigen.

Nergens blijkt uit dat het de bedoeling van de eisende partij is om enkel en alleen haar private belangen te behartigen. Uit het geheel van de omstandigheden blijkt dat de eisende partij bezorgd is over de vennootschap en het feit dat haar voortbestaan in het gedrang komt.

In zoverre de verwerende partijen vragen om de opdracht inzake overdracht van cliëntèle te beperken tot die overdracht aan de heer M. en niet aan de BVBA T.L. uit de opdracht te laten, kunnen zij niet gevolgd worden. Het geheel van de omstandigheden en de voorliggende stukken doen immers sterk vermoeden dat zulks is gebeurd. Dit dient uiteraard door de deskundige te worden onderzocht. Of dit een inmenging in bestuur zou inhouden, is niet duidelijk en wordt door de verwerende partijen op geen enkel ogenblik duidelijk omschreven. Het betreft een loutere onderzoeksmaatregel die tot doel heeft de belangen van de vennootschap te vrijwaren. Het aanstellen van een deskundige is een bewarende maatregel die de rechten van de partijen niet beïnvloedt (Kh. Kortrijk 13 januari 1992, TRV 1994, 344, noot; Kh. Kortrijk 10 februari 1994, DAOR 1996, nr. 40, p. 81; Kh. Kortrijk 7 december 1995, DAOR 1996, nr. 40, p. 85; Kh. Kortrijk 8 augustus 1998, V & F 1998, 156; KG Kh. Brugge 24 augustus 1996, DAOR 1996, nr. 40, p. 99).

Vervolgens argumenteren de verwerende partijen dat de deskundige niet kan oordelen of er sprake is van een potentieel conflict, omdat dit een juridische discussie is die enkel door de rechtbank kan worden beoordeeld.

Ten slotte verzetten de verwerende partijen zich tegen het beknopt verslag over de boekhoudverrichtingen en de bestuurshandelingen.

De deskundige heeft een ruime bevoegdheid. Elke mogelijke verrichting of soort verrichting (bijvoorbeeld onroerende goederen, intragroepsverrichtingen of verrichtingen waarbij ook de bestuurders zelf een belang hebben of betrokken zijn) van de bestuursorganen van de vennootschap kunnen het voorwerp uitmaken van een deskundigenonderzoek. De opdracht kan zeer ruim geformuleerd zijn en ook de vraag bevatten of het gevoerde beleid in het belang van de vennootschap is (Brussel 13 februari 1908, Rev.prat.soc. 1908, nr. 1887, p. 143).

De rechtbank kent dan ook de opdracht zoals gevraagd toe.

b) Het gemeenrechtelijk deskundigenonderzoek

De verwerende partijen verzetten zich hiertegen omdat er geen vordering zou zijn gesteld. Zoals reeds geoordeeld, is dit argument niet dienend.

Voorts voeren de verwerende partijen aan dat de eisende partij zich zou bemoeien met een vennootschap waarmee zij geen zaken heeft. De rechtbank merkt op dat de BVBA T.L. bestuurder is van de CVOA F., zodat de eisende partij ter zake wel degelijk voldoende belang heeft om een onderzoeksmaatregel te vorderen.

De vennootschapsrechtelijke expertise belet niet dat er ook een gemeenrechtelijk deskundigenonderzoek kan worden gevraagd (zie: B. Tilleman, “Het deskundigenonderzoek in vennootschapszaken”, DAOR 1996, p. 54-57, nrs. 3-7).

Er zijn in casu ernstige aanwijzingen dat de BVBA T.L. bedrieglijk heeft samengewerkt met de CVOA F. en meer bepaald dat er sprake is van een kosteloze overdracht van cliëntèle tussen beide vennootschappen. Een gemeenrechtelijk deskundigenonderzoek bij de BVBA T.L. kan dan ook nagaan wat er precies is gebeurd. Er mag niet uit het oog verloren worden dat alle vennootschappen zich op eenzelfde maatschappelijke zetel bevinden én dat er sprake is van dezelfde bestuurders en/of aandeelhouders. Er zijn voldoende ernstige aanwijzingen dat er belangenconflicten zijn en onttrekking van het vennootschapsvermogen. De rechtbank gaat dan ook in op deze vordering van de eisende partij.

c) De kosten van de deskundigenonderzoeken

De eisende partij vraagt dat de verwerende partijen de helft van de kosten zouden voorschieten, waartegen deze laatsten zich verzetten om redenen dat art. 169 W.Venn. hier een regeling bevat en er geen reden is om af te wijken van het gemene recht.

De wet bepaalt dat de meest gerede partij de kosten moet voorschieten. Dit is niet noodzakelijk de partij die het deskundigenonderzoek vordert (P. Taelman, “Het deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken” in G. De Leval en B. Tilleman, Gerechtelijk deskundigenonderzoek. De rol van de accountant en de belastingconsulent, Brugge, die Keure, 2003, p. 121, nr. 123).

Gelet op het feit dat het deskundigenonderzoek in het belang is van alle partijen, kan worden ingegaan op het verzoek van de eisende partij om de verwerende partijen voor de helft voor het betalen van de provisies te laten instaan.

Indien de betaling door de verwerende partijen niet wordt uitgevoerd, staat het de eisende partij uiteraard steeds vrij om zelf de provisies te betalen.
 

 

 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: za, 10/03/2012 - 12:01
Laatst aangepast op: za, 10/03/2012 - 12:01

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.