-A +A

vereffening verdeling en vergoedingsrekening na investeringen in onroerend goed

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
rechtsleer: de vereffening van schuldvorderingen en vergoedingen in verband met onroerende investeringen, Leleu, in praktijkgericht huwelijksvermogensrecht, eigenzinnig familiaal vermogensrecht, Kluwer 2002, pagina 39 en volgende

 

Wanneer een echtgenoot geïnvesteerd heeft in een onroerend goed van een andere echtgenoot of meer geïnvesteerd heeft in een gemeenschappelijk onroerend goed dan de helft van de totale investering, verschaft dit deze echtgenoot in geen eigendomsrechten. In bepaalde gevallen kan er toch recuperatie bekomen worden.

Er kan vooreerst een vordering gesteld worden op basis van artikel 1096 Burgerlijk Wetboek, dit door de bedragen te kwalificeren als een schenking die herroepen wordt.

Voorzover geschriften aanwezig zijn, die als lening kunnen gekwalificeerd worden kan terugbetaling van de lening worden gevorderd. Uitzonderlijk en subsidiair kan een vordering worden ingesteld wegens verrijking zonder oorzaak.

Voor de gezinswoning gelden er andere regels ingevolge een cassatiearrest van 22 april 1976. De kosten ter verkrijging van een gezinswoning die door beide echtgenoten gezamenlijk werd verworven en terugbetaald met een gemeenschappelijke lening en/of via inkomsten en maken die een onderdeel uitmaken van de lasten van het huwelijk. Hierdoor kan er geen vordering worden ingesteld tot recuperatie van de gedane investeringen in de gezinswoning tenware het bewijs kan geleverd worden dat een van de echtgenoten zelfs niet in natura heeft bijgedragen in de lasten van het huwelijk.

Rechtspraak:

• Grondwettelijk Hof 16 september 2010 (AR 101/2010) juridat en T.Fam; 2011/8

samenvatting: 

voor de berekening van de rekeningen van terugnemingen en vergoedingen dient rekening gehouden met de waardevermeerdering van een eigen goed dat een van beide echtgenoten vóór het huwelijk bezat en dat een financiële last heeft doen ontstaan voor de gemeenschap, 

tekst arrest:

Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior,
wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij vonnis van 4 november 2009 in zake Françoise Gobin tegen Jean-Pierre Dumont, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 november 2009, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Namen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, [in die zin geïnterpreteerd dat] het voor de berekening van de rekeningen van terugnemingen en vergoedingen niet toelaat rekening te houden met de meerwaarde van een eigen goed dat een van beide echtgenoten vóór het huwelijk bezat en dat een financiële last heeft doen ontstaan voor de gemeenschap, terwijl hetzelfde artikel 1435 voor de berekening van de rekeningen van terugnemingen en vergoedingen toelaat rekening te houden met die meerwaarde wanneer het eigen goed van een van beide echtgenoten tijdens het huwelijk is verkregen waarbij een financiële last is ontstaan die analoog is met die welke, in het eerstvermelde geval, reeds vóór het huwelijk bestond en ten laste van de gemeenschap is gekomen ? ».
(...)
III. In rechte
(...)
B.1. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd « dat het voor de berekening van de rekeningen van terugnemingen en vergoedingen niet toelaat rekening te houden met de waardevermeerdering van een eigen goed dat een van beide echtgenoten vóór het huwelijk bezat en dat een financiële last heeft doen ontstaan voor de gemeenschap, [terwijl het wel toelaat] rekening te houden met die waardevermeerdering wanneer het eigen goed van een van beide echtgenoten tijdens het huwelijk is verkregen waarbij een financiële last is ontstaan die analoog is met die welke, in het eerstvermelde geval, ten laste van de gemeenschap is gekomen ».

B.2. Artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt :
« De vergoeding mag niet kleiner zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen. Hebben de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen en gelden echter gediend tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed, dan zal de vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat tijdstip bevindt in het vergoedingsplichtige vermogen, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is; is het vervreemde goed vervangen door een ander goed, dan wordt de vergoeding geschat op de grondslag van dat nieuwe goed ».

B.3. Wanneer een rechter het Hof ondervraagt over de grondwettigheid van een bepaling in een bepaalde interpretatie, antwoordt het Hof, in de regel, op de vraag door die bepaling in die interpretatie te onderzoeken.

B.4.1. Artikel 1432 van het Burgerlijk Wetboek legt als regel vast dat een vergoeding is verschuldigd wanneer het gemeenschappelijk vermogen verrijkt of verarmd is ten nadele of ten voordele van het eigen vermogen van een der echtgenoten (Parl. St., Senaat, 1975-1976, nr. 683/2, p. 70).

De in het geding zijnde bepaling stelt de wijzen van raming van de vergoedingen vast. Zo mag de vergoeding niet kleiner zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen. Het bedrag van de verarming kan echter worden aangevuld met een waardevermeerdering wanneer de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen en gelden hebben gediend tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed.

B.4.2. De in het geding zijnde bepaling werd tijdens de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord :
« Bij het onderzoek van de artikelen 1400, 1402 en 1403 heeft de Commissie besloten om, bij de bepaling van het bedrag van de vergoeding, af te zien van het beginsel volgens hetwelk dat bedrag definitief wordt vastgesteld op de som waarmee het ene vermogen verarmd is ten voordele van het andere.
Voor zover het vergoedingsplichtige vermogen door een oordeelkundige investering van het bedrag dat voorkomt uit het vergoedingsgerechtigde vermogen, een waardevermeerdering heeft ondergaan, al dan niet ten gevolge van de muntontwaarding, is het billijk dat die waardevermeerdering ook ten goede komt aan het vergoedingsgerechtigde vermogen. Hoe dan ook, de vergoeding mag niet minder bedragen dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen » (ibid., p. 71).

B.4.3. Volgens de door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vraag zou de waardevermeerdering bedoeld in artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek enkel kunnen worden toegepast in het geval waarin één van de echtgenoten na het huwelijk een goed verkrijgt dat een financiële last heeft doen ontstaan voor het gemeenschappelijk vermogen. Er zou daarentegen geen enkele waardevermeerdering kunnen worden toegepast wanneer het goed door één van de echtgenoten is verkregen vóór het huwelijk, terwijl het gemeenschappelijk vermogen een financiële last voor dat goed draagt.

B.5. Niets kan verantwoorden dat voor de berekening van de rekeningen van terugnemingen en vergoedingen een onderscheid wordt gemaakt naargelang het eigen goed dat aanleiding geeft tot vergoeding, vóór of tijdens het huwelijk door één van de echtgenoten is verkregen. Zowel in het ene als in het andere geval bevindt het gemeenschappelijk vermogen zich immers in een identieke situatie, namelijk dat het een financiële last draagt die is verbonden aan het bestaan van het eigen goed. Daaruit volgt dat de waardevermeerdering bedoeld in de in het geding zijnde bepaling, zonder onderscheid zou moeten worden toegepast in de twee gevallen die door de prejudiciële vraag worden beoogd.

B.6. In de interpretatie die de verwijzende rechter eraan geeft, is artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.7. Zoals de Ministerraad in zijn memorie opmerkt, kan de in het geding zijnde bepaling anders worden geïnterpreteerd.

Immers, noch in de tekst zelf van artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek, noch in de parlementaire voorbereiding die heeft geleid tot de aanneming ervan, wordt voor de toepassing van de in het geding zijnde waardevermeerdering een onderscheid gemaakt naar gelang van het ogenblik waarop het goed dat aanleiding geeft tot de berekening van een vergoeding, is verkregen.

B.8. Geïnterpreteerd in die zin dat het voor de berekening van de rekeningen van terugnemingen en vergoedingen toelaat rekening te houden met de waardevermeerdering van een eigen goed dat een van beide echtgenoten vóór het huwelijk bezat en dat een financiële last heeft doen ontstaan voor de gemeenschap, is artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
- Geïnterpreteerd in die zin dat het voor de berekening van de rekeningen van terugnemingen en vergoedingen niet toelaat rekening te houden met de waardevermeerdering van een eigen goed dat een van beide echtgenoten vóór het huwelijk bezat en dat een financiële last heeft doen ontstaan voor de gemeenschap, schendt artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
- Geïnterpreteerd in die zin dat het voor de berekening van de rekeningen van terugnemingen en vergoedingen toelaat rekening te houden met de waardevermeerdering van een eigen goed dat een van beide echtgenoten vóór het huwelijk bezat en dat een financiële last heeft doen ontstaan voor de gemeenschap, schendt artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.
Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 16 september 2010.

 

• Arrest Grondwettelijk hof 16 september 2010

samenvatting:

Artikel 1435 B W bepaalt dat indien de in het vergoedingsplichtige ve-mogen gevallen bedragen en gelden gediend hebben tot het verkrijgen, in stand houden of verbeteren van een goed, dan zal de vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat tijdstip bevindt in het vergoedingsplichtige vermogen, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is. Is het vervreemde goed vervangen door een ander goed, dan wordt de vergoeding geschat op de grondslag van dat nieuwe goed.

tekst arrest

• Geïnterpreteerd in die zin dat het voormelde artikel niet toelaat rekening te houden met de waardevermeerdering van een eigen goed dat een van de echtgenoten al bezat vóór het huwelijk en dat een financiële last heeft doen ontstaan voor de huwelijksgemeenschap, dan schendt het de artikelen 10 en 11 Gw.

• Geïnterpreteerd in die zin dat geen onderscheid moet worden gemaakt naargelang het eigen goed dat aanleiding geeft tot vergoeding, vóór of tij¬dens het huwelijk werd verkregen door een van de echtgenoten, dan is er geen schending.


(F.G., J.-P.D./MINISTERAAD)
[...]
.
II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil

Uit de rechtspleging in het bodemgeschil blijkt dat de verwijzende rechter, in het kader van de verdere afhandeling van een procedure tot echtscheiding, heeft geoordeeld de prejudiciële vraag over artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek te moeten stellen.

III. In rechte 

– A –

A.1.1. In zijn memorie brengt de Ministerraad allereerst in herinnering dat het stelsel van gemeenschap van goederen is gebaseerd op het bestaan van drie vermogens, namelijk: een eigen vermogen van elke echtgenoot en een gemeenschappelijk vermogen waarvan het beheer op beide echtgenoten samen rust. De vergoeding wordt beschouwd als een schadeloosstelling die een van de vermogens ontvangt om de door een ander vermogen veroorzaakte verarming te compenseren.

De Ministerraad brengt vervolgens de inhoud van de in de artikelen 1432 tot 1434 van het Burgerlijk Wetboek vervatte regels in herinnering. Met betrekking tot het in het geding zijnde artikel 1435 brengt de Ministerraad in herinnering dat het een principiële regel vaststelt voor de berekening van de vergoedingsrekeningen, alsook een bij de wet van 14 juli 1976 ingevoegde correctie waardoor de verschuldigde vergoeding hoger kan zijn dan het bedrag van de betaalde geldsom. Dat is het geval wanneer het bedrag uit het vergoedingsgerechtigde vermogen het mogelijk heeft gemaakt dat het vergoedingsplichtige vermogen een meerwaarde heeft verwezenlijkt bij het beleggen van dat bedrag.

A.1.2. Met betrekking tot de prejudiciële vraag die te dezen aan het Hof is voorge-legd, stelt de Ministerraad dat moet worden nagegaan of het ramen van een vergoe-ding met betrekking tot een eigen goed dat een financiële last voor de gemeenschap doet ontstaan, dient te verschillen naargelang dat goed vóór of tijdens het huwelijk is verkregen.

Bij de analyse van de parlementaire voorbereiding die tot het aannemen van de in het geding zijnde bepaling heeft geleid, wijst de Ministerraad erop dat het niet blijkt dat die bepaling, in zoverre zij het mogelijk maakt het bedrag van de verschuldigde vergoeding te berekenen op grond van de door een eigen goed verkregen waardever-meerdering dankzij de inbreng van het vergoedingsgerechtigde vermogen, een onder-scheid maakt tussen een goed dat men vóór of ná het huwelijk bezit. In de parlemen-taire voorbereiding zouden voor de berekening van de verschuldigde vergoeding immers zowel vóór als ná het huwelijk verkregen goederen uitdrukkelijk worden vermeld. Voor de berekening van de vergoeding zou er inderdaad sprake zijn van de waarde of de meerwaarde van een goed dat tijdens het huwelijk is verkregen, in stand is gehouden of is verbeterd. Het voegwoord “of” in artikel 1435 zou vol¬doende aantonen dat een goed vóór het huwelijk kan zijn verkregen en tijdens dat huwelijk enkel in stand kan zijn gehouden en/of verbeterd.

De Ministerraad beklemtoont eveneens dat artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek in de rechtsleer en de rechtspraak niet op de in de prejudiciële vraag vermelde wijze wordt geïnterpreteerd. Er wordt immers een interpretatie van de tekst gegeven die het, voor het ramen van de verschuldigde vergoeding, niet mogelijk maakt een onderscheid te maken tussen de situatie van de eigen goederen die men vóór het huwelijk bezat en de situatie van die welke ná het sluiten van het huwelijk zijn ver-kregen.

A.1.3. De Ministerraad besluit dat de in het geding zijnde bepaling, in de door de verwijzende rechter gesuggereerde interpretatie ervan, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, terwijl die bepaling, in de interpretatie volgens welke zij geen onderscheid maakt tussen een goed dat men vóór of ná het huwelijk bezit, die arti-kelen van de Grondwet niet schendt.

A.2.1. De verweerder voor de verwijzende rechter voert in zijn memorie aan dat het in het geding zijnde artikel voorziet in drie specifieke gevallen waarin rekening wordt gehouden met de meerwaarde bij de berekening van de vergoeding. Het eerste geval betreft het verkrijgen van een goed door één vermogen terwijl die verkrijging door een ander vermogen wordt gefinancierd. Het tweede geval betreft de uitvoering van instandhoudingswerken aan een goed dat aan een vermogen toebehoort, die door een ander vermogen wordt gefinancierd. Ten slotte betreft het derde geval de uitvoering van verbeteringswerken aan een goed dat aan een vermogen toebehoort, die door een ander vermogen wordt gefinancierd.

Het is het eerste geval dat in de pre¬judiciële vraag wordt beoogd.

A.2.2. Volgens de verweerder voor de verwijzende rechter wordt bij artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek een revalorisatie van de vergoedingsrekening enkel overwo-gen indien de gelden die ten voordele van een ander vermogen uit een vermogen zijn gehaald, het mogelijk hebben gemaakt een goed te verkrijgen ten voordele van dat andere vermogen.

De in het geding zijnde bepaling zou enkel van toepassing zijn indien de uitgave met betrekking tot het verkrijgen van een goed tijdens het huwelijk plaatsvindt en niet indien een vermogen tijdens het huwelijk een schuld dient te betalen die reeds vóór de voltrekking ervan bestond. Dat verschil in behandeling zou niet kunnen worden verantwoord door het feit dat de partijen, vóór de voltrekking van het huwelijk, op de hoogte waren van het bestaan van een eerder aangegane schuld. Het verschil in behandeling zou des te minder kunnen worden aanvaard daar het met betrekking tot de twee andere toepassingsgevallen van de revalorisatie, namelijk de uitgaven voor instandhouding of de uitgaven voor verbetering, weinig van belang is of die uitgaven zijn gedaan voor een goed dat een van de echtgenoten reeds vóór het huwelijk bezat of dat hij tijdens dat huwelijk heeft verkregen.

A.3.1. De eiseres voor de verwijzende rechter wijst, harerzijds, erop dat artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek drie verschillende gevallen beoogt waarvoor een echtge-noot een vergoeding is verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen, namelijk: de verkrijging van een eigen goed, de instandhouding of de verbetering ervan. Het beoogt dus geenszins de hypothecaire terugbetaling van een goed dat vóór het huwe-lijk door een echtgenoot is verkregen. Dat onderscheid zou worden verantwoord door het feit dat de terugbetalingslast voorafgaat aan het huwelijk en wordt opge¬legd aan de echtgenoot die geen eigenaar is.

A.3.2. De eiseres voor de verwijzende rechter wijst met nadruk erop dat de inkom¬sten uit een eigen goed gemeenschappelijk zijn in het kader van het huwelijksvermo-gensstelsel van gemeenschap van goederen. Die gemeenschap profiteert dus ten volle van de inkomsten uit dat goed. Het zou bijgevolg geenszins onbillijk zijn dat zij geen enkele terugbetaling kan eisen van wat zij heeft betaald om die gemeenschappelijke inkomsten in stand te houden.

Daarentegen zou het feit dat een eigen goed dat door een echtgenoot tijdens het huwelijk is verkregen, het voorwerp van een vergoeding kan uitmaken, volledig wor-den verantwoord door de omstandigheid dat het een gemeenschappelijk project betreft, een vaste wil van beide echtgenoten om het onroerend goed enkel op naam van een van hen te plaatsen, met als tegenprestatie echter de aan de gemeenschap verschuldigde vergoeding voor de uitgaven, ook die welke zijn gemaakt door de echtgenoot die geen eigenaar is.

A.4.1. In zijn memorie van antwoord wijst de Ministerraad erop dat geen enkele redelijke en objectieve verantwoording het mogelijk zou lijken te maken dat bij de berekening van de vergoedingsrekeningen een gedifferentieerde behandeling wordt voorbehouden aan de eigen goederen die vóór het huwelijk zijn verkregen ten opzichte van die welke tijdens het huwelijk zijn verkregen. In beide gevallen zou de gemeenschap zich immers in een vergelijkbare situatie bevinden: zij is verarmd ten voordele van een goed dat één van de echtgenoten in eigen bezit heeft.

A.4.2. De Ministerraad voert aan dat een verzoenende interpretatie, naast de door de verwijzende rechter, de verzoekster en de verweerder geformuleerde interpretatie, het mogelijk zou maken om het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet verankerde beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie niet te schenden. Noch uit de parlementaire voorbereiding, noch uit de bewoordingen zelf van de in het geding zijnde bepaling kan immers worden besloten tot een verschil in behandeling tussen het verkrijgen van een eigen goed vóór of ná het huwelijk, aangezien de bepaling in geen enkele beslissing voorziet over het ogenblik waarop het eigen goed moet zijn verkre-gen om een eventuele revalorisatie ervan te genieten.

A.4.3. Volgens de Ministerraad zullen de inkomsten uit het eigen goed, ongeacht of het goed vóór of ná het huwelijk is verkregen, in ieder geval aan de gemeenschap toekomen. Bijgevolg zou moeilijk kunnen worden aangevoerd dat de revalorisatie wordt geweigerd voor een vóór het huwelijk verkregen eigen goed daar de gemeen-schap, ter compensatie, de inkomsten uit het goed in kwestie kan genieten, aangezien diezelfde inkomsten eveneens aan de gemeenschap toekomen wanneer het goed ná het huwelijk is verkregen.

De Ministerraad voegt daaraan toe dat het niet zeker zou zijn dat een eigen goed dat tijdens het huwelijk door één van de echtgenoten is verkregen, noodzakelijkerwijs het voorwerp van een gemeenschappelijke wil van beide echtgenoten uitmaakt. Omgekeerd zou het niet onmogelijk zijn dat echtgenoten het vóór het huwelijk eens zijn geworden over het verkrijgen van een goed door slechts één van hen.

– B –

B.1 Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd “dat het voor de berekening van de rekeningen van terug-nemingen en vergoedingen niet toelaat rekening te houden met de waardevermeer-dering van een eigen goed dat een van beide echtgenoten vóór het huwelijk bezat en dat een financiële last heeft doen ontstaan voor de gemeenschap, [terwijl het wel toelaat] rekening te houden met die waardevermeerdering wanneer het eigen goed van een van beide echtgenoten tijdens het huwelijk is verkregen waarbij een finan-ciële last is ontstaan die analoog is met die welke, in het eerstvermelde geval, ten laste van de gemeenschap is gekomen”.

B.2 Artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt:

“De vergoeding mag niet kleiner zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen. Hebben de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen en gelden echter gediend tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed, dan zal de vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat tijdstip bevindt in het vergoedingsplichtige vermogen, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is; is het vervreemde goed vervangen door een ander goed, dan wordt de vergoeding geschat op de grondslag van dat nieuwe goed.”

B.3 Wanneer een rechter het Hof ondervraagt over de grondwettigheid van een bepaling in een bepaalde interpretatie, antwoordt het Hof, in de regel, op de vraag door die bepaling in die interpretatie te onderzoeken.

B.4.1. Artikel 1432 van het Burgerlijk Wetboek legt als regel vast dat een vergoeding is verschuldigd wanneer het gemeenschappelijk vermogen verrijkt of verarmd is ten nadele of ten voordele van het eigen vermogen van een der echtgenoten (Parl.St. Senaat 1975-76, nr. 683/2, p. 70).

De in het geding zijnde bepaling stelt de wijzen van raming van de vergoedingen vast. Zo mag de vergoeding niet kleiner zijn dan de verarming van het vergoedingsgerech-tigde vermogen. Het bedrag van de verarming kan echter worden aangevuld met een waardevermeerdering wanneer de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen en gelden hebben gediend tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed.


B.4.2. De in het geding zijnde bepaling werd tijdens de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord:

“Bij het onderzoek van de artikelen 1400, 1402 en 1403 heeft de Commissie beslo-ten om, bij de bepaling van het bedrag van de vergoeding, af te zien van het beginsel volgens hetwelk dat bedrag definitief wordt vastgesteld op de som waarmee het ene vermogen verarmd is ten voordele van het andere.
Voor zover het vergoedingsplichtige vermogen door een oordeelkundige investering van het bedrag dat voorkomt uit het vergoedingsgerechtigde vermogen, een waarde-vermeerdering heeft ondergaan, al dan niet ten gevolge van de muntontwaarding, is het billijk dat die waardevermeerdering ook ten goede komt aan het vergoedingsge-rechtigde vermogen. Hoe dan ook, de vergoeding mag niet minder bedragen dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen.” (ibid., p. 71).

B.4.3. Volgens de door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vraag zou de waardevermeerdering bedoeld in artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek enkel kunnen worden toegepast in het geval waarin één van de echtgenoten na het huwe-lijk een goed verkrijgt dat een financiële last heeft doen ontstaan voor het gemeen-schappelijk vermogen. Er zou daarentegen geen enkele waardevermeerdering kunnen worden toegepast wanneer het goed door één van de echtgenoten is verkregen vóór het huwelijk, terwijl het gemeenschappelijk vermogen een financiële last voor dat goed draagt.

B.5 Niets kan verantwoorden dat voor de berekening van de rekeningen van terug-nemingen en vergoedingen een onderscheid wordt gemaakt naargelang het eigen goed dat aanleiding geeft tot vergoeding, vóór of tijdens het huwelijk door één van de echtgenoten is verkregen. Zowel in het ene als in het andere geval bevindt het gemeenschappelijk vermogen zich immers in een identieke situatie, namelijk dat het een financiële last draagt die is verbonden aan het bestaan van het eigen goed. Daar-uit volgt dat de waardevermeerdering bedoeld in de in het geding zijnde bepaling, zonder onderscheid zou moeten worden toegepast in de twee gevallen die door de prejudiciële vraag worden beoogd.

B.6 In de interpretatie die de verwijzende rechter eraan geeft, is artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.7 Zoals de Ministerraad in zijn memorie opmerkt, kan de in het geding zijnde bepaling anders worden geïnterpreteerd.
Immers, noch in de tekst zelf van artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek, noch in de parlementaire voorbereiding die heeft geleid tot de aanneming ervan, wordt voor de toepassing van de in het geding zijnde waardevermeerdering een onderscheid gemaakt naargelang van het ogenblik waarop het goed dat aanleiding geeft tot de berekening van een vergoeding, is verkregen.

B.8 Geïnterpreteerd in die zin dat het voor de berekening van de rekeningen van terugnemingen en vergoedingen toelaat rekening te houden met de waardevermeer-
dering van een eigen goed dat een van beide echtgenoten vóór het huwelijk bezat en dat een financiële last heeft doen ontstaan voor de gemeenschap, is artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Om die redenen, het Hof
zegt voor recht:

Geïnterpreteerd in die zin dat het voor de berekening van de rekeningen van terug-nemingen en vergoedingen niet toelaat rekening te houden met de waardevermeer-dering van een eigen goed dat een van beide echtgenoten vóór het huwelijk bezat en dat een financiële last heeft doen ontstaan voor de gemeenschap, schendt artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Geïnterpreteerd in die zin dat het voor de berekening van de rekeningen van terug-nemingen en vergoedingen toelaat rekening te houden met de waardevermeerdering van een eigen goed dat een van beide echtgenoten vóór het huwelijk bezat en dat een financiële last heeft doen ontstaan voor de gemeenschap, schendt artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

• Cassatie 24/02/2011, juridat en T.Fam. 2011/8, 190

samenvatting

De waarde van de voorwerpen die aanvankelijk behoorden tot het gemeenschappelijk vermogen en die op het ogenblik van de verdeling, ingevolge de ontbinding van dat stelsel, afhangen van de tussen de gewezen echtgenoten ontstane onverdeeldheid, moet worden bepaald op het ogenblik van de verdeling 

tekst arrest

Nr. C.10.0283.F
P. G., 
tegen
S. S.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 24 februari 2009 gewezen door het hof van beroep te Luik.
Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert de volgende twee middelen aan.

Eerste middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 1432 en 1435 van het Burgerlijk Wetboek.
Aangevochten beslissingen
Het bestreden arrest "beslist dat (de eiser), voor zijn eigen pand, een vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen is verschuldigd, maar houdt de uitspraak over het bedrag van die vergoeding aan en beveelt wat dat betreft de heropening van het debat", hoewel het reeds beslist heeft dat "Volgens artikel 1435 in onderhavig geval de waarde van het goed of de waardevermeerdering in aanmerking moet worden genomen" en dat "er rekening moet worden gehouden met de waarde van het goed op de datum van het verzoek tot echtscheiding", om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en, inzonderheid, om de volgende redenen:

"Het recht op vergoeding kan door alle middelen worden bewezen (artikel 1436, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). Om aan te tonen dat er aan het gemeenschappelijk vermogen een vergoeding is verschuldigd wegens verrijking van het eigen vermogen, moet de echtgenoot alleen bewijzen dat het eigen vermogen van zijn echtgenoot is toegenomen. De goederen die tot de verrijking hebben bijgedragen, worden immers geacht gemeenschappelijk te zijn.

(De eiser) gaat op 3 januari 1978, dat wil zeggen vóór zijn huwelijk, een hypothecaire lening aan voor een bedrag van 1.288.440 frank, met de bedoeling een onroerend goed te kopen ter waarde van 1.450.000 frank, dat dus zijn eigen goed is, en het in te richten. Vanaf de tweede kwartaalaflossing wordt de lening door de gemeenschap afbetaald. De twee partijen gaan op 21 oktober 1988 bij de ASLK een nieuwe lening aan voor een bedrag van 890.000 frank, met een looptijd van vijftien jaar, om de eerste lening af te betalen. Op 26 oktober 1992 moest van die lening nog 733.401 frank afbetaald worden.

De aangestelde notaris meent dat er daarom vergoeding verschuldigd is, met het oog, enerzijds, op de terugbetaling van de hoofdsom van de leningen - de interesten op de lening maken deel uit van de lasten van het huwelijk - en, anderzijds, op de waardevermeerdering die het pand verkregen heeft.

(De eiser) meent dat het gemeenschappelijk vermogen niet is verarmd, aangezien de voor het pand ontvangen huur de gemeenschap ten goede is gekomen, doordat enerzijds, het pand als echtelijke woonplaats heeft gediend en er, anderzijds, voor de verhuurde appartementen huur is ontvangen.

Artikel 1432 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de echtgenoot die, voor zijn eigen vermogen, uit het gemeenschappelijk vermogen persoonlijk voordeel heeft getrokken, een vergoeding verschuldigd is. Artikel 1435 bepaalt de wijze waarop die vergoeding berekend wordt : zij mag niet lager zijn dan de verarming van het gemeenschappelijk vermogen. Als de bedragen echter gediend hebben om er een goed mee te verkrijgen, in stand te houden of te verbeteren, dan is de vergoeding gelijk aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed.

(...) Wat is het bedrag van de vergoeding?

Krachtens de hierboven uiteengezette beginselen kan niet worden betwist dat het minimumbedrag van de vergoeding gelijk is aan de verarming van de gemeenschap en bestaat in de afbetaling van de hoofdsom van de leningen die zijn aangegaan om het pand (van de eiser) te kopen en te vernieuwen. Volgens de - niet betwiste - berekeningen van de notaris gaat het om 12.217,14 euro.

Dit is evenwel slechts een minimumbedrag aangezien artikel 1435 bepaalt dat er in dit geval rekening moet worden gehouden met de waarde van het goed of de waardevermeerdering ervan.

Te dezen moet rekening gehouden worden met de waarde van het goed op de datum van het verzoek tot echtscheiding, daar de verarming van het gemeenschappelijk vermogen voortvloeit uit de aankoop en de vernieuwing van dat goed. De partijen betwisten niet dat het goed werd voorzien van een nieuwe ingerichte keuken, een nieuwe badkamer, vernieuwde ramen en een vernieuwd dak.

Bij de berekening van de waarde van het pand moet rekening worden gehouden met de geldontwaarding, aangezien niet kan worden betwist dat, indien de gemeenschap het geld had opgespaard en het niet in het eigen pand (van de eiser) had geïnvesteerd, dat spaargeld in 1992 eveneens die ontwaarding had ondergaan.

Bij de berekening van de waarde van het pand in oktober 1992 moet rekening worden gehouden met de eigen middelen die (de eiser) heeft besteed aan de aankoop van het pand (4.004,97 euro) en met het op 26 oktober 1992 nog terug te betalen bedrag (733.401 frank of 18.180,53 euro).

De terugbetaling van de lening en de waarde van het pand mogen echter niet worden samengeteld onder aftrek van de eigen inbreng (van de eiser), maar van de twee bedragen moet het hoogste in aanmerking worden genomen".

Grieven
Luidens artikel 1432 van het Burgerlijk Wetboek is elk der echtgenoten vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen.

Krachtens artikel 1435 van datzelfde wetboek is de vergoeding in beginsel nominaal, dat wil zeggen dat het bedrag van de vergoeding overeenkomt met de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen. De vergoeding kan, bij wijze van uitzondering, gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van het goed op het ogenblik van de ontbinding van het stelsel, maar alleen ingeval de bedragen en de geldsommen die in het vergoedingsplichtige vermogen zijn terechtgekomen, gediend hebben om dat goed te verkrijgen, in stand te houden of te verbeteren.

De terugbetaling, in de loop van het huwelijk, van een eigen hypothecaire lening door middel van gemeenschappelijk geld, komt niet overeen met het gemeenschappelijke geld dat in het eigen vermogen van een van de echtgenoten is gevallen om er een eigen goed mee aan te kopen, in stand te houden of te verbeteren. Het komt niet overeen met de aankoop van een goed maar met de betaling van een schuld, aangezien er geen enkel rechtstreeks verband bestaat tussen de verarming en de aankoop van het goed of de in dat goed verrichte werkzaamheden die zijn betaald met de hoofdsom van de lening. De vergoeding die de eiser aan het gemeenschappelijk vermogen is verschuldigd, moest dus berekend worden op grond van het nominale bedrag van de verarming van dat vermogen.

Het bestreden arrest, dat vaststelt dat de eiser "op 3 januari 1978, dat wil zeggen vóór zijn huwelijk, een hypothecaire lening is aangegaan voor een bedrag van 1.288.440 frank, met de bedoeling een onroerend goed te kopen ter waarde van 1.450.000 frank, dat dus zijn eigen goed is, en het in te richten, dat de lening vanaf de tweede kwartaalaflossing door de gemeenschap wordt afbetaald, dat de twee partijen op 21 oktober 1988 bij de ASLK een nieuwe lening aangaan voor een bedrag van 890.000 frank, met een looptijd van vijftien jaar, om de eerste lening af te betalen", en dat "de verarming van de gemeenschap (die) bestaat in de afbetaling van de hoofdsom van de leningen die zijn aangegaan om het pand (van de eiser) te kopen en te vernieuwen" door notaris J. werd begroot op 12.217,14 euro, weigert vervolgens om zich te houden aan de bedragen die de eiser uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om er een eigen schuld mee te betalen, in de zin van artikel 1432 van het Burgerlijk Wetboek, maar beslist dat "er rekening moet worden gehouden met de waarde van het goed of de waardevermeerdering ervan", en past vervolgens de in artikel 1435 Burgerlijk Wetboek vervatte regel van herschatting toe op een situatie waarop dat artikel niet van toepassing is. Het arrest schendt bijgevolg die bepalingen.

Tweede middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 826, 827, 831, 832, 833, 890, 1445 en 1675 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen
Het arrest beslist, wat betreft het meubilair, dat "aangezien beide partijen erop wijzen dat er geen meubilair meer is en elke verdeling in natura thans dus uitgesloten is, de notaris rekening zal houden met de roerende goederen en de waarde daarvan, zoals die blijkt uit zijn eigen akte van 24 februari 1993" en dat, "wat betreft de voertuigen, elke partij er één heeft en dat de waarde ervan moet worden berekend met inachtneming van de waarde die ze hadden op de datum van het verzoek tot echtscheiding, met dien verstande dat daarnaast ook rekening moet worden gehouden met een vergoeding voor genotsderving tot de verdeling - een vergoeding waarvan de partijen geen melding maken".

Grieven
Het wezenlijke kenmerk van de verdeling is dat zij in natura geschiedt en op grond van de restwaarde van de goederen op het tijdstip van de verdeling. Dat beginsel waarbij de verdeling bij voorrang in natura plaatsvindt, blijkt niet alleen uit de artikelen 826, 827, 831, 832 en 833 van het Burgerlijk Wetboek, maar ook uit artikel 1445 van dat wetboek, volgens hetwelk het nettobedrag van het batig saldo dat na de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel overblijft, bij helften wordt verdeeld, en uit de artikelen 890 en 1675 van datzelfde wetboek, luidens welke de benadeling wordt vastgesteld door de waarde van de verdeelde goederen of van het verkochte onroerend goed te schatten volgens de waarde ervan op het ogenblik van de verdeling.

In zijn staat van vereffening nam notaris J. aan dat de waarde van het voertuig, die door elke partij aan het gemeenschappelijk vermogen verschuldigd was, gelijk was aan de waarde van het voertuig dat beide echtgenoten op het ogenblik van de scheiding hadden teruggenomen, met name, voor de eiser, een Audi break met een geschatte waarde van 7.436,80 euro en, voor de verweerster, een Ford met een geschatte waarde van 1.239,46 euro.

De eiser betoogde in zijn aanvullende conclusie in hoger beroep dat "in elk geval niet de waarde telt die het voertuig in 1992 had, maar wel de waarde ervan op de vermoedelijke dag van de verdeling" en dat "dit voertuig in 2005 geen enkele handelswaarde meer zou hebben gehad".

Het bestreden arrest beslist dat rekening moet worden gehouden met de waarde van die voertuigen "op de datum van het verzoek tot echtscheiding", dat wil zeggen 26 oktober 1992, en niet op de datum van de verdeling. Met betrekking tot de andere roerende goederen die zijn opgenomen in de inventaris van 24 februari 1993 van notaris J., beslist het arrest insgelijks dat laatstgenoemde "rekening zal houden met (...) de waarde daarvan, zoals die blijkt uit zijn eigen akte van 24 februari 1993".

In zoverre het arrest beslist dat de waarde van de litigieuze roerende goederen, in het kader van de verdeling, geraamd zal worden met inachtneming van de datum van de ontbinding en niet met inachtneming van de datum van de verdeling, is het bijgevolg niet naar recht verantwoord (schending van alle in het middel bedoelde bepalingen).

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
Artikel 1432 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat elk der echtgenoten vergoeding verschuldigd is ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen.

De vergoeding mag overeenkomstig artikel 1435 van dat wetboek niet kleiner zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen ; indien de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen en gelden echter gediend hebben om een goed te verkrijgen, in stand te houden of te verbeteren, zal de vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, op het ogenblik van de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat tijdstip in het vergoedingsplichtige vermogen bevindt.

Indien een lening werd aangegaan om een eigen onroerend goed te verkrijgen, in stand te houden of te verbeteren, leidt de afbetaling van die lening door het gemeenschappelijk vermogen krachtens het voormelde artikel 1435 tot een vergoeding gelijk aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, daar het gemeenschappelijk vermogen rechtstreeks heeft bijgedragen tot het verkrijgen, het instandhouden of het verbeteren van het goed.

Het bestreden arrest stelt vast dat de eiser, vóór het huwelijk, een lening heeft aangegaan om een eigen onroerend goed te verkrijgen en te verbeteren, dat die lening vanaf de tweede kwartaalaflossing werd afbetaald door het gemeenschappelijk vermogen en dat de partijen daarna een nieuwe lening hebben aangegaan om de eerste terug te betalen, wat zij ook gedeeltelijk met gelden uit de gemeenschap hebben gedaan, alvorens te scheiden.
Het bestreden arrest, dat beslist dat er bij de berekening van de door de verschuldigde vergoeding "rekening moet worden gehouden met de waarde van het goed of de waardevermeerdering" ervan, schendt de voormelde wetsbepalingen niet.

Het middel kan niet worden aangenomen.
Tweede middel
Na de ontbinding van een huwelijksvermogensstelsel van gemeenschap van goederen ontstaat er tussen de gewezen echtgenoten een onverdeeldheid waarop, in de regel, het gemeen recht van toepassing is.

Volgens artikel 577-2, § 2 en 8, van het Burgerlijk Wetboek, worden de onverdeelde aandelen vermoed gelijk te zijn en is de verdeling van de gemeenschappelijke zaak onderworpen aan regels die bepaald zijn in de titel "Erfenissen".
Artikel 890 van datzelfde wetboek bepaalt dat, om te beoordelen of er benadeling geweest is, de onverdeelde goederen worden geschat op hun waarde ten tijde van de verdeling.

De waarde van de voorwerpen, die oorspronkelijk tot het gemeenschappelijk vermogen behoorden en die op het ogenblik van de verdeling afhingen van de onverdeeldheid die tussen de ex-echtgenoten was ontstaan door de ontbinding van het stelsel, moet bijgevolg worden bepaald op het tijdstip van de verdeling.

Het bestreden arrest, dat beslist dat de waarde van de voertuigen die deel hebben uitgemaakt van het gemeenschappelijk vermogen, in het kader van de verdeling, "berekend moet worden op de datum van het verzoek tot echtscheiding", schendt artikel 890 van het Burgerlijk Wetboek.

Het middel is gegrond.
Omvang van de cassatie
De cassatie van het bestreden arrest leidt tot de vernietiging van het arrest van 30 juni 2009, in zoverre dat arrest de zaak naar de notaris-vereffenaar verwijst en over de kosten uitspraak doet, daar laatstgenoemd arrest, in die mate, voortvloeit uit het eerstgenoemde arrest.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het beslist dat de waarde van de voertuigen die deel hebben uitgemaakt van het gemeenschappelijk vermogen, berekend moet worden op de datum van het verzoek tot echtscheiding.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Vernietigt het arrest van 30 juni 2009, in zoverre dat arrest de zaak naar de notaris-vereffenaar verwijst en uitspraak doet over de kosten.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest en van het gedeeltelijk nietig verklaarde arrest ;
Veroordeelt de eiser in de helft van de kosten en houdt de andere helft aan tot de feitenrechter hierover uitspraak heeft gedaan ;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

• Cassatie 19 maart 2011, juridat, T. Fam. 2001/8, 193

samenvatting

De echtgenoot die vergoeding vordert ten voordele van het gemeenschappelijk vermogen, moet niet bewijzen dat de aangroei van het eigen vermogen van een van de echtgenoten met gelden uit het gemeenschappelijk vermogen is gefinancierd; het is aan de echtgenoot die de vordering tot betaling van een vergoeding betwist, het vermoeden van artikel 1405, vierde lid, Burgerlijk Wetboek te weerleggen en aan te tonen op welke manier hij de aangroei van zijn eigen vermogen heeft gefinancierd.

tekst arrest

Nr. C.10.0087.N
W. V.,
eiser,

tegen
H. D., die voorheen woonplaats heeft gekozen bij gerechtsdeurwaarder Marcel De Blauw, met kantoor te 2800 Mechelen, Lange Heergracht 59,
verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 23 september 2009.

Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.

Eerste middel
Geschonden wetsbepalingen
- De artikelen 1315, 1399, derde lid, 1405, 4°, 1432 en 1436 Burgerlijk Wetboek;
- artikel 870 Gerechtelijk Wetboek;
- het algemeen rechtsbeginsel dat niemand zich zonder oorzaak ten laste van een ander mag verrijken, zoals onder meer bevestigd in de artikelen 1235, 1376 en 1377 Burgerlijk Wetboek.

Bestreden beslissing
Het bestreden arrest, na verweersters hoger beroep en eisers inci¬denteel beroep deels gegrond te hebben verklaard, hervormt het beroepen von¬nis onder meer op volgend punt, waarbij het de zaak terugzendt naar de boedelnotaris ten einde de vergoeding te bepalen, verschuldigd door de eiser aan het gemeenschappelijk vermogen voor de verwerving van de grond en de oprichting van de woning, behoudens het door de gemeenschappelijke lening gefinancierde gedeelte en dit op basis van de in het arrest aangegeven principes, zo nodig te herwaarderen op basis van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek en wijst al het meer of anders gevorderde dan in het beschikkend gedeelte gesteld, als ongegrond af.

Het hof van beroep stoelt zijn beslissing op volgende gronden:

"2.2
(De verweerster) vorderde (namens het gemeenschappelijk vermogen) voor de notaris een vergoeding voor de volledige constructieprijs van het onroerend goed, zijnde 166.195,95 euro (6.704.328 frank) en eveneens voor de oplegsom door (de eiser) betaald aan de deelgenoten voor de toebedeling van de grond waarop de woning is opgetrokken.

(De eiser) stelde dat de oplegsom, evenals een deel van de bouw van de woning werd betaald door middel van een hypothecair krediet, afgesloten door de beide partijen bij KBC, voor een bedrag van 73.128,59 euro en dat het saldo, zijnde 102.363,00 euro, werd betaald met gelden die hij bezat vóór het huwelijk met (de verweerster).

De boedelnotaris heeft aanvaard dat uit de door (de eiser) neergelegde stukken blijkt dat hij vóór het huwelijk 54.164,74 euro (2.185.000 frank) bezat op diverse re¬keningen en dat uit de vereffening verdeling van zijn vorige huwelijk aan hem de som van euro 133.862,50 (5.400.000 frank) is toebedeeld in diverse effecten. Uit het feit dat de woning werd opgetrokken binnen de eerste 14 maanden van het huwelijk, voor een bewezen bedrag van 7.079.328 frank of 175.491,96 euro, voor de verwerving van de grond en de bouw ervan, terwijl slechts 73.128,59 euro werd ge¬financierd, leidt de boedelnotaris af dat het saldo niet met gemeenschapsgelden kan betaald zijn, nu partijen op die korte periode deze sommen niet konden verdienen.

Bijgevolg acht de notaris het vermoeden voorzien in artikel 1408 BW weerlegd voor wat betreft de kostprijs van de bouw van de woning en de opleg betaald aan de deelgenoten voor de verwerving van de grond, in de mate dit niet gefi¬nancierd werd door de vermelde hypothecaire lening. De vordering van (de ver¬weerster) van een vergoeding terzake werd dan ook door de boedelnotaris ver¬worpen. (De verweerster) stelde daartegen een ontvankelijke zwarigheid in.
De eerste rechter heeft op dit punt de zaak terug gezonden naar de boedelnota¬ris voor een verduidelijking van het gevolg dat de notaris trekt uit de vaststelling dat na aftrek van de niet gefinancierde investeringen in de aankoop van de grond en de bouw van de woning, er van de eigen gelden die (de eiser) had voor het huwelijk, een som van 85.663,63 euro overblijft. In de overwegingen (3.4.3) heeft de eerste rechter wel reeds gesteld dat de rechtbank, in navolging van de boedelnotaris, van oordeel is dat (de eiser) aan de hand van de door hem voorge¬legde stukken aantoont dat - met uitzondering van de hypothecaire lening - de grond en de constructie van de echtelijke woonst door hem werden gefinancierd met eigen gelden en dat het niet bewezen is dat (de verweerster) eigen gelden zou geïnvesteerd hebben, al dan niet afkomstig van haar ouders.

2.3
Het wordt niet betwist dat (de eiser) tijdens het huwelijk door uitbetaling van een aantal deelgenoten een bouwgrond heeft verworven en dat daarop, eveneens tijdens het huwelijk, een woning gebouwd is, zodat deze woning door natrekking vermoed wordt een eigen goed te zijn.

Het wordt evenmin betwist dat de woning gedeeltelijk gefinancierd werd met een hypothecair krediet op naam van beide echtgenoten en dat dit krediet werd voldaan met gemeenschapsgelden.

2.4
De echtgenoot die een vergoeding vordert ten bate van het gemeenschappelijk vermogen moet enkel aantonen dat de andere echtgenoot tijdens de duur van het stelsel persoonlijk voordeel heeft gehaald uit bepaalde gelden. Het gemeenschappelijk karakter van deze gelden moet hij niet bewijzen.

De vaststelling dat tijdens het huwelijk door uitbetaling van diverse deelgenoten door een van de echtgenoten een bouwgrond werd verworven en nadien op dit eigen goed een woning werd opgetrokken, volstaat derhalve om te vermoeden dat dit met gemeenschapsgelden gebeurde, zonder dat werkelijke bewijzen van betaling door de huwgemeenschap moeten voorgelegd worden, wegens het vermoeden van artikel 1405, 4°, BW. De echtgenoot die dit vermoeden wil omkeren moet bewijzen dat hij met eigen gelden betaalde.

Te dezen kan (de verweerster) bijgevolg volstaan met te verwijzen naar het persoonlijk voordeel dat (de eiser) heeft gehaald tijdens het huwelijk, met name de verwerving van een grond door uitkoop van de andere deelgenoten en de bouw van een woning, terwijl (de eiser), om te ontsnappen aan de verplichting om aan het gemeenschappelijk vermogen een vergoeding te betalen, moet bewijzen dat hij een en ander met eigen gelden betaalde.

2.5
(De eiser) legt enkele verklaringen voor van zijn vorige echtgenote, mevrouw Leys, die bevestigt dat hij uit de vereffening en verdeling van hun huwelijksgemeenschap destijds de som van 133.862,50 euro (5.400.000 frank) heeft gekregen, bestaande uit diverse soorten waardepapieren.

Tussen echtgenoten kunnen alle middelen van recht als bewijs worden aange¬wend. Een eenzijdige onderhandse schriftelijke verklaring dient evenwel beschouwd te worden als een welwillendheidsverklaring en kan bijgevolg geen doorslaggevend bewijs opleveren van een bepaald feit.

Zulke verklaring kan hoogstens aanvaard worden als een aanvullend bewijs. Er wordt te dezen echter geen enkel document voorgelegd met betrekking tot het bestaan en/of de samenstelling van de genoemde effectenportefeuille of van de omzetting ervan in cash geld om de facturen van de bouw van de woning te kunnen betalen, hoe¬wel er van al deze transacties, die noodzakelijkerwijze gebeurden via een bank, schriftelijke sporen zouden moeten te vinden zijn. Er wordt trouwens evenmin enige materiële transactie bewezen van deze gelden ter betaling van de facturen met betrekking tot de bouw van de woning. De neergelegde facturen geven geen enkel uitsluitsel over de herkomst van de gelden waarmede ze betaald zijn.

De redenering van de boedelnotaris die besluit dat eigen gelden van (de eiser) wer¬den aangewend bij gebreke aan voldoende gemeenschapsgelden, kan niet gevolgd worden, nu zelfs indien zou aangetoond worden dat er in de bedoelde periode onvoldoende gemeenschapsgelden voorhanden waren om alle facturen te betalen, daaruit niet noodzakelijk volgt dat dan bewezen is dat de betalingen gebeurden met eigen gelden van (de eiser).

2.6
Bijgevolg blijft (de eiser) in gebreke om te bewijzen dat de uitkoop van de deelge¬noten bij de verwerving van de grond en de bouw van de woning, buiten het door de lening gefinancierde gedeelte, met eigen gelden gebeurden, waaruit volgt dat hij een vergoeding verschuldigd is aan het gemeenschappelijk vermogen.


2.7
Er dient niet verder ingegaan te worden op de vorderingen betreffende het al dan niet aanwezig zijn van bepaalde eigen gelden op het ogenblik van het aan¬gaan van het huwelijk of over de aanwending van gelden al dan niet geschonken door de ouders van mevrouw, nu deze elementen, zelfs zo bewezen, gelet op het bovenstaande, niet tot een andere beslissing kunnen leiden.


Evenmin dient ingegaan te worden op de ondergeschikt gevraagde overlegging van een strafdossier in verband met klachten wegens meineed door mevrouw Leys, nu haar verklaring om hoger vermelde redenen niet als bewijs wordt aanvaard" (arrest pp. 6-9).

Grieven
1. Naar luid van artikel 1432 Burgerlijk Wetboek is vergoeding verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen telkens als een echtgenoot persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen.

Dit recht op vergoeding is gesteund op de theorie van de vermo¬gensverschuiving zonder oorzaak, zodat vereist zijn de verrijking van het ene vermogen, de verarming van het andere en een noodzakelijk verband tussen deze beide elementen.

Het recht op vergoeding kan, naar luid van artikel 1436 Burgerlijk Wetboek, door alle middelen van recht bewezen worden.

De echtgenoot die een vergoeding eist voor het gemeenschappelijk vermogen, draagt, overeenkomstig de artikelen 1315 Burgerlijk Wetboek en 870 Gerechtelijk Wetboek, de bewijslast.

Hij zal vooreerst het feit of de rechtshandeling moeten bewijzen waaruit een vergoedingsrecht is ontstaan, m.n. de aangroei van het eigen vermogen van de andere echtgenoot, en zal vervolgens het gemeenschappelijk karakter van de gebruikte gelden moeten bewijzen. Dit laatste wordt echter vermoed op grond van artikel 1405, 4°, Burgerlijk Wetboek, naar luid waarvan gemeenschappelijk zijn alle goederen waarvan niet bewezen is dat zij aan een der echtgenoten eigen zijn ingevolge enige wetsbepaling.

De bewijslast dat geen gemeenschappelijke gelden werden aan¬gewend rust derhalve op de beweerdelijk vergoedingsplichtige echtgenoot, die, overeenkomstig artikel 1399, derde lid, Burgerlijk Wetboek, door alle middelen van recht, zelfs van algemene bekendheid, het bewijs van het karakter van de aangewende gelden kan leveren.

2. Het bestreden arrest verwerpt de redenering van de boedelnotaris, die besluit dat eigen gelden van de eiser werden aangewend bij gebreke aan voldoende gemeenschapsgelden.

Zelfs indien zou aangetoond worden dat er in de bedoelde periode onvoldoende gemeenschapsgelden voorhanden waren om alle facturen te betalen, volgt naar de appelrechters "daaruit niet noodzakelijk dat dan bewezen is dat de betalingen gebeurden met eigen gelden van (de eiser)". Het bestreden arrest besluit dat de eiser in gebreke blijft om te bewijzen dat de uitkoop van de deelgenoten bij de verwerving van de grond en de bouw van de woning, buiten het door de lening gefinancierde gedeelte, met eigen gelden gebeurden, en dat de eiser dienvolgens vergoeding verschuldigd is aan het gemeenschappelijk vermogen.

3. Voormelde redengeving van het bestreden arrest sluit even¬wel niet uit dat de betalingen niet zouden gebeurd zijn met gemeenschappelijke gelden. Het bestreden arrest oordeelt slechts dat niet bewezen is dat de betalingen met eigen gelden van eiser zouden gebeurd zijn.

De eiser kan evenwel ter weerlegging van het vermoeden dat betalingen gebeurd zijn met gemeenschappelijke gelden, bewijzen door alle middelen van recht, vermoedens inbegrepen, dat die gemeenschappelijke gelden he¬lemaal niet voorhanden waren ten tijde van de uitgaven. Aldus wordt het bewijs geleverd dat er geen verarming is gebeurd van het gemeenschappelijk vermogen, en dat er derhalve ook geen reden is tot vergoeding op grond van artikel 1432 Burgerlijk Wetboek.

Door derhalve, op de gronden die het bevat, het bewijs zoals weer¬houden door de boedelnotaris te verwerpen, vereist het bestreden arrest ten on¬rechte, ter weerlegging van het vermoeden dat gemeenschappelijke gelden wer¬den aangewend en ter inwilliging van de aanspraken van verweerster op vergoeding ten voordele van dit gemeenschappelijk vermogen, het bewijs van aanwending van eigen gelden.

Het volstaat dat wordt aangetoond dat het ge¬meenschappelijk vermogen zich niet kan verarmd hebben omdat het niet over voldoende gelden beschikte om de betalingen te verrichten. Het bewijs dat eigen gelden van de aangesproken echtgenoot werden aangewend is niet noodzakelijk, nu ook niet uit te sluiten is dat wanneer geen eigen gelden werden aange¬wend, eigen gelden van de andere echtgenoot voor de uitgave zouden zijn ge¬bruikt, en niet gemeenschappelijke gelden. Het bestreden arrest schendt aldus de artikelen 1315, 1399, derde lid, 1405, 4°, 1432 en 1436 Burger¬lijk Wetboek, artikel 870 Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbe¬ginsel dat niemand zich zonder oorzaak ten laste van een ander mag verrijken, zoals bevestigd in de artikelen 1235, 1376 en 1377 Burgerlijk Wetboek).

Tweede middel
Geschonden wetsbepalingen
- de artikelen 1398, 1406, 1407, eerste gedachtestreepje, 1408, eerste en vijfde gedachtestreepje, 1432, 1435 Burgerlijk Wetboek.


Bestreden beslissing
Het bestreden arrest, na verweersters hoger beroep en eisers inci¬denteel beroep deels gegrond te hebben verklaard, hervormt het beroepen von¬nis onder meer op volgend punt, waarbij het de zaak terugzendt naar de boedel¬notaris ten einde de vergoe¬ding te bepalen, door eiser verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen voor de terugbetaling van de eigen leningen, vol¬gens de principes aangegeven in het arrest en binnen de perken van het door verweerster gevorderde, en zo nodig te herwaarderen op basis van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek en wijst al het meer of anders dan in het beschikkend gedeelte gesteld, gevorderde, als ongegrond af.
Het hof van beroep stoelt zijn beslissing op volgende gronden:


"8.1
(De eiser) heeft op 4 februari 1994 (dus vóór het huwelijk) een onderhandse lening afgesloten voor een bedrag van 198.314,82 euro (8.000.000 frank) bij ABB ter over¬name van de aandelen van de cvba Van Dessel. Tijdens het huwelijk op 17 oktober 1998 hebben beide partijen een kredietovereenkomst afgesloten bij KBC voor een bedrag van 131.383,57 euro (5.300.000 frank) ter herfinanciering van de voormelde lening.

De boedelnotaris stelde dat de oorspronkelijke lening evenals het krediet tot herfinanciering van deze lening behoren tot het eigen vermogen van (de eiser) en dat dit vermogen een vergoeding verschuldigd is aan het gemeenschappelijk vermogen, in de mate dat dit laatste heeft ingestaan voor de afbetalingen.

Ten onrechte stelde de eerste rechter dat dit standpunt niet duidelijk is en werd de zaak ter verduidelijking teruggezonden naar de notaris. Het komt immers de rechter zelf toe te bepalen welke wettelijke principes moeten toegepast worden en omtrent het middels een zwarigheid bestreden standpunt van de notaris een beslissing te nemen.

8.2
(De eiser) betoogt dat de kredietovereenkomst uitdrukkelijk stipuleert dat de kre¬dieten zullen aangewend worden voor de uitoefening van ‘hun handels- beroeps- of ambachtelijke activiteit', zodat het ingevolge artikel 1408, 3°, BW handelt om een gemeenschappelijke schuld en er geen aanleiding is tot enige vergoeding.

(De verweerster) vordert in het kader van de eerste lening een vergoeding van 66.931,33 euro, zijnde het totaal door het gemeenschappelijk vermogen betaalde be¬drag, zowel kapitaalsaflossingen als intresten en voor de kredietopening een bedrag van 65.527,60 euro, zijnde het door het gemeenschappelijk vermogen te¬rugbetaalde bedrag. Bovendien stelt (de verweerster) dat beide bedragen dienen geherwaardeerd te worden overeenkomstig artikel 1435 BW.

8.3
De lening die (de eiser) heeft afgesloten vóór het huwelijk ter verkrijging van de aandelen in de cvba Van Dessel is om die reden een eigen lening, zodat, voor zover ze is terugbetaald door het gemeenschappelijk vermogen, er aanleiding is tot vergoeding.

Ten onrechte houdt de notaris bij de bepaling van deze vergoeding enkel reke¬ning met de betaalde kapitaalaflossingen en niet met de intresten, onder verwij¬zing naar artikel 1405, 2°, BW. Dit artikel heeft immers betrekking op inkomsten uit eigen goederen en niet op intresten op schulden. Artikel 1435, 1°, BW stipuleert trouwens dat de vergoeding niet kleiner mag zijn dan de verarming van het ver¬goedingsgerechtigde vermogen, zodat de vergoeding betrekking moet hebben op alle betalingen die gebeurden met gelden van het gemeenschappelijk vermogen, te dezen zowel kapitaalsaflossingen als intresten.

Eveneens ten onrechte houdt de notaris rekening met het feit dat mag aange¬nomen worden dat de eerste twee afbetalingen van 6.610 euro gebeurden met ei¬gen gelden van (de eiser), nu er onvoldoende gemeenschappelijke gelden voorhan¬den waren op dat ogenblik. Zoals hoger (zie 2.4) reeds uiteengezet wordt het gemeenschappelijk karakter van de betalingen vermoed en bewijst (de eiser) niet dat daarvoor eigen gelden werden aangewend.

8.4.
De kredietopening afgesloten door beide echtgenoten tijdens het huwelijk is in¬gevolge artikel 1408, 1°, BW een gemeenschappelijke schuld.
Het wordt kennelijk niet betwist dat de gelden voortkomende uit de kredietope¬ning werden aangewend ter herfinanciering van de eerder genoemde eigen le¬ning van (de eiser). Gemeenschapsgelden ten belope van 5.300.000 frank of 131.383,57 euro werden aldus aangewend ter delging van een eigen schuld, zodat er aanleiding is tot vergoeding.

(De verweerster) vordert op dit punt enkel vergoeding van het bedrag dat door het gemeenschappelijk vermogen op deze kredietopening is terugbetaald, zijnde 65.527,60 euro, wat haar bijgevolg kan toegekend worden.

8.5
De oorspronkelijke lening, zowel als de herfinanciering hebben betrekking op de verwerving van de aandelen in de cvba Van Dessel, zodat er aanleiding is tot toepassing van artikel 1435 BW en bijgevolg de waarde van de aandelen op het ogenblik van de vereffening moet bepaald worden en zo nodig de bedragen van de bovengenoemde vergoedingen dienen geherwaardeerd te worden.

De zaak wordt daartoe teruggezonden naar de boedelnotaris" (arrest pp. 14-16).

Grieven
Eerste onderdeel
1. Naar luid van 1398 Burgerlijk Wetboek berust het wette¬lijk stelsel op het bestaan van drie vermogens: het eigen vermogen van elk van beide echtgenoten en het gemeenschappelijk vermogen van beide echtgenoten, zoals die worden omschreven in de artikelen 1399 tot 1408 van hetzelfde wet¬boek.
Krachtens artikel 1406 Burgerlijk Wetboek blijven de schulden van de echtgenoten die dagtekenen van vóór het huwelijk eigen.

Luidens artikel 1408, vijfde gedachtestreepje, Burgerlijk Wetboek zijn de intresten die een bijzaak vormen van de eigen schulden van een der echtgenoten gemeenschappelijk.

Overeenkomstig artikel 1432 Burgerlijk Wetboek is elk der echtgenoten vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te vol¬doen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen.

Naar luid van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek mag de vergoeding niet kleiner zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen, en wanneer de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen en gelden echter hebben gediend tot het verkrijgen, instandhouden of verbete¬ren van een goed, dan zal de vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat tijdstip bevindt in het vergoedingsplichtige vermogen, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is, en indien het vervreemde goed is vervangen door een ander goed, dan wordt de vergoeding ge¬schat op de grondslag van dat nieuwe goed.


2. Het bestreden arrest neemt op grond van de vaststelling dat de eiser op 4 februari 1994, vóór het huwelijk van partijen op 14 mei 1994, een lening heeft aangegaan voor de overname van de aandelen van de cvba Van Dessel, aan dat het een eigen lening betreft, zodat het op grond van artikel 1406 Burgerlijk Wetboek besluit tot een eigen schuld van de eiser. Het besluit, op grond van artikel 1432 Burgerlijk Wetboek, tot vergoedingsplicht van de ei¬ser voor zover deze lening door het gemeenschappelijk vermogen is terugbetaald.

Het bestreden arrest oordeelt dat deze vergoeding niet alleen de kapitaalaflossingen, maar ook de door het gemeenschappelijk vermogen betaalde intresten omvat, op grond van de overweging, enerzijds, dat de boedelnotaris ten onrechte de intresten uitsloot op grond van artikel 1405, 2°, Burgerlijk Wetboek, dat betrekking heeft op inkomsten uit eigen goederen en niet op intresten op schulden, en anderzijds dat artikel 1435 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de vergoeding niet kleiner mag zijn dan de verarming van het vergoedinsggerechtigde vermogen, waardoor de vergoeding betrekking moet hebben op alle betalingen die gebeurden met gelden van het gemeenschappelijk vermogen, m.n. te dezen zowel kapitaalaflossingen als intresten.

3. Artikel 1435 Burgerlijk Wetboek, dat betrekking heeft op het bedrag van de verschuldigde vergoeding, doet evenwel geen afbreuk aan het voorschrift van artikel 1408, vijfde gedachtestreepje, van hetzelfde wetboek, dat de intresten die een bijzaak vormen van de eigen schulden van een der echtgenoten gemeenschappelijk zijn. De intresten van de lening zijn dan ook niet begrepen in de vergoedingsplicht aan het gemeenschappelijk vermogen, aangezien zij, op grond van artikel 1408, vijfde gedachtestreepje, Burgerlijk Wetboek, ten laste van dit vermogen blijven.

4. Het bestreden arrest kon dienvolgens niet wettig, op de gronden die het bevat, oordelen dat de vergoedingsplicht van de eiser wegens de aflossing van een eigen schuld (lening) door het gemeenschappelijk vermogen, niet alleen de kapitaalaflossingen betreft, maar eveneens de intresten (schending van de artikelen 1398, 1406, 1408, vijfde gedachtestreepje, 1432 en 1435 Burgerlijk Wetboek).

Tweede onderdeel
5. Naar luid van 1398 Burgerlijk Wetboek berust het wettelijk stelsel op het bestaan van drie vermogens: het eigen vermogen van elk van beide echtgenoten en het gemeenschappelijk vermogen van beide echtgenoten, zoals die worden omschreven in de artikelen 1399 tot 1408 van hetzelfde wetboek.

Volgens artikel 1406 Burgerlijk Wetboek blijven de schulden van de echtgenoten die dagtekenen van vóór het huwelijk eigen, en naar luid van artikel 1407, eerste gedachtestreepje, Burgerlijk Wetboek zijn de schulden door een der echtgenoten aangegaan in het uitsluitend belang van zijn eigen vermogen, eigen.
Overeenkomstig artikel 1408, eerste gedachtestreepje, Burgerlijk Wetboek zijn de schulden aangegaan door beide echtgenoten, gezamenlijk of hoofdelijk, gemeenschappelijk.

Luidens artikel 1408, vijfde gedachtestreepje, Burgerlijk Wetboek zijn de intresten die een bijzaak vormen van de eigen schulden van een der echtgenoten gemeenschappelijk.

Krachtens artikel 1432 Burgerlijk Wetboek is elk der echtgenoten vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het ge¬meenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen.

Naar luid van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek mag de vergoeding niet kleiner zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen, en wanneer de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen en gelden echter hebben gediend tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed, dan zal de vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat tijdstip bevindt in het vergoedingsplichtige vermogen, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is, en indien het vervreemde goed is vervangen door een ander goed, dan wordt de vergoeding geschat op de grondslag van dat nieuwe goed.

6. Het bestreden arrest stelt vast dat de kredietopening die door beide partijen op 17 oktober 1998 werd afgesloten tijdens het huwelijk ter herfinanciering van de kredietovereenkomst die de eiser op 4 februari 1994 vóór het aangaan van het huwelijk had afgesloten voor de overname van de aandelen van de cvba Van Dessel, een gemeenschappelijke schuld is op grond van artikel 1408, eerste gedachtestreepje, Burgerlijk Wetboek.

Nu deze kredietopening van 17 oktober 1998 de herfinanciering beoogt van de eerdere eigen lening van de eiser van 4 februari 1994, beoogt zij vol¬gens het bestreden arrest "de delging van een eigen schuld", en is vergoeding verschuldigd voor het bedrag dat door het gemeenschappelijk vermogen op die kredietopening van 17 oktober 1998 werd terugbetaald, zijnde het bedrag van 65.527,60 euro, zoals door de verweerster gevorderd, en bestaande, zoals blijkt uit verweersters beroepsconclusie (p. 22, derde alinea), uit het kapitaal en de intresten.

7. Nu, zoals aangevoerd in het eerste onderdeel, en hier voor zo¬veel als nodig uitdrukkelijk hernomen, voor de terugbetaling van een eigen schuld met bedragen uit het gemeenschappelijke vermogen, alleen vergoeding verschuldigd is voor de bedragen die uit het gemeenschappelijk vermogen werden opgenomen ten belope van het kapitaal, en niet ten belope van de intresten, die immers op grond van artikel 1408, vijfde gedachtestreepje, Burgerlijk Wetboek, gemeenschappelijk zijn, geldt a fortiori bij de terugbetaling van een schuld die gemeenschappelijk is omdat ze werd aangegaan door beide echtgenoten (artikel 1408, eerste gedachtestreepje, BW), dat de intresten ten laste blijven van het gemeenschappelijk vermogen, ook al werd de schuld aangegaan tot delging van een eigen schuld van een der echtgenoten, en is op grond van de artikelen 1432 en 1435 Burgerlijk Wetboek vergoeding verschuldigd.

Nu het bestreden arrest ook voor de lening van 17 oktober 1998, die een gemeenschappelijke schuld is en werd aangegaan tot delging van een eigen schuld van eiser, de vergoeding voor de bedragen opgenomen uit het gemeenschappelijk vermogen niet beperkt tot het kapitaal, maar uitstrekt tot de intresten van deze gemeenschappelijke schuld, miskent het de artikelen 1398, 1406, 1407, eerste gedachtestreepje, 1408, eerste gedachtestreepje, 1408, vijfde gedachtestreepje, 1432 en 1435 Burgerlijk Wetboek.

Derde onderdeel
8. Naar luid van artikel 1432 Burgerlijk Wetboek is elk der echtgenoten vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen.

Overeenkomstig artikel 1435 Burgerlijk Wetboek mag de vergoeding niet kleiner zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde ver¬mogen, en wanneer de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen en gelden echter hebben gediend tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed, dan zal de vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat tijdstip bevindt in het vergoedingsplichtige vermogen, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is, en indien het vervreemde goed is vervangen door een ander goed, dan wordt de vergoeding geschat op de grondslag van dat nieuwe goed.

9. Het bestreden arrest stelt vast dat partijen tijdens het huwelijk op 17 oktober 1998 een kredietovereenkomst hebben gesloten ter herfinanciering van een eigen schuld (lening) van de eiser, daterend van vóór het huwelijk, en toen aangegaan voor de overname van de aandelen van de cvba Van Dessel.

Deze vaststelling brengt met zich dat de tweede lening niet werd aangewend tot het verkrijgen van een goed (de aandelen) in de zin van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek, maar wel tot het delgen van een eigen schuld van de eiser.
Niettemin oordeelt het bestreden arrest dat niet alleen de oorspronkelijke lening van 4 februari 1994, maar ook de herfinanciering van 17 oktober 1998 "betrekking hebben op de verwerving van de aandelen in de Cvba Van Dessel", zodat met toepassing van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek een herwaardering van de vergoeding mogelijk is.

10. Door ondanks de vaststelling dat de tweede lening een her¬financiering is van de eerste lening, en derhalve werd aangegaan tot delging van een eigen schuld van de eiser, toch te oordelen dat de tweede lening betrekking heeft op de verwerving van de aandelen, en dus de verwerving van een goed in de zin van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek, miskent het bestreden arrest de artikelen 1432 en 1435 Burgerlijk Wetboek, en besluit het niet wettig tot herwaardering van de vergoeding m.b.t. deze lening, waarvoor de zaak terug naar de boedelnotaris wordt verwezen (schending van dezelfde wetsbepalingen).

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. Krachtens artikel 1432 Burgerlijk Wetboek is elk der echtgenoten vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen.
Krachtens artikel 1405, vierde lid, Burgerlijk Wetboek zijn gemeenschappelijk alle goederen waarvan niet bewezen is dat zij een der echtgenoten eigen zijn ingevolge enige wetsbepaling.

2. Hieruit volgt dat de echtgenoot die vergoeding vordert ten voordele van het gemeenschappelijk vermogen, niet moet bewijzen dat de aangroei van het eigen vermogen van een van de echtgenoten met gelden uit het gemeenschappelijk vermogen is gefinancierd. Het is aan de echtgenoot die de vordering tot betaling van een vergoeding betwist, het vermoeden van artikel 1405, vierde lid, voormeld te weerleggen en aan te tonen op welke manier hij de aangroei van zijn eigen vermogen heeft gefinancierd.

3. Het middel gaat ervan uit dat het volstaat dat de eiser het bewijs levert dat de gemeenschap niet over de middelen beschikte een bijdrage te leveren in de financiering, zonder dat hij dient aan te tonen op welke manier hij de aangroei van zijn eigen vermogen heeft gefinancierd.
Het middel dat uitgaat van de verkeerde rechtsopvatting, faalt naar recht.
Tweede middel
Eerste onderdeel

4. Krachtens artikel 1432 Burgerlijk Wetboek is elk der echtgenoten vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen.

Krachtens artikel 1435, aanhef, Burgerlijk Wetboek mag de vergoeding niet kleiner zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen.

Krachtens artikel 1408, vijfde gedachtestreepje, Burgerlijk Wetboek zijn de intresten die een bijzaak vormen van de eigen schulden van een der echtgenoten gemeenschappelijk.

5. Hieruit volgt dat als de intrest op een eigen lening van een der echtgenoten is betaald met gemeenschapsgelden, deze echtgenoot daarvoor geen vergoeding is verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen.

6. De appelrechters die oordelen dat de notaris bij de bepaling van deze vergoeding ten onrechte enkel rekening houdt met de betaalde kapitaalaflossing en niet met de intrest, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.
Het onderdeel is gegrond.

Tweede onderdeel
7. Om de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, konden de appelrechters niet zonder schending van de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen oordelen dat de eiser vergoeding verschuldigd is aan het gemeenschappelijk vermogen voor de intrest vervat in de terugbetalingen gedaan ingevolge de kredietopening die de partijen tijdens het huwelijk hebben aangegaan tot herfinanciering van de lening die voor het huwelijk door de eiser is aangegaan met het oog op de verwerving van de aandelen in Van Dessel cvba.
Het onderdeel is gegrond.
Derde onderdeel

8. Krachtens artikel 1435 Burgerlijk Wetboek mag de vergoeding die het vergoedingsplichtige vermogen verschuldigd is niet kleiner zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen. Wanneer de bedragen en gelden die in het vergoedingsplichtige vermogen zijn gevallen, gediend hebben tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed, dan zal de vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat tijdstip bevindt in het vergoedingsplichtige vermogen, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is.

9. Hieruit volgt dat het vermogen dat heeft bijgedragen tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed dat toebehoort aan een ander vermogen, moet kunnen meegenieten van de waardestijging die met deze bijdrage is gerealiseerd.

10. Het arrest stelt vast dat:
- de eiser voor het huwelijk een lening heeft afgesloten om de aandelen van Van Dessel cvba over te nemen;
- deze lening na het huwelijk verder werd afbetaald met gemeenschapsgelden;
- de partijen tijdens het huwelijk een kredietovereenkomst hebben aangegaan/afgesloten tot herfinanciering van het saldo van de voormelde lening;
- de bedragen verschuldigd ingevolge deze kredietovereenkomst tijdens het huwelijk gedeeltelijk werden terugbetaald met gemeenschapsgelden.

11. De appelrechters konden uit deze vaststellingen afleiden dat zowel de aanvankelijke lening als de latere kredietovereenkomst betrekking hebben op de aandelen in Van Dessel cvba. Hoewel de latere kredietovereenkomst heeft gediend om een eigen schuld van de eiser te delgen, moest zij de eiser immers toelaten deze aandelen te behouden.

De appelrechters konden dan ook zonder schending van artikel 1435 Burgerlijk Wetboek en de andere in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen, oordelen dat bij het bepalen van de vergoeding waarop het gemeenschappelijk vermogen aanspraak maakt, zo nodig rekening zal worden gehouden met de waardevermeerdering die de voormelde aandelen hebben gekend.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt dat de eiser gehouden is tot de vergoeding van de intrest door de gemeenschap betaald op de lening die door de eiser is aangegaan tot verwerving van de aandelen in Van Dessel cvba en op de kredietopening die is aangegaan tot herfinanciering van deze lening.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Veroordeelt de eiser in de helft van de kosten en houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.
Bepaalt de kosten voor de eiser op de som van 705,03 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Alain Smetryns, en in openbare rechtszitting van 18 maart 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

Noot onder dit arrest K. Boone, Het venijn zit in de staart: over de herwaardering van vergoedingen in gemeenschapsstelsels. T. Fam. 2011/8, 199


 

 

Nog dit: 


Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: di, 08/11/2011 - 08:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.