verhouding strafsanctie en tuchtsanctie
In de eerste plaats is bij de behandeling van dit leerstuk de non bis in idem regel aan de orde. Voor verdere toelichting dienaangaande
Het principe non bis in idem was meermaals aan de orde in het sportrecht voornamelijk dan mbt de vraag in hoeverre een disciplinaire sanctie inzake doping kon gevolgd worden door een strafrechtelijke sanctie.
Voor het overige stelt zich de vraag of de straffen zelf in verhouding dienen te zijn en of hetgeen strafrechtelijk als een kleinigheid werd weerhouden wel door, de tuchtrechter als zwaar vergrijp kan gekwalificeerd, nu de tuchtrechter toch beperkt wordt door de grenszen van de redelijkheid.
Een interessante toepassing hiervan werd gevonden in een arrest van de Raad van State van 21 december 2006, RW 2008-2009, 540, met noot De Herdt De invloed van de uitspraak van de strafrechter op de beoordeling van de strafmaat in tuchtzaken.
Rechtspraak:
Raad van State, 12e Kamer 21 december 2006,
RW 2008-2009, 540, met noot De Herdt De invloed van de
uitspraak van de strafrechter op de beoordeling van de strafmaat in
tuchtzaken.
Samenvatting:
Hoewel de uitspraak van de strafrechter geen directe beperkingen
oplegt aan de beoordelingsvrijheid van het bestuur bij het opleggen
van een tuchtstraf, blijft de straf die werd opgelegd door de
strafrechter een belangrijk element in de beoordeling die het
bestuur moet maken. Wanneer de strafrechter de gunst van opschorting
of uitstel toekent en het bestuur voor dezelfde feiten een zware
tuchtsanctie oplegt, zal dit omstandig moeten worden gemotiveerd,
zodat duidelijk wordt gemaakt dat de tuchtstraf de grenzen van de
redelijkheid niet overschrijdt.
Arrest
E. De M. t/ Stad Mechelen en Vlaams Gewest
Arrest nr. 166.235
Gezien het verzoekschrift dat E. De M. op 28 oktober 1998 heeft
ingediend om de nietigverklaring te vorderen van «Het Ministerieel
Besluit van 2 september 1998 houdende goedkeuring van het besluit
van de gemeenteraad van Mechelen van 25 juni 1998 houdende het
opleggen van de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege aan de heer
E. De M., agent-hoofdbrigadier»;
...
1. Het voorwerp
Overwegende dat verzoeker formeel enkel de nietigverklaring vraagt
van het goedkeuringsbesluit van 2 september 1998 van de Vlaamse
minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en
Huisvesting; dat echter uit de middelen van zijn verzoekschrift
blijkt dat ze ook betrekking hebben op het goedgekeurde besluit van
de gemeenteraad; dat verzoekers beroep dan ook moet worden opgevat
als zijnde gericht tegen beide besluiten;
2. De gegevens van de zaak
Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als
volgt:
2.1. Verzoeker is agent-hoofdbrigadier bij de stad Mechelen. De
rijkswacht van het district Leuven stelt tegen hem een
proces-verbaal op wegens schending van het beroepsgeheim. In dat
proces-verbaal wordt vastgesteld dat op 27 januari 1995 door de
politie van Mechelen nummerplaten van de rijkswacht werden
nagetrokken van wagens waarvan er één werd gebruikt bij een
observatieopdracht en dat een nummerplaat werd geïdentificeerd op
verzoek van verzoeker, die op dat ogenblik niet met bevolen dienst
was.
Het Vast comité van toezicht op de politiediensten wordt een
onderzoek opgedragen, waarbij naast verzoeker nog een aantal andere
personen worden ondervraagd. Verzoeker verklaart dat hij een
nummerplaat heeft opgevraagd op verzoek van een onbekende die hem
thuis telefoneerde op aanraden van zijn broer en aan wie hij
meedeelde dat het een beschermde nummerplaat was, dat hij voordien
nog nummerplaten heeft geïdentificeerd voor personen die hem dat
vroegen, dat hij «inderdaad een fout» heeft begaan door op verzoek
van een onbekende een nummerplaat te identificeren en mee te delen
dat ze beschermd was, dat hij evenwel niet wist wat een beschermde
nummerplaat is, dat hij wel wist dat het vrijgeven van informatie
waartoe hij enkel vanuit zijn ambt toegang heeft gelijkstaat aan het
schenden van het beroepsgeheim, maar dat hij meende dat dit niet
gold voor nummerplaten. Voorts verklaart een collega dat verzoeker
regelmatig een drankgelegenheid bezoekt waar zich vechtpartijen,
drugproblemen en diefstallen voordoen. Een andere collega verklaart
dat verzoeker tijdens dienstrondes soms ergens binnengaat voor
persoonlijke aangelegenheden.
2.2. Verzoeker wordt bij vonnis van de Correctionele Rechtbank te
Mechelen van 14 februari 1997 wegens schending van het beroepsgeheim
veroordeeld met toepassing van art. 458 Sw. tot een gevangenisstraf
van vier maanden, met uitstel gedurende drie jaar, alsook tot een
geldboete van 200 fr., gebracht op 40.000 fr. Een afschrift van
voormeld vonnis wordt bij brief van 16 mei 1997 aan de burgemeester
van Mechelen bezorgd teneinde hem in staat te stellen disciplinair
op te treden. In deze brief wordt meegedeeld dat het vonnis kracht
van gewijsde heeft.
2.3. Op 30 juni 1997 stelt de korpschef ten laste van verzoeker een
tuchtverslag op waarin hij op grond van het vonnis van 14 februari
1997 en van de door verzoeker en twee van zijn collegas afgelegde
verklaringen de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege voorstelt
wegens ernstige tekortkomingen aan de beroepsplichten, namelijk het
niet naleven van de dienstverplichtingen, reglementen en wetten, het
schenden van het beroepsgeheim door na iedere telefonische vraag aan
onbekenden gegevens te bezorgen die hij enkel kent als gevolg van
zijn beroep, feiten die strafrechtelijk zijn bewezen en waarvoor hij
correctioneel werd veroordeeld, het zonder voorafgaande toestemming
onderbreken van zijn diensttijd voor privéaangelegenheden en een
gebrek aan loyauteit, alsook wegens het stellen van handelingen die
de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen, namelijk het
schenden van het beroepsgeheim en het bezoeken van herbergen waar de
politie regelmatig preventief en repressief dient op te treden.
Op 18 december 1997 besluit de gemeenteraad van Mechelen, na
verzoeker op 20 november 1997 te hebben gehoord, hem de tuchtsanctie
van ontslag van ambtswege op te leggen, op grond van de
eindoverweging «dat de ernst van de feiten een maximumstraf
verantwoordt».
Voormeld besluit wordt bij ministerieel besluit van 6 maart 1998
niet goedgekeurd. In het ministerieel besluit wordt overwogen,
enerzijds, dat alle ten laste gelegde feiten als bewezen moeten
worden beschouwd, maar, anderzijds, dat de loutere stijlformule «dat
de ernst van de feiten een maximumstraf verantwoordt» bezwaarlijk
als een afdoende motivering kan worden beschouwd om een zo
ingrijpende maatregel als een ontslag van ambtswege te
rechtvaardigen, dat, indien redelijkerwijze zou kunnen worden
aangenomen dat de tuchtoverheid het zwaarst zou hebben getild aan
verzoekers correctionele veroordeling, moet worden vastgesteld dat
deze veroordeling met uitstel werd uitgesproken en dat de rechter
een veroordeling met uitstel een voldoende waarschuwing voor de
toekomst noemt, dat weliswaar de tuchtoverheid niet gebonden is door
de beoordeling van de feiten door de strafrechter, zodat ook na de
opschorting van de uitspraak of een straf met uitstel de zwaarste
sanctie kan worden opgelegd, dat de tuchtoverheid evenwel verplicht
is de beslissing van de strafrechter in haar oordeel te betrekken en
het niet evident is dat in deze gevallen de zwaarste sanctie wordt
uitgesproken, dat de tuchtoverheid hiervoor alleszins een wettig
motief moet kunnen inroepen en dat hiervan in het
gemeenteraadsbesluit van 18 december 1997 geen sprake is.
Een afschrift van dat niet-goedkeuringsbesluit wordt bij
aangetekende brief van 6 maart 1998 aan het stadsbestuur van
Mechelen bezorgd met de mededeling dat het dat bestuur vrij staat
het dossier te hernemen mits de motieven van niet-goedkeuring worden
in acht genomen.
2.4. Verzoeker biedt zich op 9 maart 1998 met het
niet-goedkeuringsbesluit aan met de vraag wanneer hij zijn dienst
bij de politie kan hervatten. Op 10 maart 1998 stelt de korpschef de
burgemeester voor verzoeker bij spoedeisendheid preventief te
schorsen met verlies van wedde voor een periode van vier maanden,
hem zo vlug mogelijk te horen en de tuchtzaak opnieuw voor te leggen
aan de gemeenteraad teneinde een nieuw gefundeerd en gemotiveerd
besluit te nemen, aangezien de wederindienstneming van verzoeker de
goede werking van de dienst in het gedrang brengt.
Verzoeker wordt bij besluit van 10 maart 1998 van de burgemeester
met ingang van dezelfde datum bij spoedeisendheid preventief
geschorst.
2.5. Verzoeker wordt bij aangetekende brief van 16 april 1998
opgeroepen om op 7 mei 1998 voor de gemeenteraad te verschijnen naar
aanleiding van het «hernemen tuchtdossier gemeenteraad 18 december
1997». Verzoekers aandacht wordt gevestigd op het feit dat deze
hoorzitting enkel betrekking heeft op het opnieuw bepalen van de
strafmaat en op de motivering.
Verzoeker wordt op 7 mei 1998 door de gemeenteraad gehoord nadat
negen gemeenteraadsleden die niet aanwezig waren bij verzoekers
eerste verhoor op 20 november 1997 de vergadering hebben verlaten.
Uit het procesverbaal van verhoor blijkt voorts, eensdeels, dat
verzoekers raadsman vraagt dat wordt genotuleerd dat een aantal
raadsleden de vergadering heeft moeten verlaten en, anderdeels, dat
de voorzitter opnieuw wijst op het feit dat de hoorzitting enkel
wordt gehouden voor het opnieuw bepalen van de motivering en
eventueel van de strafmaat en dat verzoeker in die optiek zal worden
gehoord.
In de zitting van 25 juni 1998 behandelt de gemeenteraad agendapunt
63 «uitspraak strafmaatregel in het tuchtdossier ten laste van een
politieagent- hoofdbrigadier» nadat dertien raadsleden die niet
aanwezig waren bij verzoekers verhoor op 7 mei 1998 de raadzaal
hebben verlaten. De gemeenteraad beslist in besloten vergadering en
bij geheime stemming, met zestien stemmen voor en vijf stemmen
tegen, verzoeker de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege op te
leggen en deze sanctie te laten ingaan de eerste werkdag na de dag
van de betekening.
...
2.6. Verzoeker stelt bij brief van 3 juli 1998 bij de
toezichthoudende overheid beroep in tegen het voornoemde
gemeenteraadsbesluit.
Op 5 augustus 1998 worden zowel verzoeker, bijgestaan door zijn
raadsman, als de stad Mechelen, vertegenwoordigd door de
hoofdcommissaris van politie, gehoord.
Het tuchtbesluit van 25 juni 1998 van de gemeenteraad van Mechelen
wordt bij ministerieel besluit van 2 september 1998 goedgekeurd. Dit
besluit is als volgt gemotiveerd: (...).
...
3. De grond van de zaak
...
3.3.5. Overwegende dat verzoeker het redelijkheidsbeginsel
geschonden acht dat in tuchtzaken vereist dat tussen de in
aanmerking genomen feiten en de opgelegde sanctie een redelijk
verband van evenredigheid moet bestaan;
3.3.5.1. Overwegende dat, in tegenstelling tot wat verzoeker zowel
in zijn verzoekschrift als in zijn memorie van wederantwoord doet
gelden, tweede verwerende partij in haar niet-goedkeuringsbesluit
van 6 maart 1998 niet van oordeel was dat er, daar de strafrechter
hem een kans had gegeven door de uitgesproken gevangenisstraf met
uitstel uit te spreken, geen reden was om de tuchtsanctie van
ontslag van ambtswege op te leggen; dat integendeel in dat besluit
uitdrukkelijk wordt overwogen dat de tuchtoverheid ook na een straf
met uitstel de zwaarste sanctie kan opleggen; dat wel en enkel
wordt vastgesteld dat, aangezien de tuchtoverheid verplicht is de
beslissing van de strafrechter in haar oordeel te betrekken, het
opleggen van de zwaarste tuchtstraf in een dergelijk geval niet
evident is en dat de tuchtoverheid, indien er motieven zijn om
alsnog de zwaarste sanctie op te leggen, deze motieven duidelijk
kenbaar moet maken, wat te dezen, door het hanteren van de loutere
stijlformule dat «de ernst van de feiten een maximumstraf
verantwoordt», niet het geval was;
Overwegende dat de gemeenteraad in zijn besluit van 25 juni 1998 in
elk geval formeel aan het bezwaar van de toezichthoudende overheid
tegemoetkomt door een aantal motieven in te roepen die, ondanks de
strafrechtelijke veroordeling met uitstel, alsnog het opleggen van
de op één na zwaarste tuchtstraf van het ontslag van ambtswege
moeten verantwoorden, welke motieven een samenvatting zijn van de
motieven van het aanvullend verslag van 10 maart 1998 van de
korpschef, naar welk aanvullend verslag in de aanhef van het
gemeenteraadsbesluit uitdrukkelijk wordt verwezen en dat verzoeker
bekend was; dat in dat gemeenteraadsbesluit aldus wordt overwogen
dat wegens de aard van het misdrijf waarvoor verzoeker werd
veroordeeld, zijn aanwezigheid niet langer verenigbaar is met het
belang van de dienst; dat bezwaarlijk kan worden betwist dat, zoals
in het aanvullend verslag van de korpschef werd gesteld, het kunnen
bewaren van het beroepsgeheim een fundamentele waarde en norm is
waaraan het politiepersoneel absoluut moet voldoen en dat de
gemeenteraad, bij het bepalen van de strafmaat, de aard van het
misdrijf waarvoor verzoeker werd veroordeeld in verband mocht
brengen met de aard van de door hem beklede functie, ook al werd hij
voor dat misdrijf op strafrechtelijk vlak met uitstel veroordeeld;
dat de gemeenteraad bovendien niet zonder meer tot de vaststelling
komt dat verzoekers verdere aanwezigheid wegens de aard van het door
hem begane misdrijf niet langer verenigbaar is met het belang van de
dienst, doch concreet aangeeft waarom het verder in dienst houden
van verzoeker onmogelijk is geworden; dat immers wordt verwezen naar
de beschikbaarheid van zeer gevoelige informatie bij de politie,
naar de evolutie van de informatisering binnen het politiekorps
waardoor de bevragingsmogelijkheden van deze informatie worden
verruimd, naar het feit dat de totale afscherming van dergelijke
informatie voor sommige personeelsleden kan leiden tot de disfunctie
van de politiewerking en het bevragen via collegas geen sluitende
oplossing biedt voor enig misbruik, naar het wantrouwen dat ten
opzichte van verzoeker bij leiding en collegas is ontstaan en naar
het feit dat verzoeker met naam en foto in de pers verscheen,
waardoor hij, nu de lokale bevolking hem kon herkennen als een
politieagent die het niet te nauw nam met het beroepsgeheim, ook het
vertrouwen van de bevolking heeft verloren;
Overwegende dat in het bestreden besluit van de Minister inzake de
door de gemeenteraad opgegeven motieven onder meer wordt overwogen
«dat de argumenten in verband met de informatieraadpleging binnen
het politiekorps aantonen dat betrokkene niet meer kan ingezet
worden binnen het korps», «dat aan de hand van het tuchtbesluit kan
worden ingezien hoe feiten die, geïnterpreteerd binnen hun context
door de strafrechter slechts met een waarschuwing voor de toekomst
worden bestraft, aanleiding zijn voor de tuchtoverheid om betrokkene
volledig aan zijn taken te onttrekken en hem te ontslaan», «dat de
gepleegde feiten binnen de dienstverlening en de specifieke
veiligheidstaak van de politie van dergelijk doorslaggevende aard
zijn, dat zonder blijvende argwaan en terughoudendheid van de
collegas en de bevolking, betrokkene niet kan functioneren als
politieagent; dat dit immers een vertrouwensfunctie is waar
voornamelijk de bevolking in probleemsituaties een beroep op doet;
dat, gezien de bekendheid die de zaak gekregen heeft wegens de aard
van de feiten, betrokkene inderdaad een kwalijke reputatie meesleept
voor de toekomst met de mogelijkheid van weigering van medewerking
van zijn collegas en wantrouwige reacties van de bevolking», en
«dat, zoals volgt uit de motieven van het tuchtbesluit, zelfs de
meest eenvoudige taak die een politieagent kan opgelegd worden niets
afdoet aan de specifieke kenmerken van het beroep inzake veiligheid
en betrouwbaarheid; dat bovendien in de huidige maatschappelijke
context het imago van veiligheidsdiensten reeds dermate geschonden
werd dat criminele activiteiten van de leden van die diensten elk
moeizaam opgebouwd herwonnen vertrouwen slechts hypothekeren en
bijgevolg niet getolereerd kunnen worden»;
...
3.3.5.5. Overwegende dat, alle hiervoor besproken gegevens van de
zaak in acht genomen, en de feiten stellende tegenover de sanctie,
de Raad van State niet vaststelt dat te dezen de opgelegde sanctie
niet in een evenredige verhouding staat tot de feiten die er
aanleiding toe gaven; dat daarmee niet gezegd wil zijn dat de
tuchtoverheid voor de bedoelde feiten geen lichtere straf had kunnen
opleggen die evengoed binnen de grenzen van haar
beoordelingsbevoegdheid lag; dat het nu immers eenmaal eigen is aan
de uitoefening van discretionaire bevoegdheid, zoals de
tuchtbevoegdheid, dat uiteenlopende beslissingen denkbaar zijn die
nochtans elk de toets aan het evenredigheidsbeginsel doorstaan; dat
het middel niet gegrond is.
Hebt u nog een vraag?
Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.
Andere zoekopties
U kan onze website eveneens doorzoeken met deze opties:
- A-Z index
- Chronologische lijst van recente aanpassingen
- Doelgroepen
- De zoekfunctie op trefwoord (beta)
- Op kernwoorden
- Rechtsleer
- Rapport van alle bijdragen op deze site
- Rechtspraak
- Wetgeving
- Modellen
- RSS feeds
Aanvulling
Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.

