-A +A

verjaring en verzekering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Verjaringstermijn

Art. 88. § 1. De verjaringstermijn voor elke rechtsvordering voortvloeiend uit een verzekeringsovereenkomst bedraagt drie jaar. In de levensverzekering bedraagt de termijn dertig jaar voor wat betreft de rechtsvordering aangaande de reserve die op de datum van opzegging of op de einddatum gevormd is door de betaalde premies, onder aftrek van de verbruikte sommen.
De termijn begint te lopen vanaf de dag van het voorval dat het vorderingsrecht doet ontslaan. Wanneer degene aan wie de rechtsvordering toekomt, bewijst dat hij pas op een later tijdstip van het voorval kennis heeft gekregen, begint de termijn te lopen vanaf dat tijdstip, maar hij verstrijkt in elk geval vijf jaar na het voorval, behoudens bedrog.
In de aansprakelijkheidsverzekering begint de termijn, wat de regresvordering van de verzekerde tegen de verzekeraar betreft, te lopen vanaf het instellen van de rechtsvordering door de benadeelde, onverschillig of het gaat om een oorspronkelijke eis tot schadeloosstelling dan wel om een latere eis naar aanleiding van een verzwaring van de schade of van het ontslaan van een nieuwe schade.
In de persoonsverzekering begint de termijn, wat de rechtsvordering van de begunstigde betreft, te lopen vanaf de dag waarop deze tegelijk kennis heeft van het bestaan van de overeenkomst, van zijn hoedanigheid van begunstigde en van het voorval dat de verzekeringsprestaties opeisbaar doet worden.
§ 2. Onder voorbehoud van bijzondere wettelijke bepalingen, verjaart de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens artikel 150 door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd.
Indien de benadeelde evenwel bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, begint de termijn pas te lopen vanaf dat tijdstip, maar hij verstrijkt in elk geval na verloop van tien jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd.
§ 3. De regresvordering van de verzekeraar tegen de verzekerde verjaart door verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag van de betaling door de verzekeraar, behoudens bedrog.

Schorsing en stuiting van de verjaring

Art. 89. § 1. De verjaring tegen minderjarigen, onbekwaamverklaarden en andere onbekwamen loopt niet tot de dag van de meerderjarigheid of van de opheffing van de onbekwaamheid.
§ 2. De verjaring loopt niet tegen de verzekerde, de begunstigde of de benadeelde die zich door overmacht in de onmogelijkheid bevindt om binnen de voorgeschreven termijn op te treden.
§ 3. Indien het schadegeval tijdig is aangemeld, wordt de verjaring gestuit tot op het ogenblik dat de verzekeraar aan de wederpartij schriftelijk kennis heeft gegeven van zijn beslissing.
§ 4. Stuiting of schorsing van de verjaring van de rechtsvordering van de benadeelde tegen een verzekerde heeft stuiting of schorsing van de verjaring van zijn rechtsvordering tegen de verzekeraar tot gevolg. Stuiting of schorsing van de verjaring van de rechtsvordering van de benadeelde tegen de verzekeraar heeft stuiting of schorsing van de verjaring van zijn rechtsvordering tegen de verzekerde tot gevolg.
§ 5. De verjaring van de vordering bedoeld in artikel 88, § 2, wordt gestuit zodra de verzekeraar kennis krijgt van de wil van de benadeelde om een vergoeding te bekomen voor de door hem geleden schade. De stuiting eindigt op het ogenblik dat de verzekeraar aan de benadeelde schriftelijk kennis geeft van zijn beslissing om te vergoeden of van zijn weigering.

 

Uittreksel uit de wet betreffende verzekeringen :

Verjaringstermijn

Art. 88. § 1. De verjaringstermijn voor elke rechtsvordering voortvloeiend uit een verzekeringsovereenkomst bedraagt drie jaar. In de levensverzekering bedraagt de termijn dertig jaar voor wat betreft de rechtsvordering aangaande de reserve die op de datum van opzegging of op de einddatum gevormd is door de betaalde premies, onder aftrek van de verbruikte sommen.

De termijn begint te lopen vanaf de dag van het voorval dat het vorderingsrecht doet ontslaan. Wanneer degene aan wie de rechtsvordering toekomt, bewijst dat hij pas op een later tijdstip van het voorval kennis heeft gekregen, begint de termijn te lopen vanaf dat tijdstip, maar hij verstrijkt in elk geval vijf jaar na het voorval, behoudens bedrog.

In de aansprakelijkheidsverzekering begint de termijn, wat de regresvordering van de verzekerde tegen de verzekeraar betreft, te lopen vanaf het instellen van de rechtsvordering door de benadeelde, onverschillig of het gaat om een oorspronkelijke eis tot schadeloosstelling dan wel om een latere eis naar aanleiding van een verzwaring van de schade of van het ontslaan van een nieuwe schade.
In de persoonsverzekering begint de termijn, wat de rechtsvordering van de begunstigde betreft, te lopen vanaf de dag waarop deze tegelijk kennis heeft van het bestaan van de overeenkomst, van zijn hoedanigheid van begunstigde en van het voorval dat de verzekeringsprestaties opeisbaar doet worden.

§ 2. Onder voorbehoud van bijzondere wettelijke bepalingen, verjaart de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens artikel 150 door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd.

Indien de benadeelde evenwel bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, begint de termijn pas te lopen vanaf dat tijdstip, maar hij verstrijkt in elk geval na verloop van tien jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd.

§ 3. De regresvordering van de verzekeraar tegen de verzekerde verjaart door verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag van de betaling door de verzekeraar, behoudens bedrog.


Schorsing en stuiting van de verjaring


Art. 89. § 1. De verjaring tegen minderjarigen, onbekwaamverklaarden en andere onbekwamen loopt niet tot de dag van de meerderjarigheid of van de opheffing van de onbekwaamheid.

§ 2. De verjaring loopt niet tegen de verzekerde, de begunstigde of de benadeelde die zich door overmacht in de onmogelijkheid bevindt om binnen de voorgeschreven termijn op te treden.

§ 3. Indien het schadegeval tijdig is aangemeld, wordt de verjaring gestuit tot op het ogenblik dat de verzekeraar aan de wederpartij schriftelijk kennis heeft gegeven van zijn beslissing.

§ 4. Stuiting of schorsing van de verjaring van de rechtsvordering van de benadeelde tegen een verzekerde heeft stuiting of schorsing van de verjaring van zijn rechtsvordering tegen de verzekeraar tot gevolg. Stuiting of schorsing van de verjaring van de rechtsvordering van de benadeelde tegen de verzekeraar heeft stuiting of schorsing van de verjaring van zijn rechtsvordering tegen de verzekerde tot gevolg.

§ 5. De verjaring van de vordering bedoeld in artikel 88, § 2, wordt gestuit zodra de verzekeraar kennis krijgt van de wil van de benadeelde om een vergoeding te bekomen voor de door hem geleden schade. De stuiting eindigt op het ogenblik dat de verzekeraar aan de benadeelde schriftelijk kennis geeft van zijn beslissing om te vergoeden of van zijn weigering.
 

Commentaar:

De wet op de Landverzekeringsovereenkomst (thans art.89 Wetboek verzekeringen) bepaalt in art. 34, § 2, tweede lid, dat indien de benadeelde bewijst dat hij pas na het schadeverwekkend feit kennis heeft gekregen van zijn eigen recht tegen de verzekeraar, de vijfjarige verjaringstermijn bedoeld in het eerste lid van deze bepaling, pas begint te lopen vanaf dat schadeverwekkend feit. Deze termijn verstrijkt evenwel hoe dan ook en in elk geval na verloop van tien jaar, termijn te berekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, vanaf de dag waarop het misdrijf is gepleegd.



Rechtspraak:

•• Hof van Cassatie 1e Kamer – 7 oktober 2005, RW 2008-2009, 183

Vennootschap naar Frans recht E. en NV A.B. t/ T.C. en B.A.

I. Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 23 juni 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.

...

IV. Beslissing van het Hof

...

2. Tweede onderdeel

Overwegende dat volgens art. 34, § 2, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens art. 86, door verloop van vijf jaar verjaart, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd;

Dat het tweede lid bepaalt dat indien de benadeelde evenwel bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, de termijn pas begint te lopen vanaf dat tijdstip, maar dat hij in elk geval na verloop van tien jaar verstrijkt, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd;

Dat die termijn, door het bestaan van de beperking van tien jaar, niet wordt veranderd in een vervaltermijn die noch geschorst, noch gestuit kan worden;

Dat het onderdeel, dat eigenlijk het tegengestelde aanvoert, faalt naar recht;

3. Derde onderdeel

Overwegende dat art. 35, § 4, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat de verjaring van de vordering, bedoeld in art. 34, § 2, wordt gestuit zodra de verzekeraar kennis krijgt van de wil van de benadeelde om een vergoeding te krijgen voor de door hem geleden schade, en dat de stuiting eindigt op het ogenblik dat de verzekeraar aan de benadeelde schriftelijk kennis geeft van zijn beslissing om te vergoeden of van zijn weigering;

Dat het onderdeel, dat staande houdt dat de in voormeld art. 34, § 2, bedoelde verjaring pas gestuit wordt indien de verzekeraar op de hoogte is gebracht van de wil van de benadeelde om de in art. 86 van deze wet bedoelde vordering in te stellen, faalt naar recht.

•• Hof van Beroep te Gent, 1e Kamer – 19 oktober 2006, RW 2008-2009, 1267

samenvatting

De rechtstreekse vordering van de benadeelde tegen de brandverzekeraar van de huurder verjaart conform  art. 34, § 2, Wet Landverzekeringsovereenkomst na 5 jaar.

tekst van het arrest
...

Beoordeling

1. Op 28 mei 1994 deed zich in de dancing (...), gelegen te (...), een brand voor. Het pand werd door de brand volledig vernield.

V., eigenaar van het gebouw, had met ingang van 7 oktober 1990 de brandverzekering «collectieve polis 1 beroepsactiviteiten» nr. A.307.070 aangegaan voor het pand. Op grond van deze verzekeringsovereenkomst werd door appellante overgegaan tot vergoeding van de schade van de eigenaar.

Bij brief van 26 maart 2002 vroeg appellante, als gesubrogeerde in de rechten van haar verzekerde, aan geïntimeerde, verzekeraar van de huurster, VZW LMC, terugbetaling van haar uitgaven ten bedrage van 63.234,84 euro, te vermeerderen met de rente vanaf 28 mei 1994, datum van het schadegeval.

Geïntimeerde weigerde tot terugbetaling over te gaan. Zij beroept zich onder meer op de verjaring van de vordering van appellante.

2. Art. 68, derde lid, van de Wet Landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat de eigenaar en de derden een eigen recht jegens de brandverzekeraar bezitten.

De Wet Landverzekeringsovereenkomst voorziet niet in een bijzondere verjaringstermijn voor de vordering op grond van art. 68 Wet Landverzekeringsovereenkomst. Art. 34, § 2, Wet Landverzekeringsovereenkomst, dat betrekking heeft op het eigen recht van de benadeelde tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar, verwijst enkel naar art. 86 en niet naar art. 68 Wet Landverzekeringsovereenkomst.

Op de vordering bepaald in art. 68 Wet Landverzekeringsovereenkomst dient echter eveneens de verjaringstermijn van art. 34, § 2, Wet Landverzekeringsovereenkomst te worden toegepast. In het oorspronkelijk wetsvoorstel met betrekking tot art. 34, § 2, Wet Landverzekeringsovereenkomst was sprake van «de vordering die voortvloeit uit het eigen recht van de benadeelde tegen de verzekeraar», zonder verwijzing naar art. 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst. De verwijzing werd eraan toegevoegd ingevolge een vraag naar verduidelijking inzake de levensverzekering ingeval de begunstigde geen kennis heeft van het overlijden van de verzekerde (Parl. St. Kamer, 1990-91, nr. 1586/5, p. 54-55). Hieruit blijkt dat de wetgever met de verwijzing naar art. 86 geenszins de bedoeling had om de rechtstreekse vorderingen andere dan die voortvloeiende uit art. 86, van de toepassing van art. 34, § 2, uit te sluiten. Dat art. 68 ressorteert onder hoofdstuk II «Zaakverzekeringsovereenkomsten» van de Wet Landverzekeringsovereenkomst doet hier niet aan af.

Ten overvloede dient erop gewezen te worden dat de verjaringstermijn van drie jaar van art. 34, § 1, Wet Landverzekeringsovereenkomst geen toepassing kan vinden, omdat de rechtstreekse vordering niet voortvloeit uit de verzekeringsovereenkomst maar uit de wet, namelijk art. 68 Wet Landverzekeringsovereenkomst.

Aldus dient de vijfjarige verjaringstermijn bepaald in art. 34, § 2, Wet Landverzekeringsovereenkomst te worden toegepast.

3. De verjaring van de rechtstreekse vordering bepaald in art. 34, § 2, Wet Landverzekeringsovereenkomst begint te lopen vanaf het schadeverwekkende feit, of, indien er een misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd. De brand dateert in casu van 28 mei 1994, terwijl appellante pas tot dagvaarding van geïntimeerde overging op 8 mei 2002.

Appellante beroept zich op art. 34, § 2, tweede lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst om aan te voeren dat de verjaring pas op een later tijdstip is beginnen lopen, namelijk op het ogenblik dat zij toelating heeft verkregen tot het nemen van inzage in het strafdossier.

Art. 34, § 2, tweede lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat indien de benadeelde bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, de termijn pas begint te lopen vanaf dat tijdstip, met dien verstande dat hij in elk geval verstrijkt na verloop van tien jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit, of indien er een misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd.

Appellante vordert als gesubrogeerde in de rechten van de eigenaar van het gebouw terugbetaling ten laste van de verzekeraar van de huurder, en dit op grond van art. 1733 B.W. Zij betwist niet dat zij ervan op de hoogte was dat het door haar verzekerde pand verhuurd was. Zij voert enkel aan dat, zolang het strafonderzoek niet afgesloten was, zij niet wist of zij al dan niet een vordering zou kunnen instellen tegen de verzekeraar van de huurdersaansprakelijkheid. Ook uit de minnelijke schadeschatting van 16 juni 1994 blijkt trouwens dat zij op de hoogte was van de verhuring, aangezien deze mee ondertekend werd door de vertegenwoordiger van de Groep V., rechtsvoorganger van geïntimeerde.

Daar appellante meent gerechtigd te zijn op terugvordering van haar uitgaven op grond van art. 1733 B.W., was de inzage van het strafdossier om tot dagvaarding over te gaan geenszins noodzakelijk en had zij onmiddellijk na de brand reeds kennis van haar rechten tegen de verzekeraar van de huurder. Dat geïntimeerde over de mogelijkheid beschikt om aan te tonen dat de brand buiten de schuld van haar verzekerde was ontstaan, doet geen afbreuk aan het feit dat appellante haar rechten tijdig kon laten gelden.

Appellante kan dan ook niet worden gevolgd als zij beweert dat zij pas kennis heeft gekregen van haar recht tegen geïntimeerde op het ogenblik van de toelating tot het nemen van inzake in het strafdossier.

De vordering van appellante is bijgevolg verjaard. Het bestreden vonnis dient te worden bevestigd.
 

aanvangspunt verjaring rechtsbijstand

Het aanvangspunt in de verjaring rechtsbijstand is niet het schadeverwekkend feit maar wel het ogenblik waarop de schadelijder beslist zijn rechten te doen gelden.

rechtspraak:

•• Vredegerecht te Sint-Truiden, 5 juni 2007, RW 2008-2009, 1657

E.M. t/ Vennootschap naar Nederlands recht A.S.B.

A. Situering

Eiseres betoogt dat ze in mei 1997, als zeventienjarige, slachtoffer was van een verkrachting door een modellenfotograaf. Ze woonde toen met haar moeder in bij haar stiefvader, die houder was van een verzekering rechtsbijstand bij verweerster.

In 2002 werd ze door de politie verhoord in het raam van een strafonderzoek ten laste van de dader. Op 13 april 2005 liet het parket haar weten dat ze zich burgerlijke partij kon stellen.

Op 20 mei 2005 vroeg haar raadsman aan verweerster om rechtsbijstand. Deze weigerde op 31 mei 2005; ze voerde o.a. aan dat er verjaring was na maximum vijf jaar na de feiten in 1997. De partijen correspondeerden over wat moet worden beschouwd als het «voorval» dat de verjaring doet lopen.

Eiseres liet dagvaarden teneinde «te horen zeggen voor recht dat verweerster tot rechtsbijstand gehouden is alsmede tot vergoeding van de schade die geleden werd en wordt ingevolge de onterechte dekkingsweigering», en begroot op 1 euro provisioneel.

B. Standpunten

Verweerster erkent dat eiseres in 1997 verzekerde was in het raam van de aangeduide polis rechtsbijstand. Ze stelt vast dat eiseres in 1997 geen schadeaangifte deed, dat eiseres in 1997 geen klacht tegen de dader formuleerde, dat ze in 2002 door de politie gecontacteerd werd na een klacht door een derde voor gelijke feiten en dat ze pas in 2005 contact nam en bijstand vroeg.

Ze meent dat het risico zich realiseert «op het ogenblik dat de verzekerde in een feitelijke litigieuze situatie verkeert en een normaal en redelijk mens zich ervan bewust zou zijn dat hij in deze situatie redelijkerwijze zijn rechten kan laten gelden als eiser of verweerder». Dit is dan kort na de feiten, d.w.z. vanaf juni 1997.

Subsidiair meent ze dat eiseres in 2005 geen verzekerde meer is, omdat ze vanaf 3 december 1998 niet meer inwoonde bij haar stiefvader; de verzekering zou alleen gelden «als de verzekerde op het ogenblik van het «schadegeval» tevens aanspraak kan maken op de waarborg burgerlijke aansprakelijkheid».

Ze meent dat eiseres reeds in 1997 objectief bijstand kon gebruiken en klacht had kunnen indienen met een vergoedingseis. Ze herneemt dat de verjaring bereikt kon worden door het stilzitten van eiseres; ze voert aan dat de verjaring in 2005 bereikt was wegens het alsdan te laat ontvangen verzoek tot tussenkomst.

Eiseres voert aan dat de dader na een uitvoerig onderzoek in 2005 wegens zedenfeiten werd verwezen en dat ze na het bericht van het parket het voordeel van de polis inriep. Ze stelt dat ze als minderjarige door de feiten van 1997 schade leed en over een eis tot schadevergoeding beschikt. Ze meent het statuut van verzekerde te hebben.

Ze meent dat het risico in rechtsbijstand zich realiseerde op 13 april 2005 d.w.z. op het ogenblik van het bericht van burgerlijke partijstelling, nl. «wanneer die verzekerde in een situatie verkeert waarin deze objectief behoefte heeft aan rechtsbijstand».

Ze argumenteert dat onduidelijkheden in de wet en het contract ten gunste van de verzekerde gelden en zeker inzoverre de beginselen inzake risico-schadegeval-verjaring onduidelijk of onvolledig omschreven werden. Ze meent dat premies voldaan werden om als nodig bijstand te kunnen genieten.

Onder afwijzing van het standpunt van eiseres meent ze dat er niet voorbijgegaan kan worden aan haar eerdere minderjarigheid, aan een mogelijk onbegrip inzake het feitelijke en aan de concrete omstandigheden van het gebeurde; dat ze noodzakelijk het strafonderzoek diende af te wachten; dat ze niet eerder een burgerlijke vordering kon stellen; dat er voorheen geen echte behoefte aan bijstand was; dat de verjaring pas inging op het ogenblik van de weigering in 2005; dat een eventueel te late aangifte geen gevolg kan hebben bij gebrek aan nadeel.

C. Bespreking

1. De discussie heeft twee aspecten: het tijdstip waarop het «risico» zich voordoet en de vraag of eiseres op dat ogenblik als verzekerde kan worden beschouwd.

2. Een verzekering rechtsbijstand is naast de zaak- en aansprakelijkheidsverzekering een bijzondere schadeverzekering (M. Fontaine, Verzekeringsrecht, Brussel, Larcier, 1999, nr. 674).

Het risico is een wezenlijk bestanddeel. De omschrijving van het risico en de bepaling van het ogenblik waarop dit zich in de rechtsbijstandsverzekering realiseert is van wezenlijk belang (P. Colle, «Rechtsbijstandsverzekering: enkele juridische knelpunten», in Verzekeringen en gerechtelijke procedures, Vlaams Pleitgenootschap Balie Brussel, Kalmthout, Biblo, 1996, nr. 2) en aansluitend daarop is dit ogenblik bepalend voor de verjaring (L. Schuermans, Grondslagen van het Belgisch verzekeringsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2005, nr. 469; P. Colle, Algemene beginselen van het Belgisch verzekeringsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2002, nr. 139).

3. Art. 90 Wet Landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat de verzekeraar rechtsbijstand zich ertoe verbindt diensten te verrichten en kosten op zich te nemen teneinde de verzekerde in staat te stellen rechten te doen gelden, als eiser of als verweerder.

Het risico, als onzekere en toevallige gebeurtenis, doet zich dan ook voor op het ogenblik dat één van de partijen (eiser/verweerder) zijn standpunt kenbaar maakt, d.w.z. zijn aanspraken, in of buiten rechte, ten laste van de andere partij laat gelden (P. Colle, o.c., nr. 4; P. Colle, Handboek bijzonder gereglementeerde verzekeringscontracten, Antwerpen, Intersentia, 2005, nrs. 429 e.v.).

Het ogenblik waarop de verzekerde beslist, inzonderheid als eiser, om zijn rechten te doen gelden, vormt het voorval dat het verzekerde risico in vervulling doet gaan (Kh. Brussel 31 augustus 1995, De Verz. 1996, 472; Rb. Luik 18 december 2000, J.L.M.B. 2001, 1129, met noot C. Paris). Het is het aanvangspunt van de verjaring (M. Fontaine, o.c., nr. 409). Dit heeft geen potestatief karakter, omdat dit op zichzelf een toevallig en onzeker element omvat (L. Schuermans, o.c., nr. 469).

4. De bovenstaande benadering wordt aldus aangevuld dat het risico in de rechtsbijstandsverzekering ontstaat op het ogenblik dat de verzekerde behoefte aan rechtsbijstand heeft, m.a.w. wanneer de verzekerde in een situatie verkeert waarbij deze objectief behoefte heeft aan rechtsbijstand om een (vermogens)schade te voorkomen (M. Fontaine, R.G.A.R. 1983, nr. 10.649).

5. Een afwijkende stelling houdt in dat het risico zich voordoet op het ogenblik dat de verzekerde zich in een feitelijke litigieuze situatie bevindt en een normaal en redelijk mens zich ervan bewust zou zijn dat hij in deze situatie redelijkerwijze zijn rechten kan laten gelden (P. Meesen, «Risico in rechtsbijstand», De Verz. 1996, 475). Dit is dan rond het tijdstip dat het schadebeeld ontstond. De verjaring dient in deze opvatting vanaf de tijd van dit gebeuren te worden gerekend.

Deze benadering wordt niet aanvaard, omdat de beslissing van de verzekerde inzake het tijdstip waarop deze een beroep doet op de polis niet als potestatief kan worden beschouwd (P. Colle, o.c., nrs. 8 e.v.; L. Schuermans, o.c., p. 313, in fine), onverminderd het gegeven dat deze benadering kennelijk eerder in relatie staat tot de duiding in de tijd van het te verzekeren risico door de verzekerde.

6. In de onderhavige concrete situatie meent de verzekeraar aldus ten onrechte dat de verjaring dient te worden gerekend vanaf 1997 of vanaf «de litigieuze situatie».

Indien men deze benadering toch zou volgen, is het duidelijk dat het van 2005 daterend verzoek alleszins verjaard is.

7. Eiseres rekent vanaf 2005, datum van de «gestelde objectieve behoeften».

Maar toch meent ze dat ze zich, ondanks haar visie inzake het risico, toch nog kan richten tot verweerster als verzekeraar op het ogenblik van de feiten van 1997, dit in het raam van het gegeven dat eiseres in 2005 geen inwonende meer was bij de initieel hoofdverzekerde en zelf kennelijk niet over een eigen verzekering rechtsbijstand beschikte.

Blijkens het voorliggend contract onderschreef de verzekeringnemer het risico «H. Woning, H. burgerlijke aansprakelijkheid familiale en H. rechtsbijstand familiale» (afdeling A, beperkte bijstand).

Art. 2.B bepaalt dat de verzekering rechtsbijstand alleen geldt als de verzekerde «op het ogenblik van het schadegeval» aanspraak kan maken op de waarborg burgerlijke aansprakelijkheid.

Eiseres betwist niet dat ze zich enkel als verzekerde wenst te doen beschouwen op basis van haar initiële hoedanigheid van inwonende bij de verzekeringnemer in 1997. Aldus herleidt de discussie zich opnieuw tot de vraag wanneer «het schadegeval» zich voordeed, nl. in 1997 of 2005?

Ter zake dient te worden hernomen dat in rechtsbijstand, en aansluitend op de eigen redenering van eiseres, er blijvend een onderscheid dient te worden gemaakt tussen enerzijds «de feiten die zich in 1997 voordoen» en die niet bepalend zijn voor de «verwezenlijking van het risico in rechtsbijstand» noch het risico in rechtsbijstand uitmaken, en anderzijds «de beslissing om rechtsbijstand te vragen in 2005», die wél «de risicovervulling» omvat.

De «feiten van 1997» en de «beslissing van 2005» zijn in het raam van de risicovervulling twee onderscheiden en van elkaar losstaande elementen. Het «voorval» dat in rechtsbijstand het verzekerde risico in vervulling doet gaan is immers niet het feit van 1997, maar wél de beslissing van 2005. Pas op het beslissingsmoment en enkel door de beslissing bijstand te vragen doet het risico van de verzekering rechtsbijstand als autonoom gegeven zich voor. Het feit van 1997 staat daar los van (P. Colle, o.c., Verzekeringen en gerechtelijke procedures, nr. 2; L. Schuermans, o.c., nr. 469; P. Colle, Bijzonder gereglementeerde verzekeringscontracten, nr. 429).

Eiseres moet dus bewijzen dat verweerster in 2005 nog steeds haar verzekeraar was. Dat bewijs ontbreekt.

8. Uit de in hun onderlinge samenhang gelezen brieven van verweerster van 31 mei 2005 en 21 juni 2005 blijkt dat deze laatste duidelijk en terecht op het voorgaande verschil heeft gewezen.

Uiteraard kan dit een probleem inzake de omvang van het verzekerde risico en de situering van de onderliggende feiten in de tijd doen ontstaan, inzonderheid wanneer een verzekeringnemer een polis rechtsbijstand onderschrijft en daarop een beroep wenst te doen in relatie tot feiten die zich vooraf hebben voorgedaan. Dit is een probleem van risico-omschrijving en anterioriteit (cf. P. Meesen, o.c., De Verz. 1996, 475).

9. De andere door eiseres aangevoerde middelen zijn niet relevant. Ze vormen geen basis om, in afwijking van haar eigen stelling, en aldus bij afwezigheid van verzekeraar, verweerster tot verzekering te verplichten.
 

Nog dit: 

• Cassatie 14/09/2010, RW 2012-2013, 943

AR nr. P.10.0367.N

J.G.M.J. t/ NV F.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 20 januari 2010.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Tweede middel

4. Het middel voert schending aan van art. 34 Wet Landsverzekeringsovereenkomst: het arrest oordeelt ten onrechte dat de vordering van de verweerster niet is verjaard; de vordering vloeit immers voort uit de verzekeringsovereenkomst.

5. Art. 34 Wet Landsverzekeringsovereenkomst bepaalt dat de verjaringstermijn voor elke rechtsvordering voortvloeiend uit een verzekeringsovereenkomst drie jaar bedraagt.

6. Krachtens art. 26 Voorafgaande Titel Sv. verjaart de burgerlijke rechtsvordering uit een misdrijf door verloop van vijf jaar te rekenen van de dag waarop het misdrijf is gepleegd, zonder echter te kunnen verjaren vóór de strafvordering.

Deze bepaling is van toepassing op elke vordering die strekt tot een veroordeling die gegrond is op feiten die een misdrijf uitmaken, zelfs al stemt de gevorderde zaak overeen met de uitvoering van een contractuele verbintenis.

7. Uit het arrest en uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat de verweerster de verzekeraar arbeidsongevallen en burgerlijke aansprakelijkheid is van de failliete vennootschap BVBA A. en dat de burgerlijke rechtsvordering de vergoeding beoogt van de schade die bestaat uit het verlies van premies die de voormelde vennootschap verschuldigd was en die de verweerster wegens de door de eiser gepleegde misdrijven niet kon innen. Aldus vloeit de burgerlijke rechtsvordering niet voort uit de verzekeringsovereenkomst, maar heeft zij tot voorwerp de vergoeding van de schade die veroorzaakt is door de als misdrijf aangemerkte feiten en berust ze op die feiten.

Hieruit volgt dat de verjaringstermijn hier niet bepaald wordt door artikel 34 Wet Landsverzekeringsovereenkomst. Het arrest dat aldus oordeelt, is naar recht verantwoord.

Het middel kan niet aangenomen worden.
 


Stuiting van verjaring

Cassatie 26 april 2012, RW 2013-2014, 304

Zaak C.10.0535.N

Eerste middel

...

9. Krachtens art. 34, § 2, eerste lid Wet Landverzekeringsovereenkomst verjaart, onder voorbehoud van bijzondere wettelijke bepalingen, de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens art. 86 door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf het schadeverwekkende feit of, indien er een misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd.

Krachtens art. 35, § 3bis Wet Landverzekeringsovereenkomst, ingevoegd bij de wet van 22 augustus 2002 en in werking getreden op 19 januari 2003, heeft stuiting of schorsing van de verjaring van de rechtsvordering van de benadeelde tegen een verzekerde stuiting of schorsing van de verjaring van zijn rechtsvordering tegen de verzekeraar tot gevolg.

10. Krachtens het in art. 2 BW neergelegde algemeen rechtsbeginsel dat de wetten geen terugwerkende kracht hebben, is een nieuwe wet in de regel van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan en op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.

Overeenkomstig dat beginsel is de wet van 22 augustus 2002 die een grond van stuiting of schorsing van de verjaring van de rechtsvordering van de benadeelde tegen de verzekeraar bepaalt die niet voorkomt in de wet die van toepassing is op het ogenblik van het ontstaan van de vordering, vanaf haar inwerkingtreding per 19 januari 2003 van toepassing op die verjaring, voor zover bedoelde rechtsvordering alsdan nog niet verjaard is krachtens de oude wet.

11. De appelrechters die oordelen dat de rechtsvordering van de eerste, de tweede, de derde en de vierde verweersters tegen de verzekeraar nog niet verjaard was omdat de rechtsvordering van dezelfde partijen tegen de verzekerde nog gestuit was op 19 januari 2003, datum waarop art. 35, § 3bis Wet Landverzekeringsovereenkomst in werking trad, zonder na te gaan of, zoals aangevoerd, de vordering van de benadeelde tegen de verzekeraar alsdan nog niet verjaard was overeenkomstig art. 34, § 2, eerste lid van dezelfde wet, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

• Hof van Cassatie, 3e Kamer – 18 juni 2012, RW 2014-2015, 140

AR nr. C.11.0399.F

NV A.S.A. t/ NV A.I.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Luik van 18 oktober 2010.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

Art. 35, § 4 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat de verjaring van de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft, gestuit wordt zodra de verzekeraar kennis krijgt van de wil van de benadeelde om een vergoeding te verkrijgen voor de door hem geleden schade en dat de stuiting eindigt op het ogenblik dat de verzekeraar aan de benadeelde schriftelijk kennis geeft van zijn beslissing om te vergoeden of van zijn weigering.

Het arrest, dat vermeldt dat “de partijen het erover eens zijn dat [de eiseres], in haar brief van 4 april 2001, “op ondubbelzinnige wijze” heeft ingestemd met het principe van de dekking en de terugbetaling”, beslist vervolgens dat “zij in die brief evenwel wees op twee problemen: onderverzekering van het huurdersrisico en het gebrek aan overeenstemming tussen het risico en de aangifte ervan bij het sluiten van de overeenkomst, zodat zij [de brief] als volgt beëindigde: “gelet op deze situatie, dienen wij dan ook een evenredigheidsregel toe te passen naar het bedrag van de premie in verhouding tot het risico; wij kunnen het bedrag dat wij u mogen terugbetalen pas nauwkeurig bepalen nadat al die berekeningen zijn verricht; wij komen zo snel mogelijk terug op deze zaak” en dat de eiseres “dus niet duidelijk kon zeggen wanneer zij zou betalen en welk bedrag uitbetaald zou worden, en [dat] zij geen einde maakte aan de betrekkingen tussen de partijen, aangezien zij erop wees dat zij “zo snel mogelijk op deze zaak” zou terugkomen””.

Het arrest heeft om die feitelijke redenen naar recht kunnen beslissen dat “in die omstandigheden [...], het feit dat [de eiseres] in beginsel heeft ingestemd met het principe van het verhaal, niet voldoende was om op grond daarvan te kunnen besluiten dat zij kennisgegeven had van “haar beslissing om te vergoeden” en dat, bijgevolg, de brief van 4 april 2001 geen einde heeft gemaakt aan de stuiting van de verjaring.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

...

Nuttige tips: 

Burgerlijke Rechtbank te Antwerpen, 6eB Kamer – 19 december 2011, RW 2012-2013, 1355

A.S. t/ NV G.B. en P.S.

...

1. Rechtsgronden

A.S. spreekt P.S. en G.B. aan op grond van art. 10.1.1o en 16.3 Wegverkeersreglement, art. 1382 BW en art. 86 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst.

2. De ingeroepen verjaring

Ten aanzien van de vordering van A.S. tegen P.S. is de verjaringstermijn bepaald in art. 2262bis, § 1, tweede lid BW van toepassing. Deze wetsbepaling schrijft een verjaringstermijn van vijf jaar voor, ingaand de dag na de kennisname van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

Ten aanzien van de vordering tegen G.B. geldt art. 34, § 2 Wet Landverzekeringsovereenkomst. Deze wetsbepaling voorziet in een verjaringstermijn van vijf jaar vanaf de kennisname van de schade, van de identiteit van de aansprakelijke en van die van zijn verzekeraar, met een maximum tot tien jaar (...).

P.S. en G.B. wijzen erop dat de dagvaarding werd uitgebracht meer dan zes jaar na de feiten. Zij voeren aan dat het feit dat A.S. pas in september 2009 kennis heeft gekregen van het strafdossier, niet tot gevolg mag hebben dat de verjaringstermijn wordt verlengd, daar dit enkel mogelijk zou zijn indien eerdere kennisname onmogelijk blijkt, en dit onafhankelijk van de wil van het slachtoffer.

Deze stelling kan niet worden aanvaard.

Inzake de vordering tegen de verzekeraar G.B. voldoet de benadeelde aan de bewijslast die hem wordt opgelegd door art. 34, § 2 Wet Landverzekeringsovereenkomst, wanneer hij bewijst dat hij pas op een later tijdstip dan vijf jaar na de dag waarop het feit is gepleegd, kennis heeft genomen van de identiteit van de verzekeraar.

Met de eerste rechter is de rechtbank van oordeel dat het vereisen dat het feit dat de kennisname dateert van meer dan vijf jaar na het schadegeval, onafhankelijk dient te zijn van de wil van de benadeelde, zou neerkomen op het toevoegen van een vereiste dat de wet niet bevat.

Dezelfde bemerking geldt voor de vordering tegen P.S., zelfs a fortiori in het licht van de parlementaire voorbereiding van de Verjaringswet. In het oorspronkelijke wetsontwerp was er immers voor geopteerd om de vijfjarige verjaringstermijn te doen ingaan vanaf de dag volgend op deze waarop de benadeelde kennis heeft gekregen of redelijkerwijze kennis had moeten nemen van de schade of van de verergering ervan en van de daarvoor aansprakelijke persoon. De passage “of redelijkerwijze kennis had moeten nemen” werd evenwel geschrapt in de uiteindelijke tekst, met als motivering dat de veronderstelling van de kennis van het slachtoffer niet mocht leiden tot het ingaan van de verjaringstermijn (zie de bespreking door I. Claeys in Verjaring in het privaatrecht – Weet de morgen wat de avond brengt?, Wolters, Kluwer, 2005, p. 73). Wel kan de kennis, die een geobjectiveerde en normatieve betekenis heeft (zie de verklaring dienaangaande van de minister van Justitie, Parl.St. Kamer 1997-98, nr. 1087/7 en 9), door de rechter worden afgeleid uit de omstandigheden van het concrete geval.

Te dezen kan echter uit geen element met rechtens vereiste zekerheid worden afgeleid dat A.S. meer dan vijf jaar vór 24 september 2009 kennis heeft gehad van de identiteit van P.S.

A.S. bewijst dat zijn raadsman vanaf februari 2009 zijn verzekeringsmakelaar herhaaldelijk, maar kennelijk tevergeefs, aanschreef aangaande het kwestieuze schadegeval en dat het strafdossier pas op 24 september 2009 aan deze raadsman werd afgeleverd.

A.S., van wie geen negatief bewijs mag worden verwacht, maakt aldus aannemelijk dat hij aangaande de identiteit van de mogelijk aansprakelijke zowel als diens verzekeraar niet eerder kennis kreeg dan op 24 september 2009.

De exceptie van verjaring werd dus terecht door de eerste rechter verworpen

 

Commentaar: 

Betreffende het aanvangspunt van de verjaring van buitencontractuele aansprakelijkheidsvorderingen bedoeld in art. 2262 bis , § 1, tweede lid BW, zie: Cass. 26 april 2012, RW 2012-13, 944, noot G. Velghe.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:13
Laatst aangepast op: za, 24/12/2016 - 10:03

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.