-A +A

verzet tegen beslag op onbeslagbare goederen art. 1408§3 Gerechtelijk wetboek

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
De gerechtsdeurwaarder legt beslag op onbeslagbare
goederen...wat nu?
onbeslagbare goederen

 

Een gerechtsdeurwaarder mag niet op alle goederen beslag leggen. Sommige goederen zijn onbeslagbaar. Bovendien dient de gerechtsdeurwaarder alle in beslag genomen goederen duidelijk te omschrijven. Hij kan bv. geen beslag leggen door de omschrijving: “beslag op alle gebruiks- en siervoorwerpen. Dit zou uw rechten schaden.

Indien u hiermee geconfronteerd wordt kan u aan de gerechtsdeurwaarder uw opmerkingen formuleren die hij in zijn proces-verbaal dient te acteren en waarna hij de discussie dient voor te leggen aan de beslagrechter. In praktijk is dit voor u als beslagene niet zo eenvoudig. Daarom heeft de wetgever u een termijn van 5 kalenderdagen gelaten om uw opmerkingen schriftelijk over te maken aan de gerechtsdeurwaarder.

U raadpleegt hiertoe best onmiddellijk na de beslaglegging uw advocaat en vraagt een afspraak bij hoogdringendheid. Wijs er in uw telefonische melding op dat u onmiddellijk een afsprak nodig hebt, omdat de termijn van verhaal slechts 5 dagen is.

Uw advocaat zal dan een protestschrijven opstellen conform de bepalingen van art. 1408§3 van het gerechtelijk wetboek. Dit kan zelfs per gewone brief, doch gebeurt best aangetekend of per fax. De gerechtsdeurwaarder heeft hierna de keuze tussen 2 mogelijkheden. Ofwel heft hij vrijwillig het beslag op voor de goederen waartegen bezwaar; ofwel is hij verplicht het verzet neer te leggen op de rechtbank, waarna de beslagrechter u en de schuldeiser zal oproepen en op grond van de wettelijke bepalingen een oordeel zal vellen. Het kan zijn dat de gerechtsdeurwaarder weigert het rolrecht voor te schieten. Volgens bepaalde rechtspraak kan hij u inderdaad verplichten dit rolrecht voor te schieten. Uw advocaat zal u hierover verder informeren.

Wanneer de zaak voor de beslagrechter voorkomt zal de rechtbank oordelen over de door u of uw advocaat geformuleerde bezwaren.

 

 

Rechtspraak:

• Beslagr. Brussel 10 november 1998, A.J.T. 1998-99, 750; , R.W. 1998-99, 1395

De slotenmaker die tussenkomt bij het openen van de deuren kan als getuige zoals voorzien in art. 1501 Ger.W. optreden.
De wet voorziet geen nietigheidssanctie voor het niet vermelden van de volledige identiteit van een getuige.
De vermelding 'een lot siervoorwerpen' in het proces verbaal van beslaglegging is echter onvoldoende om de rechten van verdediging of van derden te vrijwaren.

• Brussel 1 december 1988, J.L.M.B. 1989, 151; , Journ. proc. 1988, afl. 140, 30; , R.R.D. 1991, 167.

Aangezien een chequeboekje en medische produkten niet in geld kunnen gerealiseerd worden, zijn deze persoonlijke voorwerpen onbeslagbaar.

• Beslagr. Gent 7 december 2004, T.G.R. - T.W.V.R. 2005, afl. 1, 46.

Een CD-speler, DVD, video en televisie blijven voor beslag vatbaar. De omstandigheid dat deze zaken ongetwijfeld mede bestemd zijn om door de zeven inwonende kinderen te worden gebruikt, neemt niet weg dat deze goederen niet volstrekt noodzakelijk zijn om de beslagene en zijn gezin een menswaardig bestaan te waarborgen en evenmin vereist zijn om de kinderen een menswaardige opvoeding te geven.
 

• Beslagr. Hasselt 26 februari 2002, T. Not. 2002, afl. 10, 640.

Bezwaren tegen een roerend beslag moeten op straffe van verval aan de gerechtsdeurwaarder worden medegedeeld, hetzij op het tijdstip van het beslag, hetzij uiterlijk binnen vijf dagen na de betekening van de eerste akte van beslag (art. 1408, par. 3, lid 1 Ger.W.). De beslagene kan dus buiten die termijn niet meer beweren dat de in beslag genomen goederen niet voor beslag vatbaar waren.

• Beslagr. Antwerpen 22 januari 1998, R.W. 1998-99, 22

Art. 1408, par. 1 Ger.W. geeft een precieze opsomming van de goederen die niet in beslag kunnen genomen worden. Deze bepaling moet beperkend worden uitgelegd.
De procedure van art. 1408, par. 3 Ger.W. is uitsluitend bedoeld om betwistingen over de beslagbaarheid van goederen te beslechten. Vorderingen die strekken tot de veroordeling tot schadevergoeding wegens misbruik van beslagrecht vallen daar niet onder.

• Beslagr. Charleroi 4 november 1997, J.T. 1998, 498.

Een betwisting in verband met de mogelijkheid om een goed in beslag te nemen, kan op geldige wijze per fax ter kennis worden gebracht van de gerechtsdeurwaarder.

Wanneer art. 1408, par. 1 Ger. W. rekening houdt met de samenstelling van het gezin, wordt, bij ontstentenis van het voorleggen van een getuigschrift aangaande de samenstelling van het gezin, het samenwonen onder hetzelfde dak van andere personen dan de beslagen schuldenaars niet bevestigd.
Indien de beslagene niet aantoont dat het TV-toestel inderdaad is bestemd om door een kind (en niet door een kleinkind) te worden gebruikt, dat niet alleen onder hetzelfde dak woont, doch bovendien te zijnen laste is, kan dat TV-toestel niet aan het uitvoerend beslag op roerende goederen ontkomen.

De mogelijkheid om een goed in beslag te nemen wordt beoordeeld op het ogenblik van de inbeslagneming ervan, zodat de beslagene niet kan voorwenden dat hij de bescherming van beroepsmateriaal opeist, terwijl zijn bedrijvigheid is gestaakt, al is hij dan voornemens die te hervatten.

• Beslagr. Brussel 5 december 1996, Bull. Bel. 1999, 1576.

Art. 1408 Ger.W. beoogt alleen maar de beslagen die ten laste van een natuurlijke persoon worden gelegd.
In het Gerechtelijk Wetboek is geen enkele bepaling opgenomen dat sommige goederen in bezit van een rechtspersoon onvatbaar voor beslag zouden zijn.

• Beslagr. Luik 20 november 1995, Act. dr. 1996, 229.

Uit de voorbereidende werken volgt dat art. 1408, par.1, 3° Ger.W. dat het gereedschap beschermt dat onontbeerlijk is voor de uitoefening van het beroep, enkel natuurlijke personen beoogt te beschermen met uitsluiting van handelsvennootschappen.
De tekst beoogt de goederen die onmisbaar zijn voor het beroep van de beslagene; een rechtspersoon oefent geen beroep uit, hij kan enkel een maatschappelijk doel hebben.

• Beslagr. Bergen 10 februari 1995, Act. dr. 1996, 202.

Er kan geen beroep worden gedaan op art. 1408, par. 2 Ger.W. om een vordering tot revindicatie in te stellen zoals voorzien door art. 1514 Ger. W.
Beroepsmateriaal is niet vatbaar voor beslag in de mate dat het onontbeerlijk is voor het beroep van de beslagene, en niet alleen maar nuttig.
Aangezien de beslagene zijn werkzaamheid thuis uitoefent en hij niet bewijst dat hij het grootste deel van zijn inkomsten haalt uit bezoeken die hij aan patiënten brengt, kan het voertuig niet als onmisbaar voor zijn beroep worden beschouwd.

De optredende deurwaarder is een gerechtelijk mandataris; hij heeft de verplichting zich te schikken naar het door art. 1408 Ger.W. voorgeschrevene wanneer hij het beslag legt; derhalve moeten bij ontstentenis van tegenbewijs door de beslagene, de beweringen van de beslagleggende partij, volgens welke de optredende gerechtsdeurwaarder geen beslag zou hebben gelegd op de goederen beschermd door art. 1408, par. 1, 1°, als juist worden aanzien.

• Beslagr. Namen 8 oktober 1993, Bull. Bel. 1996, 38.

Het bestaan van een schuldvordering, hoe klein het bedrag ervan ook is, rechtvaardigt een beslag. Er is slechts rechtsmisbruik als de beslaglegger voor een miniem bedrag uitvoert op goederen met een aanzienlijke waarde, terwijl hij zonder enig nadeel voor zichzelf andere goederen had kunnen in beslag nemen waarvan de waarde meer in verhouding staat tot het bedrag van de schuldvordering.

• Beslagr. Luik 28 juni 1993, J.L.M.B. 1993, 1280; , Pas. 1993, III, 30.

Uit de voorbereidende werken van de Wet 14 januari 1993 volgt dat de wetgever een eenvoudige, snelle en goedkope procedure heeft willen invoeren tot betwisting van de vatbaarheid voor beslag van in beslag genomen goederen (art. 1408, par. 3 Ger.W.). Het gevolg van deze bedoeling is dat alle vormvereisten werden afgeschaft. Dat is de reden waarom niet werd voorzien in een welbepaalde manier om de opmerkingen van de schuldenaar ter kennis te brengen van de gerechtsdeurwaarder. De schuldenaar moet enkel bewijzen dat de gerechtsdeurwaarder van die opmerkingen kennis heeft gehad binnen 5 dagen na het beslag. Zo kan worden rekening gehouden met een faxbericht dat aan de gerechtsdeurwaarder was gericht. Op het niet naleven van de bij art. 1408, par. 3, lid 2, bepaalde termijn van 15 dagen staat geen enkele straf.
De waarde van de goederen wordt op het tijdstip van het beslag beoordeeld naargelang van hun waarde bij een openbare verkoop (impl.). Wanneer de waarde van alle in beslag genomen voorwerpen op het tijdstip van het beslag niet meer kan bedragen dan 100.000 F, beroept de beslagene zich terecht op de bescherming geboden door het nieuwe art. 1408, par. 1, 3° Ger.W. ("mag ook geen beslag worden gelegd ... op de goederen die de beslagene volstrekt nodig heeft voor zijn beroep, tot een waarde van honderdduizend frank, op het tijdstip van het beslag en naar keuze van de beslagene, behalve voor de betaling van de prijs van die goederen").

• Beslagr. Luik 30 juni 1987, J.L. 1988, 541.

Een beslag op goederen die deel uitmaken van het gemeenschappelijk vermogen kan niet ten uitvoer worden gelegd tenzij het aan beide echtgenoten werd betekend.

• Beslagr. Verviers 10 januari 1986, J.L. 1986, 157.

De beoordeling van de door art. 1408, 2 Ger. W. (onbeslagbaarheid beroepsinstrumentarium ten belope van 10.000 F.) voorziene waarde van de inbeslaggenomen goederen gebeurt in realisatiewaarde, niet in vervangingswaarde.

• Beslagr. Hoei 7 mei 1984, J.L. 1984, 365; , J.T. 1985 (verkort), 146.

Beslag op de meubelen van een gefailleerde is niet toegelaten.

• Rb. Turnhout 22 oktober 1998, R.W. 1998-99, 1257

Met toepassing van art. 1408, par. 1, 1° Ger.W. zijn niet vatbaar voor beslag voorwerpen noodzakelijk voor de mindervalide gezinsleden. Gelet op de geschetste feitelijke gegevens dient de auto waarop beslag werd gelegd, beschouwd te worden als onontbeerlijk voor een mindervalide gezinslid, zodat het beslag dient te worden opgeheven.
















 

BESLAGRECHTER - RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE 18 DECEMBER 2007, A.R. 07/3373/A.

T/C (kantoorref 6879.15)

…
De zaak werd bij de rechtbank ingeleid met toepassing van art. 1408, derde lid, Ger.W..
De partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 20 november 2007, waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de neergelegde stukken.

DE VORDERINGEN
De vordering van de eiser heeft tot voorwerp moeilijkheden inzake de toepassing van art. 1408 Ger.W. naar aanleiding van het uitvoerend roerend beslag dat werd gelegd op de inboedel van de woning te N. , op verzoek van de verweerster.

In de opmerkingen geformuleerd in de akte die de eiser ter griffie neerlegde op 8 oktober 2007, voert de eiser eveneens aan dat de goederen waarop beslag werd gelegd, niet aan hem toebehoren maar aan S.
.
In conclusie vraagt de eiser dat deze zaak samen wordt behandeld met de procedure die op verzoek van mevrouw S. zou worden ingesteld.
De verweerster stelt bij conclusie een tegenvordering in die strekt tot de veroordeling van de eiser tot een schadevergoeding van 2.000 EUR wegens procesrechtsmisbruik.

BEOORDELING
1. De verweerster voert de nietigheid van de akte van rechtsingang aan in zover door die akte een vordering tot terugvordering wordt ingesteld op grond dat een vermelding van de eigendomstitels ontbreekt (art. 1514 Ger.W.).
De eiser wijst erop dat hij zijn opmerkingen heeft geformuleerd overeenkomstig art. 1408 G_er.W. en dat S. een revindicatievordering met toepassing van art. 1514 Ger. W. zal instellen.

De rechtbank leidt hieruit af dat de eiser met de neergelegde akte niet beoogde een revindicatievordering aanhangig te maken. In zover de eiser dit wel beoogde, zou deze vordering in elk geval niet op rechtsgeldige wijze zijn ingesteld.

De vordering met toepassing van art. 1408 Ger.W. heeft een volstrekt ander voorwerp dan de eventuele revindicatievordering van een derde zodat de aangevoerde samenhang ontbreekt. De rechtbank gaat dan ook niet in op de vraag tot samenvoeging van deze zaak met de (revindicatie) procedure op verzoek van S., waarvan overigens niet blijkt dat deze vordering al werd ingesteld.

2. De verweerster voert voorts aan dat de opmerkingen van de eiser niet tijdig werden geformuleerd en niet op de wijze zoals bepaald in art. 1408, §3, Ger.W.

Het exploot van uitvoerend roerend beslag werd op maandag 1 oktober 2007 betekend. De eiser formuleerde zijn opmerkingen over de toepassing van art. 1408, §3, Ger.W. in een brief aan de beslagrechter, gedateerd maandag 8 oktober 2007 en dezelfde dag ter griffie neergelegd.

Art. 1408, §3, eerste lid, Ger.W. bepaalt echter dat de moeilijkheden inzake de toepassing van dat artikel worden beslecht op grond van het proces-verbaal van beslaglegging waarin de opmerkingen van de beslagene, op straffe van verval aan de gerechtsdeurwaarder mee te delen, hetzij op het tijdstip van het beslag, hetzij binnen de vijf dagen na de betekening van de eerste akte van beslag, worden aangetekend.

De eiser heeft zijn opmerkingen niet meegedeeld aan de gerechtsdeurwaarder uiterlijk binnen de vijf dagen na de betekening van de eerste akte van beslag.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat ook de opmerkingen die de eiser formuleerde in zijn brief gedateerd 8 oktober 2007 en diezelfde dag ter griffie neergelegd, buiten de termijn van vijf dagen werden geformuleerd. Het meedelen van de opmerkingen (aan de gerechtsdeurwaarder) is geen proceshandeling in de zin van art. 48 Ger.W. zodat art. 53 Ger.W. niet van toepassing is. Ook wanneer de termijn eindigt op een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag, wordt de vervaldag bijgevolg niet op de eerstvolgende werkdag verplaatst .

Na het verstrijken van de vervaltermijn is de vordering van de beslagene niet toelaatbaar (zie E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in A.P.R., Antwerpen, Kluwer, 2001, nr. 157, p. 109).

3. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zij binnen het kader van de procedure krachtens art. 1408, §3, Ger.W. alleen kennis zou kunnen nemen van grieven in verband met de beslagbaarheid van goederen.

4. De omstandigheid dat de eiser zijn opmerkingen over de in beslag genomen goederen niet op toelaatbare wijze heeft geformuleerd, doet op zichzelf niet van procesrechtsmisbruik blijken. De tegenvordering is bijgevolg niet gegrond.
 
OP DIE GRONDEN,
DE RECHTBANK,

recht doende op tegenspraak,
Met inachtneming vaarde artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Wijst de vordering van de eiser af als niet toelaatbaar.
Wijst de tegenvordering van de verweerster af als ongegrond.
Veroordeelt de eiser tot de kosten van het geding. Begroot die kosten als volgt:
aan de zijde van de eiser:
- rolrecht: 82,00 EUR
rechtsplegingsvergoeding: 247,89 EUR aan de zijde van de verweerster:
rechtsplegingsvergoeding: 247,89 EUR
Aldus gewezen en uitgesproken op 18 december 2007 in de openbare terechtzitting van de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Gent
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:14
Laatst aangepast op: vr, 22/01/2010 - 17:53

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.