-A +A

Verzet tegen een verstekvonnis ingesteld voor een onbevoegde rechter

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Wanneer het verzet werd ingeleid voor een andere rechter dan diegene die het verstekvonnis heeft gewezen, heeft dit slechts de onbevoegdheid van de rechter tot gevolg en geeft geen aanleiding tot onontvankelijkheid. De zaak zal dan vderwezen worden naar de bevoegde rechter.

 

Toepassing:

Rechtbank van Koophandel te Dendermonde, 2e Kamer – 30 september 2010, R.W. 2011-2012, 665

 

Faillissement I.G. t/ BVBA A.V.

...

4.2. De vraag rijst welke de rechtsgevolgen (en eventuele processuele sancties) zijn van het inleiden van een verzet voor een andere rechter dan diegene die het verstekvonnis heeft gewezen.

4.3. Van «nietigheid» kan geen sprake zijn. Nietigheid bestaat enkel als de wet in deze sanctie voorziet krachtens art. 860, eerste lid, Ger.W.: «pas de nullité, sans texte».

Art. 1047 Ger.W. voorziet enkel de nietigheid ingeval de verzetsakte niet gemotiveerd is (dit is indien de akte van verzet de middelen van de eiser in verzet niet bevat).

Art. 862, § 1, 4o, Ger.W., waarnaar verwezen wordt, is evenmin relevant: uit cassatierechtspraak (Cass. 4 april 1986, RW 1986-87, 2052) kan worden afgeleid dat een onnauwkeurigheid of zelfs een vergissing inzake de aanwijzing van de rechter niet ter zake dienend is. De wet legt enkel een sanctie op indien het gerecht – waarbij de zaak aanhangig is gemaakt – hoegenaamd niet opgegeven wordt in de procesakte, m.a.w. indien men nagelaten heeft de geadieerde rechter te vermelden (zie o.a.: A. Fetweiss, Manuel de procédure civile, 2e uitgave, p. 134, nr. 145).

Aangenomen dat art. 702, 4o, Ger.W. letterlijk zou worden toegepast (waarin wél de nietigheid is bepaald) dient te worden aangenomen dat het normdoel alleszins bereikt werd: verweerster op verzet was aanwezig op de inleidende zitting (en de pleitzitting) en kan haar argumenten en recht (van verdediging) nog steeds laten gelden wat de grond van de zaak betreft. De finaliteit van de norm waartegen eiser q.q. heeft gezondigd is immers niets anders dan de eerbiediging van het recht van verdediging en van het recht op tegenspraak van de gedaagde partij, die in staat moet zijn te verschijnen voor het rechtscollege waarvoor zij gedaagd is, zodat een evenwichtig en contradictoir debat kan worden gerealiseerd. Dit recht is in casu geenszins in het gedrang gebracht.

4.4. Betreft het voorschrift van art. 1047 Ger.W. dan een ontvankelijkheids- of toelaatbaarheidsvereiste, zoals verweerster op verzet subsidiair betoogt in haar conclusies?

Het antwoord op deze vraag luidt naar het oordeel van de rechtbank ontkennend. De voor het rechtsmiddel van verzet specifieke toelaatbaarheidsvoorwaarden staan opgesomd in art. 1048 en 1049 Ger.W. (verzet binnen de maand na betekening of kennisgeving van het verstekvonnis; geen verzet indien eiser in verzet een tweede maal verstek liet gaan).

Eiser q.q. voldoet voorts (prima facie) aan de overige ontvankelijkheids- en toelaatbaarheidsvoorwaarden (belang, hoedanigheid, bekwaamheid, ...), hoewel de rechtbank zich hierover, sensu stricto, zelfs niet kan uitspreken indien zij zich onbevoegd verklaart.

4.5. Dit maakt dat de bewuste bepaling van art. 1047 Ger.W. («de rechter die het verstekvonnis heeft gewezen») moet worden gekwalificeerd als zijnde een bevoegdheidsvoorschrift.

Wanneer een rechter bij verstek uitspraak doet, moet het verzet verplicht aan hem worden voorgelegd: deze rechter is bij uitsluiting bevoegd om kennis te nemen van dit rechtsmiddel, waardoor het oorspronkelijke geschil herleeft. Er is dus sprake van een exclusieve bevoegdheid die door de wet is voorgeschreven.

De schaarse rechtspraak en rechtsleer die ter zake deze specifieke problematiek bestaat, oordeelt op vergelijkbare wijze (A. Fettweis, A. Kohl en G. De Leval, Eléments de la compétence civile, Presses universitaires de Liège, 1983, p. 35-36, nr. 83; A. Le Paige, Rechtsmiddelen in Handboek Gerechtelijk Recht, Deel IV, Antwerpen, Standaard, 1973, p. 39, nr. 42 en noot 47; A. Fetweiss, Handboek gerechtelijk recht, II, 1971, p. 59, nr. 83bis; P. Taelman en B. Deconinck, «Art. 1047 Ger.W. – Art. 1049 Ger.W.», in Commentaar Gerechtelijk Recht; Kh. Gent 24 juni 2003, TGR 2003, 266).

Art. 8 Ger.W. bepaalt trouwens dat «bevoegdheid» de macht van de rechter is om kennis te nemen van een vordering die voor hem is gebracht. Verzet is weliswaar een rechtsmiddel, maar niettemin ook een vordering, zijnde die welke strekt tot intrekking of wijziging (vernietiging) van een verstekvonnis (vgl. art. 20-21 Ger.W.). Een (rechts)vordering omvat immers elke uitoefening van aanspraken in rechte: wie verzet aantekent, vordert in de regel een wijziging van een verstekvonnis en dus ook een wijziging in materieelrechtelijke aanspraken of verplichtingen.

Het begrip «bevoegdheid» als bedoeld in artikel 8 Ger.W. slaat zodoende op de rechtsmacht die de wetgever aan een bepaalde rechter concreet heeft toebedeeld. Een rechter is immers slechts bevoegd wanneer hem de macht werd verleend om daadwerkelijk kennis te nemen van de eis die voor hem is gebracht (zie art. 556 e.v. Ger.W.).

Dat art. 1047 Ger.W. niet opgenomen is onder de hoofdstukken inzake de bevoegdheid van het Gerechtelijk Wetboek, doet aan het bovenstaande geen afbreuk. Trouwens: zelfs buiten het Gerechtelijk Wetboek kunnen bv. in bijzondere wetten bevoegdheidsvoorschriften opgenomen zijn.

4.6. Eiser q.q. heeft tijdig en regelmatig de exceptie van onbevoegdheid ingeroepen.

Overigens betreft het een bevoegdheidsvoorschrift van openbare orde, eventueel zelfs ambtshalve toe te passen.

Onbevoegdheid noopt in beginsel (behoudens uitzonderingen, zoals bij kort geding) tot verzending naar de bevoegde rechter, zoals ook hier het geval is.

4.7. De rechtbank verwijst de zaak aldus naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde en niet naar een specifieke kamer, ook al is dit de rechter die het verstekvonnis heeft gewezen.

Het is aan de Voorzitter aldaar om de zaak toe te bedelen aan de kamer die hij nodig acht: het is immers alleen de Voorzitter die instaat voor de verdeling van de zaken (J. Laenens, «Overzicht van rechtspraak: de bevoegdheid», TPR 2002, p. 1579, 165).
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: vr, 25/11/2011 - 20:32
Laatst aangepast op: vr, 25/11/2011 - 20:32

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.