-A +A

Voorlopige bewindvoering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

 

Een voorlopige bewindvoerder kan aangesteld worden om het beheer van het inkomen en de goederen van een persoon geheel of ten dele waar te nemen, wanneer deze hiertoe niet meer zelf de nodige geestesvermogens heeft.

Indien u zelf geen lasthebber hebt aangesteld en niet meer in staat bent zelf uw eigen goederen te beheren, kan u zelf of kunnen derden de aanstelling van een dergelijke bewindvoerder vorderen.

Indien u een familielid of vriend wil beschermen tegen zichzelf of tegen andere inhalige familieleden kan u ook hiertoe het initiatief nemen.

 

wie kan onder voorlopige bewindvoering worden geplaatst:

Meerderjarige personen die wegens een blijvende of tijdelijke verzwakking van geestestoestand of lichaamstoestand niet meer in staat zijn om zelf hun goederen te beheren, kunnen onder voorlopige bewindvoering worden geplaatst.

Dit kan ondermeer het geval zijn bij wankele geestestoestand, vermindering van geheugen en concentratie, de ziekte van Alzheimer, dementie, bewustzijnsverlies, coma.

Deze procedure kan evenwel niet gebruikt worden om een louter ouder wordende persoon onder voogdij te stellen, b.v. uit vrees dat een nieuwe relatie of inwonende persoon een al te grote invloed zou hebben. Evenmin kan de procedure worden aangewend in geval van het verlies aan spraak, gehoor of zicht zonder dat de geestestoestand geschonden wordt.
 

wie kan het initiatief tot voorlopige bewindvoering nemen?

- de te beschermen persoon zelf
- familieleden
- vrienden of kennissen die een bescherming nastreven van de belangen van de te beschermen persoon
- de directeur of het personeel van het rustoord
- huwelijkspartner
- levenspartner
- huisdokter
- de procureur des konings
- iedere belanghebbende

welke rechter is bevoegd?

De vrederechter van de verblijfplaats van de te beschermen persoon.

hoe verloopt de procedure voorlopige bewindvoering?

De persoon die het initiatief wil nemen in deze procedure raadpleegt een geneesheer met verzoek de te beschermen persoon te onderzoeken met oog op het afleveren van een attest waaruit de gezondheidstoestand en vooral de geestestoestand blijkt voornamelijk inzake de mogelijkheden tot beheer van diens vermogen.

De geneesheer die dit attest opstelt mag geen dokter zijn die verbonden is aan de instelling alwaar de te beschermen persoon verblijft.  Wanneer de te onderzoeken persoon weigert zich door de geneesheer te laten onderzoeken die door de verzoeker wordt aanzocht, volstaat het dat de dokter vermeldt dat de patiënt weigert zich medisch te laten onderzoeken.  In dit geval zal de Vrederechter zelf een dokter aanstellen zonder dat hierbij dwang kan worden gebruikt. 

Het medisch attest dat niet ouder mag zijn dan 15 dagen wordt gevoegd bij een verzoekschrift dat dient te voldoen aan een reeks vereisten en dat daarom in de regel wordt opgesteld en ondertekend door een advocaat die instaat voor de neerlegging ter griffie.

Op grond van zijn innerlijke overtuiging zal de Vrederechter oordelen over de gevorderde maatregelen.  Hierbij zal hij alle dienstige inlichtingen inwinnen en zonodig iedereen horen die ter zake volgens de Vrederechter bijkomende gegevens kan verschaffen.

Eens het verzoek dus neergelegd zal de griffier de te beschermen persoon en diens huwelijkspartner oproepen bij gerechtsbrief.  De Vrederechter zal hen verhoren met gesloten deuren.  De persoon die het verzoek heeft neergelegd kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door zijn advocaat.  Ook de te beschermen persoon kan zich laten bijstaan door een advocaat.

Wanneer de Vrederechter meent dat rekening houdende met de gezondheidstoestand van de te beschermen persoon en diens vermogen de aanstelling van een voorlopige bewindvoerder zich opdringt, zal deze een voorlopige bewindvoerder aanstellen.  Zijn keuze zal hierbij uitgaan zo mogelijk naar de echtgenote, een familielid of een vertrouwenspersoon.  In geval van discussie wordt vaak een advocaat door de Vrederechter aangesteld.

Niemand is verplicht de opdracht van de Vrederechter te aanvaarden.  De door de Vrederechter aangestelde bewindvoerder kan dus zonder problemen de opdracht weigeren.  Gelet op de nieuwe wetgeving ter zake is het ook begrijpbaar dat heel wat gewone burgers een dergelijke opdracht weigeren en verkiezen dat een advocaat die vertrouwd is met de wetgeving dit mandaat uitoefent.

opdracht van de voorlopige bewindvoerder

De voorlopige bewindvoerder beheert de goederen van de beschermde persoon te beheren als een goed huisvader. Deze bevoegdheid wordt omschreven door de vrederechter die in functie van het vermogen en de gezondheidstoestand van de te beschermen persoon een deel van de bevoegdheden bij de te beschermen persoon kan laten. Om daden van beschikking te stellen (verkopen, lenen, nalatenschappen of legaten aanvaarden of verwerpen, afstand te doen van rechten, leningen aangaan, pachtovereenkomsten of handelshuurovereenkomsten af te sluiten...) dient de voorlopige bewindvoerder steeds de bijzondere machtiging te vragen aan de vrederechter.

De voorlopige bewindvoerder dient zich daadwerkelijk te bekommeren over het lot van de te beschermen persoon.  Dit vanzelfsprekend binnen de perken van de mogelijkheden.  De voorlopige bewindvoerder dient aldus de uitgaven te doen die op passende wijze de verzorging van de te beschermen persoon verzekeren.  De woning en de huisraad dienen zolang mogelijk ter beschikking te blijven van de te beschermen persoon.  Wanneer de woning van de te beschermen persoon dient verkocht te worden (b.v. bij een opname in een bejaardentehuis) zal de voorlopige bewindvoerder hiertoe de toestemming dienen te vragen aan de Vrederechter.

Bepaalde goederen zoals persoonlijke voorwerpen die geen patrimoniale waarde hebben mogen door de voorlopige bewindvoerder zelfs niet verkocht worden.


controle van de jaarlijkse bewindvoering en verslag

Elk jaar en bij het beëindigen van zijn mandaat moet de voorlopige bewindvoerder rekenschap geven van zijn beheer aan de vrederechter én aan de beschermde persoon, ten ware diens gezondheidstoestand dit niet toelaat.

kosten en erelonen

De vrederechter kan aan de voorlopige bewindvoerder, bij een gemotiveerde beslissing, een vergoeding toekennen, waarvan het bedrag niet hoger mag zijn dan 3% van de inkomsten van de beschermde persoon.

toepasselijke wetgeving

de wet van 18 juli 1991 (art 488bis van het burgerlijk wetboek).

Help, mijn inhalige nichtje beheert het geld van mijn demente oom op inhalige wijze

De voorlopige bewindvoering wordt vaak aangewend in procedures waarbij een bepaald familielid bevreesd is dat een ander familielid die een volmacht of een mandaat heeft over een oudere persoon met diens centen gaat lopen. Evenzeer wordt de procedure aangewend wanneer familie vreest dat een oudere persoon met onvoldoende verstand omgaat met zijn vermogen.

De Vrederechter gaat omzichtig om met dit soort vorderingen en er zich van bewust dat de inhaligheid wel eens zou kunnen bestaan in hoofde van de persoon die de vordering instelt. De procedure kan namelijk nooit worden ingesteld om financiële belangen veilig te stellen van anderen dan de te beschermen persoon zelf. Vaak worden de vorderingen dan ook afgewezen wanneer de vrederechter oordeelt dan de te beschermen persoon nog over voldoende geestesvermogens beschikt. Een beetje trager worden, niet meer "alles" begrijpen, het soms moeilijk hebben en de kwaaltjes van de oude dag zijn niet voldoende om iemand onder voorlopige bewindvoering te plaatsen. Het gesprek met de te beschermen persoon en het eventuele verzet van diens advocaat wordt door de Vrederechter daarom steeds zeer ernstig genomen. Bovendien zal in geval van familietwist de vrederechter geen mandaat aan de ene ontnemen om een ander twistend familielid als bewindvoerder aan te stellen. In dit geval zal hoe dan ook een onafhankelijk advocaat worden aangesteld als bewindvoerder.

Voorlopig bewind en hoger beroep:

Hoger beroep is wel degelijk mogelijk in de procedure voorlopig bewind. De wetgever is stilzwijgend in verband met uitvoerbare kracht van de beschikking ten opzichte van de partijen. De wetgever is echter nalatig geweest om te bepalen op welke wijze het hoger beroep dient ingesteld. Maar het hoger beroep is niet uitdrukkelijk uitgesloten, waardoor het principieel mogelijk is. Indien de artikelen 1029 lid 1 en 1031 gerechtelijk wetboek toepasbaar zijn, moet het hoger beroep op straffe van verval worden ingesteld binnen de maand te rekenen vanaf de kennisgeving. Wordt de procedure evenwel als een tegensprekelijke procedure beschouwd, dan moet de beschikking worden betekend aan alle partijen door middel van een gerechtsdeurwaardersexploot en dient het hoger beroep was ingesteld te worden binnen de maand na de betekening van het vonnis conform artikel 1051 gerechtelijk wetboek.

Ook derdenverzet zou mogelijk zijn tegen de beschikking. Een en ander brengt een nieuwe procedure op gang. De dagvaarding waarbij derdenverzet wordt aangetekend is onderworpen aan de artikelen vier alinea 1 tweede lid van de wet van 15e juni 1935.

Derdenverzet wordt aangetekend voor dezelfde rechtbank, maar niet noodzakelijk voor de rechter die de beschikking velden waartegen het verzet wordt aangetekend.

Voor de wet van 3 mei 2003 hadden procedure een eenzijdig karakter waardoor enkel derdenverzet kan worden ingesteld door de betrokken partij of door een vrijwillig verschijnende partijen binnen de maand van de beschikking. Door het nieuwe artikel 488 bis, b, paragraaf laatste lid van het burgerlijk wetboek wordt voorzien dat de artikelen 1034 en volgende van het gerechtelijk wetboek van overeenkomstige toepassing zijn op het gedinginleidend verzoekschrift.


Artikel 488 bis, C. paragraaf 1 ten negende en ten 10e hernemen nagenoeg tekstueel de bepalingen van artikel 1030 gerechtelijk wetboek wat aangeeft dat de wetgever als doel had de procedure zoals voorzien in artikel 1031 gerechtelijk wetboek te handhaven. Het is de partijen aldus toegestaan de rechtsmiddelen van gemeen recht uit te oefenen, dat wil zeggen verzet en hoger beroep. Voor het overige blijft de wet in het duister. Het is niet duidelijk of het hoger beroep door de procespartijen moet worden ingesteld binnen de maand na de kennisgeving van de beschikking door de griffier overeenkomstig artikel 1031, dan wel binnen de maand na de betekening van het vonnis.

Het hoger beroep ontneemt de vrederechter zijn rechtsmacht waardoor deze geen kennis kan nemen van vorderingen tot wijziging van de beschikking en dit zolang het hoger beroep niet werd beëindigd.

Er bestaat geen discussie of de benadeelden, bijvoorbeeld een algemeen lasthebber derdenverzet,  kunnen aantekenen binnen de maand na de betekening van de beschikking.

De vertrouwenspersoon is geen procespartij en kan geen rechtsmiddelen aanwenden want deze geen titularis van een mandaat ad litem.

De beschermde persoon kan vrijwillig tussenkomen in de beroepsprocedure, zelfs als hij voordien had geweigerd om in de procedure tussen te komen.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande voorziening conform artikel 1029 tweede lid gerechtelijk wetboek.

In de mate dat de beschermde persoon gerechtigd is derdenverzet aantekenen, moet het ook mogelijk zijn dat hij vrijwillig tussenkomt in het hoofdgeding al werd het eenzijdig aanhangig gemaakt. Dergelijke vrijwillige tussenkomst kan in concreto eenvoudigweg bestaan in het neerleggen van de conclusies de griffie van het vredegerecht.

Het belang en de hoedanigheid zijn voorwaarden om in rechte op te treden. De beschermde persoon heeft geen hoedanigheid want beschikt niet over de vereiste bekwaamheid om een rechtsvordering in te stellen, tenminste voor wat de rechten betreft waarvan hij wel titularis is, maar waarvan de vertegenwoordigingsbevoegdheid werd overgedragen aan zijn voorlopige bewindvoerder. Het bewijs van ontbreken van toestemming op het ogenblik van het verrichten van de rechtshandeling kan met alle middelen van recht worden geleverd. Het is bovendien toegelaten dat de beschermde persoon alleen in rechte kan optreden maar dan uitsluitend onder bewarende titel of indien vertegenwoordiging is uitgesloten en het verzoek een absolute noodzaak heeft.

Maar de beschermde persoon kan niet uitgesloten worden van het toepassingsgebied van de waarborgen voorzien in artikel zes van het Europees verdrag van de rechten van de mens.

Meer informatie: zie: “Het voorlopig bewind, T. Delahaye, Larcier 2007

 

U bent gehuwd en uw huwelijkspartner is niet meer in staat zijn wil kenbaar te maken

Wanneer uw huwelijkspartner fysiek of geestelijk niet meer in de mogelijkheid verkeert om op geldige wijze zijn wil te uiten, kan u uw advocaat verzoeken een procedure in te stellen voor de Vrederechter van uw laatste echtelijke verblijfplaats.  De Vrederechter kan u dan machtigen om de geldsommen die derden aan u verschuldigd zijn geheel of ten dele te ontvangen ten behoeve van de huishouding en dit op grond van art. 220 § 3 B.W.

UW HUWELIJKSPARTNER IS NIET MEER IN STAAT ZIJN WIL TE KENNEN TE GEVEN EN U ZOU DE GEZINSWONING WILLEN VERKOPEN

Stel dat uw huwelijkspartner dement geworden is en u al dan niet samen met hem verkiest om verder verblijf te houden in een bijzondere instelling wat zeer hoge kosten met zich kan meebrengen.  In deze gevallen is het vaak noodzakelijk dat de gezinswoning kan verkocht worden.  De gezinswoning kan echter volgens de wet niet verkocht worden zonder de instemming van de andere echtgenoot.  Uw advocaat kan een procedure inleiden voor de Rechtbank van Eerste Aanleg op grond van art. 220 §1 B.W.  De Rechtbank van Eerste Aanleg kan u dan machtigen om deze handeling alleen te verrichten.

STEL DAT UW ECHTGENOOT NIET MEER IN STAAT IS OM ZIJN WIL TE KENNEN TE GEVEN EN U EEN ALGEMENE BEVOEGDHEID WENST TE BEKOMEN OM ZIJN RECHTEN UIT TE OEFENEN

Dit kan van belang zijn voor het beheer van het patrimonium, de ontvangst van gelden of welke andere burgerlijke verrichting ook.

In dit geval kan u uw advocaat verzoeken dat de rechtbank van eerste aanleg u aanstelt om in de plaats te worden gesteld voor de uitoefening van de bevoegdheden van uw huwelijkspartner.

Uzelf kan reeds een lasthebber aanduiden voor het geval u later ook niet meer in staat zou zijn om uw wil te uiten.  Raadpleeg hiertoe uw advocaat.  Let wel, een dergelijke volmacht kan u maar geldig verlenen op het ogenblik dat u zelf nog in staat bent om uw wil te kennen te geven.  De ouder wordende burger die geen huwelijkspartner meer heeft aan wie hij een dergelijke lastgeving kan geven heeft er derhalve alle belang bij om een tijdige lastgeving te verlenen.  Een advocaat kan perfect als uw lastgever optreden.

 

 

Uittreksel uit het burgerlijk wetboek:


HOOFDSTUK Ibis. - VOORLOPIG BEWIND OVER DE GOEDEREN TOEBEHOREND AAN EEN MEERDERJARIGE. <W 18-07-1991, art. 2>

Art. 488bis. <Ingevoegd bij W 18-07-1991, art. 3 tot 13> A. De meerderjarige die, geheel of gedeeltelijk, zij het tijdelijk, wegens zijn gezondheidstoestand, niet in staat is zijn goederen te beheren, kan met het oog op de bescherming ervan, een voorlopige bewindvoerder toegevoegd worden, als hem nog geen wettelijke vertegenwoordiger werd toegevoegd.
B. (§ 1. Op zijn verzoek, op verzoek van elke belanghebbende of van de procureur des Konings kan aan de te beschermen persoon een voorlopige bewindvoerder worden toegevoegd door de vrederechter van zijn verblijfplaats, of bij gebreke daarvan, van zijn woonplaats.
De vrederechter kan die maatregel ambtshalve nemen, wanneer bij hem een verzoek werd ingediend als bedoeld in de artikelen 5, § 1, en 23 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke of wanneer bij hem een omstandig verslag wordt ingediend als bedoeld in artikelen 13, 14 en 25 van dezelfde wet. Artikel 7, § 1, van dezelfde wet is in dit geval eveneens van toepassing.
§ 2. Eenieder kan ten overstaan van de vrederechter van zijn verblijfplaats en subsidiair van zijn woonplaats of ten overstaan van een notaris een verklaring afleggen waarin hij zijn voorkeur te kennen geeft omtrent een aan te wijzen voorlopige bewindvoerder indien hijzelf niet meer in staat zou zijn om zijn goederen te beheren. Van deze verklaring wordt (een proces-verbaal of een authentieke akte) opgesteld. Het proces-verbaal wordt medeondertekend door de persoon die de verklaring heeft afgelegd. De vrederechter kan zich op verzoek en op kosten van de verzoeker naar diens verblijfplaats en in voorkomend geval, naar diens woonplaats begeven om een verklaring op te nemen. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
Binnen vijftien dagen na het afleggen van voormelde verklaring laat de griffier of de notaris deze verklaring opnemen in een centraal register dat wordt bijgehouden door de Koninklijke Federatie van het Belgisch notariaat.
De Koning bepaalt de nadere regels inzake oprichting, beheer en raadpleging van het centraal register. De Koning bepaalt welke autoriteiten gratis toegang hebben. (De Koning bepaalt het tarief van de kosten voor de opneming van de verklaringen.) <W 2003-12-22/42, art. 382, 019; ED : 31-12-2003>
Vooraleer de vrederechter kennis neemt van een verzoekschrift, moet de griffier nagaan of in het tweede lid bedoeld register een verklaring werd opgenomen. In dat geval, laat hij door de notaris of de vrederechter, bij wie de verklaring werd afgelegd, een eensluidend verklaard uittreksel overzenden.
Eenieder kan op ieder moment op dezelfde wijze als bepaald in het eerste en tweede lid de verklaring herroepen en desgevallend een nieuwe voorkeur uitdrukken. Er wordt voorts gehandeld zoals bepaald in de vorige leden. De vrederechter of notaris voor wie de herroeping plaatsheeft, stelt de vrederechter of notaris voor wie de oorspronkelijke verklaring werd afgelegd, hiervan in kennis. Deze laatste vermeldt de wijziging op de oorspronkelijke akte.
De vrederechter kan om ernstige redenen, gemotiveerd afwijken van de in het eerste lid, uitgedrukte wil.
§ 3. De vader (en/of de moeder, de echtgenoot,) de wettelijk samenwonende, de persoon met wie de beschermde persoon een feitelijk gezin vormt, de vertrouwenspersoon of een lid van de naaste familie die als voorlopige bewindvoerder werd aangesteld, kan ten overstaan van de vrederechter een verklaring afleggen waarin de voorkeur te kennen wordt gegeven over de aan te wijzen voorlopige bewindvoerder indien het mandaat door hem of haar niet zelf verder kan worden uitgeoefend. Van deze verklaring wordt een proces-verbaal opgesteld, dat onmiddellijk bij het dossier bedoeld in artikel 488bis, c), § 4 wordt gevoegd. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
Telkens wanneer de vrederechter een voorlopige bewindvoerder aanstelt ter vervanging of opvolging van de voorlopige bewindvoerder bedoeld in het voorgaande lid, moet hij vooraf nagaan of in het dossier een verklaring werd opgenomen. De vrederechter kan om een ernstige reden, bij gemotiveerde beschikking afwijken van de in het eerste lid bedoelde verklaring.
§ 4. De te beschermen persoon heeft het recht zich, voor de duur van het voorlopig bewind, te laten bijstaan door een door hemzelf of, als hij er zelf geen aanwijst en indien nodig, door de vrederechter aangewezen vertrouwenspersoon, zoals bedoeld in § 7, (en in de artikelen) 488bis, c), § 2 en § 3, 488bis, d), en 488bis, f), § 1 en § 5. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
De aanwijzing gebeurt door een verzoek daartoe gericht aan de vrederechter door de te beschermen persoon of door een derde in het belang van de te beschermen persoon bij de aanvang of tijdens de duur van het voorlopig bewind.
Indien de vertrouwenspersoon vaststelt dat de voorlopige bewindvoerder tekort schiet in de uitoefening van zijn taak, moet hij, als belanghebbende, de vrederechter verzoeken de beschikking te herzien, overeenkomstig artikel 488bis, d).
§ 5. Het verzoek tot aanwijzing van een voorlopige bewindvoerder vermeldt, op straffe van nietigheid :
1. de dag, maand en het jaar;
2. de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de verzoeker, alsook de graad van verwantschap of de aard van de betrekkingen die er bestaan tussen de verzoeker en de te beschermen persoon;
3. het voorwerp van de vordering en in het kort de gronden ervan;
4. de naam, voornaam, de verblijf- of woonplaats van de te beschermen persoon en in voorkomend geval van zijn vader en/of zijn moeder, de echtgenoot, de wettelijk samenwonende of de persoon met wie de te beschermen persoon een feitelijk gezin vormt;
5. de aanwijzing van de rechter die ervan kennis moet nemen.
Het verzoekschrift moet worden ondertekend door de verzoeker of zijn advocaat en vergezeld zijn van een attest van verblijfplaats, of, bij ontstentenis, van woonplaats van de te beschermen persoon dat ten hoogste vijftien dagen oud is.
Het verzoekschrift vermeldt bovendien en voor zover mogelijk :
1. de plaats en datum van geboorte van de te beschermen persoon;
2. de aard en de samenstelling van de te beheren goederen;
3. de naam, de voornaam en de woonplaats van de meerderjarige familieleden in de dichtste graad, doch niet verder dan de tweede graad.
Als het verzoekschrift onvolledig is, vraagt de vrederechter de verzoeker om het binnen acht dagen aan te vullen.
Het verzoekschrift kan tevens suggesties vermelden betreffende de keuze van de aan te stellen voorlopige bewindvoerder, alsook betreffende de aard en de omvang van diens bevoegdheden.
De artikelen 1034bis en volgende van het Gerechtelijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 6. Op straffe van niet-ontvankelijkheid wordt, behoudens in spoedeisende gevallen, een omstandige geneeskundige verklaring bij het verzoekschrift gevoegd, die ten hoogste vijftien dagen oud is, en de gezondheidstoestand van de te beschermen persoon beschrijft.
De verklaring vermeldt of de te beschermen persoon zich kan verplaatsen, en in het bevestigend geval, indien zulks gelet op zijn toestand, aangewezen is. Tevens vermeldt deze verklaring (of de te beschermen persoon nog kennis kan nemen) van de rekenschap van het beheer. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
Deze geneeskundige verklaring mag niet worden opgesteld door een geneesheer die een bloed- of aanverwant is van de te beschermen persoon of van de verzoeker, of op enigerlei wijze verbonden is aan de instelling waar de te beschermen persoon zich bevindt.
Indien er om redenen van dringendheid geen geneeskundige verklaring bij het verzoekschrift is gevoegd, gaat de vrederechter na of het aangevoerde motief van dringendheid gerechtvaardigd is.
In bevestigend geval, vraagt de vrederechter binnen acht dagen na de datum waarop het verzoekschrift is ontvangen dat de verzoeker een omstandige geneeskundige verklaring bezorgt, die voldoet aan de vereisten bepaald in het eerste tot derde lid.
§ 7. De vrederechter wint alle dienstige inlichtingen in; hij kan een geneesheer-deskundige aanstellen die advies moet uitbrengen over de gezondheidstoestand en de wilsafhankelijkheid van de te beschermen persoon.
De te beschermen persoon en desgevallend, zijn vader en/of zijn moeder, de echtgenoot, de wettelijke samenwonende, voor zover (de te beschermen persoon met hen samenleeft,) of de persoon met wie de te beschermen persoon een feitelijk gezin vormt, worden door de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen om door de vrederechter in raadkamer te worden gehoord, desgevallend in aanwezigheid van hun advocaten en de vertrouwenspersoon van de te beschermen persoon. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
Bij de gerechtsbrief wordt een afschrift van het verzoekschrift en desgevallend een uittreksel van de verklaring bedoeld in artikel 488bis, b), § 2 gevoegd.
In de gerechtsbrief wordt vermeld dat de te beschermen persoon het recht heeft een advocaat en een vertrouwenspersoon aan te wijzen.
Daarenboven verwittigt de griffier bij gerechtsbrief de in het verzoekschrift vermelde familieleden dat er een verzoekschrift werd ingediend, van de plaats en het tijdstip van het verhoor van de te beschermen persoon.
De personen die bij gerechtsbrief worden opgeroepen, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk worden aldus partij in het geding tenzij verzet hiertegen ter zitting. Van deze bepaling geeft de griffier kennis in de gerechtsbrief.
Deze familieleden kunnen persoonlijk op de zitting verschijnen en vragen gehoord te worden. Zij kunnen hun opmerkingen ook schriftelijk vóór de dag van de zitting aan de vrederechter meedelen.
Er wordt overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid gehandeld indien de vrederechter overweegt ambtshalve een maatregel te nemen. Deze laatste mag zich eveneens begeven naar de verblijfplaats van de persoon of naar de plaats waar hij zich bevindt. Hiervan wordt een proces-verbaal opgesteld.
De vrederechter kan daarnaast eenieder horen die hij geschikt acht om hem in te lichten. De oproeping gebeurt door de griffier bij gerechtsbrief.) <W 2003-05-03/62, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 31-12-2003 behalve § 2 waarvan Inwerkingtreding : 03-01-2005>
C. (§ 1. Bij gemotiveerde beschikking wijst de vrederechter een voorlopige bewindvoerder aan met inachtneming van de aard en de samenstelling van de te beheren goederen, de gezondheidstoestand van de te beschermen persoon en zijn gezinstoestand.
Onverminderd de artikelen 488bis, b), §§ 2 en 3, kiest de vrederechter bij voorkeur als voorlopige bewindvoerder desgevallend zijn vader en/of zijn moeder, de echtgenoot, de wettelijk samenwonende, de persoon met wie de te beschermen persoon een feitelijk gezin vormt, een lid van de naaste familie of in voorkomend geval, de vertrouwenspersoon van de te beschermen persoon. In voorkomend geval, houdt hij hierbij rekening met de suggesties die in het verzoekschrift worden vermeld.
De voorlopige bewindvoerder mag niet gekozen worden onder de bestuurs- of personeelsleden van de instelling waarin de te beschermen persoon zich bevindt.
De Koning kan de uitoefening van de functie van voorlopige bewindvoerder afhankelijk maken van bepaalde voorwaarden onder meer om het aantal personen te beperken waarvoor een voorlopige bewindvoerder de goederen dient te beheren.
De aanwijzing geschiedt bij afzonderlijke beschikking wanneer bij de vrederechter een verzoekschrift ingediend is, bepaald in artikel 5, § 1, van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke of wanneer bij hem een omstandig verslag wordt ingediend, als bedoeld in de artikelen 13 en 25, § 1, van dezelfde wet.
Binnen drie dagen na de uitspraak geeft de griffier bij gerechtsbrief kennis van de beschikking aan de aangestelde voorlopige bewindvoerder. De voorlopige bewindvoerder laat binnen acht dagen na zijn aanwijzing schriftelijk weten of hij die aanvaardt. Dit stuk wordt gevoegd bij het dossier.
Wordt de aanwijzing, bedoeld in het vorige lid, niet aanvaard, dan stelt de vrederechter ambtshalve een andere voorlopige bewindvoerder aan.
Na de aanvaarding door de voorlopige bewindvoerder wordt een afschrift van de beschikking van aanwijzing van de voorlopige bewindvoerder medegedeeld aan de procureur des Konings.
Binnen drie dagen na de ontvangst van de aanvaarding geeft de griffier bij gerechtsbrief kennis van de beschikking aan de verzoeker, aan de tussenkomende partijen, aan de te beschermen persoon en desgevallend aan de vertrouwenspersoon. Een niet ondertekend afschrift wordt, in voorkomend geval, bij gewone brief aan hun advocaten gezonden.
Een uitgifte van de beslissing kan onderaan op een exemplaar van het verzoekschrift worden gesteld.
§ 2. Uiterlijk één maand na de aanvaarding van zijn aanwijzing moet de voorlopige bewindvoerder een verslag opstellen met betrekking tot de vermogenstoestand en de inkomstenbronnen van de beschermde persoon en dit overzenden aan de vrederechter, aan de beschermde persoon en aan diens vertrouwenspersoon. Daarenboven kan de vrederechter hem ervan ontslaan om dit verslag aan de beschermde persoon over te zenden, voorzover deze niet in staat is ervan kennis te nemen.
§ 3. De voorlopige bewindvoerder geeft jaarlijks en binnen dertig dagen na het einde van zijn mandaat rekenschap aan de personen vermeld in § 2. In dit schriftelijk verslag worden minstens de volgende gegevens vermeld :
1. de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de voorlopige bewindvoerder;
2. de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de beschermde persoon en, in voorkomend geval, van zijn vertrouwenspersoon;
3. een overzicht van de inkomsten en uitgaven tijdens de voorbije periode en een overzicht van de stand van het beheerde vermogen bij de aanvang en op het einde van deze periode;
4. de data waarop de voorlopige bewindvoerder in de loop van het jaar persoonlijk contact heeft gehad met de beschermde persoon of diens vertrouwenspersoon;
5. de materiële levensvoorwaarden en de leefsituatie van de beschermde persoon alsmede de wijze waarop de voorlopige bewindvoerder daarop heeft ingespeeld.
In geval van overlijden van de beschermde persoon tijdens de duur van het voorlopig bewind legt de voorlopige bewindvoerder binnen dertig dagen zijn eindverslag neer ter griffie. Hiervan kan ter griffie kennis genomen worden door de erfgenamen van de beschermde persoon en de notaris die belast wordt met de aangifte en de verdeling van de nalatenschap. Dit geldt onverminderd de toepassing van artikel 1358 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
Indien hij zulks nodig acht, kan de vrederechter van de voorlopige bewindvoerder waarborgen eisen, hetzij bij zijn aanwijzing, (hetzij gedurende de uitoefening) van zijn opdracht. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
De voorlopige bewindvoerder brengt de beschermde persoon op de hoogte van de handelingen die hij verricht. In bijzondere omstandigheden kan de vrederechter hem vrijstellen van deze verplichting. In dit geval brengt de voorlopige bewindvoerder de vertrouwenspersoon van de beschermde persoon (op de hoogte) Bij ontstentenis van een vertrouwenspersoon, kan de vrederechter een andere persoon of instelling aanwijzen die door de voorlopige bewindvoerder op de hoogte moet worden gebracht. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
§ 4. De schriftelijke verslagen opgemaakt met toepassing van §§ 2 en 3, worden op de griffie van het vredegerecht bewaard in een dossier op naam van de beschermde persoon.
Het dossier omvat eveneens :
1. een afschrift van de oorspronkelijke beschikking tot aanstelling van een voorlopige bewindvoerder;
2. de naam en het adres van de door de beschermde persoon aangewezen vertrouwenspersoon;
3. de naam en het adres van de andere persoon of instelling die door de vrederechter werd aangewezen met toepassing van de bepalingen van § 3;
4. een afschrift van alle beschikkingen getroffen met toepassing van de artikelen 488bis, d), tot 488bis, h);
5. de door de vrederechter gevoerde briefwisseling met betrekking (tot het voorlopige bewind.)) <W 2003-05-03/62, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 31-12-2003> <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
D. (De vrederechter kan te allen tijde, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de beschermde persoon of van elke belanghebbende evenals van de procureur des Konings of de voorlopige bewindvoerder, bij een gemotiveerde beschikking, een einde maken aan de opdracht van deze laatste, de bevoegdheden wijzigen die hem werden opgedragen of hem vervangen.
De vorderingen vermeld in het voorgaande lid worden bij eenzijdig verzoekschrift ingediend en worden door de verzoeker of zijn advocaat ondertekend. De vrederechter kan verder eenieder horen die hij geschikt acht om hem in te lichten. De voorlopige bewindvoerder behoort in alle gevallen te worden gehoord of opgeroepen.
De opdracht van de voorlopige bewindvoerder eindigt van rechtswege zodra de wettelijke vertegenwoordiger, benoemd in geval van onbekwaamverklaring of verklaring van verlengde minderjarigheid van de beschermde persoon, zijn taak aanvat, ingeval van aanstelling van een voorlopige bewindvoerder krachtens artikel 1246 van het Gerechtelijk Wetboek en in geval van overlijden van de beschermde persoon.
Door een aan de vrederechter en aan de voorlopige bewindvoerder gerichte gewone brief kan de beschermde persoon op elk ogenblik afzien van de bijstand van de door hem aangewezen vertrouwenspersoon of een andere vertrouwenspersoon aanwijzen. Er bestaat tevens de mogelijkheid dit mondeling te doen, waarvan akte wordt opgesteld door de rechter met bijstand van de griffier, waarvan afschrift gezonden wordt aan de voorlopige bewindvoerder. Deze melding wordt opgenomen in het dossier.
De vrederechter kan, in het belang van de te beschermen persoon te allen tijde, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de voorlopige bewindvoerder of de procureur des Konings, bij een gemotiveerde beschikking beslissen dat de vertrouwenspersoon zijn functie niet meer kan uitoefenen.) <W 2003-05-03/62, art. 4, 018; Inwerkingtreding : 31-12-2003>
E. § 1. Elke beslissing houdende aanwijzing van een voorlopige bewindvoerder of wijziging van diens bevoegdheden wordt, door toedoen van de griffier, bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad opgenomen.
Hetzelfde geldt voor de beslissingen van opheffing of van vernietiging.
De bekendmaking moet geschieden binnen vijftien dagen na de uitspraak; de ambtenaren aan wie het verzuim of de vertraging te wijten zou zijn, zijn aansprakelijk jegens de betrokkenen indien bewezen wordt dat de vertraging of het verzuim het gevolg is van collusie.
(Binnen dezelfde termijn wordt de beslissing door de griffier betekend aan de burgemeester van de woonplaats van de beschermde persoon teneinde te worden aangetekend in het bevolkingsregister. De burgemeester verstrekt een uittreksel uit het bevolkingsregister met vermelding van de naam, het adres en de staat van bekwaamheid van een persoon aan de persoon zelf of aan elke derde die een belang aantoont.) <W 2003-05-03/62, art. 5, 018; Inwerkingtreding : 31-12-2003>
§ 2. Rekening houdend met de beperkte opdracht van de voorlopige bewindvoerder, kan de vrederechter bepalen dat de beslissingen bedoeld in § 1, door toedoen van de griffier, uitsluitend ter kennis zullen worden gebracht van de personen die hij aanwijst.
§ 3. De Koning kan andere maatregelen van openbaarmaking in het belang van derden voorschrijven.
F. (§ 1. De voorlopige bewindvoerder heeft tot taak de goederen van de beschermde persoon als een goed huisvader te beheren of de beschermde persoon in dat beheer bij te staan.
Bij de uitvoering van zijn opdracht pleegt hij op regelmatige tijdstippen overleg met de beschermde persoon of diens vertrouwenspersoon.
Hij kan zich in zijn beheer laten bijstaan door een of meer personen die onder zijn verantwoordelijkheid optreden.
Wanneer zijn belangen in strijd zijn met die van de beschermde persoon kan hij slechts optreden krachtens een bijzondere machtiging van de vrederechter.
Deze machtiging wordt verleend bij gemotiveerde beschikking op verzoek van de voorlopige bewindvoerder. De procedure van artikel 488bis, b), § 7, tweede en derde lid, is van toepassing.
§ 2. De rechter bepaalt, met inachtneming van de aard en de samenstelling van de te beheren goederen evenals met de gezondheidstoestand van de beschermde persoon, de omvang van de bevoegdheden van de voorlopige bewindvoerder.
De vrederechter kan de handelingen of categorieën van handelingen aanwijzen die de beschermde persoon maar kan stellen met bijstand van zijn voorlopige bewindvoerder.
§ 3. Bij gebreke van aanwijzingen in de in artikel 488bis, c), bedoelde beschikking, vertegenwoordigt de voorlopige bewindvoerder de beschermde persoon in alle rechtshandelingen en procedures als eiser en als verweerder.
Evenwel kan hij slechts krachtens een bijzondere machtiging van de vrederechter :
a) de beschermde persoon in rechte vertegenwoordigen als eiser bij de andere rechtsplegingen en handelingen dan die bedoeld in de artikelen 1150, 1180-1°, 1187, tweede lid, en 1206, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek (en andere dan die met betrekking tot) huurcontracten, tot bewoning zonder akte of bewijs, tot sociale wetgeving ten gunste van de beschermde persoon en tot de burgerlijke partijstelling; <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
b) de roerende en onroerende goederen van de beschermde persoon vervreemden;
c) leningen aangaan en hypotheken toestaan alsook toestemming geven tot het doorhalen van een hypothecaire inschrijving, met of zonder kwijting, en van de overschrijving van een bevel tot uitvoerend beslag zonder betaling;
d) berusten in een vordering betreffende onroerende rechten;
e) (een nalatenschap, een algemeen legaat of een legaat onder algemene titel verwerpen of aanvaarden, wat slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving kan geschieden;) <KB 2005-06-15/35, art. 2, 023; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
f) (een schenking, of een legaat onder bijzondere titel aanvaarden;) <KB 2005-06-15/35, art. 2, 023; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
g) een pachtovereenkomst of een handelshuurovereenkomst sluiten alsook een handelshuurovereenkomst hernieuwen en een huurovereenkomst voor een duur van meer dan negen jaar sluiten;
h) een dading aangaan;
i) een onroerend goed aankopen.
De vrederechter wordt geadieerd bij eenvoudig verzoekschrift. Hij wint alle dienstige inlichtingen in; hij kan onder meer de mening vragen van de beschermde persoon en van eenieder die hij geschikt acht om hem in te lichten, onverminderd de artikelen 1186 en 1193bis van het Gerechtelijk Wetboek, inzake verkopingen van onroerende goederen.
Indien de vrederechter dat nuttig acht, wordt de handelszaak van de beschermde persoon voortgezet door zijn voorlopige bewindvoerder onder de door de vrederechter vastgestelde voorwaarden. Het bestuur ervan kan worden opgedragen aan een bijzondere bewindvoerder onder het toezicht van de voorlopige bewindvoerder. De bijzondere bewindvoerder wordt aangewezen door de rechtbank van koophandel op verzoek van de vrederechter.
§ 4. De woning van de beschermde persoon en het huisraad waarmeer deze woning gestoffeerd is, moeten zo lang mogelijk te zijner beschikking blijven.
Als het, in het bijzonder bij langdurige opneming of verblijf, noodzakelijk wordt of in het belang is van de beschermde persoon dat over de rechten in verband (daarmee wordt beschikt,) moet daartoe de machtiging bedoeld in § 3 verleend worden door de vrederechter. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
Deze machtiging wordt verleend krachtens de rechtspleging bepaald in artikel 488bis, f), § 3.
Souvenirs (en andere persoonlijke voorwerpen) worden niet vervreemd, tenzij dit strikt noodzakelijk is, en moeten door toedoen van de voorlopige bewindvoerder ter beschikking gehouden worden van de beschermde persoon. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
§ 5. Binnen de perken van de inkomsten die hij ontvangt betaalt de voorlopige bewindvoerder de kosten van onderhoud en behandeling die ten laste zijn van de beschermde persoon en stelt hij hem, na daarover met hem of met de vertrouwenspersoon te hebben overlegd, de sommen ter beschikking die hij nodig acht voor de verbetering van diens lot, een en ander onverminderd hetgeen bij wet en verordening bepaald is omtrent de vergoeding van de kosten van onderhoud van de zieken, gehandicapten en bejaarden. (Bovendien moet hij de toepassing) van de sociale wetgeving vorderen in het belang van de beschermde persoon. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
§ 6. De gelden en de goederen van de beschermde persoon worden volledig en duidelijk afgescheiden van het persoonlijk vermogen van de voorlopig bewindvoerder. De banktegoeden van de beschermde persoon worden op zijn naam ingeschreven.) <W 2003-05-03/62, art. 6, 018; Inwerkingtreding : 31-12-2003>
G. (De verkoop van de roerende en onroerende goederen van de beschermde persoon vindt plaats overeenkomstig de bepalingen van de hoofdstukken IV en V van het vierde boek van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek.) <W 2003-05-03/62, art. 7, 018; Inwerkingtreding : 31-12-2003>
H. (§ 1. De vrederechter kan aan de voorlopige bewindvoerder, bij een gemotiveerde beslissing, na de overlegging door de voorlopige bewindvoerder van het verslag bedoeld in artikel 488bis, c), § 3, een bezoldiging toekennen waarvan het bedrag niet hoger (mag zijn dan drie procent) van de inkomsten van de beschermde persoon. Naast de bezoldiging worden de gemaakte kosten vergoed, na door de vrederechter behoorlijk te zijn nagezien. Hij kan hem nochtans, na overlegging van met redenen omklede staten, een bezoldiging toekennen in verhouding tot de vervulde buitengewone ambtsverrichtingen. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
Het is de voorlopige bewindvoerder verboden, buiten de in het eerste lid vermelde bezoldigingen, enige bezoldiging of voordeel, van welke aard ook of van wie ook, te ontvangen met betrekking tot het uitoefenen (van het gerechtelijk mandaat) van voorlopige bewindvoerder. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
§ 2. De beschermde persoon kan slechts geldig schenken onder levenden of een uiterste wilsbeschikking maken na machtiging, op zijn verzoek, door de vrederechter. De vrederechter oordeelt over de wilsgeschiktheid van de beschermde persoon.
De vrederechter mag de machtiging om te schenken weigeren indien de beschermde persoon of zijn onderhoudsgerechtigden door de schenking behoeftig dreigen te worden.
De bepalingen van de artikelen 1026 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing. In afwijking van artikel 1026, 5°, van hetzelfde Wetboek, volstaat de handtekening van de verzoeker.
De vrederechter kan een geneesheer-deskundige aanstellen die advies moet uitbrengen over de gezondheidstoestand van de te beschermen persoon.
De vrederechter wint alle dienstige inlichtingen in (en kan eenieder) die hij geschikt acht om hem in te lichten, oproepen bij gerechtsbrief om door hem in raadkamer te worden gehoord. Hij roept in ieder geval de voorlopige bewindvoerder op in geval van schenking. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
De procedure van artikel 488bis, b), § 6, is van overeenkomstige toepassing.
§ 3. Onverminderd § 2 is de beschermde persoon bekwaam om een huwelijkscontract aan te gaan en zijn huwelijksvermogensstelsel te wijzigen met bijstand van de voorlopige bewindvoerder, na machtiging door de vrederechter op basis van het door de notaris opgestelde ontwerp.
In bijzondere gevallen kan de vrederechter de voorlopige bewindvoerder machtigen alleen op te treden.
De rechtspleging van artikel 488bis, f), § 3, tweede lid, is van toepassing.) <W 2003-05-03/62, art. 8, 018; Inwerkingtreding : 31-12-2003>
I. Alle handelingen die door de beschermde persoon zijn verricht in strijd met de bepalingen van artikel 488bis, f), zijn nietig. Deze nietigheid kan uitsluitend door de beschermde persoon of de voorlopige bewindvoerder worden ingeroepen.
Het eerste lid is toepasselijk op de handelingen verricht na de indiening van het verzoekschrift tot aanstelling van een voorlopige bewindvoerder.
J. De vordering tot nietigverklaring op grond van het voorgaand artikel verjaart door verloop van vijf jaren.
Deze termijn loopt, tegen de beschermde persoon, vanaf het tijdstip waarop hij van de betwiste handeling kennis heeft gekregen, of vanaf de betekening die hem ervan is gedaan na afloop van de opdracht van de voorlopige bewindvoerder.
Hij loopt, tegen zijn erfgenamen, vanaf het tijdstip waarop zij kennis ervan hebben gekregen of vanaf de betekening die hun ervan is gedaan na het overlijden van hun rechtsvoorganger.
De verjaring die tegen deze laatste is beginnen lopen, loopt verder tegen de erfgenamen.
De beschermde persoon of zijn erfgenamen kunnen echter, ook na verloop van die termijn, vergoeding voor geleden schade vorderen van een medecontractant die te kwader trouw was.
K. Betekeningen en kennisgevingen aan personen aan wie een voorlopige bewindvoerder is toegevoegd, worden gedaan aan diens woonplaats of verblijfplaats.

HOOFDSTUK II. - ONBEKWAAMVERKLARING.

Art. 489. <W 10-10-1967, art. 94> Een meerderjarige die zich in een aanhoudende staat van onnozelheid of krankzinnigheid bevindt, moet worden onbekwaam verklaard, zelfs wanneer in die staat heldere tussenpozen voorkomen.

Art. 490. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 19>

Art. 491. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 19>

Art. 492. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 19>

Art. 493. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 19>

Art. 494. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 19>

Art. 495. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 19>

Art. 496. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 19>

Art. 497. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 19>

Art. 498. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 19>

Art. 499. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 19>

Art. 500. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 19>

Art. 501. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 19>

Art. 502. De onbekwaamverklaring of de benoeming van een raadsman heeft haar gevolgen vanaf de dag van het vonnis. Alle handelingen die daarna verricht worden door de onbekwaamverklaarde, of zonder de bijstand van de raadsman, zijn rechtens nietig.

Art. 503. De handelingen die voor de onbekwaamverklaring verricht zijn, kunnen vernietigd worden, indien de oorzaak van de onbekwaamverklaring kennelijk bestond ten tijde dat die handelingen zijn verricht.

Art. 504. Na iemands dood kunnen de door hem verrichte handelingen niet worden betwist op grond van krankzinnigheid, dan voor zover de onbekwaamverklaring was uitgesproken of gevorderd voor zijn overlijden; tenzij het bewijs van de krankzinnigheid uit de betwiste handeling zelf voortvloeit.

Art. 505. (Opgeheven) <W 24-06-1970, art. 37>

Art. 506. (Opgeheven) <W 2001-04-29/39, art. 24, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2001>

Art. 507. (Opgeheven) <W 10-08-1909, art. 1>

Art. 508. Met uitzondering van de echtgenoten, de bloedverwanten in de opgaande en die in de nederdalende lijn, is niemand verplicht de voogdij over een onbekwaamverklaarde meer dan tien jaren te behouden. Na verloop van die tijd kan de voogd vragen dat hij wordt vervangen en dit moet hem worden toegestaan.

Art. 509. De onbekwaamverklaarde staat gelijk met een minderjarige, wat betreft zijn persoon en zijn goederen; de wetten op de voogdij over minderjarigen zijn van toepassing op de voogdij over onbekwaamverklaarden.
(Op vordering van het openbaar ministerie wordt van het vonnis binnen tien dagen na de uitspraak aan de territoriaal bevoegde vrederechter kennisgegeven.) <W 2001-04-29/39, art. 25, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2001>

Art. 510. De inkomsten van de onbekwaamverklaarde moeten in hoofdzaak aangewend worden om zijn lot te verzachten en zijn genezing te bespoedigen. (...). (...). <W 2001-04-29/39, art. 26, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2001>

Art. 511. <W 2001-04-29/39, art. 27, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Wanneer een kind van een onbekwaamverklaarde een huwelijk wenst aan te gaan, worden het verlenen van huwelijksgoed of van een voorschot op zijn erfdeel, geregeld door de voogd die daartoe door de vrederechter behoorlijk gemachtigd is.

Art. 512. De onbekwaamverklaring eindigt met de oorzaken die daartoe aanleiding hebben gegeven; echter wordt de opheffing niet uitgesproken dan met inachtneming van de vormen die voorgeschreven zijn om de onbekwaamverklaring te bekomen, en de onbekwaamverklaarde zal de uitoefening van zijn rechten niet kunnen hervatten dan na het vonnis van opheffing.

HOOFDSTUK III. - BIJSTAND VAN EEN GERECHTELIJK RAADSMAN.

Art. 513. Aan verkwisters kan worden verboden rechtsgedingen te voeren, dadingen te treffen, leningen aan te gaan, roerende kapitalen in ontvangst te nemen en daarvan kwijting te geven, hun goederen te vervreemden of met hypotheek te bezwaren, zonder de bijstand van een raadsman, die hun door de rechtbank wordt toegevoegd.

Art. 514. <W 15-07-1970, art. 59> Het verbod om te handelen zonder de bijstand van een raadsman, kan worden gevorderd door hen die het recht hebben de onbekwaamverklaring aan te vragen; hun vordering wordt op dezelfde wijze ingesteld en uitgewezen, met uitzondering evenwel van wat is voorgeschreven bij de artikelen 1244 en 1245 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het onderzoek door een of meer geneesheren-neuro-psychiaters en het bijstaan van de betrokkene door een geneesheer; in dit geval kan betrokkene in raadkamer worden ondervraagd; daarvan wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat door de rechter en de griffier wordt ondertekend; de procureur des Konings woont de ondervraging bij en de verzoeker mag erbij tegenwoordig zijn.

Art. 515. Geen vonnis inzake onbekwaamverklaring of benoeming van een raadsman kan, hetzij in eerste aanleg, hetzij in beroep, worden gewezen dan op de conclusie van het openbaar ministerie.

Nuttige tips: 
Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:15
Laatst aangepast op: wo, 09/02/2011 - 12:33

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.