Vorderingen tot uitsluiting en overname van aandeelhouders
|
Conflicten tussen aandeelhouders kunnen tot gevolg hebben dat samenwerken verder onmogelijk wordt. Welke mogelijkheden voorziet de wet om hieraan te verhelpen. |
Rechtsleer: • B. Wauters, Aandelen en echtscheiding, Maklu 2003 p395 e.v. |
Regeling in de BVBA
(voor de regelgeving bij de NV klik hier)
Regeling in de BVBA
(voor de regelgeving bij de NV klik hier)
TITEL VI. - Geschillenregeling.
HOOFDSTUK I. - De uitsluiting.
Art. 334. Eén of meer vennoten die gezamenlijk (aandelen) bezitten die 30 % vertegenwoordigen van de stemmen verbonden aan het geheel van de bestaande effecten, of aandelen waarvan de nominale waarde of de fractiewaarde 30 % van het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigt, kunnen om gegronde redenen in rechte vorderen dat een vennoot zijn aandelen (...) aan de eisers overdraagt. <W 2001-01-23/30, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 06-02-2001>
De vordering kan niet worden ingesteld door de vennootschap of door een dochtervennootschap van de vennootschap.
Art. 335. De vordering wordt ingeleid bij de voorzitter van de rechtbank van koophandel van het gerechtelijk arrondissement waar de zetel van de vennootschap is gevestigd; deze houdt zitting zoals in kort geding.
De vennootschap moet worden gedagvaard om te verschijnen. Indien zulks niet geschiedt, verdaagt de rechter de zaak naar een nabije datum. De vennootschap verwittigt op haar beurt de overige vennoten.
Art. 336. Nadat de dagvaarding is betekend, mag de gedaagde zijn aandelen niet vervreemden noch ze met zakelijke rechten bezwaren, behalve met toestemming van de rechter of van de partijen in het geding. Tegen de beslissing van de rechter staat geen rechtsmiddel open.
Behalve met betrekking tot het recht op dividenden, kan de rechter bevelen dat de rechten verbonden aan de over te dragen aandelen worden geschorst. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Art. 337. Bij de indiening van zijn eerste conclusie voegt de gedaagde er een afschrift bij van de gecoördineerde statuten, alsook een afschrift of een uittreksel van alle overeenkomsten die de overdraagbaarheid van zijn aandelen beperken. Wanneer de rechter de gedwongen overdracht beveelt, ziet hij erop toe dat de rechten verbonden aan die aandelen in acht worden genomen. De rechter kan zich evenwel in de plaats stellen van iedere partij die in de statuten of de overeenkomsten is aangewezen om de prijs te bepalen waartegen het recht van voorkoop kan worden uitgeoefend, alsook om de termijnen te verkorten waarbinnen het recht van voorkoop tegen een korting kan worden uitgeoefend en om de toepassing te weigeren van de goedkeuringsclausules vastgesteld ten behoeve van de vennoten.
Voor zover de begunstigden in het geding zijn betrokken, kan de rechter zich uitspreken over de rechtmatigheid van elke overeenkomst die de overdraagbaarheid van de aandelen van de gedaagde beperkt of, in voorkomend geval, bevelen dat deze overeenkomsten overgaan op de verkrijgers van de aandelen.
Art. 338. De rechter veroordeelt de gedaagde om, binnen de door hem gestelde termijn te rekenen van de betekening van het vonnis, zijn aandelen aan de eisers over te dragen en de eisers om de aandelen tegen betaling van de prijs die hij vaststelt over te nemen.
De beslissing geldt voor het overige als titel voor het vervullen van de formaliteiten verbonden aan de overdracht, wanneer de effecten op naam zijn.
De overname geschiedt, in voorkomend geval, na de uitoefening van de eventuele rechten van voorkoop die in het vonnis worden genoemd, naar evenredigheid van ieders aandelenbezit, tenzij anders is overeengekomen.
De eisers zijn hoofdelijk gehouden tot betaling van de prijs. De beslissing van de rechter is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep. Indien de beslissing ten uitvoer wordt gelegd en hoger beroep wordt ingesteld, is artikel 336 van toepassing op degenen die de aandelen verkrijgen.
Art. 339. Een of meer vennoten die gezamenlijk effecten bezitten die 30 % vertegenwoordigen van de stemmen verbonden aan het geheel van de bestaande effecten, of aandelen waarvan de nominale waarde of de fractiewaarde 30 % van het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigt, kunnen om gegronde redenen in rechte vorderen dat eenieder die het stemrecht uitoefent in een andere hoedanigheid dan die van eigenaar, zijn stemrecht overdraagt aan de bezitter of de andere bezitters van het aandeel.
Op straffe van niet-ontvankelijkheid van de vordering worden de bezitter of de andere bezitters van het aandeel gedagvaard om te verschijnen, tenzij zij eveneens eiser zijn.
De artikelen 334, tweede lid, 335, 336 en 337 zijn van toepassing op de in dit artikel bedoelde procedure.
De beslissing van de rechter geldt als titel voor het vervullen van alle formaliteiten verbonden aan de overdracht van het stemrecht.
HOOFDSTUK II. - De uittreding.
Art. 340. Iedere vennoot kan om gegronde redenen in rechte vorderen dat zijn aandelen worden overgenomen door de vennoten op wie deze gegronde redenen betrekking hebben.
De artikelen 335, 336, tweede lid, en 337, tweede lid, zijn van toepassing. Artikel 337, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op de eiser.
Art. 341. De rechter veroordeelt de gedaagde om, binnen de door hem gestelde termijn te rekenen van de betekening van het vonnis, de aandelen tegen betaling van de vastgestelde prijs over te nemen en de eiser om zijn effecten aan de gedaagden over te dragen.
De beslissing geldt voor het overige als titel voor het vervullen van de formaliteiten verbonden aan de overdracht.
De overname geschiedt, in voorkomend geval, na de uitoefening van de eventuele rechten van voorkoop die in het vonnis worden genoemd. De gedaagden zijn hoofdelijk gehouden tot betaling van de prijs.
De beslissing van de rechter is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep. Indien de beslissing ten uitvoer wordt gelegd en hoger beroep wordt ingesteld, is artikel 337 van toepassing op degenen die de aandelen verkrijgen.
HOOFDSTUK III. - Bekendmaking.
Art. 342. Het uittreksel uit de in kracht van gewijsde gegane of bij voorraad uitvoerbare rechterlijke beslissing waarbij een uitsluiting of een uittreding krachtens de artikelen 334 en 340 wordt uitgesproken, wordt neergelegd en bekendgemaakt overeenkomstig artikel 74.
Regeling in de NV uitreksel uit het wetboek van vennootschappen
TITEL VI. - Geschillenregeling.
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.
Art. 635. Deze titel is van toepassing op de naamloze vennootschappen die geen publiek beroep op het spaarwezen doen of hebben gedaan.
HOOFDSTUK II. - De uitsluiting.
Art. 636. Een of meer aandeelhouders die gezamenlijk effecten bezitten die 30 % vertegenwoordigen van de stemmen verbonden aan het geheel van de bestaande effecten, of 20 % indien de vennootschap effecten heeft uitgegeven die het kapitaal niet vertegenwoordigen, of aandelen waarvan de nominale waarde of de fractiewaarde 30 % van het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigt, kunnen om gegronde redenen in rechte vorderen dat een aandeelhouder zijn aandelen en alle converteerbare effecten in zijn bezit, die recht geven op inschrijving op of op omzetting in aandelen van de vennootschap, aan de eisers overdraagt.
De vordering kan niet worden ingesteld door de vennootschap of door een dochtermaatschappij van de vennootschap.
Art. 637. De vordering wordt ingeleid bij de voorzitter van de rechtbank van koophandel van het gerechtelijk arrondissement waar de zetel van de vennootschap is gevestigd; deze houdt zitting zoals in kort geding.
De vennootschap moet worden gedagvaard om te verschijnen. Indien zulks niet geschiedt, verdaagt de rechter de zaak naar een nabije datum. De vennootschap verwittigt op haar beurt de houders van aandelen op naam.
Art. 638. Nadat de dagvaarding is betekend, mag de gedaagde zijn aandelen niet vervreemden noch ze met zakelijke rechten bezwaren, behalve met toestemming van de rechter of van de partijen in het geding. Tegen de beslissing van de rechter staat geen rechtsmiddel open.
Behalve met betrekking tot het recht op dividenden, kan de rechter bevelen dat de rechten verbonden aan de over te dragen aandelen worden geschorst. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Art. 639. Bij de indiening van zijn eerste conclusie voegt de gedaagde er een afschrift bij van de gecoördineerde statuten, alsook een afschrift of een uittreksel van alle overeenkomsten die de overdraagbaarheid van zijn aandelen beperken. Wanneer de rechter de gedwongen overdracht beveelt, ziet hij erop toe dat de rechten verbonden aan die aandelen in acht worden genomen. De rechter kan zich evenwel in de plaats stellen van iedere partij die in de statuten of de overeenkomsten is aangewezen om de prijs te bepalen waartegen het recht van voorkoop kan worden uitgeoefend, alsook om de termijnen te verkorten waarbinnen het recht van voorkoop tegen een korting kan worden uitgeoefend en om de toepassing te weigeren van de goedkeuringsclausules vastgesteld ten behoeve van de aandeelhouders.
Voorzover de begunstigden in het geding zijn betrokken, kan de rechter zich uitspreken over de rechtmatigheid van elke overeenkomst die de overdraagbaarheid van de aandelen van de gedaagde beperkt of, in voorkomend geval, bevelen dat deze overeenkomsten overgaan op de verkrijgers van de aandelen.
Art. 640. De rechter veroordeelt de gedaagde om, binnen de door hem gestelde termijn te rekenen van de betekening van het vonnis, zijn aandelen aan de eisers over te dragen en de eisers om de aandelen tegen betaling van de prijs die hij vaststelt over te nemen.
De beslissing geldt voor het overige als titel voor het vervullen van de formaliteiten verbonden aan de overdracht, wanneer de effecten op naam zijn.
De overname geschiedt, in voorkomend geval, na de uitoefening van de eventuele rechten van voorkoop die in het vonnis worden genoemd, naar evenredigheid van ieders aandelenbezit, tenzij anders is overeengekomen.
De eisers zijn hoofdelijk gehouden tot betaling van de prijs. De beslissing van de rechter is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep. Indien de beslissing ten uitvoer wordt gelegd en hoger beroep wordt ingesteld, is artikel 638 van toepassing op degenen die de aandelen verkrijgen.
Art. 641. Een of meer aandeelhouders die gezamenlijk effecten bezitten die 30 % vertegenwoordigen van de stemmen verbonden aan het geheel van de bestaande effecten, of 20 % indien de vennootschap effecten heeft uitgegeven die het kapitaal niet vertegenwoordigen, of aandelen waarvan de nominale waarde of de fractiewaarde 30 % van het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigt, kunnen om gegronde redenen in rechte vorderen dat eenieder die het stemrecht uitoefent in een andere hoedanigheid dan die van eigenaar, zijn stemrecht overdraagt aan de bezitter of de andere bezitters van het aandeel.
Op straffe van niet-ontvankelijkheid van de vordering worden de bezitter of de andere bezitters van het aandeel gedagvaard om te verschijnen, tenzij zij eveneens eiser zijn.
De artikelen 636, tweede lid, 637, 638 en 639 zijn van toepassing.
De beslissing van de rechter geldt als titel voor het vervullen van alle formaliteiten verbonden aan de overdracht van het stemrecht.
HOOFDSTUK III. - De uittreding.
Art. 642. Iedere aandeelhouder kan om gegronde redenen in rechte vorderen dat zijn aandelen alsmede de in aandelen converteerbare obligaties of de warrants die hij bezit, worden overgenomen door de aandeelhouders op wie deze gegronde redenen betrekking hebben.
De artikelen 637, 638, tweede lid, en 639, tweede lid, zijn van toepassing. Artikel 639, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op de eiser.
Art. 643. De rechter veroordeelt de gedaagde om, binnen de door hem gestelde termijn te rekenen van de betekening van het vonnis, de aandelen tegen betaling van de vastgestelde prijs over te nemen en de eiser om zijn effecten aan de gedaagden over te dragen.
De beslissing geldt voor het overige als titel voor het vervullen van de formaliteiten verbonden aan de overdracht, wanneer de effecten op naam zijn.
De overname geschiedt, in voorkomend geval, na de uitoefening van de eventuele rechten van voorkoop die in het vonnis worden genoemd. De gedaagden zijn hoofdelijk gehouden tot betaling van de prijs.
De beslissing van de rechter is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep. Indien de beslissing ten uitvoer wordt gelegd en hoger beroep wordt ingesteld, is artikel 639 van toepassing op degenen die de aandelen verkrijgen.
HOOFDSTUK IV. - Bekendmaking.
Art. 644. Het uittreksel uit de in kracht van gewijsde gegane of bij voorraad uitvoerbare rechterlijke beslissing waarbij een uitsluiting of een uittreding krachtens de artikelen 636 en 642 wordt uitgesproken, wordt neergelegd en bekendgemaakt overeenkomstig artikel 74.
Rechtspraak:
• Hof van beroep te Gent 25 juni 2007, NJW 174,33 en R.W. 2007-2008, 1822
samenvatting:
De rechtbank kan tot de uitsluiting bevelen wanneer een duurzame onherroepelijk onenigheid bestaat tussen de vennoten die de verdere samenwerking onmogelijk maakt en de werking van de vennootschap verlamd. Wanneer de wederzijdse partijen wederzijdse vorderingen tot uitsluiting instellen zullen de aandelen bij voorkeur toegewezen worden aan die vennoot die de meeste garanties biedt voor het voortbestaan van de vennootschap.
Bij vonnis kan de onmiddellijke overdracht van de aandelen bevolen worden tegen de betaling van een provisionele overnameprijs de overdracht kan dus plaatsvinden alvorens een definitieve uitspraak gedaan is over de prijs
integrale tekst van het arrest:
"...
2. Beoordeling
Het Hof onderschrijft integraal het vonnis, op de verbeurdverklaring van een dwangsom en de voorafbetaling van de gerechtelijk deskundige na. Het verwijst partijen naar de overwegingen van dit vonnis.
Aanvullend laat het Hof alleen nog volgende overwegingen gelden.
2.1. De eis die NV A. en I. De C. stellen tot uitsluiting van K.S., is ontvankelijk.
K.S. betwist niet dat I. De C. in het bezit is van meer dan 30% van de aandelen van BVBA A.I. Zij kan dan ook overeenkomstig art. 334 W.Venn. samen met NV A., die één aandeel in de BVBA A.I. bezit, de eis tot uitsluiting van K.S. instellen.
De verdeling van de over te dragen aandelen die volgt op de uitsluiting, maakt niet langer de zaak uit van de uitgesloten vennoot. Na de uitsluiting heeft hij alleen nog belang bij de betaling van de aandelen die hij moet overdragen. Hij heeft geen belang meer in de vennootschap zelf, waarvan hij op grond van gegronde redenen uitgesloten wordt.
Hij is ook een derde wat de contractuele afspraak betreft, die de overige vennoten hebben gemaakt over de toewijzing van de aandelen die hij moet overdragen. Met toepassing van art. 1165 B.W. brengen overeenkomsten alleen gevolgen teweeg tussen de contracterende partijen; zij brengen aan derden geen nadeel toe en strekken hun slechts tot voordeel in het geval geregeld in art. 1121.
Art. 338, derde lid, W.Venn. laat dan ook binnen deze context de overname toe, zoals de vennoten overeengekomen zijn.
2.2. De eerste rechter beval terecht de uitsluiting van K.S.
Partijen blijven erbij dat een duurzame en onherroepelijke onenigheid tussen K.S. en NV A. en I. De C. de verdere samenwerking in BVBA A.I. onmogelijk maakt en de werking van deze vennootschap verlamt.
Het Hof stelt vast dat partijen wederzijds gegronde redenen tegenover elkaar kunnen inroepen.
Dit geldt zeker tegenover K.S., die onaangekondigd zijn rekening-courant aanzuiverde en het loon dat hem nog verschuldigd zou zijn zonder verdere verrekeningen opnam. Voorts wijzen de stukken 86 tot 88 die de NV A. en I. De C. aan hun overtuigingsstukken hebben toegevoegd uit dat K.S. een parallelle activiteit aan het ontwikkelen is. Met al deze daden geeft hij aan dat hij geen vertrouwen meer stelde/stelt in de werking van de vennootschap en zijn medevennoten.
Van dan af beslechtte de eerste rechter de wederzijdse aanspraken op de uitsluiting terecht op grond van het onderzoek «naar de aandeelhouder die de meeste garanties bood voor het voortbestaan van de vennootschap». Dit onderzoek leidt eenduidig naar de NV A. en I. De C., zoals aangegeven door de stukken in het dossier van de NV A., de toelichtingen in de conclusie die de BVBA A.I. op 18 juni 2007 neerlegde en de stukken in het dossier van BVBA A.I.
2.3. Het vonnis is niet onwettig in zoverre het K.S. tot de overdracht van zijn aandelen aan de NV A. veroordeelt tegen onmiddellijke betaling van een provisie op de waarde van de aandelen.
De geschillenregeling neergelegd in Boek VI, titel VI, van het W.Venn. en waarvoor art. 335 voorziet in een behandeling van de betwisting zoals in kort geding door de Voorzitter, strekt ertoe om binnen korte termijn een beslissing te nemen over de uitsluiting van een vennoot en over de eventuele overdracht van zijn aandelen aan één of meer andere vennoten. Hiermee wilde de wetgever voorkomen dat de vennootschap in haar werking blijvend verlamd werd door de gegronde redenen die de uitsluiting kunnen wettigen.
Het onmiddellijk bevel tot de overdracht van de aandelen wat volgt uit de uitsluiting draagt dan ook bij tot het doel dat de wetgever nastreefde. De overige vennoten kunnen vanaf de overdracht niet langer gehinderd door de gegronde redenen het bestuur van de vennootschap volledig overnemen. Hierbij sluit aan dat de overdragende vennoot vanaf de overdracht van zijn aandelen evenmin nog instaat voor het verder «wel en wee» van de vennootschap, wat impliceert dat zijn aandelen in beginsel gewaardeerd moeten worden op de dag van de overdracht.
Art. 338 W.Venn. vereist dan ook geenszins een overdracht tegen contante betaling van de waarde van de aandelen. Het laat de rechter integendeel toe om zowel binnen een door hem gestelde termijn te rekenen van de betekening van het vonnis enerzijds de overdracht van de aandelen te bevelen, als om eisers binnen een door hem gestelde termijn te rekenen van de betekening van het vonnis te veroordelen tot de betaling van de prijs die hij vaststelt. Het bevel tot uitsluiting en onmiddellijke overdracht van de aandelen dat zoals in kort geding beslecht moet worden, vereist geen definitieve uitspraak over de prijs van de aandelen. Dit laatste kan hier nog verschillende maanden uitblijven, omdat alle partijen het erover eens zijn dat vooraf nog een deskundigenonderzoek naar de waarde van de aandelen noodzakelijk is. De vaststelling volstaat dat de aandeelhouder die zijn aandelen moet overdragen, gevrijwaard is voor een uiteindelijke betaling van zijn overgedragen aandelen door de vennoten die de overname vorderden.
De partijen hebben wederzijds de overdracht van de aandelen gevorderd tegen de prijs van 175 euro per aandeel. De veroordeling tot de provisionele betaling van de over te dragen aandelen tegen de wederzijds voorgestane waarde, waarborgt K.S. dan ook voldoende voor de betaling, die de NV A. en I. De C. nog verschuldigd zouden kunnen zijn na de definitieve begroting van de aandelenwaarde.
..."
• Hof van beroep Gent, 5 mei 2008, Juridat
samenvatting:
Bij de waardebepaling van de aandelen bij de gedwongen overname kan de rechter rekening houden met de winstverwachtingen die de aandeelhouders zich stellen.
tekst van het arrest
Gegevens na tussenarrest en eindbeoordeling:
1. Bij tussenarrest van 21 juni 2004 veroordeelde het Hof geïntimeerden tot de overname van de aandelen die appellanten in ANDY BVBA bezitten en beval het een deskundigenonderzoek om advies uit te brengen over de prijsvork voor de aandelen van ANDY BVBA op datum van 18 april 2001 aan de hand van minstens 3 waarderingstechnieken (bijvoorbeeld boekwaarde, intrinsieke waarde, rendementswaarde of discounted cash flow) of een combinatie hiervan.
Het preciseerde ook nader, dat de gerechtelijk deskundige omstandig zou verwoorden welke waardering hij - in het concrete geval met zijn eigenheden - het meest voorstond en dat hij rekening kon houden met gegevens en feiten die na 18 april 2001 de waarde van de aandelen zouden beïnvloed hebben, zo zij op datum van 18 april 2001 al besloten lagen in de verdere werking van de vennootschap.
2. De gerechtelijk deskundige heeft op 28 maart 2006 zijn definitief verslag neergelegd. Hij besluit dat de waarde van de aandelen van ANDY BVBA op datum van 18 april 2001:
- vanuit going concern' standpunt gelijk was aan 0 EUR;
- vanuit een vereffeningstandpunt (liquidatiewaarde) maximaal 8.186,60 EUR beliep;
- dat de resultaten van de waardering geen prijsvork is van waarschijnlijke waarden tussen twee (gecombineerde) bedragen, maar hier ofwel de going concern' waarde ofwel de liquidatiewaarde moet worden weerhouden;
- dat hij de voorraad aan goederen (het enig belangrijk actief) vanuit een going concern' standpunt heeft gewaardeerd, zodat hij adviseert om op de begroting van de voorraad minwaarden te verrekenen zo het Hof zich op het vereffeningstandpunt stelt, aangezien de voorraad groter is dan 1 jaar omzet, de vennootschap een beperkte voorraadrotatie voor haar modegevoelige producten kent en de liquidatie een gedwongen verkoop van de voorraad impliceert. Hij adviseert in de laatste alinea van pagina 20 van zijn verslag een waardevermindering van 60% op de begrote going concern', wat de waarde van aandelen van appellanten vanuit het vereffeningstandpunt op 4.139,89 EUR zou brengen in plaats van op 8.186,60 EUR (zie de begroting op pg. 16 van zijn verslag).
3. Appellanten vorderen na de neerlegging van het deskundigenverslag de overname van hun aandelen tegen betaling van 21.232,43 EUR op grond van de waardebepaling van de vennootschap door accountant R.S. op 60.779,85 EUR (2.451.853 BEF), of minstens tegen de betaling van 8.186,60 EUR zoals door de gerechtelijk deskundige vanuit een liquidatiestandpunt begroot, vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf 13 augustus 2002.
Geïntimeerden vorderen de begroting van de over te nemen aandelen op de symbolische waarde van 1 EUR, waar zij de intentie hadden om het bedrijf going concern' over te nemen.
ANDY BVBA werd bij vonnis van 10 oktober 2003 failliet verklaard en het faillissement werd afgesloten bij vonnis van 19 oktober 2005.
4. Het Hof begroot de waarde van de over te nemen aandelen op 4.139,89 EUR.
4.1. Het Hof stelt vast dat partijen op geen enkel ogenblik hebben overwogen om ANDY BVBA in vereffening te stellen. In elk geval ontbreekt hiervan elke aanwijzing. Het Hof neemt dan ook aan dat geïntimeerden de handelszaak in 2001 wilden verder zetten.
4.2. Met het verderzetten van de handel beoogden geïntimeerden in de toekomst winsten te realiseren. Hiervoor hebben zij het bestuur van de vennootschap naar zich toe getrokken en appellanten (meer in het bijzonder D.D.G.) buiten de zaak gehouden. Elke aanwijzing ontbreekt dat zij toen de aanwezige voorraad hebben willen afstoten. Waar zij de aanwezige voorraad vanuit een going concern hebben willen activeren, impliceert dit dat de voorraad voor hen ook een reële waarde had. Dit volgt onder meer uit hun verzoek aan de accountant R. S. om een waardebepaling van de vennootschap te maken en uit de daaropvolgende onderhandelingen over de overname van de aandelen van appellanten.
Bij de waardebepaling van de over te nemen aandelen houdt het Hof dan ook rekening met de winstverwachtingen die geïntimeerden zich stelden op het ogenblik, dat zij het bestuur naar zich toe trokken en appellanten buiten de zaak stelden. Zonder toekomstige winstverwachtingen hadden zij de handel gestopt en zou de voorraad toen aan de liquidatiewaarde gerealiseerd zijn.
4.3. De winstverwachtingen die geïntimeerden zich konden stellen wordt evenwel ook bepaald door de eigenschappen van de aanwezige voorraad. Terzake stelde de gerechtelijk deskundige vast dat de aanwezige voorraad groter was dan 1 jaar omzet en de vennootschap een beperkte voorraadrotatie voor haar modegevoelige producten had. Een efficiënte voorraadpolitiek vereiste hier een versneld op de markt brengen van de voorraad, zodat de gerechtelijk deskundige op de waarde van de voorraad terecht (zij het vanuit een andere invalshoek) een minwaarde van 60 % verrekende.
4.4. Het Hof begroot de waarde van de over te nemen aandelen dan ook op 4.139,89 EUR. De gerechtelijk deskundige heeft zijn waardebepaling omstandig en correct gemotiveerd en de opmerkingen van partijen ook omstandig en correct weerlegd. Geïntimeerden zijn de betaling eerst verschuldigd vanaf de waardebepaling die het Hof hier weerhoudt, zodat geïntimeerden alleen gerechtelijke intresten (die verwijlintresten zijn) vanaf heden verschuldigd zijn.
5. De betwisting tussen partijen over de waarde van de aandelen leidde tot de gerechtelijke procedure. Het deskundigenonderzoek strekte in het wederzijds belang van partijen tot een objectieve waardebepaling van de over te nemen aandelen. Het Hof verwijst partijen dan ook elk in de helft van de kosten, die de uitvoering van het deskundigenonderzoek meebracht en verwijst hen voor het overige elk in de eigen gedingkosten.
OP DEZE GRONDEN,
HET HOF,
Op tegenspraak en gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken,
Veroordeelt geïntimeerden tot de betaling aan appellanten de som van 4.139,89 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke intresten van heden.
Slaat de gedingkosten tussen partijen om en verwijst elk in de eigen gedingkosten op de kosten van het deskundigenonderzoek na, die het bij helften tussen partijen omslaat. Veroordeelt geïntimeerden dan ook tot de betaling aan appellanten van de helft van de door hen aan de gerechtelijk deskundige voorafbetaalde kosten van (2.348,01 EUR / 2 =) 1.174 EUR.
Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken
Overige Rechtspraak:
• Rechtbank koophandel Brussel zoals in kortgeding 10 oktober 2006, RABG 2009/2 pagina 79:
In deze procedure is eiser van mening dat hij op grond van artikel 340 van het wetboek van de vennootschappen gegronde redenen heeft om te vorderen dat verweerder zijn aandelen overneemt.
Artikel 340 van het wetboek van vennootschappen bepaalt: " iedere vennoot kan ongegronde redenen in de rechter vorderen dat zijn aandelen worden overgenomen door de vennoten op wie deze gegronde redenen betrekking hebben".
De eiser is een genot van de vennootschap waardoor de vordering ontvankelijk is.
In de rechtsleer en rechtspraak bestaat er geen eenduidige definitie van het begrip gegronde reden; het was immers de bedoeling van de wetgever dat het begrip door de rechter zal worden ingevuld op grond van het voorgelegde feitenmateriaal (Braecmans, "de uitsluiting en de uittreding van de aandeelhouders" in rechtskundig weekblad 12 mei 2001, pagina 1364,12);
Op dat artikel 340 van het wetboek van vennootschappen van toepassing zou kunnen zijn moet bijgevolg aan volgende toepassingsvoorwaarden voldaan zijn:
- eiser moedervennootschap zijn van de vennootschap
- er moeten zich feiten hebben voorgedaan dewelke door de rechter als een gegronde reden worden aanvaard
- de feiten die een gegronde reden vormen, moeten te wijten zijn aan de vennoot-aandeelhouder die tot overname wordt gedwongen.
Volgens vaststaande constante rechtsleer en rechtspraak dient de gegronde reden tot uittreding bedoeld in artikel 340 van het wetboek van vennootschappen omschreven als een diepgaande en blijvende onenigheid die in feite elke verdere samenwerking tussen vennoten definitief onmogelijk maakt om nog langer vennoten te blijven in de betrokken vennootschap. Bij de beoordeling van de gegronde reden staat het persoonlijk belang van de eiser als vennoot centraal en dient het vennootschapsbelang slechts zeer uitzonderlijk en marginaal te worden getoetst (zie kortgeding Brussel 9 augustus 2000, rechtskundig weekblad 2001-2002, 1108.
De bescherming van de betrokken vennoot primeert inderdaad bij de beoordeling is die voorzitter rechtbank koophandel Gent 27 februari 2001, tijdschrift voor Gentse rechtspraak, 2009,305 en voorzitter Charleroi, vijf februari 1998, JDSC, 2000, 298 met noot Delvaux.
Om de vordering te doen slagen is het niet nodig dat de werking van de vennootschap wordt verlamd of ook maar wordt aangetast (zie voorzitter rechtbank gelijk 23 september 1999, DAOR 2000,101.
In het voorliggende geval blijkt er een duurzame en onherroepelijke onenigheid ontstaan te zijn tussen de vennoten die een verdere samenwerking onmogelijk maakt. Bovendien blijkt er dat de eiser niet meer wenst als vennoot aanzien te worden aangezien tegenpartij tot tweemaal toe een voorstel tot overname van diens aandelen deed..
Ten deze een geeft de buitengewone algemene vergadering op 12 december 2003 om de vennootschap te vereffenen, hetgeen evenwel op geen enkele wijze afbreuk doet aan de huidige vordering tot overname van de aandelen zoals ingesteld op 4 december 2003.
Op deze gronden oordeelt de rechtbank dat aan deze situatie slechts een einde kan worden gesteld door de overname te bevelen door verweerder van de aandelen van de eis.
Hierbij heeft de rechter de bevoegdheid tot bepaling van de door hem vast te stellen prijs, hetgeen de rechter zelf kan doen of hetgeen ik kan doen door de aanstelling van een deskundige.
De rechter oordeelt dat men de eiser niet ten kwade kan duiden dat hij de reële prijs voor zijn aandelen verlangt. De reële waardebepaling moet rekening houden met alle matte reële en iemand reële vaste activa waardoor de aanstelling van een gerechtsdeskundige zich opdringt.
Rechtspraak met betrekking tot een gegronde redenen die aanleiding geven tot een vordering tot uittreding
• rechtbank koophandel zoals in kortgeding te Brussel 8 mei 2006, RABG 2009/2 pagina 85
De rechtbank oordeelde vooreerst dat de gegronde redenen minder streng beoordeeld worden in het kader van de uittreding dan in een procedure van uitsluiting.
De rechter oordeelde evenwel dat er van een gewichtige wanprestatie sprake was door de systematische wijze waarop het controlerecht van bepaalde aandeelhouders werd beknot.
Ten deze werd vastgesteld dat voor het boekjaar 2003 er nooit een algemene vergadering der aandeelhouders heeft plaatsgevonden. Er werd vastgesteld dat de jaarrekening per 31 december 2003 weliswaar werd goedgekeurd door een algemene vergadering die zou gehouden zijn op 3 juni 2003 doch dat de notulen van deze beweerder jaarvergadering die vermelden dat alle vier de aandeelhouders aanwezig waren en dat de resoluties met algemeenheid van stemmen waren genomen volkomen vals waren aangezien de eisers niet werden opgeroepen en niet op de hoogte en aldus niet aanwezig waren op deze vergadering.
Voor het boekjaar 2004 werd vastgesteld dat ondanks het protest van eerste eiser op 27 april 2005 toch een algemene vergadering werden bijeengeroepen op 17 mei 2005. De jaarrekening die op deze jaarvergadering werd voorgelegd strookte niet met de cijfers die voorafgaandelijk aan de bedrijfsrevisor werden overhandigt toen deze zijn taak diende uit te oefenen met het oog op de waardering van de vennootschap. Aan deze laatste werkt enkel een interne saldi balans overhandigd en niet de jaarrekening die aan de jaarvergadering zou moeten worden voorgelegd; aldus hebben de eisers terecht de kwestieuze jaarrekening niet goedgekeurd.
De verweerders ten deze hebben elke inzage door eisers in de boekhoudkundige stukken van de vennootschap geweigerd weze het dat zij uiteindelijk werden bezorgd met de noordelijke en hindernissen.
Het voorafgaande alleen al wordt door de rechtbank aanzien als een gegronde reden tot uittreding van eisers uit de vennootschap nu deze wanprestatie in hoofde van de verweerders de oorzaak is van een onherstelbaar wantrouwen van eisers.
Bovendien blijkt uit de omstandigheden dat de verweerders de opdrachten van eisers in de vennootschap hebben beëindigd en dat de verweerders van de ene op de andere dag zonder werk werden gesteld, zonder enige vergoeding. Bovendien werd vastgesteld dat er geen dividenden werden uitgekeerd en aldus eisers geen inkomen verworven hebben uit de vennootschap waardoor het gezin van eisers aangewezen is op het loon van de echtgenote die dan weer op haar beurt werkzaam was in de verpakkingsafdeling van de vennootschap.
Dat de eisers niet kunnen volhouden dat er geen sprake is van onenigheid nu de eisers zelf in een brief gewezen hebben op de noodzaak van een maatregel en zelfs verwijst naar drastische maatregelen om de serene werksfeer te behouden. Alleen al deze houding van eisers beoogt overduidelijk elke verdere samen of medewerking te verhinderen en maakt een erkenning uit van het feit dat partijen niet verder kunnen samenwerken.
De rechtbank stelt verder vast dat uit het feit relaas blijkt dat er ook onenigheid bestaat over de terugbetaling van de leningen die door eisers werden toegekend en over het kredietsom loopt van de rekeningcourant.
De rechtbank stelt verder vast dat er een voortdurend misdrijf werd gepleegd van de meerderheid door de eerste en tweede verweerders hetgeen ten overvloede blijkt uit het voormelde feitenrelaas, waar naast de wordt vastgesteld dat de laatste jaren geen dividenden werden uitgekeerd aan de aandeelhouders, niettegenstaande de vennootschap winst maakt en dit enkel met het doel eisers als minderheidsaandeelhouders uithongeren terwijl de zaakvoerder zich niets ontzegt.
De rechtbank stelt verder vast dat de verweerders de vennootschap uitsluitend besturen in hun eigenbelang met miskenning van de rechten en de belangen van de minderheidsaandeelhouders.
Hierbij verwijst het vonnis naar een arrest van het hof van beroep te Gent van 8 november 2004 waarbij het feit dat de meerderheidsaandeelhouders geen vergoeding voor het kapitaal uitbetaalden mee in aanmerking werd genomen als gegronde reden (hof van beroep Gent 2004 RABG 2005 - 17, 1589 en B. Tilleman in "de uittreding en uitsluiting" TPR 2000, nummer 158.
Op basis van al deze overwegingen stelt de rechtbank vast dat er tussen eisers en verweerders een breuk is ontstaan die elke verdere samenwerking onmogelijk maakt, dewelke aan voormelde verweerders te wijten is.
De rechtbank stelt vast dat zij de bevoegdheid heeft tot bepaling van de vast te stellen prijs, hetgeen zijzelf kan doen of waarbij ze zich kan laten bijstaan door een deskundige conform artikel 962 van het gerechtelijk wetboek, waarna de rechtbank een deskundige aanstelt en de verweerders veroordeeld de aandelen van eisers over te nemen tegen de prijs die zal worden betaald door de aan te stellen deskundige.
• Brussel 11 oktober 2005, en RABG 2009/2 pagina 94
Artikel 642 van het wetboek van vennootschappen bepalend dat iedere aandeelhouder om gegronde redenen in rechte kan vorderen dat zijn aandelen worden overgenomen door de aandeelhouders op wie deze gegronde redenen betrekking hebben. Voor de toepassing van dit voorschrift weegt, anders dan in het geval van gedwongen overdracht, in beginsel niet het belang van de vennootschap door, maar dit van de vennoot die wenst uit te treden.
De redenen die worden aangevoerd moet een van die aard zijn dat men van de eisende partij niet verder kan verwachten dat zij nog langer als vennoot zou aanblijven.
Het moet gaan om gedragingen die kunnen worden toegerekend aan de tegenpartij in diens hoedanigheid van vennoot. Maar bij de toepassing van artikel 642 van het wetboek van vennootschappen moet eveneens worden nagegaan of de eiser al dan niet over andere wettelijke mogelijkheden beschikt om zijn rechten te vrijwaren.
Het loutere ontslag van een bestuurder kan niet als een gegronde reden worden beschouwd die toerekenbare kan gesteld worden aan de wederpartij. Het mandaat van bestuurders kan immers op elk moment worden herroepen en deze beslissing blijkt op een regelmatige wijze te zijn genomen door de algemene vergadering in aanwezigheid van de eisende partij. Het feit dat dit gebeurde meerderheid tegen minderheid maakt op zichzelf geen gegronde redenen uit.
Een misbruik van meerderheid worden deze niet bewezen en wordt ook niet aangetoond.
Het arrest overweegt nog tal van andere argumenten die terug te vinden zijn in voormelde publicatie van RABG 2009/2 pagina 100 en volgende. De publicatie in RABG besluit met een uitvoerige noot van Kips over de gegronde en niet gegronde redenen in het kader van de uittreding op grond van artikel 642 van het wetboek van vennootschappen.
In dezelfde bijdrage is er heel wat rechtsliteratuur terug te vinden over de vaststelling van de peildatum voor de waarde van de aandelen en de waardebepaling zo ook met betrekking tot de gevolgen van de echtscheiding voor de procedure een uitsluiting met rechtspraak en rechtsleer dienaangaande. Tenslotte besteedt deze publicatie aandacht aan de prijs clausule in de oorspronkelijke aandeelhoudersovereenkomst en over het lot van een bemiddelingsprocedure in de aandelenovereenkomst.
• Cassatie 28/11/2011, RW 2012-2013, 18
samenvatting
Indien de feiten die als gegronde redenen kunnen worden aangevoerd in de regel verband zullen houden met de vennootschap waaruit de aandeelhouder wenst te treden, is het niet uitgesloten dat ook feiten die geen verband houden met die vennootschap in aanmerking worde genomen,
Uittreksel uit het arrest
W.L. t/ S. Van Den B. e.a.
AR nr. 11.0338.N
I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 4 november 2010....
II. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Eerste onderdeel
1. De eerste rechter oordeelde dat:
– BVBA N. geen eigen exploitatieactiviteiten heeft en dat NV T.C. de enige klant is van deze vennootschap;
– gezien de niet betwiste verwevenheid op commercieel en vennootschapsrechtelijk vlak tussen NV T.C. en BVBA N., de vordering tot uittreding, die gegrond werd bevonden met betrekking tot de aandelen in NV T.C., ook wordt aangenomen met betrekking tot de aandelen in BVBA N.
2. De appelrechters oordelen dat de eerste rechter terecht heeft beslist dat door de overdracht van de kernbedrijfstakken een situatie is ontstaan bij NV T.C. en in het verlengde daarvan bij BVBA N., waardoor niet in redelijkheid kan worden verwacht van de verweerder dat hij nog langer aandeelhouder blijft.
3. Door aldus te oordelen mede met overname van de redenen van de eerste rechter, beantwoorden de appelrechters het in het onderdeel bedoeld verweer.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.
Tweede onderdeel
4. Krachtens art. 340, eerste lid W.Venn. kan iedere vennoot om gegronde redenen in rechte vorderen dat zijn aandelen worden overgenomen door de vennoten op wie deze gegronde redenen betrekking hebben.
5. De gegronde redenen moeten van die aard zijn dat van de vennoot die de overname vordert in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij nog langer vennoot blijft.
De rechter oordeelt op onaantastbare wijze of de aangevoerde feiten als gegronde redenen in de zin van art. 340, eerste lid W.Venn. dienen te worden beschouwd.
Indien de feiten die als gegronde redenen kunnen worden aangevoerd in de regel verband zullen houden met de vennootschap waaruit de aandeelhouder wenst te treden, is het niet uitgesloten dat ook feiten die geen verband houden met die vennootschap in aanmerking worden genomen.
6. De appelrechters stellen vast dat de verweerder zich erover beklaagt als bestuurder van NV T.C. en als aandeelhouder van NV T.C. en BVBA N. buitenspel te zijn gezet bij de beslissingen tot reorganisatie van de activiteiten van NV T.C. die werden overgeheveld naar andere vennootschappen waarin de verweerder niet participeerde.
Door op grond van die vaststelling te oordelen dat door deze reorganisatie zowel bij NV T.C. als in het verlengde daarvan ook bij BVBA N. een situatie is ontstaan die is toe te rekenen aan de eiser en waardoor in redelijkheid van verweerder niet verwacht kan worden langer vennoot te blijven, verantwoorden de appelrechters hun beslissing dat er gegronde redenen tot uittreding zijn naar recht.
Noot onder dit arrest in het RW 2012-2013, 18, Floris Parrein De vordering tot uittreding en de gegronde redenen: “over het muurtje kijken” mag!
De gedwongen verkoop of aankoop van aandelen
Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, Zoals in kort geding – 9 december 2010, RW 2012-2013, 785
samenvatting
De vordering tot gedwongen uitsluiting (art. 636-641 W.Venn). vereist de aanwezigheid van gegronde redenen die van aard zijn om de vennootschap ernstig en onherroepelijk te schaden en die gekoppeld zijn aan het belang en de het voortbestaan van de onderneming. Het loutere bestaan van en conflict, zonder patstelling of zonder dat de continuïteit van de vennootschap gevaar loopt, volstaat niet. De uitsluiting vereist dat de in gevaar verkerende vennootschap reeds werd opgericht. Een intentieverklaring tot oprichting, gesloten door beide promotoren, volstaat daartoe niet. Aangezien er tussen beide promotoren een gerechtelijke procedure tot verbreking van deze intentieovereenkomst hangend is, is de gevorderde uitsluiting niet het vereiste ultieme redmiddel dat “de vennootschap” moet redden. Aangezien de nog op te richten vennootschap nog niet is opgericht en o.m. nog geen statuten heeft, kan bovendien nog niet worden voldaan aan de in art. 637 en 639 W.Venn. gestelde vereisten om de uitsluitingsregeling te kunnen toepassen.
tekst vonnis
NV H. t/ BVBA P.
...
Gelet op de inleidende geregistreerde dagvaarding van 27 oktober 2010, ertoe strekkende verweerster te veroordelen tot overdracht van haar aandeel in de vennootschap in oprichting van verzoekster, in het belang van het project deze overdracht onmiddellijk te bepalen tegen een prijs van één euro, onder voorbehoud van terugvordering in geval van ontbinding, subsidiair de prijs van het aandeel te bepalen in acht genomen het feit dat BVBA P. en haar aandeelhouder door het niet nakomen van de aangegane verbintenissen het project niet konden realiseren;
Gelet op de tegeneis bij conclusies 25 november 2010, er subsidiair toe strekkende eiseres, verweerster op tegeneis, uit te sluiten van de op te richten vennootschap met aanstelling van een deskundige ter bepaling van de waarde van de participatie;
Antecedenten
Met het oog op de realisatie van een vastgoedproject in Tervuren en waarvoor door hem al een aantal voorbereidende overeenkomsten (aankoop onroerende goederen, architectenovereenkomst, makelaarsovereenkomst, afbraak- en bouwvergunning) waren gesloten, ging de h. L.S. (enige aandeelhouder van BVBA P.) op zoek naar een financier die hij vond in de persoon van de h. J.V. (NV H.).
Dientengevolge werd op 16 juli 2010 een “Intentieovereenkomst tot samenwerking voor de realisatie van het vastgoed promotieproject te Tervuren” gesloten tussen NV H. en BVBA P., waarbij werd overeengekomen dat partijen een naamloze vennootschap zullen oprichten met als voorlopige benaming “NV V. in oprichting” die zal optreden als projectontwikkelaar.
Daarbij worden ook afspraken gemaakt over de overname van de bestaande overeenkomsten, over de financiering van een en ander, over de verdere realisatie van het project en over de winstverdeling (50/50).
Er wordt ook afgesproken dat partijen elk voor 50% zullen participeren in het maatschappelijk kapitaal.
De verstandhouding tussen partijen raakt evenwel zoek en de vennootschap geraakt maar niet opgericht.
Om te kunnen overgaan tot de ondertekening van de authentieke akte van aankoop van de onroerende goederen, wordt een procedure in kort geding gevoerd, waarna beide partijen deze ondertekenen voor de vennootschap in oprichting.
Onenigheid over de uitvoering en meer in het bijzonder over de uitvoering van de intentieverklaring van 16 juli 2010 en de financiële afhandeling ervan, leidt tot een algehele vertrouwensbreuk tussen partijen.
Partijen vorderen wederzijds de verbreking van de intentieverklaring en BVBA P. brengt op 18 oktober 2010 dientengevolge dagvaarding uit.
NV H. brengt vervolgens op 27 oktober 2010 huidige dagvaarding zoals in kort geding uit teneinde in het raam van de geschillenregeling, zoals uitgewerkt in het Wetboek Vennootschappen, BVBA P. te horen veroordelen tot gedwongen overdracht van haar aandeel in de op te richten vennootschap.
In rechte
Eisers voeren aan dat de gegronde redenen vereist voor een uitsluiting en dus een gedwongen overdracht van aandelen hier voorhanden zijn en dat het feit dat het om een vennootschap in oprichting gaat, deze toepassing niet belet.
Het is juist dat de figuur van een vennootschap in oprichting bestaat en dat zij alvast een aantal verbintenissen kan opnemen, maar het zijn de oprichters die persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk zijn tot op het ogenblik dat de vennootschap is opgericht en deze verbintenissen heeft overgenomen (art. 60 e.v. W.Venn.).
De wetgever heeft de procedure tot uitsluiting en/of uittreding van aandeelhouders als een mogelijke vorm van geschillenregeling ingevoerd teneinde meer drastische ingrepen zoals ontbinding, voorlopig bewindvoerder dan wel sekwester te vermijden in het belang van de vennootschap, maar de regeling van gedwongen uitsluiting vereist de aanwezigheid van gegronde redenen van aard om de vennootschap ernstig en onherroepelijk te schaden en die gekoppeld zijn aan het belang en het voortbestaan van de onderneming zoals daar zijn de wanprestatie van een vennoot, en/of de duurzame onenigheid van ernstige aard tussen de vennoten, en/of de voortdurende miskenning van het vennootschapsbelang door een aandeelhouder, en/of de verhindering van een vennoot wegens ouderdom, ziekte, onbekwaamheid, hechtenis ..., en/of de onmogelijkheid tot verdere realisatie van het maatschappelijk doel (zie: A. Coubion, “Du détournement de procédure en matière de retrait forcé – La tentation de donner un caractère indemnitaire à l’article 642 du Code des sociétés” (noot onder Brussel 13 mei 2004), TBH 2005, p. 408, nr. 4).
Uit de parlementaire tussenkomsten n.a.v. de wet valt af te leiden dat de gegronde redenen, vereist voor art. 190ter W.Venn. niet toekijken op de verstoring van het samenwerkingsverband (zoals bij art. 1871 BW), maar wel op de behartiging van de vennootschapsbelangen, in het raam van een aandeelhoudersconflict, kortom dat het vennootschapsbelang primeert en dat de loutere aanwezigheid van een conflict, zonder patstelling of zonder dat de continuïteit van de vennootschap gevaar loopt, niet volstaat (Voorz. Kh. Hasselt 14 februari 1997, TRV 1997, 105; Voorz. Kh. Leuven 28 november 1996, AJT 1996-97, 335; Voorz. Kh. Antwerpen 8 juni 2000, AR nr. 99/09715).
Het welzijn van de vennootschap moet een zodanig ernstig gevaar lopen dat ingrijpen noodzakelijk is. Er moet dus sprake zijn van een vennootschap die gevaar loopt, maar die is hier nog niet opgericht: er bestaat enkel een intentieverklaring tot oprichting. Er is ook geen ernstig vooruitzicht dat de vennootschap zal worden opgericht.
Er zijn al wel een aantal engagementen opgenomen, maar die zijn nog niet bekrachtigd door de op te richten vennootschap. Ook zijn er nog geen aandelen voorhanden.
Daarenboven behelst de regeling een ultieme remedie die de vennootschap moet redden wanneer er geen andere remedies meer overblijven teneinde het conflict tussen de vennoten te beslechten, en de vordering kan niet worden toegelaten wanneer de partijen over andere middelen beschikken om een einde te maken aan de moeilijkheden die de vennootschap kent (Parl.St. Kamer 1989-90, nr. 1214/5, p. 3; Parl.St. Senaat, nr. 1086/2, p. 430).
Het blijkt dat tussen partijen een procedure hangende is strekkende tot verbreking van de intentieovereenkomst, dus geen ultieme remedie.
Ook moet de vennootschap worden gedagvaard, minstens ter regularisatie nadien in de procedure worden betrokken, wat in casu niet mogelijk is omdat zij (nog) niet bestaat.
Bij de inleiding van zijn eerste conclusie moet een afschrift worden gevoegd van de gecoördineerde statuten, alsook een afschrift of een uittreksel van alle overeenkomsten die de overdraagbaarheid van de aandelen beperken teneinde te kunnen toezien op eventuele overdrachtsbepalingen of voorkeurregelingen, maar in casu bestaan nog geen statuten en werden zij dus ook niet neergelegd.
Het is dus duidelijk dat onderhavig geschil om verschillende redenen niet ressorteert onder de geschillenregeling zoals bedoeld als ultieme remedie teneinde de continuïteit van de vennootschap te waarborgen en haar voor erger kwaad te behoeden.
Het kan niet de bedoeling zijn via huidige procedure in te grijpen in de “intentieovereenkomst tot samenwerking voor de realisatie van het vastgoed promotieproject te Tervuren”.
...
- Doelgroep:
- Elfricon trefzinnen:
- Link rubrieken:
- Rechtstakken:
- Kernwoorden:
- Soort link:
- Status homepage:
- Toepassingsgebied:
- Topics:
Hebt u nog een vraag?
Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.
Andere zoekopties
U kan onze website eveneens doorzoeken met deze opties:
- A-Z index
- Chronologische lijst van recente aanpassingen
- Doelgroepen
- De zoekfunctie op trefwoord (beta)
- Op kernwoorden
- Rechtsleer
- Rapport van alle bijdragen op deze site
- Rechtspraak
- Wetgeving
- Modellen
- RSS feeds
Aanvulling
Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.

