-A +A

Wanneer mag een bloedproef worden genomen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het laten nemen van een bloedmonster kan alleen worden opgelegd als de ademtest een alcoholgehalte van ten minste 0,22 milligram aangeeft per liter uitgeademde alveolaire lucht en een ademanalyse niet kan worden uitgevoerd, of indien noch die ademanalyse noch de ademtest uitgevoerd konden worden en de betrokkene zich blijkbaar bevindt in een toestand van alcoholintoxicatie of van dronkenschap (cf. Cass. 29 april 1998, Arr. Cass. 1998, 219).

Een bloedproef kan worden uitgevoerd ingeval diegenen die reeds in ademanalyse onderging een tweede ademanalyse verzocht en nadien bij wijze van tegen expertise om een bloedproef verzoekt.

Wanneer geen ademtest en ook geen ademanalysetest kan worden uitgevoerd dan volgens artikel 63 paragraaf 1,2° van de wegverkeerwet de bloedproef slechts worden opgelegd wanneer de verbalisanten vaststellen dat de betrokkene geïntoxiceerd was ten belope van minstens 0,35 mg/l UAL of dat het slachtoffer dronken was (of zich in een soortgelijke staan bevond ingevolge een namen van drugs of medicatie. Wanneer de verbalisanten geen enkele materiële vaststelling gedaan hebben in die zin kunnen zij niet overgaan tot het afnemen van een bloedproef.

De mededeling van ontstaan was dat het slachtoffer van een café kwam is onvoldoende zolang de verbalisanten niet persoonlijk vaststelt dat het slachtoffer in bovenvermelde toestand verkeert. De verbalisanten kon wat omstaanders zeiden trouwens niet nagaan en zelfs al zou dit het geval geweest zijn, dan kon de verbalisant niet gidsen hoeveel betrokkene had gedronken.

Ook de latere vaststellingen van de inmiddels gevorderde geneesheer dat de adem van de betrokkenen naar alcohol rook, maakt de bloedproef niet wettig. Op basis van deze omstandigheden oordeelde de correctionele rechtbank te Brugge op 6 juni 2008 en RABG 2009/10, 682 dat de bloedproef onwettig was en de betrokkene diende vrijgesproken. Zie ook de noot onder dit vonnis van Patrick Arnou: De bloedproef wanneer noch de ademtest, noch de ademanalysetest konden worden uitgevoerd. RABG 2009/10, 686

 

 

Nog dit: 

Arrest Gronwettelijk Hof, 6 juni 2013, RW 2013-2014, 304

Arrest nr. 78/2013

Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 7 september 2012 in zake het openbaar ministerie tegen D.V., heeft de Politierechtbank te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld:

“Schendt art. 63, § 3 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer art. 10 en 11 van de Grondwet door aan de in art. 59, § 1 van dezelfde wet bedoelde overheidspersonen de verplichting op te leggen om op verzoek van de personen bedoeld in 1o en 2o van hetzelfde artikel van dezelfde wet bij wijze van tegenexpertise, die personen een bloedproef te laten ondergaan wanneer er bij hen een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht werd gemeten, terwijl diezelfde mogelijkheid tot het vragen van een tegenexpertise én de plicht aan de bevoegde overheidspersonen om aan een dergelijk verzoek gevolg te geven niet wettelijk is voorgeschreven, wanneer de aanvrager een persoon is bij wie een alcoholconcentratie van minstens 0,22 maar minder dan 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht werd gemeten, terwijl ook die laatste alcoholconcentratie tot een (weliswaar mildere) strafrechtelijke veroordeling van de betrokkene kan leiden?”.

...

In rechte

...

B.1.1. De prejudiciële vraag betreft art. 63, § 3 van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij KB van 16 maart 1968 (hierna: Wegverkeerswet), dat bepaalt:

“De in [artikel] 59, § 1 bedoelde overheidspersonen moeten op verzoek van de personen bedoeld in 1o en 2o van dezelfde paragraaf, en bij wijze van tegenexpertise, deze personen een bloedproef laten ondergaan door een daartoe opgevorderde geneesheer indien de ademanalyse, bekomen na toepassing van artikel 59, § 3 een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet”.

B.1.2. Art. 59 van de Wegverkeerswet, waarnaar de in het geding zijnde bepaling verwijst, bepaalt:

Ҥ 1. De officieren van gerechtelijke politie die hulpofficier zijn van de procureur des Konings [en] het personeel van het operationeel kader van de federale en lokale politie kunnen een ademtest opleggen die erin bestaat te blazen in een toestel dat het niveau van de alcoholopname in de uitgeademde alveolaire lucht aangeeft:

1o aan de vermoedelijke dader van een verkeersongeval of aan ieder die het mede heeft kunnen veroorzaken, zelfs indien hij het slachtoffer ervan is;

2o aan ieder die op een openbare plaats een voertuig of een rijdier bestuurt of een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing;

3o aan ieder die op het punt staat om op een openbare plaats een voertuig of een rijdier te besturen of op het punt staat een bestuurder te begeleiden met het oog op de scholing.

§ 2. De overheidsagenten bedoeld in § 1 kunnen in dezelfde omstandigheden, zonder voorafgaande ademtest, een ademanalyse opleggen, die erin bestaat te blazen in een toestel dat de alcoholconcentratie in de uitgeademde alveolaire lucht meet.

§ 3. Op verzoek van de in § 1, 1o en 2o bedoelde personen aan wie een ademanalyse werd opgelegd, wordt onmiddellijk een tweede analyse uitgevoerd en, indien het verschil tussen deze twee resultaten meer bedraagt dan de door de Koning bepaalde nauwkeurigheidsvoorschriften, een derde analyse.

Indien het eventuele verschil tussen twee van deze resultaten niet meer bedraagt dan de hierboven bepaalde nauwkeurigheidsvoorschriften, wordt het laagste resultaat in aanmerking genomen.

Indien het verschil groter is, wordt de ademanalyse als niet uitgevoerd beschouwd.

§ 4. De toestellen gebruikt voor de ademtest en voor de ademanalyse moeten gehomologeerd zijn, op kosten van de fabrikanten, invoerders of verdelers die de homologatie aanvragen, overeenkomstig de bepalingen vastgesteld door de Koning die bovendien bijzondere gebruiksmodaliteiten van deze toestellen kan vaststellen”.

B.2. Het Hof wordt gevraagd of art. 63, § 3 van de Wegverkeerswet verenigbaar is met art. 10 en 11 van de Grondwet, doordat de officieren van gerechtelijke politie die hulpofficier zijn van de procureur des Konings en het personeel van het operationeel kader van de federale en lokale politie ertoe zijn gehouden de personen bij wie door middel van een ademanalyse een alcoholconcentratie wordt gemeten van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht, op hun verzoek een bloedproef te laten ondergaan bij wijze van tegenexpertise, terwijl dat niet het geval is wanneer een alcoholconcentratie van ten minste 0,22 milligram en minder dan 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht wordt gemeten.

B.3. De in het geding zijnde bepaling roept een verschil in behandeling in het leven tussen, enerzijds, de personen bij wie door middel van een ademanalyse een alcoholconcentratie wordt gemeten van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht en, anderzijds, de personen bij wie een alcoholconcentratie wordt gemeten van ten minste 0,22 milligram en minder dan 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht, doordat enkel de eerste categorie van personen beschikt over een recht op een tegenexpertise door middel van een bloedproef.

B.4. Dat verschil in behandeling berust op het criterium van de bij die personen door middel van een ademanalyse gemeten hoeveelheid alcoholconcentratie per liter uitgeademde alveolaire lucht.

B.5.1. De in het geding zijnde bepaling gaat terug op de wet van 18 juli 1990 “tot wijziging van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968 en van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen”.

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever met die wet “de verkeersveiligheid drastisch [wilde] verbeteren”, onder meer door “de pakkans en de daarbij aansluitende bestraffing te verhogen” (Parl.St. Kamer 1989-90, nr. 1062/1, p. 5).

B.5.2. Met betrekking tot het rijden onder invloed vermeldt de parlementaire voorbereiding:

“Op dit ogenblik bedraagt de strafbare drempel 0,8 g per liter bloed en kan het bewijs van de overtreding enkel worden vastgesteld door de analyse van het bloed. Aangezien het bloedmonster slechts mag genomen worden door een geneesheer, levert de huidige procedure in de praktijk heel wat moeilijkheden op; zij betekent onder meer een enorm tijdverlies en omslachtigheid voor de politie en de rijkswacht.

“Daarom wordt voorgesteld om de bloedproef te vervangen door een ademanalyse door middel van elektronische apparatuur.

“Dergelijke apparaten zijn al in gebruik in verschillende landen, onder meer Oostenrijk, Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk.

“De interministeriële werkgroep die de wijziging van de wet op dit domein heeft voorbereid, heeft een wetenschappelijk comité belast met een diepgaande studie van deze elektronische apparaten.

“Uit het rapport van dit wetenschappelijk comité blijkt duidelijk dat de ademanalyse even geldig is [als] de bloedanalyse om het alcoholopnameniveau van een bestuurder vast te stellen en dat deze apparaten zeer betrouwbaar zijn.

[…]

“Het resultaat van de analyse is onmiddellijk beschikbaar door middel van een digitale aanduiding op het toestel. Om elke latere betwisting uit te sluiten, wordt het resultaat eveneens gedrukt en bij het proces-verbaal gevoegd.

“Teneinde de alcoholopname op het terrein vast te stellen zal de huidige ademtest, die erin bestaat om in een blaaspijpje te blazen, eveneens worden vervangen door een nieuwsoortige ademtest, die erin bestaat om in een draagbaar elektronisch apparaatje te blazen, dat een eerste aanduiding geeft over het alcoholgehalte in de uitgeademde lucht.

“Indien het strafbaar alcoholgehalte is bereikt of overschreden, zal het resultaat moeten bevestigd worden door de hierboven beschreven ademanalyse-apparatuur.

[…]

“Politie of rijkswacht zullen geen keuze kunnen maken tussen de ademanalyse en de bloedproef. Zij moeten tot de analyse van de uitgeademde lucht overgaan en kunnen enkel de bloedproef opleggen in de gevallen die uitdrukkelijk worden vermeld” (Parl.St. Kamer 1989-90, nr. 1062/1, p. 7-8).

B.5.3. Daaruit blijkt dat de wetgever, zich baserend op een rapport van een wetenschappelijk comité, ervan is uitgegaan dat “de ademanalyse even geldig is [als] de bloedanalyse om het alcoholopnameniveau van een bestuurder vast te stellen” en dat de desbetreffende “apparaten zeer betrouwbaar zijn”, wat door de beklaagde voor de verwijzende rechter niet wordt tegengesproken.

Om de betrouwbaarheid van de gebruikte toestellen te waarborgen, heeft de wetgever overigens bepaald dat die toestellen moeten worden gehomologeerd overeenkomstig de bepalingen vastgesteld door de Koning, die bovendien bijzondere gebruiksmodaliteiten ervan kan vaststellen (art. 59, § 4 Wegverkeerswet). Ter uitvoering van die bepaling schrijft het KB van 21 april 2007 betreffende de ademtesttoestellen en de ademanalysetoestellen onder meer voor dat de ademanalysetoestellen dienen te worden onderworpen aan een modelgoedkeuring, aan een eerste ijk, aan een herijk en aan een technische controle.

B.5.4. Uit de aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt eveneens dat de wetgever de bloedproef heeft vervangen door een ademanalyse, omdat een “bloedmonster slechts mag genomen worden door een geneesheer”, waardoor die proef “een enorm tijdverlies en omslachtigheid voor de politie en de rijkswacht” met zich meebrengt. Het resultaat van een ademanalyse is daarentegen “onmiddellijk beschikbaar door middel van een digitale aanduiding op het toestel”.

B.6. Gelet op het uitgangspunt van de wetgever dat de betrouwbaarheid van de ademanalyse wetenschappelijk is aangetoond en rekening houdend met de voormelde motieven betreffende de efficiëntie van de alcoholcontroles, is het ten aanzien van de in B.5.1 vermelde doelstellingen niet zonder redelijke verantwoording dat de bloedproef principieel werd vervangen door de ademanalyse.

B.7. Niettemin werd de bloedproef voor specifieke situaties behouden, meer bepaald voor de gevallen waarin de andere methodes om de alcoholintoxicatie te meten, niet kunnen worden uitgevoerd (art. 63, § 1 Wegverkeerswet), en voor het geval waarin een persoon bij wie door middel van een ademanalyse een alcoholconcentratie wordt gemeten van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht, verzoekt om een tegenexpertise door middel van een bloedproef (art. 63, § 3).

B.8.1. Uit de parlementaire voorbereiding van de voormelde wet van 18 juli 1990 blijkt dat de beperking van het recht op een tegenexpertise door middel van een bloedproef tot de gevallen waarin een alcoholconcentratie wordt gemeten van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht, is ingegeven door de overweging dat de wet voor die gevallen van alcoholintoxicatie voorziet in zwaardere straffen (Parl.St. Senaat 1989-90, nr. 967-2, p. 21).

B.8.2. Art. 34 van de Wegverkeerswet bepaalt:

Ҥ 1. Met geldboete van 25 euro tot 500 euro wordt gestraft hij die op een openbare plaats een voertuig of een rijdier bestuurt, of een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing, terwijl de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,22 milligram en minder dan 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet of de bloedanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,5 gram en minder dan 0,8 gram per liter bloed aangeeft.

“Bij herhaling binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan worden deze straffen verdubbeld.

§ 2. Met geldboete van 200 euro tot 2 000 euro, wordt gestraft:

1o hij die op een openbare plaats een voertuig of een rijdier bestuurt of een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing, terwijl de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet of de bloedanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,8 gram per liter bloed aangeeft;

[…]”.

Art. 36 van die wet bepaalt:

“Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van 400 euro tot 5 000 euro of met een van die straffen alleen en het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste drie maanden en ten hoogste vijf jaar of voorgoed, wordt gestraft hij die, na een veroordeling met toepassing van artikel 34, § 2 of artikel 35 of artikel 37bis, § 1, een van deze bepalingen binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan opnieuw overtreedt.

“In geval van nieuwe herhaling binnen drie jaar na de tweede veroordeling, kunnen de hierboven bepaalde gevangenisstraffen en geldboeten worden verdubbeld”.

B.8.3. De geldboetes verschillen derhalve substantieel – zowel wat de minima als wat de maxima betreft – naargelang de gemeten alcoholconcentratie per liter uitgeademde alveolaire lucht 0,35 milligram of meer dan wel minder dan 0,35 milligram bedraagt. Bovendien kunnen de personen bij wie een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht wordt gemeten, in geval van herhaling worden gestraft met een gevangenisstraf, wat niet het geval is voor de andere categorie van personen. Blijkens de parlementaire voorbereiding van de wet van 18 juli 1990 is die differentiatie ingegeven door de vaststelling dat het risico op ongevallen sterk toeneemt bij een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht (Parl.St. Kamer 1989-90, nr. 1062/1, p. 9).

B.9. De differentiatie op het vlak van de strafmaat sluit aan bij de in de Wegverkeerswet vervatte regeling betreffende de onmiddellijke inning van een som. Voor de lichtere vormen van alcoholintoxicatie bepaalt art. 65, § 1 van die wet dat de verbalisanten verplicht zijn om aan de betrokken bestuurder de onmiddellijke inning van een som voor te stellen.

Daaruit kan worden afgeleid dat de wetgever ernaar heeft gestreefd de lichtere vormen van alcoholintoxicatie zoveel als mogelijk te laten afhandelen via de onmiddellijke inning van een som – die krachtens het voormelde art. 65, § 1 gelijk is aan de minimumboete bepaald in art. 34, § 1, vermeerderd met de opdeciemen –, zonder evenwel afbreuk te doen aan het recht van de betrokken bestuurder om niet in te gaan op het voorstel tot inning van een som.

B.10. De wetgever, die een systeem van alcoholcontrole wenste in te voeren dat op bevredigende en efficiënte wijze kon worden toegepast, vermocht ervan uit te gaan dat het, mede gelet op de betrouwbaarheid van de ademanalyse, niet noodzakelijk was te voorzien in een recht op een tegenexpertise door middel van een bloedproef voor de personen bij wie een lichtere vorm van alcoholintoxicatie wordt gemeten, en dit vanwege het feit dat het in dat geval gaat om minder ernstige misdrijven, alsook dat het recht van verdediging voldoende wordt gewaarborgd door de mogelijkheid om een tweede en, in voorkomend geval, een derde ademanalyse aan te vragen, zoals is bepaald in art. 59, § 3 van de Wegverkeerswet. De beperking van het recht op een tegenexpertise door middel van een bloedproef tot de gevallen waarin een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht wordt gemeten, is niet onevenredig ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen en is redelijk verantwoord.

B.11. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:15
Laatst aangepast op: wo, 13/09/2017 - 07:34

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.