-A +A

aansprakelijkheid overheid bij wegenwerken kleine oneffenheden maken geen fout uit

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Politierechtbank
Plaats van uitspraak: Brugge
Datum van de uitspraak: 
don, 21/02/2008
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
1445
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

F.M. t/ Stad Oostende

A. Gegevens en voorwerp van de vordering

De vordering van eiseres strekt ertoe verweerster te veroordelen tot betaling van een bedrag van 1.880,32 euro in hoofdsom, als schadevergoeding voor een verkeersongeval te Oostende op 13 mei 2006.

De vordering is gebaseerd op een fout van verweerster in de zin van art. 1382-1383 B.W. juncto art. 135, § 2, Nieuwe Gemeentewet en op art. 1384, eerste lid, B.W.

Verweerster betwist haar aansprakelijkheid voor het ongeval en de eruit voortspruitende schade.

B. Beoordeling

1. Voornaamste feitelijke elementen en antecedenten

1. De vordering vindt haar oorsprong in een verkeersongeval dat zich volgens eiseres heeft voorgedaan op 13 mei 2006 op de hoek van het Leopold-I-plein en de Kemmelbergstraat te Oostende. Eiseres heeft geen aangifte gedaan bij de politie.

Op 17 mei 2006 vulde zij een aangifteformulier in (of liet het invullen door de verzekeringsmakelaar), waarin staat: «Openbare werken gaande, verzekerde is ten geval gekomen door werken» en nog «Openbare werken in die straat, verzekerde is ten val gekomen. Werken waren door uitbaatster winkel afgedekt met rode loper». Voorts is er in het formulier sprake van een gebroken neus.

Nadien stelde zij een meer uitgebreide verklaring op, waarin ze vermeldde dat het ongeval gebeurd is tussen 18 u en 18 u 30: «We zagen er geen signalisatie. De werken waren er afgezet met een omheining. Op het voetpad mocht wel gepasseerd worden. Op dit voetpad lag een rood tapijt voor een winkel. Er had net iemand teken gedaan en trapte er net na in een voor mij onzichtbaar putje. Het tapijt ontnam me elk zicht op de oneffen ondergrond. Zonder dit tapijt zouden de hindernissen zichtbaar en voorzienbaar zijn...».

Zij legt een getuigenverklaring voor, gedateerd 9 juni 2006, uitgaand van ene H.V., die noteerde dat: «Op 13 mei in de Kemmelbergstraat ter hoogte van het Leopold-I-plein omstreeks 18 u heb ik mevrouw M.F. op de grond zien liggen met een bebloed gezicht. Zij was kennelijk gestruikeld (dit wegens de slechte staat van het voetpad). Er werden toen werken uitgevoerd aan het Leopold-I-plein».

Voorts is er een getuigenverklaring van ene mevrouw N. die als volgt luidt: «Bij het naderen van een groepje mensen zag ik het bovenvermeld slachtoffer uitgestrekt liggend, hevig bloedend uit de neus. Haar bovenlichaam lag op het voetpad, haar onderste ledematen op een zandige, hobbelige opengebroken en met rood tapijt overdekte doorgang voor voetgangers. Deze doorgang had een niveauverschil dat wegens het tapijt moeilijk te bespeuren was».

Ten slotte is er een verklaring van ene mevrouw Van H., die schreef dat zij: «gevallen is... daar waar tapijt ligt dat de oneffenheden onzichtbaar maakt door de werken. Ik heb mevrouw naar het ziekenhuis gebracht waar ze de nodige onderzoeken deden. De uitslag was een gebroken neus...».

In het dossier van eiseres steken een aantal foto‘s. Men kan daarop zien dat de rijbaan afgesloten was met hekkens. Er was een doorgang via de stoep tussen de huisgevels en die hekkens. Op die stoep, waarin minstens een deel van de tegels ontbrak, lag een rood tapijt, blijkbaar met de bedoeling de ergste oneffenheden wat weg te werken en/of te voorkomen dat voetgangers al te veel vuil aan hun voeten zouden meebrengen in de aanpalende winkels.

2. Er zijn contacten geweest tussen de verzekeraar van eiseres (E.) en de verzekeraar van de aannemer (of één van de aannemers) die de werken uitvoerde (A.). Deze laatste heeft eiseres laten onderzoeken door een arts. Het verslag van die arts wordt niet voorgelegd, maar de conclusie ervan is wel te vinden in een brief van A. van 12 juni 2007. Eiseres was blijkens die brief arbeidsongeschikt aan 100% van 13 tot 31 mei 2006, aan 10% van 1 tot 15 juni 2006 en aan 5% van 16 tot 30 juni 2006, waarna de toestand consolideerde zonder blijvende invaliditeit en met een esthetische schade van 2 op de zevenledige schaal.

Wat er eiseres precies mankeerde, blijkt dus niet uit dat stuk, maar het feit op zich dat zij een gebroken neus opliep, wordt niet betwist.

Eiseres aanvaardde die conclusies van de arts van A., maar deze laatste weigerde uiteindelijk over te gaan tot uitbetaling. Eiseres wenst thans op basis van die conclusie vergoed te worden door verweerster.

2. Feiten bewezen?

Hoewel eiseres op het ogenblik van het ongeval geen tussenkomst van de politie heeft gevraagd en pas met vertraging aangifte heeft gedaan, kan toch voor bewezen worden aangenomen dat zij wel degelijk gevallen is op de plaats, tijdstip en de wijze die zij aanvoert.

De verklaringen van eiseres zelf, gelezen in samenhang met de verklaringen van verschillende getuigen, maken het inderdaad mogelijk de feiten op zichzelf voor bewezen aan te nemen.

3. Ten gronde

Eiseres beroept zich enerzijds op art. 1382 B.W. juncto art. 135, § 2, Nieuwe Gemeentewet en op de veiligheidsverplichting die aldaar aan de gemeente wordt opgelegd om te zorgen voor de veiligheid van de wegen op haar grondgebied, en anderzijds op art. 1384, eerste lid, B.W. waarbij zij verweerster aanspreekt als bewaarster van een gebrekkige zaak.

De aangevoerde rechtsgronden maken ieder op zichzelf een zelfstandige en toereikende aansprakelijkheidsgrond uit, zodat het volstaat dat aan de vereisten van één van de aangevoerde gronden is voldaan om tot de aansprakelijkheid van verweerster te besluiten.

a) Art. 1384, eerste lid, B.W.

Art. 1384, eerste lid, B.W. bepaalt dat iemand aansprakelijk is voor de schade veroorzaakt door een zaak die hij onder zijn bewaring heeft. Deze bepaling schept geen vermoeden van fout, maar wel een vermoeden van aansprakelijkheid door het gebrek in de zaak.

In casu is er geen betwisting over het feit op zichzelf dat de Kemmelbergstraat en het Leopold-I-plein behoren tot het domein van de stad Oostende, zodat verweerster te beschouwen is als de bewaarster van die weg in de zin van art. 1384, eerste lid, B.W.

Een zaak is gebrekkig als zij een abnormaal kenmerk vertoont, dus een kenmerk dat haar ongeschikt maakt voor normaal gebruik volgens haar bestemming, en dat van aard is in bepaalde omstandigheden aan derden schade te berokkenen.

Het is niet vereist dat het gebrek intrinsiek is aan de zaak (Cass. 2 maart 1995, R.W. 1996-97, 926; Pol. Gent 30 maart 1999, T.A.V.W. 2000, 315) of er een blijvend element van uitmaakt dat inherent is aan de zaak (Cass. 13 mei 1993, R.W. 1994-95, 1329; Cass. 17 januari 2003, T.B.B.R. 2004, 86; Cass. 28 januari 2005, NjW 2005, 1131).

De rechter moet nagaan of het kenmerk van de zaak, waarvan het slachtoffer beweert dat het een gebrek is dat hem schade berokkent, een abnormale dan wel een normale gesteldheid is van de zaak op het ogenblik van de feiten. Het abnormale karakter van een zaak kan slechts worden beoordeeld door een vergelijking te maken met zaken van dezelfde soort en hetzelfde type op het ogenblik van de feiten, zulks in het licht van de mogelijkheid om in bepaalde omstandigheden schade te berokkenen (Cass. 25 april 2005, R.W. 2007-08, 62). Indien het desbetreffende kenmerk een normale gesteldheid is van de zaak, kan er van een gebrek geen sprake zijn. Precies omdat het gebrek een afwijkend kenmerk of een afwijkende gesteldheid van de zaak moet zijn, heeft de aanwezigheid van het gebrek tot gevolg dat de zaak afwijkt van haar model.

De rechter die moet oordelen over de kwestie of een zaak gebrekkig is, zal die zaak dan ook impliciet of expliciet vergelijken met haar model. Het gebrek bestaat dan precies uit het verschil tussen de litigieuze zaak en haar model. Dat model mag evenwel niet volgens al te strikte criteria worden bepaald. Het model, het referentiepunt waarmee men de beweerd gebrekkige zaak dient te vergelijken, is dus geen perfecte zaak, aangezien de perfectie niet van deze wereld is. Het volstaat dat het model beantwoordt aan de eisen die men er redelijkerwijze van mag verwachten.

In verband met de opdracht van de rechtbank om de kwestieuze zaak, nl. de stoep van de Kemmelbergstraat en het Leopold-I-plein te Oostende zoals deze er bij lag op 13 mei 2006, te vergelijken met een «model», moet worden opgemerkt dat het model waarmee de rechtbank de vergelijking moet maken, niet een «modale» straat is, waar verkeer van motorvoertuigen, fietsers en voetgangers op de gebruikelijke manier verloopt. De straat (straten) was (waren) immers opengebroken en er was dus een werf. Ook de stoep was minstens gedeeltelijk opengebroken (zoals te zien op de foto‘s van eiseres en zoals door haarzelf in conclusies bevestigd) en was zeker nog niet (volledig) heraangelegd, want deze was blijkens de verklaring van getuige N. «zandig», «hobbelig» en «opengebroken». Het was ongetwijfeld de bedoeling de oneffenheden wat minder uitgesproken te maken door er een tapijt op te leggen, maar daardoor werden die oneffenheden wellicht minder goed zichtbaar.

De straat, inclusief de stoep, maakte dus deel uit van de werf. De rechtbank moet de toestand zoals hij op 13 mei 2006 bestond dus niet vergelijken met de toestand zoals die in de modale, «modelstraat» op een «modelstoep» zou moeten zijn, maar met hem vergelijke met de toestand zoals die op een normale «modelwerf» verwacht kan worden. Het is normaal dat er in een opengebroken straat geen verkeer van motorvoertuigen, fietsers en voetgangers mogelijk is of dat het er moeizaam verloopt. Het feit dat er putten en oneffenheden zijn en dat bewoners en voorbijgangers over oneffenheden moeten lopen om hun woning of een winkel te bereiken, zijn normale kenmerken van «model»werven. Bij wegenwerken en op werven is dit «normaal».

Doordat er werken aan de gang waren was het voor iedere weggebruiker, ook de voetgangers, duidelijk – minstens moest het duidelijk zijn – dat de situatie er uitzonderlijk was en dat zij niet te vergelijken was met een «gebruikelijke» weg waar geen werken aan de gang waren en die openstond voor al het «gebruikelijke» verkeer. Het spreekt vanzelf dat op een opgebroken rijbaan en een stoep waar geen tegels liggen of slechts gedeeltelijk, van de weggebruikers bijzondere aandacht verwacht mag worden. Zij mogen niet blindelings wandelen op de stoep, maar moeten hun aandacht houden op oneffenheden. Zij dienen zeer aandachtig en voorzichtig te zijn en rekening te houden met de toestand. Deze bijzondere aandacht en voorzichtigheidsplicht gelden ook als de meeste kleine oneffenheden genivelleerd worden door een tapijt. Ook dan moet de aandacht gaan naar de overblijvende putten of oneffenheden, uitsteeksels of verzakkingen die te allen tijde verwacht kunnen worden bij ingrijpende wegenwerken.

Naar het oordeel van de rechtbank kan men dan ook niet aannemen dat de Kemmelbergstraat en het Leopold-I-plein te Oostende op 13 mei 2006, toen er wegenwerken aan de gang waren, kenmerken vertoonden die abnormaal waren voor een werf, waardoor de stad Oostende zou moeten worden beschouwd als bewaarder van een gebrekkige werf.

Een zaak die de normale kenmerken vertoont die haar eigen zijn kan niet worden beschouwd als gebrekkig, zelfs al is er een gevaar en zelfs al werd er schade berokkend. Het feit dat de toestand gevaarlijk was en oorzaak is geweest van een valpartij met alle gevolgen vandien, volstaat naar het oordeel van de rechtbank niet om te spreken van een gebrek. De werf vertoonde immers alle normale kenmerken van een «model»werf.

Daarmee is gezegd dat de vordering ongegrond is in de mate waarin ze gebaseerd is op art. 1384, eerste lid, B.W.

b) Art. 135, § 2, Nieuwe Gemeentewet

Krachtens art. 135, § 2, Nieuwe Gemeentewet heeft de gemeente de verplichting te zorgen voor de veiligheid van de wegen op haar grondgebied. Zij mag slechts wegen voor het verkeer openstellen die voldoende veilig zijn. Uitgezonderd wanneer een vreemde oorzaak, die haar niet kan worden toegerekend, haar belet de op haar rustende beveiligingsplicht na te komen, moet de gemeente door gepaste maatregelen ieder abnormaal gevaar dat de redelijke verwachting van de weggebruikers kan beschamen, ongeacht of het verborgen dan wel zichtbaar is, voorkomen (Cass. 21 oktober 1993, J.L.M.B. 1996, 84; Cass. 26 mei 1994, R.W. 1994-95, 745; Cass. 28 januari 2005, NjW 2005, 1131; Antwerpen 16 februari 1998, R.W. 1999-2000, 554; Brussel 8 januari 2002, Verkeersrecht 2002/153; Gent 24 juni 1986, Verkeersrecht 1987/44; Rb. Gent 20 oktober 2003, V.A.V. 2004, 190; Rb. Brugge 7 december 1988, R.W. 1990-91, 859).

Een «abnormaal gevaar» is een hindernis die van aard is om het rechtmatig vertrouwen van de weggebruiker die op een normale wijze van de weg gebruik maakt te verschalken (Gent 29 september 1988, R.W. 1990-91, 331); Pol. Antwerpen 18 november 1999, Verkeersrecht 2000/91). Een abnormaal gevaar is een toestand waarop een normaal voorzichtige en redelijke overheid, geplaatst in dezelfde toestand, tussenbeide komt (D. Van Trimpont, «De aansprakelijkheid van de wegbeheerder anno 2001. Een praktijkgerichte stand van zaken», T.A.V.W. 2001, 246; Pol. Gent 13 januari 2003, De Verz. 2003, 431; Pol. Gent 6 november 2003, V.A.V. 2004, 192). De veiligheidsverplichting van de gemeente ten aanzien van het wegennet moet worden getoetst aan de algemene zorgvuldigheidsnorm van art. 1382-1383 B.W. (Rb. Gent 20 oktober 2003, V.A.V. 2004, 190).

In een straat waarin de rijbaan en de stoep zijn opengebroken omdat er wegenwerken aan de gang zijn, maken kleine oneffenheden in de stoep geen «abnormaal gevaar» uit in bovenvermelde betekenis van het woord. Het gaat niet om hindernissen die het vertrouwen kunnen verschalken van de weggebruiker die op een normale wijze gebruik maakt van de stoep, d.w.z. de weggebruiker die voldoende aandacht heeft voor de oneffenheden waarvan hij weet, minstens moet weten, dat ze op een werf aanwezig zijn.

De vordering is bijgevolg ongegrond in de mate waarin ze is gebaseerd op art. 135, § 2, Nieuwe Gemeentewet.

c) Art. 1382 B.W.

...

Er kan sprake zijn van een fout in de zin van art. 1382-1383 B.W. door het gedrag (of het gebrek daaraan) te toetsen aan de algemene zorgvuldigheidsnorm. De maatstaf die bij de beoordeling van de schadeverwekkende daad wordt gehanteerd, is die van de normaal zorgvuldige en omzichtige persoon die in dezelfde omstandigheden verkeert.

Eiseres preciseert niet op welke manier verweerster volgens haar had moeten handelen om te handelen zoals een normaal zorgvuldige en omzichtige overheid in dezelfde omstandigheden. Zij geeft niet concreet aan welke nalatigheid of fout verweerster zou hebben begaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen fout of nalatigheid van verweerster bewezen. Bij gebrek aan bewezen fout moet de vordering ook in de mate waarin ze gebaseerd is op art. 1382 B.W. als ongegrond worden afgewezen.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 27/04/2010 - 09:46
Laatst aangepast op: di, 20/12/2011 - 20:45

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.