-A +A

wegmaken van de goederen van de nalatenschap

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

In art. 792 B.W. wordt voorgeschreven: «De erfgenamen die goederen van de nalatenschap hebben weggemaakt of verborgen gehouden, verliezen de bevoegdheid om de nalatenschap te verwerpen; al verwerpen zij deze, toch blijven zij zuiver erfgenaam, zonder op enig aandeel in de weggemaakte of verborgen gehouden zaken aanspraak te kunnen maken».

Voor de toepassing van de hierboven geciteerde wetsbepaling zijn er vier voorwaarden:

–• het wegmaken of verborgen houden van goederen;

•– die tot de nalatenschap behoren;

–• met bedrieglijk inzicht;

–• door een erfgenaam.

Maar de heler ontsnapt aan de sanctie zo hij tijdig en spontaan berouw betoonde.

De erfgenamen die de toepassing van art. 792 B.W. inroepen, dragen de bewijslast. Aan appellanten behoort het dus te bewijzen dat ter zake is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van art. 792 B.W. Dat bewijs kan echter worden geleverd door alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen.

Vanaf het overlijden bestaat voor erfgenamen een plicht tot spreken. Zij moeten het bestaan van eventuele overdrachten van de gelden van de nalatenschap in hun voordeel ter kennis brengen.

Van bedrieglijk opzet is sprake wanneer het verborgen houden van activa erop gericht is de gelijkheid tussen de erfgenamen te verstoren of de mede-erfgenamen te beroven van wat hen toekomt in de verdeling. Zij die de heling inroepen, moeten het bewijs van bedrieglijk inzicht leveren. Kwade trouw en bedrog worden immers niet vermoed.

De sanctie van heling wordt niet uitgesproken wanneer de erfgenaam die zich schuldig heeft gemaakt aan het wegmaken van erfgoederen, zich tijdig en spontaan bedenkt. De bewijslast rust op de schuldige erfgenaam.

Het feit dat er hier geen inventaris werd opgesteld, belet niet dat er van heling sprake kan zijn. Uiterlijk bij de eedaflegging bestaat er immers een (acute) spreekplicht voor de erfgenaam die van heling wordt verdacht (art. 1183, 11°, Ger. W.), maar de ware basis van de spreekplicht moet niet in art. 1183, 11°, Ger. W. worden gezocht, maar in de goede trouw die erfgenamen als deelgenoten tegenover elkaar hebben. Op hen rust de plicht om elkaar van in het begin juiste en volledige informatie te verschaffen. Het berouw moet tijdig én spontaan zijn. Van spontaniteit kan geen sprake zijn bij noodgedwongen toegeving omdat de ware feiten aan het licht zijn gekomen.

Als gevolg van de toepassing van art. 792 B.W. kunnen de helers geen aanspraak maken op enig aandeel in de weggemaakte gelden. Zij moeten de gelden teruggeven aan de mede-erfgenamen die zich niet aan heling schuldig maakten.

Ook de interesten van de weggemaakte gelden moeten worden teruggebracht, en dit vanaf het ogenblik dat de gelden werden weggemaakt.

Rechtspraak:

•• Hof van Beroep te Antwerpen 1e Kamer – 26 februari 2007, RW 2007-2008 (71)
Pagina 865 met uitvoerige noot Johan Du Mongh, Heling van erfgoederen


uittreksel uit het arrest:

Wat voorafging

Partijen zijn de wettige erfgenamen van wijlen P. Van S., echtgescheiden van mevrouw A.V. en overleden op 3 april 1998.

Bij eigenhandig testament van 31 maart 1998 heeft wijlen P. Van S. het grootst mogelijke beschikbaar gedeelte aan M. Van S. en E. Van S., hierna geïntimeerden, twee van zijn zes kinderen, overgemaakt. De geldigheid van dit testament wordt niet betwist.

Bij dagvaarding van 16 maart 1999 vorderden geïntimeerden de vereffening-verdeling van de nalatenschap van wijlen P. Van S. en voorafgaandelijk de openbare verkoping van het onroerend goed gelegen te B., (...).

Bij vonnis van 31 januari 2000 heeft de eerste rechter de vereffening-verdeling van voormelde nalatenschap evenals de voorafgaande verkoping van het betrokken onroerend goed bevolen. Notaris L.K., met standplaats te A., werd als instrumenterende notaris aangesteld. Notaris L.St. werd met vertegenwoordigingsbevoegdheid gelast.

Op 9 november 2000 werd de staat van vereffening- verdeling door notaris L.K. opgesteld. Partijen werden dan uitgenodigd kennis te nemen van deze staat. Bij proces-verbaal van beweringen en zwarigheden van 18 december 2000 hebben appellanten verklaard niet te kunnen instemmen met de staat van vereffening-verdeling wegens niet-opname in deze staat onder het actief van de nalatenschap van een bedrag van 39.043,23 euro (1.575.000 fr.), zijnde het bedrag door geïntimeerden van de bankrekening van de overledene opgenomen. Als gevolg van deze zwarigheid heeft de instrumenterende notaris L.K. op 17 april 2001 de staat van vereffening- verdeling aangepast: voormeld bedrag werd onder het actief van de te verdelen nalatenschap opgenomen.

Op 22 mei 2001 stelde de instrumenterende notaris een nieuw proces-verbaal van beweringen en zwarigheden op. Als zwarigheid lieten appellanten gelden dat de sanctie van art. 792 B.W. ten aanzien van geïntimeerden moet worden toegepast. In zijn advies van 18 juni 2001 is de instrumenterende notaris van mening dat aan de voorwaarden van art. 792 B.W. niet voldaan is.

Beslissing van de eerste rechter

Bij vonnis van 19 maart 2002 heeft de eerste rechter geoordeeld dat het bedrag van 39.043,23 euro (1.575.000 fr.) als behorend tot de nalatenschap bij de massa moet worden gevoegd. Wat de toepassing van art. 792 B.W. betreft, heeft de eerste rechter beslist dat de voorwaarden daartoe niet vervuld zijn. De staat van vereffening-verdeling, zoals opgemaakt op 9 november 2000, en de aanvullende staat van vereffening-verdeling, zoals opgemaakt op 17 april 2001 door notaris L.K., die de eerste aanpast, werden gehomologeerd. Er werd gezegd dat bij vonnis van 31 januari 2000 de kosten reeds ten laste van de massa werden gelegd. Er werd vastgesteld dat de procedure tot geen verdere gerechtskosten aanleiding heeft gegeven.

...

Beoordeling

...

In art. 792 B.W. wordt voorgeschreven: «De erfgenamen die goederen van de nalatenschap hebben weggemaakt of verborgen gehouden, verliezen de bevoegdheid om de nalatenschap te verwerpen; al verwerpen zij deze, toch blijven zij zuiver erfgenaam, zonder op enig aandeel in de weggemaakte of verborgen gehouden zaken aanspraak te kunnen maken».

Voor de toepassing van de hierboven geciteerde wetsbepaling zijn er vier voorwaarden:

– het wegmaken of verborgen houden van goederen;

– die tot de nalatenschap behoren;

– met bedrieglijk inzicht;

– door een erfgenaam.

Maar de heler ontsnapt aan de sanctie zo hij tijdig en spontaan berouw betoonde.

De erfgenamen die de toepassing van art. 792 B.W. inroepen, dragen de bewijslast. Aan appellanten behoort het dus te bewijzen dat ter zake is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van art. 792 B.W. Dat bewijs kan echter worden geleverd door alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen.

Goederen die behoren tot de nalatenschap

Daaromtrent bestaat geen betwisting. Geïntimeerden aanvaarden het bestreden vonnis voor zover werd geoordeeld dat het bedrag van 39.043,23 euro (1.575.000 fr.) door geïntimeerden bij de nalatenschap moet worden gevoegd, zoals dit is opgenomen in de aangepaste staat van vereffening-verdeling van 17 april 2001.

Uitgaande van een erfgenaam

Deze voorwaarde staat niet ter discussie. Geïntimeerden zijn erfgenamen van wijlen P. Van S.

Het wegmaken of verborgen houden van goederen

Volgens appellanten hebben geïntimeerden gelden van de nalatenschap weggemaakt.

Vanaf het overlijden bestaat voor erfgenamen een plicht tot spreken. Zij moeten het bestaan van eventuele overdrachten van de gelden van de nalatenschap in hun voordeel ter kennis brengen.

Het Hof is van oordeel dat vaststaat dat geïntimeerden hun spreekplicht inderdaad hebben miskend. Zij hebben niet tijdig, voordat de mede-erfgenamen hebben ontdekt dat zij gelden hebben weggenomen, spontaan bekend. Ter gelegenheid van de aangifte van de nalatenschap, waarin de afgenomen gelden niet worden opgenomen, hebben zij aan de mede-erfgenamen in dit verband geen informatie verstrekt. Ook ter gelegenheid van het opstellen van het proces-verbaal van opening van werkzaamheden van 11 mei 2000 hebben geïntimeerden nagelaten van de afnames in hun voordeel melding te maken. Geïntimeerden hebben maar bekend nadat zij werden geconfronteerd met een uittreksel van de Nederlandse rekening.

In de gegeven omstandigheden is aan de eerste voorwaarde manifest voldaan: geïntimeerden hebben zich op een onrechtmatige wijze een bedrag van 39.043,23 euro toegeëigend. Aangezien gelden werden weggemaakt, dienden geïntimeerden zich te realiseren dat zij iets deden wat niet mag.

Met bedrieglijk inzicht

Van bedrieglijk opzet is sprake wanneer het verborgen houden van activa erop gericht is de gelijkheid tussen de erfgenamen te verstoren of de mede-erfgenamen te beroven van wat hen toekomt in de verdeling. Appellanten, die de heling inroepen, moeten het bewijs van bedrieglijk inzicht leveren. Kwade trouw en bedrog worden immers niet vermoed.

Geïntimeerden betwisten het voorhanden zijn van dat bedrieglijk opzet. Zij zouden enkel de wil van hun vader hebben uitgevoerd, gelet op de inhoud van het testament. Vandaar dat zij van oordeel zijn dat zij de gelijkheid tussen de erfgenamen niet hebben verstoord.

Het Hof stelt vast dat geïntimeerden in gebreke blijven aan te tonen dat hun beweringen stroken met de werkelijke toedracht van zaken. Uit niets blijkt dat het de wil van wijlen P. Van S. is geweest dat het bedrag waarvan sprake op de beweerde wijze en om de beweerde reden onder geïntimeerden zou worden verdeeld. Bovendien werd het grootste bedrag – 26.648,55 euro (1.075.000 fr.) – na het overlijden van wijlen P. Van S. opgenomen.

Bij gebrek aan bewijs van de beweerde intentie van hun vader, staat het bedrog van geïntimeerden vast. Uit de houding van geïntimeerden kan worden afgeleid dat zij de bedoeling hadden de gelijkheid tussen de mede-erfgenamen te doorbreken. Zij hebben maandenlang gezwegen dat zij gelden van de rekening van wijlen P. Van S. hebben afgehaald. Zij hebben slechts erkend bedragen ontvangen te hebben nadat de waarheid aan het licht was gekomen. Zij hadden van in het begin spontaan mededeling van de afnames moeten doen. De omstandigheid dat zij in het testament van vader werden bedacht met het grootst mogelijk beschikbaar deel, geeft hun niet zonder meer het recht om gelden van de nalatenschap te doen verdwijnen.

Het berouw van de heler

De sanctie van heling wordt niet uitgesproken wanneer de erfgenaam die zich schuldig heeft gemaakt aan het wegmaken van erfgoederen, zich tijdig en spontaan bedenkt. De bewijslast rust op de schuldige erfgenaam.

Het feit dat er hier geen inventaris werd opgesteld, belet niet dat er van heling sprake kan zijn. Uiterlijk bij de eedaflegging bestaat er immers een (acute) spreekplicht voor de erfgenaam die van heling wordt verdacht (art. 1183, 11°, Ger. W.), maar de ware basis van de spreekplicht moet niet in art. 1183, 11°, Ger. W. worden gezocht, maar in de goede trouw die erfgenamen als deelgenoten tegenover elkaar hebben. Op hen rust de plicht om elkaar van in het begin juiste en volledige informatie te verschaffen. Het berouw moet tijdig én spontaan zijn. Van spontaniteit kan geen sprake zijn bij noodgedwongen toegeving omdat de ware feiten aan het licht zijn gekomen. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat geïntimeerden het bestaan van de geldopneming van het bedrag van 39.043,23 euro (1.575.000 fr.) pas hebben toegegeven toen zij met een bankuittreksel van de Nederlandse rekening werden geconfronteerd.

Als gevolg van de toepassing van art. 792 B.W. ten aanzien van geïntimeerden kunnen zij geen aanspraak maken op enig aandeel in de weggemaakte gelden. Zij moeten de gelden teruggeven aan de mede-erfgenamen die zich niet aan heling schuldig maakten.

Ook de interesten van de weggemaakte gelden moeten worden teruggebracht, en dit vanaf het ogenblik dat de gelden werden weggemaakt.

• Hof van Cassatie, 3e Kamer – 31 mei 2010, RW 2011-2012, 1597

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Voor de toepassing van art. 792 BW moet het bedrog waarbij een erfgenaam, ten nadele van zijn mede-erfgenamen, de gelijkheid van de verdeling tracht te verbreken door zich goederen van de erfenis toe te eigenen of van de overledene verkregen giften verborgen te houden, bestaan op het tijdstip van de verdeling met de mede-erfgenamen.

De erfgenaam die de goederen van een nalatenschap wegmaakt of verborgen houdt, kan de in het voormelde art. 792 BW bedoelde straf niet ontlopen, tenzij hij uiterlijk vóór het afsluiten van de in art. 1175 Ger.W. bedoelde boedelbeschrijving uit eigen beweging op de leugenachtige verklaring is teruggekomen, zonder daartoe door de omstandigheden te zijn gedwongen.

Hoewel art. 1183, 10° Ger.W. bepaalt dat de boedelbeschrijving, behalve de formaliteiten die aan alle notariële akten gemeen zijn, de waarschuwing door de notaris bevat dat de wet straffen uitvaardigt tegen hen die zich schuldig maken aan het wegmaken of helen van voorwerpen of aan meineed, geeft dat artikel niet de mogelijkheid om de in art. 792 BW bepaalde sanctie te ontlopen, wanneer de heling reeds voordien, en zonder enige spontane verklaring, aan het licht is gekomen.

Het arrest dat, om het bestaan van verberging vast te stellen, beslist dat “de minnelijke vereffening reeds in 1996 was begonnen, daar verberging geenszins de inleiding van een gerechtelijke vereffeningsprocedure vereist”, dat “de inkeer, om geldig te zijn, spontaan moet zijn, d.w.z. dat hij moet plaatsvinden op een tijdstip dat de heler vrij en uit eigen beweging beslist om de waarheid te onthullen”, en dat “men geenszins hoeft te wachten tot de boedelbeschrijving afgesloten is om, in voorkomend geval, tot het bestaan van verberging te besluiten (maar dat) het voldoende is dat de vereffeningswerkzaamheden, met inbegrip van de minnelijke vereffeningen, zijn begonnen en dat het bedrieglijk opzet van de heler bewezen is”, schendt noch art. 792 BW noch art. 1183, 10° Ger.W.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen. ..

Vierde onderdeel

Zoals in antwoord op het eerste onderdeel is gezegd, kan de erfgenaam die de goederen van een nalatenschap wegmaakt, de in art. 792 BW bedoelde straf niet ontlopen, tenzij hij uiterlijk vóór het afsluiten van de in art. 1175 Ger.W. bedoelde boedelbeschrijving uit eigen beweging op de leugenachtige verklaring is teruggekomen, zonder daartoe door de omstandigheden te zijn gedwongen.

Het arrest, dat beslist dat “de (eisers) pas erkend hebben geld te hebben ontvangen op het ogenblik dat dit feit, wegens de resultaten van het strafonderzoek, niet meer ontkend kon worden” en dat “de (eisers) pas onder druk en dwang de waarheid hebben erkend”, verantwoordt zijn beslissing naar recht waarbij het uitsluit dat de eisers spontaan tot inkeer zijn gekomen, wat de enige mogelijkheid was om de straf van art. 792 BW te ontlopen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen. .


 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: vr, 27/04/2012 - 18:17

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.