-A +A

Algemeen Reglement voor de bescherming van de arbeid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Alternatieve naam: 
ARAB
Afkondiging: 
maa, 11/02/1946

11 FEBRUARI 1946. - Algemeen Reglement voor de bescherming van de arbeid, Titel I (artikel 1 - 27).
(NOTA 1 : Titel I wordt bij KB 1991-02-19/30, art. 1; Inwerkingtreding : 1991-04-23 opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming)
(NOTA 2 : voor het Waalse Gewest, worden de bepalingen betreffende de groeven en hun bijhorigheden opgeheven bij DWG 2002-07-04/41, art. 18, Inwerkingtreding : 01-10-2002)
(NOTA : de consolidatie van deze tekst wordt tijdelijk opgeschort. De volgende wijzigingen zijn in de wijzigingstekst te raadplegen, zie : BWG 2002-07-04/47, Inwerkingtreding : 01-10-2002, BWG 2002-07-04/51, Inwerkingtreding : 01-10-2002, BWG 2007-04-19/37, Inwerkingtreding : 25-05-2007)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-01-1984 en tekstbijwerking tot 24-04-2002) Zie wijziging(en)

Publicatie : 03-04-1946 nummer : 1946021150
Dossiernummer : 1946-02-11/02
Inwerkingtreding : 15-04-1946

TITEL I. - REGIME VAN DE ALS GEVAARLIJK, ONGEZOND OF HINDERLIJK INGEDEELDE INRICHTINGEN, MET UITSLUITING VAN DE MIJNEN, ONDERGRONDSE GRAVERIJEN EN GROEVEN, ALSMEDE VAN DE FABRIEKEN EN OPSLAGPLAATSEN VOOR SPRINGSTOFFEN.

HOOFDSTUK I. - Vergunningsplichtige inrichtingen, stoomtuigen uitgesloten.

Artikel 1. <Zie nota's onder TITEL> De fabrieken, werkhuizen, werkplaatsen, magazijnen, opslagplaatsen, openluchtgroeven, machines, toestellen, enz., waarvan het bestaan, het in bedrijf nemen of het in werking stellen gevaarlijk, ongezond of hinderlijk kan zijn, vallen onder de toepassing van de in dit hoofdstuk voorziene bepalingen.
Deze in twee klassen verdeelde inrichtingen waarvan de lijst en de indeling door Ons worden bepaald en die het voorwerp van Hoofdstuk II uitmaken, mogen noch opgericht, noch veranderd, noch verplaatst worden tenzij mits vergunning vanwege de bestuursoverheid.
(Nochtans, maken de inrichtingen, aangeduid in Hoofdstuk II door de kenletter " D ", het voorwerp uit van een speciaal regime.) <KB 05-08-1959, art. 1>
(Nota : artikel 1 geldig voor het Waalse Gewest :
Artikel 1. <Zie nota's onder TITEL> De fabrieken, werkhuizen, werkplaatsen, magazijnen, opslagplaatsen, (inrichtingen, bedoeld in artikel 27bis/1, 3°, waar gevaar voor zware ongevallen bestaat), openluchtgroeven, machines, toestellen, enz., waarvan het bestaan, het in bedrijf nemen of het in werking stellen gevaarlijk, ongezond of hinderlijk kan zijn, vallen onder de toepassing van de in dit hoofdstuk voorziene bepalingen. <BWG 2001-05-03/40, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 26-06-2001>
Deze in twee klassen verdeelde inrichtingen waarvan de lijst en de indeling door Ons worden bepaald en die het voorwerp van Hoofdstuk II uitmaken, mogen noch opgericht, noch veranderd, noch verplaatst worden tenzij mits vergunning vanwege de bestuursoverheid.
(In het Waalse Gewest, worden de in artikel 27bis/1, 3° bedoelde inrichtingen waar gevaar voor zware ongevallen bestaat beschouwd als inrichtingen van eerste klasse, ongeacht hun classificatie waarin Hoofdstuk II eventueel voorziet.) <BWG 2001-05-03/40, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 26-06-2001>
(Nochtans, maken de inrichtingen, aangeduid in Hoofdstuk II door de kenletter " D ", het voorwerp uit van een speciaal regime.) <KB 05-08-1959, art. 1>)

Art. 2. <Zie nota's onder TITEL> Behoudens de bepalingen van de artikelen 16 en 17, neemt het College van burgemeester en schepenen, in eerste aanleg, kennis van de aanvragen betreffende de inrichtingen van de tweede klasse. De bestendige Deputatie van de Provincieraad neemt, onder dezelfde voorwaarden, kennis van de aanvragen betreffende de inrichtingen van de eerste klasse.
De aanvragen betreffende terzelfdertijd inrichtingen van eerste en van tweede klasse vallen eveneens binnen de bevoegdheid van de bestendige Deputatie.
De aanvragen betreffende de inrichtingen dewelke aan reeds vergunninghoudende inrichtingen dienen toegevoegd vallen binnen de bevoegdheid van de overheid die aan de eerste inrichting vergunning heeft verleend, behoudens wanneer het gaat om inrichtingen van eerste klasse toe te voegen aan een inrichting van tweede klasse waarvoor door het College van burgemeester en schepenen vergunning werd verleend.
Het bevoegd gemeente- of provinciebestuur is dat van de plaats der exploitatie.

Art. 3. <Zie nota's onder TITEL> De aanvragen om vergunning dienen te vermelden :
1° de naam, de voornamen, de hoedanigheid en het domicilie van de aanvrager;
2° de aard van de inrichting, het voorwerp van de exploitatie, de in werking te brengen toestellen en procédé's, de aard en de kracht van elke motor, alsmede de benaderende hoeveelheden van de te fabriceren, op te slaan of uit te trekken produkten;
3° het aantal te werk te stellen werklieden;
4° de ontworpen maatregelen om de ongemakken, waartoe de inrichting, zowel voor de aan de exploitatie verbonden personen als voor de buren en het publiek aanleiding zou kunnen geven, te voorkomen of te verzachten;
5° alle andere inlichtingen die bij ministerieel besluit gebeurlijk zouden bepaald worden.
Daarbij, dient, in drie exemplaren, een op een schaal van minstens 5 millimeter per meter opgemaakt plan gevoegd, waarop de schikking van de lokalen en de ligging van de werkplaatsen, magazijnen, toestellen, enz. worden aangeduid.
(Wanneer het gaat om een openluchtgroef, dient, op dit plan, de topografische ligging opgegeven.
Wanneer het gaat om het storten van vliegas, duidt het plan, voorzien bij lid 2, de topografische ligging aan van het draagvlak van de opslagplaats, alsmede de ligging en de kenmerken van de draineerbuizen of -sloten en van het afwateringssysteem. Bij de vergunningsaanvraag, worden, in driedubbel exemplaar, gevoegd :
1° een ontwerp van aanleg van de asbelt en uitvoering van de werken aangepast aan de plaatselijke omstandigheden. Dit ontwerp vermeldt, inzonderheid, de kritische dichtheid van het te storten materiaal. Dit plan en dit ontwerp zijn ondertekend door een burgerlijk ingenieur;
2° een verslag, opgesteld door het Rijksinstituut voor Grondmechanica, betreffende de voorziene of de te treffen maatregelen ten einde de stabiliteit van de belt te verzekeren.) <KB 18-01-1963, art. 1>
(Als het gaat om een inrichting van eerste klasse, wordt er, bovendien, bijgevoegd een uittreksel van het kadastraal plan, met de percelen of delen van percelen gelegen binnen een straal van 50 m van de inrichting, en een uittreksel van de kadastrale legger, met de opgave van de namen van de eigenaars van de binnen die straal gelegen percelen of delen van percelen.) <KB 22-04-1974, art. 7>

Art. 4. <Zie nota's onder TITEL> De aanvragen om vergunning dienen aan de overheid toegestuurd die, krachtens artikel 2, bevoegd is om daaromtrent te beslissen.
De aan de bestendige Deputatie toegestuurde aanvragen dienen, binnen de twee dagen te rekenen van de ontvangdag ervan, met hun bijlagen aan het gemeentebestuur overgemaakt.
Nochtans, wat het maken van drankwaters betreft, zal de bestendige Deputatie er toe gehouden zijn vooraf om het advies van het centraal Bestuur voor Hygiëne te vragen. De procedure, vastgesteld bij de artikelen die volgen, zal slechts mits een gunstig advies worden voortgezet. In het tegenovergesteld geval, zal de bestendige Deputatie, die in laatste aanleg beslist, de vergunning weigeren.
Het College van burgemeester en schepenen zal, binnen vijf volle dagen na de inontvangstneming van het dossier, door het aanplakken van een bekendmaking, waarop het voorwerp van de aanvraag wordt aangegeven, een onderzoek voor commodo et incommodo instellen. Deze bekendmaking zal, gedurende vijftien dagen, aan de zetel der exploitatie en op de gewone plaatsen voor aanplakbiljetten aangeplakt blijven.
(Voor de inrichtingen van de eerste klasse zal deze bekendmaking, eveneens, gedurende dezelfde termijn en op de gewone aanplakplaatsen aangeplakt worden, in de naburige gemeenten, waarvan een gedeelte van het grondgebied zou gelegen zijn binnen de bij artikel 3, lid 4, 1° bepaalde straal). <KB 24-09-1958, art. 2>
(Voor de inrichtingen van de eerste klasse, zal het gemeentebestuur, terzelfdertijd, individueel en aan huis, aan de eigenaars en de bijzonderste gebruiknemers van de in bovenvermelde straal begrepen onroerende goederen, alsmede aan de openbare besturen onder wier bevoegdheid een verkeersweg, een water, een werk of een om 't even welke inrichting, binnen dezelfde omtrek gelegen vallen, van de aanvraag schriftelijk kennis geven.) <KB 24-09-1958, art. 3>

Art. 5. <Zie nota's onder TITEL> Tijdens het onderzoek, kunnen de aanvraag om vergunning en de daarbij gevoegde plannen door al de betrokkenen worden ingezien.
(Nota : voor het Waalse Gewest, wordt artikel 5 aangevuld door het volgende lid :
Een afschrift van die documenten zal overgemaakt worden aan de personen die om zo'n afschrift hebben gevraagd tegen betaling van de door het College van burgemeester en schepenen vastgestelde kostprijs. <BWG 1988-11-10/31, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 1989-02-04>)

Art. 6. <Zie nota's onder TITEL> Een lid van het College van burgemeester en schepenen of een daartoe gevolmachtigde ambtenaar zal, tijdens dezelfde termijn, de geschreven opmerkingen verzamelen. Bij het verlopen van die termijn, zal er een vergadering belegd worden waarin al degenen, die zulks wensen, zullen gehoord worden en bij het einde daarvan, een proces-verbaal zal worden opgemaakt, waarbij het onderzoek voor commodo et incommodo wordt gesloten.
De tijdens het onderzoek gedane schriftelijke en mondelinge opmerkingen (zullen aan de aanvragers, kunnen) worden medegedeeld. <RB 06-07-1946, art. 4>

Art. 7. <Zie nota's onder TITEL> Gaat het om een inrichting, dewelke binnen de bevoegdheid valt van de bestendige Deputatie, dan zal het gemeentebestuur, binnen de termijn van tien volle dagen ingaande met het sluiten van het onderzoek, het dossier, met het gemotiveerd advies van het College van burgemeester en schepenen naar de provincie-gouverneur terug zenden.
De gouverneur zal het, binnen de drie dagen te rekenen van de inontvangstneming, aan een van de volgende technische ambtenaren voor advies overmaken :
1° de ingenieurs van de (Administratie van de Arbeidsveiligheid;) <KB 15-06-1957, art. 1 en KB 27-01-1959, art. 6, 4°>
2° de ambtenaren van (de Administratie van de Arbeidshygiëne en -geneeskunde;) <KB 15-06-1957, art. 1 en KB 27-01-1959, art. 6, 5°>
3° de ingenieurs van het Mijnwezen;
4° de ambtenaren van de Dienst der Springstoffen, volgens het geval.
Wat de onder het toezicht van Onze Minister van Volksgezondheid vallende ondernemingen van tweede klasse aangaat, zal het gemeentebestuur, binnen de tien dagen na het sluiten van het onderzoek voor commodo et incommodo, het dossier voor advies overmaken aan de met dit toezicht belaste technische ambtenaar.

Art. 8. <Zie nota's onder TITEL> De voren vermelde technische ambtenaren zullen, ieder voor de ondernemingen waarover zij het toezicht hebben, het advies vragen van de in de vierde kolom van de naamlijst, welke het onderwerp van navermeld Hoofdstuk II uitmaakt, aangeduide diensten. <Deze alinea werd voor het Waalse gewest opgeheven bij BEWG 1984-02-29/32, art. 3, 1°, 002>
Deze diensten zullen hun antwoord, binnen een termijn van hoogstens twee weken laten geworden, bij gebreke er van zal de zaak doorgaan. <Deze alinea werd voor het Waalse gewest opgeheven bij BEWG 1984-02-29/32, art. 3, 1°, 002>
De technische ambtenaren zullen hun advies, binnen de drie weken na de ontvangst van het dossier, aan de overheid, die met de beslissing belast is, overmaken.

Art. 9. <Zie nota's onder TITEL> Onverminderd het advies van de technische ambtenaren om wier tussenkomst verzocht wordt, zal de bevoegde overheid de ambtenaren of technische comités, die zij nodig acht te horen, raadplegen.

Art. 9bis. <Zie nota's onder TITEL> <RB 22-06-1949, art. 1> Wanneer de gemeente waar de onderneming gevestigd is onder het regime is geplaatst van de besluitwet van 2 december 1946 betreffende de stedebouw, zullen de colleges van burgemeester en schepenen en de bestendige deputaties, die uitspraak moeten doen, vooraf advies inwinnen bij de provinciale directeur van het Bestuur van de Stedebouw en de Ruimtelijke Ordening. Wanneer door Ons uitspraak wordt gedaan, dan wordt advies ingewonnen bij het Hoofdbestuur (van de Stedebouw en de Ruimtelijke Ordening). Dit advies moet binnen drie weken worden uitgebracht, zoniet zal de zaak doorgaan. <KB 04-10-1958>

Art. 10. <Zie nota's onder TITEL> De overheid, die dient uitspraak te doen, zal door een met redenen omkleed besluit een beslissing nemen, binnen de drie maand na de dag waarop de zaak op regelmatige wijze bij haar werd aanhangig gemaakt.
Zo zij binnen die termijn geen uitspraak heeft gedaan, zal de overheid die, luidens artikel 13, inzake beroep bevoegd zou zijn, de uitslag van het onderzoek der aanvraag mogen nagaan en in de eerste en laatste aanleg binnen gelijke termijn of, in geval van onmogelijkheid, binnen een langere termijn welke bij een met redenen omkleed besluit zal bepaald en aan de belanghebbenden betekend worden, uitspraak doen.

Art. 11. <Zie nota's onder TITEL> De door de bevoegde overheid genomen besluiten zullen steunen op het advies van de technische ambtenaren om wier tussenkomst verzocht werd. In geval van vergunning, zal de termijn, waarin de onderneming in bedrijf dient gesteld, er bij bepaald worden. Die termijn zal geen twee jaren mogen overschrijden.
(Nota : voor het Waalse Gewest, wordt het eerste lid aangevuld als volgt :
Voor inrichtingen van eerste klasse, kan de bevoegde overheid deze termijn één keer met maximum twee jaar verlengen op speciaal gemotiveerd verzoek en op basis van een verslag van de bevoegde technische ambtenaar, waarin hij gewag maakt van de redenen waarom hij acht dat verlenging kan worden verleend. <BWG 1996-12-19/50, art. 1; Inwerkingtreding : 04-02-1997>)
De vergunningen zullen niet mogen verleend worden voor een langere termijn dan dertig jaren. Zij zullen mogen hernieuwd worden bij het verstrijken van die termijn. Deze bepaling is niet van toepassing op de openluchtgroeven.
(De vergunning mag op proef verleend worden voor een termijn van ten hoogste twee jaar. Bij het verstrijken van die termijn of vóór het verstrijken ervan, neemt de bevoegde overheid een definitieve beslissing, na het advies van de bij artikel 7 van dit reglement bedoelde technische ambtenaar te hebben ingewonnen, zonder dat de overige voorafgaande formaliteiten opnieuw moeten worden in acht genomen. De vergunning mag niet verleend worden voor een langere termijn dan dertig jaar, de duur van de proeftijd inbegrepen.) <KB 20-10-1958>

Art. 12. <Zie nota's onder TITEL> (Een afschrift van het getroffen besluit en een exemplaar van het in artikel 3 bedoeld plan zullen onverwijld aan de met het toezicht belaste technische ambtenaar overgemaakt worden. Zo de beslissing niet van het College van burgemeester en schepenen uitgaat, zal er, bovendien, aan het gemeentebestuur, een afschrift van het besluit gezonden worden. Laatstgenoemd zal, onmiddellijk, een volledig afschrift van het getroffen besluit, alsmede een exemplaar van het plan aan de belanghebbende toesturen.) <RB 06-07-1946, art. 3>
(Noya : voor het Waalse Gewest, wordt, in artikel 12, alinea 1, gewijzigd bij het besluit van de Regent van 6 juli 1946, de derde zin, vervangen door de volgende bepaling :
Het gemeentebestuur zal, aan de aanvrager, onmiddellijk, een volledig afschrift van het besluit, alsmede een exemplaar van het plan toesturen. Iedere andere betrokken persoon kan, van dit bestuur, een afschrift van het besluit ontvangen tegen betaling van de door het College van burgemeester en schepenen te bepalen kostprijs. <BWG 1988-11-10/31, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 1989-02-04>)
Het besluit zal in zijn geheel gedurende tien dagen (aan het gemeentehuis en aan de zetel) van de ontworpen exploitatie aangeplakt worden. Dit moet geschieden binnen vijf volle dagen nadat het gemeentebestuur van de genomen beslissing kennis heeft gekregen.
Een, onder dezelfde voorwaarden, aangeplakt bericht zal, evenwel, het aanplakken van het besluit kunnen vervangen. Dit bericht zal de genomen beslissing vermelden en de aandacht van het publiek vestigen op het feit dat de volledige tekst van het besluit en de opgelegde voorwaarden bij het gemeentebestuur kunnen ingezien worden.
De beslissing zal, bovendien, ter kennis van de in artikel 4 bedoelde openbare besturen gebracht worden.

Art. 13. <Zie nota's onder TITEL> Al de belanghebbenden kunnen, voor de bestendige Deputatie, die in laatste instantie uitspraak doet, in beroep gaan tegen de beslissingen van het College van burgemeester en schepenen.
Er wordt, door Ons, uitspraak gedaan over het beroep dat hetzij door de gouverneur van de provincie ambtshalve of op verzoek van de technische ambtenaar, hetzij door het gemeentebestuur, hetzij door de andere belanghebbenden tegen de, in eerste aanleg, door de bestendige Deputatie, genomen beslissingen is ingesteld.
(Het beroep wordt betekend bij ter post aangetekende brief, verzonden binnen tien dagen na de eerste dag van de aanplakking van de beslissing.) <KB 22-04-1974, art. 8>
Het beroep en de er op volgende eindbeslissing zullen binnen de twee weken aan het gemeentebestuur betekend worden door bemiddeling van de gouverneur (der provincie en op de wijze en) binnen de termijnen voorzien bij voorstaand artikel 12 ter kennis van de belanghebbenden gebracht worden. Het beroep zal de beslissing waartegen wordt ingegaan niet opschorsen. <KB 10-06-1952, art. 14>

Art. 14. <Zie nota's onder TITEL> Elke uitbreiding of verandering van een vergunninghoudende inrichting, wanneer deze de toepassing van een nieuwe rubriek op de lijst van de vergunningplichtige ondernemingen tot gevolg heeft of van dien aard is dat de aan deze ondernemingen eigen zijnde gevaren, ongezondheid of hinderlijkheid er door verergerd worden, is aan vorenvermelde bepalingen onderworpen.
(Bij de aanvraag, wordt een plan, in drie exemplaren, gevoegd van de ontworpen uitbreidingen of veranderingen.) <KB 22-04-1974, art. 9>
(De overheid, die dient uitspraak te doen, zal oordelen of er aanleiding toe bestaat de aanvraag aan het onderzoek voor commodo et incommodo te onderwerpen.) <RB 06-07-1946, art. 3>

Art. 15. <Zie nota's onder TITEL> Er zal insgelijks een nieuwe vergunning nodig zijn voor de inrichtingen of gedeelten van inrichtingen welke niet binnen de bij het vergunningsbesluit vastgestelde termijn in bedrijf waren gesteld, die gedurende ten minste twee achtereenvolgende jaren werkloos zouden zijn gebleven of die vernietigd of tijdelijk buiten gebruik gesteld werden wegens om het even welke oorzaak ook die uit het in bedrijf houden voortvloeit.

Art. 16. <Zie nota's onder TITEL> (De formaliteiten van het onderzoek voor commodo et incommodo en het overleggen van plans zijn niet noodzakelijk voor het onderzoek der vergunningsaanvragen voor tijdelijk op te richten vergunningsplichtige inrichtingen wanneer de duur van de inrichting geen drie maanden of wanneer het gaat om een openluchtgroeve om werkplaatsen, magazijnen, opslagplaatsen, machines, toestellen op te richten of te gebruiken op de bouwwerven geen twaalf maanden te boven gaat.) <KB 26-02-1957>
(Nota : voor het Waalse Gewest, wordt eerste lid vervangen door de volgende bepaling :
De formaliteiten van het onderzoek van vergunningsaanvragen voor tijdelijk op te richten inrichtingen wanneer de duur van de inrichting geen drie maanden of wanneer het gaat om een openluchtgroeve om werkplaatsen, magazijnen, opslagplaatsen, machines, toestellen op te richten of te gebruiken op bouwwerven geen twaalf maanden te boven gaat, of wanneer het gaat om inrichtingen bestemd voor de rehabilitatie van verontreinigde plaatsen de duur van de zuivering niet overschrijden. <BWG 1992-11-19/32, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 1992-12-16>)
(Noya : voor het Waalse Gewest, wordt, tussen de leden 1 en 2, het volgende lid ingevoegd :
De inrichtingen, vermeld in de rubrieken 47bis, 264bis, 377, 378, 386bis en 390bis van Hoofdstuk II, lijst A, worden slechts beschouwd als tijdelijk opgericht als er één enkele activiteit per jaar in georganiseerd wordt, die maximum drie achtereenvolgende dagen plaatsvindt; als deze activiteit in een wedstrijd bestaat, worden de oefeningen die erop betrekking hebben in die periode van drie dagen begrepen. Voor de in dit lid bedoelde gevallen, wordt elk jaar een vergunning vereist.
<BWG 1995-03-09/46, art. 3; Inwerkingtreding : 23-06-1995>)
Het College van burgemeester en schepenen zal, welke de klasse ook moge wezen waartoe de inrichting behoort, over deze aanvragen onherroepelijk uitspraak doen.
Wanneer het gaat om een inrichting van eerste klasse, zal het college om het advies van de in artikel 7 aangeduide technische ambtenaar verzoeken.
(In het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, is de vergunning hernieuwbaar. De totale termijn voor de exploitatie van de tijdelijke inrichting mag echter niet langer zijn dan twee jaar.) <BESL 1992-07-02/32, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 1992-09-01>

Art. 17. <Zie nota's onder TITEL> De aan het College van burgemeester en schepenen en aan de bestendige deputaties verleende macht om uitspraak te doen strekt zich niet tot de door de Staat opgerichte of in bedrijf gestelde vergunningsplichtige inrichtingen en waaraan vergunning wordt verleend volgens de hierna bepaalde procedure.
Het betrokken ministerieel departement zal aan het College van burgemeester en schepenen de bij artikel 3 nauwkeurig bepaalde plans en inlichtingen overmaken.
Het college zal, op de bij artikelen 4 en volgende, voorgeschreven wijze de opmerkingen en klachten welke het ontwerp zou opwerpen verzamelen en de uitslagen van het onderzoek, met zijn advies, aan het betrokken departement overmaken. Dit zal het dossier aan Onze Minister (van Tewerkstelling en Arbeid), aan Onze Minister van Volksgezondheid of aan Onze Minister van Economische Zaken, volgens het geval, laten geworden. <KB 03-09-1960>
De beslissingen zullen op voorstel van Onze bevoegde Minister door Ons genomen worden.
(Wanneer het evenwel gaat om tijdelijk op te richten vergunningsplichtige inrichtingen die beantwoorden aan de criteria voorzien bij artikel 16, beslist de Minister onder wie de inrichting ressorteert, onherroepelijk bij gemotiveerd besluit en zonder dat de vormen door deze titel voorgeschreven dienen nageleefd.) <KB 31-08-1959>

Art. 17bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 05-08-1959, art. 2> De inrichtingen, aangeduid in Hoofdstuk II onder de kenletter " D ", met uitzondering van die welke onder de Staat ressorteren, moeten aan de volgende voorwaarden voldoen :
a) de exploitanten van deze inrichtingen zijn ertoe gehouden de oprichting, de verandering en de verplaatsing ervan aan de gouverneur van de provincie van de plaats van de inrichting aan te geven welke ook de voorziene duur van de exploitatie zij. Voor de verplaatsbare inrichtingen, worden echter alleen het bestaan en de verandering aan de gouverneur van de provincie van de woonplaats of van de maatschappelijke zetel van de aangever kenbaar gemaakt.
Te dien einde, zenden zij hem de in artikel 3, eerste lid opgesomde inlichtingen, in drie exemplaren, samen met drie exemplaren van het in artikel 3, tweede lid voorgeschreven grondplan;
b) uiterlijk vijftien dagen na de ontvangst van deze inlichtingen, geeft de gouverneur aan de exploitant akte van de aangifte en stuurt hij hem een geviseerd exemplaar van zijn aangifte en van het daarbij gevoegd plan terug.
Deze akte geldt als vergunning in de zin van artikel 1, tweede lid;
c) terzelfdertijd, zendt de gouverneur een exemplaar van de aangifte, het plan en de akte aan de bevoegde technische ambtenaar en een exemplaar van de akte aan het gemeentebestuur;
d) nadat de akte is afgegeven, kan de bestendige Deputatie van de Provincieraad aan de betrokken inrichtingen bijzondere exploitatievoorwaarden opleggen. In dat geval, wordt onverwijld een exemplaar van het genomen besluit naar de bevoegde technische ambtenaar en naar het gemeentebestuur gezonden. Dit bestuur doet, onmiddellijk, een volledig afschrift van het genomen besluit aan de exploitant toekomen.
Tegen de genomen beslissing, kan, bij Ons, beroep worden ingesteld. Dit beroep wordt uitgeoefend hetzij door de provinciegouverneur ambtshalve of op verzoek van de bevoegde technische ambtenaar, hetzij door de exploitant. Van dit beroep wordt, binnen tien dagen nadat het afschrift van het besluit, aan de exploitant is afgegeven, bij een ter post aangetekende brief kennis gegeven. Indien het door de exploitant wordt ingesteld, schorst het de bestreden beslissing. Van de eindbeslissing over het beroep wordt, binnen vijftien dagen, aan de gouverneur, aan het gemeentebestuur en aan de exploitant kennis gegeven.
e) wanneer de exploitant de voorwaarden die de bestendige Deputatie hem krachtens het onder d) bepaalde heeft opgelegd of de algemene reglementaire voorschriften niet naleeft, kan de bestendige Deputatie, op voorstel van de bevoegde technische ambtenaar, de door de akte van de gouverneur toegestane vergunning schorsen.
Een exemplaar van het genomen besluit wordt onverwijld naar de bevoegde technische ambtenaar en naar het gemeentebestuur gezonden. Dit doet, onmiddellijk, een volledig afschrift van het genomen besluit aan de exploitant toekomen.
De exploitant kan, bij Ons, beroep instellen tegen de beslissing. Van dit beroep wordt, binnen tien dagen nadat het afschrift van het besluit, aan de exploitant is afgegeven, bij een ter post aangetekende brief kennis gegeven. Het beroep schorst de bestreden beslissing niet. Van de eindbeslissing over het beroep wordt, binnen vijftien dagen, aan de gouverneur, aan het gemeentebestuur en aan de exploitant kennis gegeven;
f) het schorsingsbesluit kan niet worden ingetrokken zolang de bevoegde technische ambtenaar niet heeft vastgesteld dat de algemene reglementaire voorschriften of de door de bestendige Deputatie opgelegde voorwaarden nageleefd worden;
g) het toezicht op de inrichtingen die het voorwerp uitmaken van de beschikkingen van dit artikel wordt uitgeoefend door de bevoegde technische ambtenaren die vrije toegang hebben tot de inrichting.
De exploitatie houdt de officiële plans van de inrichting, alsmede de tekst van de verklaringen, akten en besluiten die er de exploitant van regelen te hunner beschikking;
h) wanneer een gevaar de veiligheid of de gezondheid van het personeel of van de buren in het gedrang brengen en het ondernemingshoofd weigert gevolg te geven aan de onderrichtingen van de bevoegde technische ambtenaar, kan deze laatste het stilleggen van het werk bevelen, de toestellen verzegelen, alle maatregelen treffen om het berokkenen van schade te beletten en wanneer het nodig is overgaan tot de onmiddellijke voorlopige sluiting van de inrichting.
Hij mag dezelfde maatregelen nemen wanneer de exploitant de voorwaarden, die de exploitatie van de inrichting regelen, niet naleeft;
i) de beschikkingen van artikel 24 zijn van toepassing op de bedoelde inrichtingen.

Art. 18. <Zie nota's onder TITEL> <KB 20-10-1958, art. 1> Hij die vergunning heeft gekregen tot het exploiteren van een inrichting van eerste klasse, waarvan de installatie niet tijdelijk is, dient de voor de inbedrijfstelling ervan vastgestelde datum ten minste vijftien dagen vooraf aan de bevoegde technische ambtenaar mede te delen.

Art. 19. <Zie nota's onder TITEL> (De exploitatie mag slechts begonnen of voortgezet worden onder stipte naleving van de reglementaire voorschriften en van de bijzondere voorwaarden opgelegd bij het vergunningsbesluit.) <KB 05-11-1964, art. 2>
De vergunning kan, door de overheid die haar verleend heeft, ingetrokken of opgeschorst worden, zo het bedrijfshoofd bedoelde voorschriften en voorwaarden (niet nakomt of wanneer het weigert) zich aan de nieuwe verplichtingen, welke deze overheid steeds het recht heeft het op te leggen, te onderwerpen. <KB 10-06-1952, art. 14>
(Tegen de beslissingen tot intrekking of schorsing van de vergunning, staat, voor de belanghebbenden, een beroep open, waarvan de modaliteiten en voorwaarden overeenkomstig artikel 13 vastgesteld zijn.
Wanneer de vergunning in eerste instantie werd verleend, staat hetzelfde beroep open tegen de beslissingen die nieuwe verplichtingen opleggen; zo dit beroep werd ingesteld, is alleen de overheid die daarover uitspraak heeft gedaan, bevoegd om naderhand nieuwe verplichtingen op te leggen, de vergunning in te trekken of te schorsen.) <KB 04-11-1957>
Het beroep schorst de bestreden beslissing.

Art. 20. <Zie nota's onder TITEL> Het toezicht over de vergunningsplichtige inrichtingen zal door de bevoegde burgemeester en technische ambtenaren uitgeoefend worden, naar navermeld onderscheid.
De burgemeester zal zich er van vergewissen of de in bedrijf gestelde inrichtingen van een regelmatige vergunning het voorwerp uitgemaakt hebben. Hij zal waken over de uitvoering van de door het College van burgemeester en schepenen aan de vergunningshoudende inrichtingen opgelegde exploitatievoorwaarden.
Hij zal, door Ons, kunnen gelast worden daarenboven toezicht uit te oefenen over het naleven van sommige voorwaarden, waarbij het in bedrijf stellen van de inrichtingen van eerste klasse geregeld wordt.
Het hoog toezicht over al de vergunningsplichtige inrichtingen zal door de bij artikel 7 aangewezen technische ambtenaren uitgeoefend worden.
Bewuste technische ambtenaren hebben vrije toegang tot de aan de bepalingen van onderhavig hoofdstuk onderworpen inrichtingen.
Het bedrijfshoofd zal de officiële plans van de inrichting, alsmede de tekst van de besluiten, waarbij de exploitatie er van geregeld wordt, te hunner beschikking houden.

Art. 21. <Zie nota's onder TITEL> Zo een gevaar de veiligheid en de gezondheid van het personeel of van de geburen bedreigt en zo het bedrijfshoofd weigert in te gaan op de onderrichtingen van de bevoegde technische ambtenaar, dan beveelt de burgemeester, op verslag van laatstgenoemde, de arbeid stop te zetten, verzegelt de toestellen en gaat desnoods onmiddellijk over tot het voorlopig sluiten van de inrichting.
Dezelfde machten worden de bevoegde technische ambtenaar toegekend zo de burgemeester niet handelend optreedt of wanneer het gevaar aldus dreigt, dat de minste vertraging een ongeval kan verwekken.
In beiderlei gevallen, mag het betrokken bedrijfshoofd bij Ons beroep aantekenen. Het beroep schorst de getroffen maatregel niet op.

Art. 22. <Zie nota's onder TITEL> De burgemeester of de bij artikel 7 bedoelde technische ambtenaar mag dezelfde maatregelen nemen :
1° in geval van inbreuk op de bepalingen van artikelen 1, 14, 15, 16, 17 en 25 (...). Deze maatregelen zullen van rechtswege opgeheven worden door het verlenen van de vergunning tot in bedrijfstellen van de inrichting (...); <KB 20-10-1958, art. 2, 1°>
2° wanneer de ondernemer de voorwaarden, waarbij de exploitatie van de inrichting wordt geregeld, niet zal nakomen. In dit geval, zo de inbreuk bedreven werd in de loop van de exploitatie van een inrichting waarvoor door Ons of door de bestendige Deputatie vergunning verleend werd, zullen deze maatregelen slechts na goedkeuring door de betrokken overheid, kunnen genomen en opgeheven worden.

Art. 23. <Zie nota's onder TITEL> Wanneer een beslissing tot intrekking van vergunning, definitief zal geworden zijn, moet de burgemeester of, zo deze dit verzuimt, de bij artikel 7 aangewezen technische ambtenaar, de nodige maatregelen treffen opdat de exploitatie zou stop gezet worden.

Art. 24. <Zie nota's onder TITEL> De krachtens dit hoofdstuk verleende vergunningen laten de rechten van derden onverkort.

Art. 25. <Zie nota's onder TITEL> De inrichtingen, die, nadat ze werden in bedrijf gesteld, zouden vergunningsplichtig worden, zullen van dan af onder de toepassing der bepalingen van dit hoofdstuk vallen.
De exploitatie ervan mag, evenwel, zonder voorafgaande vergunning (...) voortgezet worden, mits naleving van navermelde formaliteiten. <KB 20-10-1958, art. 2, 2°>
Zo het inrichtingen van eerste klasse geldt, zullen de bedrijfshoofden ertoe gehouden zijn, binnen zes maanden na het van kracht worden van het indelingsbesluit, aan de bestendige Deputatie, een juiste beschrijving over te maken, waarin de bij artikel 3 voorziene aanduidingen, alsmede de plans van de plaatsen, waarvan sprake in hetzelfde artikel, vervat zijn.
Deze documenten zullen, na vaststelling van de juistheid ervan door de met het toezicht belaste ambtenaren, vanwege de bestendige Deputatie geviseerd worden en als vergunningsbesluit dienen.
Geldt het inrichtingen van tweede klasse, dan moeten de bedrijfshoofden, binnen dezelfde tijdsspanne als hierboven en onder voorlegging van het plan, waarvan sprake in artikel 3, het bestaan van hun inrichting melden aan het College van burgemeester en schepenen, dat hun van deze verklaring akte verleent.
(Indien het inrichtingen betreft aangeduid in Hoofdstuk II met de kenletter " D ", moeten de exploitanten, binnen dezelfde termijn, het bestaan ervan melden in de vorm bepaald bij artikel 17bis, a).) <KB 05-08-1959, art. 3>

Art. 26. <Zie nota's onder TITEL> De vergunningshoudende inrichtingen, die van de tweede naar de eerste klasse zouden overgaan of vice versa, zullen van dit ogenblik af afhangen van de overheid, die voortaan wat hen betreft, moet uitspraak doen.
Deze overheid dient zich zowel van het naleven van de voorheen opgelegde voorwaarden als van de uitvoering van de nieuwe maatregelen, die zij zou menen te moeten opleggen, te vergewissen.

Art. 27. <Zie nota's onder TITEL> De openluchtgroeven, die, op het ogenblik van het van kracht worden van dit reglement, op regelmatige wijze in bedrijf gesteld zijn, worden aan vorenstaande bepalingen niet onderworpen voor zover deze de vergunning vóór het in bedrijf stellen beogen.

HOOFDSTUK IBIS. - <Ingevoegd bij BVE 1990-04-09/32, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 03-04-1990> Bijzondere bepalingen van toepassing in het Vlaamse Gewest.

Art. 27bis. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd bij BVE 1990-04-09/32, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 03-04-1990>
In afwijking van artikel 1, tweede lid, is de lijst en de indeling van de in twee klassen verdeelde inrichtingen, zoals bepaald onder Hoofdstuk II en als volgt gewijzigd, van toepassing :
1° de volgende rubrieken van de indelingslijst B vermeld onder Hoofdstuk II worden opgeheven :
- nummering 16 (3) :
" Gevogelte, duiventillen uitgezonderd met geringde duiven voor wedstrijddoeleinden :
- inrichtingen bestemd voor het fokken of het vetmesten van gevogelte en voor de produktie van eieren, gevestigd naargelang de ontwerp- en gewestplannen, eventueel aangevuld door gemeentelijke plannen ";
- nummering 4 (5) :
" Meststoffen of mest (vervaardiging van en de opslagplaatsen in het groot voor), uitgenomen de uitsluitend chemische meststoffen ";
- nummering 11 (10) :
" Varkensfokkerijen - installaties gelegen (zones bepaald volgens de begrippen van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen) : ";
- nummering 8 (15) :
" Zoogdieren (stallen voor andere dan vermeld onder rubriek 10 (11) - installaties gelegen (zones bepaald volgens de begrippen van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen) : ";
2° de volgende rubrieken worden aan de indelingslijst B vermeld onder Hoofdstuk II toegevoegd :
- nummering 17 :
Kippenstal, stal voor pluimvee en/of gevogelte, waaronder verstaan wordt één of meer gebouwen en/of installaties waarin leghennen en mestkippen, respectievelijk pluimvee en/of gevogelte gefokt of gehouden worden, duiventillen met geringde duiven voor wedstrijddoeleinden uitgezonderd (gebieden bepaald volgens de begrippen van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen) :
a) in een gebied ander dan woongebied met landelijk karakter en agrarische gebieden :
- van 50 tot 20 000 kippen, stuks pluimvee of gevogelte ouder dan 3 weken : 2;
- met meer dan 20 000 kippen, stuks pluimvee of gevogelte ouder dan 3 weken : 1;
b) in een woongebied met landelijk karakter :
- van 500 tot 20 000 kippen, stuks pluimvee of gevogelte ouder dan 3 weken : 2;
- met meer dan 20 000 kippen, stuks pluimvee of gevogelte ouder dan 3 weken : 1;
c) in een agrarisch gebied :
- van 5 000 tot 20 000 kippen, stuks pluimvee of gevogelte ouder dan 3 weken : 2;
- met meer dan 20 000 kippen, stuks pluimvee of gevogelte ouder dan 3 weken : 1;
- nummering 18 :
Varkensstal, waaronder verstaan één of meer gebouwen en/of installaties waarin varkens gefokt of gehouden worden (gebieden bepaald volgens de begrippen van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen) :
a) in een gebied ander dan woongebieden met landelijk karakter en agrarische gebieden :
- van meer dan 1 tot 200 gespeende varkens : 2;
- met meer dan 200 gespeende varkens : 1;
b) in een woongebied met landelijk karakter :
- van meer dan 10 tot 200 gespeende varkens : 2;
- met meer dan 200 gespeende varkens : 1;
c) in een agrarisch gebied :
- met meer dan 200 gespeende varkens : 1;
- nummering 19 :
Stallen voor grote zoogdieren, inzonderheid paarden, koeien, runderen en mestkalveren, andere dan vermeld onder rubriek 18, waaronder verstaan één of meer gebouwen en/of installaties waarin grote zoogdieren andere dan varkens gefokt of gehouden worden (gebieden bepaald volgens de begrippen van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen) :
a) in een gebied ander dan woongebieden met landelijk karakter en agrarische gebieden :
- met meer dan 5 gespeende dieren : 2;
b) in een woongebied met landelijk karakter :
- met meer dan 10 dieren : 2;
c) in een agrarisch gebied :
- met meer dan 25 gespeende dieren : 2;
- met meer dan 500 gespeende dieren : 1;
- nummering 20 :
Stallen voor kleine zoogdieren, andere dan vermeld onder rubriek 21, waaronder verstaan één of meer gebouwen en/of installaties waarin kleine zoogdieren gefokt of gehouden worden (gebieden bepaald volgens de begrippen van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen) :
a) in een gebied ander dan woongebieden met landelijk karakter en agrarische gebieden :
- met meer dan 10 gespeende dieren : 2;
b) in een woongebied met landelijk karakter :
- met meer dan 25 gespeende dieren : 2;
c) in een agrarisch gebied :
- met meer dan 150 gespeende dieren : 2;
- nummering 21 :
Stallen voor konijnen, knaagdieren, katten, e.d., waaronder verstaan één of meer gebouwen en/of installaties waarin deze dieren gefokt of gehouden worden (gebieden bepaald volgens de begrippen van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen) :
a) in een gebied ander dan woongebieden met landelijk karakter en agrarische gebieden :
- met meer dan 50 gespeende dieren : 2;
b) in een woongebied met landelijk karakter :
- met meer dan 150 gespeende dieren : 2;
c) in een agrarisch gebied :
- met meer dan 300 gespeende dieren : 2;
- nummering 22 :
Kunstmest, waaronder verstaan elke speciaal vervaardigde één of meer mineralen bevattende stof die op de grond wordt opgebracht ter bevordering van de gewasgroei, andere dan dierlijke mest :
a) inrichtingen voor het vervaardigen van kunstmest met een geïnstalleerde totale drijfkracht van :
- 5 tot en met 200 kW : 2;
- meer dan 200 kW : 1;
b) inrichtingen voor het behandelen en verpakken van kunstmest met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 5 kW : 2;
c) opslagplaats van kunstmest met een opslagcapaciteit van meer dan 10 ton, met uitzondering van de doorvoeropslagplaatsen gelegen in een zeehavengebied : 2;
- nummering 23 :
Opslagplaats van dierlijke mest, waaronder verstaan door vee uitgescheiden natuurlijke afvalstoffen of een mengsel van strooisel en door vee uitgescheiden natuurlijke afvalstoffen ongeacht of het vee wordt geweid of op intensieve veehouderij wordt gehouden, alsmede de natuurlijke afvalstoffen van op visteeltbedrijven gekweekte vis (gebieden bepaald volgens de begrippen van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen) :
a) in een gebied ander dan woongebieden met landelijk karakter en agrarische gebieden :
- van 1 tot en met 100 m3 : 2;
- van meer dan 100 m3 : 1;
b) in een woongebied met landelijk karakter :
- van 5 m3 tot en met 1 000 m3 : 2;
- van meer dan 1 000 m3 : 1;
c) in een agrarisch gebied :
- van 10 m3 tot en met 5 000 m3 : 2;
- van meer dan 5 000 m3 : 1.

HOOFDSTUK II. - Lijst en indeling van de gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen.
(Om technische redenen, wordt die lijst in fictieve artikelen onderverdeeld :
- Afdeling A : 1MN1 en vlg;
- Afdeling B : 1MN2 en vlg.).

Afdeling A. - Ingedeelde inrichtingen onder het hoog toezicht van de Minister die de arbeid of de Minister die de mijnen onder zijn bevoegdheid heeft.

Art. 1MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 1 (53).
- Opgave : aardpek, teer, asfalt, zware fuel-oil met een ontvlammingspunt bepaald in gesloten vat volgens de norm NBN 52017 hoger dan 100° C, pek en dergelijke stoffen (opslagplaatsen voor meer dan 5 000 kg).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 2 (1).
- Opgave : elektrische accumulatoren :
1. stationaire batterijen waar van de uitkomst van het vermogen uitgedrukt in Ah vermenigvuldigd met de spanning uitgedrukt in V meer bedraagt dan 10 000;
2. vaste inrichtingen voor de lading van niet-stationaire elektrische accumulatoren met behulp van toestellen met een vermogen dat meer bedraagt dan 5 kW.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand en ontploffing; zure vloeibare afval; uitwasemingen die luchtverversing noodzakelijk maken; gevaar voor het personeel.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 3 (2).
- Opgave : fabrieken of werkplaatsen voor het herstellen of monteren van elektrische accumulatoren.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand en ontploffing; behandeling van zure vloeistoffen.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 4 (3).
- Opgave : bereiding van acetaten.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : ongezonde arbeid; onaangename reuk.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------

Art. 2MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 5 (4).
- Opgave : bereiding van aceton.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : groot gevaar voor brand; sterke en onaangename reuk.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 6 (5).
- Opgave : bereiding van acetyleen, met uitzondering van die welke gebeurt in onverschillig welke draagbare toestellen die hoogstens 2 kg carbid kunnen inhouden.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : produkten en afval met onaangename reuk; gevaar voor brand, ontploffing en vergiftiging.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 7 (31).
- Opgave : bereiding van aluin.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; ontsnapping van weinig overvloedige prikkelende en zure damp.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 8 (28).
- Opgave : vervaardiging van aluminiumbladen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; gerucht.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 9 (27).
- Opgave : bereiding van aluminiumoxyde en koolzure soda door werking van koolzuur op sodium-aluminaat.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : ongezonde uitwasemingen; rook.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------

Art. 3MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 10 (30).
- Opgave : bereiding van aluminiumpoeder.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor ontploffingen; ontsnapping van schadelijk stof.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 11 (351).
- Opgave : bereiding van aluminiumsulfaat door middel van klei en zwavelzuur.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; zwakke uitwasemingen van zure en bijtende damp.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 12 (29).
- Opgave : vervaardiging van aluminium.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; onaangename en voor mensen en gewassen schadelijke uitwasemingen; ongezonde arbeid.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 13 (34).
- Opgave : bereiding van vloeibare ammoniak of concentratie van ammoniakwaters.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : prikkelende reuk van rottende urine.
- Diensten te raadplegen : landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming.
------------------------
- Nummering : 14 (273).
- Opgave : opslagplaatsen van ammoniumnitraat of daarmede gelijkgestelde mengsels krachtens de reglementering op het vervoer, de berging en de verkoop van ammoniumnitraat en mengsels daarvan :
a) opslagplaatsen voor meer dan 300 kg;
b) opslagplaatsen van meer dan 20 tot 300 kg.
- Klasse : voor a) : 1; voor b) : speciale regeling.
- Aard van de hinder :
a) gevaar voor brand en ontploffing;
b) speciale regeling.
- Diensten te raadplegen :
a) -;
b) speciale regeling.
------------------------

Art. 4MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 15 (272).
- Opgave : inrichtingen voor de bereiding van ammoniumnitraat of de volgende mengsels ervan :
a) mengsels van ammoniumsulfaat met ammoniumnitraat die in gewicht meer dan 40 % van dit laatste produkt bevatten;
b) mengsels van ammoniumnitraat met stoffen zonder invloed op de ontplofbaarheid van deze mengsels die in gewicht meer dan 65 % ammoniumnitraat bevatten.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : damp; gevaar voor besmetting van het freatisch vlak; gevaar voor brand en ontploffing.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 16 (35).
- Opgave : bereiding van aniline en anilinekleurstoffen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : reuk; schadelijke uitwasemingen; gevaar voor ontploffing, gekleurde en soms giftige vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, toezicht van Waters en Bossen.
------------------------
- Nummering : 17 (36).
- Opgave : bereiding van penicilline, streptomycine en andere antibiotische produkten.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor vergiftiging van het personeel; vloeibare afval die schadelijke produkten inhoudt.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; Bestuur van de Volksgezondheid; landbouw, inspecteur van de Dienst voor Plantenbescherming; landbouw, vee-artsenijtoezicht; landbouw, toezicht van Waters en Bossen.
------------------------
- Nummering : 18 (333).
- Opgave : bereiding van antimoon- of spiesglanszouten door werking van zuren op spiesglansoxyde.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : ontwikkeling van waterdamp.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 19 (309).
- Opgave : bereiding van stroop uit appelen, peren en andere suikerhoudende vruchten of plantaardige stoffen.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : rook; flauwe damp; voor rotting vatbare afval.
- Diensten te raadplegen : Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------

Art. 5MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 20 (308).
- Opgave : drogen in ovens van appelen van harsbomen.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 21 (39).
- Opgave : appreteerinrichtingen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : nevel; damp; bijtende vloeibare afval; stof.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 22 (41).
- Opgave : bereiding van arsenikhoudende produkten.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : arsenikhoudende uitwasemingen; gevaarlijke arbeid.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 23 (32).
- Opgave : vervaardiging van voorwerpen uit asbest of asbesthoudende voorwerpen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : stof; gevaar voor asbestose.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
(Nota : voor het Waalse Geweest, wordt rubriek 32 vervangen door 1999-03-04/42, art. 9; Inwerkingtreding : 08-04-1999)
------------------------
- Nummering : 24 (42).
- Opgave : smelting en menging van asfalt, aardpek, teer, pik.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand; onaangename reuk.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 6MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 25 (43).
- Opgave : garages voor automobielen :
a) lokaal waarin 3 tot 25 voertuigen kunnen gestald worden;
b) lokaal waarin meer dan 25 voertuigen kunnen gestald worden.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand; onaangename reuk; gerucht.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 26 (399).
- Opgave : bereiding in het groot van azijn uit vruchten, graan, melasse, wijn, wijngeest, jenever of verdunde alkohol.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : zwakke zure uitwasemingen; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 27 (6).
- Opgave : bereiding van azijnzuur.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : onaangename reuk van houtteer of van harsolie; rook.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 28 (45).
- Opgave : bereiding van baryumhydroxyde door electrolyse van een waterige oplossing van zwavelbaryum en door kristallisatie.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : nevel; gevaar voor brand en ontploffing; bijkomende reacties die zwavelige uitwasemingen kunnen doen ontstaan.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 29 (46).
- Opgave : gelijktijdige bereiding van baryumhydroxyde en zwavelzink door werking van zwavelbaryum op zinkzuurbaryum verkregen door verhitting van een waterige oplossing van baryumhydroxyde met zink.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; nevel; gevaar voor brand en ontploffing.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 7MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 30 (47).
- Opgave : bereiding van baryumnitraat.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : nevel; gevaar voor brand en ontploffing; gevaar voor besmetting van het freatisch vlak.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
(Nota : voor het Waalse Gewest, wordt de volgende rubriek ingevoegd :

-------------------------------------------------------------------------
Nummering Opgaaf van de gevaarlijke, Klasse Opgaaf van de aard van
ongezonde of hinderlijke de hinder ervan
industrieen, opslagplaatsen
-------------------------------------------------------------------------
30bis Boten, jet-ski en glijboten 1 - lawaai
(47bis) die door een - watervervuiling
verbrandingsmotor of een - gevaar voor de
turbine worden voortbewogen toeschouwers
(watervlakken of aangelegde - storing van fauna en
terreinen die niet helemaal flora
op de bevaarbare waterwegen - beschadiging van de
of op de openbare weg oevers
gelegen zijn, die gebruikt
worden voor snelheids- of
behendigheidswedstrijden,
proef- en oefenritten of
voor het recreatiegebruik
van)
-------------------------------------------------------------------------

<BWG 1995-03-09/46, art. 1; Inwerkingtreding : 23-06-1995>)
------------------------
- Nummering : 31 (359).
- Opgave : bereiding van baryumsulfide door reductie van baryumsulfaat.
- Zie ook : baryumzouten.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : stof; rook; gerucht; zwavelwaterstofhoudende uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 32 (334).
- Opgave : bereiding van baryumzouten door werking van zuren op zwavelbaryum.
- Zie ook : baryumsulfide.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : zeer slechte reuk; nevel; vloeibare afval die het freatisch vlak kan besmetten.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 33 (280).
- Opgave : bleken van beenderen.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : waterdamp; zwakke dierlijke uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 34 (281).
- Opgave : opslagplaatsen voor beenderen toegevoegd aan een ingedeelde inrichting onderworpen aan het hoog toezicht van de Minister die de arbeid onder zijn bevoegdheid heeft :
a) voor 25 tot 300 kg;
b) voor meer dan 300 kg.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : onaangename en ongezonde dierlijke uitwasemingen; gevaar voor besmetting.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------

Art. 8MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 35 (21).
- Opgave : benzol-aldehyde.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : hinderlijke reuk; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 36 (49).
- Opgave : fabrieken van en werkplaatsen waar benzols, benzeen, homologen van benzeen en derivaten van benzeen gebruikt worden.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand; ontploffing en vergiftiging van het personeel.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 37 (50).
- Opgave : beton-, mortel- of pleistercentrales :
a) wanneer de gezamenlijke drijfkracht minder bedraagt dan of gelijk is aan 10 kW;
b) wanneer de gezamelijke drijfkracht meer bedraagt dan 10 kW.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : gerucht; trillingen; stof.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 38 (70).
- Opgave : bierbrouwerijen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; overvloedige ontwikkeling van flauwe hinderlijke damp.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 39 (52).
- Opgave : werkplaatsen voor het aftappen van bier.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gevaar voor het stukspringen van flessen.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 9MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 40 (51).
- Opgave : bieten (wassen en raspen).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : modderige voor rotting vatbare vaste en vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 41 (165).
- Opgave : vervaardiging van bladtin.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; gerucht.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 42 (60).
- Opgave : blauwmaken van metalen door warm aanwenden van olieachtige produkten, teer, enz..
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : slechte reuk; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 43 (58).
- Opgave : bereiding van blauw (Pruisisch of Berlijns Turnbull-), de bereiding van geel en rood cyaankalium niet inbegrepen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gekleurde, zoutachtige en ijzerhoudende vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; Bestuur van de Volksgezondheid.
-------------------------
- Nummering : 44 (57).
- Opgave : bleken van garens, linnen of weefsels door werking van scheikundige ontkleuringsmiddelen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : overvloedige loogreuk verspreidende waterdamp; voor rotting vatbare en voor gewassen schadelijke vloeibare afval; onaangename en schadelijke chloorreuk.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------

Art. 10MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 45 (177).
- Opgave : blikslagerijen.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gerucht; zwakke reuk van spiegelhars.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 46 (176).
- Opgave : vervaardiging van blik.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : zwakke geur van rotte eieren; rook; soms onaangename geur van verhitte talk.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 47 (61).
- Opgave : fabrieken van blokken, tegels, platen, buizen, enz., van beton of cement :
a) wanneer de gezamenlijke drijfkracht minder bedraagt dan of gelijk is aan 10 kW;
b) wanneer de gezamenlijke drijfkracht meer bedraagt dan 10 kW.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : gerucht; trillingen; stof.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 48 (67).
- Opgave : bereiding of zuivering van boraxzure soda, borax.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : loogreuk verspreidende waterdamp.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 49 (73).
- Opgave : fabrieken van borduurwerk :
a) wanneer de gezamenlijke drijfkracht minder bedraagt dan of gelijk is aan 10 kW;
b) wanneer de gezamenlijke drijfkracht meer bedraagt dan 10 kW.
- Zie ook : passementwerk.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : gerucht; trillingen; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 11MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 50 (74).
- Opgave : fabrieken van borstels :
a) wanneer de gezamenlijke drijfkracht minder bedraagt dan of gelijk is aan 10 kW;
b) wanneer de gezamenlijke drijfkracht meer bedraagt dan 10 kW.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : stof; onaangename reuk; gevaar voor brand en besmetting; voor rotting vatbare afval.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 51 (66).
- Opgave : fabrieken van of weefsels uit breiwerk :
a) wanneer de gezamenlijke drijfkracht minder bedraagt dan of gelijk is aan 10 kW;
b) wanneer de gezamenlijke drijfkracht meer bedraagt dan 10 kW.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : gerucht; trillingen; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 52 (85).
- Opgave : fabrieken van bremerblauw of koolzure koperoxyde en andere koperverbindingen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : koperhoudende en soms arsenikhoudende vloeibare afval; ongezonde arbeid.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, toezicht van Waters en Bossen.
------------------------
- Nummering : 53 (69).
- Opgave : fabrieken van brood- en banketbakkerijen.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : rook; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 54 (81).
- Opgave : calciumcarbid of andere carbiden die onder werking van water acetyleen kunnen voortbrengen :
a) opslagplaatsen van 100 tot 1 000 kg;
b) opslagplaatsen voor meer dan 1 000 kg.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : onaangename reuk; gevaar voor ontploffing.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 12MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 55 (84).
- Opgave : bereiding van caseïne of kaasstof.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : onaangename reuk; voor rotting vatbare vloeibare afval die het freatisch vlak kan besmetten.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 56 (115).
- Opgave : cementfabrieken.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; stof; ontwikkeling van hinderlijke en voor gewassen schadelijke gassen.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming.
------------------------
- Nummering : 57 (109).
- Opgave : bereiding van chloor.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; onaangename, voor mensen en gewassen schadelijke en op grote afstand verspreide uitwasemingen; overvloedige, zure en bijtende voor de grond nadelige vloeibare afval, die de mortel van de waterleidingen vernietigt, het water van de beken en riviertjes voor economisch en industrieel gebruik onbruikbaar maakt en de vis doodt.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming; landbouw, toezicht van Waters en Bossen; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 58 (340).
- Opgave : chloorhoudende oplosmiddelen : koolstoftetrachloride, tetrachloorethaan, trichloorethyleen, enz..
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : onaangename en schadelijke uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 59 (111).
- Opgave : chocoladefabrieken en suikerbakkerijen :
a) wanneer de gezamenlijke drijfkracht minder bedraagt dan of gelijk is aan 10 kW;
b) wanneer de gezamelijke drijfkracht meer bedraagt dan 10 kW.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : gerucht; trillingen, gevaar voor brand; onaangename uitwasemingen wanneer er cacao geroosterd wordt.
- Diensten te raadplegen : Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------

Art. 13MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 60 (112).
- Opgave : bereiding van chromaten en chromaathoudende verfstoffen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : naargelang de aangewende procedes : rook; stof; onaangename en ongezonde salpeterhoudende uitwasemingen; ziltige vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 61 (113).
- Opgave : bereiding van cider.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : voor gisting en rotting vatbare afval die het freatisch vlak kan besmetten.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 62 (8).
- Opgave : bereiding van citroenzuur door gisting van suiker of suikerstroop.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : overvloedige voor spoedige rotting vatbare vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : landbouw, toezicht van Waters en Bossen.
------------------------
- Nummering : 63 (120).
- Opgave : cokesovens.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; rookzwart; stof; overvloedige ontwikkeling van voor gewassen schadelijke brandende gassen.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; Bestuur van de Volksgezondheid; landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming.
------------------------
- Nummering : 64 (125).
- Opgave : bereiding van collodion of aanbrengen als deklaag en andere gevaarlijke behandelingen van deze stof (het bereiden en opslaan van schietkatoen uitgezonderd) bij hoeveelheden :
a) van 5 tot 20 l;
b) van meer dan 20 l.
(Die getallen duiden de in eenmaal bewerkte hoeveelheden aan).
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand en ontploffing.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 14MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 65 (139).
- Opgave : cyaanverbindingen (opslagplaatsen voor meer dan 10 kg alcalische).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor vergiftiging door behandeling van giftige stoffen en door toevallige besmetting van het freatisch vlak.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 66 (140).
- Opgave : cyaniden en cyaanwaterstofzuur (gebruik van) in vaste inrichtingen voor het bestrijden van parasieten en het ontsmetten.
- klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor vergiftiging van personeel en buurt.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 66bis (140bis).
(Opgeheven). <KB 12-03-1976, art. 1, A>
------------------------
- Nummering : 66ter (140ter). <KB 18-07-1973, art. 1, gewijzigd door KB 03-08-1977, art. 1>
- Opgave : afval, met uitzondering van :
a) deze die elders is ingedeeld of deze die bedoeld is in de wet van 22 juli 1974 op de giftige afval;
b) de afvalwaters;
c) deze die afkomstig is van de ingedeelde inrichtingen van de lijst B;
d) schroot;
e) versleten voertuigen;
f) materialen afkomstig van de afbraak van gebouwen en kunstwerken;
g) slakken en sintels van de staalnijverheid.
1. Opslagplaatsen van afval die niet gevoegd zijn bij in andere rubrieken ingedeelde inrichtingen, met uitzondering van :
a) de stortingen of ophogingen uitgevoerd tijdens werken van burgerlijke bouwkunde waarop toezicht wordt uitgeoefend door de ambtenaren van het Ministerie van Openbare Werken of van de nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;
b) afval die niet van aard is het leefmilieu te verontreinigen en die geen gevaar inhoudt voor brand of vergiftiging.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : mogelijkheid tot verontreiniging van het leefmilieu; gevaar voor brand; mogelijkheid tot vergiftiging.
- Diensten te raadplegen : Bestuur van de Volksgezondheid; landbouw, toezicht van Waters en Bossen.
2. Inrichtingen voor de behandeling of de vernietiging van afval gevoegd bij een inrichting van de lijst A.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : mogelijkheid tot verontreiniging van het leefmilieu; gevaar voor brand; gerucht; reuk; mogelijkheid tot vergiftiging.
- Diensten te raadplegen : Bestuur van de Volksgezondheid.
3. Inrichtingen voor de behandeling of de vernietiging van afval die niet gevoegd zijn bij een in de lijst A ingedeelde inrichting.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : mogelijkheid tot verontreiniging van het leefmilieu; gevaar voor brand; gerucht; reuk; mogelijkheid tot vergiftigingen.
- Diensten te raadplegen : Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 66quater (140quater). <Ingevoegd bij BEWG 1987-03-19/31, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 26-05-1987>
- Opgave : in het Waalse Gewest, inerte afval, met uitzondering van :
a) afvalwater;
b) ingedeelde afval, bedoeld bij andere rubrieken;
c) schroot en versleten voertuigen.
Opslagplaatsen voor inerte afval zoals aarde, stenen, steenslag, gesteenten, vliegas voortkomend van met poederkool of met vaste, vloeibare of dikke brandstoffen gestookte ketels, materialen voortkomend van de vernietiging van gebouwen en kunstwerken, materialen voortkomend van wegen- of autosnelwegbouwwerken, staalslakken en stofdeeltjes van de ijzer- en -staalindustrie, met uitzondering van stortingen van natuurlijke aard of van stenen en baksteenpuinen uitgevoerd met het oog op de inrichting van private eigendommen (inrichting van tuinen, oprichting van ontwateringsnetten).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : stof; gevaar voor brand; machinelawaai.
- Diensten te raadplegen : -.
(Nota : artikel 25, tweede lid, van ARAB is niet van toepassing op de door nr. 140quater bedoelde inrichtingen. De ondernemers van die inrichtingen zijn ertoe gehouden, binnen drie maanden na de bekendmaking van het wijzigingsbesluit, een aanvraag om vergunning in de door artikel 3 van het ARAB voorziene vormen in te dienen. <BEWG 1987-03-19/31, art. 3>)
------------------------
- Nummering : 67 (328).
- Opgave : danszalen met een dansvloer met een oppervlakte van meer dan 100 m2.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gerucht; gevaar voor brand en paniek.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 68 (143).
- Opgave : bewerking van diamant :
a) wanneer de gezamelijke drijfkracht minder bedraagt dan of gelijk is aan 2 kW;
b) wanneer de gezamelijke drijfkracht meer bedraagt dan 2 kW.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : gerucht; trillingen.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 69 (99).
- Opgave : bereiding van dierlijke kool of beenderzwart.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : zeer onaangename en blijvende op grote afstand verspreide reuk van verbrande hoorn; zwart stof.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------

Art. 15MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 70 (144).
- Opgave : bereiding van diëthylamine.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : ongezonde arbeid; onaangename en giftige uitwasemingen; gevaar voor ontploffing; zure vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 71 (145).
- Opgave : bereiding van dimethylamine.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : ongezonde arbeid; giftige uitwasemingen; gevaar voor brand en ontploffing; zure vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 72 (121).
- Opgave : bereiding van dodekop, Berlijns rood, Engels rood door middel van ijzersulfaat.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : overvloedige en voortdurende uitwasemingen van zwavelhoudende gassen en van zeer onaangename, verstikkende, ongezonde, op grote afstand verspreide en voor gewassen schadelijke zure damp.
- Diensten te raadplegen : landbouw, vee-artsenijtoezicht.
------------------------
- Nummering : 73 (148).
- Opgave : ovens voor het fritten van dolomiet of bitterspaat.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : overvloedige rook; voor gewassen schadelijke uitwasemingen; stof.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, toezicht van Waters en Bossen.
------------------------
- Nummering : 74 (183).
- Opgave : vervaardigen van metalen draden en kabels.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gerucht; trillingen.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 16MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 75 (229).
- Opgave : drukken op weefsels in het algemeen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : overvloedige ontwikkeling van riekende waterdamp; vloeibare afval die zure of giftige verf- en minerale stoffen inhoudt; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 76 (230).
- Opgave : drukkerijen :
a) wanneer de gezamelijke drijfkracht minder bedraagt dan of gelijk is aan 10 kW;
b) wanneer de gezamelijke drijfkracht meer bedraagt dan 10 kW.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : gerucht; trillingen; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 76bis (230bis). <Ingevoegd bij BWG 1993-12-09/43, art. 1; Inwerkingtreding : 28-02-1994>
- Opgave : in het Waalse Gewest, verbrandingsinstallaties met een nominaal thermisch vermogen :
a) groter dan of gelijk aan 2 MW en kleiner dan 5 MW;
b) groter dan of gelijk aan 5 MW.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : emissies van vebrandingstoffen en stofdeeltjes, van rook en lawaai.
------------------------
- Nummering : 77 (152).
- Opgave : bereiding van eau de Javel of bleekwater door de onrechtstreekse methode van de dubbele ontbinding.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : zwakke chloorreuk.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 78 (156). <AR 18-05-1978, art. 1, E>
- Opgave : elektriciteit :
1. generatoren, receptoren :
a) met een nominaal vermogen van 100 tot 1 000 kW;
b) met een nominaal vermogen van meer dan 1 000 kW.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : eventuele trillingen; gevaar voor elektrocutie.
- Diensten te raadplegen : -;
2. statische transformatoren :
a) met een nominaal vermogen van 250 tot 1 000 kVA;
b) met een nominaal vermogen van meer dan 1 000 kVA.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : eventueel licht gerucht; risico voor brand als het dielektricum brandbaar is; gevaar voor elektrocutie.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 79 (239).
- Opgave : vervaardigen van elektrische lampen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : uitwasemingen; gevaar voor vergiftiging.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------

Art. 17MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 80 (157).
- Opgave : elektrische sterkstroominrichtingen in de ondergrondse werken en in bepaalde bovengrondse aanhorigheden van de mijnen, graverijen en ondergrondse groeven.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : speciale regeling.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 81 (158).
- Opgave : afscheiding, zuivering en bescherming van metalen door elektrolyse.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : vloeibare afval die vaak zure metaalhoudende oplossingen inhoudt, de mortel van de riolen aantast en het freatisch vlak of de waterlopen besmet.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, toezicht van Waters en Bossen.
------------------------
- Nummering : 82 (159).
- Opgave : emailleerwerk.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : ongezonde arbeid; uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 83 (160).
- Opgave : fabrieken van emailwaren.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; rookzwart; stof; gevaar voor brand; eventueel gevaar voor vergiftiging.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 84 (263).
- Opgave : behandeling van ertsen en daarmee gelijkstaande :
a) wassing en concentratie, uitgezonderd de dichtbijgelegen bijgebouwen van mijnen en graverijen;
b) mechanische bereiding, uitgezonderd de dichtbijgelegen bijgebouwen van mijnen en graverijen;
c) roosten;
d) calcinering en agglomeratie.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder :
voor a) : bederving van het freatisch vlak door meegevoerde stoffen;
voor b), c) en d) : rook; ontwikkeling van schadelijke gassen; stof; bederving van het freatisch vlak.
- Diensten te raadplegen :
voor a) : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, toezicht van Waters en Bossen;
voor b) : -;
voor c) : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, vee-artsenijtoezicht; landbouw, toezicht van Waters en Bossen;
voor d) : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------

Art. 18MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 85 (168).
- Opgave : ether (bereiding van zwavelzure).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : zeer groot gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 86 (167).
- Opgave : ether of esters (bereiding van samengestelde).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : zeer groot gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 87 (174).
- Opgave : vervaardiging van faïence-artikelen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : veel rook en rookzwart; kleihoudende vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 88 (358).
- Opgave : fabrieken van ferrisulfaat door middel van salpeterzuur en ferrosulfaat.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : overvloedige ontwikkeling van salpeterhoudende damp; ongezonde arbeid.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 89 (357).
- Opgave : bereiding van ferrosulfaat of ijzervitriool door werking van zwavelzuur op ijzer of gietijzer.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; nevel; stinkende en ongezonde uitwasemingen van rotte eieren; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------

Art. 19MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 90 (182).
- Opgave : opslagplaatsen voor films, gevoelige platen of alle andere produkten van celluloid of dergelijke gemakkelijke ontvlambare stoffen van meer dan 20 kg.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 91 (181).
- Opgave : films, gevoelige platen of alle andere produkten van celluloid of dergelijke gemakkelijke ontvlambare stoffen (werkplaatsen voor het vervaardigen, wassen, ontwikkelen, enz.), wanneer de aangewende hoeveelheid 5 kg te boven gaat.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand; reuk; voor verrotting vatbare vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 92 (9).
- Opgave : bereiding van fluorwaterstofzuur.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : prikkelende, onaangename, voor gewassen schadelijke en spiegel- en glansdofmakende uitwasemingen; ongezonde arbeid.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming; landbouw, toezicht van Waters en Bossen; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 93 (22).
- Opgave : bereiding van formaldehyde of formol.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand; onaangename reuk; prikkelende damp.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 94 (189).
- Opgave : uitbranding in het groot van gouden en zilveren galons en weefsels.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; onaangename reuk.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 20MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 95 (190).
- Opgave : werkplaatsen voor galvanisering van ijzer en gietijzer.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : damp; zure vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 96 (195).
- Opgave : bereiding van gas door distillatie in gesloten vat.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; stof; produkten en afval die een sterke reuk van rotte eieren en van steenkoolteer verspreiden waardoor lucht en water ongezond en de grond onvruchtbaar worden gemaakt; gevaar voor brand en ontploffing; gevaar voor vergiftiging door gasindringing.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, toezicht van Waters en Bossen; landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming.
------------------------
- Nummering : 97 (192).
- Opgave : bereiding van gecarbureerd gas door middel van een carbureertoestel dat kan inhouden :
a) tot 300 l carburerende vloeistof;
b) meer dan 300 l carburerende vloeistof.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand en ontploffing.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 98 (200).
- Opgave : gasgeneratoren (industriële).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; stof; zwavelwaterstof- en teerreuk; gevaar voor ontploffing en vergiftiging.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 99 (201).
- Opgave : gashouders die een brandbaar gas inhouden en een inhoudsvermogen hebben van :
a) 1 000 tot 10 000 l gas;
b) meer dan 10 000 l gas.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand en ontploffing.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 21MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 100 (198).
- Opgave : inrichtingen voor het scheiden langs fysische weg van gassen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : onwelriekende afval; gevaar voor brand en ontploffing.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 101 (194).
- Opgave : gassen :
a) inrichtingen voor het vullen van om het even welke verplaatsbare recipiënten met gassen samengeperst, vloeibaar gemaakt of opgelost gehouden onder een druk hoger dan 1 kg/cm 2, wanneer het totale waterinhoudsvermogen van de recipiënten die zich in de inrichting bevinden meer dan 500 l bedraagt;
b) inrichtingen voor het vullen van om het even welke verplaatsbare recipiënten met ontvlambare of giftige gassen samengeperst, vloeibaar gemaakt of opgelost gehouden onder een druk hoger dan 1 kg/cm 2, wanneer het totale waterinhoudsvermogen van de recipiënten die zich in de inrichting bevinden 500 l niet overschrijdt.
- Klasse : voor a) : 1; voor b) : 2.
- Aard van de hinder : gevaar voor ontploffing en ontsnapping van de gassen.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 102 (197).
- Opgave : gassen (inrichtingen waar) volgens een scheikundig of warmteproces worden voortgebracht of omgevormd.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : voor mensen en gewassen schadelijke uitwasemingen; gevaar brand en ontploffing.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 103 (196).
- Opgave : installaties voor het samenpersen van gassen :
a) wanneer de gezamelijke drijfkracht minder bedraagt dan of gelijk is aan 10 kW;
b) wanneer de gezamelijke drijfkracht meer bedraagt dan 10 kW.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor ongevallen; gerucht; trillingen.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 104 (193).
- Opgave : gassen (samengeperste, vloeibaar gemaakte of in oplossing gehouden) :
1. handelsbutaan en -propaan en hun mengsels (opslagplaatsen voor vaste recipiënten) :
a) met een gezamelijk inhoudsvermogen in liters water van 300 tot 3 000 l;
b) met een gezamelijk inhoudsvermogen in liters water van meer dan 3 000 l;
2. gassen onder een druk van meer dan 1 kg/cm 2 samengeperst, vloeibaar gemaakt of in oplossing gehouden (opslagplaatsen voor vervoerbare recipiënten) met een gezamelijk inhoudsvermogen in liters water van 500 l en meer;
3. gassen onder een druk van meer dan 1 kg/cm 2 samengeperst, vloeibaar gemaakt of in oplossing gehouden, met uitzondering van de opslagplaatsen voor handelsbutaan en -propaan en hun mengsels (opslagplaatsen voor vaste recipiënten) met een gezamelijk inhoudsvermogen in liters water van 300 l en meer.
- Klasse : voor 1, a : 2; voor 1, b : 1; voor 2 : 1; voor 3 : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor ontploffing en ontsnapping van de gassen.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 22MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 105 (199).
- Opgave : gassen (vastgeplaatste houders voor op lage temperatuur vloeibaar gemaakte).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor scheuring en ontploffing van de houders; gevaar of hinder veranderlijk volgens de aard van de vloeistof ingehouden in de houders.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 106 (191).
- Opgave : gas (werkplaatsen voor het roosten van katoenen weefsels door middel van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand; ontwikkeling van prikkelende damp.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 107 (205).
- Klasse : 1.
- Opgave : gegoten glas (verfoliën van).
- Aard van de hinder : zeer ongezonde arbeid.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 108 (207).
- Opgave : gegoten glas (vervaardigen van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : veel rook; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 109 (202).
- Opgave : gelatine uit beenderen (bereiding van), hetzij door middel van zuren, hetzij door middel van water in een stoomkoker.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : onaangename reuk van bedorven beenderen; lijmreuk; zure voor rotting vatbare vaste en vloeibare afval die de mortel van de riolen vernietigt.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, toezicht van Waters en Bossen; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------

Art. 23MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 110 (368).
- Opgave : gereedschapsmederijen.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : rook; gerucht.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 111 (382).
- Opgave : geschilderde doeken (werkplaatsen voor het bedrukken van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : onaangename en blijvende reuk van olieverf en vernis; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 112 (242).
- Opgave : gistfabrieken.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : afval die het freatisch vlak en de naburige waterlopen kan besmetten; walgelijke reuk.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, toezicht van Waters en Bossen; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 113 (396).
- Opgave : glasblazerijen en kristalfabrieken.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : veel rook; stof; zwavelhoudende, ongezonde en voor gewassen schadelijke uitwasemingen; gevaar voor brand; gevaar opgeleverd door de bij de bewerking gebruikte giftige stoffen.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; Bestuur van de Volksgezondheid; landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming.
------------------------
- Nummering : 114 (398).
- Opgave : glas (strekovens of in het algemeen ovens voor het verwarmen van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : overvloedige rook; stof.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 24MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 115 (397).
- Opgave : glazen, flessen, spiegelglas of alle andere voorwerpen in glas (graveren, ontglanzen, gelijkmaken van) en alle bewerkingen waar er een zandstraal onder druk of fluorzuur worden gebruikt.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gerucht; trillingen; gevaar voor silicose; gevaar voor vergiftiging.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 116 (248).
- Opgave : gloeikousjes (volledige bereiding of afzonderlijke bewerkingen, zoals drogen, vlammen, roosten, collodioneren en andere bewerkingen, die schadelijk kunnen zijn.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : onaangename reuk; schadelijke uitwasemingen; gevaar voor brand en ontploffing.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 117 (208).
- Opgave : glucose, stroop of suiker uit zetmeel (bereiding van).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : rook; in voorkomend geval overvloedige ontwikkeling van flauwe damp.
- Diensten te raadplegen : Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 118 (209).
- Opgave : glycerine (distillatie van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : nevel; onaangename reuk; afval die het freatisch vlak kan besmetten.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 119 (278).
- Opgave : goud en zilver (pletten van).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gerucht.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 25MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 120 (86).
- Opgave : goudsmederijafval (behandeling van) met lood.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; zeer ongezonde uitwasemingen van loodoxyde.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 121 (211).
- Opgave : granen (reinigen in het groot van) door middel van mechanische toestellen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; mineraal en organisch stof.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 122 (127).
- Opgave : groenten en fruit (bereiding in het groot van ingelegde).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : voor rotting vatbare vaste en vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 123 (82).
- Opgave : groeven (zand-, klei, enz.) in open lucht.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor instorting; overstroming; wijziging van het regime van het freatisch vlak.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 124 (214).
- Opgave : guano (opslagplaatsen in het groot voor).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : zeer onaangename reuk.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 26MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 125 (318).
- Opgave : harsen (distillatie van) voor de bereiding van fijne en vluchtige oliën.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : sterke, doordringende en onaangename reuk van verhitte vioolhars of hars op grote afstand verspreid; gevaar voor brand en ontploffing.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 126 (319).
- Opgave : harsstoffen (bewerking in het groot van) hetzij om die stoffen te smelten en te zuiveren, hetzij om er terpentijn uit af te scheiden.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : sterke, doordringende en onaangename reuk van verhitte terpentijngeest of hars op grote afstand verspreid; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 127 (92).
- Opgave : hennep (bereiding van geteerde of ondoordringbare).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : sterke, onaangename en blijvende reuk van steenkoolteer; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 128 (94).
- Opgave : hennep, vlas en dergelijke vezelstoffen (hekelen in het groot van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : stof; gevaar voor brand; ongezonde arbeid.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 129 (93).
- Opgave : hennep, vlas en dergelijke vezelstoffen (opslagplaatsen voor meer dan 1 000 kg).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 27MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 130 (95).
- Opgave : hennep, vlas en dergelijke vezelstoffen (roten van) :
a) door het weken in een waterloop :
1. in het groot (meer dan 2 000 kg);
2. in het klein (2 000 kg en minder;
b) door elk ander procede.
- Klasse : voor a, 1 : 1 et voor a, 2 : 2; voor b : 1.
- Aard van de hinder : zeer onaangename, rottige en ongezonde uitwasemingen; overvloedige rottige of voor rotting vatbare vloeibare aval; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen :
voor a, 1 : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; Bestuur van de Volksgezondheid; landbouw, toezicht van Waters en Bossen;
voor a, 2 : -;
voor b : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 131 (96).
- Opgave : hennep, vlas en dergelijke vezelstoffen (zwingelen van) :
a) werkplaatsen waarin de drijfkracht niet door een mechanische motor wordt verschaft en die minstens 5 zwingelmolens bevatten of werkplaatsen waarin de drijfkracht door een mechanische motor wordt verschaft en die minder dan 5 zwingelmolens bevatten;
b) werkplaatsen waarin de drijfkracht door een mechanische motor wordt verschaft en die minstens 5 zwingelmolens bevatten.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : gerucht; stof; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 132 (97).
- Opgave : hoeden (vervaardiging van vilten).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : nevel met zeer onaangename dierlijke reuk; op grote afstand verspreid zwart stof; voor rotting vatbare vloeibare afval; gevaarlijke arbeid.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 133 (98).
- Opgave : hoeden (vervaardigen van zijden en andere), met vernis toebereid.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : onaangename reuk; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 134 (216).
- Opgave : hop (eesten voor het zwavelen van).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : zwakke reuk van brandende zwavel.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 28MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 135 (13).
- Opgave : houtazijn (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; onaangename reuk; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 136 (228).
- Opgave : houtdrenking met creosoot of met soortgelijke of giftige produkten (inrichtingen voor).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : doordringende reuk; gevaar voor besmetting van het freatisch vlak; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, toezicht van Waters en Bossen.
------------------------
- Nummering : 137 (63).
- Opgave : houtextracten (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gekleurde en soms zure vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : landbouw, toezicht van Waters en Bossen.
------------------------
- Nummering : 138 (65).
- Opgave : hout (opslagplaatsen of magazijnen voor meer dan 5 m3 gezaagd of gekapt).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 139 (100).
- Opgave : houtskool (bereiding in mijten van) in bossen of in open veld.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : rook; op grote afstand verspreide reuk van houtrook.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 29MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 140 (62).
- Opgave : houtverkoling.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; zeer sterke reuk; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 141 (64).
- Opgave : hout (zagerijen en werkplaatsen voor de bewerking van) :
a) als de gezamelijke drijfkracht meer bedraagt dan 1 kW en minder bedraagt dan of gelijk is aan 10 kW;
b) als de gezamelijke drijfkracht meer bedraagt dan 10 kW.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : gerucht; trillingen; stof; gevaar voor brand. <KB 18-05-1973, art. 1>
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 142 (296).
- Opgave : huidendrogerijen :
a) waarin uitsluitend huiden van kleine dieren worden gedroogd (konijnen, hazen, enz.) per hoeveelheden die 200 huiden per week niet te boven gaan;
b) in het groot.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : dierlijke uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 143 (295).
- Opgave : huiden en haren (bewerking van) :
a) schoonmaken, splitsen, kammen, ontvlezen, ontdoen van borstelharen, afsnijden, vilten en borstelen van de huiden; het snijden en sorteren der haren;
b) schoonmaken, splitsen, kammen, ontvlezen, ontdoen van borstelharen en afsnijden van de huiden, wanneer die bewerkingen ten huize worden verricht, uitsluitend door leden van een in hetzelfde huis wonend gezin.
- Klasse : voor a) : 1; voor b) : 2.
- Aard van de hinder :
voor a) zeer onaangename uitwasemingen; stof; gerucht; ongezonde arbeid (gevaar voor kwikvergiftiging);
voor b) zeer onaangename uitwasemingen; stof.
- Diensten te raadplegen :
voor a) : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde;
voor b) : -.
------------------------
- Nummering : 144 (110).
- Opgave : ijzerchloride (bereiding van) door werking van zoutzuur op ijzer.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : zeer prikkelende zure damp; voortbrenging van waterstofgas dat ontploffingen kan teweegbrengen.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming.
------------------------

Art. 30MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 145 (178).
- Opgave : ijzercyanide (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; nevel; zeer onaangename uitwasemingen; gevaar voor brand; ongezonde arbeid.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 146 (274).
- Opgave : ijzernitraat (bereiding van) door werking van salpeterzuur op ijzer.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : overvloedige ontsnapping van salpeterhoudende damp; ongezonde arbeid.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming.
------------------------
- Nummering : 147 (161).
- Opgave : inkt (fabrieken van).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : reuk; rook; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 147bis (161bis). <Ingevoegd bij BEWG 1986-06-13/38, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 13-03-1987>
- Opgave : in het Waalse Gewest, meststoffen die uitsluitend chemisch zijn :
1. inrichtingen voor de vervaardiging van stikstofhoudende elementen, bestemd voor de voorbereiding van uitsluitend chemische meststoffen;
2. inrichtingen voor de voorbereiding van uitsluitend chemische meststoffen met nitraat;
3. opslagplaatsen voor het bereiden van uitsluitend vaste of vloeibare chemische meststoffen :
a) van een totale capaciteit van 5 tot 100 t;
b) van een totale capaciteit groter dan 100 t.
Zie ook de exploitatievoorwaarden betreffende de opslagplaatsen van chemische meststoffen, B.S. 03-03-1987, p. 3106.
- Klasse :
voor 1, 2, 3, b) : 1;
voor 3, a) : 2.
- Aard van de hinder : lawaai; stof; brandgevaar; gevaar voor besmetting van het freatisch vlak.
- Diensten te raadplegen : -.
(Nota : artikel 25 van ARAB is niet van toepassing op nr. 161bis bedoelde inrichtingen van eerste klasse. De bedrijfshoofden van die inrichtingen zijn ertoe gehouden binnen negen maanden na bekendmaking van het wijzigingsbesluit de vereiste vergunning aan te vragen. Ze kunnen zonder vergunning de exploitatie voortzetten tot de dag waarop de beslissing van de bestendige Deputatie van de Provincialeraad die over hun aanvraag beslist hen wordt bekendgemaakt <BEWG 1986-06-13/38, art. 2>)
------------------------
- Nummering : 148 (349).
- Opgave : invertsuikerfabrieken.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : damp.
- Diensten te raadplegen : Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 149 (231).
- Opgave : ionone of kunstvioletessence (bereiding van) door middel van citraal en aceton.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : nu en dan uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 31MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 150 (304).
- Opgave : jachthagel (vervaardiging van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaarlijke arsenikhoudende uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 151 (68).
- Opgave : kaarsen (vervaardigen van stearine).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 152 (90).
- Opgave : kaarsen (vervaardiging van vet).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : onaangename reuk van gesmolten talk; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 153 (187).
- Opgave : kaasmakerijen waar minstens 500 l melk per dag behandeld wordt voor de bereiding van kaas.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : onaangename reuk; voor rotting vatbare vloeibare afval die het freatisch vlak kan besmetten.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, toezicht van Waters en Bossen; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 154 (188).
- Opgave : kaas (opslagplaatsen voor meer dan 50 kg) toegevoegd aan een kaasmakerij.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : onaangename reuk.
- Diensten te raadplegen : Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------

Art. 32MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 155 (307).
- Opgave : kachelmakers (werkplaatsen van).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : een weinig rook; gerucht.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 156 (104).
- Opgave : kalkovens (bestendige).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : overvloedige rook; voor gewassen schadelijke uitwasemingen; stof.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; Bestuur van de Volksgezondheid; landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming.
------------------------
- Nummering : 157 (105).
- Opgave : kalkovens voor een verrichting.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : overvloedige rookontwikkeling van voor gewassen schadelijke gassen; stof.
- Diensten te raadplegen : landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming.
------------------------
- Nummering : 158 (354).
- Opgave : kaliumsulfaat (zuivering van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; nevel; soms zwakke zure uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 159 (77).
- Opgave : kamfer (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : groot gevaar voor brand en ontploffing; onaangename en ongezonde uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 33MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 160 (119).
(Opgeheven). <KB 18-05-1973, art. 1>
------------------------
- Nummering : 161 (83).
- Opgave : karton (vervaardigen van dozen of voorwerpen uit).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : lijmreuk; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 162 (102).
- Opgave : ketelmakerij (werkplaatsen voor).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : oorverdovend en ver hoorbaar gerucht.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 163 (150).
- Opgave : keuls reukwater en andere soortgelijke produkten (bereiding van) voor distillatie.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 164 (151).
- Opgave : keuls reukwater en andere soortgelijke produkten (bereiding van) door eenvoudige menging.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gering gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 34MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 165 (326).
- Opgave : klompendrogerijen.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 166 (325).
- Opgave : klompen (werkplaatsen voor het roken van) door het branden van hoorn of andere dierlijke stoffen.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : rook; onaangename en op verre afstand verspreide reuk van gebrande hoorn; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 167 (48).
- Opgave : kloppen in het groot en gewoonlijk van vulhaar, wol, weefsels, linnen, garens.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : stinkende reuk; ongezond dierlijke stof; gerucht.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 168 (317).
- Opgave : koelinrichtingen, toestellen met effectief vermogen gelijk aan of groter dan 5 kW.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gevaar voor het personeel; gerucht; trillingen.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 169 (76).
- Opgave : koffie (werkplaatsen voor het branden van), wanneer de totale inhoud van de trommel of de trommels :
a) minder bedraagt dan of gelijk is aan 25 kg;
b) meer dan 25 kg bedraagt.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : sterke en op grote afstand verspreide reuk; rook; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 35MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 170 (374).
- Opgave : koolstoftetrachloride (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : ongezonde en hinderlijke uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 171 (137).
- Opgave : koper (afscheiding of zuivering door uitsmelting van) dat aanwezig is in de afval van werkplaatsen waar dat metaal of legeringen ervan worden bewerkt.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; stof; ongezonde metaalhoudende uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 172 (138).
- Opgave : koperbereiding langs natte weg (procédé van de chloorbehandeling).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : uitwasemingen van ongezonde zure damp; zure en ziltige vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, toezicht van Waters en Bossen; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 173 (352).
- Opgave : kopersulfaat (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; onaangename, ongezonde en voor gewassen schadelijke uitwasemingen; ongezonde arbeid.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, toezicht van Waters en Bossen; Bestuur van de Volksgezondheid; landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming.
------------------------
- Nummering : 174 (136).
- Opgave : koper (werkplaatsen voor het ontzilveren van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : onaangename en ongezonde uitwasemingen van salpeter- en zwavelhoudende dampen; ongezonde arbeid.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 36MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 175 (44).
- Opgave : kunstbaleinen (vervaardiging van) uit pees, been en hoorn.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : onaangename reuk; dierlijk stof; gerucht; vloeibaar afval die ongezonde stoffen inhoudt.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 176 (126).
- Opgave : kunstbrandstoffen, perskolen, pera's, briketten (vervaardiging van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : sterke en onaangename op grote afstand verspreide reuk van steenkoolteer; stof; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 177 (203).
- Opgave : kunstijs (fabrieken van) :
a) wanneer de gezamelijke drijfkracht minder bedraagt dan of gelijk is aan 10 kW;
b) wanneer de gezamelijke drijfkracht meer bedraagt dan 10 kW.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor het personeel; hinder veranderlijk naar de aard van het procede.
- Diensten te raadplegen : Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 178 (255).
- Opgave : kunststoffen (organische macromoleculaire synthetische stoffen, zoals polystyreen, polyvinylchloride, polyamiden, enz.) :
1. werkplaatsen voor het bereiden van kunststoffen;
2. werkplaatsen voor het vervaardigen en het bewerken van voorwerpen uit kunststoffen :
a) wanneer de gezamenlijke drijfkracht minder bedraagt dan of gelijk is aan 10 kW;
b) wanneer de gezamenlijke drijfkracht meer bedraagt dan 10 kW;
3. opslagplaatsen van kunststoffen of van voorwerpen uit kunststoffen van meer dan 5 000 kg.
- Klasse : voor 1 : 1; voor 2, a) : 2; voor 2, b) : 1; voor 3 : 2.
- Aard van de hinder :
voor 1 : gevaar voor brand en ontploffing; reuk; rook; stof;
voor 2 : gerucht; trillingen; rook; reuk; stof; gevaar voor brand;
voor 3 : gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 179 (338).
- Opgave : kunstzijde (vervaardiging van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : groot gevaar voor brand en ontploffing; onaangename reuk; vloeibare afval die het freatisch vlak kan bederven.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, toezicht van Waters en Bossen; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------

Art. 37MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 180 (238).
- Opgave : kwikdamplampen (vervaardiging van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor vergiftiging.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 181 (233).
- Opgave : laboratoria voor scheikundig onderzoek (uitgezonderd apothekerslaboratoria).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : onaangename en ongezonde uitwasemingen; vloeibare afval die de waterlopen of het freatisch vlak kan bederven; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : landbouw, toezicht van Waters en Bossen.
------------------------
- Nummering : 182 (241).
- Opgave : lak (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : ontwikkeling van door verfhout riekend gemaakte waterdamp; ziltige gekleurde vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 183 (240).
- Opgave : lampenkamers en andere lokalen die tot het mijnbedrijf of tot andere ondergrondse bedrijven behoren en waar ontvlambare essences worden behandeld.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 184 (133).
- Opgave : leder (bereiding van Amerikaans).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; rookzwart; onaangename en op grote afstand verspreide uitwasemingen; koken van lijnolie, van hars, van terpentijngeest of van naphta; groot gevaar voor brand; ongezonde arbeid.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 38MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 185 (135).
- Opgave : leder (bereiding van gevernist of verlakt).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : sterke, onaangename en ongezonde reuk van verhitte lijnolie, van essence en van vernis; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 186 (134).
- Opgave : leder en huiden die de bewerking van het looien niet hebben ondergaan :
a) opslagplaatsen voor hoogstens 500 kg;
b) opslagplaatsen voor meer dan 500 kg.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : slechte dierlijke reuk.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 187 (215).
- Opgave : leder (werkplaatsen voor de bereiding van hongaars).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : slechte lederreuk; zeer onaangename reuk van kanenvet; gevaar voor brand; voor rotting vatbare vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 188 (129).
- Opgave : leertouwerijen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : slechte en blijvende reuk van gelooid leder, van traan en vet.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 189 (123).
- Opgave : lijm (bereiding van konijnevellen-).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : onaangename uitwasemingen van bedorven dierlijke stof; lijmreuk; voor rotting vatbare vloeibare en vaste afval.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 39MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 190 (124).
- Opgave : lijm (bereiding van schrijnwerkers-).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : zeer slechte reuk van bedorven dierlijke stof; overvloedige voor rotting vatbare vloeibare en vaste afval.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 191 (122).
- Opgave : lijm (bereiding van perkament-).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : flauwe en hinderlijke damp; zwakke reuk.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 192 (108).
- Opgave : lompen (opslagplaatsen voor meer dan 100 kg).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : slechte reuk; ongezond stof; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 192bis (108bis). <Ingevoegd bij BWG 1993-12-09/43, art. 1; Inwerkingtreding : 28-02-1994>
- Opgave : in het Waalse Gewest, scheikunde (industriele installaties voor de fabricage van organische of anorganische chemische verbindingen).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor watergrond- luchtverontreiniging; gevaar voor fauna en flora.
------------------------
- Nummering : 193 (107).
- Opgave : lompen (werkplaats voor de sortering of reiniging van).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : reuk; stof; gevaar voor brand en besmetting.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 194 (170).
- Opgave : lonten (gezwinde), aansteekkasten, lonten bereid met kruit of ontploffingsstoffen (vervaardiging van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand en ontploffing; ongezonde arbeid.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 40MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 195 (305).
- Opgave : lood (bereiding van verbindingen van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : ongezonde arbeid; giftig stof dat over een zekere afstand kan worden verspreid.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, vee-artsenijtoezicht; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 196 (88).
- Opgave : bereiden van loodwit.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : zure uitwasemingen; vloeibare afval die loodacetaat inhoudt; ongezonde arbeid; giftig stof.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, vee-artsenijtoezicht; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 197 (369).
- Opgave : leerlooierijen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : onaangename reuk; voor rotting vatbare vaste en vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, vee-artsenijtoezicht; landbouw, toezicht van Waters en Bossen; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 198 (370).
- Opgave : bereiding van tannine door synthese.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : onaangename uitwasemingen; gevaar voor besmetting van het freatisch vlak.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 199 (142).
- Opgave : bereiding van degras of dike olie voor leerlooiers.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : zeer onaangename reuk van ranse traan; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 41MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 200 (24).
- Opgave : lucifers (opslagplaatsen voor meer dan 50 kg chemische).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 201 (25).
- Opgave : lucifers (vervaardiging van chemische).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand en ontploffing.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 202 (353).
- Opgave : magnesiumsulfaat (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; stof; gerucht; nevel; infiltraties die het freatisch vlak kunnen bederven.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 203 (246).
- Opgave : maïs (bereiding van gepelde).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gerucht; stof; zwavelhoudende uitwasemingen; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 204 (389).
- Opgave : mandenwerk (vervaardiging in het groot van voorwerpen in).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand en ontploffing.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 42MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 205 (388).
- Opgave : mandenwerk (werkplaatsen voor de bereiding van de grondstoffen voor) : bamboe, riet, teen, rotan, enz..
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : rook; roet; slecht riekende uitwasemingen; bederf van het freatisch vlak.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 206 (284).
- Opgave : mangaanoxyde (gebruik van) voor het vervaardigen van elektrische elementen of andere voorwerpen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor vergiftiging.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 207 (250).
- Opgave : margarinefabrieken.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand; onaangename uitwasemingen; voor rotting vatbare vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 208 (249).
- Opgave : marmer of natuur- of kunststeen, produkten in fibrocement en andere gelijkwaardige produkten (werkplaatsen voor de bewerking van) :
a) wanneer de gezamelijke drijfkracht minder bedraagt dan of gelijk is aan 10 kW;
b) wanneer de gezamelijke drijfkracht meer bedraagt dan 10 kW.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : zeer hinderend gerucht; stof; soms slijkerige vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 209 (251).
- Opgave : marokijnwerkplaatsen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : onaangename uitwasemingen; voor rotting vatbare vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, toezicht van Waters en Bossen.
------------------------

Art. 43MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 210 (266).
- Opgave : meelmaalderijen en toestellen voor het malen, breken, pletten van granen en zaden :
a) wanneer de gezamelijke drijfkracht minder bedraagt dan of gelijk is aan 10 kW;
b) wanneer de gezamelijke drijfkracht meer bedraagt dan 10 kW.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : stof; gerucht; trillingen.
- Diensten te raadplegen : Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 211 (267).
- Opgave : meelmolens door wind of water gedreven.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gevaar voor ongevallen.
- Diensten te raadplegen : Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 212 (237).
- Opgave : melkerijen en boterfabrieken (lokalen waar dagelijks minstens 1 000 l melk wordt behandeld).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : voor rotting vatbare vloeibare afval; gerucht.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, vee-artsenijtoezicht; landbouw, toezicht van Waters en Bossen; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 213 (10).
- Opgave : melkzuur (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : onaangename reuk; voor rotting vatbare vloeibare afval die het freatisch vlak kan besmetten.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; Bestuur van de Volksgezondheid; landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming.
------------------------
- Nummering : 214 (262).
- Opgave : metaalbewerking waarbij de aard van de metalen niet wordt veranderd :
a) als de gezamelijke drijfkracht meer bedraagt dan 1 kW en minder bedraagt dan of gelijk is aan 10 kW;
b) als de gezamelijke drijfkracht meer bedraagt dan 10 kW.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : rook; stof; gerucht; soms schadelijke metaalhoudende uitwasemingen. <KB 18-05-1973, art. 1>
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 214bis (262bis). <Ingevoegd bij BWG 1997-11-27/52, art. 1; Inwerkingtreding : 25-01-1998>
------------------------

Art. 44MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 215 (381).
- Opgave : metaaldoek en metaalweefsel (vervaardigen van) :
a) mechanisch;
b) met de hand.
- Klasse : voor a) : 1; voor b) : 2.
- Aard van de hinder :
voor a) : hevig gerucht; trillingen;
voor b) : gerucht; trillingen.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 216 (184).
- Opgave : metaalgieterijen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rookzwart; stof; ongezonde metaalhoudende uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 217 (149).
- Opgave : metaalvergulding (werkplaatsen voor).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : ongezonde arbeid; vergulding bij inbranding stelt het personeel bloot aan door kwik veroorzaakte bevingen; galvanische vergulding stelt het bloot aan vergiftiging door cyaanverbindingen.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 218 (166).
- Opgave : metaalvertinning in het groot.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : ongezonde damp; zure vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 219 (40).
- Opgave : metaalverzilvering (werkplaatsen voor).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : ongezonde arbeid; verzilvering bij inbranding stelt het personeel bloot aan door kwik veroorzaakte bevingen; galvanische verzilvering stelt het bloot aan vergiftiging door cyaanverbindingen.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------

Art. 45MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 220 (259).
- Opgave : metalen (afbijten en reinigen van) met behulp van zuren.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : onaangename en ongezonde zure uitwasemingen; zure vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 221 (260).
- Opgave : metalen (loutering van edele).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : overvloedige, onaangename, ongezonde en voor gewassen schadelijke zwavelhoudende uitwasemingen; walgelijke reuk teweeggebracht door de verdamping van de zure oplossingen van zwavelzuurkoper; ongezonde arbeid.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 222 (261).
- Opgave : metalen (voortbrenging, raffinering en omwerking door middel van vuur) :
1. hoogovens (opslagplaatsen voor ertsen, hoogovens, luchtverwarmers, toestellen voor gaszuivering);
2. staalfabrieken (mengbakken voor gietijzer, schachtovens, ovens, bessemerperen);
3. ijzerfabrieken (ovens, pletterijen, hamers);
4. zinkgieterijen (ovens);
5. fabrieken : lood, zilver, koper en andere metalen (ovens, schachten, bessemerperen, uitlogingsapparaten en electrolyse-apparaten voor de voortbrenging en zuivering van de metalen);
6. ijzer-, staal-, zink- en koperpletterijen (ovens, pits, walstoestellen, hamers);
7. smederijen (ovens, plethamers, persen).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; schadelijke metaalhoudende uitwasemingen; stof; gerucht; bederving van het freatisch vlak.
- Diensten te raadplegen :
voor 1, 2 , 3 en 7 : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; Bestuur van de Volksgezondheid;
voor 4, 5 en 6 : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; Bestuur van de volksgezondheid; landbouw, toezicht van Waters en Bossen; landbouw, vee-artsenijtoezicht.
------------------------
- Nummering : 223 (258).
- Opgave : metalen (werkplaatsen voor het polijsten van) :
a) wanneer de gezamelijke drijfkracht minder bedraagt dan of gelijk is aan 10 kW;
b) wanneer de gezamelijke drijfkracht meer bedraagt dan 10 kW.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : stof; gerucht; trillingen.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 224 (264).
- Opgave : mijnen, graverijen en ondergrondse groeven, met hun dichtbijgelegen aanhorigheden, welke onder meer met de daarin opgestelde motoren bevatten : de storten, de werkplaatsen tot het voorbereiden en het wassen van kolen en ertsen, de werkplaatsen voor de bewerking van de voortbrengselen van de groeven, smederijen en werkplaatsen voor de herstelling van de werktuigen en het bedrijfsmaterieel, de timmerwerven en schrijnwerkerijen, de lampenkamers, met uitzondering van die waar ontvlambare vluchtige oliën worden behandeld, de opslagplaatsen voor hout, vette oliën en andere stoffen welke tot het bedrijf nodig zijn, met uitzondering van de springstoffen en de ontvlambare vluchtige oliën.
- Klasse, aard van de hinder en diensten te raadplegen : speciale regeling.
------------------------
(Nota : voor het Waalse Gewest, wordt de volgende rubriek ingevoegd :

----------------------------------------------------------------------
Nummering Opgaaf van de gevaarlijke, Klasse Opgaaf van de aard
ongezonde of hinderlijke van de hinder ervan
industrieen, opslagplaatsen
----------------------------------------------------------------------
224bis Verkleinde modellen met - lawaai
(264bis) afstandsbediening die door - gevaar voor de
een verbrandingsmotor toeschouwers
worden voortbewogen
(ruimten, circuits,
terreinen, watervlakken die
gebruikt worden voor
wedstrijden, proef- en
oefenritten of voor het
recreatiegebruik van)
1. vliegtuigen, helikopters 1
2. auto's, boten 2
----------------------------------------------------------------------

<BWG 1995-03-09/46, art. 1; Inwerkingtreding : 23-06-1995>)
------------------------

Art. 46MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 225 (254).
- Opgave : minerale en plantaardige stoffen (opslagplaatsen voor meer dan 5 000 kg), met het oog op de verkoop of het gebruik voor nijverheidsdoeleinden.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : stof; gerucht; trillingen; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 226 (265).
- Opgave : motoren met inwendige verbranding, met inbegrip van de turboreactoren en de gasturbines :
a) met een vermogen van 1 kW of meer, maar dat 250 kW niet overtreft;
b) met een vermogen van meer dan 250 kW.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : gerucht; trillingen; rook; gevaar voor brand en ontploffing.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 227 (247).
- Opgave : mout (bereiding van). Inrichtingen die niet aan een bierbrouwerij of een stokerij toegevoegd zijn.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor verkoudheid voor het personeel wegens de afwisselingen van warmte en vochtigheid; stof.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 228 (269).
- Opgave : muskus (fabrieken van kunst-).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : doordringende en blijvende reuk die op grote afstand kan verspreid worden.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 229 (118).
- Opgave : nagels (fabrieken van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gerucht.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 47MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 230 (26).
- Opgave : natrium-aluminaat (bereiding van) door calcinering van sodasulfaat met kleiachtige stoffen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : ontwikkeling van zwavelhoudende damp; rook.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 231 (355).
- Opgave : natriumsulfaat (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; prikkelende, zure, zeer onaangename, ongezonde, voor gewassen schadelijke en op zeer grote afstand verspreide uitwasemingen; zure vloeibare afval die het metselwerk vernietigt en het freatisch vlak bederft.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, toezicht van Waters en Bossen; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 232 (234).
- Opgave : nestels of veters, linten, riemen, vlechten en pitten of wieken (vervaardiging van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gerucht; rook; stof; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 233 (271).
- Opgave : nicotine (bereiding, uittrekking, zuivering en gebruik van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : ongezonde en hinderlijke uitwasemingen; zeer gevaarlijke arbeid.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 234 (270).
- Opgave : nikkel (vervaardiging van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; zwavel- en arsenikhoudende uitwasemingen; ongezonde arbeid.
- Diensten te raadplegen : landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming.
------------------------

Art. 48MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 235 (275).
- Opgave : nitrobenzine (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : reuk; schadelijke uitwasemingen; gevaar voor brand en ontploffing.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 236 (277).
- Opgave : oker (calcinering van gele) om hem te veranderen in rode oker.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : rook; een weinig reuk van gebakken leemaarde.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 237 (219).
- Opgave : olie (bereiding van ossevet-).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : uitwasemingen van dierlijk stof; vetreuk; voor rotting vaste en vloeibare afval; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 238 (222).
- Opgave : olie (fabrieken van bruine) bij hoge temperatuur uit kanen en vetafval getrokken.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : sterke, zeer slechte en ongezonde reuk van gebrande talk; voor rotting vatbare afval; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 239 (218).
- Opgave : olie (koken in het groot van lijn-).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : sterke, onaangename en op grote afstand verspreide reuk van gebrande lijnolie; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 49MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 240 (268).
- Opgave : oliemolens voor oliehoudende zaden.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : reuk van verhitte olie; gerucht; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 241 (223).
- Opgave : oliën (distillatie van teer, schiefer, petroleum, enz.).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : sterke, blijvende, zeer onaangename en op grote afstand verspreide uitwasemingen van steenkoolteer; ongezonde en slechte reuk van verhitte aardpekhoudende schiefer; rook; rookzwart; groot gevaar voor brand en ontploffing.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 242 (225).
- Opgave : oliën (minerale) en/of plantaardige of dierlijke stoffen (installaties waar men) door verbranding vernietigt.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : rook; onaangename reuk.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 243 (226).
- Opgave : oliën (omwerking door pyrogenatie van minerale, plantaardige of dierlijke), vetten, harsen en steenkolen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand en ontploffing; reuk; gevaar voor besmetting van het freatisch vlak; indringing in de grond en de muren van de gebouwen.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 244 (224).
- Opgave : oliën (raffineren van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : reuk van ranse olie; zure voor rotting vatbare vloeibare afval die de mortel van de riolen en waterleidingen vernietigt; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : landbouw, toezicht van Waters en Bossen.
------------------------

Art. 50MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 245 (221).
- Opgave : olie (uittrekking van) en andere vetstoffen uit het zeepwater van de fabrieken.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : slechte reuk van ranse olie; gevaar voor brand; voor rotting vatbare vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 246 (141).
- Opgave : ontvetten (werkplaatsen voor het) met ontvlambare oplosmiddelen :
a) inrichtingen waar geen mechanische motoren gebruikt worden en waar de hoeveelheid opgeslagen ontvlambare oplosmiddelen hoogstens gelijk is aan 50 l;
b) inrichtingen waar mechanische motoren gebruikt worden ofwel waar de hoeveelheid opgeslagen ontvlambare oplosmiddelen meer dan 50 l bedraagt.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand en ontploffing; toevallige onaangename reuk.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 247 (244).
- Opgave : ontvlambare vloeistoffen :
1. waarvan het ontvlammingspunt lager is dan 21° C :
a) opslagplaatsen van 50 tot 500 l;
b) opslagplaatsen van meer dan 500 l (met uitzondering van de opslagplaatsen bedoeld in 4°);
2. waarvan het ontvlammingspunt hoger is dan 21° C, maar de 50° C niet overtreft :
a) opslagplaatsen van 500 tot 5 000 l;
b) opslagplaatsen van meer dan 5 000 l (met uitzondering van de opslagplaatsen bedoeld in 4°);
3. waarvan het ontvlammingspunt hoger is dan 50° C, maar 100° C niet overtreft:
a) opslagplaatsen van 3 000 tot 50 000 l;
b) opslagplaatsen van meer dan 50 000 l (met uitzondering van de opslagplaatsen bedoeld in 4°);
4. opslagplaatsen van meer dan 250 m3 ontvlambare vloeistoffen, hierna bepaald :
a) petroleumessences en surrogaten : produkten met een ontvlammingspunt gelijk aan of lager dan 21° C;
b) petroleum en surrogaten : produkten met een ontvlammingspunt hoger dan 21° C en lager dan 50° C;
c) zware mineraalolie en surrogaten : produkten met een ontvlammingspunt hoger dan 50° C en lager dan of gelijk aan 100° C;
d) ontvlambare produkten bekomen door het vermengen van bovenbepaalde produkten onderling of met andere ontvlambare stoffen, wanneer dit mengsel minerale olie bevat voor minstens 5 % van het gewicht en wanneer het niet meer in bedoelde vloeistoffen oplosbare vaste zelfstandigheden bevat dan voor 20 % van het gewicht.
(Nota :
1. voor de indeling van de opslagplaatsen van ontvlambare vloeistoffen met een ontvlammingspunt dat hoger is dan 100° C, zie : aardpek
2. het hierboven bedoelde ontvlammingspunt is dat bepaald in gesloten vat volgens de normen NBN 52017 en 52075)
- Klasse : voor 1, a) : 2; voor 1, b) : 1; voor 2, a) : 2; voor 2, b) : 1; voor 3, a) : 2; voor 3, b) : 1; voor 4 : 1.
- Aard van de hinder :
voor 1, 2 en 3 : gevaar voor brand en ontploffing;
voor 4 : gevaar voor brand, ontploffing en besmetting van het freatisch vlak.
- Diensten te raadplegen :
voor 1, 2 en 3 : -;
voor 4 : Landsverdediging; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 248 (279).
- Opgave : orseille (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : prikkelende en onaangename reuk van rottende urine; ongezonde arbeid.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 249 (186).
- Opgave : ovens voor het bakken of het drogen van email, verf of onverschillig welke bedekking, aangebracht op ieder oppervlak van om het even welke aard.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; roetzwart; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 51MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 250 (299).
- Opgave : overchloorijzer (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : zeer prikkelende zure damp.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 251 (132).
- Opgave : paarden- en ander dierenhaar (bereiding van), schiften, kloppen, kammen, wassen, ontsmetten, bleken, verven, enz..
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : stof; gevaar voor besmetting; onaangename uitwasemingen; voor rotting vatbare vloeibare afval, die schadelijk is voor gewassen en het freatisch vlak kan bederven.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, vee-artsenijtoezicht.
------------------------
- Nummering : 252 (131).
- Opgave : paarden- en ander dierenhaar (werkplaatsen voor de bereiding door eenvoudig kammen van ontsmet).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : stof.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 253 (130).
- Opgave : paardehaar (krijn) (werkplaatsen voor de bereiding van gekruld).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : stof; gevaar voor besmetting; onaangename uitwasemingen; voor rotting vatbare vloeibare afval, die schadelijk is voor gewassen en het freatisch vlak kan bederven.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, vee-artsenijtoezicht.
------------------------
- Nummering : 254 (386).
- Opgave : pannen, bakstenen, tegels, buizen, enz. (ovens voor het bakken van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : overvloedige rook; reuk van het bakken van de kleiachtige mergelaarde; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
(Nota : voor het Waalse Gewest, wordt de volgende rubriek ingevoegd :

-------------------------------------------------------------------------
Nummering Opgaaf van de gevaarlijke, Klasse Opgaaf van de aard van
ongezonde of hinderlijke de hinder ervan
industrieen, opslagplaatsen
-------------------------------------------------------------------------
254bis Ultralichte 1 - lawaai
(386bis) motorluchtvaartuigen - gevaar voor de buurt
(burgerlijke vliegvelden
voor ultralichte
motorluchtvaartuigen. ULM
en/of DPM, zoals bepaald in
het koninklijk besluit van
21 september 1983 tot
vaststelling van de
bijzondere voorwaarden
opgelegd voor de toelating
tot het luchtverkeer van
sommige ultralichte
motorluchtvaartuigen)
-------------------------------------------------------------------------

<BWG 1995-03-09/46, art. 1; Inwerkingtreding : 23-06-1995>)
------------------------

Art. 52MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 255 (288).
- Opgave : papierafval (opslagplaatsen voor meer dan 10 000 kg).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 256 (289).
- Opgave : papierbrij (vervaardiging van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : stof; waterdampen met loogreuk; onaangename en ongezonde ontwikkeling van chloor; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, toezicht van Waters en Bossen.
------------------------
- Nummering : 257 (290).
- Opgave : papier of karton (vervaardiging van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; overvloedige ontwikkeling van waterdamp; onaangename en ongezonde ontwikkeling van chloor; voor rotting vatbare of voor gewassen, waterlopen of het freatisch vlak schadelijke vloeibare afval; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, toezicht van Waters en Bossen; landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming.
------------------------
- Nummering : 258 (292).
- Opgave : papier (vervaardiging van behangsel- en marmer-).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand; ongezonde arbeid.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 259 (294).
- Opgave : passementwerk (fabrieken van) :
a) wanneer de gezamelijke drijfkracht minder bedraagt dan of gelijk is aan 10 kW;
b) wanneer de gezamelijke drijfkracht meer bedraagt dan 10 kW.
Zie ook : borduurwerk.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : gerucht; trillingen; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 53MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 260 (298).
- Opgave : perboraten (bereiding van alcalische en aard-alcalische).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : onaangename uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 261 (291).
- Opgave : perkamentpapier (vervaardiging van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : vloeibare afval die de waterlopen of het freatisch vlak kan bederven.
- Diensten te raadplegen : landbouw, toezicht van Waters en Bossen.
------------------------
- Nummering : 262 (293).
- Opgave : perkament (vervaardiging van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : hinderlijke dierlijke uitwasemingen; overvloedige voor rotting vatbare vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 263 (300).
- Opgave : phosphaten (bereiding van) door rechtstreekse verzadiging van phosphorzuur.
Zie ook : phosphorzuur.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : nevel; onaangename uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 264 (336).
- Opgave : phosphorsesquisulfide (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand; ongezonde uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------

Art. 54MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 265 (301).
- Opgave : phosphorus (bereiding of gebruik van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; op grote afstand verspreide en zeer onaangename reuk van gebrande hoorn; gevaar voor brand; ongezonde arbeid.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 266 (12).
- Opgave : phosphorzuur (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : stof; nevel; onaangename en schadelijke uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 267 (302).
- Opgave : pijpen (vervaardiging van aarden-).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : rook; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 268 (383).
- Opgave : plaat- en gietijzer (brandverven van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; rookzwart; gerucht; uitwasemingen van verhitte teer of harsachtige stoffen; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 269 (101).
- Opgave : plantenkool (bereiding van) in gesloten vat.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; prikkelende, blijvende en onaangename reuk van houtrook; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 55MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 270 (303).
- Opgave : pleister (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; pleisterstof.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 271 (252).
- Opgave : plethamers, heiblokken, gietijzerbreekmachines.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gerucht; trillingen; gevaar voor het personeel.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 272 (310).
- Opgave : porcelein (vervaardiging van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : veel rook en rookzwart; kleihoudende vloeibare afval; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 273 (311).
- Opgave : potas (bereiding van) door calcinering van de afval van de mellassedistillatie.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : overvloedige ontwikkeling van flauwe damp; prikkelende, zure en onaangename rook; rookzwart; sterke reuk van bedorven eieren.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 274 (312).
- Opgave : potas (bereiding van) door verbranding van planten.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; reuk van houtrook.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 56MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 275 (313).
- Opgave : potas (zuivering van).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : rook; loogreuk.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 276 (315).
- Opgave : pottenbakkerijen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : nu en dan veel rook; gevaar voor brand; ongezonde arbeid wanneer voor het emailleren giftige stoffen worden gebruikt.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 277 (316).
- Opgave : produkten uit vuurvaste aarde (vervaardigen van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : overvloedige rook; stof; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 278 (232).
- Opgave : riet (werkplaatsen voor de bereiding van) door mechanische middelen of scheikundige middelen.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand; onaangename en ongezonde uitwasemingen; vloeibare afval die waterlopen of het freatisch vlak kan bederven.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 279 (321).
- Opgave : rijst (pellen van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gerucht; stof; gevaar voor brand; ongezonde arbeid.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 57MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 280 (276).
- Opgave : rookzwart (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : teerreuk; overvloedige ontwikkeling van rookzwart dat op grote afstand verspreid wordt en schadelijk is voor gewassen; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 281 (79).
- Opgave : rubber (bewerken van) met ontvlambare of chloorhoudende oplosmiddelen of met incorporeren van vulmiddelen (talk, kiezelaarde, lood-, kwik-, antimoon-, cadmiumzouten, enz.).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand en vergiftiging.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 282 (80).
- Opgave : rubber (bewerken van) voor de vervaardiging van industriele voorwerpen, zoals luchtbanden, kaardengarnituren, hakbelegsels, enz., met gebruik van pletmachines, kalanders, enz..
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand en ontploffing.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 283 (78).
- Opgave : rubber (fabrieken of werkplaatsen voor hete of koude vulcanisering van) en waarin gebruik gemaakt wordt van :
a) hoogstens 5 vulcaniseringstoestellen;
b) meer dan 5 vulcaniseringstoestellen.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : rook; stof; schadelijke damp; gevaar voor brand en ontploffing.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 284 (327).
- Opgave : salicine of wilgenbitter (uittrekking van) uit schors door middel van water en zuivering door middel van alkohol.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; nevel; voor rotting vatbare afval; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 58MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 285 (331).
- Opgave : salmiakbereiding.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; onaangename uitwasemingen; nevel; schadelijke vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 286 (329).
- Opgave : salpeter (bereiding en zuivering van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 287 (11).
- Opgave : salpeterzuur (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : onaangename en ongezonde salpeterhoudende uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 288 (91).
- Opgave : scheepstimmerwerven.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : reuk van houtteer; gerucht; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 289 (377).
- Opgave : schietbanen voor wapens met veren of met perslucht.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gevaar voor projectielen.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 59MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 290 (378).
- Opgave : schietbanen voor jacht-, sport- of oorlogswapens.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor projectielen; gerucht; scherpe rook.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 291 (103).
- Opgave : schoeisels, pantoffels, laarzen, enz. (fabrieken en werkplaatsen voor de herstelling van) :
a) wanneer de gezamelijke drijfkracht minder bedraagt dan of gelijk is aan 10 kW;
b) wanneer de gezamelijke drijfkracht meer bedraagt dan 10 kW.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : gerucht; trillingen; stof.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 292 (155).
- Opgave : schorsmalerijen of -klopperijen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gerucht; stof; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 293 (347).
- Opgave : schouwspelen (zalen waar openbare) opgevoerd worden, met uitzondering van :
a) de in open lucht opgevoerde schouwspelen;
b) de schouwspelen opgevoerd in plaatsen waar het aantal toeschouwers 50 niet kan overtreffen.
1. Bioscopen die een scherm gebruiken met een oppervlakte van meer dan 2 m2.
2. Circussen.
3. Schouwburgen, variététheaters en feestzalen met een speelruimte.
4. Boks- of worstelzalen.
5. Auto-, moto-, wiel- en hondenrenbanen.
(Nota : voor het Waalse Gewest, worden de woorden " auto-, moto- " geschrapt <BWG 1995-03-09/46, art. 2; Inwerkingtreding : 23-06-1995>)
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gerucht; gevaar voor brand en paniek.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 294 (257).
- Opgave : schrijnwerkers, timmerlieden, meubelmakers (werkplaatsen van) waar uitsluitend handenarbeid wordt verricht.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gerucht; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 60MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 295 (114).
- Opgave : sigaren- en sigarettenfabrieken :
a) wanneer de gezamelijke drijfkracht minder bedraagt dan of gelijk is aan 10 kW;
b) wanneer de gezamelijke drijfkracht meer bedraagt dan 10 kW.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : stof; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 296 (337).
- Opgave : silicaten of kiezelzuurzouten van natrium en kalium (fabrieken van glazige en vloeibare).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : ongezonde uitwasemingen; stof; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 297 (185).
- Opgave : smidsen.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gerucht; een weinig rook.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 298 (128).
- Opgave : snaren (bereiding van dierlijke).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : zeer slechte reuk; overvloedige voor rotting vatbare vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 299 (343).
- Opgave : soda (bestendige bereiding van natuurlijke) door verbranding van zeeplanten.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; onaangename en schadelijke uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 61MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 300 (342).
- Opgave : soda- en natriumcarbonaten (fabrieken van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; nevel; vaste afval die, soms, zeer onaangename en ongezonde op verre afstand verspreide uitwasemingen van rotte eieren, soms, een zeer onaangename ongezonde voor gewassen schadelijke reuk van brandende zwavel verspreidt; ammoniakreuk; vloeibare afval die het freatisch vlak kan bederven.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 301 (341).
- Opgave : soda (werkplaatsen voor het oplossen van kunstmatige) voor de kristallisatie van natriumkarbonaat.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : rook; nevel.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 302 (55).
- Opgave : Spaans wit (bereiding van) door neerslag.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : krijthoudende vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 303 (163).
- Opgave : spelden en naalden (vervaardiging van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : metaal- en kiezelhoudend stof.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 304 (206).
- Opgave : spiegel- en gestrekt glas (werkplaatsen voor het polijsten en schuinslijpen van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gerucht; trillingen.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 62MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 305 (204).
- Opgave : spiegelglas (verzilvering van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : zwakke salpeterhoudende damp; gevaar voor verstikking en ontploffing door het gebruik van ontvlambare stoffen als oplosmiddelen van de vernissen.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 306 (180).
- Opgave : spinnerijen van katoen, vlas, hennep, wol, jute, enz..
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; ongezonde arbeid; gevaar voor brand en ongevallen; stof.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 307 (164).
- Opgave : sponsen (wassen of bleken van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : slechte reuk; riekende voor rotting vatbare vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 308 (172).
- Opgave : springstoffen (vervaardiging, opslag, verkoop, vervoer, bewaring en gebruik van).
- Klasse, aard van de hinder en diensten te raadplegen : speciale regeling.
------------------------
- Nummering : 309 (154).
- Opgave : spuitwater (fabrieken van) en van andere soortgelijke produkten.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor personeel en buurt.
- Diensten te raadplegen : Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------

Art. 63MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 310 (71).
- Opgave : steenbakkerijen (bestendige), steenovens voor verschillende seizoenen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : hinderlijke, soms zwavelhoudende en ongezonde, voor gewassen schadelijke uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming; landbouw, toezicht van Waters en Bossen.
------------------------
- Nummering : 311 (72).
- Opgave : steenbakkerijen voor één jaar en minder.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : hinderlijke, soms zwavelhoudende en ongezonde, voor gewassen schadelijke uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming.
------------------------
- Nummering : 311bis (373bis). <KB 09-03-1976, art. 1>
- Opgave : steenbergen van mijnen die geen niet-ingedeelde aanhorigheden van mijnen meer zijn. Storten, behandelen, mengen of wegnemen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : -.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 312 (217).
- Opgave : steenkool (sorteren en wassen van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : vertroebeling van het freatisch vlak door de meegevoerde stoffen; stof.
- Diensten te raadplegen : landbouw, toezicht van Waters en Bossen.
------------------------
- Nummering : 313 (243).
- Opgave : sterke dranken (bereiding van) door mengen en trekken.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 314 (33).
- Opgave : stijfsel (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : door het glutenafscheidingsproces of door werking in een alcalische vloeistof (rijststijfsel) : overvloedige voor rotting zeer vatbare vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, toezicht van Waters en Bossen; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------

Art. 64MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 315 (169).
- Opgave : stoffen (vervaardiging van allerhande) uit garen, wol, enz..
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand; ongezonde arbeid.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 316 (146).
- Opgave : stoken en distilleren van alkohol.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand; vloeibare afval; uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 317 (147).
- Opgave : stokerijen :
a) distilleerkolf met minder dan of met 50 l inhoud;
b) distilleerkolf met meer dan 50 l inhoud.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand; vloeibare afval; uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen :
voor a) : -;
voor b) : landbouw, toezicht van Waters en Bossen.
------------------------
- Nummering : 318 (38).
- Opgave : stoomtoestellen (ketels, machines, vaten).
- Aard van de hinder, klasse en diensten te raadplegen : speciale regeling.
------------------------
- Nummering : 319 (286).
- Opgave : stro (chemische bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : onaangename en ongezonde uitwasemingen; vloeibare afval die het freatisch vlak van de waterlopen kan bederven.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 65MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 320 (287).
- Opgave : stro (mechanische bereiding van).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 321 (348).
- Opgave : suikerfabrieken.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; nevel; flauwe walgelijke en ammoniakhoudende uitwasemingen; modderige voor rotting vatbare vaste en vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : landbouw, toezicht van Waters en Bossen; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 322 (106).
- Opgave : suikerij (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; eigenaardige en op grote afstand verspreide reuk.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 323 (350).
- Opgave : suikerraffinaderijen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; nevel; onaangename uitwasemingen; voor rotting vatbare afval.
- Diensten te raadplegen : Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 324 (364).
- Opgave : superphosphaten (fabrieken van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : schadelijke uitwasemingen; stof.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------

Art. 66MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 325 (363).
- Opgave : superphosphaten (kalk-). Voorafgaande behandeling van phosphorhoudend krijt.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : stof; modderige vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 326 (366).
- Opgave : tabaksfabrieken :
a) wanneer de gezamelijke drijfkracht minder bedraagt dan of gelijk is aan 10 kW;
b) wanneer de gezamelijke drijfkracht meer bedraagt dan 10 kW.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : rook; blijvende, zeer onaangename en prikkelende reuk; stof.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 327 (365).
- Opgave : tabaksribben (verbranding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; onaangename reuk.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 328 (367).
- Opgave : taf (vervaardiging van gewast) en wasdoek.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; zeer onaangename uitwasemingen van gekookte en verhitte lijnolie, van vernis en van essence; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 329 (371).
- Opgave : tapijten (werkplaatsen voor het kloppen van).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : overvloedig stof; gerucht.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 67MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 330 (210).
- Opgave : teer (bereiding en distillatie van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; sterke en zeer onaangename reuk van rook van harsachtig hout, van steenkoolteer of van aardpek; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 331 (373).
- Opgave : terpentijn (distilleren van terpentijnolie).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; sterke reuk die zich op grote afstand kan verspreiden; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 332 (376).
- Opgave : tetra-ethyllood (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor vergiftiging van het personeel.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 333 (375).
- Opgave : tetra-ethyllood (inrichtingen waar tot het incorporeren van) in petroleumessences of de subrogaten ervan wordt overgegaan.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor vergiftiging van het personeel.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 334 (314).
- Opgave : tingieterijen.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : een weinig harsreuk.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 68MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 335 (335).
- Opgave : tinzout (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; zeer onaangename en arsenikhoudende uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 336 (37).
- Opgave : toestellen voor het malen, breken, pletten van verfhout, kiezel- of keisteen, kalk, cement, gips, zwavelzuurbaryt, enz. :
a) wanneer de gezamelijke drijfkracht minder bedraagt dan of gelijk is aan 10 kW;
b) wanneer de gezamelijke drijfkracht meer bedraagt dan 10 kW.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : stof; rook; gerucht.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 337 (384).
- Opgave : toortsen (vervaardiging van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : harsreuk; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 338 (220).
- Opgave : traan (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : zeer onaangename, bedorven, ongezonde reuk; voor rotting vatbare afval; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 339 (385).
- Opgave : turf (verkoling van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; op grote afstand verspreide sterke uitwasemingen van turfrook.
- Diensten te raadplegen : landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming.
------------------------

Art. 69MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 340 (320).
- Opgave : twijnderijen van katoen, vlas, hennep, wol, jute, enz..
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand en ongevallen; hinderlijk gerucht.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 341 (59).
- Opgave : ultramarijn (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : schadelijke uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 342 (171).
- Opgave : uitgravingen (ondergrondse) veroorzaakt door het wegnemen door menselijke arbeid van de stoffen die er zich bevonden, met uitzondering van de ondergrondse uitgravingen dienend als of bestemd voor verbindingswegen.
- Klasse, aard van de hinder en diesnten te raadplegen : speciale regeling. <KB 12-04-1965>
------------------------
- Nummering : 343 (387).
- Opgave : vaniline (bereiding van) door middel van nagelolie.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : nu en dan uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 344 (339).
- Opgave : varkensborstels (werkplaatsen voor de bereiding van) door alle gistingsprocédés.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : stinkende en ongezonde uitwasemingen; voor rotting zeer vatbare vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : landbouw, vee-artsenijtoezicht.
------------------------

Art. 70MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 345 (306).
- Opgave : veren en dons (reiniging en bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : reuk; dierlijk stof; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 346 (393).
- Opgave : vernisfabrieken.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; zeer onaangename en op vrij grote afstand verspreide uitwasemingen van sterk verhitte harsachtige en olieachtige stoffen, van terpentijngeest en van naphtha; ongezonde arbeid; groot gevaar voor brand en ontploffing.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 347 (395).
- Opgave : vernissen door middel van giftige produkten (werkplaatsen voor het).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor vergiftiging.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 348 (392). <KB 18-05-1973, art. 1>
- Opgave : vernissen (cellulosevernissen of -verven en andere ontvlambare vernissen of verven, voor de verkoop niet-geconditioneerd :
a) opslagplaatsen voor 500 tot 5 000 l;
b) opslagplaatsen voor meer dan 5 000 l.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand en ontploffing.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 349 (394).
- Opgave : vernissen (opslagplaatsen voor meer dan 5 000 l vette).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 71MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 350 (391).
- Opgave : vernissen, verven of onverschillig welke bedekkingen (heet opleggen van) op elk vlak van om het even welke aard of heet drogen na oplegging.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : reuk; ongezonde arbeid; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 351 (297).
- Opgave : verven of bedekkingen (werkplaatsen waar men), op elk oppervlak aanbrengt met al dan niet pneumatische procédés, met het pistool of met elektrostatische procédés.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : ongezonde en hinderlijke arbeid; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 352 (372).
- Opgave : ververijen :
a) inrichtingen waar mechanische motoren worden gebruikt met een totaal vermogen dat 2 kW overtreft of waar voor het verwarmen van de vloeistoffen meer dan 2 fornuizen of haarden worden gebruikt;
b) inrichtingen waar mechanische motoren worden gebruikt met een totaal vermogen dat 2 kW niet overtreft of waar voor het verwarmen van de vloeistoffen hoogstens 2 fornuizen of haarden worden gebruikt.
- Klasse : voor a) : 1; voor b) : 2.
- Aard van de hinder : rook; nevel; onaangename reuk; voor rotting vatbare vloeibare afval; vloeistoffen van allerlei kleur die soms giftige stoffen bevatten en de zuiverheid en de gezondheid van het freatisch vlak bederven.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, toezicht van Waters en Bossen.
------------------------
- Nummering : 353 (213).
- Opgave : vetten (industriele smelting, uittrekking of bereiding van) door onverschillig welk procédé.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : onaangename reuk; voor rotting vatbare afval; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 354 (212).
- Opgave : vetten (opslagplaatsen voor meer dan 5 000 kg).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 72MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 355 (15).
- Opgave : vetzuren (bereiding van vluchtige) door behandeling van gegiste spoeling.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : zeer onaangename reuk; rook van de sulfaatovens; gevaar voor besmetting van het freatisch vlak.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, toezicht van Waters en Bossen.
------------------------
- Nummering : 356 (14).
- Opgave : vetzuren (uittrekking van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : volgens de voor de uittrekking gevolgde procédés: op grote afstand verspreide reuk van rans vet; reuk van gebrand en zwavelhoudend rans vet; riekende vaste afval; vloeibare afval die het freatisch vlak kan besmetten; gevaar voor brand; nevel.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 357 (253).
- Opgave : vezelachtige stoffen (werkplaatsen waar) bewerkt worden. Kloppen, kaarden, kammen, enz. :
a) wanneer de gezamelijke drijfkracht minder bedraagt dan of gelijk is aan 10 kW;
b) wanneer de gezamelijke drijfkracht meer bedraagt dan 10 kW.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : stof; gerucht; trillingen; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 358 (179).
- Opgave : vilt (gevernist) voor kleppen (vervaardiging van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : sterke, onaangename en ongezonde reuk van verhitte lijnolie, van essence, van naphtha en van vernis; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 358bis (179bis). <Ingevoegd bij BWG 1993-12-09/43, art. 1; Inwerkingtreding : 28-02-1994>
- Opgave : in het Waalse Gewest, glas- of rotsvezels (industriele installaties voor de fabricage van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : emissies van fluorhoudende stoffen, van stofdeeltjes die bij inademing gevaarlijk zijn.
------------------------
- Nummering : 359 (87).
- Opgave : vliegas. Opslag in open lucht van vliegas voortkomend van met poederkool gestookte ketels, wanneer de belt een volume kan bereiken van meer dan 5 000 m3 en de helling van de opgeslagen massa minstens in een richting 5 % overschrijdt, met uitzondering van :
a) de stortingen of ophogingen uitgevoerd tijdens werken van burgerlijke bouwkunde waarop toezicht wordt uitgeoefend door de ambtenaren van het Ministerie van Openbare Werken of van de nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;
b) het opvullen van verlaten mijnen, groeven en graverijen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : stof; gerucht; gevaar voor instorting.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 73MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 360 (173).
- Opgave : voedingsextracten (bereiding van) door werking van zuren op gist.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : voor rotting vatbare vaste en vloeibare afval; reuk; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 361 (390).
- Opgave : voertuigen met ontploffingsmotoren of met motoren met inwendige verbranding (werkplaatsen voor het herstellen of onderhouden van).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gerucht; rook; gevaar voor vergiftiging van het personeel.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
(Nota : voor het Waalse Gewest, wordt de volgende rubriek ingevoegd :

-------------------------------------------------------------------------
Nummering Opgaaf van de gevaarlijke, Klasse Opgaaf van de aard van
ongezonde of hinderlijke de hinder ervan
industrieen, opslagplaatsen
-------------------------------------------------------------------------
361bis Motorvoertuigen die door - lawaai
(390bis) een verbrandingsmotor - water- en
worden voortbewogen, grondvervuiling
prototypen, voertuigen - beschadiging van het
uitsluitend bestemd voor landschap
recreatiegebruik en - beschadiging van de
sneeuwscooters : vegetatie
a. circuits of terreinen 1 - storing van de fauna
die niet helemaal op de - gevaar voor het
openbare weg gelegen plaatselijke verkeer
zijn, die gebruikt - gevaar voor de
worden voor snelheids- toeschouwers
of behendigheids- - stof
wedstrijden, proef- en
oefenritten of voor het
recreatiegebruik
b. dezelfde circuits of 2
terreinen die in
gesloten ruimten zijn
gelegen
-------------------------------------------------------------------------

<BWG 1995-03-09/46, art. 1; Inwerkingtreding : 23-06-1995>)
------------------------
(Nota : voor het Waalse Gewest, wordt de volgende rubriek ingevoegd :
<BWG 1997-11-27/52, art. 1; ED : 25-01-1998>)
------------------------
- Nummering : 362 (23).
- Opgave : vuurmakers (vervaardiging van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : harsachtige reuk; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 363 (54).
- Opgave : walschot (raffineren van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : reuk van ranse dierlijke olie; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 364 (75).
- Opgave : wasserijen :
a) wanneer de gezamelijke drijfkracht gelijk is aan of meer bedraagt dan 2 kW en minder bedraagt dan of gelijk is aan 10 kW;
b) wanneer de gezamelijke drijfkracht meer bedraagt dan 10 kW.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder : flauwe en hinderlijke loogdamp; voor rotting vatbare vloeibare afval die spoedig moet wegvloeien; gevaar voor het overbrengen van besmettelijke ziekten; gerucht; trillingen.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------

Art. 74MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 365 (117).
- Opgave : was (smelten, zuiveren of bleken van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : zwakke reuk; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 366 (227).
- Opgave : waterstof (industriële bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand en ontploffing.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 367 (282).
- Opgave : watten in vellen (vervaardiging van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : stof; ongezonde arbeid; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 368 (380).
- Opgave : weverijen (mechanische).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gerucht; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 369 (379).
- Opgave : weverijen met de hand met meer dan 10 getouwen.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gerucht; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 75MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 370 (20).
- Opgave : wijnsteenzuur (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : nu en dan slechte reuk.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 371 (245).
- Opgave : winkels voor kleinhandel, waarvan de verkooplokalen en de lokalen die grenzen aan de verkooplokalen en als warenopslagplaats dienen, een totale oppervlakte hebben die gelijk is aan of groter is dan 2 000 m2, de oppervlakte ingenomen door de toonbanken en andere meubelen inbegrepen.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand en paniek.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 372 (256).
- Opgave : witlooierijen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : onaangename reuk van bedorven huiden; overvloedige ziltige voor rotting vatbare vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, toezicht van Waters en Bossen; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 373 (162).
- Opgave : wol en wolafval (zuivering van) door om het even welk procédé.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : stof; ongezonde arbeid; zure vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 374 (235).
- Opgave : wolpluizerij.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : stof; slechte reuk.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 76MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 375 (236).
- Opgave : wol (wasserijen van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : besmetting van de waterlopen of het freatisch vlak.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, vee-artsenijtoezicht.
------------------------
- Nummering : 376 (323).
- Opgave : zand (fijn malen van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gerucht; trillingen; gevaar voor silicose.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 377 (322).
- Opgave : zandstralen of ontzanden (werkplaatsen voor).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gerucht; trillingen; gevaar voor silicose.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 378 (324).
- Opgave : zand (wasserijen van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : vloeibare afval met slib.
- Diensten te raadplegen : landbouw, toezicht van Waters en Bossen.
------------------------
- Nummering : 379 (89).
- Opgave : zeemtouwerijen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : hinderlijke dierlijke uitwasemingen; overvloedige voor rotting vatbare vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, toezicht van Waters en Bossen; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------

Art. 77MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 380 (330).
- Opgave : zeep (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; overvloedige en hinderlijke ontwikkeling van waterdamp die riekt wegens de uitwasemingen van vetten of harsachtige stoffen.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 381 (116).
- Opgave : zegellak (vervaardiging van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : harsreuk; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 382 (175).
- Opgave : zetmeelfabrieken.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : overvloedige voor rotting vatbare vaste en vloeibare afval; stof; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 383 (356).
- Opgave : zinksulfaat (bereiding van) door werking van zwavelzuur op metaal.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; damp; ongezonde uitwasemingen; gevaar voor ontploffing.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 384 (56).
- Opgave : zinkwit (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : ongezonde rook en stof; in de lucht verspreid en voor gewassen schadelijk zinkwit.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------

Art. 78MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 385 (332).
- Opgave : zoutraffinaderijen, zoutketen, zoutziederijen.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : rook; waterdamp.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 386 (7).
- Opgave : zoutzuur (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : prikkelende, onaangename, voor gewassen schadelijke en op grote afstand verspreide uitwasemingen; ongezonde arbeid.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, inspecteur van de Dienst voor Plantenbescherming; landbouw, toezicht van Bossen en Waters; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 387 (283).
- Opgave : zuringzure potas, zuringzuur (bereiding van) door werking van bijtende potas op houtzaagsel.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : nevel; gevaar voor vergiftiging van het personeel.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 388 (285).
- Opgave : zuurstof (industriele bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor brand en ontploffing.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 389 (153).
- Opgave : zuurstofwater (bereiding van).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : ontwikkeling van waterdamp.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 79MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 390 (362).
- Opgave : zwavel- en zwavelwaterstofnatrium (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; nevel; zeer onaangename uitwasemingen van zwavelzuur.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming.
------------------------
(Nota : voor het Waalse Gewest, wordt de volgende rubriek ingevoegd :
<BWG 1997-11-27/52, art. 1; Inwerkingtreding : 25-01-1998>)
------------------------
- Nummering : 391 (17).
- Opgave : zwaveligzuur (bereiding van) en van sulfieten.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : onaangename en ongezonde reuk van brandende zwavel; voor gewassen schadelijke uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming; landbouw, vee-artsenijtoezicht; landbouw, toezicht van Waters en Bossen; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 392 (360).
- Opgave : zwavelkoolstof (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; uitwasemingen die de reuk van rotte eieren en damp van brandende zwavel verspreiden; groot gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 393 (361).
- Opgave : zwavelkoolstof (fabrieken waar vetstoffen worden gewonnen door middel van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : uitwasemingen die de reuk van rotte eieren verspreiden; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 394 (346).
- Opgave : zwavelraffinaderijen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : nu en dan op verre afstand verspreide voor gewassen schadelijke, ongezonde en zeer onaangename uitwasemingen van brandende zwavel.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, toezicht van Waters en Bossen; Bestuur van de Volksgezondheid; landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming.
------------------------

Art. 80MN1. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 395 (16).
- Opgave : zwavelricinuszuur (bereiding van) en van alcalische zwavelricinuszouten.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : onaangename uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 396 (345).
- Opgave : zwavel (uittrekking van) uit pyriet.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : op verre afstand verspreide voor gewassen schadelijke, ongezonde en zeer onaangename uitwasemingen van brandende zwavel; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming; Bestuur van de Volksgezondheid; landbouw, toezicht van Waters en Bossen.
------------------------
- Nummering : 397 (344).
- Opgave : zwavel (zuivering van) door eenvoudig smelten en afgieten.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : nu en dan onaangename uitwasemingen van brandende zwavel; gevaar voor brand.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde.
------------------------
- Nummering : 398 (19).
- Opgave : zwavelzuur (bereiding van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : wanneer men ruwe zwavel gebruikt : salpeterachtige en soms zwavelachtige reuk; bij gebruik van pyriet : salpeterachtige en zwavelachtige reuk; vaste afval die voor gewassen schadelijke metaalzouten bevat en het freatisch vlak kan bederven; in beide gevallen : onaangename, ongezonde en voor gewassen schadelijke uitwasemingen.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming; landbouw, vee-artsenijtoezicht; landbouw, toezicht van Waters en Bossen; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------
- Nummering : 399 (18).
- Opgave : zwavelzuur (concentratie in open lucht van).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : rook; grote hoeveelheid zure, de ademhalingsorganen prikkelende en voor gewassen schadelijke damp.
- Diensten te raadplegen : Administratie van de Arbeidshygiene en -geneeskunde; landbouw, inspecteur van de Dienst Plantenbescherming; landbouw, vee-artsenijtoezicht; landbouw, toezicht van Waters en Bossen; Bestuur van de Volksgezondheid.
------------------------

Art. 81MN1. <Zie nota's onder TITEL>

Ammoniumchloride Zie salmiakbereiding
Ammoniumsulfaat (bereiding van) door Zie salmiakbereiding
middel van lichtgascondenseerwater
Azijn (hout) Zie houtazijn
Beenderzwart (bereiding van) Zie dierlijke kool
Beton Zie blokken
Blekerijen Zie wasserijen
Buien (fabrieken van) Zie blokken
Buizen (ovens voor het bakken van) Zie pannen
Celluloselijmen Zie vernissen (celluloosvernissen
of -verven en andere ontvlambare
vernissen of verven, voor de
verkoop niet geconditionneerd
Chloorkalk of bleekpoeder (bereiding Zie chloor
van)
Constructiewerkplaatsen Zie metaalbewerking
Eau de javel of bleekwater Zie chloor
(bereiding van) door rechtstreekse
met chloor
Gietijzer (brandverven van) Zie plaat- en gietijzer
Glycerine (uittrekken van) Zie vetzuren
Huiden (opslagplaatsen voor) Zie leder en huiden
Jute (twijnderijen van) Zie twijnderijen
Karton (vervaardiging van) Zie papier
Katoen Zie vezelachtige stoffen,
spinnerijen, twijnderijen
Kleppen Zie vilt (gevernist)
Knalzilver en knalwik en daarmee Zie springstoffen
bereide produkten (bereiding van)
Koolzure soda Zie aluminiumoxyde
Labarraque bleekwater (bereiding Zie chloor
door rechtstreekse werking van
chloor van)
Likeuren Zie sterke dranken
Linten Zie netsels
Loodgeel menie en loodnitraat Zie lood
(bereiding van)
Machines en toestellen van alle Zie metalen
soorten (fabrieken van)
Mangaan Zie mangaanoxyde
Meubelmakers (werkplaatsen van) Zie schrijnwerkers
Molens voor het malen, breken, Zie toestellen voor het malen
pletten van verfhout, kiezel- of
keisteen, kalk, cement, gips,
zwavelzuurbaryt, enz.
Naalden (vervaardiging van) Zie spelden
Naphta (distillatie) Zie olien (distillatie)
Nitraat (baryum) Zie baryumnitraat
Oleomargarine Zie margarinefabrieken
Ontzanden Zie zandstralen
Oplosmiddelen (chloorhoudende) Zie chloorhoudende oplosmiddelen
Oude klederen Zie lompen
Pantoffels Zie schoeisels
Petroleum (distillatie) Zie olie (distillatie)
Polijsten van metalen Zie metalen
Polijsten van spiegelglas Zie spiegel- en gestrekt glas
Polijsten van steen Zie marmer
Reinigen van metalen Zie metalen (afbijten en reinigen
van)
Riemen Zie nestels
Roosten van katoenen weefsels Zie gas
Roten Zie hennep, vlas
Schietkatoen Zie springstoffen
Schrijnwerkerijen (mechanische) Zie hout
Slaghoedjes (vervaardiging van) Zie springstoffen
Steenkoolbriketten Zie kunstbrandstoffen
Sterke dranken (bereiding van) door Zie stokerijen
distillatie
Stroop (bereiding van) Zie appelen, peren
Suikerbakkerijen Zie chocoladefabrieken
Tegels (bakovens voor) Zie pannen
Timmerlieden (werkplaatsen van) Zie schrijnwerkers
Verf (heet opleggen van) Zie vernissen
Verfoelien van spiegels Zie gegoten glas (verfoelien van)
Verversontvetters (werkplaatsen van) Zie ontvetten, chloorhoudende
oplosmiddelen
Vilt voor de bekleding van schepen Zie hennep
(vervaardiging van geteerd)
Vlas Zie hennep
Vlechten Zie nestels
Vulcanisering Zie rubber
Vuurvaste produkten Zie produkten uit vuurvaste aarde
Weefsels (roosten van) Zie gas
Wijnsteenas Zie potas
Wol (twijnderijen van) Zie twijnderijen
Zilver (pletten van) Zie groenten en fruit
Zuurkool (bereiding) Zie groenten en fruit
Zwavelbaryum (bereiding van) Zie baryumsulfide
Zwingelen Zie hennep, vlas

Afdeling B. - Ingedeelde inrichting en onder het hoog toezicht van de Minister die de volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft. <KB 11-09-1970, art. 1>

Art. 1MN2. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 1 (15). <KB 03-04-1979, art. 1>
- Opgave : bijenkorven, in de woongebieden vastgelegd door de gewestplannen of ontwerp-gewestplannen goedgekeurd in toepassing van de wet houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw en zoals omschreven door artikel 5, 1.0, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen.
(Nota : voor het Waalse Gewest, wordt opgave, bij BWG 1991-12-19/37, art. 1; Inwerkingtreding : 16-03-1992, vervangen door de volgende bepaling :
bijenkorven in de woongebieden voorzien in artikel 170.1.0 van het Waalse Wetboek van ruimtelijke ordening en stedebouw, met uitzondering van de bijenkorven gelegen in de woongebieden met een landelijk karakter voorzien in artikel 171.1.2.2 van hetzelfde Wetboek.)
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : gevaar voor steken.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 2 (9).
- Opgave : diergaarden (bestendige) en dierentuinen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : slechte reuk; gerucht; gevaar voor ontsnapping van de dieren; ontaarding van het freatisch vlak.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 2bis (9bis). <BWG 2002-04-18/31, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 24-04-2002>
- Opgaaf : ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde en/of pathogene micro-organismen of organismen (onderzoek en ontwikkeling op het gebied van de natuurwetenschappen, met inbegrip van landbouwkunde en menselijke en veterinaire geneeskunde; productie).
- Klasse : 1.
- Opgaaf : gevaar voor de menselijke gezondheid; gevaar voor bodem-, lucht- en watervervuiling; gevaar voor fauna en flora.
------------------------
- Nummering : 3 (16). <KB 17-09-1976, art. 1>
- Opgave : gevogelte, duiventillen uitgezonderd met geringde duiven voor wedstrijddoeleinden.
- Inrichtingen bestemd voor het fokken of het vetmesten van gevogelte en voor de produktie van eieren, gevestigd naargelang de ontwerp-gewestplannen eventueel aangevuld door gemeentelijke plannen :
a) in de woongebieden en in de andere gebieden behalve deze voorzien onder b, c en d en die meer dan 30 stuks hebben;
b) in de woongebieden met een landelijk karakter en in de agrarische gebieden, bosgebieden en groengebieden op minder dan 100 m van een woonuitbreidingsgebied of op minder dan 300 m van een woongebied, in de parkgebieden en in de bufferzones of op minder dan 500 m van een drinkwaterwinning en die meer dan 500 stuks hebben;
c) in de agrarische gebieden, bosgebieden en groengebieden, met uitzondering van de gevallen voorzien in b, en in de landelijke gebieden, bij afwezigheid van afbakening op de plannen van de agrarische gebieden : op minder dan 50 m van een voor de nieuwe inrichting bestaande woning, met meer dan 5 000 dieren en voor zover deze inrichtingen zijn opgericht na het van kracht worden van onderhavig besluit;
d) in alle zones met meer dan 20 000 stuks.
- Klasse : voor a), b) en c) : 2; voor d) : 1.
- Aard van de hinder :
voor a), b) en c) : slechte reuk; afvoer van rottende en voor rotting vatbare faecale stoffen; gevaar voor ontsnapping van dieren; voortwoekeren van insekten; opstapeling van voor verrotting vatbare afval; lawaai van dieren;
voor d) : slechte reuk; afvoer van rottende en voor rotting vatbare faecale stoffen; gevaar voor ontsnapping van dieren; voortwoekeren van insekten; opstapeling van voor verrotting vatbare afval; lawaai van dieren; verontreining van het grond- en oppervlaktewater.
- Diensten te raadplegen :
voor a), b) en c) : -;
voor d) : landbouw, vee-artsenijtoezicht.
(Nota : voor het Waalse Gewest, wordt het rubriek 3 (rubriek 16 in Frans tekst) vervangen door BWG 1996-10-17/37, art. 2; Inwerkingtreding : 30-11-1996)
------------------------
- Nummering : 4 (6).
- Opgave : hospitalen, klinieken en andere inrichtingen waar zieken geherbergd worden en zorgen ontvangen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor verspreiding van overdraagbare ziekten.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 2MN2. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 5 (4).
- Opgave : meststoffen of mest (vervaardiging van en opslagplaatsen in het groot voor), uitgenomen de uitsluitend chemische meststoffen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : op verre afstand verspreide ongezonde uitwasemingen van rottende dierlijke stoffen.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 6 (12).
- Opgave : produkten van dierlijke oorsprong :
a) winkels waar voedingsprodukten van dierlijke oorsprong verkocht worden, met uitsluiting van melk en haar derivaten en van eieren (slagerswinkels, spekslagerijen, winkels voor wild en gevogelte, winkels en opslagplaatsen van vis voor de kleinverkoop, penserijen, enz.);
b) ontzouten en drogen van gezouten darmen (werkplaatsen voor het);
c) opslagplaatsen en inrichtingen voor het bereiden of het bewaren van produkten van dierlijke oorsprong (darmwasserijen, opslagplaatsen voor beenderen en dierlijke afval, kokerijen, opslagplaatsen voor vlees- en vismeel, opslaan en drogen van dierenbloed, bereiden en koken van penserijprodukten, werkplaatsen voor het bereiden van vlees en vis, enz.).
- Klasse : voor a) en b) : 2; voor c) : 1.
- Aard van de hinder :
voor a) : onaangename en blijvende reuk; voor rotting zeer vatbare vaste en vloeibare afval; woekering van insecten;
b) bederf van het freatisch vlak; besmetting door inzijpeling van de naburige regenbakken en putten; reuk van rotting;
c) zeer onaangename en ongezonde dierlijke uitwasemingen; ontaarde of voor spoedige rotting vatbare vaste en vloeibare afval.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 7 (13).
- Opgave : produkten van plantaardige oorsprong. Opslagplaatsen voor ten minste 1 000 kg op minder dan 50 m van andermans woningen gelegen (groenten, fruit en andere eetbare plantaardige produkten, bietenpulp, silo's voor groenvoeder, gras, klaver, enz.).
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : onaangename reuk; grote vatbaarheid voor rotting; gevaar voor besmetting van de grond en van het freatisch vlak; woekering van insekten.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 8 (3).
- Opgave : rouwkamers :
a) waar regelmatig de lijken in afwachting van de begrafenis worden geplaatst;
b) waar het balsemen wordt toegepast.
- Klasse : voor a) : 2; voor b) : 1.
- Aard van de hinder :
voor a) : lijkreuk;
voor b) : lijkreuk; aanwezigheid van organische stoffen.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 9 (1).
- Opgave : slachthuizen of slachterijen (openbare of particuliere) :
a) voor slachtdieren;
b) voor gevogelte en andere kleine dieren :
1. waarvan de dagelijkse slachtcapaciteit 500 stuks overschrijdt;
2. met een dagelijkse slachtcapaciteit van 50 tot 500 stuks.
- Klasse : voor a) : 1; voor b), 1 : 1; voor b), 2 : 2.
- Aard van de hinder : slechte reuk; afvoer van rottende of voor rotting vatbare drekstoffen; gevaar voor ontvluchting van de dieren; woekering van insekten; ophoping van voor rotting vatbare afval; gerucht van dieren.
- Diensten te raadplegen :
voor a) : landbouw, vee-artsenijtoezicht;
voor b) : -.
(Nota : voor het Waalse Gewest, wordt rubriek 9 (rubriek 1 in Frans tekst) vervangen door BWG 1996-10-17/37, art. 1; Inwerkingtreding : 30-11-1996)
------------------------

Art. 3MN2. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 10 (11). <KB 17-09-1976, art. 1>
- Opgave : varkensfokkerijen - installaties gelegen : (zones bepaald volgens de begrippen van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen) :
a) in de woongebieden en in de andere gebieden behalve deze voorzien onder b, c en d, welke ook het aantal ondergebrachte dieren is;
b) in de woongebieden met een landelijk karakter en in de agrarische gebieden, bosgebieden en groengebieden op minder dan 100 m van een woonuitbreidingsgebied of op minder dan 300 m van een woongebied in de parkgebieden en in de bufferzones of op minder dan 500 m van een drinkwaterwinning en die meer dan 10 gespeende dieren bevatten;
c) in de agrarische gebieden, bosgebieden en groengebieden, met uitzondering van de gevallen voorzien in b, en in de landelijke gebieden, bij afwezigheid van afbakening op de plannen van de agrarische gebieden, op minder dan 50 m van een voor de nieuwe inrichting bestaande woning met meer dan 100 gespeende dieren en voor zover deze inrichtingen zijn opgericht na het van kracht worden van onderhavig besluit;
d) in alle zones met meer dan 1 000 gespeende dieren.
- Klasse : voor a), b) en c) : 2; voor d) : 1.
- Aard van de hinder :
voor a), b) en c) : slechte reuk; afvoer van rottende en voor rotting vatbare faecale stoffen; gevaar voor ontsnapping van dieren; voortwoekeren van insekten; opstapeling van voor verrotting vatbare afval; lawaai van dieren;
voor d) : slechte reuk; afvoer van rottende en voor rotting vatbare faecale stoffen; gevaar voor ontsnapping van dieren; voortwoekeren van insekten; opstapeling van voor verrotting vatbare afval; lawaai van dieren; verontreiniging van het grond- en oppervlaktewater.
- Diensten te raadplegen :
voor a), b) en c) : -;
voor d) : Ag.
------------------------
- Nummering : 11 (5).
- Opgave : vilderijen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : ongezonde uitwasemingen van rottende dierlijke stoffen.
- Diensten te raadplegen : landbouw, vee-artsenijtoezicht.
------------------------
- Nummering : 12 (10).
- Opgave : vogelwinkels en inrichtingen voor het kweken van meer dan 20 stuks, andere dan gevogelte.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : onaangename reuk; woekering van insekten; ophoping van voor gisting vatbare afval; gevaar voor verspreiding van overdraagbare ziekten.
- Diensten te raadplegen : landbouw, vee-artsenijtoezicht.
------------------------
- Nummering : 12bis (10bis). <BEWG 1985-05-08/31, art. 1; 003>
- Opgave : pesticiden in het Waalse Gewest (nog niet gecommercialiseerde opslag- en experimentatieinrichtingen).
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : gevaar voor lucht-, grond- en waterbezoedeling; gevaar voor de fauna en de flora.
- Diensten te raadplegen : Waalse Gewest, algemene Directie Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Dienst ter Voorkoming van de bezoedeling.
------------------------
- Nummering : 13 (7).
- Opgave : vuilnis (opslagplaatsen voor) en alle inrichtingen voor het behandelen van vaste of vloeibare vuilnis.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : stof; brandgevaar; eventueel sterke en onaangename geur die op afstand kan verspreid worden; ontaarding van het freatisch vlak.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------
- Nummering : 13bis (7bis). <Ingevoegd bij BEWG 1987-03-19/31, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 26-05-1987>
- Opgave : vuilnis :
a) opslagplaatsen voor slakken voortkomend van verbranding van huisvuil;
b) opslagplaatsen voor voorwerpen voortkomend van gezinsverbruik.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder :
a) stof; machinelawaai;
b) stof; vermenigvuldiging van knaagdieren; gevaar voor brand; machinelawaai.
(Nota : artikel 25, tweede lid, van ARAB is niet van toepassing op de door het nr. 7bis bedoelde inrichtingen. De ondernemers van die inrichtingen zijn ertoe gehouden binnen drie maanden na de bekendmaking van het wijzigingsbesluit een aanvraag om vergunning in de door artikel 3 van het ARAB voorziene vormen in te dienen <BEWG 1987-03-19/31, art. 3>)
------------------------
- Nummering : 14 (14).
- Opgave : zink- of sterfputten voor het opslorpen van industriële vloeibare afval, van menselijke of dierlijke uitwerpselen.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder : ontaarding of bederf van het freatisch vlak; besmetting door inzijpeling van de naburige regenbakken en putten.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

Art. 4MN2. <Zie nota's onder TITEL> Nummering : 15 (8).
- Opgave : zoogdieren (stallen voor andere dan vermeld onder rubriek 10 (11) - installaties gelegen : (zones bepaald volgens de begrippen van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen) :
a) in de woongebieden en in de andere gebieden behalve deze voorzien onder b en c :
met meer dan 6 gespeende kleine zoogdieren;
met grote zoogdieren;
b) in de woongebieden met een landelijk karakter en in de agrarische gebieden, bosgebieden en groengebieden op minder dan 100 m van een woonuitbreidingsgebied of op minder dan 300 m van een woongebied, in de parkgebieden en in de bufferzones of op minder dan 500 m van een drinkwaterwinningsgebied en/of waterlopen dienstig voor een drinkwaterbevoorrading met meer dan 50 grote zoogdieren;
c) in alle zones :
met meer dan 500 stuks.
- Klasse : 2.
- Aard van de hinder :
voor a) en b) : slechte reuk; afvoer van rottende en voor rotting vatbare faecale stoffen; gevaar voor ontsnapping van dieren; voortwoekeren van insekten; opstapeling van voor verrotting vatbare afval; lawaai van dieren;
voor c) : slechte reuk; afvoer van rottende en voor rotting vatbare faecale stoffen; gevaar voor ontsnapping van dieren; voortwoekeren van insekten; opstapeling van voor verrotting vatbare afval; lawaai van dieren; verontreiniging van grond- en oppervlaktewater.
- Diensten te raadplegen : landbouw, vee-artsenijtoezicht.
------------------------
- Nummering : 16 (2).
- Opgave : zwembaden, georganiseerde zwemplaatsen, badinrichtingen.
- Klasse : 1.
- Aard van de hinder : voor bederf vatbaar water; gevaar voor verspreiding van overdraagbare ziekten; gevaar voor verdrinking.
- Diensten te raadplegen : -.
------------------------

HOOFDSTUK III. - <Ingevoegd bij BWG 2001-05-03/40, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 26-06-2001> In het Waalse Gewest toepasselijke bepalingen betreffende de beheersing van gevaar voor zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn.

Afdeling I. - <Ingevoegd bij BWG 2001-05-03/40, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 26-06-2001> Begripsomschrijving en toepassingsgebied.

Art. 27bis/1. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd bij BWG 2001-05-03/40, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 26-06-2001> Voor de toepassing van dit hoofdstuk, wordt verstaan onder :
1° samenwerkingsakkoord : het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 betreffende de beheersing van de gevaren voor zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, gesloten op 21 juni 1999, door de federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en goedgekeurd bij het decreet van 16 december 1999;
2° vergunning : elke voorafgaande machtiging of vergunning opgelegd krachtens een wettelijke of reglementaire bepaling die onder de bevoegdheid van het Waalse Gewest valt inzake de milieupolitie van de gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen met het oog op de exploitatie, de verbouwing of de uitbreiding van dergelijke inrichtingen;
3° inrichting waar gevaar voor zware ongevallen bestaat : een gezamenlijk geografisch gebied dat onder het toezicht van een exploitant staat, met inbegrip van de gemeenschappelijke of bijbehorende infrastructuren of activiteiten, met één of verschillende installaties waar gevaar voor zware ongevallen bestaat, alsook elke andere installatie of activiteit die emissies of verontreiniging kan veroorzaken;
4° installatie waar gevaar voor zware ongevallen bestaat : technische eenheid binnen een inrichting waar gevaar voor zware ongevallen bestaat waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, gebruikt, gehanteerd of opgeslagen en die voor haar vlotte werking beschikt over de nodige uitrustingen, constructies, leidingen, machines, gereedschappen, over eigen spoorwegaftakkingen, laad- en loskades, aanlegsteigers, pieren, depots of soortgelijke structuren, al dan niet drijvende constructies;
5° exploitant : iedere natuurlijke of rechtspersoon die bovenbedoelde inrichting of installatie exploiteert of voor wie dergelijke inrichtingen en installaties worden geëxploiteerd;
6° zwaar ongeval : ernstige emissie, brand of explosie als gevolg van uit de hand gelopen situaties bij de exploitatie van een inrichting waar gevaar voor zware ongevallen bestaat, die binnen of buiten de inrichting rechtstreeks of onrechtstreeks ernstige schade toebrengt aan de gezondheid van de mens of aan het milieu en waarbij één of meer gevaarlijke stoffen betrokken zijn;
7° gevaarlijke stoffen : de stoffen, mengsels of preparaten bedoeld in bijlage I, deel 1 of beantwoordend aan de criteria bedoeld in bijlage I, deel 2;
8° gevaar : de intrinsieke eigenschap van een gevaarlijke stof of van een fysische situatie die schadelijk kan zijn voor de gezondheid van de mens of het milieu;
9° risico : de kans dat een bepaald effect zich voordoet binnen een bepaalde periode of onder bepaalde omstandigheden;
10° opslag : de aanwezigheid van een hoeveelheid gevaarlijke stoffen bestemd voor opslag, veilige bewaring of berging;
11° schierongeval : zwaar ongeval dat per toeval veroorzaakt kan worden in een oncontroleerbare situatie;
12° aanwezigheid van gevaarlijke stoffen : de effectieve of geplande aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in de inrichting waar gevaar voor zware ongevallen bestaat, alsmede de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen die geacht worden toevalligerwijze geproduceerd te kunnen worden in hoeveelheden gelijk aan of groter dan de drempels bedoeld in de delen 1 en 2 van bijlage I;
13° " DPA " : de Afdeling Preventie en Vergunningen van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van het Ministerie van het Waalse Gewest;
14° " DPE " : de Afdeling Milieupolitie van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van het Ministerie van het Waalse Gewest.

Art. 27bis/2. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd bij BWG 2001-05-03/40, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 26-06-2001> § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen waar gevaar voor zware ongevallen bestaat en waar de hoeveelheid gevaarlijke stoffen gelijk is aan of groter is dan die bedoeld in bijlage I, delen 1 en 2.
§ 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op :
1° militaire inrichtingen, installaties of opslagplaatsen;
2° gevaar voor ioniserende straling;
3° het vervoer van gevaarlijke stoffen, m.i.v. de tijdelijke opslag ervan, via de weg, het spoor, de binnenwateren, de zee of de lucht, met inbegrip van het laden en lossen, en het vervoer ervan naar of vanaf een ander vervoermiddel aan laadkaden of rangeerstations buiten de inrichtingen waar gevaar voor zware ongevallen bestaat;
4° het vervoer van gevaarlijke stoffen via pijpleidingen, met inbegrip van pompstations, buiten de inrichtingen waar gevaar voor zware ongevallen bestaat;
5° de winningsindustrieën waarvan de activiteit bestaat in de exploratie en exploitatie van delfstoffen in mijnen en groeven, ook d.m.v. boringen;
6° afvalstortplaatsen.

Afdeling II. - <Ingevoegd bij BWG 2001-05-03/40, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 26-06-2001> Bij de vergunningsaanvraag te voegen stukken.

Art. 27bis/3. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd bij BWG 2001-05-03/40, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 26-06-2001> § 1. Onverminderd de gegevens en stukken die krachtens andere wettelijke, decretale of reglementaire voorschriften worden geëist, bevat de vergunningsaanvraag voor een inrichting waar gevaar voor zware ongevallen bestaat, de in artikel 8 van het samenwerkingsakkoord bedoelde kennisgeving en met name volgende gegevens :
- de naam of de handelsnaam van de aanvrager en van de exploitant, als het niet om dezelfde persoon gaat, alsook het volledige adres van de bedoelde inrichting;
- de zetel van de aanvrager en van de exploitant, als het niet om dezelfde persoon gaat, met het volledige adres;
- de naam of de functie van de verantwoordelijke van de inrichting, als het om een andere persoon gaat dan de aanvrager of de exploitant;
- de gegevens op grond waarvan de betrokken gevaarlijke stoffen of de categorie van gevaarlijke stoffen geïdentificeerd kunnen worden;
- de hoeveelheid gevaarlijke stoffen en de fysische vorm ervan;
- de activiteit uitgeoefend of gepland in de installatie waar gevaar voor zware ongevallen bestaat of in de opslagplaats;
- het adres van de voor de inrichting territoriaal bevoegde brandweerdienst, alsook de naam en graad van de korpscommandant;
- de elementen in de onmiddellijke omgeving van de in artikel 27bis/1, § 1, 3° bedoelde inrichting waar gevaar voor zware ongevallen bestaat, of die de omstandigheden waarin ze plaatsvinden kunnen verergeren.
Binnen twee weekdagen na ontvangst van de vergunningsaanvraag, stuurt de bevoegde overheid een afschrift van voormelde kennisgeving aan de " DPA " die zich moet uitspreken over de aanvraag.
§ 2. Als de verbouwing of uitbreiding van een inrichting waar gevaar voor zware ongevallen bestaat wordt toegestaan op grond van een aanvraag met voormelde kennisgeving, moet de vergunningsaanvraag vergezeld gaan van dergelijke kennisgeving of ten minste van een document waarbij de oorspronkelijke kennisgeving wordt gewijzigd en aangepast, indien de verbouwing of de uitbreiding onderstaande gevolgen met zich meebrengt :
1° een aanzienlijke toename van het gevaar voor zware ongevallen, of;
2° een aanzienlijke vermeerdering van de aanwezige gevaarlijke stof(fen) of een aanzienlijke wijziging van hun (haar) aard of fysische vorm, of;
3° een wijziging van de productieprocessen van de gevaarlijke stof(fen).
De criteria voor de vastlegging van de in het vorige lid bedoelde begrippen " ernstige gevolgen " en " aanzienlijke verhoging en wijziging " worden omschreven in bijlage IV.

Art. 27bis/4. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd bij BWG 2001-05-03/40, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 26-06-2001> § 1. Onverminderd de gegevens en documenten, die krachtens andere wettelijke, decretale of reglementaire voorschriften worden geëist en onverminderd artikel 27bis/3, moet de vergunningsaanvraag voor een inrichting waar gevaar voor zware ongevallen bestaat en waar gevaarlijke stoffen opgeslagen worden in hoeveelheden gelijk aan of hoger dan die vermeld in bijlage I, delen 1 en 2, kolom 2 en lager dan die vermeld in bijlage I, delen 1 en 2, kolom 3, vergezeld gaan van een nota met de identificatie van de gevaren waarvan de structuur en de minimale inhoud in bijlage II omschreven worden.
§ 2. Onverminderd de gegevens en documenten, die krachtens andere wettelijke, decretale of reglementaire voorschriften worden geëist en onverminderd artikel 27bis/3, moet de vergunningsaanvraag voor een inrichting waar gevaar voor zware ongevallen bestaat en waar gevaarlijke stoffen opgeslagen worden in hoeveelheden gelijk aan of hoger dan die vermeld in bijlage I, delen 1 en 2, kolom 3, vergezeld gaan van een veiligheidsstudie om :
- aan te tonen dat het gevaar voor zware ongevallen geïdentificeerd is en dat de nodige maatregelen zijn getroffen om het te voorkomen en de gevolgen van dergelijke ongevallen voor mens en milieu te beperken;
- aan te tonen dat het ontwerp, de bouw, de exploitatie en het onderhoud van installaties waar gevaar voor zware ongevallen bestaat, de opslagplaatsen, de uitrustingen en de infrastructuur die nodig zijn voor hun werking en binnen de inrichting gevaar voor zware ongevallen kunnen veroorzaken, voldoende veiligheid en betrouwbaarheid bieden;
- voldoende gegevens aan de bevoegde autoriteiten en diensten te verstrekken om hen in staat te stellen voorstellen te doen aan de bevoegde overheid over de vestiging van nieuwe activiteiten rond bovenvermelde inrichting.
De structuur en de minimale inhoud van de in het vorige lid bedoelde veiligheidsstudie worden omschreven in bijlage III.
§ 3. In de gevallen bedoeld in artikel 27bis/3, § 2, gaat de vergunningsaanvraag voor de verbouwing of uitbreiding van een inrichting waar gevaar voor zware ongevallen bestaat, die toegestaan wordt op grond van een aanvraag met de in paragraaf 1 bedoelde identificatienota of de in paragraaf 2 bedoelde veiligheidsstudie, vergezeld van dergelijke nota of studie of op zijn minst van een document waarbij de nota of de oorspronkelijke studie wordt gewijzigd en bijgestuurd.
§ 4. De identificatienota, bedoeld in paragraaf 1, en de veiligheidsstudie, bedoeld in paragraaf 2, houden rekening met de nieuwe technieken inzake veiligheid en ontwikkeling van risico's en bevatten al de eventuele vroegere bijwerkingen.

Afdeling III. - <Ingevoegd bij BWG 2001-05-03/40, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 26-06-2001> Bijzondere bepalingen voor de afgifte van de vergunning.

Art. 27bis/5. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd bij BWG 2001-05-03/40, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 26-06-2001> Onverminderd overlegpleging met andere overheden krachtens andere wettelijke, decretale of reglementaire voorschriften, pleegt de bevoegde overheid overleg met de " DPA " vooraleer een beslissing wordt genomen over een vergunningsaanvraag voor de exploitatie, de verbouwing of de uitbreiding van een inrichting of een installatie waar gevaar voor zware ongevallen bestaat.
Het advies van de " DPA " vermeldt met name of de mogelijkheid of de gevolgen van een zwaar ongeval kunnen worden verhoogd wegens de vestiging en de nabijheid van andere inrichtingen waar gevaar voor zware ongevallen bestaat en wegens de opslag van andere gevaarlijke stoffen.

Art. 27bis/6. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd bij BWG 2001-05-03/40, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 26-06-2001> § 1. Onverminderd de documenten, die krachtens andere wettelijke, decretale of reglementaire voorschriften worden geëist, wordt de in artikel 27bis/4, § 1 bedoelde identificatienota of de in artikel 27bis/4, § 2 bedoelde veiligheidsstudie onderworpen aan een openbaar onderzoek over de vergunningsaanvraag voor een inrichting of een installatie waar gevaar voor zware ongevallen bestaat.
Vooraleer een vergunningsaanvraag in te dienen, kan de aanvrager een met redenen omkleed document bij aangetekend schrijven aan de " DPA " richten waarin hij om veiligheidsredenen, om Staatsveiligheidsredenen of om sabotage te voorkomen verzoekt om de geheimhouding van bepaalde gedeelten van de in artikel 27bis/4, § 1 bedoelde nota of van de in artikel 27bis/4, § 2 bedoelde veiligheidsstudie wegens het vertrouwelijke karakter van bepaalde industriële, commerciële en persoonlijke gegevens.
Bij het verzoek om geheimhouding, voegt de vergunningsaanvrager, al naar gelang het geval, een ontwerp van identificatienota of van veiligheidsstudie in twee luiken, waarbij het tweede deel de elementen, inlichtingen of gegevens bevat waarvoor hij de geheimhouding wenst. De " DPA " spreekt zich onmiddellijk uit over de aanvraag om geheimhouding.
§ 2. In afwijking van elke andere andersluidende reglementaire bepaling, blijft de vergunningsaanvraag onderworpen aan een openbaar onderzoek als de aangevraagde uitbreiding of verbouwing als gevolg heeft dat gevaarlijke stoffen voor het eerst aanwezig zijn in hoeveelheden gelijk aan of hoger dan die vermeld in bijlage I, delen 1 en 2, al naar gelang het geval, kolommen 2 of 3.

Art. 27bis/7. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd bij BWG 2001-05-03/40, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 26-06-2001> De in eerste instantie of in beroep bevoegde overheid, die beslist over een vergunningsaanvraag voor de exploitatie, de verbouwing of de uitbreiding van een inrichting of een installatie waar gevaar voor zware ongevallen bestaat, motiveert haar beslissing op grond van de gegevens vermeld in de identificatienota of in de veiligheidsstudie bedoeld in artikel 27bis/4, alsook op grond van de adviezen uitgegeven door alle overheden waarmee overleg is gepleegd en van de bijkomende inlichtingen die eventueel aan de exploitant werden gevraagd.

Afdeling IV. - <Ingevoegd bij BWG 2001-05-03/40, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 26-06-2001> Toezicht en administratieve maatregelen.

Art. 27bis/8. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd bij BWG 2001-05-03/40, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 26-06-2001> § 1. Als de door de exploitant genomen maatregelen om zware ongevallen te voorkomen en hun gevolgen voor de mens en het leefmilieu te beperken duidelijk onvoldoende zijn, wordt de vergunning opgeschort of, in voorkomend geval, ingetrokken door de bevoegde overheid, onverminderd elke andere straf of maatregel bedoeld in andere wettelijke, decretale of reglementaire voorschriften.
In voorkomend geval, is de in het vorige lid bedoelde opschorting of intrekking slechts gedeeltelijk of heeft ze betrekking op een gedeelte van de inrichting of installatie waar gevaar voor zware ongevallen bestaat.
Vooraleer een beslissing te nemen op grond van de vorige leden, geeft de bevoegde overheid de exploitant de mogelijkheid om zijn opmerkingen mondeling of schriftelijk mee te delen binnen een redelijke termijn.
§ 2. De exploitant kan beroep aantekenen tegen de overeenkomstig § 1 genomen beslissingen tot opschorting of intrekking van de vergunning. In afwijking van elke andersluidende bepaling, heeft dat beroep geen schorsende kracht en wordt het volgens dezelfde modaliteiten ingesteld bij de overheid die bevoegd is om kennis te nemen van beroepen ingediend tegen de weigering tot verlening van een vergunning.

Art. 27bis/9. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd bij BWG 2001-05-03/40, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 26-06-2001> § 1. Als de door de exploitant genomen maatregelen om zware ongevallen te voorkomen en om hun gevolgen voor de mens en het leefmilieu te beperken duidelijk onvoldoende zijn, wordt de stopzetting van de exploitatie van de inrichting of de installatie waar gevaar voor zware ongevallen bestaat, of van de opslagplaats of van een gedeelte daarvan bevolen door de overheid (overheden), diensten of ambtenaren die bevoegd zijn voor het toezicht op gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen, ongeacht of de vergunning al dan niet wordt verleend en onverminderd elke andere straf of maatregel opgelegd bij andere wettelijke, decretale of reglementaire voorschriften.
§ 2. De exploitant kan bij de Regering beroep aantekenen tegen elke beslissing genomen overeenkomstig § 1. In afwijking van elke andere andersluidende reglementaire bepaling, heeft dit beroep geen schorsende kracht.

Afdeling V. - <Ingevoegd bij BWG 2001-05-03/40, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 26-06-2001> Overgangsbepalingen.

Art. 27bis/10. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd bij BWG 2001-05-03/40, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 26-06-2001> De vergunningsaanvragen voor de exploitatie, de verbouwing of de uitbreiding van een inrichting of installatie waar gevaar voor zware ongevallen bestaat, alsook de desbetreffende administratieve beroepen, ingediend vóór de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, worden onderzocht overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn op de dag dat de aanvraag wordt ingediend.

HOOFDSTUK IV. - Bijzondere bepalingen voor het Waalse Gewest betreffende de genetisch gemodificeerde en/of pathogene micro-organismen en/of organismen. <BWG 2002-04-18/31, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 24-04-2002>

Art. 27ter/1. <Zie nota's onder TITEL> <BWG 2002-04-18/31, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 24-04-2002> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op :
1. ingeperkt gebruik waarbij alleen niet-gemodificeerde en niet-pathogene organismen tegelijk worden aangewend;
2. ingeperkt gebruik waarbij alleen GGO's worden aangewend die verkregen worden door middel van de in bijlage II, deel 1 genoemde technieken en methoden en die schriftelijk als dusdanig zijn gecertificeerd door de technisch deskundige, op voorwaarde dat ze niet-pathogeen zijn;
3. ingeperkt gebruik waarbij alleen GGO's worden aangewend die op de markt worden gebracht overeenkomstig Richtlijn 90/220/EEG van de Raad van 23 april 1990 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu of overeenkomstig elke andere communautaire wetgeving die gelijkstaat met bovengenoemde richtlijn en die voorziet in een specifieke milieu-effectbeoordeling, op voorwaarde dat het ingeperkte gebruik voldoet aan de voorwaarden waaronder de commercialisering ervan wordt toegelaten, met name de traceerbaarheid en de etikettering;
4. ingeperkt gebruik waarbij alleen die soorten GGM's worden aangewend die voldoen aan de in bijlage II, deel 2 bij dit besluit bedoelde criteria op grond waarvan wordt vastgesteld dat zij onschadelijk zijn voor de menselijke gezondheid en het milieu; die soorten GGM's worden, door de Minister, vermeld in bijlage II, deel 3 bij deze sectorale voorwaarden.

Art. 27ter/2. <Zie nota's onder TITEL> <BWG 2002-04-18/31, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 24-04-2002> De onderstaande bepalingen moeten in acht genomen worden bij de risicobeoordeling van het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, waarvan gewag moet worden gemaakt in de aanvraag om exploitatievergunning krachtens bijlage VII bij dit besluit :
- bij de risicobeoordeling, moeten op zijn minst de princiepen bedoeld in bijlage III bij dit besluit in acht worden genomen;
- daarbij, moet inzonderheid rekening worden gehouden met de problematiek van de verwijdering van afval en afvalwater;
- de risicobeoordeling wordt door de aanvrager onderworpen aan het advies van de technisch deskundige. Dat advies wordt bij de vergunningsaanvraag gevoegd;
- de risicobeoordeling dient om de verschillende soorten ingeperkt gebruik in te delen in één van de vier volgende risicoklassen, met name :
klasse 1 : ingeperkt gebruik met onbestaand of niet noemenswaard risico, m.a.w. het ingeperkte gebruik waarvoor het inperkingsniveau 1 wordt aangegeven om de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen;
klasse 2 : ingeperkt gebruik met gering risico, m.a.w. het ingeperkte gebruik waarvoor het tweede inperkingsniveau wordt aangegeven om de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen;
klasse 3 : ingeperkt gebruik met matig risico, m.a.w. het ingeperkte gebruik waarvoor het derde inperkingsniveau wordt aangegeven om de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen;
klasse 4 : ingeperkt gebruik met hoog risico, m.a.w. het ingeperkte gebruik waarvoor het vierde inperkingsniveau wordt aangegeven om de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen.

Art. 27ter/3. <Zie nota's onder TITEL> <BWG 2002-04-18/31, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 24-04-2002> De vertrouwelijke gegevens of de gegevens i.v.m. het fabrieksgeheim en de patenten, die de aanvrager mag vermelden in het aanvraagformulier voor de exploitatievergunning, mogen niet betrekking hebben :
1° op de naam en het adres van de exploitant en van de gebruiker;
2° op de beschrijving van het genetisch gemodificeerde micro-organisme of de genetisch gemodificeerde micro-organismen of van de pathogene organismen;
3° op de klasse en de plaats van het ingeperkte gebruik, noch op de inperkingsmaatregelen;
4° op de evaluatie van de voorzienbare effecten, met name de pathogene en/of milieustorende effecten;
5° de informatie bekendgemaakt in een of ander nieuwsblad of door een patentendienst.
De vertrouwelijke gegevens of de gegevens i.v.m. het fabrieksgeheim en de patenten, die de aanvrager vermeldt, worden slechts meegedeeld aan de technisch ambtenaar die oordeelt dat ze vertrouwelijk zijn en het moeten blijven.
De technisch ambtenaar mag van de verzoeker verlangen dat hij bijkomende gegevens verstrekt. In dat geval, wordt de in artikel 8 bedoelde termijn van drie weken onderbroken en verwittigt de technisch ambtenaar de bevoegde overheid.
De technisch ambtenaar en de technisch deskundige delen de vertrouwelijke gegevens, waarvan ze op de één of andere manier kennis hebben genomen, niet mee aan derden en beschermen de intellectuele eigendomsrechten betreffende de ingezamelde gegevens.
Wanneer de exploitant om welke reden ook zijn aanvraag of zijn aangifte intrekt, zijn de bevoegde overheid, de technisch ambtenaar en de technisch deskundige gehouden aan de vertrouwelijkheid van de verstrekte gegevens.
In geval van definitieve weigering en op verzoek, maken de bevoegde overheid, de technisch ambtenaar en de technisch deskundige de eventuele bijlage met de vertrouwelijke gegevens weer over aan de exploitant bij ter post aangetekend schrijven.

Art. 27ter/4. <Zie nota's onder TITEL> <BWG 2002-04-18/31, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 24-04-2002> De risicoklasse, die bepaald wordt overeenkomstig de voorschriften van artikel 27ter/2, bevat het inperkingsniveau en de andere beschermingsmaatregelen bedoeld in bijlage IV en toepasselijk op het ingeperkte gebruik van GGO's of pathogene organismen.
Wanneer twijfel bestaat omtrent de klasse die het meest geschikt is voor het geplande ingeperkte gebruik, worden de strengste beschermingsmaatregelen toegepast, tenzij in overleg met de bevoegde overheid, die het advies van de technisch deskundige heeft verkregen, afdoende bewijzen worden overgelegd dat minder stringente maatregelen gewettigd zijn.
Onverminderd de bijzondere voorwaarden waaraan moet worden voldaan, wordt het ingeperkte gebruik van GGO's of pathogene organismen of het ingeperkte gebruik van GGO's, waarvoor een aangifte nodig is, onderworpen aan de inperkingsmaatregelen en aan de andere beschermingsmaatregelen bedoeld in bijlage IV.

Art. 27ter/5. <Zie nota's onder TITEL> <BWG 2002-04-18/31, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 24-04-2002> Onverminderd artikel 7, maakt de gouverneur het na afloop van het onderzoek door het gemeentebestuur teruggestuurde dossier voor advies over aan de " SRI " binnen drie dagen na ontvangst ervan.
De " SRI " brengt advies uit aan de overheid die zich uitspreekt binnen drie weken na ontvangst van het dossier.

Art. 27ter/6. <Zie nota's onder TITEL> <BWG 2002-04-18/31, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 24-04-2002> De aanvrager van een exploitatievergunning betreffende het ingeperkte gebruik van GGO's of pathogene organismen voegt een ontwerp van rampenplan bij zijn aanvraag voor het ingeperkt gebruik van risicoklasse 2 of meer.
Het ontwerp van rampenplan bepaalt de organisatiemaatregelen, de interventiemethoden en de middelen die de exploitant nodig heeft om de mens en het milieu te beschermen.
De inhoud ervan ligt vast in bijlage V.

Art. 27ter/7. <Zie nota's onder TITEL> <BWG 2002-04-18/31, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 24-04-2002> Het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen valt onder het gezag van één of meer gebruikers die aangewezen worden door de exploitant. Als de exploitant een gebruiker van zijn opdracht wil ontslaan, moet hij eerst een andere gebruiker aanwijzen als verantwoordelijke voor het ingeperkte gebruik. In dat geval, deelt hij de naam van de als dusdanig aangewezen persoon mee aan de bevoegde overheid, de technisch ambtenaar en de technisch deskundige. Hij handelt insgelijks in geval van aftreding, pensionering, langdurige onbekwaamheid, overlijden of ontslag.

Art. 27ter/8. <Zie nota's onder TITEL> <BWG 2002-04-18/31, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 24-04-2002> De exploitant wijst een verantwoordelijke voor de bioveiligheid aan.
Binnen de bevoegdheden van de externe milieupolitie, heeft de verantwoordelijke voor de bioveiligheid o.a. de volgende opdrachten :
1° toezicht houden op de risicobeoordeling van het ingeperkte gebruik van GGO's of pathogene organismen;
2° de aangiften coördineren, alsook de aanvragen om milieuvergunningen betreffende het ingeperkte gebruik van GGO's of pathogene organismen;
3° de personeelsleden vormen, onder wie de bij het ingeperkte gebruik betrokken gebruikers;
4° het afvalbeheer waarnemen;
5° zich vergewissen dat bij eventuele ongevallen de gepaste maatregelen worden genomen;
6° zorgen voor de traceerbaarheid van de gegevens;
7° nagaan hoe de GGO's of pathogene organismen worden opgeslagen en binnen de installatie vervoerd en hoe de lokalen worden ontsmet;
8° interne inspecties organiseren en eraan deelnemen;
9° zorgen voor het onderhoud en de controle van de apparatuur;
10° ervoor zorgen dat de gebruikers de regels naleven;
11° er vooral voor zorgen dat de bioveiligheid van de installatie wordt verzekerd.

Art. 27ter/9. <Zie nota's onder TITEL> <BWG 2002-04-18/31, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 24-04-2002> De exploitant moet een Bioveiligheidscomité oprichten binnen de maand nadat de exploitatievergunning is verleend.
Het Bioveiligheidscomité bestaat uit :
1° vertegenwoordigers van de directie die verantwoordelijk zijn voor het ingeperkte gebruik;
2° vertegenwoordigers van het personeel betrokken bij het ingeperkte gebruik;
3° de verantwoordelijke voor de bioveiligheid;
4° gecoöpteerde leden wanneer een specifieke kennis wordt vereist.
De voorzitter wordt aangewezen onder de leden van het Bioveiligheidscomité.
De exploitant of, in voorkomend geval, de gebruiker geeft de bevoegde overheid en de technisch ambtenaar zo spoedig mogelijk kennis van de samenstelling van het Bioveiligheidscomité.
Binnen de bevoegdheden van de externe milieupolitie, heeft het Bioveiligheidscomité de volgende opdrachten :
1° het ingeperkte gebruik controleren;
2° toezien op de opstelling van de aanvragen om exploitatievergunningen;
3° nagaan of verschillende ontwerpen van ingeperkt gebruik binnen dezelfde installatie verenigbaar zijn;
4° zorgen voor de bioveiligheid wanneer binnen dezelfde installatie meer soorten ingeperkt gebruik bestaan;
5° de inachtneming van regels opleggen aan de gebruikers;
6° meer algemeen zorgen voor de bioveiligheid van het ingeperkte gebruik doorgevoerd binnen de installatie.
De bevoegde overheid kan de exploitant vrijstellen van de verplichting tot oprichting van een Bioveiligheidscomite op grond van het advies van de technisch ambtenaar en van de technisch deskundige, al naar gelang de omvang van de installatie, het type ingeperkt gebruik, het aantal betrokken personen, de aard en de hoeveelheid voortgebrachte afvalstoffen. In dat geval, worden de opdrachten van het Bioveiligheidscomité toevertrouwd aan de verantwoordelijke voor de bioveiligheid.

Art. 27ter/10. <Zie nota's onder TITEL> <BWG 2002-04-18/31, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 24-04-2002> De risicobeoordeling, bedoeld in artikel 27ter/2, wordt regelmatig herzien door de exploitant of de gebruiker, meer bepaald als er reden is te stellen dat ze niet meer opportuun is gezien de evolutie op wetenschappelijk en technisch vlak.
De exploitant of de gebruiker houdt een dossier met de in artikel 27ter/2 bedoelde beoordelingen en de herzieningen ervan, alsmede een register van de in de installatie aanwezige pathogene of genetisch gemodificeerde organismen. De technisch ambtenaar en de toezichthoudende ambtenaar mag die documenten inzien op gewoon verzoek. De exploitant bewaart alle documenten betreffende de pathogene of genetisch gemodificeerde organismen gedurende tien jaar te rekenen van de vervaldatum van de vergunning.

Art. 27ter/11. <Zie nota's onder TITEL> <BWG 2002-04-18/31, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 24-04-2002> Als de exploitant of de gebruiker kennis heeft van nieuwe relevante gegevens, moet hij onmiddellijk de bevoegde overheid verwittigen.
Bij ongeval, verwittigt de exploitant of de gebruiker onmiddellijk de bevoegde overheid, de technisch ambtenaar, de toezichthoudende ambtenaar, alsmede de technisch ambtenaar en verstrekt hij hen de in bijlage VI bedoelde gegevens.

Art. 27ter/12. <Zie nota's onder TITEL> <BWG 2002-04-18/31, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 24-04-2002> Biologische monsters worden in drie exemplaren genomen : één voor de exploitant, één voor de toezichthoudende ambtenaar en één voor de technisch deskundige belast met de expertise. De monsters moeten door de drie partijen opgeslagen worden om de biologische en genetische stabiliteit van het genomen biologische materiaal te waarborgen totdat de toezichthoudende ambtenaar de controles heeft uitgevoerd. Ook de microbiologische en/of moleculaire methoden om de gebruikte genetisch gemodificeerde of pathogene organismen te kunnen traceren worden door de exploitant of, in voorkomend geval, de gebruiker ter beschikking gesteld van de toezichthoudende ambtenaar.

Art. 27ter/13. <Zie nota's onder TITEL> <BWG 2002-04-18/31, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 24-04-2002> Onverminderd artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit van 22 april 1974 betreffende de heffing van retributies bij toepassing van de reglementeringen betreffende de arbeidsbescherming, de gevaarlijke machines en de ioniserende stralingen, en tot wijziging van het algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 mei 1982, wordt voor elke vergunningsaanvraag, die onder dit hoofdstuk valt, een bijdrage geïnd voor elk ingeperkt gebruik :
1° van risicoklasse 1 : 124 euro;
2° van risicoklasse 2 : 248 euro;
3° van risicoklasse 3 of 4 : 496 euro.

TITEL Ibis. - (Toepassingsgebied.) <KB 1998-03-27/30, art. 1, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
Toepassingsgebied.
Art. 28
Verplichtingen van de werkgevers.
Art. 28bis, 28ter
Voorlichting van de werknemers.
Art. 28quater
Algemene maatregelen in geval van ernstig en onmiddellijk gevaar.
Art. 28quinquies
Verplichtingen van de werknemers.
Art. 28sexies, 28septies
TITEL II - ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE DE ARBEIDSHYGIENE ALSMEDE DE VEILIGHEID EN DE GEZONDHEID VAN DE ARBEIDERS.
HOOFDSTUK I - Bepalingen betreffende de veiligheid van de arbeiders.
Afdeling I - Bescherming tegen aanraking met werktuigen en werktuigdelen.
Art. 29-38
Afdeling II - Beveiliging tegen weggeslingerde brokken, scherven en andere kwetsende of schadelijke agenta. <KB 18-02-1960, art. 1>
Art. 39-40, 40bis, 41
Afdeling IIbis. - Handwerktuigen. <KB 14-03-1975, art. 1>
Art. 41bis
Afdeling III - (Voorkoming van het vallen van werknemers en bescherming tegen vallende voorwerpen.) <KB 1993-06-18/32, art. 2, 044; Inwerkingtreding : 01
Art. 41ter, 41quater, 41quinquies
a) Welputten, regenputten, kommen, vergaarbakken, openingen.
Art. 42
b) Trappen, bruggetjes, gaanderijen, platformen <KB 14-03-1975, art. 2>
Art. 43
c) Ladders. <KB 14-03-1975, art. 4>
Art. 43bis
Afdeling IV - (Behandeling, vervoer en opslag van voorwerpen binnen de inrichting.) <KB 1993-06-18/32, art. 3, 044; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
Art. 44, 44bis, 44ter, 44quater, 44quinquies, 44sexies, 44septies, 44octies, 45-49, 49bis, 50-51, 51bis
Afdeling IVbis. <Ingevoegd bij KB 1993-06-18/32, art. 4, 044; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Arbeidsplaatsen in open lucht.
Art. 51ter1-51ter4
Afdeling IVter. <Ingevoegd bij KB 1993-06-18/32, art. 4, 044; Inwerkingtreding : 01-01-1993> _ Stabiliteit en stevigheid van de gebouwen.
Art. 51ter5
Afdeling V _ Voorzorgen tegen brandgevaar, ontploffingen en de toevallige ontsnapping van schadelijke of ontvlambare gassen
Art. 52, 1M52-4M52
Afdeling VI _ Werkzaamheden in de plaatsen waar gevaarlijke gassen kunnen voorhanden zijn.
Art. 53
Afdeling VII - Voorzorgen te nemen gedurende de schafttijd.
Art. 54
Afdeling VIII - <KB 24-04-1969, art. 1> Vervoer van de werknemers.
Art. 54bis
Afdeling IX - <KB 20-12-1974> Afgezonderd tewerkgestelde werknemers.
Art. 54ter
Afdeling X _ <KB 20-06-1975, art. 1> Voorkomingsbeleid.
Art. 54quater
Afdeling XI. _ <KB 19-09-1980,art. 1> Veiligheidssignalering.
Art. 54quinquies
HOOFDSTUK II. _ Bepalingen betreffende de hygiëne op de arbeidsplekken.
Afdeling I _ Arbeidsklimaat <KB 21-04-1975, art. 1>
Art. 55
§ 1. _ Luchtverversing.
Art. 56-58, 58bis
§ 2. _ Verlichting.
Art. 59-63, 63bis
§ 3. _ Temperatuur <KB 21-04-1975, art. 7 en 8>
Art. 64-68
§ 4. _ Zindelijkheid.
Art. 69-72, 72bis
Afdeling II. _ <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> Sanitaire voorzieningen
Art. 73
A. Kleedkamers en wasplaatsen.
1. Algemene bepalingen.
Art. 74-79
a. Wastafels.
Art. 80-81
b. Stortbaden.
Art. 82-87
B. Refters en verpozingslokalen.
Art. 88-91
C. Toiletten.
Art. 92-96
D. Dranken.
Art. 97-99
E. Bijzondere bepalingen.
Art. 100-101
F. Algemene bepalingen.
Art. 102-103
Afdeling III _ Werkkledij <KB 31-01-1974, art. 1>
Art. 103bis1-103bis3
HOOFDSTUK IIbis. <ingevoegd bij KB 1987-11-20/30, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 1987-11-27> Bepalingen betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's verbonden aan blootstelling aan chemische, fysische en biologische agentia.
Art. 103ter, 103quater, 103quinquies, 103sexies, N1*103sexies, 1N1-2N1, 103septies, 103octies, N2**
HOOFDSTUK III - Bepalingen betreffende de gezondheid van de werknemers <KB 16-04-1965, art. 2>
Afdeling I - Geneeskundig toezicht op de werknemers en gezondheidstoezicht op de werkplaatsen <KB 16-04-1965, art. 2>
Onderafdeling I - Arbeidsgeneeskundige dienst <KB 16-04-1965, art. 2>
Art. 104-116, 116bis, 116ter, 117-120, 120bis, 120ter, 121-123
Onderafdeling II _ Medisch toezicht over de werknemers <KB 10-04-1974, art. 1>
Algemene bepalingen _ <KB 10-04-1974, art. 1>
Art. 123bis
A. _ Medische onderzoekingen.
(opschrift opgeheven) <KB 28-11-1978, art. 1>
Art. 124-128, 128bis, 129-131, 131bis, 131ter
4. Bijzondere bepalingen betreffende de aan ioniserende stralingen blootgestelde personen.
Art. 132-134, 134bis, 135, 135bis, 135ter, 135quater, 135quinquies, 135sexies, 136-138
B. _ Inentingen. (opgeheven) <KB 1996-08-04/07, art. 85, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>
Art. 139-141, 141bis1-141bis11, 142-146
C. _ Bepalingen betreffende de beslissingen van de arbeidsgeneesheer.
Art. 146bis, 146ter, 146quater
D. Medisch dossier.
Art. 146quinquies, 146sexies, 146septies, 146octies, 146nonies, 146decies
E. _ Moederschapsbescherming <KB 03-12-1969, art. 7>
Art. 147, 147bis
F. _ Aangifte der beroepsziekten.
Art. 147ter
G. _ Algemene bepalingen.
Art. 147quater, 147quinquies, 147sexies
Onderafdeling III _ Toezicht op de arbeidsvoorwaarden op gebied van hygiëne. <KB 16-04-1965, art. 2>
Art. 147septies, 147octies, 147nonies, 147decies, 148
Onderafdeling IV _ Bijzondere bepalingen <KB 16-04-1965, art. 2>
Art. 148bis, 148ter, 148quater, 148quinquies, 148sexies, 148septies, 148octies, 148nonies, N1-N2, 1MN2-8MN2, N2bis, N3-N15
Afdeling II _ Strijd tegen de hinder <KB 23-5-1972, art. 1>
Onderafdeling I _ Maatregelen ter voorkoming van de hinder <KB 23-5-1972, art. 2>
Art. 148decies1-148decies2, 148decies2*1-148decies2*2, 148decies2*2bis, 148decies2*3-148decies2*5, 148decies2*5*1-148decies2*5*9, 148decies2*5*10-148decies2*5*13, 148decies2*6, 148deccies2*7, N1*, N2*, N3*, N4*, N5*
Onderafdeling II _ Individuele beschermingsmiddelen <KB 23-05-1972, art. 3>
Art. 149
A. (opgeheven) <KB 31-01-1974, art. 7, 1°>
Art. 150
B. Bescherming tegen risico's voor ziekten met uitzondering van de aandoeningen te wijten aan schadelijke uitstralingen, aan hevig geluid of aan trillingen.
Art. 151-155
C. Bescherming tegen de risico's voor ziekten te wijten aan de schadelijke uitstralingen.
Art. 156
D. Bescherming tegen de risico's voor ziekten veroorzaakt door intens gerucht of door trillingen.
Art. 157
E. Bescherming tegen de risico's voor ongeval.
Art. 158, 158bis, 158ter, 158quater, 158quinquies, 158sexies, 159-170
Afdeling IIbis _ Werkzitplaatsen en rustzitplaatsen.
Art. 171-173
Afdeling III _ Aan de door ongeval of door ongesteldheid getroffenen te verlenen eerste hulp en dringende verzorging <KB 16-04-1965, art. 3>
Art. 174-183, 183bis, 183ter, N*183ter
HOOFDSTUK IV. - (Opgeheven) <KB 1999-05-03/38, art. 14, 068; Inwerkingtreding : 13-06-1999>
Art. 183quater1-183quater5, 183quinquies1-183quinquies3, 183sexies

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL Ibis. - (Toepassingsgebied.) <KB 1998-03-27/30, art. 1, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>

Toepassingsgebied.

Art. 28. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1998-03-27/30, art. 2, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998> Onverminderd de bepalingen betreffende de mijnen, graverijen en ondergrondse groeven, zijn de bepalingen van de titels II, III en V van dit reglement van toepassing op de werkgevers en de werknemers en op de daarmee gelijkgestelde personen bedoeld in artikel 2 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
De bepalingen van de onderafdeling II van afdeling I van hoofdstuk III van titel II zijn van toepassing op de personen bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, e), onder de voorwaarden en nadere regels bepaald door Ons.

Verplichtingen van de werkgevers.

Art. 28bis. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 3, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
Opleiding van de werknemers.

Art. 28ter. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 3, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>

Voorlichting van de werknemers.

Art. 28quater. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 3, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>

Algemene maatregelen in geval van ernstig en onmiddellijk gevaar.

Art. 28quinquies. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 3, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>

Verplichtingen van de werknemers.

Art. 28sexies. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 3, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>

Art. 28septies. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 3, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>

TITEL II - ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE DE ARBEIDSHYGIENE ALSMEDE DE VEILIGHEID EN DE GEZONDHEID VAN DE ARBEIDERS.

HOOFDSTUK I - Bepalingen betreffende de veiligheid van de arbeiders.

Afdeling I - Bescherming tegen aanraking met werktuigen en werktuigdelen.

Art. 29. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1993-08-12/46, art. 12, 048; Inwerkingtreding : 08-10-1993>

Art. 30. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1993-08-12/46, art. 12, 048; Inwerkingtreding : 08-10-1993>

Art. 31. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1993-08-12/46, art. 12, 048; Inwerkingtreding : 08-10-1993>

Art. 32. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1993-08-12/46, art. 12, 048; Inwerkingtreding : 08-10-1993>

Art. 33. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1993-08-12/46, art. 12, 048; Inwerkingtreding : 08-10-1993>

Art. 34. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1993-08-12/46, art. 12, 048; Inwerkingtreding : 08-10-1993>

Art. 35. <Zie nota's onder TITEL> <KB 13-08-1962, art. 1>
a) (...) <KB 1993-08-12/46, art. 12, 048; Inwerkingtreding : 08-10-1993>
b) (...) <KB 1993-08-12/46, art. 12, 048; Inwerkingtreding : 08-10-1993>
c) (...) <KB 1993-08-12/46, art. 12, 048; Inwerkingtreding : 08-10-1993>
d) (...) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 066; Inwerkingtreding : 14-06-1999>
e) (...) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 066; Inwerkingtreding : 14-06-1999>
f) (...) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 066; Inwerkingtreding : 14-06-1999>
g) (...) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 066; Inwerkingtreding : 14-06-1999>
h) (...) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 066; Inwerkingtreding : 14-06-1999>
i) (...) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 066; Inwerkingtreding : 14-06-1999>
j) (...) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 066; Inwerkingtreding : 14-06-1999>
k) (...) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 066; Inwerkingtreding : 14-06-1999>
l) (...) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 066; Inwerkingtreding : 14-06-1999>
m) (...) <KB 1993-08-12/46, art. 12, 048; Inwerkingtreding : 08-10-1993>

Art. 36. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 066; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

Art. 37. <Zie nota's onder TITEL> Het werkvolk, dat in de nabijheid van in beweging zijnde machines of drijfwerken, die gevaar opleveren, dient te staan of te gaan, moet sluitende en geen losse kleren dragen (...) <KB 30-10-1972, art. 1>
Het is verboden zich in de onmiddellijke nabijheid der (machines) of drijfwerken op te schikken, van kleren te veranderen of deze neer te leggen. <R 06-07-1946, art. 4 en bijl.>

Art. 38. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1993-08-12/46, art. 12, 048; Inwerkingtreding : 08-10-1993>

Afdeling II - Beveiliging tegen weggeslingerde brokken, scherven en andere kwetsende of schadelijke agenta. <KB 18-02-1960, art. 1>

Art. 39. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 066; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

Art. 40. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 066; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

Art. 40bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1993-06-18/32, art. 1, 044; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De transparante of lichtdoorlatende wanden, met name volledig glazen wanden, in de lokalen of in de omgeving van werkposten en wegen worden duidelijk aangegeven.
Zij zijn vervaardigd uit aangepaste veiligheidsmaterialen of op zodanige wijze van de werkposten en de wegen afgescheiden dat de werknemers niet met deze wanden in aanraking kunnen komen noch gewond kunnen raken wanneer zij breken.
Wanneer de transparante of lichtdoorlatende wanden niet uit veiligheidsmaterialen zijn vervaardigd en als het gevaar bestaat dat de werknemers gewond raken als een wand breekt, moeten deze wanden tegen indrukken worden beveiligd.
De ramen, bovenlichtvoorzieningen en ventilatievoorzieningen welke geopend kunnen worden, moeten door de werknemers veilig kunnen worden geopend, gesloten, geregeld en vastgezet.
In geopende stand mogen zij geen gevaar opleveren voor de werknemers.
Wanneer de transparante of lichtdoorlatende oppervlakken van deuren en poorten niet van veiligheidsmateriaal zijn vervaardigd en als het gevaar bestaat dat werknemers gewond raken als een deur of een poort breekt, moeten deze oppervlakten tegen indrukken worden beveiligd.
Op transparante deuren moet op ooghoogte een markering zijn aangebracht.
Klapdeuren en -poorten moeten transparant zijn of van transparante panelen zijn voorzien.
Schuifdeuren moeten voorzien zijn van een veiligheidssysteem waardoor zij niet uit hun rails kunnen lopen of omvallen.
Deuren en poorten die naar boven toe opengaan, moeten voorzien zijn van een veiligheidssysteem waardoor zij niet kunnen terugvallen.

Art. 41. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 066; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

Afdeling IIbis. - Handwerktuigen. <KB 14-03-1975, art. 1>

Art. 41bis. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 066; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

Afdeling III - (Voorkoming van het vallen van werknemers en bescherming tegen vallende voorwerpen.) <KB 1993-06-18/32, art. 2, 044; Inwerkingtreding : 01

Art. 41ter. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd bij KB 1993-06-18/32, art. 2, 044; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Arbeidsplaatsen waar door de aard van het werk zones met valgevaar voor werknemers of gevaar voor vallende voorwerpen voorkomen, moeten, voor zover mogelijk, zijn uitgerust met voorzieningen die moeten beletten dat werknemers deze zones zonder toestemming betreden.
Er moeten adequate maatregelen worden getroffen om de werknemers die de gevarenzone mogen betreden, te beschermen.
(De gevarenzones moeten duidelijk zichtbaar en overeenkomstig de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk worden gemarkeerd.) <KB 1997-06-17/46, art. 14, 063; Inwerkingtreding : 29-09-1997>

Art. 41quater. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd bij KB 1993-06-18/32, art. 2, 044; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Vloeren van ruimten moeten vrij zijn van hobbels, putten of gevaarlijke hellingen; zij moeten vast, stabiel en slipvrij zijn.

Art. 41quinquies. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd bij KB 1993-06-18/32, art. 2, 044; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Ramen en bovenlichtvoorzieningen moeten zodanig in combinatie met de uitrusting zijn ontworpen of zijn uitgerust met zodanige voorzieningen dat zij kunnen worden schoongemaakt zonder gevaar voor de werknemers die dit werk verrichten en voor de werknemers die zich in en om het gebouw bevinden.
Deze bepaling is enkel van toepassing op de arbeidsplaatsen die na 31 december 1992 voor de eerste maal worden gebruikt alsmede op de wijzigingen, uitbreidingen, of verbouwingen van op 1 januari 1993 in gebruik zijnde arbeidsplaatsen, die vanaf de laatste genoemde datum worden uitgevoerd.

a) Welputten, regenputten, kommen, vergaarbakken, openingen.

Art. 42. <Zie nota's onder TITEL> De welputten, regenputten, kommen, vaten, vergaarbakken en om het even welke openingen, indien zij voor de arbeiders gevaren bieden, moeten behoorlijk bedekt en met stevig opgestelde leuningen, van minstens een meter hoog, omschut worden.
Hetzelfde geldt voor de deuren, vensters en andere in de muren aangebrachte openingen, waarvan de drempel op minder dan 70 cm boven de vloer langs binnen van het lokaal en op meer dan 1,50 m van de grond langs buiten is gelegen. (Deze bepalingen zijn evenwel niet van toepassing op de openingen in de muren van de gebouwen dienend voor de land-, tuin- en bosbouwondernemingen. In deze ondernemingen zijn de openingen in de muren aan beide zijden voorzien van handvatten of van elk ander toestel dat toelaat er zich aan vast te houden.) <KB 01-07-1966, art. 2>

b) Trappen, bruggetjes, gaanderijen, platformen <KB 14-03-1975, art. 2>

Art. 43. <Zie nota's onder TITEL> <KB 14-03-1975, art. 3> De trappen zijn voorzien van stevige leuningen, aangebracht op een minimumhoogte van 0,75 m en aan de zijde waar er eventueel gevaar tot vallen bestaat.
Als de trappen breder zijn dan 1,50 m of als er aan beide kanten gevaar tot vallen bestaat, zijn aan beide kanten leuningen aangebracht.
De verplaatsbare trappen steunen zo dat ze niet kunnen omvallen of glijden. De lengte ervan is voldoende en de nodige maatregelen worden genomen om het personeel in staat te stellen in alle veiligheid van die trappen op de vloeren, waartoe ze toegang verlenen, te gaan of, omgekeerd, van die vloeren op de trappen.
De bruggetjes, gaanderijen en andere gelijkaardige verkeersmiddelen, alsmede de werksteigers mogen niet schommelen onder de invloed van de last; ze zijn voorzien van leuningen van ten minste 1 m hoog.

c) Ladders. <KB 14-03-1975, art. 4>

Art. 43bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 14-03-1975, art. 4> Het voor het vervaardigen van ladders gebruikte hout is van goede hoedanigheid, heeft lange vezels, is in volmaakte staat van bewaring, vrij van kloven of gebreken die de weerstand ervan kunnen verminderen.
De afstand tussen de sporten is dezelfde over de gehele lengte van de ladder. De afmetingen van de sporten zijn toereikend om er de voeten in alle veiligheid op te steunen.
Genagelde sporten zijn slechts toegelaten als ze rusten in groeven van voldoende diepte, in de bomen aangebracht. De ronde sporten zijn zodanig vastgehecht dat ze niet kunnen draaien in de bomen.
De ladders zijn opgesteld en hebben zulk een lengte dat het personeel in alle veiligheid van die ladders op de vloeren of stellingen, waartoe ze toegang verlenen, kan gaan of, omgekeerd, van die vloeren of stellingen op de ladders.
De ladders waarop het personeel kan verplicht zijn te gaan, te werken of te staan, bieden in al de delen ervan de vereiste stevigheids-, stabiliteits- en rigiditeitswaarborgen, rekening houdend met de lasten en spanningen waaraan ze kunnen zijn onderworpen.
Er zijn er ten minste twee daar waar het personeel tegelijkertijd omhoog en omlaag gaat.
Ze steunen zo dat ze niet kunnen omvallen.
Het glijden van de voeten van de ladders wordt belet, hetzij door het vastmaken van het bovenste of onderste gedeelte van de bomen, hetzij door gelijk welke antislipinrichting of door elke andere oplossing die even doeltreffend is.
De ladders met meer dan 25 sporten worden bovenaan vastgemaakt.
De hangladders worden met alle vereiste zorg bevestigd en zo dat het schommelen belet wordt.
Elk overdreven doorbuigen van de ladders wordt verhinderd.
De voet van de ladders rust op een voldoend weerstandbiedend oppervlak. Hij is gevrijwaard tegen elke stoot waardoor een ongeval kan veroorzaakt worden. Het verkeer aan de voet van de ladders en elke verrichting, welke een schok kan veroorzaken, waardoor ze kunnen verplaatst, worden belet.
Het is verboden de ladders op een van hun sporten te doen dragen, tenzij deze sport stevig genoeg is en zo in de bomen gevestigd is, dat zij niet kan draaien.
De uitspreiding van een dubbele ladder is behouden door twee uitspreidingsstaven of touwen met voldoende doorsnede, vastgemaakt aan de twee bomen van elke ladder.
De scharnieren bovenaan bieden alle veiligheidswaarborgen en worden geregeld nagezien.
De ladders worden goed onderhouden en op geregelde tussenpozen nagezien door een bevoegd persoon.
Het is verboden ladders te gebruiken, waaraan een sport ontbreekt of waarvan een sport gebroken, gespleten of los is. De defecte ladders worden onmiddellijk hersteld of vernietigd.
De ladders, gebruikt voor het werk bepaald in artikel 525 van dit reglement, worden slechts dan beschouwd als voldoende veiligheidswaarborgen biedend als:
1° ze voor de voeten een steun bieden waarvan de diepte vermeerderd met de vrije ruimte achter deze steun ten minste gelijk is aan 0,115 m en waarvan de breedte ten minste gelijk is aan 0,25 m;
2° ze voor de handen een stevige steun bieden;
3° ze onder het dek niet meer inspringen dan redelijkerwijze nodig is om de luikgaten niet te belemmeren;
4° ze in dezelfde richting verlengd zijn met inrichtingen die een stevige steun voor handen en voeten bieden en op de luikhoofden geplaatst zijn (bij voorbeeld klampen);
5° de inrichtingen waarvan sprake in 4° voor de voeten een steun bieden waarvan de diepte vermeerderd met de vrije ruimte achter deze inrichtingen ten minste gelijk is aan 0,115 m voor een breedte van ten minste 0,25 m;
6° ingeval er afzonderlijke ladders aangebracht zijn tussen de lager gelegen dekken, die ladders in de mate van het mogelijke in een lijn liggen met de ladder die van het bovendek vertrekt.
Als de ladders gebruikt worden in een onoverdekt schip, moet de ondernemer van het werk die ladders verstrekken. Ze zijn aan het bovenste gedeelte voorzien van haken of andere inrichtingen die toelaten ze stevig te bevestigen.

Afdeling IV - (Behandeling, vervoer en opslag van voorwerpen binnen de inrichting.) <KB 1993-06-18/32, art. 3, 044; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

Art. 44. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 066; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

Art. 44bis. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/44, art. 15, 067; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

Art. 44ter. <Zie nota's onder TITEL> <KB 02-02-1976, art. 2>
44ter 1. Het is verboden zich onder enige last te begeven opgeheven door middel van een of meerdere dommekrachten, vijzels of gelijkaardige toestellen, tenzij de last ondersteund is door een stabiele inrichting die niet kan inzakken.
44ter 2. De oppervlakken waarop elke dommekracht, vijzel of gelijkaardig toestel steun vindt, zowel erboven als eronder, moeten het omkantelen of het wegglijden ervan beletten en de volledige stabiliteit ervan verzekeren onder normale gebruiksomstandigheden.

Art. 44quater. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd bij KB 1993-06-18/32, art. 3, 044; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Wegen, met inbegrip van trappen, vaste ladders en laadplatforms, moeten zodanig zijn gelegen en berekend dat zij gemakkelijk, veilig en overeenkomstig hun bestemming door voetgangers of voertuigen kunnen worden gebruikt, en de werknemers die in de buurt van die wegen werken, geen enkel riscio lopen.
Bij het bepalen van de afmetingen van voor verkeer van personen of goederen bestemde wegen, moet uitgegaan worden van het mogelijke aantal gebruikers en het soort van onderneming.
Wanneer op de wegen transportmiddelen worden gebruikt, moet er een voldoende veilige afstand voorzien worden voor de voetgangers.
(De voor voertuigen bestemde wegen moeten op voldoende afstand van deuren, poorten, doorgangen voor voetgangers, gangen en trappen liggen.
Wanneer het gebruik en de uitrusting van de plaatsen zulks vereisen om de bescherming van de werknemers te garanderen, dient het tracé van de wegen duidelijk en overeenkomstig de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk te zijn afgebakend.) <KB 1997-06-17/46, art. 15, 063; Inwerkingtreding : 29-09-1997>

Art. 44quinquies. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd bij KB 1993-06-18/32, art. 3, 044; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Roltrappen en rolpaden moeten veilig functioneren.
Ze zijn uitgerust met de noodzakelijke veiligheidsvoorzieningen.
Zij moeten gemakkelijk herkenbare en toegankelijke noodstopvoorzieningen hebben.

Art. 44sexies. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd bij KB 1993-06-18/32, art. 3, 044; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De laadplatforms moeten zijn afgestemd op de afmetingen van de te vervoeren ladingen.
Laadplatforms moeten over ten minste een uitgang beschikken.
Voor zover dat technisch mogelijk is, moeten laadplatforms die een bepaalde lengte overschrijden, aan beide uiteinden een uitgang hebben.
Laadplatforms moeten, binnen de grenzen van het mogelijke, een zodanige veiligheid bieden dat de werknemers niet kunnen vallen.

Art. 44septies. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1997-06-17/46, art. 16, 063; Inwerkingtreding : 29-09-1997> In de onmiddellijke nabijheid van poorten die hoofdzakelijk voor het verkeer van voertuigen zijn bestemd, moeten zich, tenzij de doorgang voor voetgangers veilig is, deuren voor voetgangers bevinden die voortdurend vrij moeten blijven en die duidelijk zichtbaar en overeenkomstig de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk gemarkeerd zijn.

Art. 44octies. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd bij KB 1993-06-18/32, art. 3, 044; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Voor de arbeidsplaatsen die reeds vóór 1 januari 1993 in gebruik werden genomen en die niet aanzienlijk werden verbouwd na 31 december 1992, is het toegelaten de veiligheid van de wegen te verzekeren door aangepaste maatregelen, andere dan deze voorzien in artikel 44quater en artikel 44septies.

Art. 45. <Zie nota's onder TITEL> Er zullen noodzakelijke voorzorgen worden genomen ten einde op de vervoerswegen ongevallen te verhinderen.
De sporen en zijsporen zullen op een vaste grond worden aangelegd.
Ten minste langs één zijde van de sporen zal er tussen de weg en de wanden van de voertuigen een vrije ruimte van 50 cm breedte bestaan, tenzij er op elke tien meter schuilplaatsen van 50 cm diepte op 60 cm breedte voorhanden zijn.
De wegen langs de sporen zullen goed onderhouden en vrijgehouden worden om elke versperring te vermijden waardoor ongevallen zouden kunnen gebeuren. Er zal generlei opslagplaats van (materiaal of van om het even) welke voorwerpen ook op minder dan 50 cm afstand van de wanden der voertuigen mogen aangelegd worden. <R 06-07-1946, art. 4 en bijl.>
De draaiende platen en andere dergelijke toestellen zullen buiten de rangeerverrichtingen goed vastgezet worden.

Art. 46. <Zie nota's onder TITEL> De voertuigen en de remmen er van zullen steeds in goede staat van werking worden gehouden.
Elk voertuig dat beschadigd werd en waardoor er een ongeval zou kunnen gebeuren, zal onmiddellijk aan het verkeer worden onttrokken.
(De treinen zullen een voldoend aantal wagens met remmen bevatten en deze zullen doelmatig over de lengte van de trein verdeeld zijn om het convooi met de gewenste spoed te kunnen doen stoppen.) <R 06-07-1946, art. 4 en bijl.>
De voertuigen waarop een remmer moet plaats nemen zullen voorzien zijn van een platform of van een andere inrichting waarop hij in volle veiligheid zal kunnen staan.
De voertuigen met beweeglijke bakken zullen derwijze gebouwd worden dat zij niet onverwachts kunnen omslaan.

Art. 47. <Zie nota's onder TITEL> <KB 10-06-1952, art. 3> De niet van remmen voorziene voertuigen mogen slechts tot staan gebracht worden met goed zichtbare remschoenen of klemmen met handvatten.
Deze toestellen worden in voldoend aantal ter beschikking van het personeel gesteld, op behoorlijk gekozen plaatsen langs de sporen. Hefbomen, knuppels of andere voorwerpen mogen niet als remmen worden aangewend en mogen niet tijdens het rijden tussen de spaken van de wielen gestoken worden.
De rijtuigen die geladen of gelost worden, worden onbeweeglijk gemaakt met behulp van remmen, remschoenen of klemmen, met uitsluiting van alle andere niet daartoe speciaal bestemde voorwerpen.
Het is verboden rijtuigen, waarop of waaromtrent personeel aan het werk is, hetzij rechtstreeks, hetzij door stoten, in beweging te brengen zonder voorafgaande verwittiging.
Op de hellende vlakken, wordt gebruik gemaakt van remmen met doelmatige en zoveel mogelijk geleidelijk toenemende werking.
De rijtuigen worden voorzien van een automatisch remtoestel en van een koppeling, waardoor elk gevaar voor toevallig loskomen vermeden wordt.

Art. 48. <Zie nota's onder TITEL> <KB 10-06-1952, art. 4> Het is verboden het personeel tussen de rijtuigen van een trein te laten gaan, vooraleer deze volledig stilstaat.
De aangestelden voor het kantelen, waken er over dat niemand kan getroffen worden door de kantelende rijtuigen of door de uitgestorte materialen.
Een aangestelde baanopzichter geeft de nodige signalen op de overwegen van het verkeer en langs de baan, wanneer de treinen achteruitgedreven worden.
Het is verboden een rijtuig achteruit te drijven door een stuk hout of metaal, dat van het rijtuig, door te vallen, glijden of breken kan losraken, tussen dit rijtuig en de locomotief te plaatsen.
Goed zichtbare opschriften vestigen de aandacht op de plaatsen waar ongevallen kunnen gebeuren en het naderen van voertuigen wordt er door op een voldoende afstand waarneembare signalen aangekondigd.
De vertrek- en aankomstpunten der hellende vlakken worden van een doeltreffend signalisatiestelsel voorzien, waarvan de werking automatisch of door een daartoe aangestelde persoon wordt verzekerd.
Zodra de nacht valt en bij mist, dragen de locomotieven of de rollende treinen een wit licht langs vóór en een rood licht langs achter. De aanhakers en wisselwachters worden bovendien voorzien van handlantaarns.

Art. 49. <Zie nota's onder TITEL> De voertuigen mogen niet dienen om het personeel te vervoeren tenzij deze voor dit gebruik speciaal zijn ingericht.
Elk vervoer van personen per luchtbak is ten strengste verboden, met uitzondering voor het smeren en het nakijken van de lijn.
In dergelijk geval zullen er voorzorgen worden genomen om elk losgaan van de bak onmogelijk te maken.
Het afrijden zal slechts mogen geschieden na waarschuwing en toelating van de eindstations en tussenstations.
Het vervoer van het personeel op voertuigen van de hellende vlakken of door middel van de voor het vervoer van wagentjes met materiaal bestemde hijstoestellen is verboden, tenzij er met het oog op dit vervoer bijzondere maatregelen werden getroffen.
Het verkeer van het personeel langs de hellende vlakken of het oversteken ervan zal tijdens het rijden van de voertuigen verboden zijn.
De werkplekken en de verkeersplaatsen zullen doeltreffend beschermd worden tegen de gevaren die uit het vervoer kunnen ontstaan.

Art. 49bis. (Opgeheven) <KB 1999-05-04/44, art. 15, 067; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

Art. 50. <Zie nota's onder TITEL> Om het instorten van opeengestapelde koopwaren te verhinderen zullen er door de omstandigheden aangewezen voorzorgen genomen worden; de zakken zullen methodisch worden opeengestapeld, hetzij door afwisselende lagen van in de lengte en in de breedte geplaatste zakken, hetzij door opeenvolgende kleiner wordende lagen waardoor een pyramidevorm verkregen wordt.
(Het opeenstapelen en het opslaan van materialen geschieden zodanig dat de stabiliteit verzekerd is.) <KB 29-01-1971, art. 2>
De opeengestapelde vaten zullen door gepaste middelen worden vastgezet.
(alinea opgeheven) <KB 29-01-1971, art. 3>

Art. 51. <Zie nota's onder TITEL> Er zullen speciale maatregelen getroffen worden om de ongevallen te vermijden welke door het vervoer van bijtende, brandende of schadelijke stoffen zouden kunnen veroorzaakt worden.

Art. 51bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 01-07-1966, art. 3> De bepalingen van de artikelen 45 tot 49 zijn in de land-, tuin- en bosbouwondernemingen slechts toepasselijk op het vervoer per spoor binnen de lokalen.

Afdeling IVbis. <Ingevoegd bij KB 1993-06-18/32, art. 4, 044; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Arbeidsplaatsen in open lucht.

Art. 51ter1. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd bij KB 1993-06-18/32, art. 4, 044; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Werkposten, wegen en andere lokaties of installaties in de open lucht die zich op het bedrijfsterrein bevinden waar werknemers werkzaam zijn, moeten zodanig zijn ontworpen of aangepast dat het verkeer van voetgangers en voertuigen er veilig kan plaatsvinden.

Art. 51ter2. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd bij KB 1993-06-18/32, art. 4, 044; Inwerkingtreding : 01-01-1993> § 1. De voorschriften van de artikelen 44quater, 44quinquies, 44sexies en 44octies zijn eveneens van toepassing op de belangrijkste wegen op het bedrijfsterrein die leiden naar vaste werkposten, op de voor het periodieke onderhoud en de geregelde bewaking van de installaties van de onderneming gebruikte wegen, alsmede op de laadplatforms.
§ 2. Bovendien zijn de bepalingen van artikel 44quater van overeenkomstige toepassing op de arbeidsplaatsen in open lucht.

Art. 51ter3. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd bij KB 1993-06-18/32, art. 4, 044; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Wanneer er onvoldoende daglicht is, worden arbeidsplaatsen in de open lucht behoorlijk verlicht door middel van kunstlicht.

Art. 51ter4. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd bij KB 1993-06-18/32, art. 4, 044; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Wanneer werknemers tewerkgesteld zijn op werkposten in de open lucht worden deze, in de mate van het mogelijke, zodanig ingericht dat de betrokken werknemers :
- beschermd zijn tegen ongunstige weersomstandigheden en, zo nodig, tegen vallende voorwerpen;
- niet zijn blootgesteld aan schadelijke geluidsniveaus noch aan schadelijke invloeden van buiten van bijvoorbeeld gas, stoom, stof;
- bij gevaar hun werkpost snel kunnen verlaten of snel kunnen worden geholpen;
- niet kunnen uitglijden of vallen.

Afdeling IVter. <Ingevoegd bij KB 1993-06-18/32, art. 4, 044; Inwerkingtreding : 01-01-1993> _ Stabiliteit en stevigheid van de gebouwen.

Art. 51ter5. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd bij KB 1993-06-18/32, art. 4, 044; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De gebouwen waarin zich arbeidsplaatsen bevinden, moeten structuren hebben en een stevigheid vertonen die zijn afgestemd op het gebruik dat ervan wordt gemaakt, in overeenstemming met de regels van goed vakmanschap.

Afdeling V _ Voorzorgen tegen brandgevaar, ontploffingen en de toevallige ontsnapping van schadelijke of ontvlambare gassen

Art. 52. <Zie nota's onder TITEL> <KB 10-05-1968, art. 1> <Dit artikel werd in fiktieve artikelen onderverdeeld : 1M52 - 4M52>
52.1.
Algemeenheden.
52.1.1.
Onverminderd de andere wettelijke of reglementaire bepalingen ter zake, en onverminderd de bijzondere voorwaarden die bij de vergunningsbesluiten waarvan sprake in titel I van dit reglement kunnen opgelegd worden:
neemt de werkgever de nodige maatregelen door de omstandigheden aangewezen om:
a) brand te voorkomen;
b) ieder begin van brand snel en doeltreffend te bestrijden;
c) in geval van brand:
_ te waarschuwen en alarm te geven;
_ de veiligheid van de personen te verzekeren en zo nodig voor hun snelle en gevaarloze ontruiming te zorgen;
_ onmiddellijk de gemeentelijke of gewestelijke brandweer te verwittigen.
52.1.2.
De graad van weerstand tegen brand bedoeld in dit reglement is bepaald bij de norm NBN 713.020/1968 betreffende de weerstand tegen brand van de bouwelementen.
52.1.3.
Op aanvraag van de burgemeester of de bevoegde ambtenaar, is de werkgever verplicht het bewijs te leveren dat de bepalingen van de artikelen 52.3. en 52.7. nageleefd zijn wat het gedrag bij brand van bouwelementen betreft (kolommen en balken van het geraamte, muren, wanden, vloeren, zolderingen, valse zolderingen, trappen, deuren).
Indien hij dat bewijs niet kan leveren, is hij verplicht een schriftelijke en door hem ondertekende beschrijving te geven van de samenstelling van elk van de bouwelementen waarvoor het voormelde bewijs niet kan geleverd worden.) <KB 7 mei 1971, art. 1>
52.2.
Classificatie.
Voor de toepassing van de bepalingen van dit artikel, worden de lokalen in drie groepen ingedeeld:
52.2.1.
De eerste groep omvat de lokalen waarin opgestapeld of dagelijks aangewend worden:
52.2.1.1.
ontvlambare vloeistoffen waarvan het ontvlammingspunt lager is dan of gelijk is aan 21° C, in een hoeveelheid die groter is dan of gelijk is aan 50 l, met uitzondering van de ontvlambare vloeistoffen die zich in de voedingshouders van voertuigen bevinden;
52.2.1.2.
ontvlambare vloeistoffen waarvan het ontvlammingspunt groter is dan 21° C maar geen 50° C overtreft, in een hoeveelheid die groter is dan of gelijk is aan 500 l;
52.2.1.3.
zeer ontvlambare vaste stoffen of stoffen die, wanneer ze in aanraking komen met water, brandbare gassen vrijmaken, in een hoeveelheid die groter is dan of gelijk is aan 50 kg, zoals celluloide, calciumcarbide, magnesium en natrium;
52.2.1.4.
brandbare samengeperste, vloeibaar gemaakte of opgeloste gassen, in een hoeveelheid die groter is dan of gelijk is aan 300 l, dit volume zijnde het waterinhoudsvermogen van de recipiënten waarin ze zijn opgeslagen.
De eerste groep omvat eveneens:
52.2.1.5.
de lokalen waarin een ontplofbare atmosfeer kan ontstaan tijdens de normale werking van de installaties;
52.2.1.6.
(in de winkels voor kleinhandel, de verkooplokalen evenals de eraan grenzende lokale die als warenopslagplaats dienen en die samen een totale oppervlakte hebben gelijk is aan of groter dan 2 000 m2, de oppervlakte ingenomen door toonbanken en andere meubelen inbegrepen.) <KB 1992-07-10/31, art. 1, 040; Inwerkingtreding : 1992-08-14>en van de winkels voor kleinhandel opgenomen in de lijst van de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen, evenals de lokalen die grenzen aan de verkooplokalen en als warenopslagplaats dienen;
52.2.2.
De tweede groep omvat de lokalen waarin (opgestapeld) of dagelijks aangewend worden: <KB 07-05-1971, art. 2>
52.2.2.1.
ontvlambare vloeistoffen waarvan het ontvlammingspunt groter is dan 50° C maar 100° C niet overtreft, in een hoeveelheid die groter is dan of gelijk is aan 3 000 l;
52.2.2.2.
stoffen die kunnen branden wanneer ze in aanraking komen met een vlam en de brand snel kunnen doen uitbreiden, in een hoeveelheid die groter is dan of gelijk is aan 1 000 kg, zoals katoenweefsels, papierafval, droog stro, vette vodden;
52.2.2.3.
vaste stoffen die snel kunnen branden en onder invloed van de warmte giftige gassen of belangrijke hoeveelheden rook kunnen voortbrengen, zoals sommige weefsels en voorwerpen in synthetische stoffen, in een hoeveelheid die groter is dan 1 000 kg;
52.2.2.4.
vaste brandbare stoffen, zoals riemen of rollen papier, karton, natuurlijke- of kunstrubber, bewerkt of niet, stoffen, andere dan deze in wol en die niet elders vermeld zijn, textielvezels andere dan wol, in een hoeveelheid die groter is dan 10 000 kg.
52.2.3.
de derde groep omvat de andere lokalen.

Art. 1M52. <Zie nota's onder TITEL> 52.3. (Bouw.
52.3.1.
Eerste groep _ Op 1 juni 1972 bestaande of in opbouw zijnde gebouwen.
52.3.1.1.
De lokalen van de eerste groep ingericht in deze gebouwen beantwoorden aan de volgende voorschriften:
a) de trappen, muren, wanden, vloeren, zolderingen en valse zolderingen van deze lokalen hebben een graad van weerstand tegen brand van ten minste een half uur of zijn gebouwd uit metselwerk, beton of andere onbrandbare materialen.
De vorige bepalingen zijn niet van toepassing op het dakwerk, noch in het algemeen, als de veiligheid tegenover andere zeer ernstige risico's het vereist;
b) deuren met een graad van weerstand tegen brand van ten minste en half uur, zijn aangebracht in de deuropeningen van de muren en wanden die de lokalen van de eerste groep scheiden van de rest van het gebouw.
Deuren uit hout en aan weerszijden bedekt met staalplaat zijn toegelaten.
Deze deuren sluiten automatisch. Ze zijn van geen enkel toestel voorzien dat het mogelijk maakt ze in geopende stand vast te zetten. Het is in alle omstandigheden verboden ze in open stand te houden.
In de winkels voor kleinhandel, (bedoeld in artikel 52.2.1.6.), zijn de voorgaande bepalingen bovendien van toepassing op de deuropeningen van de muren en wanden die de verkooplokalen scheiden van de lokalen die grenzen aan de verkooplokalen en als warenopslagplaats dienen. <KB 1992-07-10/31, art. 2, 040; Inwerkingtreding : 1992-08-14>
52.3.1.2.
In de winkels voor kleinhandel, (bedoeld in artikel 52.2.1.6. en die) ten minste drie verdiepingen boven de benedenverdieping tellen: <KB 1992-07-10/31, art. 3, 040; Inwerkingtreding : 1992-08-14>
a) is elke niet-mechanische trap, nodig om te voldoen aan de bepalingen opgenomen in 52.5., ingericht in een trappenhuis van het gebouw gescheiden door muren uit metselwerk of beton zonder enige andere opening dan de toegangsopeningen;
b) is elke personen-, goederen-, dossier- en bordenlift ingericht in een koker die volledig gesloten is, de toegangsopeningen uitgezonderd. De muren van de koker zijn gebouwd uit metselwerk of beton.
Als meerdere personen-, goederen-, dossier- of bordenliften in een batterij gegroepeerd zijn, dan moet niet elk van deze toestellen ingesloten zijn in een koker zoals bepaald bij vorig lid, op voorwaarde dat de batterij en haar borderessen het zijn;
c) zijn de toegangen tot deze trappenhuizen en kokers voorzien van deuren met een graad van weerstand tegen brand van ten minste een half uur.
Deuren uit hout en aan weerszijden bedekt met staalplaat zijn toegelaten.
d) sluiten de deuren van de trappenhuizen automatisch en zijn ze van geen enkel toestel voorzien dat het mogelijk maakt ze in geopende stand vast te zetten. Het is in alle omstandigheden verboden ze in open stand te houden;
e) de bepalingen opgenomen in 3.1.2. zijn niet van toepassing op de trappen die de verscheidene niveaus van eenzelfde verdieping verbinden.
52.3.2. Tweede groep _ Op 1 juni 1972 bestaande of in opbouw zijnde gebouwen.
De lokalen van de tweede groep opgericht in deze gebouwen beantwoorden aan de volgende voorschriften:
trappen, muren en wanden van deze lokalen hebben een graad van weerstand tegen brand van ten minste een half uur of zijn gebouwd uit metselwerk, beton of andere onbrandbare materialen.
Dit geldt eveneens voor de vloeren en zolderingen van die lokalen als ze respectievelijk boven of onder andere lokalen gelegen zijn.
De vorige bepalingen zijn niet van toepassing als de veiligheid tegenover andere zeer ernstige risico's het vereist.
52.3.3. Eerste groep _ Gebouwen waarvan de bouw is aangevangen na 1 juni 1972.
52.3.3.1.
De lokalen van de eerste groep moeten gelegen zijn in gebouwen, waarvan de dragende elementen, muren, wanden, vloeren, zolderingen, valse zolderingen en trappen voldoen aan de volgende bepalingen:
a) de dragende elementen (dragende muren en dragende vloeren, kolommen en balken van het geraamte) hebben een graad van weerstand tegen brand van ten minste twee uur.
Deze bepaling is niet van toepassing op de dragende elementen van gebouwen zonder verdieping.
De dragende elementen van gebouwen met slechts een verdieping boven de benedenverdieping hebben een graad van weerstand tegen brand van ten minste een half uur;
b) de muren, wanden, vloeren en zolderingen die geen dragende elementen zijn, en de balken van het dakwerkgeraamte, hebben een graad van weerstand tegen brand van ten minste een half uur;
c) de valse zolderingen zijn onbrandbaar of op beide zijden bedekt met een onbrandbare bekleding en hun ophangingselementen zijn onbrandbaar;
d) de trappen zijn uit metselwerk, beton of andere onbrandbare materialen.
De vorige bepalingen zijn niet van toepassing als de veiligheid tegenover andere zeer ernstige risico's het vereist.
Als het gedeelte van het gebouw, dat de lokalen van de eerste groep omvat, van de rest van het gebouw gescheiden is door muren, wanden, vloeren en zolderingen, die geen enkele opening vertonen of slechts openingen vertonen afgesloten door een veiligheidsas, voorzien van twee deuren met elk een graad van weerstand tegen brand van ten minste een half uur en ten minste twee meter van elkaar verwijderd, moet alleen dit gedeelte voldoen aan de bepalingen van het eerste lid.
De muren, wanden, vloeren en zolderingen, die de scheiding en de sassen vormen, hebben een graad van weerstand tegen brand van ten minste twee uur.
De deuren van de sassen, sluiten automatisch. Ze zijn van geen enkel toestel voorzien dat het mogelijk maakt ze in geopende stand vast te zetten. Het is in alle omstandigheden verboden ze in open stand te houden.
52.3.3.2.
De lokalen van de eerste groep zijn van de rest van het gebouw gescheiden door muren, wanden, vloeren en zolderingen, met een graad van weerstand tegen brand van ten minste een uur, en waarin enkel de openingen onontbeerlijk voor de exploitatie en voor de veiligheid aangebracht zijn.
52.3.3.3.
Deuren met een graad van weerstand tegen brand van ten minste een half uur, zijn aangebracht in de deuropeningen van de muren en wanden bedoeld in de bepalingen opgenomen in 3.3.2.
Deze deuren sluiten automatisch. Ze zijn van geen enkel toestel voorzien dat het mogelijk maakt ze in geopende stand vast te zetten. Het is in alle omstandigheden verboden ze in open stand te houden.
(In de winkels voor kleinhandel, ((bedoeld in artikel 52.2.1.6.)), zijn de bepalingen van het eerste en tweede lid bovendien van toepassing op de deuropeningen van de muren en wanden die de verkooplokalen scheiden van de eraan grenzende lokalen die als warenopslagplaats dienen.) <KB 17-07-1972, art. 1> <KB 1992-07-10/31, art. 2, 040; Inwerkingtreding : 1992-08-14>
52.3.3.4.
In winkels voor kleinhandel, (bedoeld in artikel 52.2.1.6. en die) ten minste drie verdiepingen boven de benedenverdieping tellen: <KB 1992-07-10/31, art. 2, 040; Inwerkingtreding : 1992-08-14>
a) is elke niet-mechanische trap, nodig om te voldoen aan de bepalingen opgenomen in 52.5., ingericht in een trappenhuis, van het gebouw gescheiden door muren zonder enige andere opening dan de toegangsopeningen. Deze muren hebben een graad van weerstand tegen brand van ten minste twee uur;
b) is elke personen-, goederen-, dossier- en bordenlift ingericht in een koker die volledig gesloten is, de toegangsopeningen uitgezonderd. De muren van de koker hebben een graad van weerstand tegen brand van ten minste twee uur.
Als meerdere personen-, goederen-, dossier- of bordenliften in een batterij gegroepeerd zijn, dan moet niet elk van deze toestellen ingesloten zijn in een koker zoals bepaald bij vorig lid, op voorwaarde dat de batterij en haar borderessen het zijn;
c) zijn de toegangen tot deze trappenhuizen en kokers voorzien van deuren met een graad van weerstand tegen brand van ten minste een half uur;
d) sluiten de deuren van de trappenhuizen automatisch en zijn ze van geen enkel toestel voorzien dat het mogelijk maakt ze in geopende stand vast te zetten. Het is in alle omstandigheden verboden ze in open stand te houden;
e) zijn de bepalingen opgenomen in 3.3.4. niet van toepassing op de trappen die de verscheidene niveaus van eenzelfde verdieping verbinden.
52.3.4.
Tweede groep _ Gebouwen waarvan de bouw is aangevangen na 1 juni 1972.
52.3.4.1.
De lokalen van de tweede groep moeten gelegen zijn in gebouwen waarvan de dragende elementen en de trappen voldoen aan de volgende bepalingen:
a) de dragende elementen (dragende muren en dragende vloeren, kolommen en balken van het geraamte) hebben een graad van weerstand tegen brand van ten minste twee uur.
Deze bepaling is niet van toepassing op de dragende elementen van gebouwen zonder verdieping.
De dragende elementen van gebouwen met slechts een verdieping boven de benedenverdieping hebben een graad van weerstand tegen brand van ten minste een half uur;
b) de trappen zijn uit metselwerk, beton of andere onbrandbare materialen.
De vorige bepalingen zijn niet van toepassing op het dakwerk noch, in het algemeen, als de veiligheid tegenover andere zeer ernstige risico's het vereist.
Als het gedeelte van het gebouw, dat de lokalen van de tweede groep omvat, van de rest van het gebouw gescheiden is door muren, wanden, vloeren en zolderingen, die geen enkele opening vertonen of slechts openingen vertonen afgesloten door deuren met een graad van weerstand tegen brand van ten minste een half uur, moet alleen dit gedeelte voldoen aan de bepalingen van het eerste lid.
De muren, wanden, vloeren en zolderingen die de scheiding vormen hebben een graad van weerstand tegen brand van ten minste een uur.
De deuren sluiten automatisch. Ze zijn voorzien van geen enkel toestel dat het mogelijk maakt ze in geopende stand vast te zetten. Het is in alle omstandigheden verboden ze in open stand te houden.
52.3.4.2.
De lokalen van de tweede groep zijn van de rest van het gebouw gescheiden door muren, wanden, vloeren en zolderingen met een graad van weerstand tegen brand van ten minste een half uur.) <KB 07-05-1971, art. 3>

Art. 2M52. <Zie nota's onder TITEL> 52.4. Toegang.
52.4.1.
De deuren die naar buiten leiden moeten, wanneer de lokalen bezet zijn, op elk ogenblik kunnen geopend worden met het oog op de ontruiming van de inrichting en de doorgang van de hulpdiensten.
52.4.2.
De private wegen die naar die deuren leiden moeten vrij blijven.
52.5. Uitgangswegen en ontruiming.
52.5.1.
De plaats, de verdeling en de breedte van de trappen, uitgangswegen, uitgangen, deuren en wegen die er naartoe leiden moeten een snelle en gemakkelijke ontruiming van de personen toelaten.
In de winkels voor kleinhandel, (bedoeld in artikel 52.2.1.6.), hebben de bovenbedoelde wegen geen gedeelten in zigzag. <KB 1992-07-10/31, art. 2, 040; Inwerkingtreding : 1992-08-14>
52.5.2.
De lokalen die op bovenverdiepingen of in de kelderverdiepingen gelegen zijn moeten door ten minste één trap bediend worden, niettegenstaande het bestaan van elk ander toegangsmiddel.
52.5.3.
De breedte van de trappen, uitgangswegen, uitgangen en wegen die er naar toe leiden moet gelijk zijn aan of groter zijn dan 0,80 m.
De voorgaande bepaling is niet van toepassing op de doorgangen die bestaan tussen de kassa's van de winkels voor kleinhandel, van het type zelfbediening.
(Ze is evenmin van toepassing op de op 1 juni 1972 bestaande of in opbouw zijnde gebouwen, wat de breedte van de trappen betreft. In deze gebouwen moet deze gelijk zijn aan of groter zijn dan 0,70 m.) <KB 07-05-1971, art. 4>
De breedte van de deuren moet gelijk zijn aan of groter zijn dan 0,70 m.
52.5.4.
De uitgangswegen, uitgangen, deuren en wegen die er naartoe leiden moeten een totale breedte hebben die ten minste gelijk is, in centimeters, aan het aantal personen die ze moeten gebruiken om de uitgangen van het gebouw te bereiken.
De trappen moeten een totale breedte hebben die ten minste gelijk is, in centimeters, aan dat getal vermenigvuldigd met 1,25 indien ze afdalen naar de uitgang en vermenigvuldigd met 2 indien ze er naar opstijgen.
Het berekenen van deze breedten moet gesteund zijn op de onderstelling dat, bij het verlaten van het gebouw, alle personen van een verdieping samen de naburige verdieping vervoegen en dat deze al ontruimd is als zij er aankomen.
Onder deze personen worden niet alleen het personeel van de onderneming verstaan maar eveneens de bezoekers, de klanten en de andere personen die deze trappen, uitgangswegen, uitgangen en wegen die er naar toe leiden, moeten gebruiken.
Wanneer het aantal van deze personen niet met voldoende benadering kan vastgesteld worden, stelt het bedrijfshoofd dit aantal onder zijn eigen verantwoordelijkheid vast.
In de winkels voor kleinhandel, (bedoeld in artikel 52.2.1.6.), wordt het aantal van de bij dit artikel bedoelde personen als volgt bepaald: <KB 1992-07-10/31, art. 2, 040; Inwerkingtreding : 1992-08-14>
kelderverdieping: 1 persoon per 6 m2 totale oppervlakte;
gelijkvloers: 1 persoon per 3 m2 totale oppervlakte;
andere verdiepingen: 1 persoon per 4 m2 totale oppervlakte.
52.5.5.
De lokalen van de eerste groep, de lokalen waarin gewoonlijk ten minste honderd personen vertoeven en de verdiepingen waar gewoonlijk ten minste honderd personen vertoeven, moeten ten minste over twee afzonderlijke uitgangen beschikken.
Hetzelfde geldt voor het gelijkvloers en alle verdiepingen van de winkels voor kleinhandel, (bedoeld in artikel 52.2.1.6.). <KB 1992-07-10/31, art. 2, 040; Inwerkingtreding : 1992-08-14>
Deze groep is echter niet van toepassing op de lokalen van de eerste groep die uitsluitend als opslagplaats dienen.
52.5.6.
De verdiepingen waar gewoonlijk ten minste honderd personen vertoeven moeten met het gelijkvloers verbonden zijn door ten minste twee afzonderlijke trappen.
Hetzelfde geldt voor elke verdieping van de winkels voor kleinhandel, (bedoeld in artikel 52.2.1.6.). <KB 1992-07-10/31, art. 2, 040; Inwerkingtreding : 1992-08-14>
52.5.7.
De lokalen waarin gewoonlijk ten minste vijfhonderd personen vertoeven en de verdiepingen waar gewoonlijk ten minste vijfhonderd personen vertoeven moeten ten minste over drie afzonderlijke uitgangen beschikken.
52.5.8.
De verdiepingen waar gewoonlijk ten minste vijfhonderd personen vertoeven moeten met het gelijkvloers verbonden zijn door ten minste drie afzonderlijke trappen.
52.5.9.
Het is verboden om het even welke voorwerpen die de doorgang kunnen belemmeren te plaatsen in de trappen, uitgangswegen, uitgangen, nooduitgangen en wegen die er naar toe leiden of de nuttige breedte ervan te verminderen.
52.5.10.
Wat de op 1 juni 1968 bestaande of in opbouw zijnde gebouwen betreft, moeten buitentrappen of buitenbrandladders aangebracht zijn, wanneer het aantal uitgangen of de afmetingen van de uitgangswegen onvoldoende zijn en het materieel onmogelijk blijkt er binnen het gebouw in te richten.
52.5.11.
(De plaats van elke uitgang en van elke nooduitgang, nodig om te voldoen aan de bepalingen van artikel 52.5., evenals de richting van de wegen, doorlopen en trappen die naar deze uitgangen leiden, worden aangeduid door de reddingsborden die voldoen aan de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk.
In de winkels voor kleinhandel, bedoeld in artikel 52.2.1.6., worden de in voorgaand lid vermelde borden bovendien op de grond of ter hoogte van de grond aangebracht.) <KB 1997-06-17/46, art. 17, 063; Inwerkingtreding : 29-09-1997>
52.5.12.
(a) Uitgangsdeuren van de lokalen van de eerste groep.
Deze deuren moeten in de richting van de uitgang of in beide richtingen opendraaien.
b) Deuren van de nooduitgangen.
De deuren van de nooduitgangen moeten in de richting van de uitgang draaien. Zij mogen niet op zodanige wijze vergrendeld worden dat zij niet gemakkelijk en onmiddellijk kunnen worden geopend door iedereen die ze in geval van nood zou moeten gebruiken.
Schuifdeuren en draaideuren mogen niet als deuren van nooduitgangen gebruikt worden.
Deze bepalingen zijn van toepassing op de gebouwen die in opbouw zijn of gebouwd worden na 1 januari 1993, alsmede op de gebouwen die voor die datum gebouwd zijn en die het voorwerp hebben uitgemaakt van een wijziging, een uitbreiding of een omvorming na 1 januari 1993.
Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op de gebouwen die op 1 januari 1993 in gebruik zijn en waartoe lokalen van de eerste groep behoren of wanneer de kenmerken van de arbeidsplaats, de omstandigheden of een risico zulks vereisen.) <KB 1993-06-18/32, art. 5, 044; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
52.5.13.
De deuren in de uitgangswegen die twee uitgangen verbinden moeten in beide richtingen opendraaien.
52.5.14.
De draaideuren en de draaipaaltjes, zelfs in de binnen gelegen uitgangswegen geplaatst, zijn slechts toegelaten als aanvulling van de deuren en doorgangen die vereist zijn in toepassing van de bepalingen vervat in punt 5 van dit artikel.
52.5.15.
De draaideuren zijn in elk geval verboden in de winkels voor kleinhandel (bedoeld in artikel 52.2.1.6.). <KB 1992-07-10/31, art. 2, 040; Inwerkingtreding : 1992-08-14>
52.5.16.
Elke deur met automatische sluitinrichting die niet gemakkelijk met de hand kan geopend worden, moet uitgerust zijn met een inrichting die zodanig werkt dat, wanneer de energiebron die de deur in werking stelt wegvalt, de deur automatisch opendraait en de totale breedte van de deuropening vrijmaakt.
Het gebruik van automatische schuifdeuren is slechts toegelaten voor de uitgangen die rechtstreeks buiten uitgeven.
De bepalingen van 5.16. zijn niet van toepassing op de branddeuren en op de liftdeuren.
52.5.17.
De vleugels van de glazen deuren moeten een merkteken dragen dat toelaat zich rekenschap te geven van hun aanwezigheid.
52.5.18.
De hellende vlakken waarvan de helling groter is dan tien ten honderd en de mechanisch bewogen trappen (roltrappen) worden niet in aanmerking genomen bij het berekenen van het aantal en de breedte van de trappen die noodzakelijk zijn in toepassing van de bepalingen vervat in punt 5 van dit artikel.
52.5.19.
Iedere trap die mechanisch wordt bewogen moet onmiddellijk kunnen worden stilgelegd door twee bedieningsinrichtingen, de ene aan de bovenzijde en de andere aan de onderzijde van de trap geplaatst.

Art. 3M52. <Zie nota's onder TITEL> 52.6. Gasinstallaties.
52.6.1.
De onontbeerlijke voorzorgen zijn genomen om gaslekken te voorkomen.
52.6.2.
De aanwezigheid van verplaatsbare recipiënten voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen is verboden in de lokalen van de kelderverdiepingen en in deze waarvan de bodem, aan alle zijden lager is dan de omringende bodem van het gebouw, behalve voor toevallige werkzaamheden.
52.6.3.
De verplaatsbare recipiënten voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen die niet in gebruik zijn en de recipiënten die verondersteld worden leeg te zijn, moeten in open lucht of in een doelmatig verlucht en speciaal voor dit gebruik bestemd lokaal, opgeslagen zijn.
52.7.
(Verwarming van de lokalen.) <KB 07-05-1971, art. 5>
(52.7.1.
a) Op 1 juni 1972 bestaande of in opbouw zijnde stookplaatsen.
De muren, wanden, vloeren en zolderingen van de stookplaatsen hebben een graad van weerstand tegen brand van ten minste een uur of zijn gebouwd uit metselwerk, beton of andere onbrandbare materialen.
Als er gebruik gemaakt wordt van vloeibare of gasvormige brandstoffen moet elke verbinding tussen de stookplaats en het gebouw, en tussen de stookplaats en de brandstofopslagplaats, afgesloten zijn door een deur met een graad van weerstand tegen brand van ten minste een half uur.
Deuren uit hout en aan weerszijden bedekt met staalplaat zijn toegelaten.
Die deuren sluiten automatisch. Ze zijn voorzien van geen enkel toestel dat het mogelijk maakt ze in geopende stand vast te zetten. Het is in alle omstandigheden verboden ze in open stand te houden.
De stookplaatsen moeten behoorlijk verlucht zijn.
b) Stookplaatsen waarvan de bouw is aangevangen na 1 juni 1972.
De muren, wanden, vloeren en zolderingen van de stookplaatsen hebben een graad van weerstand tegen brand van ten minste een uur.
Als er gebruik gemaakt wordt van vloeibare of gasvormige brandstoffen, moet elke verbinding tussen de stookplaats en het gebouw, en tussen de stookplaats en de brandstofopslagplaats, afgesloten zijn door een deur met een graad van weerstand tegen brand van ten minste een half uur.
Die deuren sluiten automatisch. Ze zijn voorzien van geen enkel toestel dat het mogelijk maakt ze in geopende stand vast te zetten. Het is in alle omstandigheden verboden ze in open stand te houden.
De stookplaatsen moeten behoorlijk verlucht zijn.) <KB 07-05-1971, art. 6>
52.7.2.
Onverminderd de bepalingen van artikel 65, moeten de verwarmingstoestellen zodanig opgevat en opgesteld zijn dat ze voldoende veiligheidswaarborgen bieden, rekening gehouden met de plaatselijke omstandigheden.
52.7.3.
(De schoorstenen en rookgangen van de verwarmingstoestellen moeten gebouwd zijn uit onbrandbare materialen en behoorlijk onderhouden worden.) <KB 07-05-1971, art. 7>
52.7.4.
(De warmtegeneratoren, de schoorstenen en de rookgangen moeten op een voldoende afstand van brandbare stoffen en materialen opgesteld zijn of er zodanig van afgezonderd zijn dat brandgevaar voorkomen wordt.) <KB 07-05-1971, art. 8>
52.7.5.
De warmtegeneratoren met automatisch aansteekmechanisme die vloeibare of een gasvormige brandstof gebruiken, moeten zodanig uitgerust zijn, dat de brandstoftoevoer automatisch afgesneden wordt in de volgende gevallen:
_ bij het al dan niet automatisch stilvallen van de brander;
_ van zodra de vlam toevallig uitdooft;
_ van zodra er overhitting of overdruk in de wisselaar voorkomt;
_ in geval van onderbreking van de elektrische stroom, voor de warmtegeneratoren die vloeibare brandstoffen gebruiken.
52.7.6.
De verwarmingsinstallaties met warme lucht moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
52.7.6.1.
De temperatuur van de lucht mag op de verdelingspunten 80° C niet overschrijden;
52.7.6.2.
De aanvoerkanalen van warme lucht moeten volledig uit onbrandbare materialen vervaardigd zijn;
52.7.6.3.
(Als de warmeluchtgenerator zich in een stookplaats bevindt:
a) mag de te verwarmen lucht niet opgezogen worden in deze stookplaats, noch in zijn aanhorigheden;
b) moeten de openingen voor het aanzuigen of voor het terug aanzuigen van de lucht voorzien zijn van doeltreffende stoffilters die geen brandbare dampen kunnen vrijmaken;) <KB 07-05-1971, art. 9>
52.7.6.4.
Wanneer de lucht rechtstreeks in de generator wordt verwarmd dan moet de druk van de warme lucht in de generator altijd hoger zijn dan deze van de gassen die doorheen de vuurhaard trekken.
52.7.7.
(In de lokalen met warme lucht verwarmd door een generator met rechtstreekse warmtewisseling, moet een inrichting automatisch de ventilator en de generator stilleggen in geval van abnormale stijging van de temperatuur van de warme lucht. Als de warmeluchtgenerator zich in een stookplaats bevindt, moet die inrichting aangevuld zijn met een handbediening buiten deze stookplaats aangebracht.
Deze laatste bepaling is niet van toepassing op de generatoren met rechtstreekse warmtewisseling die elektrisch verwarmd worden.) <KB 07-05-1971, art. 10>
52.8.
Voorkoming van brand.
52.8.1.
(Het lassen en snijden met de brander of de elektrische boog zijn verboden) aan de recipiënten die ontvlambare vloeistoffen of gassen, calciumcarbide of dergelijke produkten inhouden of hebben ingehouden, tenzij de noodzakelijke voorzorgen worden genomen zodat deze recipiënten geen enkel spoor van die produkten meer bevatten. <KB 20-06-1975, art. 2>
52.8.2.
In de lokalen waarin een ontplofbare atmosfeer kan optreden zijn de aangepaste maatregelen genomen om het vormen van vonken en van gevaarlijke ladingen statische elektriciteit te voorkomen.
52.8.3.
In de lokalen waarin een ontplofbare atmosfeer kan voorkomen, is het verboden te roken, vuur te maken, te lassen met de boog of met de brander, zich van andere lampen te bedienen dan veiligheidslampen, te werken met werktuigen die vonken kunnen voortbrengen of de lokalen binnen te treden met schoenen die met ijzer zijn beslagen of met schoenen die uit elektrisch oogpunt te volledig geisoleerd zijn.
52.8.4.
Wanneer de uitvoering van het werk het gebruik van ontvlambare of giftige vloeistoffen of gassen noodzakelijk maakt, moeten de hoeveelheden van die vloeistoffen en gassen die zich in de werkplaatsen bevinden beperkt worden tot het strikte minimum. Die vloeistoffen en gassen moeten opgeslagen zijn in onbreekbare recipiënten die hermetisch kunnen gesloten worden.
(In de laboratoria is het gebruik van glazen recipiënten met een waterinhoudsvermogen van ten hoogste drie liter evenwel toegelaten.) <KB 07-05-1971, art. 11>
52.8.5.
Het is verboden ontvlambare of gemakkelijk brandende stoffen, recipiënten die ontvlambare stoffen bevatten of bevat hebben of recipiënten die samengeperste, vloeibaar gemaakte of opgeloste gassen bevatten, in de nabijheid te plaatsen van om het even welke vuurhaard of warmtebron, tenzij men er toeverplicht is en op voorwaarde dat de voorzorgen die de omstandigheden vereisten, zijn genomen.
52.8.6.
Het is verboden in de lokalen reinigingsvodden en afval die spontaan of gemakkelijk kunnen ontvlammen, te laten ophopen.
Zij moeten geplaatst worden in aangepaste metalen recipiënten die voorzien zijn van deksels, of ter zijde gelegd worden zodanig dat elk brandgevaar uitgeschakeld wordt.
De afval moet zo dikwijls als nodig is verwijderd worden.
52.8.7.
In de winkels voor kleinhandel (bedoeld in artikel 52.2.1.6.) moeten de gordijnen en andere loshangende voorwerpen die voor de versiering gebruikt worden vervaardigd zijn uit onbrandbare materialen ofwel onbrandbaar gemaakt zijn. <KB 1992-07-10/31, art. 2, 040; Inwerkingtreding : 1992-08-14>
In de verkooplokalen en in de hieraan belendende lokalen die als warenopslagplaats dienen, is het verboden te roken, vuur te maken, demonstraties te houden waarbij gebruik wordt gemaakt van vuur, vlammen of brandende voorwerpen.
(Het rookverbod geldt niet in de restaurants, kapperssalons en andere dergelijke lokalen van die winkels, op voorwaarde dat ze van de andere verkooplokalen duidelijk gescheiden zijn door muren of wanden.) <KB 07-05-1971, art. 12>
52.8.8.
Elke opslagplaats van vloeibare brandstoffen of van vloeibaar gemaakte petroleumgassen is buiten de werklokalen ingericht.
52.8.9.
(De ovens, drooginstallaties, droogovens en andere installaties die warmte voortbrengen of uitstralen, op een andere wijze dan door middel van warm water of stoom, moeten uit onbrandbare materialen vervaardigd zijn en behoorlijk onderhouden worden. Ze moeten op een voldoende afstand van brandbare stoffen en materialen opgesteld zijn of er zodanig van afgezonderd zijn dat brandgevaar voorkomen wordt.) <KB 07-05-1971, art. 13>

Art. 4M52. <Zie nota's onder TITEL> 52.9. Brandbestrijdingsmiddelen.
52.9.1.
De werkgever moet een uitrusting aanbrengen die voldoende is en aangepast is aan de omstandigheden om brand te bestrijden.
(Voor de vaststelling van die uitrusting raadpleegt hij de bevoegde brandweer:
a) als hij ten minste 50 werknemers tewerkstelt in eenzelfde gebouw of in verscheidene naburige gebouwen die een geheel vormen;
b) of als het gebouw of het gedeelte van het gebouw dat hij bezet, een lokaal van de eerste groep bevat.) <KB 20-09-1974, art. 1>
52.9.2.
(Het brandbestrijdingsmaterieel moet in goede staat van onderhoud verkeren, beschermd zijn tegen vorst, gemakkelijk bereikbaar, oordeelkundig verdeeld en doelmatig gesignaleerd overeenkomstig de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk. Het moet onmiddellijk in werking kunnen gebracht worden.) <KB 1997-06-17/46, art. 18, 063; Inwerkingtreding : 29-09-1997>
52.9.3.
In de winkels voor kleinhandel, (bedoeld in artikel 52.2.1.6.), moeten de verkooplokalen en de eraan belendende lokalen die als warenopslagplaats dienen, uitgerust zijn met een automatisch werkend blussingsnet dat bestendig onder druk staat. Rond elke blussingskop moet een vrije ruimte van ten minste 60 cm aanwezig zijn. <KB 1992-07-10/31, art. 2, 040; Inwerkingtreding : 1992-08-14>
Deze bepaling is niet van toepassing op de winkels waarin de hoeveelheid brandbare goederen die zich in de verkooplokalen bevinden geen 1 000 kg per verdieping overtreft.
52.9.4.
Binnen de lokalen is het gebruik verboden van blustoestellen, met broommethyl, tetrachloorkoolstof, of alle andere produkten, waardoor er bijzondere giftige uitwasemingen kunnen ontstaan.
52.10.
Waarschuwing en alarm. Organisatie van de brandbestrijding.
52.10.1.
(De werkgever moet waarschuwings- en alarmmiddelen aanbrengen:
a) als hij ten minste 50 werknemers tewerkstelt in eenzelfde gebouw of in verscheidene naburige gebouwen die een geheel vormen;
b) als het gebouw of het gedeelte van het gebouw dat hij bezet, een lokaal van de eerste groep omvat;
c) of als hij verscheidene verdiepingen van een gebouw bezet.
Onder waarschuwing moet verstaan worden de inlichting gegeven aan bepaalde personen van het bestaan van een begin van brand of van een gevaar.
Onder alarm moet verstaan worden de verwittiging gegeven aan het geheel van de personen, die in een bepaalde plaats verblijven, om deze plaats te ontruimen.) <KB 07-05-1971, art. 15>
52.10.2.
(De waarschuwings- en alarmposten moeten voldoende in aantal zijn, gemakkelijk bereikbaar, in goede staat van werking en onderhoud verkeren, oordeelkundig verdeeld en doeltreffend gesignaleerd zijn, overeenkomstig de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk.) <KB 1997-06-17/46, art. 19, 063; Inwerkingtreding : 29-09-1997>
52.10.3.
De waarschuwings- en alarmsignalen mogen geen verwarring kunnen stichten met elkaar of met andere signalen.
De alarmsignalen moeten door belanghebbende kunnen waargenomen worden.
52.10.4.
De elektrische netten voor de waarschuwing en het alarm moeten verschillend zijn.
52.10.5.
(De waarschuwing van de bevoegde brandweer gebeurt telkens er een begin van brand is. Als deze waarschuwing gebeurt door een gezichts- of geluidssignaal, dan wordt ze per telefoon bevestigd.) <KB 20-09-1974, art. 2>
52.10.6.
(De werkgever is verplicht een private dienst voor het voorkomen en bestrijden van brand op te richten, die een voldoend aantal personen omvat, geoefend in het gebruik van het brandbestrijdingsmaterieel:
a) als hij ten minste 50 werknemers tewerkstelt in eenzelfde gebouw of in verscheidene naburige gebouwen die een geheel vormen;
b) of als het gebouw of het gedeelte van het gebouw dat hij bezet, een lokaal van de eerste groep omvat.) <KB 07-05-1971, art. 16>
(Voor de samenstelling van deze dienst en de manier van werken ervan raadpleegt hij de bevoegde brandweer.) <KB 20-09-1974, art. 3>
(De lijst van de leden van die private dienst is in de inrichting uitgehangen.
Waarschuwings-, alarm- en ontruimingsoefeningen moeten ten minste eenmaal per jaar georganiseerd worden.) <KB 07-05-1971, art. 16>
52.10.7.
In geval van brand moeten de mechanisch bewogen trappen en de verwarmings- en luchtconditioneringsinstallaties stilgelegd worden.
52.11.
Periodieke controle.
Het materieel voor brandbestrijding, detectie en alarm alsmede de elektrische installatie, de gas- en de verwarmingsinstallaties, moeten geregeld door de werkgever, zijn aangestelde of zijn afgevaardigde, onderzocht worden.
De data van deze onderzoekingen en de vaststellingen die tijdens deze onderzoekingen werden gedaan worden in een notitieboekje ingeschreven, dat ter beschikking van de burgemeester en van de bevoegde ambtenaar wordt gehouden.
52.12.
Informatie van het personeel.
Onderrichtingen, in voldoende aantal aangeplakt op zichtbare plaatsen die gemakkelijk te bereiken zijn, lichten het personeel in over de gedragslijn die moet gevolgd worden in geval van brand, onder meer wat betreft:
1° waarschuwing van de directie en van de aangestelden voor de brandbestrijding;
2° (waarschuwing van de bevoegde brandweer;) <KB 20-09-1974, art. 4>
3° de schikkingen die moeten getroffen worden om het alarm te geven;
4° de schikkingen die moeten getroffen worden om de veiligheid of de ontruiming van de personen te waarborgen;
5° het aanwenden van de middelen voor brandbestrijding die beschikbaar zijn in de inrichting;
(6° de te nemen schikkingen om het optreden van de bevoegde brandweer te vergemakkelijken.) <KB 20-09-1974, art. 4>
52.13.
Plannen.
Een plan van de kelderverdiepingen wordt uitgehangen in de onmiddellijke nabijheid van de trappen die er naar toe leiden. Dit plan, op schaal getekend, duidt de verdeling en de bescherming aan van de lokalen evenals de plaats waar de lokalen van de eerste en van de tweede groep zich bevinden. Dit plan dient bijgehouden.
52.14.
(Verbouwingen en uitbreidingen.
De bepalingen van de artikelen 52.3. en 52.7. betreffende de gebouwen en stookplaatsen waarvan de bouw is aangevangen na 1 juni 1972, zijn van toepassing op de verbouwingen en uitbreidingen van op 1 juni 1972 bestaande of in opbouw zijnde gebouwen en stookplaatsen.) <KB 07-05-1971, art. 17>
52.15.
(52.15.1.) <KB 17-07-1972, art. 2>
Afwijkingen.
Onze bevoegde Ministers kunnen, ieder wat hem betreft, in buitengewone omstandigheden afwijkingen verlenen van de bepalingen van dit artikel, onder de voorwaarden voorzien bij artikel 3 van het besluit van de Regent van 27 september 1947.
(52.15.2.
Meubelwinkels.
In de winkels voor kleinhandel, (bedoeld in artikel 52.2.1.6.) en waarin enkel meubelen, meubeleringsartikelen of elektrische huishoudartikelen worden verkocht, zijn de bepalingen van het laatste lid van artikel 52.5.4. niet van toepassing. <KB 1992-07-10/31, art. 2, 040; Inwerkingtreding : 1992-08-14>
In die winkels is de naleving van de bepalingen van artikel 52.3. niet vereist indien de winkel uitgerust is met een automatisch werkend blussingsnet overeenkomstig artikel 52.9.3.
Indien de bepalingen van artikel 52.3. nageleefd zijn, moet de winkel evenwel niet uitgerust zijn met een automatisch werkend blussingsnet overeenkomstig artikel 52.9.3.
Om te kunnen genieten van de bepalingen van het tweede en het derde lid, zijn die winkels gescheiden van de bewoonde lokalen en de toegangen ervan door muren, wanden, vloeren en zolderingen die geen enkele opening vertonen, met een graad van weerstand tegen brand van ten minste twee uur.
Een verbindingsdeur met een graad van weerstand tegen brand van ten minste een uur mag evenwel bestaan in de scheidingsmuur tussen de winkel en de woning van de exploitant.
Die deur sluit automatisch. Ze is van geen enkel toestel voorzien dat het mogelijk maakt ze in geopende stand vast te zetten. Het is in alle omstandigheden verboden ze in open stand te houden.) <KB 17-07-1972, art. 2>
52.16.
Overgangsmaatregelen.
52.16.1.
De bepalingen van dit artikel opgenomen in 9.3. treden in werking op 1 juni 1971.
52.16.2.
De bepalingen van dit artikel opgenomen in:
3.;
5.4., 5.5., 5.6., 5.7., 5.8., 5.10., treden in werking op 1 juni 1972.
(Evenwel wordt voor de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde winkels voor kleinhandel, die op 1 juni 1968 bestonden of in opbouw waren de toepassing van de bepalingen van dit artikel opgenomen in 3.1.2., a, c en d uitgesteld tot 1 oktober 1973, en de toepassing van de bepalingen opgenomen in 3.1.1., 3.1.2., b en 5.4. uitgesteld tot 31 december 1974 op voorwaarde:
a) dat een realistisch programma van de werken die zullen uitgevoerd worden teneinde op de voormelde data de naleving van deze bepalingen te verzekeren, vóór 31 oktober 1972, in drie exemplaren, aan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid gestuurd wordt;
b) dat dit programma nageleefd wordt.) <KB 17-04-1972>

Afdeling VI _ Werkzaamheden in de plaatsen waar gevaarlijke gassen kunnen voorhanden zijn.

Art. 53. <Zie nota's onder TITEL> <KB 29-07-1963, art. 1>
§ 1. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 624 en 625, die van toepassing zijn op de putten, houders en tanks der opslagplaatsen van ontvlambare vloeistoffen, moeten volgende voorzorgsmaatregelen worden getroffen wanneer de werknemers in welputten, regenputten, kuilen, vergaarbakken, kuipen, ondergrondse controleplaatsen, gistkamers en andere soortgelijke plaatsen moeten binnenkomen of verblijven:
a) Bescherming tegen de risico's voor intoxicatie of verstikking.
1° Plaatsen waar zich stoffen bevinden die kunnen rotten en die, bijgevolg, schadelijke uitwasemingen kunnen afgeven (door krengen besmette welputten, toegeslijkte kuilen of regenputten, enz.) of die andere stoffen inhouden welke gassen of dampen afgeven (houders van sommige produkten, kuipen bestemd voor chemische reacties, gistkuipen of -toestellen, enz.) of waar uit de omgeving voortkomende gevaarlijke uitwasemingen in doorgedrongen zijn (ondergrondse controleplaatsen bij voorbeeld waarin ontsnappend lichtgas door de grond of langs leidingen heen is doorgedrongen):
Deze plaatsen moeten voldoende geventileerd worden en de werknemers mogen er slechts binnen komen of blijven indien zij beschermd zijn door middel van een ademhalingstoestel dat beantwoord aan de bepalingen van de artikels 160, I en 161, 1°.
Met die ventilatie van bedoelde plaatsen moet begonnen worden vooraleer de werknemers zich er in begeven en op zulke wijze dat, wanneer deze zich erin begeven, de lucht er volledig werd ververst.
Deze ventilatie van die plaatsen moet zonder onderbreking worden voortgezet zolang de werknemers zich er ophouden.
Zij moet op zulke manier worden verricht dat de bedorven lucht naar rato van minstens 30 m3 per uur en per werknemer wordt ververst.
2° Plaatsen waar verrichtingen moeten gebeuren die gas, rook, dampen of andere uitwasemingen kunnen ontwikkelen (schilderwerk, las- of snijwerk met de elektrische lichtboog of met de brander aan werkstukken waarop dekmiddelen werden aangebracht, enz.):
Deze plaatsen moeten voldoende en overeenkomstig dezelfde eisen als onder 1° hierboven bepaald geventileerd worden.
De werknemers moeten beschermd zijn door middel van eenzelfde ademhalingstoestel als onder ditzelfde 1° voorzien om bovenbedoelde werken te verrichten of om in die plaatsen binnen te komen of te blijven wanneer de lucht er bezoedeld is door bovengenoemde gassen, rook of uitwasemingen of door uitwasemingen die afgegeven worden door niet of onvolledig opgedroogde verf- of bestrijksellagen.
3° Plaatsen die de onder 1° en 2° bepaalde kenmerken niet bieden maar van dewelke niettemin moet worden gevreesd dat de lucht er plots en op elk ogenblik kan worden verontreinigd door uit de omgeving voortkomende gevaarlijke uitwasemingen (ondergrondse controleplaatsen bijvoorbeeld en andere inrichtingen van dezelfde aard die gelegen zijn dichtbij leidingen van lichtgas, hoogovengas, enz. of dichtbij andere kanalisaties of houders die ten gevolge van lekken, van breuken of van defecte werking verontreiniging der lucht zouden kunnen veroorzaken);
Deze plaatsen moeten voldoende en overeenkomstig dezelfde eisen als onder 1° hierboven bepaald geventileerd worden.
De werknemers mogen er slechts binnenkomen of blijven zonder beschermd te zijn door middel van een ademhalingstoestel, indien aan de hand van detectieproeven die voor de gegeven omstandigheden geschikt zijn en voldoende gevoeligheidswaarborg bieden uitgemaakt is dat er geen uitwasemingen zijn zoals hierboven bedoeld.
Die proeven mogen worden verricht nadat de lucht van de plaats werd ververst doch onder de voorwaarde dat, op het ogenblik dat men ermee aanvangt, de ventilatie sinds ten minste drie minuten volledig werd stopgezet.
Die proeven moeten gebeuren door middel van zulke toestellen of inrichtingen dat men, om ze te verrichten, volledig buiten de plaats blijft. De betrokken personen moeten de aanzegging ontvangen dat het verboden is in die plaats binnen te komen om die proeven te verrichten.
Indien aan de hand van die proeven uitgemaakt wordt dat er wel gevaarlijke uitwasemingen zijn, zelfs zeer geringe, mogen de werknemers slechts in die plaatsen binnenkomen of blijven mits beschermd te zijn door eenzelfde ademhalingstoestel als onder 1° hierboven voorzien.
Ingeval die proeven een negatieve uitslag opleveren moeten de werknemers desondanks door middel van zulk toestel worden beschermd indien moet gevreesd worden dat de verrichtingen kunnen tot gevolg hebben dat plots gevaarlijke uitwasemingen in de plaats binnendringen (bij voorbeeld tijdens het doorboren of het neerhalen van de wanden van een controleplaats).
4° Plaatsen waar de onder 1°, 2° en 3° hierboven bedoelde risico's in geen geval te duchten zijn, doch waarvan te vrezen valt dat de lucht er, ingevolge een min of meer lange opsluiting, een tekort aan zuurstof vertoont:
De werknemers mogen slechts in die plaatsen binnenkomen of blijven zonder door middel van een ademhalingstoestel beschermd te zijn nadat zij ze voldoende geventileerd hebben, derwijze dat de lucht er volledig ververst is, of nadat zij, aan de hand van een detectieproef die voor de gegeven omstandigheden geschikt is en die voldoende gevoeligheidswaarborg biedt, hebben uitgemaakt dat er geen tekort aan zuurstof bestaat.
5° Zelfs bijaldien zij geen enkele der onder 1°, 2°, 3° en 4° hierboven bedoelde risico's bieden, moeten de in dit artikel beoogde plaatsen, de gehele tijd dat er werknemers in blijven, geventileerd worden indien, wegens de bekrompenheid of de bijzondere inrichting van die plaatsen, te vrezen valt dat de lucht er, ingeval zij niet wordt ververst, niet volstaat voor die werknemers.
Deze ventilatie moet op zulke manier worden verricht dat de verse lucht wordt ingebracht en de bedorven lucht naar buiten geleid onder dezelfde voorwaarden als bepaald in 1° hierboven.
6° Indien het wegens de bouw van de plaatsen of ingevolge andere bijzondere omstandigheden niet uitvoerbaar blijkt er ademhalingstoestellen te gebruiken, mogen de werknemers er toch binnenkomen zonder dat zij zulke ademhalingstoestellen dragen mits, vooraleer zij er binnengaan en zolang zij er blijven, die plaatsen voldoende krachtig worden geventileerd ten einde, zonder onderbreking, een snelle zuivering van de atmosfeer in stand te houden zodat elke onduldbare concentratie van giftige uitwasemingen wordt vermeden.
In dit geval evenwel moeten de nodige maatregelen worden genomen om de tijd die de betrokken werknemers in bedoelde plaatsen moeten doorbrengen tot het minimum te bekorten.
Het ondernemingshoofd moet die aanwezigheidsduur bepalen na het comité voor veiligheid, hygiëne en verfraaiing der werkplaatsen, of, bij onstentenis van zulk comité, de betrokken werknemers te hebben geraadpleegd, onverminderd de beslissingen die, in dit verband, door de bevoegde paritaire comités zouden getroffen zijn.
b) Bescherming tegen risico's voor brand en ontploffing.
De proeven met het doel zich te overtuigen van de kwaliteit van de lucht in de door dit artikel bedoelde plaatsen of van de aard der uitwasemingen die zich er kunnen voordoen, moeten gebeuren met middelen en in omstandigheden die geen gevaar opleveren.
Alle andere nuttige maatregelen zullen worden genomen indien de uitwasemingen die men er aangetroffen heeft of waarvan men vreest dat zij zich kunnen voordoen ontvlambaar zijn en, bijgevolg, risico's voor brand of explosie kunnen bieden.
c) Toezicht en eventuele redding van de betrokken werknemers.
De werknemers die te werk zijn gesteld in de onder dit artikel bedoelde plaatsen die moeten verlucht worden wanneer zij er binnen zijn, moeten voortdurend onder toezicht staan en, zo dikwijls als de omstandigheden het vergen, worden afgelost. Een of meer personen, al naargelang van de omstandigheden, zullen speciaal worden aangewezen om dit toezicht uit te oefenen, met zorg het goede functioneren van de ventilatieinrichting gade te slaan en om tot de eventuele reddingen over te gaan.
De in het vorige lid bedoelde werknemers zullen, bovendien, een reddingsgordel met schouderbanden dragen. Deze banden moeten verbonden zijn met een veiligheidskoord die tot buiten leidt en vastgehouden wordt door de personen die met hogerbedoeld toezicht zijn belast, tenzij die koord, wegens de bouw van die plaatsen of de bijzondere werkomstandigheden uiteraard een belemmering kan zijn voor de eventuele redding. Indien die koord er evenwel niet is moeten de schouderbanden van het nodige voorzien zijn om er de reddingskoorden waarvan sprake in het laatste lid van deze paragraaf vlug en stevig te kunnen aan vastmaken.
Wanneer diezelfde werknemers niet aan bovenbedoelde veiligheidskoord zijn verbonden en te werk zijn gesteld in zulke omstandigheden dat zij onttrokken zijn aan het zicht van de personen die met het toezicht zijn belast, moeten zij in de mogelijkheid zijn op elk ogenblik met deze laatsten door stemgeluid of door enig ander geschikt middel in verbinding te blijven.
De personen die met de eventuele reddingswerken zijn belast moeten in hun onmiddellijke nabijheid het daarvoor nodig materieel hebben. Benevens ladders, koorden, enz., moet dit materieel bestaan in al naargelang van de omstandigheden nodige ademhalingstoestellen van het type "met toevoer van perslucht" of van het "onafhankelijk" type zoals die types bepaald zijn in artikel 160, I en die beantwoorden aan de bepalingen van dit artikel.
§ 2. De riolen, gasleidingen, rookkanalen en andere inrichtingen van die aard worden gelijkgesteld met de onder § 1 van dit artikel beoogde plaatsen en worden onderworpen aan de bepalingen van ditzelfde artikel in dezelfde mate als het gerechtvaardigd is de risico's op dezelfde voet te plaatsen.

Afdeling VII - Voorzorgen te nemen gedurende de schafttijd.

Art. 54. <Zie nota's onder TITEL> Het is verboden te rusten in gevaarlijke of ongezonde plaatsen, zoals op daken, steigers, ketelmetselwerken, onder de pas geloste gewelven, alsook nabij putten, uitgravingen, ovens, machines of drijfwerken, vervoerwegen, straatgoten, gashouders, enz.

Afdeling VIII - <KB 24-04-1969, art. 1> Vervoer van de werknemers.

Art. 54bis. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/44, art. 15, 067; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

Afdeling IX - <KB 20-12-1974> Afgezonderd tewerkgestelde werknemers.

Art. 54ter. <Zie nota's onder TITEL> <KB 20-12-1974> Elke afgezonderd tewerkgestelde werknemer beschikt over aan de omstandigheden aangepaste alarmmiddelen.
Geen enkel werk dat in gevaarlijke omstandigheden moet worden uitgevoerd mag worden toevertrouwd aan een afgezonderde werknemer. De aanwezigheid van een andere persoon die in staat is snel alarm te geven, is noodzakelijk

Afdeling X _ <KB 20-06-1975, art. 1> Voorkomingsbeleid.

Art. 54quater. <Zie nota's onder TITEL> <KB 20-06-1975, art. 1>
54quater 1. (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 4, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1996>
54quater 2. (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 4, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1996>
54quater 3. Specifieke maatregelen.
54quater 3.1. Iedere bestelling van ( (...) collectieve beschermingsuitrustingen), omvat in de bestelbon of in het lastencohier de eis van de naleving van: <KB 1993-08-12/46, art. 13, 048; Inwerkingtreding : 08-10-1993> <KB 1995-08-07/46, art. 18, 057; Inwerkingtreding : 25-09-1995>
1° de vigerende wetten en reglementen inzake veiligheid en hygiëne;
2° de voorwaarden inzake veiligheid en hygiëne, niet noodzakelijk bij de vigerende wetten en reglementen inzake veiligheid en hygiëne opgelegd, maar onontbeerlijk om het objectief te bereiken vooropgesteld in artikel 54quater 2.
(...) <KB 1993-08-12/46, art. 13, 048; Inwerkingtreding : 08-10-1993>
Het hoofd van de dienst voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of een van zijn adjuncten en de arbeidsgeneesheer nemen deel aan de voorbereidende werkzaamheden voor het opstellen van de bestelling. Gebeurlijk doen zij aanvullende vereisten bijvoegen op het gebied van de veiligheid en de gezondheid, na raadpleging, indien nodig, van andere bevoegde personen.
De bestelbon wordt geviseerd door het hoofd van de dienst voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen.
54quater 3.2. Bij de levering geeft de leverancier aan de klant een document, waarin de naleving van de bij de bestelling geformuleerde vereisten inzake veiligheid en hygiëne verantwoord wordt.
54quater 3.3. Vóór elke indienststelling is de werkgever in het bezit van een verslag dat de naleving vaststelt van:
1° de wetten en reglementen inzake veiligheid en hygiëne;
2° de voorwaarden inzake veiligheid en hygiëne, niet noodzakelijk bij de wetten en reglementen inzake veiligheid en hygiëne opgelegd, maar onontbeerlijk om het objectief te bereiken vooropgesteld in artikel 54quater 2.
Het verslag wordt opgesteld door het hoofd van de dienst voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of een van zijn adjuncten, na raadpleging, indien nodig, van andere bevoegde personen. Het advies van de arbeidsgeneesheer wordt erbij gevoegd bij zijn eerstkomend bezoek in de onderneming.
Onder bevoegde personen dient, volgens het desbetreffende domein, te worden verstaan personen met een vorming van universitair of gelijkgesteld niveau of van hoger technisch niveau, aangevuld door een ondervinding in het domein waarvoor zij geraadpleegd worden of, bij ontstentenis hiervan, de personen die door de werkgever en de vertegenwoordigers van de werknemers aangezien worden als hebbende een vergelijkbare professionele waarde om met volkomen kennis van zaken een mening uit te drukken. De werkgever waakt over de raadpleging, door het hoofd van de dienst voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen, van de bevoegde personen.
54quater 3.4. Wat betreft (...) de (...) collectieve beschermingsuitrustingen, reeds in exploitatie op de datum van de inwerkingtreding van deze afdeling, wordt bij ontstentenis van een reeds bestaand gelijkaardig verslag een verslag opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 54quater3. 3. <KB 1993-08-12/46, art. 14, 048; Inwerkingtreding : 08-10-1993> <KB 1995-08-07/46, art. 19, 057; Inwerkingtreding : 25-09-1995>
54quater 3.5. (De bepalingen van de artikelen 54quater 3.2., 3.3. en 3.4. zijn niet van toepassing :
1° (...) <KB 1993-08-12/46, art. 15, 048; Inwerkingtreding : 08-10-1993>
2° (...) <KB 1993-08-12/46, art. 15, 048; Inwerkingtreding : 08-10-1993>
3° (...) <KB 1995-08-07/46, art. 20, 057; Inwerkingtreding : 25-09-1995>
4° voor de voorwerpen bedoeld in artikel 54quater 3.1. inzake veiligheid en hygiëne gelijkvormig aan een exemplaar waarvoor aan de vereisten van de artikelen 54quater 3.1., 3.2., 3.3. en 3.4. reeds voldaan werd;
althans wat de aspecten betreft die gedekt zijn door het merk van keuring, goedkeuring of overeenkomst aangebracht in toepassing van een uitvoeringsbesluit van de voornoemde wet van 11 juli 1961, gedekt zijn ingevolge de controle die in toepassing van dit reglement werd uitgevoerd door een erkend organisme of gedekt zijn ingevolge een in toepassing van dit reglement verleende erkenning.
Zij zijn wel van toepassing voor wat betreft de verklaringen en de vaststellingen met betrekking tot de naleving van de aanvullende voorwaarden gesteld met het oog op het bereiken van het objectief vooropgesteld in artikel 54quater 2 en tot de aspecten die niet gedekt zijn door het merk van keuring, goedkeuring of overeenkomst, aangebracht in toepassing van een uitvoeringsbesluit van de voornoemde wet van 11 juli 1961, niet gedekt zijn ingevolge de controle die in toepassing van dit reglement werd uitgevoerd door een erkend organisme of niet gedekt zijn ingevolge een in toepassing van dit reglement verleende erkenning.
Deze verklaringen en vaststellingen zijn respectievelijk :
- het attest van de leverancier bedoeld in artikel 54quater 3.2.;
- het verslag van de dienst voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen bedoeld in artikel 54quater 3.3.) <KB 1990-09-13/31, art. 1, 028; Inwerkingtreding : 1990-10-29>
4. Instructies.
(Voor elke (...) collectieve beschermingsuitrusting) moeten de nodige instructies bestaan voor hun werking, hun gebruikswijze, hun inspectie en hun onderhoud. De inlichtingen betreffende de veiligheidstoestellen worden gevoegd bij die instructies. <KB 1993-08-12/46, art. 16, 048; ED : 08-10-1993> <KB 1995-08-07/46, art. 21, 057; Inwerkingtreding : 25-09-1995>
Die instructies worden geviseerd en, als het past, aangevuld door het hoofd van de dienst voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen en door de arbeidsgeneesheer, elk wat hem betreft, rekening houdend met de eisen betreffende de veiligheid en de hygiëne.
54quater 5. (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 4, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1996>
54quater 6. (...) <KB 1993-10-28/33, art. 2, 052; Inwerkingtreding : 11-12-1993>
54quater 7. (...) <KB 1993-08-12/46, art. 18, 048; Inwerkingtreding : 08-10-1993>
54quater 8. Gemeenschappelijke bepaling.
De documenten en attesten bedoeld in de artikelen van deze afdeling worden ter beschikking gehouden van de inzake veiligheid en hygiëne bevoegde arbeidsinspecteur.
(lid opgeheven) <KB 1999-05-03/87, art. 35, 069; Inwerkingtreding : 20-07-1999>

Afdeling XI. _ <KB 19-09-1980,art. 1> Veiligheidssignalering.

Art. 54quinquies. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1997-06-17/46, art. 42, 063; Inwerkingtreding : 29-09-1997>

HOOFDSTUK II. _ Bepalingen betreffende de hygiëne op de arbeidsplekken.

Afdeling I _ Arbeidsklimaat <KB 21-04-1975, art. 1>

Art. 55. <Zie nota's onder TITEL> <KB 21-04-1975, art. 1> Algemene bepalingen.
In al de werklokalen moet een behoorlijke lucht- en klimaatregeling in stand worden gehouden. Het arbeidsklimaat mag er niet worden verstoord door de invloed van de volgende schadelijke factoren:
1. de aanwezigheid van bevuilde of bedorven lucht;
2. gevaarlijke tocht;
3. overmatige warmte of koude;
4. overmatige vochtigheid of droogte, alsook onaangename geuren, in al de lokalen waar de aard van de verrichtingen het niet belet.
De wanden van deze lokalen dienen in de regel zo gemaakt dat iedere overdreven straling, convectie of geleiding van warmteënergie vermeden wordt. Het is overigens verboden gewoonlijk voor het werk lokalen te gebruiken die ongezond zijn ingevolge de vochtigheid van de wanden voortvloeiende uit de constructie.

§ 1. _ Luchtverversing.

Art. 56. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1993-06-18/32, art. 6, 044; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Werklokalen.
De werklokalen moeten ten minste 2,5 meter hoog zijn. Iedere werknemer moet over een werkelijke ruimte van 10 m3 en over een vrije oppervlakte van 2 m2 beschikken. De afmetingen van het vrije, ongemeubileerde oppervlak van de werkpost moeten zodanig worden berekend dat het personeel bij zijn taakuitoefening over voldoende bewegingsruimte beschikt.
Indien om redenen die specifiek zijn voor de werkpost, niet aan deze eis kan worden voldaan, moet de werknemer op een andere plaats dicht bij zijn werkpost over voldoende vrije ruimte kunnen beschikken.
De toevoer van verse lucht en de afvoer van bevuilde lucht worden verzekerd naar rato van 30 m3 lucht per uur en per in de lokalen aanwezige werknemer. In de gesloten werklokalen wordt de toepassing van de voorgaande normen verzekerd door een natuurlijke luchtverversing of door het gebruik van enige inrichting die zich daarvoor leent.

Art. 57. <Zie nota's onder TITEL> <KB 21-04-1975, art. 3 en 4> Natuurlijke luchtverversing.
Wanneer de omstandigheden het mogelijk maken wordt de lucht van de werklokalen natuurlijk en volledig ververst tijdens de werkonderbrekingen door de vensters wijd open te zetten. Tenzij dwingende technologische redenen het beletten worden schikkingen genomen om een relatieve luchtvochtigheid van 40 tot 70 % te verzekeren of althans deze grenscijfers te benaderen voor zover de weersomstandigheden zulks mogelijk maken.

Art. 58. <Zie nota's onder TITEL> <KB 21-04-1975, art. 5> Kunstmatige luchtverversing.
De inrichtingen of installaties, die in gesloten werklokalen dienen voor de toepassing van de normen voorgeschreven in artikel 56 van dit reglement, moeten de volgende waarborgen bieden:
1. opvanging van zuivere en stofvrije lucht;
2. gebruik van luchtkanalen zonder brokkelige bekleding;
3. gelijkmatige luchtregeling met name een verdeling en een verspreiding van de ingebrachte lucht en temperatuurschommelingen die de werknemer niet hinderen;
4. beperking tot 0,5 m/sec. van de luchtstroomsnelheid voor zover deze beperking niet strijdt met het toepassen van systemen voor specifieke bestrijding van bepaalde arbeidshinder.
(5. Storingen moeten door een controlesysteem worden gemeld als dat noodzakelijk is voor de gezondheid van de werknemers.) <KB 1993-06-18/32, art. 7, 044; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
Deze inrichtingen of installaties moeten bovendien zodanig gebouwd zijn, dat ze geen geluid of trillingen veroorzaken die een bron van hinder of ongemak kunnen zijn voor de werknemers.
In de van dergelijke inrichtingen of installaties voorziene gesloten lokalen moet bovendien een relatieve luchtvochtigheid van 40 tot 70 % worden aangehouden tenzij dit wegens dwingende technologische redenen uitgesloten is.

Art. 58bis. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 21-04-1975, art. 6>

§ 2. _ Verlichting.

Art. 59. <Zie nota's onder TITEL> <KB 01-07-1966, art. 4> De werkplaatsen moeten steeds behoorlijk verlicht zijn, tenzij het werk in het duister of met aangepaste verlichting dient te geschieden.
Gedurende de dag moeten de werkplaatsen voor het te leveren werk voldoende daglicht toelaten. Is dit niet mogelijk ingevolge de bouw van de plaatsen of ingevolge technische behoeften, dan mogen de werkplaatsen met kunstlicht worden verlicht. In dit geval en wanneer het werk een speciale inspanning van de ogen eist, zullen lichtbronnen worden gebruikt die een wit licht geven.

Art. 60. <Zie nota's onder TITEL> (In de lokalen waar de aard van het werk het vergt, omvat de kunstmatige verlichting een algemene verlichtingsinstallatie bestemd om het licht over de ganse uitgestrektheid van het lokaal te uniformiseren, alsook om gevaarlijke of hinderlijke schaduwen te vermijden.) <KB 01-07-1966, art. 5>
(tweede lid opgeheven) <KB 14-07-1971, art. 1, 1°>
Indien zij niet krachtig genoeg is om de werkzaamheden te verrichten, dan zal zij door een plaatselijk verlichtingsstelsel aangevuld worden.
(Indien echter daar waar het werk plaats heeft een grotere lichtsterkte dan 200 lux moet bestaan, mag zij bekomen worden door middel van een bijkomende lokale kunstverlichting, mits de installatie voor algemene verlichting alleen reeds, in elk geval, op dezelfde plaats een lichtsterkte van minimum 200 lux verzekert.) <KB 14-07-1971, art. 1, 2°>

Art. 61. <Zie nota's onder TITEL> Bij het invallen van de duisternis zullen de binnenplaatsen, loodsen en werkplekken in open lucht gedurende al de tijd waarop de arbeiders er toe geroepen worden er in te werken of rond te lopen, op voldoende wijze worden verlicht.
De kunstmatige verlichting moet zulke spectrale kenmerken bieden dat zij de kleuren van de veiligheidssignalen niet vervalst.) <KB 14-07-1971, art. 2>

Art. 62. <Zie nota's onder TITEL> <KB 26-09-1966, art. 1> Onderstaande tabel bepaalt de minimumverlichtingssterkte, in lux uitgedrukt, voor de verschillende plaatsen, werkzaamheden en toestellen, behoudens voor de in artikel 59, eerste lid, bedoelde verrichtingen.
Die verlichtingssterkte geldt voor het werkvlak of, indien dit niet juist kan worden bepaald, voor een horizontaal vlak dat 0,85 m boven de grond ligt.
Wat de in littera's a), b) en c) van onderstaande tabel genoemde plaatsen betreft, geldt die verlichtingssterkte, gemeten ter hoogte van de grond, evenwel voor het vlak dat loodrecht op de lichtstroom staat.
a) 2 lux:
Rangeerstations van de spoorwegen, op de plaatsen waar het personeel dient te komen, met uitzondering van de eigenlijke rangeeremplacementen.
b) 10 lux:
Eigenlijke rangeeremplacementen van de spoorwegstations, dit zijn emplacementen die zich uitstrekken van de rangeerheuvel, met inbegrip van deze, tot en met de laatste verspreidingswissels.
Binnenplaatsen en buitengelegen doorgangen.
c) 20 lux:
De volgende, buiten de gebouwen gelegen plaatsen: stations voor transformatie van elektrische stroom, laad- of losplaatsen waar niet wordt gewerkt, alsmede alle andere plaatsen van analoge aard.
d) 50 lux:
De volgende, binnen de gebouwen gelegen plaatsen: doorgangen, exclusief die in de warenhuizen, gangen, trappen, pakhuizen, opslagplaatsen en magazijnen voor ruwe of omvangrijke materialen, garages, alsmede alle andere plaatsen van analoge aard.
Koelkamers.
Werkzaamheden die geen enkele waarneming van de details vergen: behandeling van grote materialen (kolen, as, enz.), ruwe sortering, breken van leemhoudende produkten, grof werk of ruwbouw op scheepswerven en bij werken van burgerlijke bouwkunde, alsmede alle andere werkzaamheden van analoge aard.
e) 100 lux:
Werkzaamheden die slechts een geringe waarneming van de details vergen: fabricage van half afgewerkte ijzeren of stalen produkten, ruwe assemblage, malen van graan, uitpakken, sorteren en kaarden van wol, alsmede alle andere werkzaamheden van analoge aard.
Machinekamers, stookplaatsen, personen- en goederenliften, pakkamers, lokalen voor ontvangst of verzending van goederen, laad- of losplaatsen waar gewerkt wordt, opslagplaatsen en magazijnen voor middelmatige en fijne materialen, alsmede alle andere plaatsen van analoge aard.
Kleedlokalen, toiletten, wasgelegenheden, eetvertrekken en andere plaatsen van analoge aard.
f) 200 lux:
Werkzaamheden die een matige waarneming van de details vergen: gewone assemblage, machinaal fatsoeneren, bewerken van niet geverfde textiel en niet geverfd leder, inblikken van levensmiddelen, versnijden van vlees, bewerken van hout op werkbanken, walsen en knippen van werkstukken met grote afmetingen, monteren en uitdeuken van koetswerk, alsmede alle andere werkzaamheden van analoge aard.
Doorgangen in warenhuizen.
g) 300 lux:
Werkzaamheden die een tamelijk scherpe waarneming van de details vergen: gewoon werk aan machines, precisieproeven, classificatie van meel, afwerken van leder, bewerken van niet-geverfde katoen, wol, zijde en kunstvezels, allerhande kantoorwerk, met inbegrip van intermitterend typewerk, confectiewerk behalve naaien en controle op de afwerking, herstellingen in garages, alsmede alle andere werkzaamheden van analoge aard.
Schakelborden, weegtoestellen, toetsenborden en andere toestellen of inrichtingen van analoge aard.
h) 500 lux:
Werkzaamheden die een scherpe waarneming van de details gedurende een lange tijd vergen: nauwkeurige assemblage, nauwkeurig werk aan machines polijsten en afschuimen van glas, precisiewerk in de glasfabrieken, teken- en mecanografiewerk, permanent typewerk, bewerken van geverfde textiel en geverfd leder, fijn laswerk alsmede alle andere werkzaamheden van analoge aard.
Toonbanken.
i) 700 lux:
Werkzaamheden die een zeer scherpe waarneming van de details vergen: bewerken van geverfde katoen, wol, zijde en kunstvezels, teken- en mecanografiewerk, waarbij een bijzonder grote verlichtingssterkte nodig is, alsmede alle andere werkzaamheden van analoge aard.
j) 1 000 lux:
Werkzaamheden die een uiterst nauwkeurige waarneming van de details vergen: zeer nauwkeurige assemblage, beproeven van zeer gevoelige instrumenten, juweliers- en horlogemakerswerk, classificeren en sorteren van tabak, zetwerk, en nalezing van drukproeven in drukkerijen, naaien en controle op de afwerking in de confectieateliers, monteren van uiterst fijne onderdelen, bereiden, doseren en vermengen van kleurstoffen, alsmede alle andere werkzaamheden van analoge aard.
(Wanneer het niet mogelijk is met preciesheid de werkplek of het werkvlak te omschrijven mag de nodige verlichting, op advies van het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen of, bij ontstentenis van zulk comité, van de dienst voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen, worden bepaald en gemeten overeenkomstig de norm NBN 255 _ leidraad voor de verlichting in de industrie. Het advies van dat comité of, bij ontstentenis van zulk comité, van die dienst, moet eveneens worden ingewonnen om te beslissen over de lichtsterkten die moeten worden voorzien in de gevallen die niet zijn gegeven in dit artikel.) <KB 14-07-1971, art. 3>

Art. 63. <Zie nota's onder TITEL> <KB 14-07-1971, art. 4> Elke installatie en elk toestel voor algemene of lokale verlichting moet zo gebouwd en geplaatst zijn dat gevaarlijke of hinderlijke verblindende lichtuitstralingen, stroboscopieverschijnselen, oververwarming van de lokalen en luchtbederf worden vermeden.

Art. 63bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 10-05-1968> Noodverlichting.
De inrichtingen die moeten voorzien zijn van een kunstmatige verlichting, moeten uitgerust zijn met een noodverlichting die voldoende is om de ontruiming van de personen te verzekeren wanneer de kunstmatige verlichting uitvalt.
In de gebouwen waarin gewoonlijk meer dan honderd personen vertoeven, moet de noodverlichting automatisch aangestoken worden van zodra de algemene verlichting uitvalt. In dat geval moet ze gevoed worden:
hetzij door een batterij elektrische accumulatoren;
hetzij door een aansluiting op het openbaar laagspanningsnet, wanneer de algemene verlichting gevoed wordt door de stroom van een statische transformator die aangesloten is op het hoogtransformateur spanningsnet en in de inrichting of in de nabijheid ervan is opgesteld;
hetzij door een elektrogeengroep.

§ 3. _ Temperatuur <KB 21-04-1975, art. 7 en 8>

Art. 64. <Zie nota's onder TITEL> <KB 21-04-1975, art. 7 en 8> Gesloten werklokalen.
§ 1. In de gesloten en doorlopend bezette werklokalen worden minimum- en maximumtemperaturen bepaald, rekening houdend met de inspanningen die de werkposten vergen. Deze minima en maxima worden als volgt vastgesteld:
<De bladspiegel van deze tabel werd om technische redenen aangepast>
Zeer licht werk:
_ ongeveer 90 Kcal/uur
_ minimum 20° C
_ maximum 30° C
Licht werk:
_ ongeveer 150 Kcal/uur
_ minimum 18° C
_ maximum 30° C
Halfzwaar werk:
_ ongeveer 250 Kcal/uur
_ minimum 15° C
_ maximum 26,7° C
Zwaar werk:
_ ongeveer 350 Kcal/uur
_ minimum 12° C
_ maximum 25° C
De minimumtemperaturen worden gemeten met een droge thermometer. De maximumtemperaturen worden gemeten met een vochtige globethermometer of met enige andere methode die op het stuk van effectieve temperatuur identieke conclusiemogelijkheden biedt.
§ 2. Na advies van de arbeidsgeneesheer en na akkoord van de vertegenwoordigers der werknemers in het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij ontstentenis van dit comité, van de vakbondsafvaardiging van het personeel, mag worden afgeweken van de bepalingen van § 1 van dit artikel voor de werklokalen die slechts met zijn pozen door personeel zijn bezet.
Deze afwijking is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1. de werknemers moeten de mogelijkheid krijgen om naargelang van het geval regelmatig in verwarmde of gekoelde lokalen te vertoeven;
2. de werknemers moeten met aangepaste beschermingsmiddelen zijn uitgerust.

Art. 65. <Zie nota's onder TITEL> <KB 21-04-1975, art. 9> Open werklokalen of werkplaatsen in open lucht.
Tijdens de periode tussen 1 november en 31 maart van het daaropvolgend jaar moeten de open werklokalen en de werkplaatsen in open lucht van een voldoend aantal verwarmingsinrichtingen zijn voorzien.
Wanneer het ingevolge de weersomstandigheden nodig blijkt en in elk geval wanneer de buitentemperatuur lager is dan 5° C, moeten deze verwarmingsinrichtingen in werking worden gesteld. Indien de vertegenwoordigers van de werknemers in het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen of, bij ontstentenis van dit comité, de vakbondsafvaardiging van het personeel, vooraf hun akkoord geven mogen deze verwarmingstoestellen worden opgesteld in lokalen of in voorlopige constructies, ten einde het personeel de mogelijkheid te bieden zich bij tussenpozen te verwarmen.

Art. 66. <Zie nota's onder TITEL> <KB 21-04-1975, art. 10> Winkelbanken in open lucht.
Bij een buitentemperatuur van minder dan 5° C is het de exploitanten van winkels voor detailverkoop verboden personeel te werk te stellen aan toonbanken of winkelbanken die zich buiten en in de onmiddellijke nabijheid van de winkel bevinden.
Bij een buitentemperatuur van minder dan 10° C moet het aan voornoemde banken tewerkgestelde personeel over een voldoende krachtige verwarmingsinrichting beschikken, tenzij maatregelen worden genomen waardoor deze werknemers zich geregeld en zo dikwijls als nodig kunnen verwarmen. Bovendien moet dat personeel over een plankenvloer beschikken, waardoor rechtstreeks contact met de grond wordt voorkomen, en moet het zoveel mogelijk tegen weer en wind worden beschermd. Dit personeel mag dergelijke arbeid niet verrichten vóór 8 uur of na 19 uur, ook niet langer dan 2 uur zonder onderbreking van ten minste één uur, noch meer dan 4 uren per dag.

Art. 67. <Zie nota's onder TITEL> <KB 21-04-1975, art. 11> Gebruik van verwarmingstoestellen.
De verwarmingstoestellen die gebruikt worden in de werklokalen moeten gebruiksklaar worden gehouden, verbonden zijn met een goed trekkende schoorsteen en zo zijn gemaakt dat een volledige en regelmatige afvoer van de verbrandingsgassen verzekerd is, zelfs bij maximale sluiting van het regelwerk.
Het gebruik van verwarmingstoestellen die niet met een dergelijke schoorsteen zijn verbonden kan worden toegestaan in gieterij-, constructie- en montagehalls, in pakhuizen, garages voor voertuigen en ander werkplaatsen van grote afmetingen op voorwaarde dat:
1. deze lokalen, zolang er wordt gewerkt, geregeld of althans dikwijls wijd naar buiten worden open gezet of zeer goed worden geventileerd; de doelmatigheid van de luchtverversing moet in beide gevallen geregeld worden gecontroleerd door het bepalen van het gehalte aan S02, CO en CO2 in de atmosfeer;
2. als brandstof voor de bedoelde verwarmingstoestellen uitsluitend aardgas of vloeibaar gemaakt petroleumgas wordt gebruikt en die toestellen speciaal ontworpen zijn om te kunnen werken zonder verbonden te zijn met een schoorsteenpijp die de verbrandingsgassen naar buiten voert.
Open vuren mogen enkel in open lucht worden gebruikt.

Art. 68. <Zie nota's onder TITEL> <KB 21-04-1975, art. 12> Zonnestraling.
De werknemers moeten tegen de zonnestraling kunnen worden beschermd door om het even welke installatie die zich daarvoor leent.

§ 4. _ Zindelijkheid.

Art. 69. <Zie nota's onder TITEL> De werklokalen en hun bijgebouwen moeten in goede toestand van onderhoud en zindelijkheid gehouden worden. De afval en de opveegsels dienen elke dag weggenomen, opgestapeld en regelmatig weggeruimd, ontaard of ondergedolven zonder dat er schade voor het personeel kan uit voortkomen.
Het wegnemen van het stof moet met water of door opzuiging en bij voorkeur buiten de werkuren geschieden.
De glazen oppervlakten moet goed doorschijnend gehouden worden.
Er dienen berichten, waarbij verboden wordt op de grond te spuwen, aangebracht.
(In de voertuigen die hebben gediend of waarvan men vermoedt dat zij hebben gediend om giftige stoffen te vervoeren, moeten het kuisen en het wegruimen van het stof eveneens, al naargelang van het geval, met water of door opzuiging gebeuren.) <KB 29-07-1963, art. 2>

Art. 70. <Zie nota's onder TITEL> In de bureau's moet de grond voorzien zijn van een aaneengesloten waterdichte bedekking waardoor een gemakkelijk onderhoud mogelijk gemaakt wordt. Hetzelfde geldt voor de werkplaatsen, behalve wanneer de aard van de werkzaamheden zulks onmogelijk maakt.

Art. 71. <Zie nota's onder TITEL> In de lokalen waar aanzienlijke hoeveelheden vloeistof kunnen verspreid worden dient de grond waterdicht gemaakt en aldus ingericht dat hij elke stilstand onmogelijk maakt en de gemakkelijke en snelle afloop naar de van een stankafsluiter voorziene leiding verzekert.
De muren dienen op een hoogte van ten minste één meter van een waterdichte bekleding voorzien.

Art. 72. <Zie nota's onder TITEL> Het voor het onderhoud van de werklokalen gebezigd water mag niet besmet zijn.

Art. 72bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 28-12-1951, art. 1> De voor het reinigen of het afdrogen van de machines, de werktuigen en, in het algemeen, van allerlei voorwerpen bestemde lompen en oud linnen zullen slechts nadat zij gewassen en ontsmet zijn mogen gebruikt worden.
Deze lompen en dit oud linnen zullen gewassen en ontsmet worden door ze gedurende ten minste tien minuten in kokend water te laten weken of door elk ander procédé met dezelfde doeltreffendheid, goedgekeurd door de geneesheer-inspecteur van de Dienst voor de medische arbeidsinspectie.
Het wassen en het ontsmetten moeten gebeuren door tussenkomst van het ondernemingshoofd of van de personen die hun de lompen en het oud linnen leveren. In dit laatste geval moet het ondernemingshoofd aan de bevoegde inspectiediensten een geschreven attest van zijn leverancier kunnen voorleggen waarbij verklaard wordt dat die voorwerpen gewassen en ontsmet werden.

Afdeling II. _ <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> Sanitaire voorzieningen

Art. 73. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> De werkgevers stellen ter beschikking van hun werknemers:
a) een kleedkamer en een wasplaats;
b) een refter en een verpozingslokaal;
c) toiletten.
Zij moeten hun eveneens drinkwater of een aangepaste drank verstrekken.
De ligging, de toegangsmodaliteiten en de toegangsuren van de inrichtingen vermeld in het eerste lid, a en b, worden vastgesteld door de werkgever, in akkoord met het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij ontstentenis ervan, met de syndicale afvaardiging.
De werknemers moeten zich vrij naar de toiletten kunnen begeven.
Indien de werknemers tijdens het werk hun handen moeten wassen, worden wastafels in de nabijheid van de arbeidsposten geinstalleerd.
(De in het eerste lid voorziene sanitaire installaties worden, in voorkomend geval, zodanig ingericht dat rekening is gehouden met de tewerkgestelde minder-valide werknemers.) <KB 1993-06-18/32, art. 8, 044; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

A. Kleedkamers en wasplaatsen.
1. Algemene bepalingen.

Art. 74. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> De kleedkamers en de wasplaatsen bevinden zich in één of verschillende lokalen die volledig gescheiden zijn van de werkplaatsen en bureaus. Ze mogen in één enkel lokaal worden ingericht of in belendende lokalen die met elkaar in verbinding staan.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mogen in de bureaus, waarin niet meer dan drie bedienden werkzaam zijn, de voor hen benodigde kleed- en wasgelegenheden worden ingericht.

Art. 75. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> De lokalen waarin de kleedkamers en de wasplaatsen zijn ondergebracht zijn in duurzame materialen gebouwd.
Evenwel mogen op tijdelijke werven, alsmede op de afgelegen werven in de openluchtgroeven de kleedkamers en de wasplaatsen in uitneembare of verplaatsbare constructies, bestand tegen uitwendige en atmosferische agentia, ondergebracht zijn.
De wanden van deze constructies zijn vervaardigd uit harde en isolerende materialen en worden derwijze in elkaar gezet dat tocht en schadelijke infiltraties vermeden worden.
De grond en de muren van de kleedkamers en de wasplaatsen worden tot op een hoogte van twee meter van een effen en waterdichte bekleding voorzien, zodat ze tegen een dagelijkse schoonmaak bestand zijn.

Art. 76. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> De lokalen voor de kleedkamers en de wasplaatsen moeten alle waarborgen inzake veiligheid en salubriteit bieden.
Zij worden goed verlucht en verlicht en de temperatuur moet er, gemeten met een kamerthermometer, 20 °C bedragen.
In de lokalen van de stortbaden moet de temperatuur, gemeten met een kamerthermometer, 22 °C bedragen.
De lokalen voor de kleedkamers en de wasplaatsen worden ten minste eens per dag schoongemaakt. Bij ploegenarbeid worden de lokalen, vóór iedere ploegwisseling schoongemaakt.
Zij moeten met een sleutel kunnen worden gesloten.
Alleen de meubelen die aan de bestemming beantwoorden mogen er zich bevinden. Het is verboden er refters in te richten of het personeel toe te laten er maaltijd te houden.

Art. 77. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> De kleedkamers en wasplaatsen zijn voor beiderlei kunne in afzonderlijke lokalen ondergebracht.
In de ondernemingen bedoeld in artikel 82 beschikken de werknemers die een stortbad moeten kunnen nemen over kleedkamers en wasplaatsen ondergebracht in lokalen die uitsluitend voor deze werknemers zijn bestemd.
2. Kleedkamers.

Art. 78. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> De kleedkamers zijn uitgerust met hetzij kleerhangers bevestigd aan een horizontale staaf, hetzij gewone kapstokken met kleerhaken, hetzij individuele kleerkasten, die roestvrij en gemakkelijk schoon te maken zijn. De keuze ervan wordt voor advies aan het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij ontstentenis ervan, aan de syndikale afvaardiging voorgelegd.
Deze kleedkamers zijn gemakkelijk toegankelijk; de afstand tussen twee rijen kleerhangers, kapstokken of individuele kleerkasten bedraagt ten minste 1,20 m.
Indien gebruik wordt gemaakt van kleerhangers of gewone kapstokken, moeten bovendien rijen van individuele vakken aanwezig zijn, waarvan de minimum binnenafmetingen 30 cm breed, 25 cm hoog en 30 cm diep zijn en waarvan de deur doorboord is of voorzien is van traliewerk zodat de verluchting en discretie verzekerd zijn.
Indien gebruik wordt gemaakt van individuele kleerkasten, zijn deze volledig door volle tussenschotten van elkaar gescheiden. Deze kasten worden doeltreffend verlucht om het drogen van de kleren toe te laten. Binnenin moeten ze ten minste 30 cm breed, 48 cm diep en 1,60 m hoog zijn. Zij zijn voorzien van ten minste een kleerhaak, alsmede, bovenaan, van een legplank voor het hoofddeksel.
Voor de kasten die vóór 1 april 1982 zijn geinstalleerd volstaat een diepte van ten minste 40 cm.
De kleerkasten en de individuele vakken worden volkomen net gehouden.
Indien de kleerkasten mechanisch verlucht worden en in zover de uitgevoerde werken niet bevuilend zijn of niet bestaan in de behandeling of de aanwending van giftige produkten mag de breedte van de kasten teruggebracht worden tot 25 cm, mits gunstig advies van het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij ontstentenis ervan, van de syndicale afvaardiging.
Deze kleerkasten dienen evenwel bovenaan niet voorzien te zijn van een legplank en hun hoogte aan de binnenzijde moet slechts 1,40 m bedragen op voorwaarde dat ze van ten minste twee kleerhaken voorzien zijn en dat de breedte aan de binnenzijde de in het vierde lid voorgeschrevene met ten minste 25 pct. overschrijdt.
De individuele vakken en kleerkasten zijn voorzien van een slot of van bevestigingshaken om ze met een hangslot te sluiten.
Indien gebruik wordt gemaakt van verplaatsbare kleerhangers op een horizontale staaf, wordt het aantal kleerhangers beperkt tot zes per meter; de inrichting wordt aangevuld met een blad van 40 cm breedte.
De kleerhaken van de gewone kapstokken moeten door vrije tussenruimten van ten minste 30 cm van elkaar gescheiden zijn. In geval er verscheidene rijen van kleerhaken bestaan, wordt ertussen een afstand van ten minste 1,20 m gelaten.

Art. 79. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> Elke gebruiker van de kleedkamers beschikt hetzij over tenminste een gewone kleerhaak of een kleerhanger en een individueel vak, hetzij over een individuele kleerkast.
Evenwel worden in de ondernemingen bedoeld in artikel 82 ofwel twee individuele kleerkasten ter beschikking gesteld van ieder werknemer, die stortbaden moet gebruiken, de ene voor de gewone kledij, de andere voor het werkpak ofwel een enkele kleerkast met twee volledig gescheiden vakken die ieder voldoen aan de afmetingen bepaald bij artikel 78. In dit laatste geval zijn er in elk geval een kleerhaak alsmede, bovenaan, een legplank ofwel ten minste twee kleerhaken naar gelang dat de vakken aan de binnenzijde al dan niet 1,60 m hoog zijn.
3. Wasplaatsen.

a. Wastafels.

Art. 80. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> De wasplaatsen bestaan uit individuele of gemeenschappelijke wastafels met leidingwater.
Deze wastafels hebben een doeltreffende afloop van het gebruikte water en zijn derwijze ingericht dat elke gebruiker ervan beschikt over een waterkraan en een vrije ruimte van ten minste 65 cm.
Boven de wastafels is een blad aangebracht waarop de werknemers hun persoonlijke toiletbenodigheden kunnen neerleggen.
Per drie werknemers die gelijktijdig hun werktijd beëindigen is er ten minste één kraan. Dit aantal mag evenwel verminderd worden tot één kraan per vijf werknemers die gelijktijdig hun arbeidsdag beëindigen telkens de aard van het werk en de omstandigheden deze vermindering rechtvaardigen. Deze vermindering is evenwel afhankelijk van het akkoord:
1° van het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij ontstentenis ervan, van de syndicale afvaardiging.
2° van de Medische Arbeidsinspectie.
Zo de onderneming over geen waterleiding beschikt, zijn de wastafels individueel. Het water wordt via pompen of zuivere recipiënten bedeeld.
Aangepaste maatregelen worden genomen om te beletten dat uitwasemingen van afvoerkanalen zich in de lokalen of op de binnenplaatsen verspreiden.
Indien het werken betreft die bestaan in de behandeling of de aanwending van prikkelende, besmette, vette of bevuilende stoffen of kleurstoffen of indien het onderhoudswerken betreft, bepaalt de arbeidsgeneesheer of de wastafels moeten voorzien zijn van kranen met warm en koud water en welk soort zeep moet worden gebruikt.

Art. 81. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004>

b. Stortbaden.

Art. 82. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> De werkgever stelt een stortbad met warm en koud water ter beschikking van zijn werknemers, naar verhouding van één stortbad per groep van zes werknemers die gelijktijdig hun arbeidsdag beëindigen, in:
a) de inrichtingen waar de werknemers onderworpen zijn aan een overmatige warmte, zoals bepaald in artikel 148decies 2.4.2.;
b) de gevallen waarin het werk het lichaam van de werknemer bevuilt door het gebruik van schadelijke, giftige, prikkelende, corrosieve, besmette, vette of bevuilende stoffen of kleurstoffen.

Art. 83. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004>

Art. 84. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> De inrichtingen van de stortbaden bestaan uit afzonderlijke cabines; binnen elke cabine is er een kleerkast opgesteld en één enkel stortbad.
Deze cabines zijn ruim genoeg en op zulke wijze ingericht dat de gebruikers er zich volledig kunnen in afzonderen. Zij zijn door ondoorzichtige wanden van ten minste 1,90 m hoog van elkander gescheiden.
Om het schoonmaken ervan te vergemakkelijken mag onderaan een vrije ruimte van ongeveer 15 cm worden gelaten.
Per vier of zes werknemers die gelijktijdig hun arbeidsdag beëindigen is er een cabine met stortbad naar gelang dat deze laatste van het type van enige deur of van doorgang voor het in- en uitgaan zijn.
Het water van de stortbaden moet een temperatuur van 36 tot 38 °C hebben en in voldoende hoeveelheid gedeeld worden.

Art. 85. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> De vloer van de cabines van de stortbaden moet gemakkelijk schoongemaakt en ontsmet kunnen worden en zo vervaardigd zijn dat uitglijden en vallen vermeden worden. Het water moet naar een buizennet vloeien dat buiten het gebouw uitmondt. Dit buizennet is volledig bedekt en van een luchtafsluiting voorzien.
Maatregelen worden genomen om te voorkomen dat de gebruikers blootgesteld worden aan schadelijke tochten.
4. Gemeenschappelijke bepalingen.

Art. 86. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> Indien het water bestemd voor de wastafels of de stortbaden niet drinkbaar is, biedt het niettemin alle waarborgen inzake salubriteit.
(Verbodsborden, overeenkomstig de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk, op oordeelkundig gekozen plaatsen in de wasplaatsen aangebracht, duiden, in voorkomend geval, aan dat het water niet drinkbaar is.) <KB 1997-06-17/46, art. 20, 063; Inwerkingtreding : 29-09-1997>

Art. 87. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> De werkgevers stellen kosteloos voldoende wasmiddelen ter beschikking van de werknemers die de wasplaatsen gebruiken. Desgevallend stellen zij op advies van de arbeidsgeneesheer de door de aard van de behandelde stoffen vereiste speciale reinigingsprodukten voor de handen alsook beschermende zalven ter beschikking. Ten einde vergiftiging of huidaandoening te vermijden, verbieden zij uitdrukkelijk het gebruik van vluchtige oplosmiddelen of preparaten op basis van vluchtige oplosmiddelen voor de lichaamsverzorging.
Op advies van de arbeidsgeneesheer of van de medische arbeidsinspectie verschaffen zij bovendien aan iedere arbeider die aan een bijzonder gevaar is blootgesteld een nagelborstel alsmede, eventueel, een tandenborstel, een drinkbeker en drinkwater om de mond vóór de maaltijden en na de dagtaak te reinigen.
Zij stellen insgelijks de handdoeken voor de stortbaden en de wastafels ter beschikking.
Zij laten deze handdoeken te gepasten tijde wassen en vervangen, en verbieden uitdrukkelijk de werknemers ze onder welk voorwendsel ook uit de wasplaatsen weg te nemen.
De handdoeken die uitsluitend worden gebruikt voor het drogen van de handen mogen op gunstig advies van het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij ontstentenis ervan, van de syndicale afvaardiging en van de arbeidsgeneesheer, vervangen worden door elk ander systeem dat dezelfde waarborgen biedt inzake salubriteit en opslorping.

B. Refters en verpozingslokalen.

Art. 88. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> De refters worden ingericht in een of meer volledig van de werkplaatsen of bureaus afgescheiden lokalen. Indien er echter niet meer dan drie bedienden in eenzelfde bureau zijn tewerkgesteld, mogen deze bedienden er hun maaltijden gebruiken.
Een verpozingslokaal wordt ingericht in de ondernemingen waarin de werknemers hetzij blootgesteld zijn aan een niveau van temperatuur dat, krachtens dit reglement, een beurtwisseling in het werk tot gevolg heeft, hetzij tewerkgesteld zijn aan werken die een energieverbruik van meer dan 1465 KJ/uur vereisen of die een psychische stress veroorzaken, evenals in de ondernemingen waarin de arbeidsgeneesheer het nodig acht.
Op de deur van het verpozingslokaal wordt een aangepast pictogram aangebracht.
Het verpozingslokaal mag hetzij een bijgebouw van de refter zijn, hetzij ondergebracht worden in een ander lokaal dat eventueel ook tot een ander doel is bestemd.
(De werkgever stelt een onopvallende, goed verluchte, goed verlichte, propere en behoorlijk verwarmde plaats ter beschikking van zwangere vrouwen en zogende moeders, waar zij de mogelijkheid hebben in aangepaste omstandigheden in liggende positie te kunnen rusten.) <KB 1993-06-18/32, art. 9, 044; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

Art. 89. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> De refter en het verpozingslokaal worden gebouwd overeenkomstig de bij artikel 75 voor de kleedkamers en de wasplaatsen opgelegde voorwaarden.
De minimumoppervlakte van de refters, in vrije oppervlakte, wordt berekend op basis van het maximum aantal werknemers die ze gelijktijdig gebruiken:
tot 25 werknemers: 18,5 m2;
van 26 tot 74 werknemers: 18,5 m2 + 0,65 m2 per werknemer meer dan 25;
van 75 tot 149 werknemers: 51 m2 + 0,55 m2 per werknemer meer dan 75;
van 150 tot 499 werknemers: 91 m2 + 0,50 m2 per werknemer meer dan 150;
500 werknemers en meer: 255 m2 + 0,40 m2 per werknemer meer dan 500.
De oppervlakte van het verpozingslokaal hangt af van het aantal werknemers dat aan de hinder bedoeld in artikel 88, tweede lid, blootgesteld is:
tot 10 werknemers: 9 m2;
per schijf van 10 werknemers meer: 2 m2.

Art. 90. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> De refter en het verpozingslokaal bieden alle waarborgen inzake salubriteit. Zij worden goed verlucht, goed verlicht, dagelijks schoongemaakt en tijdens het koude seizoen behoorlijk verwarmd. De tafels in de refter worden na elk gebruik schoongemaakt.
De refters zijn voorzien van:
a) een voldoende aantal tafels en zitgelegenheden met rugleuning;
b) een drinkwaterbedeling;
c) geschikte middelen om de vaat te wassen;
d) geschikte inrichtingen om voedingswaren behoorlijk weg te bergen en op te warmen alsmede om water te koken;
e) vuilnisbakken met deksel om afval en vuilnis in te werpen;
f) een voldoende aantal asbakken.
In de refter en in het verpozingslokaal bevindt zich enkel meubilair dat aan de bestemming van deze lokalen beantwoordt.
Het verpozingslokaal is beschermd tegen de hinder die tot de inrichting ervan aanleiding gaf. De inrichting ervan is afgestemd op deze hinder. Het aantal rustzitplaatsen, aangepast aan de verpozing, is gelijk aan het aantal werknemers die er gelijktijdig moeten over beschikken.

Art. 91. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> In de ondernemingen waar risico voor intoxicatie of besmetting bestaat moeten de werknemers, vóór zij de refter binnenkomen, de handen wassen en hetzij zich omkleden, hetzij overkleding aantrekken.

C. Toiletten.

Art. 92. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> De toiletten bestaan uit waterclosets en urinoirs die aan de welvoeglijkheidsnormen voldoen en tegen regen en tocht beschermd zijn. Ze zijn zo geconstrueerd dat geen uitwasemingen zich in de werkplaatsen kunnen verspreiden.
Al de bijkomende installaties zijn aldus opgevat en geplaatst dat ze geen hinder kunnen veroorzaken.
De toiletten worden goed verlucht, behoorlijk verwarmd, voldoende verlicht en steeds zindelijk gehouden. Zij worden met water schoongemaakt vóór elke arbeidshervatting en ten minste eens per dag.
De toiletten bevinden zich zo dicht mogelijk bij de arbeidsposten, ongeacht de aard van de werkzaamheden en het aantal tewerkgestelde werknemers.
De waterclosets worden verlucht, hetzij rechtstreeks naar buiten toe, hetzij via luchtopeningen die aangebracht zijn onder de deur tot op een hoogte van maximum 10 cm of boven de deur op een hoogte van meer dan 1,90 m.
De urinoirs mogen geplaatst worden in afzonderlijke uitsluitend ervoor voorbehouden lokalen die dezelfde waarborgen bieden als deze bepaald in het eerste lid. Het is verboden urinoirs binnen in de waterclosets te plaatsen.

Art. 93. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> Afzonderlijke en volledig van elkaar gescheiden toiletten worden aan beiderlei kunnen voorbehouden; de vermelding "Mannen" of "Vrouwen" of een aangepast pictogram duidt aan voor welke kunne zij zijn voorbehouden.
Per vier waterclosets of urinoirs is er één wastafel.
Er is toiletpapier ter beschikking; afvalbakjes worden in de waterclosets geplaatst.
In elk watercloset is er één kleerhaak.

Art. 94. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> De toiletten worden op de volgende wijze ingericht:
a) Binnen de gebouwen:
De toiletten mogen niet rechtstreeks met de werkplaatsen, de refters of de kleedkamers in verbinding staan; zij mogen enkel op gangen, voor- of trapportalen uitgeven.
De waterclosets zijn volledig van elkaar gescheiden door volle tussenschotten tot op de grond; er mag nochtans een vrije ruimte van maximum 15 cm onder aan die tussenschotten gelaten worden om het schoonmaken te vergemakkelijken. De waterclosets zijn voorzien van een volle deur, eventueel met luchtopeningen bedoeld in artikel 92, vijfde lid. Elk watercloset moet van binnen kunnen gesloten worden.
Geven de waterclosets rechtstreeks uit op gangen, voor- of trapportalen, dan worden ze naar de bepalingen van het vorige lid ingericht behoudens dat hun deur volledig de opening vult. Elk van deze waterclosets wordt voortdurend en doeltreffend verlucht.
De toiletten zijn voorzien van:
1° in de waterclosets: een closetpot al dan niet voorzien van een beweegbare bril. Deze zijn van duurzame, waterdichte en gladde materialen. Indien closetpotten worden gebruikt, reikt de bril of de pot van 40 tot 50 cm boven de grond en heeft hij bovenaan links en rechts, een effen en horizontale bovenkant van ten minste 20 cm lang en 3 cm breed.
Elk watercloset is voorzien van een waterspoeling.
De hurkclosets met voetsteunen en afvoeropening, geinstalleerd vóór 1 april 1982, mogen in gebruik gehouden worden zolang ze aan de gestelde voorwaarden beantwoorden.
Indien anders niet mogelijk, mogen hetzij chemische waterclosets, hetzij waterclosets met opvangzakjes voor één enkel gebruik worden ingericht.
2° voor de urinoirs: uit vakken met individuele plaatsruimten, afgescheiden door zijschotten en voorzien van een afvoerkanaal. Deze urinoirs zijn van duurzame, waterdichte en gladde materialen.
De urinoirs worden door een voortdurende of met korte tussenpozen werkende waterstroming gespoeld.
b) Buiten de gebouwen:
De waterclosets worden ingericht zoals bepaald in het tweede lid van litera a). In de deuropening ervan is over heel haar breedte een open ruimte van 10 cm onderaan en een andere van 10 cm of meer bovenaan.
De urinoirs zijn door schotten afgescheiden zodat de gebruikers zich behoorlijk kunnen afzonderen.
In afwijking van het bepaalde in artikel 92, tweede lid, moeten de toiletten buiten de gebouwen niet verwarmd worden.
c) Zowel binnen als buiten de gebouwen:
De grond en de scheidingswanden van de waterclosets worden bedekt hetzij met tegels of met een laag glad gemaakt cement, hetzij met enig ander duurzaam en volledig waterdicht materiaal, zodat ze tegen een dagelijkse schoonmaak met water bestand zijn. Hetzelfde geldt voor de grond alsmede voor de muren, tot op een hoogte van twee meter, van de lokalen waarin de waterclosets eventueel ondergebracht zijn. De deuren zijn eveneens afwasbaar.

Art. 95. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004>

Art. 96. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> Het aantal waterclosets is ten minste 1 per 25 werknemers van het mannelijk geslacht die gelijktijdig tewerkgesteld zijn en ten minste 1 per 15 werknemers van het vrouwelijk geslacht die gelijktijdig tewerkgesteld zijn; het aantal urinoirs is onder dezelfde voorwaarden, ten minste 1 per 15 werknemers.
De urinoirs mogen vervangen worden door waterclosets.

D. Dranken.

Art. 97. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> De werkgevers stellen drinkwater of een andere drank, die volgens het advies van de arbeidsgeneesheer, aangepast is in hoeveelheid, kwaliteit en temperatuur aan het soort werk dat uitgevoerd wordt, ter beschikking van hun personeel.
Wanneer de klimatologische omstandigheden het vereisen en in elk geval wanneer de buitentemperatuur lager dan 5°C is, wordt warme drank in voldoende hoeveelheid verstrekt aan de werknemers op de werven.
Individuele drinkbekertjes, eventueel van het wegwerpsoort, worden ter beschikking gesteld. De distributiepunten zijn gemakkelijk bereikbaar.

Art. 98. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> Wanneer het werk bepaalde zware risico's voor vergiftiging of voor besmetting inhoudt of het is bijzonder bevuilend, kan de arbeidsgeneesheer de aanleg van drinkfonteinen of van waterbedelingspunten met wegwerpbekertjes ten behoeve van het voor dit werk aangesteld personeel voorschrijven.

Art. 99. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> Het is verboden gedistilleerde alcoholische dranken en gegiste dranken met meer dan 6 C % volume alcohol binnen te brengen in de fabrieken, werkplaatsen en bureaus alsmede op elke arbeidswerf, de bijhorigheden inbegrepen.

E. Bijzondere bepalingen.

Art. 100. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> In afwijking van de artikelen 74 tot 95 mogen de kleedkamers, de waterkranen, de verschillende lokalen en de toiletten van de woningen van de bedrijfshoofden dienst doen als was- en kleedkamers, verpozingslokalen, refters en toiletten naar de zin van dit reglement, voor zover ze als dusdanig bruikbaar zijn en op voorwaarde:
1° dat het aantal werknemers dat de inrichtingen moet kunnen gebruiken niet groter is dan tien en dat artikel 82, geheel of gedeeltelijk, niet toepasselijk is;
2° dat deze woningen gelegen zijn op de werkplaats zelf of eraan palen ofwel dat ze op korte afstand ervan gelegen zijn, zodat voor de werknemers die zich ernaar moeten begeven geen aanzienlijk tijdverlies veroorzaakt wordt;
3° dat de vereiste inrichtingen in deze woningen werkelijk ter beschikking van de werknemers gesteld worden;
4° dat het gebruik van deze inrichtingen gebeurt onder alle voorwaarden van gewenste welvoeglijkheid;
5° dat de werkgever de geneesheren-arbeidsinspecteurs alsmede de bezoek(st)ers arbeidshygiëne toestaat tijdens de werkuren de ter beschikking van het personeel gestelde inrichtingen van zijn woning te inspecteren.

Art. 101. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004>
§ 1. Met het akkoord van het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij ontstentenis ervan, van de syndicale afvaardiging, en met het akkoord van de Medische Arbeidsinspectie, mogen de bij de artikelen 74 tot 80 bedoelde kleedkamers en wasplaatsen afzonderlijk in van elkaar gescheiden lokalen ingericht worden, wanneer de aard van het werk en de bijzonder gunstige arbeidsvoorwaarden dergelijke afwijking rechtvaardigen. Bovendien mogen, onder dezelfde voorwaarden, de wastafels ingericht worden in de toiletkamers gelegen binnen de gebouwen voor zover ze aan de bepalingen van artikel 80 voldoen.
§ 2. De werkgevers moeten geen refter ten behoeve van hun werknemers inrichten, indien zij daaromtrent het akkoord hebben bekomen van het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij ontstentenis ervan, van de syndicale afvaardiging. In voorkomend geval mogen zij eveneens rekening houden met de specifieke toestand van elke werknemer in dit opzicht om het aantal tafels en zitgelegenheden in de refter, bepaald in artikel 90, derde lid, te berekenen.
§ 3. In de winkelgalerijen mogen de werkgevers de wastafels en de waterclosets alsmede de urinoirs, bedoeld in de artikelen 80 en 92, in één enkel lokaal inrichten. Indien dit niet mogelijk is, mogen zij deze inrichtingen onderbrengen in een voor meerdere werkgevers gemeenschappelijk lokaal, dat voorbehouden is aan het personeel en gelegen is in de galerij. De refter, bedoeld in artikel 88 mag vervangen worden door een gemeenschappelijke refter.

F. Algemene bepalingen.

Art. 102. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> De werkgevers verbieden de werknemers uitdrukkelijk:
1° elders dan in de kleedkamers kledingstukken of toiletartikelen achter te laten;
2° elders dan in de refters of in de kleedkamers pakjes, servetten of dozen, die eetwaren bevatten, te bewaren;
3° elders dan in de refters de maaltijd te gebruiken, behalve in de bij artikel 88 bepaalde uitzondering;
4° de refters in werkkleding binnen te komen, ten minste wanneer deze kleding aan giftige, besmette of bijzonder bevuillende stoffen is blootgesteld geweest; deze bepaling is inzonderheid van toepassing op de werknemers van de bij artikel 82 bedoelde ondernemingen;
5° de drinkbekertjes en dranken te nemen alvorens de handen te hebben gewassen of handschoenen te hebben aangetrokken.

Art. 103. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1982-02-16/01, art. 1, 004> De werknemers moeten:
1° de wasgelegenheden gebruiken en enig toilet maken vóór de maaltijden en na de dagtaak;
2° zo hun stortbaden ter beschikking staan, na de dagtaak een stortbad of een bad nemen.
Het is hun verboden vrijwillig de sanitaire voorzieningen of de bijhorigheden ervan te bevuilen of te beschadigen, of er verkwistingen te doen.

Afdeling III _ Werkkledij <KB 31-01-1974, art. 1>

Art. 103bis1. <Zie nota's onder TITEL> De werknemers bedoeld bij artikel 28 van onderhavig reglement, zijn verplicht tijdens hun normale aktiviteit, een werkkledij te dragen.
De bepalingen van deze afdeling zijn evenwel niet van toepassing op:
1° de handelsvertegenwoordigers;
2° de kantoorbedienden;
3° de bedienden andere dan kantoorbedienden, alsmede de personen die een leidende functie of een vertrouwenspost bekleden en als dusdanig erkend zijn ter uitvoering van artikel 3, § 3, 1° van de arbeidswet van 16 maart 1971, voor zover zij niet blootgesteld zijn aan bevuillingsrisico's wegens hun werkzaamheden of wegens het werkmilieu;
4° de werknemers die voor de uitoefening van hun beroep een uniform moeten dragen, hetzij wegens het bekleden van een betrekking in overheidsdienst, hetzij wegens het gebruik eigen aan het beroep en toegestaan door het bevoegd paritair comité.

Art. 103bis2. <Zie nota's onder TITEL> De werkkledij bestaat uit hetzij een overall, hetzij een pak bestaand uit een broek en een jas of windjak, hetzij een kiel of stofjas.
Het kledingsstuk moet bovendien beantwoorden aan de volgende vereisten:
1° vervaardigd zijn uit een stof van goede kwaliteit, ten einde voldoende waarborgen te bieden inzake bestandheid tegen slijtage of scheuren;
2° aangepast zijn aan de vereisten van de werkpost, derwijze dat een ruime bewegingsvrijheid en een afdoende warmteregeling gewaarborgd zijn, rekening houdend met de fysische arbeidsbelasting;
3° alle veiligheidswaarborgen bieden door enerzijds een degelijke bescherming te verzekeren tegen de risico's van de werkpost en door anderzijds risicotoename of het ontstaan van nieuwe risico's te voorkomen;
4° hermetisch sluiten aan de hals, polsen en enkels indien de werknemer blootgesteld wordt aan het vrijkomen van stof of nevel;
5° geen opschriften vertonen aan de buitenkant, met uitzondering van de benaming van de firma, de naam van de werknemer en de onderscheidingstekens eigen aan zijn functie;
6° onderworpen aan een voorafgaand advies van de arbeidsgeneesheer alsmede van het comité voor de veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen of bij gebreke hieraan van de vakbondsafvaardiging van het personeel, wat betreft de keuze van het model en zijn hoedanigheden.

Art. 103bis3. <Zie nota's onder TITEL> De werkkledij wordt geleverd, gereinigd, hersteld en in normale gebruiksklare staat gehouden door de werkgever en blijft diens eigendom. Het is verboden de werknemers toe te staan hun eigen werkkledij aan te schaffen en er henzelf het onderhoud van te laten verzekeren.

HOOFDSTUK IIbis. <ingevoegd bij KB 1987-11-20/30, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 1987-11-27> Bepalingen betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's verbonden aan blootstelling aan chemische, fysische en biologische agentia.

Art. 103ter. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

Art. 103quater. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

Art. 103quinquies. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

Art. 103sexies. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

Art. N1*103sexies. <Zie nota's onder TITEL> Bijlage 1. <KB 1995-04-11/37, art. 2, 056; Inwerkingtreding : 24-06-1995> Bijlage I bij titel II, hoofdstuk IIbis. Referentiemethode bedoeld in artikel 103sexies, 4, c) :

Art. 1N1. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

Art. 2N1. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

Art. 103septies. <Zie nota's onder TITEL> <ingevoegd bij KB 1987-11-20/30, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 1987-11-27> De aanvullende maatregelen bedoeld in artikel 103quinquies, tweede lid, zijn :
1. het uitoefenen van medisch toezicht op de werknemers voordat zij worden blootgesteld en, daarna, met vaste tussenpozen zoals voorzien bij de artikelen 124 en 128bis. In bijzondere gevallen moeten de werknemers die aan het agens zijn blootgesteld geweest toezicht op hun gezondheidstoestand kunnen genieten na de beëindiging van hun blootstelling;
2. mogelijke kennisneming voor de werknemers en/of voor de leden van het Comité voor Veiligheid, Gezondheid en Verfraaiing van de Werkplaatsen of, bij ontstentenis van dergelijk comité, voor de vakbondsafvaardiging van de resultaten van de metingen aangaande de blootstelling en, wanneer dergelijke tests zijn voorgeschreven, van de anonieme groepsresultaten van de biologische tests die het verband met de blootstelling aantonen;
3. de mogelijkheid voor elke betrokken werknemer kennis te nemen van de resultaten van zijn eigen biologische onderzoeken die het verband met de blootstelling aantonen;
4. voorlichting van de werknemers en/of van de leden van het Comité voor Veiligheid, Gezondheid en Verfraaiing van de Werkplaatsen of, bij ontstentenis van dergelijk comité, van de vakbondsafvaardiging, in geval van overschrijding van de limietwaarden bedoeld in artikel 103sexies, over de oorzaken van de overschrijding en over de maatregelen die genomen werden of moeten worden genomen om eraan te verhelpen;
5. mogelijke kennisneming voor de werknemers en/of voor de leden van het Comité voor Veiligheid, Gezondheid en Verfraaiing van de Werkplaatsen of, bij ontstentenis van dergelijk comité, voor de vakbondsafvaardiging, van een passende informatie waardoor zij een betere kennis kunnen opdoen met betrekking tot de gevaren waaraan zij zijn blootgesteld.

Art. 103octies. <Zie nota's onder TITEL> <ingevoegd bij KB 1987-11-20/30, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 1987-11-27> De werkgever zorgt ervoor dat :
1. de leden van het Comité voor Veiligheid, Gezondheid en Verfraaiing van de Werkplaatsen of, bij ontstentenis van dergelijk comité, de vakbondsafvaardiging, zich van de toepassing van de bepalingen bedoeld in artikel 103quinquies hierboven kunnen vergewissen of erbij kunnen worden betrokken;
2. elke werknemer die op medische gronden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 146bis, tijdelijk wordt onttrokken aan blootstelling aan de werking van een agens, voor zover mogelijk ander werk krijgt.

Art. N2**. <Zie nota's onder TITEL> Bijlage II. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; ED : 24-03-2002>

HOOFDSTUK III - Bepalingen betreffende de gezondheid van de werknemers <KB 16-04-1965, art. 2>

Afdeling I - Geneeskundig toezicht op de werknemers en gezondheidstoezicht op de werkplaatsen <KB 16-04-1965, art. 2>

Onderafdeling I - Arbeidsgeneeskundige dienst <KB 16-04-1965, art. 2>

Art. 104. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 5, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>

Art. 105. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 5, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>

Art. 106. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2>
<Artikel opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest. Ordonnantie 1991-07-17/40, art. 22, 2°; Inwerkingtreding : 15-01-1992> Elke arbeidsgeneeskundige dienst moet door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid worden erkend, mits gunstig advies van een bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid opgerichte commissie waarvan de samenstelling is bepaald in artikel 107.
<Voor de Vlaamse Gemeenschap wordt dit eerste lid bij BVE 1983-03-23/33, art. 2, § 1, 005, vervangen door de volgende bepaling:
Elke arbeidsgeneeskundige dienst moet door de Gemeenschapsminister belast met het gezondheidsbeleid worden erkend, mits gunstig advies is verleend door een commissie, waarvan de samenstelling is bepaald in artikel 107.>
<Bij BFG 1984-07-13/32, art. 2, § 1, 008, gewijzigd door BFG 14 oktober 1991, art. 1, wordt deze alinea voor de Franse Gemeenschap als volgt gewijzigd:
Elke geneeskundige dienst moet worden erkend door de Gemeenschapsminister tot wiens bevoegdheid het gezondheidsbeleid behoort, mits gunstig advies van een Commissie waarvan de samenstelling in artikel 107 bepaald is.
Die erkennig kan alleen worden toegekend aan de arbeidsgeneeskundige diensten of aan de afdelingen van die diensten die door de Executieve woorden erkend als uitsluitend behorend tot de Franse Gemeenschap.
Voor die diensten of afdelingen, zijn de voorwaarden om als uitsluitend tot de Franse Gemeenschap behorend te kunnen worden beschouwd, de volgende :
1° statutair als onafhankelijk worden erkend;
2° onder leiding staan van een Franstalige geneesheerdirecteur;
3° onder een Franstalig paritair comité ressorteren.
De erkende dienst of afdeling is ertoe gehouden naar het Ministerie van Cultuur en Sociale Zaken een verslag te sturen dat overeenstemt met het verslag bedoeld in artikel 121 van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming, waarvan de inhoud beperkt is tot de gegevens die voortvloeien uit de activiteiten uitgeoefend als dienst of afdeling die uitsluitend tot de Franse Gemeenschap behoort.>
Op de erkenningsaanvraag moeten worden opgegeven:
1° de naam, voornaam, hoedanigheid en adres van de aanvrager (of, indien het een bedrijfsgeneeskundige dienst betreft, de naam en het adres van de onderneming);
2° de naam, voornaam, adres alsmede de bijzondere titels en kwalificaties der geneesheren die hij aan die dienst wenst te verbinden;
3° de samenstelling van het personeel, ander dan bovenbedoelde geneesheren, waarover de dienst zal beschikken, alsmede de kwalificatie en de opdrachten van elk der leden;
4° de aard en het eigen doel der bijzondere inrichtingen die de dienst eventueel zal tellen (radiologie, laboratoria, enz.).
Indien het een interbedrijfsgeneeskundige dienst betreft moet de aanvraag om erkenning ook gestaafd zijn door:
1° een afschrift der statuten van die dienst;
2° de opgave van de territoriale of beroepsbevoegdheid die hij wenst toegewezen te krijgen;
3° de opgave, in geval van beroepsbevoegdheid, van de aard der ondernemingen waaraan hij zijn diensten wenst te verlenen;
4° een samenvatting van de beroeps- en wetenschappelijke loopbaan van de dokter die met het bestuur van de dienst zal belast zijn.
Benevens deze aanwijzingen en documenten mag de bevoegde Minister of diens afgevaardigde elke andere inlichting eisen die hij nodig oordeelt. <Bij BVE 1983-03-23/33, art. 2, § 2, 005, wordt voor de Vlaamse Gemeenschap de term "bevoegde Minister" vervangen door "Gemeenschapsminister belast met het gezondheidsbeleid"> <Bij BFG 1984-07-13/32, art. 2, § 2, 008, wordt voor de Franse Gemeenschap de term "bevoegd Minister" vervangen door "Minister van de Franse Gemeenschap tot wiens bevoegdheid de gezondheid behoort">
(De erkenningsakte van een interbedrijfsgeneeskundige dienst bepaalt de territoriale en de beroepsbevoegdheid ervan.) <KB 02-08-1968, art. 3>
De voor een arbeidsgeneeskundige dienst verleende erkenning wordt geschorst indien die dienst niet meer aan de voorwaarde voldoet waarvan die erkenning afhankelijk is of de voorschriften van deze afdeling niet meer naleeft. (De erkenning zal eveneens geschorst worden wanneer, volgens het geval, de werkgever of de beheerraad van de vereniging zonder winstoogmerk die de medische dienst beheert, een arbeidsgeneesheer niet vervangen heeft binnen de termijnen voorzien bij artikel 18 van het koninklijk besluit van 27 juli 1979, tot vaststelling van de modaliteiten waarbij de afgevaardigden van de werknemers in het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of de leden van de syndicale afvaardiging van het personeel de vervanging van een arbeidsgeneesheer bekomen.) <KB 27-07-1979>
Zij mag worden ingetrokken indien de oorzaken der schorsing op de datum van de zestigste dag na de betekening ervan, blijven bestaan of indien de dienst het voorwerp heeft uitgemaakt van twee schorsingsmaatregelen.
De werkgever noch de interbedrijfsgeneeskundige dienst mogen op enige vergoeding uit hoofde van die schorsing of van die intrekking van de erkenning aanspraak maken.
Elke affectatie van een nieuwe arbeidsgeneesheer aan een erkende arbeidsgeneeskundige dienst, met opgave van de naam, voornaam en adres van die geneesheer, alsmede elke wijziging die wordt gebracht aan het statuut van een interbedrijfsgeneeskundige dienst moeten, zonder verwijl, ter kennis van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid worden gebracht.) <Bij BVE 1983-03-23/33, art. 2, § 3, 005, wordt voor de Vlaamse Gemeenschap de term "Minister van Tewerkstelling en Arbeid" vervangen door "Gemeenschapsminister belast met het gezondheidsbeleid"> <Bij BFG 1984-07-13/32, art. 2, § 3, 008, wordt voor de Franse Gemeenschap de term "Minister van Tewerkstelling en Arbeid" vervangen door "Minister van de Franse Gemeenschap tot wiens bevoegdheid de gezondheid behoort">

Art. 107. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> De in voorgaand artikel voorziene erkenningscommissie is samengesteld uit:
1° de directeur-generaal van de Administratie van arbeidshygiëne en -geneeskunde die het voorzitterschap ervan op zich neemt;
2° de inspecteur-generaal, hoofd van de dienst van de Medische Arbeidsinspectie die er de verslaggever van is;
3° drie door de representatieve werkgeversorganisaties voorgedragen werkende leden;
4° drie door de representatieve werknemersorganisaties voorgedragen werkende leden;
5° zes door de representatieve organisaties van het Medisch Korps voorgedragen leden-dokters.
Deze zes leden-dokters moeten bijzonder bedreven zijn op het stuk van de arbeidsgeneeskunde en deze laatste beoefenen bij een onderneming die onder toepassing valt van deze afdeling of van het besluit van de Regent van 25 september 1947 houdende algemeen reglement betreffende de maatregelen op gebied van hygiëne en gezondheid der arbeiders in de mijnen, ondergrondse groeven en graverijen;
6° een door de Minister van Volksgezondheid en van het Gezin aangewezen en aan het Bestuur van de Volksgezondheid verbonden dokter;
7° een secretaris en een adjunct-secretaris.
Er zijn evenveel plaatsvervangende leden als er werkende leden, vertegenwoordigers van de representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties en van het Medisch Korps zijn.
De secretaris en de adjunct-secretaris worden benoemd door de Koning, evenals de werkende en de plaatsvervangende ledenvertegenwoordigers van de representatieve organisaties van de werkgevers, van de werknemers en van het Medisch Korps, welke worden gekozen uit door die organisaties overgelegde dubbele lijsten.
Het mandaat van de personen waarvan sprake in voorgaand lid duurt zes jaar, maar kan worden vernieuwd.
De in dit artikel bedoelde commissie stelt een huishoudelijk reglement op dat door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid moet worden goedgekeurd.
(Al de leden van de Commissie zijn stemgerechtigd, behalve de secretaris en de adjunct-secretaris. Het plaatsvervangend lid is alleen stemgerechtigd als hij een afwezig werkend lid vervangt.
De commissie beraadslaagt slechts geldig indien ten minste de helft van de stemgerechtigde leden aanwezig zijn.
Een advies wordt als geldig beschouwd wanneer het een opinie weergeeft die de gewone meerderheid van stemmen van de aan de bespreking deelnemende leden bekomt. In geval van staking van stemmen is die van de voorzitter doorslaggevend.) <KB 02-08-1968, art. 5>
<Voor de Vlaamse Gemeenschap wordt dit artikel 107 bij BVE 1983-03-23/33, art. 3, 005, vervangen door de volgende bepaling :
Art. 107. <Zie nota's onder TITEL> De erkenningscommissie, waarin is voorzien in voorgaand artikel, is samengesteld als volgt:
(1° een voorzitter niet-ambtenaar en jurist met bijzondere kennis van het arbeidsrecht en gezondheidszorg en benoemd door de Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid;) <BVR 1998-09-29/35, art. 1, 065; Inwerkingtreding : 20-10-1998>
2° drie leden, voorgedragen door de representatieve werkgeversorganisaties;
3° drie leden, voorgedragen door de representatieve werknemersorganisaties;
4° drie leden-arbeidsgeneesheren, voorgedragen door de Vlaamse arbeidsgeneesherenorganisaties;
5° één arts, verbonden aan de administratie voor de gezondheidszorg, in het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, aangewezen door de Gemeenschapsminister belast met het gezondheidsbeleid;
6° één ambtenaar, verbonden aan de administratie economie en werkgelegenheid van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, aangewezen door de Gemeenschapsminister belast met het werkgelegenheidsbeleid;
(7° één ambtenaar zonder stemrecht, aangewezen door de directeur-generaal van de administratie Gezondheidszorg van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, die het secretariaat waarneemt.) <BVR 1998-09-29/35, art. 1, 065; Inwerkingtreding : 20-10-1998>
De leden sub 2° tot en met 4° worden benoemd door de Vlaamse Executieve, op voorlegging door bedoelde organisaties van dubbele voordrachtlijsten. Voor elk van deze leden wordt volgens dezelfde procedure een plaatsvervanger aangewezen.
(Het mandaat van de leden vermeld onder het eerste lid sub 1° tot en met 6° duurt vier jaar, maar kan worden vernieuwd.) <BVR 1998-09-29/35, art. 1, 065; Inwerkingtreding : 20-10-1998>
De Commissie stelt een huishoudelijk reglement op, dat door de Gemeenschapsminister, belast met het gezondheidsbeleid, moet worden goedgekeurd.>
<Bij BFG 1989-01-23/33, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 1989-03-24 wordt art. 107 voor de Franse gemeenschap vervangen door volgende bepalingen :
Art. 107. <Zie nota's onder TITEL> De Commissie voor de erkenning bedoeld bij vorig artikel is samengesteld zoals volgt :
1° vier leden gekozen op grond van hun bijzondere bevoegdheid inzake arbeidsgeneeskunde;
2° vier leden voorgesteld door de representatieve organisaties van de werkgevers;
3° vier leden voorgesteld door de representatieve organisaties van de werknemers;
4° de directeur-generaal van de Gezondheid van het Ministerie van de Franse Gemeenschap of zijn vertegenwoordiger, die het voorzitterschap bekleedt en een ambtenaar van niveau 1 die deel uitmaakt van de Inspectie van de preventieve geneeskunde van het Ministerie van de Franse Gemeenschap en die de prerogatieven van de voorzitter bij diens afwezigheid aanvaardt;
5° vijf leden arbeidsgeneesheren voorgesteld door de franstalige organisaties van de arbeidsgeneesheren;
6° de Executieve van het Waalse Gewest kan een ambtenaar aanwijzen die behoort tot de Algemene Directie van Economie en Tewerkstelling van het Ministerie van het Waalse Gewest;
7° een lid gekozen op grond van zijn bijzondere bevoegdheid inzake beroepsziekten.
Een plaatsvervanger wordt aangewezen voor elk lid dat niet ambtenaar is.
Een ambtenaar van de Algemene Directie van de Gezondheid, aangewezen door de Minister tot wiens bevoegdheid de gezondheid behoort, neemt het secretariaat waar.
Deze ambtenaar is niet stemgerechtigd.
De leden worden aangewezen door de Franse Gemeenschapsexecutieve, op voordracht van de Minister van de Franse Gemeenschap tot wiens bevoegdheid de gezondheid behoort.
Het mandaat duurt vier jaar; het is hernieuwbaar.
De Commissie stelt haar huishoudelijk reglement op dat goedgekeurd moet worden door de Minister van de Franse Gemeenschap, tot wiens bevoegdheid de gezondheid behoort.
De Commissie beraadslaagt slechts geldig indien ten minste de helft van de stemgerechtigde leden aanwezig zijn.
Een advies wordt als geldig beschouwd indien het de mening weergeeft die de eenvoudige meerderheid van stemmen heeft gekregen van de leden die aan de beraadslaging deelnemen.
In geval van staking, is de stem van de voorzitter doorslaggevend.>

Art. 108. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> § 1. (De geneesheer-diensthoofd stelt een verslag op met betrekking tot de verstreken tijdspanne en dat betrekking heeft op inzonderheid de werkzaamheden van de dienst, de preventiemaatregelen die zijn aandacht hebben gewekt, de resultaten die hij heeft bereikt en de maatregelen die hij voorstelt.
Dit verslag stemt overeen met het door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid vastgestelde model, zowel wat de presentatie als de inhoud betreft.) <KB 1999-05-03/87, art. 36, 069; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
§ 2. (Indien de bevoegdheid van de bedrijfsgeneeskundige dienst in toepassing van de bepalingen van artikel 105, derde lid, werd uitgebreid tot andere ondernemingen, maakt de geneesheer-diensthoofd van de geneeskundige dienst, voor elk van de ondernemingen die hij, bedient een verslag op, in de zin van het in de voorgaande paragraaf, derde lid, bedoelde, uitsluitend betreffende die onderneming.
Dat verslag wordt gestuurd naar de onderneming die het betreft ten behoeve van het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen of bij ontstentenis ervan, naar haar dienst voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen.
De leden van dat comité of het hoofd van die dienst ontvangen dat verslag binnen dezelfde termijn en met hetzelfde doel als voorzien in de voorgaande paragraaf.
In diezelfde onderneming wordt het comité of de bovenbedoelde dienst, al naargelang van het geval, betrokken bij de werkzaamheden van de geneeskundige dienst.) <KB 02-08-1968, art. 7>

Art. 109. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 5, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>

Art. 110. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 2002-02-20/33, art. 34, 070; Inwerkingtreding : 31-12-2001>

Art. 111. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 5, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>

Art. 112. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 5, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>

Art. 113. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 5, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>

Art. 114. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 5, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>

Art. 115. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> Elke klacht met betrekking tot beroepsfouten die de arbeidsgeneesheer worden aangewreven zal worden medegedeeld aan de hoofdgeneesheer-directeur van de arbeid die, na onderzoek waarbij de klacht gegrond werd bevonden, de Orde der Geneesheren ervan zal in kennis stellen.

Art. 116. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 5, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>skundige dienst of diensten.

Art. 116bis. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 5, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>

Art. 116ter. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 5, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>

Art. 117. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> De arbeidsgeneesheren moeten hun functies persoonlijk uitoefenen. Benevens de opdrachten waarvoor zij krachtens de bepalingen van de artikelen 147septies tot 148 moeten instaan, moeten zij zich persoonlijk, of met de hulp van bevoegde medewerkers, belasten met de onder artikel 125, § 1, 1°, voorgeschreven algemene nasporingen; het algemeen klinisch onderzoek voorzien onder artikel 128bis, eerste lid, en tevens met de inentingen en nieuwe inentingen die, in toepassing (van het koninklijk besluit van 4 augustus 1996 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's bij blootstelling aan biologische agentia op het werk), moeten worden verricht. <KB 1996-08-04/07, art. 83, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>
Indien de arbeidsgeneesheren zich niet persoonlijk belasten met de bijzondere onderzoekingen met de radiologische onderzoekingen waarvan sprake in de artikelen 125 en 128bis, moeten zij erover waken dat ze te gepasten tijde worden verricht door dokters, medische organismen of medische laboratoria, die hun, met hun akkoord, door de werkgever of door de bestuursraad van de interbedrijfsgeneeskundige diensten werden aangewezen.

Art. 118. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> Wanneer een arbeidsgeneesheer zijn functies om reden van verlof, van ziekte, van ongeval of van enige andere oorzaak moet onderbreken en de dienst waaraan hij verbonden is bijgevolg onmogelijk nog zijn verplichtingen kan nakomen, door het feit dat de in deze afdeling voorgeschreven medische onderzoekingen niet binnen de voorziene tijdsspanne kunnen worden uitgevoerd, moet de werkgever of de bestuursraad van de interbedrijfsgeneeskundige dienst, al naargelang van het geval, die dokter voorlopig vervangen.
Voor zover het ingevolge de omstandigheden noodwendig is moet de geneesheer-plaatsvervanger om aan de voorschriften van artikel 111 te voldoen, bijzondere titels voeren die minstens die van de afwezige dokter waard zijn.
Om de toepassing van de bepalingen van dit artikel zoveel mogelijk te vergemakkelijken, moet elke arbeidsgeneesheer trachten de werkgever of de raad van beheer van de interbedrijfsgeneeskundige dienst, al naargelang van het geval, dokters aan te wijzen die hem, rekening houdend met hogerbedoelde voorschriften, wanneer zulks nodig is op bevredigende wijze kunnen vervangen. Die dokters moeten aan andere arbeidsgeneeskundige diensten verbonden zijn of een der in artikel 112, vijfde lid, bedoelde diploma's bezitten. De arbeidsgeneesheer laat aan de werkgever of bovenbedoelde raad de naam, voornaam, adres en telefoonnummer van die dokters kennen.

Art. 119. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 5, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>

Art. 120. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> De vestiging, inrichting, uitrusting en de werking van de arbeidsgeneeskundige dienst moeten aan volgende voorwaarden voldoen:
1° Bedrijfsgeneeskundige dienst:
Deze dienst wordt ondergebracht in lokalen die uitsluitend tot dat doel zijn voorbehouden, die gevrijwaard zijn voor elke schadelijke invloed (rook, stof, uitwasemingen, trillingen, enz.) en die op zulke manier zijn ingericht dat geen enkel geluid de medische onderzoekingen kan storen.
Die lokalen moeten op zijn minst bestaan in een wachtzaal, kleedhokjes, een rustkamer, een lokaal voorbehouden voor het secretariaat, voor het archief, enz., en tevens een verbandzaal indien de zorgen aan de door ongeval getroffenen in bedoelde dienst worden verstrekt.
Zij moeten goed verlicht, goed verlucht en voorzien zijn van een verwarmingssysteem dat toelaat in elk seizoen een voldoende hoge temperatuur te houden.
Een kamerthermometer moet blijvend geplaatst zijn op zijn minst in elk lokaal waar de werknemers zich moeten verkleden, moeten onderzocht of verzorgd worden.
De lokalen moeten voorzien zijn van al het nodige materieel dat bij het doel waartoe zij dienen te pas komt.
Een drinkwatervoorziening, koud en warm, moet in elk medisch kabinet en in elke verbandzaal voorhanden zijn.
De dienst moet voorzien zijn van een telefoonpost waarmee verbindingen met het openbaar net mogelijk zijn.
Het aan de dienst verbonden personeel moet beschikken over volgens dezelfde regels ingerichte en aan dezelfde eisen beantwoordende gezondheidsinrichtingen (kleedplaats, lavabo's, refter, privaten) als deze voorzien in de artikelen 73 tot 103 van dit reglement. Bij de privaten moeten wasbekkens met stromend water voorzien van handdoeken en zeep, ingericht zijn. Er moeten ten minste evenveel wasbekkens als privaten zijn.
De te onderzoeken personen moeten eveneens beschikken over op dezelfde manier ingerichte, uitsluitend te hunnen gebruike bestemde en volledig per kunne van elkaar gescheiden privaten, tenzij die personen toegang kunnen hebben tot dicht genoeg gelegen en aan de in bovengenoemde artikelen die er betrekking op hebben gestelde eisen beantwoordende sanitaire inrichtingen bestemd voor het personeel van de onderneming.
Een medische uitrusting van goede kwaliteit moet ter beschikking van de arbeidsgeneesheren worden gesteld. Dat moet deze laatsten toelaten de onderzoekingen die ze moeten verrichten naar behoren, volgens de gebruikelijke methoden, uit te voeren. Indien een micriscoop voorzien is moet het bij voorkeur een van binoculair type zijn.
Bijlage I van deze afdeling verstrekt de minimumlijst van het materieel dat nodig is om de in artikel 125, § 1, 1°, voorziene algemene onderzoekingen uit te voeren.
(Indien verschillende dokters verbonden zijn aan de arbeidsgeneeskundige dienst en zij tegelijkertijd onderzoekingen moeten uitvoeren, moet ieder van hen beschikken over een afzonderlijk kabinet, voorzien van de nodige medische uitrusting voor bovengenoemde onderzoeken, alsook over het nodige meetmaterieel voor het toezicht op de hygiënische arbeidsvoorwaarden.) <KB 20-05-1980, art. 6>
2° Interbedrijfsgeneeskundige dienst:
Deze dienst moet op alle punten beantwoorden aan dezelfde voorwaarden als deze die in bovenstaande 1° worden gesteld voor de bedrijfsgeneeskundige dienst.
De medische onderzoekingen mogen evenwel plaats hebben:
hetzij in een gemeen centrum voor alle of voor sommige der aangesloten ondernemingen;
hetzij in de aangesloten ondernemingen, indien deze laatste het wensen en indien het mogelijk is er de onderzoekingen uit te voeren onder voorwaarden die elke wenselijke waarborg bieden.
a) Ingeval de onderzoekingen gebeuren in een gemeenschappelijk centrum:
Dit centrum moet gevestigd, ingericht en uitgerust zijn onder dezelfde voorwaarden als deze voorzien in 1° hierboven voor de bedrijfsgeneeskundige dienst.
Wanneer de bevoegdheid van de interbedrijfsgeneeskundige dienst zich uitbreidt tot geografisch zeer verspreide of afgezonderde bedrijven, richt die dienst, indien nodig, verschillende onderzoekingscentra op en dit op zodanig gekozen plaatsen dat de betrokken werknemers er niet overdreven veel tijd moeten over doen om er te komen.
b) Ingeval de onderzoekingen gebeuren in de aangesloten ondernemingen:
De werkgever moet ten minste twee lokalen van voldoende afmetingen ter beschikking stellen van de arbeidsgeneesheer: het eerste om te dienen als wachtzaal, het tweede als medisch kabinet.
Het secretariaat zal op zulke manier worden waargenomen dat het alle gewenste waarborgen biedt inzake discretie.
Een bijkomend lokaal, speciaal ten gebruike van het secretariaat moet worden ingericht indien de onderneming gewoonlijk minstens vijftig werknemers telt.
Die lokalen en elke inrichting die erbij behoort moeten volledig beantwoorden aan de bepalingen van 1° hierboven betreffende deze die tot hetzelfde doel dienen.
In het medisch kabinet moet al het nodige materieel voor die onderzoekingen voorhanden zijn.
Dit materieel mag gemeenschappelijk gebruikt worden door de betrokken ondernemingen en telkens ter plaatse gebracht worden door toedoen van de geneeskundige dienst waarbij die ondernemingen zijn aangesloten.
De onderneming moet evenwel bovenbedoelde lokalen en materieel niet ter beschikking stellen van de arbeidsgeneesheer indien die onderzoekingen even doeltreffend kunnen worden verricht in een dispensariumwagen die voorzien is van materieel en die beantwoordt aan de door de (Minister van Tewerkstelling en Arbeid) vastgestelde voorwaarden. <KB 02-08-1968, art. 11>
Zohaast de onderzoekingen gedaan zijn moeten de medische dossiers der werknemers waarvan sprake in artikel 146quinquies opnieuw op hun plaats in het centrum van de interbedrijfsgeneeskundige dienst worden teruggebracht. Ze mogen niet in de bij die dienst aangesloten ondernemingen gelaten worden.
In alle om het even welke onder deze bepalingen vallende lokalen en in alle inrichtingen die erbij behoren, moeten de verwarmingstoestellen met brandstof beantwoorden aan de in artikel 65, eerste lid, van dit reglement gestelde eisen.

Art. 120bis. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 2002-02-20/33, art. 34, 070; Inwerkingtreding : 31-12-2001>

Art. 120ter. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 5, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>, art. 5, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>

Art. 121. <Zie nota's onder TITEL> <KB 02-08-1968, art. 12> § 1. (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 5, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
§ 2. De hoofdgeneesheer van de bedrijfsgeneeskundige dienst die in toepassing van artikel 105, derde lid, optreedt voor een zeker aantal ondernemingen, moet een afzonderlijk activiteitsverslag opmaken voor elk van die ondernemingen.
De inhoud van dat document die zich bepaalt bij de door de geneeskundige dienst in de betrokken onderneming gevoerde activiteiten, wordt voorgelegd aan haar comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen, of, bij ontstentenis, aan het hoofd van de dienst voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen.
§ 3. De geneesheer-directeur van de interbedrijfsgeneeskundige dienst maakt, bovendien, een afzonderlijk activiteitsverslag op voor elke aangesloten onderneming die ten minste vijftig werknemers te werk stelt.
De inhoud van dat document, die zich bepaalt bij de door de geneeskundige dienst in de betrokken onderneming gevoerde activiteiten, wordt voorgelegd aan haar comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen.

Art. 122. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 5, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>

Art. 123. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> De prestaties van de arbeidsgeneeskundige diensten en de bezoeken die de werknemers aan die diensten moeten brengen in toepassing van de bepalingen van deze afdeling, mogen voor de werknemers geen enkele uitgave met zich brengen.
(Deze laatsten worden aan de medische onderzoeken, inentingen, nieuwe inentingen of andere aanvullende proeven of testen onderworpen tijdens de gewone werkuren. De hieraan bestede tijd wordt als arbeidstijd bezoldigd.
Zal als nietig beschouwd worden elke oproeping, gericht aan een werknemer, om te verschijnen voor een arbeidsgeneeskundige dienst hetzij buiten zijn gewone arbeidstijd, hetzij in de loop van een periode van schorsing van de arbeidsovereenkomst.
De Minister van Tewerkstelling en Arbeid kan met betrekking tot bepaalde categorieën van werknemers afwijkingen voorzien op bovenvermelde verbodsbepaling na vooraf het advies van het bevoegde paritair comité te hebben ingewonnen.) <KB 1981-05-15/30, art. 1 , 002>
Onverminderd de bepalingen van artikel 133, 3°, betreffende het voortgezet medisch toezicht over de werknemers die aan ioniserende stralingen zijn blootgesteld geweest, vallen de uit de organisatie, het bestuur en de werking van bovenbedoelde diensten voortvloeiende kosten ten laste van de onderneming.
Nochtans, en voor zover zij niet moeten worden verricht in toepassing van de bepalingen van bijlage II van deze afdeling, kan men bekomen dat de radiologische onderzoekingen der borstorganen van de personen die de leeftijd van 21 jaar niet hebben bereikt gratis worden verricht door het Belgisch Nationaal Werk voor Tuberculosebestrijding of door de met dat doel door de Minister van Volksgezondheid en van het Gezin erkende radiologische diensten.

Onderafdeling II _ Medisch toezicht over de werknemers <KB 10-04-1974, art. 1>

Algemene bepalingen _ <KB 10-04-1974, art. 1>

Art. 123bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 10-04-1974, art. 1> Om zijn beslissingen aangaande de gezondheidstoestand van iedere te onderzoeken persoon te staven en de toepassing van individuele en collectieve beschermingsmaatregelen ten gunste van deze laatste voor te stellen, moet de arbeidsgeneesheer de resultaten van zijn geneeskundig onderzoek in samenhang brengen met de besluiten van de studie van de werkpost, die belanghebbende bezet of zal bezetten.

A. _ Medische onderzoekingen.
(opschrift opgeheven) <KB 28-11-1978, art. 1>

Art. 124. <Zie nota's onder TITEL> <KB 28-11-1978, art. 1> § 1. Zijn verplicht zich aan de geneeskundige onderzoekingen te onderwerpen:
1° de werknemers blootgesteld aan een risico van beroepsziekten veroorzaakt door een van de in de bijlage 2 van deze afdeling vermelde agentia;
2° de werknemers die een veiligheidspost bekleden.
Onder veiligheidspost wordt verstaan elke betrekking die het besturen omvat van motorvoertuigen, kranen, rolbruggen, hijswerktuigen, van welke aard ook, machines waarmee gevaarlijke installaties of toestellen in werking worden gesteld, in zover het besturen van die tuigen, machines of installaties de veiligheid van de werkgezellen van met deze post beklede werknemer in gevaar kan brengen;
3° de werknemers die, hoofdens hun beroepsbezigheid, rechtstreeks in contact komen met voedingswaren of -stoffen, om het even of deze waren of stoffen bestemd zijn voor de verkoop of voor consumptie ter plaatse door de cliëntele of door het personeel van de onderneming;
4° de minder-validen die de werkgever moet in dienst nemen in uitvoering van artikel 21, § 1, van de wet van 16 april 1963 betreffende de sociale reclassering van de minder-validen;
5° (de jongeren op het werk zoals bedoeld bij artikel 12 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende de bescherming van de jongeren op het werk;) <KB 1999-05-03/38, art. 13, 1°, 068; Inwerkingtreding : 13-06-1999>
(6° de werknemers die werken in arbeidsomstandigheden waardoor zij blootgesteld worden aan beroepsgebonden uitwendige belasting en die zijn gedefinieerd in bijlage IIbis van deze afdeling.) <KB 1993-08-27/31, art. 9, 047; Inwerkingtreding : 31-12-1992>
§ 2. Voor de bepaling van de risico's die voor de werknemers bedoeld in § 1, 1° tot 3°, tot de geneeskundige onderzoekingen verplichten wordt de volgende procedure in acht genomen:
a) de werkgever maakt een inventaris op:
1) van de werkzaamheden die in zijn onderneming worden uitgevoerd en van de produkten die er gebruikt worden en waarvan hij vermoedt dat zij schadelijke uitwerking hebben te wijten aan een of meer van de in de bijlage 2 van deze afdeling vermelde agentia;
2) van de voertuigen, tuigen, installaties of machines waarvan het gebruik een zelfs potentieel gevaar inhoudt voor de veiligheid van de op deze plaatsen tewerkgestelde werknemers;
3) van de plaatsen waar voedingswaren of -stoffen door menselijk contact kunnen worden bezoedeld of besmet.
b) vervolgens gaat hij over tot volgende bewerkingen:
1) hij maakt een opgave van de verschillende risico's van beroepsziekten, hergroepeert ze per werkpost en maakt de lijst op van die posten met vermelding voor elk van die posten van de verschillende risico's die ermee samengaan;
2) vertrekkend van het materieel, geinventariseerd overeenkomstig de onder a) 2, bepaalde procedure onderzoekt hij de toestand van de voor de besturing van deze tuigen of machines aangewezen persoon of personen en stelt hij een lijst op van die werkposten die als veiligheidsposten moeten worden beschouwd;
3) in voorkomend geval maakt hij de lijst op van de werkposten waar de werknemers voedingswaren of -stoffen kunnen bezoedelen of besmetten.
Hierna verenigt hij de drie bovengenoemde lijsten tot één enkele lijst van de werkposten waaraan risico's zijn verbonden, "lijst van de risicoposten" genoemd. Voor elke op deze lijst opgenomen post wordt opgegeven welke verschillende risico's eraan verbonden zijn.
c) de lijst van de risicoposten wordt door de werkgever medegedeeld aan de arbeidsgeneesheer. Deze laatste onderzoekt deze lijst en maakt van zijn bevindingen een schriftelijk verslag dat hij aan de werkgever toestuurt, hetzij na een onderzoek van de toestand ter plaatse, hetzij wanneer hij kennis heeft van de werkposten, voor zover het laatste schriftelijk verslag over zijn bevindingen ter plaatse niet ouder is dan twaalf maanden;
d) de lijst van de risicoposten vervolledigd door het verslag van de arbeidsgeneesheer wordt voor advies voorgelegd aan het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij ontstentenis ervan, aan de syndicale afvaardiging.
§ 3. De werkgever is ertoe gehouden elke persoon die kandidaat is voor een dezer risicoposten aan een medisch onderzoek bij aanwerving te onderwerpen.
Deze verplichting geldt eveneens voor de (in § 1, 4° en 5° bedoelde personen). <KB 1999-05-03/38, art. 13, 2°, 068; Inwerkingtreding : 13-06-1999>
(Deze verplichting wordt herhaald voor elke aanstelling van aan ioniserende straling blootgestelde personen en werknemers in de inrichtingen van klasse I, bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen.) <KB 1990-12-05, art. 2, 030; Inwerkingtreding : 01-06-1991>
De beslissing van de arbeidsgeneesheer inzake het geneeskundig onderzoek bij de aanwerving moet worden genomen vóór de indiensttreding van betrokkene. Zij mag worden uitgesteld tot veertien dagen na de indiensttreding voor de werknemers wier arbeidsovereenkomst zich over een langere looptijd van deze tijdsspanne uitstrekt.(Dit uitstel wordt niet toegestaan ingeval het gaat om aan ioniserende straling blootgestelde personen en werknemers.) <KB 1990-12-05/30, art. 2, 030; Inwerkingtreding : 01-06-1991>
§ 4. De werkgever is verplicht aan de periodieke onderzoekingen te onderwerpen en, in voorkomend geval, aan de onderzoekingen bij werkhervatting, elke werknemer tewerkgesteld op een risicopost evenals de werknemers bedoeld in § 1, 4° en 5°. Met dat doel:
a) maakt hij de naamlijst op van degenen die werken op een dezer risicoposten en duidt naast de naam van elke werknemer de reeks aan van de risico's die aan deze post verbonden zijn;
b) de werkgever vervolledigt deze naamlijst met de namen van de (in § 1, 4° en 5°, bedoelde personen). <KB 1999-05-03/38, art. 13, 3°, 068; Inwerkingtreding : 13-06-1999>
Deze lijst wordt bijgewerkt naar gelang van de evolutie van de risico's en van de werknemers die eraan blootgesteld worden evenals van de indienstneming en het vertrek van (in § 1, 4° en 5°, bedoelde personen). <KB 1999-05-03/38, art. 13, 3°, 068; Inwerkingtreding : 13-06-1999>
(§ 5. De werkgever is ertoe gehouden elke in § 1, 6°, bedoelde werknemer te onderwerpen aan een beoordeling van zijn gezondheid op het ogenblik van zijn indiensttreding en telkens wanneer een werknemer ingevolge een werkverandering aan dergelijke belasting wordt blootgesteld, en, in voorkomend geval, aan de periodieke onderzoeken en de onderzoeken bij werkhervatting. Te dien einde :
a) stelt hij een inventaris op van de arbeidsomstandigheden waardoor blootstelling optreedt aan beroepsgebonden uitwendige belasting en die zijn bepaald in bijlage IIbis van deze afdeling;
b) stelt hij een naamlijst op van de werknemers waarbij hij naast elke naam de arbeidsomstandigheden vermeldt.
Deze lijst wordt bijgewerkt naar gelang van de ontwikkeling van de arbeidsomstandigheden en de bezetting van de tewerkgestelde werknemers.) <KB 1993-08-27/31, art. 9, 047; Inwerkingtreding : 31-12-1992>
1. _ Onderzoek bij aanwerving. <KB 28-11-1978, art. 2>

Art. 125. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> § 1. Het geneeskundig onderzoek bij indienstneming moet ten minste bestaan in:
1° volgende algemene nasporingen:
a) een anamnese met betrekking tot de beroeps- en de geneeskundige antecedenten.
(Voor de personen die tewerkgesteld zullen worden in een functie of op een plaats die zich in de lijst bevindt van de risicoposten bedoeld in artikel 124, § 2, moet deze anamnese het mogelijk maken het bij artikel 146quinquies voorgeschreven medisch dossier op te maken of te vervolledigen.
Voor de personen die blootgesteld zullen worden aan het risico van ioniserende straling, moet deze anamnese het bovendien mogelijk maken de voorgaande uitwendige en inwendige blootstellingen en besmettingen op te zoeken en na te gaan.) <KB 1990-12-05, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 01-06-1991>
b) het meten van de gestalte, het gewicht, de borstomtrek bij in- en bij uitademing, het tellen van de polsslag, het meten van de bloeddruk, van de gezichtsscherpte van elk der ogen, van de gehoorscherpte aan de linker- en de rechterkant;
c) het gebruikelijk klinisch onderzoek van de algemene gezondheidstoestand en van de verschillende systemen en organen, inbegrepen de huid, de tanden, de mondholte en de neuskeelholte;
d) de opsporing van de misvormingen;
e) de opsporing van albumine en van suiker in de urine;
f) de opsporing der contra-indicaties met betrekking tot de aangevraagde post;
2° al naargelang van het geval, de in bijlage II van deze afdeling voorziene bijzondere medische onderzoekingen wanneer het personen betreft die zullen worden blootgesteld aan risico voor in die bijlage bedoelde beroepsziekten.
(De bijzondere onderzoekingen moeten bestaan in opsporingstesten van biochemische, hematologische of organische letsels en van functionele onderzoekingen (longen, nieren, lever). De aard van die onderzoekingen wordt vermeld in de lijsten opgenomen in genoemde bijlage. Het aangeduide onderzoek mag vervangen worden door ieder ander, dat qua gevoeligheid dezelfde waarborgen biedt.
Voor het bepalen van deze onderzoekingen houdt de arbeidsgeneesheer rekening met de gezondheidstoestand en de antecedenten van de werknemer, de aard en de belangrijkheid van het risico, alsmede de wijze waarop de ziekteverwekkende agens wordt opgenomen.) <KB 10-04-1974, art. 4>
§ 2. (Het medisch onderzoek bij indienstneming mag worden aangevuld met het radiologisch onderzoek van de borstorganen indien de arbeidsgeneesheer het nuttig oordeelt. Dit radiologisch onderzoek is inzonderheid aangewezen niet alleen wanneer een van de verschillende aandoeningen wordt vastgesteld of vermoed die in de regel tot een dergelijk onderzoek aanleiding geven, maar ook telkens als de anamnese aantoont dat de betrokken persoon voordien een beroep heeft uitgeoefend dat risico voor pneumoconiosis bood.
Het hierboven bedoelde radiologisch onderzoek bestaat in een radioscopie of in een radiofotografie of, indien nodig, in een radiografie van groot formaat, behalve wanneer de bepalingen van onderhavige afdeling de toe te passen techniek bepalen.
In de mate van het mogelijke moeten, eerder dan de radioscopie, de twee andere technieken worden toegepast.) <KB 1984-11-22/31, art. 1, 009>
§ 3. De arbeidsgeneesheer mag nochtans, wanneer hij het gepast oordeelt, de personen die onlangs de in de voorgaande paragrafen voorgeschreven medische nasporingen ondergingen van alle of van een gedeelte ervan ontslaan mits:
1° hij in kennis werd gesteld van de uitslagen van die nasporingen;
2° rekening houdend met de leeftijd van die personen en van de risico's voor beroepsziekte die de verrichtingen waaraan zij zullen worden te werk gesteld eventueel bieden, de tijdsspanne die verstreken is sinds die nasporingen werden verricht, niet groter is dan het tijdsverloop tussen de periodieke onderzoekingen waaraan de werknemers van dezelfde leeftijd of die aan dezelfde risico's zijn blootgesteld krachtens artikel 128, zijn onderworpen.
Met het oog op deze eventuele vrijstelling mag de arbeidsgeneesheer niet nalaten er bij deze personen navraag naar te doen of, naar aanleiding van het werk dat zij vroeger verrichten in een andere onderneming, niet reeds een medisch dossier op hun naam werd opgemaakt. Indien dat dossier bestaat moet de arbeidsgeneesheer erom verzoeken dat het naar zijn eigen dienst zou worden overgemaakt tenzij het het ongelegen oordeelt.
Indien de arbeidsgeneeskundige dienst die het dossier in bezit heeft verkiest het te houden, verzoekt de arbeidsgeneesheer die dienst er, in voorkomend geval, om hem, overeenkomstig de bepalingen van artikel 146septies, al de stukken van dat dossier die hij verlangt in te kijken, te lenen of hem er afschrift van te bezorgen.
Indien bedoeld dossier evenwel een werknemer betreft die is blootgesteld geweest aan ioniserende stralingen en die opnieuw aan zulke stralingen zal worden blootgesteld, moet de arbeidsgeneesheer er steeds voor zorgen dat zijn dienst zo vlug mogelijk in bezit geraakt van de in artikel 146septies, vierde lid, bedoelde (blootstellings- en ontsmettingstabel) of van een afschrift van (dit document.) <KB 1991-09-18/31, art. 1, 035; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
Bij het toepassen van de bepalingen van deze paragraaf moet de arbeidsgeneesheer zich vooral hoeden voor het nodeloos overdoen van radiologische onderzoekingen.

Art. 126. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> (Aan iedere persoon die ertoe gehouden is zich te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek bij indienstneming, aan een beoordeling van de gezondheid voorafgaand aan een tewerkstelling op een arbeidspost met blootstelling aan beroepsgebonden uitwendige belasting, aan een onderzoek bij werkhervatting, aan een onderzoek in het raam van de moederschapsbescherming, of die aan een andere post wordt verbonden of die om een spontane raadpleging vraagt, overhandigt de werkgever, ten behoeve van de arbeidsgeneesheer, een formulier "Verzoek om gezondheidstoezicht over de werknemers" overeenkomstig het model in bijlage III bij deze afdeling.) <KB 1996-07-05/37, art. 1, 058; Inwerkingtreding : 19-08-1996>
(Twee leden opgeheven.) <KB 1990-12-05/30, art. 4, 030; Inwerkingtreding : 01-06-1991>
De werkgever vult (bovenbedoelde formulier) in door er nauwgezet, duidelijk leesbaar en nauwkeurig al de verlangde aantekeningen op aan te brengen, opdat de arbeidsgeneesheer juist en volledig zou ingelicht zijn nopens de aard van de werkpost die bestemd is voor de betrokken persoon. <KB 1990-12-05/30, art. 4, 030; Inwerkingtreding : 01-06-1991>
(Dit document wordt toegevoegd aan) het dossier van die persoon dat de arbeidsgeneesheer moet opmaken in toepassing van artikel 146quinquies. <KB 1990-12-05/30, art. 4, 030; Inwerkingtreding : 01-06-1991>
(.....) <KB 1982-02-10/01, art. 1, 003>

Art. 127. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-4-1965, art. 2> De werknemers die in eenzelfde onderneming aan een andere post worden verbonden moeten, zonder verwijl, naar de arbeidsgeneesheer worden verwezen indien zij, ingevolge die werkverandering:
(hetzij worden blootgesteld aan een risico dat nog niet is vermeld naast hun naam in de naamlijst bedoeld in artikel 124, § 4, eerste lid;) <KB 28-11-1978, art. 3>
hetzij aan ernstiger risico's dan voordien worden blootgesteld;
hetzij, (ingeval het risico's voor blootstelling aan) ioniserende stralingen (...), betreft, aan risico's van een andere aard worden blootgesteld; <KB 1990-12-05/30, art. 5, 030; Inwerkingtreding : 01-06-1991> <KB 1997-04-25/55, art. 32, 7°, 062; Inwerkingtreding : 22-07-1997>
(hetzij de inenting tegen tuberculose moeten ondergaan die is voorgeschreven in het koninklijk besluit van 4 augustus 1996 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's bij blootstelling aan bilogische agentia op het werk.) <KB 1996-08-04/07, art. 84, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>
(De werkgever moet de arbeidsgeneesheer al de nuttige aanwijzingen verstrekken met betrekking tot de nieuwe arbeidsomstandigheden van die werknemers.) <KB 1996-07-05/37, art. 2, 058; Inwerkingtreding : 19-08-1996>
De medische onderzoekingen die in uitvoering van dit artikel gebeuren worden gelijkgesteld met medische onderzoekingen bij indienstneming en geven aanleiding tot toepassing van artikel 125.
2. Periodieke onderzoekingen.

Art. 128. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1993-08-27/31, art. 10, 047; Inwerkingtreding : 31-12-1992> Voor de werknemers die in arbeidsomstandigheden zullen moeten werken waardoor zij worden blootgesteld aan beroepsgebonden uitwendige belasting, bedoeld in bijlage IIbis van deze afdeling, moet het onderzoek bij indienstneming bestaan in een beoordeling van de gezondheidstoestand.
Die beoordeling omvat een geneeskundig onderzoek dat erop gericht is na te gaan of de werknemers geschikt zijn de taak uit te voeren. Zij geeft geen aanleiding tot het toepassen van artikel 125.
(De werkgever geeft aan de arbeidsgeneesheer alle nuttige aanwijzingen betreffende de arbeidsomstandigheden van die werknemers.) <KB 1996-07-05/37, art. 3, 058; Inwerkingtreding : 19-08-1996>

Art. 128bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> Het periodiek geneeskundig onderzoek moet bestaan in een algemeen klinisch onderzoek, zoals voorzien in artikel 125, § 1, 1°, en zal eenmaal per jaar plaats hebben indien de werknemer ten minste de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en tweemaal per jaar indien hij die leeftijd niet heeft bereikt.
(Voor de werknemers blootgesteld aan een risico voor beroepsziekten, dient het jaarlijks algemeen klinisch onderzoek volgens het geval te worden aangevuld met de bijzondere onderzoekingen voorzien in de bijlage II van deze afdeling.
De periodieke geneeskundige onderzoekingen voorzien tussen de jaarlijkse klinische onderzoekingen, moeten integendeel gerichte geneeskundige onderzoekingen zijn, ten einde na te gaan of de bedreigde organen en functies niet aangetast zijn.
De gerichte geneeskundige onderzoekingen komen erop neer één of meer hierboven voorziene speciale onderzoekingen uit te voeren of bestaan in een klinisch onderzoek, aangepast om een bijzonder risico te ontdekken.
Indien een gericht geneeskundig onderzoek de arbeidsgeneesheer ertoe noopt vast te stellen dat het niet aangewezen is een werknemer op zijn post te behouden, wordt dit onderzoek aangevuld met een algemeen klinisch onderzoek, alvorens de arbeidsgeneesheer zijn beslissing dienaangaande treft.) <KB 10-04-1974, art. 9>
(Voor de werknemers die worden blootgesteld aan lawaai met een intensiteit tussen 85 en 90 dB(A), wordt het periodiek medisch onderzoek en het periodiek onderzoek van de gehoorfunctie ten minste om de drie jaar herhaald.) <KB 1991-09-26/38, art. 2, 036; Inwerkingtreding : 1991-11-14>
(Voor de werknemers die tegelijkertijd in contact komen met voedingswaren of -stoffen die meteen en ter plaatse worden gebruikt alsmede met de clientele en met de consumenten moet het periodiek medisch onderzoek in elk geval eenmaal per jaar een radiologisch onderzoek van de borstorganen omvatten.) <KB 1984-11-22/31,art. 2,1°, 009>
(Voor de werknemers van minder dan 21 jaar alsmede voor de werknemers die rechtstreeks in contact komen met voedingswaren of -stoffen en die niet onder de toepassing vallen van het voorgaande lid, moet het periodiek medisch onderzoek in elk geval eenmaal per jaar de uitvoering van tuberculinetests omvatten. In geval van virage van deze tests moet gedurende de volgende vijf jaar het periodiek medisch onderzoek jaarlijks een radiologisch onderzoek van de borstorganen omvatten.) <KB 1984-11-22/31, art. 2, 2°, 009>
(.....) <KB 1984-11-22/31, art. 2, 3°, 009>

Art. 129. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> Indien zij het, hetzij omwille van de gezondheidstoestand van de betrokkenen, hetzij omwille van hun bijzondere werkvoorwaarden, hetzij wegens incidenten van medische aard die zich in het bedrijf voordeden, nuttig achten, mogen de arbeidsgeneesheren het periodiek medisch onderzoek verrichten na verloop van kortere tijd dan bepaald in artikel 128bis of in bijlage II van deze afdeling.
Bovendien moeten de werknemers die door een beroepsziekte zijn aangetast waarvan de diagnose niet voldoende kan worden opgemaakt aan de hand van de in de bovengenoemde artikel of bijlage bepaalde middelen, zich aan elk bijkomend medisch onderzoek onderwerpen dat door de arbeidsgeneesheer als volstrekt nodig wordt aangezien.
De in de twee voorgaande leden voorziene maatregelen moeten eveneens worden toegepast op verzoek van de geneesheren-arbeidsinspecteurs.
(Daarentegen mogen deze ambtenaren de arbeidsgeneesheren toestaan de gerichte, periodieke geneeskundige onderzoekingen voorzien tussen de jaarlijkse klinische onderzoekingen, niet uit te voeren, wanneer deze geneesheren hun bewijzen dat er geen risico bestaat, door de resultaten te tonen, hetzij van fysische of klinische metingen uitgevoerd in de werkplaatsen, hetzij van blootstellingstesten toegepast op de betrokken werknemers. Deze metingen en deze testen zullen herhaald worden met dezelfde frequentie als die bepaald voor de uitvoering van de periodieke geneeskundige onderzoekingen. De fysische en klinische metingen zullen erin bestaan het risico te identificeren en zijn belangrijkheid te schatten, inzonderheid in het kader van het toezicht op de atmosfeer der werkplaatsen opgelegd inzake de strijd tegen de hinder, voorzien bij de bepalingen van artikel 148decies, 2, van dit reglement.
De blootstellingstesten bestaan erin de aanwezigheid en de hoeveelheid vergift op te zoeken in het organisme beschouwd als element voor het opnemen van de blootstelling.
De beslissingen die getroffen worden in toepassing van de bepalingen van dit artikel, moeten medegedeeld worden aan het Comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen, of bij ontstentenis van dit comité, aan de vakbondsafvaardiging.) <KB 10-04-1974, art. 10>

Art. 130. <Zie nota's onder TITEL> Voor de werknemers die reeds zijn te werk gesteld de dag dat de bepalingen van deze afdeling op hen van toepassing worden en die dus niet aan het medisch onderzoek bij indienstneming zoals voorgeschreven onder artikel 124 werden onderworpen, moet het eerste periodiek onderzoek uiterlijk gebeuren binnen de zes op die dag volgende maanden.
Indien die arbeiders echter tot op bovengemelde dag het voorwerp hebben uitgemaakt van de gezondheidscontrole voorgeschreven door de vroegere bepalingen van deze afdeling en zij, in toepassing van die bepalingen, werden onderworpen aan medische onderzoekingen van dezelfde aard als het periodiek onderzoek waaraan zij overeenkomstig artikel 124, § 4 moeten worden onderworpen, moeten de voor de uitvoering van dit periodiek onderzoek in acht te nemen tijdsspanne gerekend worden van de datum af waarop het laatste der bovenbedoelde medische onderzoekingen werd uitgevoerd. <KB 28-11-1978, art. 5 en 6> |3. Onderzoeking bij werkhervatting.

Art. 131. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> Na een afwezigheid van ten minste vier weken te wijten aan een om het even welke ziekte of ongeval, of om reden van een bevalling, moeten de in (artikel 124, § 4) bedoelde werknemers aan een medisch onderzoek bij werkhervatting worden onderworpen. <KB 28-11-1978, art. 5 en 6>
De arbeidsgeneesheren mogen evenwel tot dat onderzoek overgaan na een afwezigheid van kortere duur, telkens zij het nodig oordelen wegens de aard van de ziekte of van het ongeval die er oorzaak van was dat betrokkene van het werk afwezig bleef.
Dit onderzoek moet zohaast mogelijk gebeuren en uiterlijk acht dagen na de werkhervatting. Het moet de arbeidsgeneesheren toelaten zich ervan te vergewissen of de betrokkene steeds geschikt zijn om het werk dat ze voordien verrichten voort te zetten en, in tegenovergesteld geval, hun alsmede hun werkgever raad te verstrekken omtrent de maatregelen voor wederaanpassing of voor werkverandering die hun noodzakelijk schijnen.
3bis. Spontane raadplegingen <KB 10-04-1974, art. 11>

Art. 131bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 10-04-1974, art. 11> Ieder werknemer al of niet onderworpen aan periodieke geneeskundige onderzoekingen, mag zonder verwijl de arbeidsgeneesheer raadplegen aangaande symptomen van ongesteldheid die hij toeschrijft aan zijn arbeidsvoorwaarden.
(Dit onderzoek wordt bekrachtigd door een beslissing van de arbeidsgeneesheer, die alle gevolgen verbonden aan het medisch toezicht inhoudt.) <KB 1992-09-14/36, art. 5, 041; Inwerkingtreding : 1992-12-31>

Art. 131ter. <Zie nota's onder TITEL> <ingevoegd bij KB 1992-09-14/36, art. 6, 041; Inwerkingtreding : 1992-12-31> Elke werknemer, die het wenst, wordt op gezette tijden in de gelegenheid gesteld zich medisch te laten onderzoeken met betrekking tot de risico's voor zijn veiligheid en gezondheid op het werk.
Dit gezondheidstoezicht wordt overeenkomstig de bepalingen van artikel 128bis uitgeoefend; het wordt bekrachtigd door een beslissing van de arbeidsgeneesheer, die alle gevolgen verbonden aan het medisch toezicht inhoudt.

4. Bijzondere bepalingen betreffende de aan ioniserende stralingen blootgestelde personen.

Art. 132. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1997-04-25/55, art. 32, 1°, 061; Inwerkingtreding : 22-07-1997>

Art. 133. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1997-04-25/55, art. 32, 2°, 061; Inwerkingtreding : 22-07-1997>

Art. 134. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1997-04-25/55, art. 32, 3°, 061; Inwerkingtreding : 22-07-1997>

Art. 134bis. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1997-04-25/55, art. 32, 3°, 061; Inwerkingtreding : 22-07-1997>

Art. 135. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1997-04-25/55, art. 32, 3°, 061; Inwerkingtreding : 22-07-1997>

Art. 135bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 22-01-1973, art. 4> Het door de Minister van Volksgezondheid en van het Gezin opgelegde medisch onderzoek, in uitvoering van de artikelen 3 en 4 van het koninklijk besluit van 17 maart 1971 tot onderwerping aan medisch toezicht van al de personen die door hun werkzaamheid rechtstreeks met voedingswaren of -stoffen in aanraking komen en die deze waren kunnen verontreinigen of besmetten, wordt verricht door de arbeidsgeneesheren in het raam van onderhavige afdeling en met de er voorgeschreven waarborgen op gebied van procedure en van reclassering.
4ter. <KB 1986-08-28/30, art. 1, 015> Bijzondere bepalingen betreffende werknemers die blootgesteld worden aan asbest.

Art. 135ter. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1986-08-28/30, art. 1, 015> Voor de werknemers die blootgesteld zijn aan het risico voor beroepsziekte voorzien in bijlage II, rubriek 5.1.2. van deze afdeling, dient de werkgever ervoor te zorgen dat de hiernavolgende maatregelen genomen worden :
1. Vóór de blootstelling aan stof afkomstig van asbest of van asbesthoudende materialen moet elke betrokken werknemer een medische keuring ondergaan.
Deze keuring dient een specifiek onderzoek van de borstkas te omvatten. De praktische aanbevelingen voor de medische keuring van de werknemers staan vermeld in de bijlage XII van deze afdeling.
Een nieuwe keuring moet ten minste éénmaal per jaar gebeuren zolang als er blootstelling is.
Een individueel medisch dossier wordt, voor elke werknemer, aangelegd overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 146quinquies en volgende.
2. Naar aanleiding van de medische keuring als bedoeld bij punt 1, dient de arbeidsgeneesheer, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 146bis en volgende zich uit te spreken over of de eventuele te nemen individuele beschermings- of preventieve maatregelen te bepalen; deze maatregelen kunnen in voorkomend geval inhouden dat de betrokken werknemer onttrokken wordt aan elke blootstelling aan stof afkomstig van asbest of van asbesthoudende materialen.
3. De betrokken werknemers moeten informatie en advies krijgen over elke medische keuring waaraan ze zich kunnen onderwerpen na het einde van de blootstelling.
4. De betrokken werknemer kan verzoeken om de herziening van de keuring bedoeld bij punt 2, in overeenstemming met de bepalingen van de artikelen 146bis en volgende.
4 quater. - Bijzondere bepaling betreffende de werknemers die blootgesteld worden aan metallisch lood en zijn ionverbindingen. <Ingevoegd bij KB 1988-11-07/37, art. 1, 021; Inwerkingtreding : 1988-11-22>

Art. 135quater. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

Art. 135quinquies. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd bij KB 1991-04-10/44, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 1991-06-04>
Voor de werknemers die worden blootgesteld aan het risico voor beroepsziekten bepaald in bijlage II, rubriek 5.3bis, bij deze afdeling, zal de werkgever erop toezien dat de volgende maatregelen worden genomen.
1. Vóór de blootstelling aan stof afkomstig van kobalthoudende materialen moet elke betrokken werknemer aan een geneeskundig onderzoek worden onderworpen.
In dat onderzoek moet een geneeskundig onderzoek van de longen en van de longfunctie begrepen zijn.
Het geneeskundig onderzoek moet, zolang de blootstelling duurt, minstens eenmaal per jaar worden hernieuwd.
Overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 141quinquies en volgende wordt voor elke werknemer een individueel geneeskundig dossier opgesteld.
2. Na het punt 1 voorgeschreven onderzoek moet de arbeidsgeneesheer, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 146bis en volgende, zich uitspreken over of bepalen welke individuele beschermings- of preventiemaatregelen er eventueel dienen te worden genomen. Die maatregelen kunnen, in voorkomend geval, inhouden dat de betrokken werknemer onttrokken wordt aan elke blootstelling aan stof afkomstig van kobalthoudende materialen.
3. De betrokken werknemers moeten informatie en advies krijgen over elk medisch onderzoek waaraan ze zich na het einde van de blootstelling kunnen onderwerpen.
4. De betrokken werknemer kan tegen de in punt 2 bedoelde beslissing van de arbeidsgeneesheer beroep aantekenen overeenkomstig het bepaalde in artikel 146quater.
4sexies. <Ingevoegd bij KB 1991-09-26/38, art. 3, Inwerkingtreding : 1991-11-14> Bijzondere bepalingen betreffende aan lawaai blootgestelde werknemers.

Art. 135sexies. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd bij KB 1991-09-26/38, art. 3, Inwerkingtreding : 1991-11-14> Voor de werknemers die blootgesteld zijn aan het in bijlage II, groep II, rubriek 2.3. van deze afdeling voorziene risico voor beroepsziekte dient de werkgever ervoor te zorgen dat de volgende maatregelen worden genomen :
1. Voorafgaand aan de blootstelling aan geluid van een geluidsniveau hoger dan 85 dB(A) of 200 Pa voor impulsgeluid, moet elke betrokken werknemer een medische keuring ondergaan.
2. Deze medische keuring behelst een medisch onderzoek alsmede een onderzoek van de gehoorfunctie. Het onderzoek van de gehoorfunctie wordt herhaald binnen de twaalf maanden die volgen op de eerste evaluatie.
3. Na de oorspronkelijke medische keuring moet de werknemer aan periodiek toezicht op zijn gezondheidstoestand onderworpen worden.
4. Het periodiek medisch onderzoek en het periodiek onderzoek van de gehoorfunctie worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen die voorzien zijn in de bijlage II, groep II, rubriek 2.3. van deze afdeling.
5. De medische keuring behelst een algemeen klinisch onderzoek.
De keuring van de gehoorfunctie bestaat ten minste uit een anamnese een otoscopie en een toon-gehoormeting bij luchtgeleiding.
De gehoormeting moet voldoen aan de voorschriften van de norm ISO 6189-1983.
De toon-gehoormeting heeft eveneens betrekking op de frequentie 8 000 Hz. Het omgevingsgeluidsniveau moet de meting mogelijk maken van een gehoordrempel van 0 dB overeenkomstig ISO-norm 389-1975.
Andere methoden zijn echter toegestaan, mits zij vergelijkbare resultaten opleveren.
6. De onderzoeken van de gehoorfunctie worden hetzij door de arbeidsgeneesheer zelf of onder zijn verantwoordelijkheid, hetzij door een daartoe erkende geneesheer-specialist uitgevoerd.
7. Een individueel medisch dossier betreffende de blootstelling aan lawaai, de resultaten van het algemeen klinisch onderzoek en de onderzoeken van de gehoorfunctie wordt voor elke betrokken werknemer opgesteld overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 146quinquies en volgende en ter beschikking van de geneesheer-arbeidsinspecteur gehouden.
De niet-medische individuele gegevens (niveau van de blootstelling op de werkposten, beslissingen van de arbeidsgeneesheer, voorkomingsmaatregelen) worden in een afzonderlijk register ingeschreven en ter beschikking gehouden van de leden van de medische inspectie, van de werknemers en van de leden van het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij ontstentenis ervan, de vakbondsafvaardiging.
8. Na het medisch onderzoek en het onderzoek van de gehoorfunctie bedoeld bij de punten 2 en 3, moet de arbeidsgeneesheer, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 146bis en volgende, zich uitspreken over de eventuele individuele beschermings- of voorkomingsmaatregelen of deze bepalen; deze maatregelen kunnen in voorkomend geval de verwijdering inhouden van de betrokken werknemer van elke blootstelling aan lawaai van een schadelijk niveau.
9. De betrokken werknemers hebben inzage in de resultaten die op hen betrekking hebben. Zij moeten bovendien inlichtingen en adviezen krijgen betreffende elke medische keuring van hun gezondheid waaraan zij zich kunnen onderwerpen na het beëindigen van de blootstelling.
10. De betrokken werknemers kunnen een herziening van de in punt 8 bedoelde evaluatie vragen in overeenstemming met de bepalingen van de artikelen 146bis en volgende.
5. Bijkomende bepalingen.

Art. 136. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> Ter gelegenheid van de geneeskundige onderzoekingen waaraan zij hen onderwerpen moeten de arbeidsgeneesheren deze werknemers de raadgevingen in zake hygiëne verstrekken die wegens hun gezondheidstoestand, of wegens de risico's welke verbonden zijn aan het werk dat zij zullen verrichten of reeds verrichten gerechtvaardigd zijn.
De werknemers bij dewelke zij verzwakkingen van de gezondheid vaststellen moeten zij erom verzoeken hun huisdokter te raadplegen en aan deze laatste verstrekken zij, mits die werknemers het daarmee eens zijn, elke inlichting die zij nodig achten.
Indien het hun voorkomt dat die verzwakkingen aan het beroep te wijten zijn verwittigen zij de betrokken werkgevers ervan. In voorkomend geval delen zij aan de zieke of minder-valide werknemers mede welke de Instellingen of Werken zijn die hun de gewenste hulp of bijstand kunnen verlenen.

Art. 137. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> Elke werknemer die klaagt over ongemakken welke aan de arbeidsvoorwaarden zouden kunnen te wijten zijn moet onverwijd worden onderzocht door de arbeidsgeneesheer.

Art. 138. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> De werkgever laat aan de arbeidsgeneeskundige dienst een afschrift geworden van elke kaart van arbeidsongeval met werkongeschiktheid, opgemaakt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 835quater en volgende van dit reglement.

B. _ Inentingen. (opgeheven) <KB 1996-08-04/07, art. 85, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>

Art. 139. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1996-08-04/07, art. 85, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>

Art. 140. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1996-08-04/07, art. 85, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>

Art. 141. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1996-08-04/07, art. 85, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>

Art. 141bis1. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1996-08-04/07, art. 85, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>

Art. 141bis2. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1996-08-04/07, art. 85, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>

Art. 141bis3. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1996-08-04/07, art. 85, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>

Art. 141bis4. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1996-08-04/07, art. 85, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>

Art. 141bis5. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1996-08-04/07, art. 85, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>

Art. 141bis6. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1996-08-04/07, art. 85, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>

Art. 141bis7. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1996-08-04/07, art. 85, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>

Art. 141bis8. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1996-08-04/07, art. 85, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>

Art. 141bis9. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1996-08-04/07, art. 85, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>

Art. 141bis10. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1996-08-04/07, art. 85, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>

Art. 141bis11. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1996-08-04/07, art. 85, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>

Art. 142. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1996-08-04/07, art. 85, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>

Art. 143. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1996-08-04/07, art. 85, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>

Art. 144. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1996-08-04/07, art. 85, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>

Art. 145. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1996-08-04/07, art. 85, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>

Art. 146. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1996-08-04/07, art. 85, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>

C. _ Bepalingen betreffende de beslissingen van de arbeidsgeneesheer.

Art. 146bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 03-12-1969, art. 4> § 1. Kaart van medisch onderzoek.
De kaart van medisch onderzoek waarvan het model is gegeven in de bijlage VII is het dokument waarbij de arbeidsgeneesheer zijn beslissing mededeelt.
De arbeidsgeneesheer vult dat document in twee exemplaren in van zodra hij in het bezit is van al de beoordelingselementen.
De arbeidsgeneesheer stuurt, onder gesloten omslag, een exemplaar van dat dokument naar de werkgever en een ander naar de werknemer ofwel stelt hij het hun persoonlijk ter hand.
Op de kaart van medisch onderzoek mag geen enkele aantekening worden gemaakt die met de diagnose verband houdt.
a) Indien het een vóór de tewerkstelling of gedurende de proeftijd verricht medisch onderzoek bij indienstneming van een werknemer betreft.
De arbeidsgeneesheer tekent op de kaart van medisch onderzoek aan dat de werknemer hetzij in voldoende mate arbeidsgeschikt is hetzij voorgoed of voor een nader te bepalen duur arbeidsongeschikt is.
b) Indien het een medisch onderzoek bij indienstneming, een periodiek onderzoek of een onderzoek bij werkhervatting betreft van een werknemer belast met een veiligheidsfunctie of met een werk dat risico voor blootstelling aan ioniserende stralingen met zich brengt.
De arbeidsgeneesheer tekent op de kaart van medisch onderzoek aan hetzij dat de werknemer in voldoende mate arbeidsgeschikt is, hetzij dat de werknemer voorgoed of voor een nader te bepalen duur arbeidsongeschikt is en dat het verboden is hem in de bewuste betrekking aan het werk te stellen of te houden en in dit geval, geeft hij de raad hem te werk te stellen in een betrekking waarvan hij de voorwaarden bepaalt, hetzij dat de werknemer met ziekteverlof moet worden gezonden.
c) Indien het om het even welk ander onderzoek betreft.
De arbeidsgeneesheer tekent op de kaart van medisch onderzoek aan hetzij dat de werknemer in voldoende mate arbeidsgeschikt is, hetzij dat hij het geraden oordeelt de werknemer voorgoed of voor een nader te bepalen duur een andere betrekking toe te vertrouwen waarvan hij de voorwaarden bepaalt, hetzij dat de werknemer met ziekteverlof moet worden gezonden.
(d) Indien het een onderzoek betreft van een werkneemster tijdens de zwangerschap of de lactatie, vermeldt de arbeidsgeneesheer op de kaart van medisch onderzoek, ofwel dat de werkneemster voldoende geschikt is om haar activiteiten voort te zetten of om haar activiteiten voort te zetten onder de door hem bepaalde voorwaarden of om de voorgestelde, nieuwe activiteit te verrichten voor een door hem te bepalen duur, ofwel dat de werkneemster ongeschikt is om haar activiteiten voort te zetten voor een door hem te bepalen duur of om de voorgestelde, nieuwe activiteit te verrichten voor een door hem te bepalen duur, ofwel dat de werkneemster met ziekteverlof of moederschapsverlof moet worden gezonden.) <KB 1995-05-02/32, art. 11, 055; Inwerkingtreding : 15-05-1995>
§ 2. Maatregelen voorafgaand aan elke verwijdering.
Alvorens de verandering van of verwijdering uit het werk van een werknemer voor te stellen moet de arbeidsgeneesheer de aangewezen aanvullende onderzoekingen verrichten. Hij moet navraag doen naar de sociale toestand van de werknemer en ter plaatse onderzoeken welke maatregelen en veranderingswerken het mogelijk zouden maken de werknemer, ondanks zijn eventuele onvolwaardigheden, zijn werk te laten behouden. De werknemer mag zich laten bijstaan door zijn vakbondsafgevaardigde.
De geneesheer deelt de werkgever en de werknemer mede welke maatregelen moeten worden genomen om zo vlug mogelijk de overdreven risico's en eisen die hij heeft vastgesteld te verhelpen. Het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen moet ervan worden op de hoogte gebracht.
§ 3. Overlegprocedure.
Behalve in geval van een vóór de tewerkstelling of gedurende de proeftijd verricht medisch onderzoek bij indienstneming mag de werknemer, indien de arbeidsgeneesheer oordeelt dat ondanks alles, verandering van werk nodig is, gebruik maken van de hierna uiteengezette overlegprocedure, onder de in die uiteenzetting bepaalde voorwaarden.
Alvorens de kaart van medisch onderzoek in te vullen brengt de arbeidsgeneesheer de werknemer op de hoogte van zijn beslissing een verandering van werk voor te stellen.
De werknemer beschikt over een termijn van vijf werkdagen om al dan niet zijn akkoord te betuigen.
Indien de werknemer niet akkoord gaat wijst hij de arbeidsgeneesheer een geneesheer naar eigen keuze aan. De arbeidsgeneesheer deelt die medische raadsman zijn gemotiveerde beslissing mede. Die twee geneesheren trachten onder hen beiden tot een beslissing te komen. Elk van hen mag om bijkomende onderzoekingen of raadplegingen verzoeken.
(Het overleg schort de beslissing van de arbeidsgeneesheer op. Dit geldt niet voor het medisch onderzoek van een werknemer die belast is met een veiligheidspost of een post die een risico op blootstelling aan ioniserende straling inhoudt, of van een werkneemster tijdens de zwangerschap of de lactatie die is tewerkgesteld op een post waarvan de evaluatie wijst op een activiteit met een specifiek risico, of nog wanneer de werknemer getroffen is door een ernstige, besmettelijke ziekte.) <KB 1995-05-02/32, art. 11, 055; Inwerkingtreding : 15-05-1995>
Wanneer het overleg de beslissing van de arbeidsgeneesheer opschort wacht deze laatste tot die procedure beëindigd is om de kaart van medisch onderzoek waarvan sprake in de § 1 van dit artikel in te vullen.
Wanneer het overleg de beslissing van de arbeidsgeneesheer niet opschort, mag deze geneesheer een eerste kaart van medisch onderzoek invullen op het ogenblik dat hij de werknemer op de hoogte brengt van zijn beslissing een verandering van werk voor te stellen. In het vak "opmerkingen" tekent hij aan dat de werknemer, indien hij niet akkoord gaat, kan genieten van de overlegprocedure.
Na afloop van de overlegprocedure vult hij een nieuwe kaart van medisch onderzoek in.
Wanneer de twee geneesheren er niet in slagen een gemeenschappelijke beslissing te nemen, tekent de arbeidsgeneesheer zijn eigen beslissing aan op de kaart van medisch onderzoek en, in het vak "opmerkingen", vermeldt hij dat de geneesheer van de werknemer er anders over oordeelt.
§ 4. De werkgever klasseert de kaarten van medisch onderzoek per werknemer.
Voor elke werknemer en zolang deze in de onderneming te werk blijft gesteld houdt hij ten minste de drie laatst gedateerde kaarten en al de kaarten waarop aanwijzingen worden verstrekt bij; hij houdt ze te allen tijde ter beschikking van de geneesheren-arbeidsinspecteurs en van de bezoeksters arbeidshygiëne.

Art. 146ter. <Zie nota's onder TITEL> <KB 03-12-1969, art. 5> § 1. Het is verboden de werknemers die door de arbeidsgeneesheer ongeschikt worden verklaard voor veiligheidsfuncties bedoeld in artikel 124, 3°, of voor betrekkingen waarvan een risico voor blootstelling aan ioniserende stralingen is verbonden met die taken te belasten of te blijven belasten.
In dit geval houdt de werknemer hen in de mate van het mogelijke aan het werk in de onderneming en geeft hij hun ander werk dat met de aanwijzingen van de arbeidsgeneesheer strookt.
§ 2. De werknemers die door een ernstige besmettelijke ziekte zijn aangetast zijn ertoe verplicht ziekteverlof te nemen. De arbeidsgeneesheer verzoekt hun zonder verwijl hun behandelende geneesheer te raadplegen.
Indien hieromtrent moeilijkheden rijzen doet de arbeidsgeneesheer beroep op de geneesheer-arbeidsinspecteur.
§ 3. Onverminderd de bepalingen van de §§ 1 en 2 hierboven, tracht de werkgever elke werknemer op wiens kaart van medisch onderzoek aanbevelingen in die zin zijn aangetekend zo vlug mogelijk aan een ander werk te zetten dat strookt met de aanwijzingen van de arbeidsgeneesheer.
§ 4. Indien nodig onderzoeken de werkgever, de arbeidsgeneesheer, de werknemer en door deze laatste gekozen personeelsafgevaardigden in het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen of, bij ontstentenis van zulk comité, vakbondsafgevaardigden samen vooraf de mogelijkheden voor ander werk en de maatregelen met het oog op de sociale of professionele wederaanpassing.
(§ 5. Het is verboden de werkneemsters die door de arbeidsgeneesheer ongeschikt zijn verklaard voor posten waarvan de evaluatie wijst op een activiteit met een specifiek risico tijdens de zwangerschap of de lactatie en waarvoor een aanpassing technisch of objectief niet mogelijk is of om gegronde redenen redelijkerwijs niet kan worden verlangd, op die post te plaatsen of daar te houden.) <KB 1995-05-02/32, art. 12, 055; Inwerkingtreding : 15-05-1995>

Art. 146quater. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> (Beroep mag worden aangetekend door de werknemer, om het even of hij al dan niet gebruik maakte van de overlegprocedure voorzien in artikel 146bis, § 3, tegen de beslissing van de arbeidsgeneesheer dit tot gevolg heeft dat de betrekking die hij bekleedt hem wordt geweigerd, dat het hem wordt verboden de door hem beklede veiligheidsfunctie of functie die risico biedt voor blootstelling aan ioniserende stralingen te behouden of waarbij aan de werkgever de raad wordt verstrekt hem met ander werk te belasten.
Om geldig te zijn moet dat beroep aan de volgende voorwaarden beantwoorden:
1. het beroep wordt onder aangetekende omslag gestuurd naar de bevoegde geneesheer-arbeidsinspecteur binnen de zeven werkdagen die volgen op de datum van de verzending of overhandiging van de kaart van medisch onderzoek aan de werknemer. De opmerkingen en conclusies van de door de werknemer gekozen geneesheer worden naar de geneesheer-arbeidsinspecteur gestuurd binnen dezelfde termijn.
2. de geneesheer-arbeidsinspecteur roept de twee bovenbedoelde geneesheren samen uiterlijk eenentwintig werkdagen na de datum van de verzending of overhandiging van de beslissing van de arbeidsgeneesheer aan de werknemer.
De drie geneesheren nemen een beslissing bij meerderheid van stemmen; deze medische beslissing wordt door de geneesheer-arbeidsinspecteur aangetekend in een proces-verbaal dat door de drie geneesheren wordt ondertekend en geklasseerd wordt in het medische dossier van de werknemer.
De beslissing wordt onmiddellijk door de geneesheer-arbeidsinspecteur medegedeeld aan de werkgever en aan de werknemer.
(Het beroep schort de beslissing van de arbeidsgeneesheer op. Dit geldt niet voor het medisch onderzoek van een werknemer die belast is met een veiligheidsfunctie of een post die een risico op blootstelling aan ioniserende straling inhoudt, of van een werkneemster tijdens de zwangerschap of de lactatie die is tewerkgesteld op een post waarvan de evaluatie wijst op een activiteit met een specifiek risico.) <KB 1995-05-02/32, art. 13, 055; Inwerkingtreding : 15-05-1995>
Die werknemer mag, tot de dag dat genoemde ambtenaar uitspraak zal hebben gedaan, geen enkel loonverlies lijden. Tijdens dat tijdsverloop moet hij elk werk aannemen dat volgens de arbeidsgeneesheer bij zijn gezondheidstoestand past.

D. Medisch dossier.

Art. 146quinquies. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> § 1. De arbeidsgeneesheren leggen op de in bijlage VIII van deze afdeling bepaalde manier een medisch dossier aan voor elke persoon die zij moeten onderzoeken.
In bovengenoemd dossier moeten, al naargelang van het geval, volgende documenten en aanwijzingen opgenomen worden:
1° het in de artikelen 126 en 127 bedoelde "Verzoek om medisch onderzoek bij indienstneming;
2° de datum en de uitslagen van de medische onderzoekingen;
3° de radiografieën, de radiofotografieën, de uitslagen van de radiologische onderzoekingen en van de biologische analysen alsmede elk ander document met betrekking tot de bijzondere onderzoekingen die de betrokken werknemer ondergaan heeft en waarop telkens de datum van het opmaken alsmede de naam en de voornaam van de werknemer worden opgetekend;
4° de datum en de aard van de inentingen, nieuwe inentingen, de uitslagen van de tuberculinetesten met opgave van de aard van de verrichte test (cutireactie en/of intradermoreactie);
5° in voorkomend geval, de nauwkeurige omschreven redenen van medische aard die een contra-indicatie waren tegen die handelingen;
6° indien het om de tetanusinenting gaat, de datum van elke der drie anatoxineinjecties;
7° (a) de opgave van de individuele ontvangen blootstellingsdoses, alsook een exemplaar van de in artikel 27 van het koninklijk besluit van 25 april 1997 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's voortkomende uit ioniserende stralingen bedoelde blootstellings- en ontsmettingstabel;
b) de omstandigheden van bewust aanvaarde uitzonderlijke blootstelling, blootstelling bij ongeval of blootstelling in noodgeval;
c) de redenen, de aard, de datum en de frequentie van de onderzoeken of behandelingen met behulp van ioniserende straling, bedoeld in artikel 16 van het koninklijk besluit van 25 april 1997 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's voortkomende uit ioniserende straling;
8° alle nuttige aanwijzingen met betrekking tot het uitzonderlijk medisch toezicht en het voortgezet medisch toezicht die eventueel worden toegepast overeenkomstig de bepalingen van artikelen 18, 19 en 22 van het koninklijk besluit van 25 april 1997 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's voortkomende uit ioniserende straling;
9° alle nuttige aanwijzingen betreffende de dringende onderzoekingen en therapeutische handelingen die eventueel gebeurden in toepassing van de artikelen 18, 19 en 22 van het koninklijk besluit van 25 april 1997 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's voortkomende uit ioniserende straling alsmede de resultaten ervan;) <KB 1997-04-25/55, art. 31, 061; Inwerkingtreding : 22-07-1997>
(10°) alle andere medische of medisch-sociale documenten die de arbeidsgeneesheer in het dossier opgenomen wenst; <1990-12-09/30, art. 10, 030; Inwerkingtreding : 01-06-1991>
(11°) (voor de werknemer blootgesteld aan de inademing van asbestvezels, de aanduiding van de blootstellingsperioden genoteerd in het speciaal register, waarvan sprake in artikel 723ter6, § 2, d);) <KB 1990-12-05/30, art. 10, 030; Inwerkingtreding : 01-06-1991> <KB 15-12-1978, art. 2>
12° (Opgeheven) <KB 2002-02-20/35, art. 13, 071; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
( (13°) de gegevens betreffende de blootstelling van de werknemer aan de risico's verbonden aan blootstelling aan chemische, fysische en biologische agentia.) <KB 1987-11-20/30, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 1987-11-27> <KB 1990-12-05/30, art. 10, 030; ED : 01-06-1991>
§ 2. Het dossier moet ter zetel van de arbeidsgeneeskundige dienst of in het gemeenschappelijk onderzoekscentrum van de interbedrijfsgeneeskundige dienst, al naargelang van het geval, behouden blijven en mag uitsluitend worden toevertrouwd aan de arbeidsgeneesheer of aan de tot geheimhouding verplichte sociale assistent(e) of verpleger/verpleegster die aan die dienst is verbonden. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 125, § 3, 146septies en 146octies, moeten alle nodige maatregelen worden genomen opdat van het dossier niemand anders inzage kan krijgen dan de geneesheer-arbeidsinspecteur wie het op iedere vordering van die ambtenaar moet worden voorgelegd.

Art. 146sexies. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> Behalve indien hij het, overeenkomstig de bepalingen van artikel 146septies, aan een andere arbeidsgeneeskundige dienst overmaakt, moet de arbeidsgeneeskundige dienst het dossier van de werknemer die geen deel meer uitmaakt van het aan zijn toezocht onderworpen personeel, in zijn zetel volledig bewaren.
Het dossier moet daar gedurende ten minste vijftien jaar na het vertrek van de werknemer worden bewaard. Eens die tijd verstreken mag de arbeidsgeneeskundige dienst het vernietigen of, indien de werknemer er bijtijds heeft om verzocht, het aan de door deze laatste aangewezen dokter bezorgen.
(Wanneer evenwel het dossier een werknemer betreft die blootgesteld werd aan ioniserende stralingen, (waarvan sprake in bijlage II, rubriek 2.1 van deze afdeling) , zal de arbeidsgeneeskundige dienst het in de archieven bewaren gedurende ten minste dertig jaar, te rekenen vanaf de dag dat de werknemer ophoudt deel uit te maken van het personeel dat onder diens bevoegdheid valt. <KB 2002-02-20/35, art. 14, 071; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
Wanneer in dit geval de voornoemde termijn verstreken is, mag het dossier noch vernietigd, noch overhandigd worden aan de werknemer of aan om het even welk organisme.
Het zal overgemaakt worden aan het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, Administratie van de Arbeidshygiëne en -geneeskunde.) <KB 20-07-1979, art. 3>

Art. 146septies. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> Om de taak van de arbeidsgeneesheer te vergemakkelijken en, aan de andere kant, om nodeloos werk te vermijden, moeten de arbeidsgeneeskundige diensten trachten het zo te schikken dat de ingevolge adres- en beroepsveranderingen van die werknemer door verschillende onder hen opgemaakte medische documenten betreffende eenzelfde werknemer, steeds samengehouden worden ter zetel van de geneeskundige dienst die het laatst die werknemer heeft moeten onderzoeken, om het even of die dienst in toepassing van de bepalingen van deze afdeling of van bepalingen met betrekking tot de mijnen, ondergrondse groeven en graverijen werd opgericht.
Te dien einde en voor zover zulks mogelijk is moeten de arbeidsgeneeskundige diensten een gunstig gevolg voorbehouden aan de verzoeken om overmaking van het medisch dossier die hem in toepassing van de bepalingen van artikel 125, § 3, worden gericht. (Indien het genoemde dossier een werknemer betreft die zal worden blootgesteld aan ioniserende straling, bezorgt de arbeidsgeneeskundige dienst die het dossier in haar bezit heeft de resultaten van de geneeskundige onderzoeken en van de dosimetrie op eenvoudig verzoek aan de arbeidsgeneesheer van een inrichting van klasse I, bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen.) <KB 1990-12-05/30, art. 11, 030; Inwerkingtreding : 01-06-1991>
De arbeidsgeneeskundige dienst die liever het dossier niet overmaakt moet, zonder verwijl, aan de arbeidsgeneesheer die hem zulk verzoek richt de documenten die deze laatste verlangt in te zien, te leen geven of hem afschrift ervan bezorgen. Van de radiografieën en radiofotografieën echter moet evenwel steeds het origineel aan die dokter worden overgelegd. (De afschriften van de blootstellings- en ontsmettingstabel, voorgeschreven door artikel 135, moeten in dezelfde vorm zijn gesteld als de originelen.) <KB 1990-12-05/30, art. 11, 030; Inwerkingtreding : 01-06-1991>
De arbeidsgeneeskundige dienst die bovenbedoelde afschriften aflevert moet op deze laatste bevestigen dat zij volkomen overeenstemmen met de originelen ervan.
Bij elk dossier of elk deel van dossier dat in mededeling of in afschrift wordt overgemaakt of afgegeven moet een volledige inventaris zijn gevoegd van al de documenten waaruit het bestaat.
Elke arbeidsgeneeskundige dienst moet een register bijhouden waarin het overmaken van de dossiers en delen van dossiers wordt aangetekend. In dit register moeten, voor elk verstuurd of ontvangen dossier of deel van dossier, de naam en voornaam van de betrokken werknemer alsmede het adres van de arbeidsgeneeskundige dienst waarvoor het bestemd is of van welke het komt, al naargelang van het geval, worden aangetekend.

Art. 146octies. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> Op verzoek of met de toestemming van de betrokken werknemer, mag de arbeidsgeneesheer zich in verbinding stellen met de behandelende geneesheer van die werknemer en aan die dokter de documenten die in het medisch dossier berusten te leen geven of hem afschrift ervan geven.
(Wanneer het elementen betreft die verband houden met blootstelling aan de risico's zal de arbeidsgeneesheer die onmiddellijk aan de werknemers mededelen.) <KB 1987-11-20/30, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 1987-11-27>
(De werknemer die aan het risico van ioniserende straling wordt blootgesteld, heeft, wanneer hij erom verzoekt, toegang tot de meetresultaten van de blootstelling en de biologische onderzoeken die hem betreffen.) <KB 1990-12-05/30, art. 12, 030; Inwerkingtreding : 01-06-1991>

Art. 146nonies. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> Geen arbeidsgeneeskundige dienst mag worden stilgelegd indien de beheerder ervan, niet ten minste drie maanden vooraf, het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, Administratie van arbeidshygiëne en -geneeskunde, van de stillegging heeft verwittigd ten einde deze administratie de gelegenheid te geven bijtijds te beslissen wat moet gebeuren met de medische dossiers die in die dienst berusten.
De bepalingen van voorgaand lid doelen niet op de vervanging van een bedrijfsgeneeskundige dienst door een aansluiting van de onderneming bij een interbedrijfsgeneeskundige dienst.

Art. 146decies. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> De vernietiging van de medische dossiers, het overmaken ervan alsmede het te leen geven of het verschaffen van afschrift van documenten die erin berusten, zoals voorzien in de artikelen 146sexies tot 146octies, moeten in zulke voorwaarden gebeuren dat het beroepsgeheim volkomen gevrijwaard is.
Die dossiers en documenten worden naar de arbeidsgeneeskundige diensten of naar de behandelende dokters van de werknemers gestuurd onder gesloten en persoonlijke omslag. De verzending mag uitsluitend door en onder de verantwoordelijkheid van de betrokken arbeidsgeneesheer, of van de tot het beroepsgeheim verplichte sociale assistent(e) of verpleger/verpleegster van zijn dienst, verzekerd worden. De dossiers en documenten worden met de post of langs om het even welke andere weg die ten minste dezelfde waarborg biedt tegen verlies of beschadiging aan de geadresseerde bezorgd.

E. _ Moederschapsbescherming <KB 03-12-1969, art. 7>

Art. 147. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1995-05-02/32, art. 15, 055; Inwerkingtreding : 15-05-1995>

Art. 147bis. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1995-05-02/32, art. 15, 055; Inwerkingtreding : 15-05-1995>

F. _ Aangifte der beroepsziekten.

Art. 147ter. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-4-1965, art. 2> (De arbeidsgeneesheer die een van de hierna opgesomde gevallen vaststelt of ervan op de hoogte wordt gesteld door een andere geneesheer, dient hiervan aangifte te doen bij de geneesheer-arbeidsinspecteur en bij de geneesheer-adviseur van het Fonds voor de beroepsziekten:
1° de gevallen van beroepsziekten die voorkomen op de lijst van deze ziekten, opgemaakt bij toepassing van artikel 30 van de op 3 juni 1970 gecoordineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor en de voorkoming van beroepsziekten:
2° (de gevallen die niet voorkomen op bovenvermelde lijst, maar wel op de Europese lijst van beroepsziekten en op de aanvullende lijst van ziekten welke vermoedelijk door de beroepsuitoefening veroorzaakt worden, gemeld zouden moeten worden en in de toekomst in bijlage I van de Europese lijst opgenomen zouden kunnen worden, en die de bijlagen I en II vormen van de Aanbeveling 90/326/EEG van de Commissie van 22 mei 1990 betreffende de goedkeuring van een Europese lijst van beroepsziekten.) <KB 1992-05-08/30, art. 1, 039; Inwerkingtreding : 1992-06-01>
3° de gevallen van andere ziekten waarvan vaststaat dat ze hun oorsprong in het beroep vinden of waarvoor de dokter die ze heeft vastgesteld een dergelijke oorsprong bevestigt of vermoedt;
4° de gevallen van voorbeschiktheid voor een van de hierboven vermelde beroepsziekten of van de eerste symptomen hiervan telkens als deze vaststelling de vastheid van betrekking of het loon van de betrokken werknemer kan beinvloeden.
De lijsten, bedoeld bij vorige lid, 2° zijn, bij wijze van inlichting, opgenomen in de bijlage X van deze afdeling.
De arbeidsgeneesheer doet die aangifte zo spoedig mogelijk door middel van een formulier, dat overeenstemt met het model bepaald in bijlage IX van deze afdeling.
Hij vult het formulier in drievoud in en zendt het eerste exemplaar aan de geneesheer-arbeidsinspecteur, het tweede aan de geneesheer-adviseur van het Fonds voor de beroepsziekten en voegt het derde bij het medisch dossier van de betrokkene.
De verzending gebeurt onder gesloten omslag.
De aangiftedocumenten worden gratis ter beschikking van de arbeidsgeneesheer gesteld mits een aan het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid _ Administratie van arbeidshygiëne en geneeskunde _ of aan het Fonds voor de beroepsziekten gericht verzoek.) <KB 24-04-1974, art. 1>
Indien de werknemers die zij als door beroepsziekte aangetast hebben aangegeven aan de gestelde eisen voldoen om te genieten van de wetgeving betreffende schadeloosstelling inzake beroepsziekten mogen de arbeidsgeneesheren niet nalaten die werknemers hiervan te verwittigen en hun de nodige getuigschriften te verschaffen.

G. _ Algemene bepalingen.

Art. 147quater. <Zie nota's onder TITEL> <KB 28-11-1978, art. 8> § 1. De werkgever houdt een permanente inventaris van zijn werknemers die aan het geneeskundig toezicht onderworpen zijn.
Deze permanente inventaris bevat:
1° de naamlijst van de werknemers, opgemaakt in uitvoering van artikel 124, § 4;
2° een speciale lijst met de naam van de personen die werden blootgesteld aan de werking van ioniserende stralingen;
3° de naamlijst van de werknemers die aan het geneeskundig toezicht zijn onderworpen in uitvoering van de in artikel 148bis bedoelde procedure;
4° een naamlijst van de werknemers die onderworpen zijn aan nieuwe (...) tetanos- of tuberculoseinentingen, waarop de inlichtingen per type van inenting worden gegroepeerd. <KB 1996-08-04/07, art. 86, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>
Op deze naamlijsten worden bovendien voor elke werknemer vermeld:
1) zijn naam, voornaam en volledig adres;
2) zijn kunne;
3) zijn geboortedatum;
4) de aard van de beklede betrekking.
§ 2. De werknemersafgevaardigden in het Comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij ontstentenis ervan, de leden van de syndicale afvaardiging, mogen te allen tijde de naamlijsten raadplegen die in uitvoering van dit artikel moeten worden bijgehouden.
§ 3. Deze inventaris wordt te allen tijde ter beschikking gehouden van de geneesheren-arbeidsinspecteurs, van de bezoekers arbeidshygiëne, van de aan de Administratie van de arbeidshygiëne en -geneeskunde verbonden ingenieurs, technisch ingenieurs en controleurs die er kopieën en uittreksels van mogen vorderen die zij nodig hebben om hun opdracht te vervullen.

Art. 147quinquies. <Zie nota's onder TITEL> <KB 28-11-1978, art. 9> § 1. De werkgevers duiden de leden van hun personeel aan die aan het geneeskundig toezicht van de arbeidsgeneesheren zijn onderworpen.
Met dat doel delen zij aan de geneesheer, hoofd van hun bedrijfsgeneeskundige dienst, of aan de geneesheer-directeur van de interbedrijfsgeneeskundige dienst, naar gelang van het geval, de volgende inlichtingen mee:
1) een eensluidende kopie van de in uitvoering van artikel 147quater bij te houden naamlijst van de aan de geneeskundige onderzoekingen onderworpen werknemers met opgave, voor elk hunner, van de datum van het laatste geneeskundig onderzoek;
2) een kopie van de in uitvoering van hetzelfde artikel opgemaakte naamlijsten van de aan de verschillende nieuwe inentingen onderworpen werknemers, met weglating evenwel van de namen van hen die deze nieuwe inentingen door hun behandelend geneesheer laten uitvoeren.
§ 2. Aan de hand van deze inlichtingen, en nadien, van elke andere kennis die hij heeft verkregen bij de uitoefening van zijn beroep, maakt de arbeidsgeneesheer voor elke onderneming waarin hij werkzaam is een zorgvuldig bijgewerkte inventaris op, waarin hij voor elke hierboven bedoelde werknemer dezelfde aanwijzingen aantekent als bedoeld in § 1, alsmede de vermoedelijke datum van het eerstvolgend geneeskundig onderzoek en, in voorkomend geval, van de eerstvolgende nieuwe inenting waaraan de betrokkene moet worden onderworpen.
Tenminste eenmaal per trimester, en telkens hij het nodig oordeelt, gaat de arbeidsgeneesheer bij de werkgever na of deze inventaris volledig en juist is.
Deze laatste is ertoe gehouden aan de arbeidsgeneesheer alle daartoe nodige aanwijzingen te verstrekken. De arbeidsgeneesheer moet aan de hand van deze inventaris nagaan of al de werknemers die voor geneeskundige onderzoekingen, inentingen en nieuwe inentingen in aanmerking komen er te gepasten tijde werden aan onderworpen en, in voorkomend geval, aan de werkgevers de nodige herinneringen richten.
§ 3. De arbeidsgeneeskundige dienst zelf verwittigt tijdig de werknemers van de datum waarop zij zich moeten aanbieden voor de periodieke onderzoekingen of de nieuwe inentingen waaraan zij zich moeten onderwerpen.
Deze verwittiging richt hij evenwel niet rechtstreeks aan de betrokkenen maar aan de werkgever die ze aan deze laatsten bezorgt.

Art. 147sexies. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> Het is de werkgevers verboden werknemers die zich onttrekken aan de medische onderzoekingen waaraan zij zich overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling moeten onderwerpen (...) aan het werk te stellen of te houden. <KB 1996-08-04/07, art. 87, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>
De werknemers moeten zich te gepasten tijde onderwerpen aan die onderzoekingen (...) , dit wil zeggen op het ogenblik dat op het hun met dat doel gerichte oproepingsbericht is voorzien. <KB 1996-08-04/07, art. 87, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>

Onderafdeling III _ Toezicht op de arbeidsvoorwaarden op gebied van hygiëne. <KB 16-04-1965, art. 2>

Art. 147septies. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> De arbeidsgeneeskundige dienst houdt toezicht op de voorwaarden op gebied van hygiëne in de bij artikel 104 bedoelde ondernemingen. Hij let hier vooral op volgende punten:
1° (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 6, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
2° de risico's voor gelijk welke beroepsziekten, al dan niet bedoeld in bijlage II van deze afdeling.
Voor de opsporing en de studie van die risico's, neemt de arbeidsgeneesheer de lijsten der ziekten welke opgenomen zijn in de bijlagen I en II van de Aanbeveling d.d. 23 juli 1962 van de Commissie van de Europese Gemeenschap aan de Lid-Staten, met betrekking tot het aannemen van een Europese lijst van beroepsziekten, als leidraad.
Deze lijsten zijn, bij wijze van inlichting, opgenomen in de bijlage X van deze afdeling;
(3° tot 11° opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 6, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
(lid opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 6, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>

Art. 147octies. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1999-05-03/87, art. 37, 069; Inwerkingtreding : 20-07-1999>

Art. 147nonies. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 5, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>

Art. 147decies. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 6, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>

Art. 148. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1998-03-27/30, art. 6, 064; Inwerkingtreding : 01-04-1998>

Onderafdeling IV _ Bijzondere bepalingen <KB 16-04-1965, art. 2>

Art. 148bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> (Op initiatief van de arbeidsgeneesheer, of van de werkgever, of van de vertegenwoordigers van de werknemers, en op voorstel van het Comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen van de onderneming, mag de toepassing van de bepalingen der (artikelen 123bis tot 145) van dit reglement, (...), uitgebreid worden tot al het personeel van de onderneming, tot sommige categorieën van werknemers, of tot het personeel van sommige werkplaatsen. De uitbreiding van het medisch toezicht, dat niet mag beperkt worden tot het onderzoek bij de indienstneming, sluit de uitvoering in van alle prestaties die dit toezicht vereist.) <KB 10-04-1974, art. 19> <KB 1988-02-02/30, art. 6, 1° en 2°, 020; Inwerkingtreding : 1988-02-20>
Het medisch toezicht op bovenbedoeld personeel dat het gevolg is van deze beslissing, moet worden uitgeoefend door de arbeidsgeneeskundige dienst die voor de betrokken onderneming optreedt, en moet gebeuren onder dezelfde voorwaarden als deze bepaald in bovengenoemde artikelen.
De frequentie van de periodieke onderzoekingen en de aard van de bijzondere onderzoekingen waaraan dat personeel in die omstandigheden moet worden onderworpen, moet door de dienst van de medische Arbeidsinspectie samen met de hoofdgeneesheer van betrokken geneeskundige dienst worden vastgesteld.
Wanneer de arbeidsgeneeskundige dienst ingevolge de bepalingen van dit artikel bijkomende prestaties moet verrichten, moeten het medisch en paramedisch personeel alsmede de uitrusting van die dienst in de nodige mate worden aangevuld met de in artikel 110 vastgelegde regels als maatstaf.

Art. 148ter. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> Wanneer, naar zijn oordeel, de gezondheid van om het even welke werknemers van de onderneming bedreigd wordt ingevolge de toepassing van een nieuwe techniek, het gebruik van een nieuw produkt (...) mag de arbeidsgeneesheer de werknemers die hij aanwijst aan een medisch onderzoek onderwerpen om zich naar behoren vertrouwd te maken met de aard en de oorsprong van de risico's en om, op die manier, aan de werkgever de preventiemaatregelen te kunnen voorstellen die in de gegeven omstandigheden meest aangewezen lijken. <KB 1996-08-04/07, art. 89, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>
In dezelfde omstandigheden mogen de geneesheren-arbeidsinspecteurs met hetzelfde doel de in voorgaand lid voorziene nasporingen verrichten of opdracht daartoe geven.
De werkgever moet de arbeidsgeneesheer zonder verwijl de gevallen laten kennen van de werknemers die klagen over ongemakken of pathologische tekens die aan de werkvoorwaarden zouden kunnen te wijten zijn, om het even of die werknemers bedoeld worden in (artikel 124, § 4,) of niet. <KB 28-11-1978, art. 10>

Art. 148quater. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> De arbeidsgeneesheren mogen in geen geval nagaan of de afwezigheid van de werknemers om gezondheidsredenen gegrond is. Telkens zij het nodig oordelen nochtans mogen zij bij hun behandelende geneesheer navraag doen naar de omstandigheden die tot die afwezigheid kunnen hebben geleid alsmede naar de evolutie van de gezondheidstoestand der betrokkenen, ten einde met kennis van zaken te kunnen oordelen over de doeltreffendheid van hun preventieprogramma, de beroepsrisico's te kunnen opsporen en de minder-validen werk te kunnen geven dat bij hun toestand past, met het oog op hun heropleiding.
(De bepalingen van dit artikel zijn niet toepasselijk op de Administratieve Gezondheidsdienst noch op de geneeskundige diensten van de Nationale Maatschappij van Belgische Spoorwegen, waarvan sprake in artikel 104, §§ 3 en 4.) <KB 02-08-1968, art. 15>

Art. 148quinquies. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> Mits hij in elk opzicht beantwoordt en aan de bepalingen van deze afdeling en aan deze van de artikelen 40 en 43 van het koninklijk besluit van 7 december 1931, houdende algemene verordening van de verzekering tegen de arbeidsongevallen, mag eenzelfde medische dienst belast worden met de taak van de arbeidsgeneeskundige dienst en met de taak van de medische dienst opgericht in toepassing van de wet betreffende de schadeloosstelling inzake arbeidsongevallen.

Art. 148sexies. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> De arbeidsgeneesheren hebben vrije toegang tot de ondernemingen die onderworpen zijn aan de toepassing van de bepalingen van deze afdeling en die tot de bevoegdheid behoren van de geneeskundige dienst waaraan zij verbonden zijn.
De werkgevers, hun gelastigden of hun afgevaardigden, alsmede de werknemers zijn ertoe verplicht hun, om het hun mogelijk te maken hun opdracht te volbrengen, de aanwijzingen te geven die zij vragen.

Art. 148septies. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> Onverminderd de bepalingen van artikel 147ter betreffende de aangifte van de beroepsziekten, zijn de aan de arbeidsgeneeskundige dienst verbonden dokters en andere personen ertoe verplicht het beroepsgeheim strikt te bewaren, niet alleen wat betreft de aanwijzingen van medische aard maar tevens wat betreft de inlichtingen van vertrouwelijke aard in verband met de nijverheidsinstallaties, de fabricageprocédés, de samenstelling van de behandelde, gebruikte of gefabriceerde produkten en met alle andere kwesties betreffende de organisatie en de toestand van de onderneming waarvan zij uiteraard op de hoogte zijn.

Art. 148octies. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> Afgezien van de verplichtingen waarvan de door deze afdeling opgerichte arbeidsgeneeskundige diensten zich moeten kwijten, mogen de geneesheren-arbeidsinspecteurs, wanneer zij het nodig oordelen, in de aan de bepalingen van dit reglement onderworpen ondernemingen tot elk onderzoek inzake de gezondheid en tot elk medisch onderzoek van het personeel met het oog op de studie van de fysiologie en van de pathologie van de arbeid overgaan.
De geneesheren-arbeidsinspecteurs, de arbeidsgeneesheren en de werkgevers nemen, vooraf en na gemeen overleg, alle nodige maatregelen opdat die onderzoekingen in de beste voorwaarden zouden kunnen gebeuren zowel wat de goede gang van het werk in de betrokken bedrijven als het door de Administratie van arbeidshygiëne en -geneeskunde nagestreefde doel betreft.

Art. 148nonies. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 2> Behalve in geval van het in artikel 146quater bedoelde beroep en van de kwesties die tot de bevoegdheid behoren van (de in artikel 106 bedoelde erkenningscommissie en van de overlegcommissie van de arbeidsgeneeskundige diensten bedoeld bij artikel 2bis van de wet van 28 december 1977 tot bescherming van de arbeidsgeneesheren), worden alle betwistingen of moeilijkheden van medische aard die uit de voorschriften van deze afdeling kunnen voortvloeien beslecht door de geneesheren-arbeidsinspecteurs. <KB 1993-06-24/36, art. 3, 046; Inwerkingtreding : 13-07-1993>

Art. N1. <Zie nota's onder TITEL> <KB 20-05-1980, art. 9> Bijlage I
Minimumopgave van het nodige medisch materieel opgelegd door artikel 120, 1°, elfde lid
a) medisch materieel:
Personenweegschaal en -meetlat;
Meetlint;
Stethoscoop (binaurale);
Bloeddrukmeter;
Chronometer tot op de seconde nauwkeurig;
Hamer om de reflexen te meten;
Schaal voor het meten van de gezichtssterkte;
Tongspatels;
O.R.L. -etui (etui voor oor-, neus en keelonderzoek);
Uitrusting voor vaccinaties;
Koortsthermometers;
Thermometer voor de arbeidsomgeving;
Benodigdheden voor urineonderzoek (opsporen van albumine en suiker);
Onderzoekstafel of -bed;
Kast om alles in te rangschikken en die op slot kan;
Afvalemmer;
Wastafel met zuiver lopend water, warm en koud, zeep;
Handschoenen en vingerlingen;
Kielen, schorten, servetten en zeep;
Negatoscoop;
Tafel of bureautafel, stoelen;
b) meetmaterieel:
Voor het lawaai;
Voor de verlichting;
Voor het arbeidsklimaat in de werkplaats;
Voor de concentraties van stoffen in de lucht.

Art. N2. <Zie nota's onder TITEL> Bijlage II (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

Art. 1MN2. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

Art. 2MN2. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

Art. 3MN2. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

Art. 4MN2. <Zie nota's onder TITEL> GROEP II Lijst van de fysische agentia die beroepsziekten kunnen veroorzaken
Het risico voor beroepsziekten bestaat voor de personen die werken of verblijven in plaatsen waar de uitgevoerde bewerkingen of de uitrustingen of de inrichtingen fysische agentia verwekken die schadelijke gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid.
De rubriek gewijd aan iedere categorie van schadelijke fysische agentia vermeldt:
onder a) de uit te voeren bijzondere onderzoekingen;
(onder b) de draagwijdte en de frequentie van het periodiek geneeskundig onderzoek;) <KB 1990-12-05/30, art. 13, 030; Inwerkingtreding : 01-06-1991>
onder c) de minimale blootstellingsduur aan het risico, die de uitvoering van het medisch toezicht vereist.
2.1. (...) <KB 1997-04-25/55, art. 32, 5°, 061; Inwerkingtreding : 22-07-1997>
2.2. Infrarode stralingen.
a) Gericht onderzoek.
b) Jaarlijks.
c) 30 dagen.
2.3. Lawaai.
" 2.3. Lawaai.
Zijn hieronder gerangschikt :
1° stabiel of intermitterend geluid waarbij de dagelijkse persoonlijke blootstelling begrepen is tussen 85 dB(A) en 89,9 dB(A);
2° stabiel of intermitterend geluid waarbij de dagelijkse persoonlijke blootstelling 90 dB(A) overschrijdt;
3° impulsgeluid waarvan de maximum-waarde van niet-gewogen momentane geluidsdruk 200 Pa overschrijdt.
a) onderzoek van de gehoorfunctie dat een otoscopie en een geluidsaudiogram bevat;
b) zonder rekening te houden met de individuele beschermingsmiddelen :
- binnen de twaalf maanden na de eerste medische keuring;
- om de drie jaar, wanneer het niveau van de dagelijkse persoonlijke blootstelling tussen 85 en 90 dB(A) ligt;
- jaarlijks, wanneer het niveau van de dagelijkse persoonlijke blootstelling meer dan 90 dB(A) bedraagt;
- jaarlijks voor een persoonlijke blootstelling aan impulsgeluid, waarvan de maximum-waarde van niet-gewogen momentane geluidsdruk 200 Pa overschrijdt.
c) - 1) : 90 dagen;
- 2) : 30 dagen;
- 3) : geen drempel. "
Zijn hieronder gerangschikt:
1) stabiel geluid (voortdurend) van ten minste 90 decibels A
tijdens de wekelijkse duur, of ten minste 92 decibels A
tijdens 30 uren per week, of ten minste 95 decibels A
tijdens 20 uren per week, of ten minste 97 decibels A
tijdens 15 uren per week, of ten minste 100 decibels A
tijdens 10 uren per week, of ten minste 102 decibels A
tijdens 7 1/2 uren per week, of ten minste 105 decibels A
tijdens 5 uren per week, of ten minste 110 decibels A
voor elke blootstellingsduur.
Voor de zuivere tonen worden de hierboven vermelde geluidsniveaus verlaagd met 5 decibels;
2) intermitterend lawaai waarvan de totale blootstellingsduur de hierboven voor het bewuste niveau gegeven blootstellingsduur bereikt;
3) impact lawaai van 140 piekdecibel met een herhaling van 100 maal per dag.
a) Tonaal audiogram.
b) Binnen de 3 maanden na de eerste blootstelling.
Jaarlijks.
c) 30 dagen.

Art. 5MN2. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

Art. 6MN2. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1996-08-04/07, art. 90, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>

Art. 7MN2. <Zie nota's onder TITEL> GROEP IV Lijst van de stoffen en agentia die niet elders zijn vermeld en die huidaandoeningen kunnen veroorzaken
(Lid 1 opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
(Lid 2 opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
(Lid 3 opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
(Lid 4 opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
4.1. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
4.2. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
4.2.1. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
4.2.1.1. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
4.2.1.2. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
4.2.1.3. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
4.2.1.4. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
4.2.1.5. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
4.2.1.6. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
4.2.1.7. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
4.2.1.8. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
4.2.1.9. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
4.2.1.10. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
4.2.1.11. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; ED : 24-03-2002>
4.2.2. Fysische agentia.
4.2.2.1. mikrotrauma door deeltjes metaal of glas, glaswol, asbest, dierenhuiden, haarfragmenten, en dergelijke...;
4.2.2.2. actinische (ultraviolette), of thermische (warmte of koude), prikkelingen.
4.2.3. Voor de huid pathogene mikroorganismen.
4.2.3.1. mikroorganismen, die bakteriën of schimmelinfekties kunnen veroorzaken;
4.2.3.2. saprophyten, die bij gunstige omstandigheden van warmte en vochtigheid eventueel pathogeen kunnen worden.

Art. 8MN2. <Zie nota's onder TITEL> GROEP V Lijst van de stoffen of agentia die niet elders werden vermeld en die door inademing aandoeningen kunnen veroorzaken
(Lid 1 opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
(Lid 1 opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
5.1. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
5.1.1. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
5.1.2. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
5.1.3. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
5.1.4. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
5.1.5. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
5.1.6. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
5.2. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
5.3. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
5.3.bis. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
5.4. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>
5.5. Agentia die een overgevoeligheid van de ademhalingswegen of een aandoening van de longen veroorzaken.
5.5.1. produkten van plantaardige of animale oorsprong: haren, leders, pluimen, katoen, hennep, linnen, jute, sisal, parelmoer, melasse, stof.
5.5.2. (Chemische produkten: diisocyanaten, acrylaldehyde, chloorplatinaten, formaldehyde, parafenyleenliamine, diazomethaan, ftaalzuuranhydride, polymeren (stofdeeltjes van), polyvinylchloride;
a) Gericht onderzoek;
b) Jaarlijks.
c) De beoordeling van de minimale blootstellingsperiode houdt rekening met de ernst, de duur en de herhaling van de blootstellingen.) <KB 20-07-1979, art. 5>

Art. N2bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1993-08-27/31, art. 11, 047; Inwerkingtreding : 31-12-1993> Bijlage IIbis.
Geneeskundig toezicht op de werknemers die in arbeidsomstandigheden werken waardoor zij aan beroepsgebonden uitwendige belasting worden blootgesteld.
Lijst van de arbeidsomstandigheden waardoor blootstelling optreedt aan beroepsgebonden uitwendige belasting, vastgesteld ingevolge artikel 124, § 1, 6° van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming.
1° Geregeld gebruik van beeldschermapparatuur door de werknemers gedurende een aanzienlijk deel van hun normale werktijd.
(2° Het manueel hanteren van lasten met gevaar voor met name rugletsel.) <ingevoegd bij KB 1993-08-12/47, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 09-10-1993>

Art. N3. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1996-07-05/37, art. 4, 058; Inwerkingtreding : 19-08-1996> - Bijlage III. - Model van het in artikel 126 van deze afdeling bedoelde "Verzoek om gezondheidstoezicht over de werknemers" Verzoek om gezondheidstoezicht over de werknemers- (Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming, art. 126 )- (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B. St. 09-08-1996, p. 21234).

Art. N4. <Zie nota's onder TITEL> Bijlage IV. (Opgeheven) <KB 1997-04-25/55, art. 32, 6°, 061; Inwerkingtreding : 22-07-1997>

Art. N5. <Zie nota's onder TITEL> Bijlage V. (opgeheven) <KB 1996-08-04/07, art. 85, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>

Art. N6. <Zie nota's onder TITEL> Bijlage VI. (opgeheven) <KB 1996-08-04/07, art. 85, 059; Inwerkingtreding : 11-10-1996>

Art. N7. <Zie nota's onder TITEL> Bijlage VII. Model van de "Kaart van medisch onderzoek" voorzien in artikel 146bis van deze afdeling. <Niet opgenomen om technische redenen>
<gewijzigd door KB 03-12-1969, B.St. 07-01-1970, p. 161;
KB 1993-02-12/33, art. 1, B.St. 12-03-1993, p. 5375> <KB 1995-05-02/32, art. 14, Inwerkingtreding : 15-05-1995; B.St. 18-05-1995, blz. 13572>

Art. N8. <Zie nota's onder TITEL> Bijlage VIII. In acht te nemen richtlijnen met het oog op het opmaken van het onder artikel 146quinquies van deze afdeling voorgeschreven medisch dossier.
Dit dossier moet bestaan in een dubbel blad stevig papier, of beter nog in een vouwblad van drie luiken van hetzelfde papier, waarin de verschillende documenten gemakkelijk kunnen worden samengehouden.
Wanneer het dicht is mogen op het buitenblad alleen de in onderstaande paragrafen I, II, III, IV en V, a), bedoelde rubrieken zichtbaar zijn, d.i. de refertes, de burgerlijke staat van de werknemer, zijn beroepskwalificatie, de datum van zijn opneming in het personeel van de onderneming en zijn beroepsantecedenten.
Dit dossier moet worden opgemaakt en bijgewerkt overeenkomstig onderstaande schema en instructies die tevens de aard bepalen van de aanwijzingen die er moeten in opgenomen worden.
I. Gegevens ter aanwijzing.
Naam, voornaam en adres van de werkgever of benaming en adres van de onderneming.
Nummer van het dossier.
Datum waarop het dossier werd opgemaakt.
II. Burgerlijke staat van de werknemer.
Naam, voornaam, kunne, plaats en datum van geboorte, nationaliteit en adres.
Gezinstoestand (ongehuwd, gehuwd, enz.).
III. Beroepskwalificatie van de werknemer.
Behaalde diploma's, aangeleerde vakken.
Huidig beroep en aard van de gevraagde betrekking.
IV. Datum van de indiensttreding van de werknemer in het bedrijf.
V. Anamnese.
a) Beroepsantecedenten.
Vroeger uitgeoefende vakken met opgave der inrichtingen (naam en adres) waar zij werden uitgevoerd alsmede, voor elke van die inrichtingen, de duur der tewerkstelling van betrokkene en de aard van het werk dat hij er heeft verricht.
b) Erfelijke en familieantecedenten.
Ouders, echtgeno(o)t(e), broers, zusters, kinderen.
c) Persoonlijke antecedenten.
Aangeboren gebreken en aandoeningen.
Niet aan het beroep te wijten ziekten.
Beroepsziekten.
Arbeidsongevallen:
tijdens het werk;
op de weg naar en van het werk.
Andere ongevallen.
Zwangerschappen (normale, gecompliceerde, miskramen).
Chirurgische ingrepen.
Erkende blijvende ongeschiktheid _ Procent.
Inentingen en nieuwe inentingen:
Pokken...............Datum
Tetanus..............Datum
Difteritis...........Datum
Tyfus................Datum
B.C.G................Datum
Poliomyelitis........Datum
enz..................Datum
Tuberculinetesten _ Uitslagen _ Datum.
Seruminjectie _ Aard _ Datum.
Bloedgroep.
VI. Medisch onderzoek bij indienstneming.
De verschillende rubrieken met betrekking tot dit eerste medisch onderzoek van de werknemer alsmede de voor de bemerkingen van de dokter voorbehouden vakken vindt men op de binnenkant van het dubbel blad of van het vouwblad waarin het dossier bestaat.
Bovenaan de door die rubrieken en die vakken gevormde tabel moeten de datum van het onderzoek en de naam van de arbeidsgeneesheer die het uitvoerde opgegeven worden.
Onderaan de tabel moeten, benevens de opgave der eventueel door de arbeidsgeneesheer vastgestelde aandoeningen en letsels de conclusies van die dokter gegeven zijn wat betreft:
de geschiktheid voor de betrekking.
de (tijdelijke of definitieve) ongeschiktheid voor de betrekking.
de contra-indicaties (risico's waaraan de werknemer niet mag worden blootgesteld).
de aangewezen werkvoorwaarden.
Onderaan de tabel moet ook nog worden opgegeven met welk werk de werknemer uiteindelijk werd belast.
Wat het medisch onderzoek betreft moeten op zijn minst volgende rubrieken en rubriekonderverdelingen worden voorzien:
a) Biometrie.
Gestalte _ gewicht _ borstomtrek.
b) Lichaamsbekleding.
Huid _ slijmvliezen _ nagels _ haar.
c) Ogen.
Gezichtsscherpte.
Gezicht van kortbij l.o. r.o.
Gezicht op afstand l.o. r.o.
Accomodering aan het licht. aan de afstand.
Gezichtsstoornissen oogletsels. kleurenonderscheid.
Andere aandoeningen.
d) Oren.
Gehoorscherpte l.o. r.o.
Aandoeningen.
e) Mond-keelholte.
Amandelen.
Tandvlees.
Tanden. <In deze rubriek een tandenschema van voldoende afmetingen voorzien.>
Aandoeningen.
f) Voortbewegingsorganen.
Beendergestel _ Gewrichten _ Spieren.
g) Ademhalingsorganen.
Hoest _ Expectoraties.
Neusholte.
Thoraxbouw.
Longen. <In deze rubriek een longenschema eveneens van voldoende afmetingen voorzien.>
Percussie en auscultatie.
Radiologisch onderzoek (opsporing van de tuberculose)
Dyspnoe bij inspanning.
Aandoeningen.
h) Tuberculinetesten.
Cutireactie _ Intradermoreactie.
i) Bloedsomloop.
Pols.
Bloeddruk.
Hart _ Auscultatie.
Spataderen _ Zweren.
Oedemen.
Kortademigheid bij inspanning.
j) Spijsverteringsorganen en abdomen.
Maag.
Darmen _ Mac-Burney.
Lever _ Galblaaspunt.
Nierpunten.
Breuken.
Ptoses.
Eventratie.
k) Milt en lymfoidesysteem.
l) Geslachts- en urineorganen.
Menstruaties.
Zwangerschap.
Urine _ albumine _ suiker.
m) Zenuwstelsel _ Psychisme.
Spierrefleksen.
Beven.
Evenwicht (Romberg).
Slaap.
Migraine.
n) Endocriene klieren.
o) Andere tekens _ Bijzondere bemerkingen.
p) Bijzondere onderzoekingen.
Bloedonderzoek.
Opsporing van de porfyrine.
Onderzoek van de bloedsomloop.
Onderzoek van de ademhalingsorganen.
Enz.
In principe zal in bovenstaande rubriek p) uitsluitend het algemeen of globaal resultaat van de bijzondere onderzoekingen worden opgegeven door eenvoudige aantekeningen als "goed", "onvoldoende", "positief", "negatief", enz., al naargelang van het geval.
Voor die bijzondere onderzoekingen, en tevens voor de inentingen en nieuwe inentingen, moeten zoveel mogelijk, afzonderlijke kaarten worden gebruikt die in het dossier worden ingevoegd.
VII. Periodieke medische onderzoekingen, onderzoekingen bij werkhervatting en andere tijdens de tewerkstelling verrichte onderzoekingen.
De uitslagen van die onderzoekingen zullen eveneens worden aangetekend op afzonderlijke in het dossier in te voegen kaarten, van het ogenblik af althans dat de eventueel op het dossier zelf voor die resultaten voorbehouden vakken opgebruikt zijn.
Aangezien de algemene en bijzondere nasporingen waartoe de periodieke onderzoekingen, de onderzoekingen bij de werkhervatting en de andere onderzoekingen die de werknemer zal moeten ondergaan tijdens zijn tewerkstelling kunnen aanleiding geven, vrijwel niet verschillen van de onder bovenstaande paragraaf VI, littera's a) tot p) bedoelde wordt met aandrang aangeraden:
een volledige bladzijde van het dossier voor te behouden voor het onderzoek bij indienstneming en deze bladzijde in zoveel horizontale stroken onder te verdelen als er bovenbedoelde littera's zijn, met dien verstande dat iedere strook samenvalt met de in een littera bedoelde rubrieken en rubriekonderverdelingen;
iedere strook een hoogte voor te behouden naar rato van de omvang der rubrieken en der rubriekonderverdelingen waarop zij betrekking hebben;
de invoegkaarten waarop de uitslagen worden opgetekend van dezelfde nasporingen, waartoe wordt overgegaan naar aanleiding van de periodieke onderzoekingen, van de onderzoekingen bij werkhervatting en andere, dezelfde lengte te geven als het dossier en die kaarten in juist dezelfde stroken in te delen als dat dossier, zodat, wanneer het dossier en de kaarten in de lengte naast elkaar worden geplaatst, de onderverdelingen volkomen samenvallen;
die kaarten in vertikale kolommen in te delen zodat zij met de horizontale stroken voldoende brede vakken vormen om er de opmerkingen van de dokter in aan te tekenen met betrekking tot de erbij passende rubrieken en rubriekonderverdelingen die men vindt op de voor het onderzoek bij indienstneming voorbehouden bladzijde van het dossier.
Beide kanten van de in te voegen kaarten mogen op die manier onderverdeeld zijn.
Door dit systeem toe te passen zal het mogelijk zijn niet alleen talrijke herhalingen van teksten te vermijden en aldus veel plaats te winnen, maar ook nog de uitslagen van de met om het even welke tussenpozen uitgevoerde onderzoekingen zeer gemakkelijk met elkaar te vergelijken en een algemeen overzicht te hebben.

Art. N9. <Zie nota's onder TITEL> Bijlage IX. Aangifte van beroepsziekten <Modellen niet opgenomen om technische redenen>

Art. N10. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1992-05-08/30, art. 2, 039; Inwerkingtreding : 1992-06-01> Bijlage X. (Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming, artikel 147ter, besluit van de Regent van 25 september 1947, artikel 64ter).
I. Europese lijst van beroepsziekten.
1. Door de volgende chemische agentia veroorzaakte ziekten :

100 Acrylonitril
101 Arsenicum en arsenicumverbindingen
102 Beryllium en berylliumverbindingen
103.01 Koolmonoxyde
103.02 Koolstofoxychloride
104.01 Cyaanwaterstofzuur
104.02 Cyaniden en verbindingen daarvan
104.03 Isocyanaten
105 Cadmium en cadmiumverbindingen
106 Chroom en chroomverbindingen
107 Mercurium en mercuriumverbindingen
108 Mangaan en mangaanverbindingen
109.01 Salpeterzuur
109.02 Stikstofoxyden
109.03 Ammoniak
110 Nikkel of nikkelverbindingen
111 Fosfor of fosforverbindingen
112 Lood of loodverbindingen
113.01 Zwaveloxyden
113.02 Zwavelzuur
113.03 Zwavelkoolstof
114 Vanadium of vanadiumverbindingen
115.01 Chloor
115.02 Broom
115.04 Jodium
115.05 Fluor of fluorverbindingen
116 Alifatische of alicyclische koolwaterstoffen uit petroleumether en
benzine
117 Gehalogeneerde derivaten van alifatische of acyclische
koolwaterstoffen
118 Butyl-, methyl- en isopropylalcohol
119 Ethyleenglycol, diethyleenglycol, 1,4-butaanediol alsmede
genitreerde derivaten van glycol en glycerol
120 Methylether, ethylether, isopropylether, vinylether,
dichloorisopropylether en guaia colmethylether en ethylether van
ethyleenglycol
121 Aceton, chlooraceton, broomaceton, hexafluoraceton,
methylethylceton, methyl-n-butylceton, methylisobutylceton,
diacetonalcohol, mesithyloxyde en 2-methylcyclohexanon
122 Organofosforesters
123 Organische zuren
124 Formaldehyde
125 Alifatische nitroderivaten
126.01 Benzeen of homologen daarvan (benzeenhomologen worden aangeduid met
de formule : CnH2n-6)
126.02 Naftalenen of homologen daarvan (naftaleenhomologen worden aangeduid
met de formule : CnH2n-12)
126.03 Vinylbenzeen en divinylbenzeen
127 Halogeenderivaten van aromatische koolwaterstoffen
128.01 Fenolen of homologen of halogeenderivaten daarvan
128.02 Naftolen of homologen of halogeenderivaten daarvan
128.03 Halogeenderivaten van alkylaryloxyden
128.04 Halogeenderivaten van alkylarysulfiden
128.05 Benzochinonen
129.01 Aromatische aminen of aromatische hydrazinen of halogeen-, fenol-,
nitro-, nitri- of sulfonderivaten daarvan
129.02 Alifatische aminen en halogeenderivaten daarvan
130.01 Nitroderivaten van aromatische koolwaterstoffen
130.02 Nitroderivaten van fenolen en homologen
131 Antimoon en antimoonderivaten

2. Huidziekten, veroorzaakt door stoffen en agentia die niet onder andere posten zijn opgenomen :

201 Huidziekten en huidkanker veroorzaakt door :
201.01 Roet
201.02 Teer
201.03 Bitumen
201.04 Pek
201.05 Anthraceen of anthraceenverbindingen
201.06 Olien en minerale vetten
201.07 Ruwe paraffine
201.08 Carbazol of carbazolverbindingen
201.09 Bijprodukten van de steenkooldistillatie
202 Dermatites en dermatosen, veroorzaakt in het arbeidsmilieu door
wetenschappelijk erkende allergenen of irritatieve stoffen die
niet onder andere posten zijn opgenomen

3. Ziekten veroorzaakt door het inademen van niet onder andere posten opgenomen stoffen en agentia :

301 Ziekten van het ademhalingsstelsel en kanker
301.11 Silicose
301.12 Silicose gepaard met longtuberculose
301.21 Asbestose
301.22 Mesothelioom, veroorzaakt door de inademing van stof van asbeststof
301.31 Pneumoconiosen, veroorzaakt door stof van silicaten
302 Complicatie van asbestose door bronchiale kanker
303 Bronchopulmonale aandoeningen, veroorzaakt door stof van gesinterde
metalen
304.01 Extrinsieke allergische alveolitis
304.02 Longaandoeningen, veroorzaakt door de inademing van stof en vezels
van katoen, vlas, hennep, jute, sisal en bagasse
304.03 Allergische ademhalingsstoornissen, veroorzaakt door de inademing
van als zodanig erkende en aan het soort werk inherente allergenen
304.04 Aandoeningen van de ademhalingswegen, veroorzaakt door de inademing
van stof van kobalt, tin, barium en grafiet
304.05 Siderose
305.01 Door houtstof veroorzaakte kanker van de bovenste ademhalingswegen

4. Infectieuze en parasitaire ziekten :

401 Infectieuze of parasitaire ziekten die door dieren of dierlijke
resten op mensen worden overgebracht
402 Tetanus
403 Brucellose
404 Virushepatitis van het personeel dat zich bezighoudt met preventie,
verzorging en hulp aan huis, onderzoek en andere werkzaamheden
waarvoor een infectierisico bestaat
405 Tuberculose van het personeel dat zich bezighoudt met preventie,
verzorging en hulp aan huis, onderzoek en andere werkzaamheden
waarvoor een infectierisico bestaat
406 Amoebiasis

5. Door de volgende fysische agentia veroorzaakte beroepsziekten :

502.01 Staar, veroorzaakt door thermische stralen
502.02 Conjunctivale aandoeningen als gevolg van de blootstelling aan
ultraviolette straling
503 Hardhorendheid of doofheid ten gevolge van lawaai
504 Ziekte veroorzaakt door compressie en decompressie van de lucht
505.01 Osteoarticulaire aandoeningen van de handen en polsen ten gevolge
van mechanische trillingen
505.02 Angioneurotische aandoeningen veroorzaakt door mechanische
trillingen
506.10 Ontsteking van de periarticulaire slijmbeurzen als gevolg van druk
506.21 Ontstekingen door overmatige inspanning van peesscheden
506.22 Ontstekingen door overmatige inspanning van het weefsel van
peesscheden
506.23 Ontstekingen door overmatige inspanning van de inplantingen van
spieren en pezen
506.30 Beschadigingen van de meniscus als gevolg van langdurig werken in
geknielde of gehurkte houding
506.40 Zenuwverlamming door druk
507 Nystagmus van mijnwerkers
508 Ziekten veroorzaakt door ioniserende stralen

II. Aanvullende lijst van ziekten welke vermoedelijk door de beroepsuitoefening veroorzaakt worden, gemeld zouden moeten worden en in de toekomst in bijlage I van de Europese lijst opgenomen zouden kunnen worden.
2.1. Ziekten veroorzaakt door onderstaande chemische agentia :

2.101 Ozon
2.102 Andere dan de in rubriek 1.116 van bijlage I bedoelde alifatische
koolwaterstoffen
2.103 Difenyl
2.104 Decaline
2.105 Aromatische zuren - aromatische anhydriden en halogeenderivaten
daarvan
2.106 Difenyloxyde
2.107 Tetrahydrofuraan
2.108 Thiofeen
2.109 Mathacrylnitriel Acetonnitril
2.110 Zwavelwaterstof
2.111 Thioalcohol
2.112 Mercaptan en thioethers
2.113 Thallium of thalliumverbindingen
2.114 Alcoholen of gehalogeneerde derivaten daarvan welke niet onder
rubriek 1.118 van bijlage I bedoeld zijn
2.115 Glycolen of gehalogeneerde derivaten daarvan welke niet onder
rubriek 1.119 van bijlage I bedoeld zijn
2.116 Ethers of gehalogeneerde derivaten daarvan welke niet onder rubriek
1.120 van bijlage I bedoeld zijn
2.117 Ketonen of gehalogeneerde derivaten daarvan welke niet onder rubriek
1.121 van bijlage I bedoeld zijn
2.118 Esters of gehalogeneerde derivaten daarvan welke niet onder rubriek
1.122 van bijlage I bedoeld zijn
2.119 Furfural
2.120 Thiofenolen of homologe verbindingen of gehalogeneerde derivaten
daarvan
2.121 Zilver
2.122 Selenium
2.123 Koper
2.124 Zink
2.125 Magnesium
2.126 Platina
2.127 Tantalium
2.128 Titanium
2.129 Terpenen
2.130 Boranen
2.140 Door inademing van paarlemoerstof veroorzaakte ziekten
2.141 Door hormonale stoffen veroorzaakte ziekten
2.150 Caries van de tanden ten gevolge van werkzaamheden in de chocolade-,
suiker- en meelindustrie

2.2. Huidziekten veroorzaakt door niet onder andere posten opgenomen stoffen en agentia :

2.201 Niet in bijlage I erkende allergische en orthoergische dermatites en
dermatosen

2.3. Ziekten veroorzaakt door het inademen van niet onder andere posten opgenomen stoffen :

2.301 Aan niet in de Europese lijst opgenomen metalen te wijten
longfibrosen
2.302 Bronchopneumonale aandoeningen ten gevolge van stof of rook van
aluminium of samenstellingen daarvan
2.303 Bronchopneumonale aandoeningen en kanker ten gevolge van
blootstelling aan :
- roet,
- teer,
- asfalt,
- pek,
- anthraceen of samenstellingen daarvan
- olien en minerale vetten
2.304 Bronchopulmonale aandoeningen ten gevolge van anorganische
kunstvezels
2.305 Bronchopulmonale aandoeningen ten gevolge van synthetische vezels
2.306 Bronchopulmonale aandoeningen veroorzaakt door stof van
Thomasslakken

2.4. Niet in bijlage I opgenomen infectieuze en parasitaire ziekten :

2.401 Parasitaire ziekten
2.402 Tropische ziekten
2.403 Infectieuze, niet in bijlage I opgenomen ziekten van het personeel
dat zich bezighoudt met preventie, verzorging, hulp aan huis of
laboratoriumwerkzaamheden en andere werkzaamheden waarvoor een
infectierisico bestaat

2.5. Afscheuring door overmatige inspanning van doornuitsteeksels.um en -verbindingen;
3. Koolmonoxyde _ koolstofoxychloride _ cyaanwaterstofzuur, cyaniden en cyanogeenverbindingen;
4. Cadmium en -verbindingen;
5. Chroom en -verbindingen;
6. Kwik en -verbindingen;
7. Mangaan en -verbindingen;
8. Salpeterzuur _ stikstofoxyden _ ammoniak;
9. Nikkel en -verbindingen;
10. Fosfor en -verbindingen;
11. Lood en -verbindingen;
12. Zwaveligzuur, zwavelzuur, zwavelwaterstof, zwavelkoolstof;
13. Thallium en -ve

Art. N11. <Zie nota's onder TITEL> <MB 01-07-1980> Bijlage XI. Model van het in artikel 121 van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming voorgeschreven jaarverslag van de arbeidsgeneeskundige dienst. <Niet opgenomen om technische redenen. Zie B. St. 16-07-1980, p. 8540 e.v.> <Bijlage gewijzigd bij MB 1985-11-07/30, art. 1, 014. Zie B. St. 23-11-1985, p. 17300-17333>

Art. N12. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1986-08-28/30, 015> Bijlage XII. Praktische aanbevelingen voor de medische keuring van de werknemers, bedoeld in artikel 135ter 1.
1. Volgens de huidige kennis kan blootstelling aan losse asbestvezels de volgende aandoeningen veroorzaken :
_ asbestose;
_ mesothelioom;
_ longkanker;
_ maag- en darmkanker.
2. De arbeidsgeneesheer en de geneesheer-arbeidsinspecteur dienen vertrouwd te zijn met de voorwaarden en omstandigheden van de blootstelling van elke werknemer.
3. De medische keuring van de werknemers dient te geschieden overeenkomstig de beginselen en de gebruiken van de arbeidsgeneeskunde; zij moet minstens de volgende maatregelen omvatten :
_ het aanleggen van een dossier met de medische geschiedenis en het beroepsverleden van de werknemer;
_ een persoonlijk gesprek;
_ een klinisch onderzoek van de borstkas;
_ onderzoek van de ademhalingsfunctie;
_ een standaardformaat röntgenfoto van de borstkas bij de indiensttreding en elke 3 jaar.
Deze onderzoeken mogen worden aangevuld met andere specifieke proeven, zoals cytologisch onderzoek van het sputum.
Deze onderzoeken moeten voor elke werknemer aangepast worden wanneer hij een medische keuring ondergaat en op grond van de jongste inzichten op het terrein van de arbeidsgeneeskunde.

Art. N13. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

Art. N14. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

Art. N15. <Zie nota's onder TITEL> <ingevoegd bij KB 1991-09-26/38, art. 6, Inwerkingtreding : 1991-11-14> Bijlage XV. Omschrijving van de in artikel 148decies 2.1. a) 2. bedoelde criteria ter beoordeling van het risico te wijten aan lawaai.
Het niveau van de blootstelling aan lawaai wordt door de hiernavermelde waarden omschreven :
1. Dagelijkse persoonlijke blootstelling van een werknemer aan geluid LEP,d.
Deze dagelijkse persoonlijke blootstelling aan geluid wordt uitgedrukt in dB(A) door de hiernavermelde vergelijking : <Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 14/11/1991, p. 25523>
Te = dagelijkse duur van de persoonlijke blootstelling van een werknemer aan geluid
To = 8 h = 28 800 seconden
Po = 20 uPa
PA = de A-gewogen momentane geluidsdruk in pascal waaraan een persoon die zich al dan niet van een plek naar een andere plek van de arbeidsplaats begeeft, in lucht bij atmosferische druk wordt blootgesteld; deze geluidsdruk wordt bepaald op basis van metingen op oorhoogte tijdens het werk bij voorkeur in afwezigheid van de persoon, met gebruikmaking van een techniek waarbij het effect op het geluidsveld minimaal is.
Indien de microfoon zeer dicht bij het lichaam moet worden geplaatst, moet er door middel van de nodige aanpassingen voor gezorgd worden dat er een drukveld wordt bepaald dat gelijk is aan het ongestoorde drukveld.
De dagelijkse persoonlijke blootstelling wordt bepaald zonder rekening te houden met het effect van een persoonlijk gehoorbeschermingsmiddel.
2. Weekgemiddelde van de dagelijkse waarden LEP,w.
Het weekgemiddelde van de dagelijkse waarden wordt berekend aan de hand van de vergelijking.
<Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 14/11/1991, p. 25523.> waarin (LEP,d)k de waarden van LEP,d zijn voor elk van de m werkdagen van de desbetreffende week.
3. Maximum-waarde van de niet-gewogen momentane geluidsdruk.
De maximum-waarde van de niet-gewogen momentane geluidsdruk is de maximumwaarde gemeten met een geluidsmeter in de meterstand " peak " (piekwaarde).
Wanneer de maximum-waarden van het A-gewogen geluidsdrukniveau, gemeten met een geluidsmeter in de meterstand I (Impuls) (volgens IEC 651), niet meer bedraagt dan 130 dB (A.I.), kan worden aangenomen dat de maximum-waarde van de niet-gewogen momentane geluidsdruk 200 Pa niet overschrijdt.

Afdeling II _ Strijd tegen de hinder <KB 23-5-1972, art. 1>

Onderafdeling I _ Maatregelen ter voorkoming van de hinder <KB 23-5-1972, art. 2>

Art. 148decies1. <Zie nota's onder TITEL> <KB 03-10-1973, art. 2> Algemeen maatregelen. § 1. Overeenkomstig de opdrachten die hun werden toevertrouwd in uitvoering van de bepalingen van titel V, hoofdstuk II, afdeling III, van dit reglement, worden de Comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen ingezet in de strijd tegen de arbeidshinder.
Bij ontstentenis van een Comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen opgericht in de onderneming, worden de opdrachten, toevertrouwd aan dit comité in toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling, uitgevoerd door de syndicale afvaardiging van het personeel.
§ 2. De werkgever is verplicht in de kortst mogelijke tijd voorkomingsmaatregelen te treffen tot het bestrijden van de hinder.
(In elk geval verhelpt hij de hinder van de werkposten door, onder meer, te trachten stoffen en preparaten te gebruiken die het minst schadelijk zijn voor de gezondheid van de mens en meteen door alle maatregelen te nemen om de ongemakken te verminderen en het arbeidsklimaat te verbeteren.) <KB 21-04-1975, art. 13>
§ 3. De werkgever stelt de werknemers onmiddellijk op de hoogte van de gevaarlijkheidsgraad van de stoffen en preparaten, waarmee de betrokkenen in aanraking komen, en houdt bovendien het Comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen regelmatig op de hoogte van de plaatsen in de onderneming waar dergelijke stoffen en preparaten worden gebruikt of opgeslagen.
(Hij handelt op dezelfde wijze voor het ontstaan en de aanwezigheid van hinder te wijten aan overmatige warmte, koude of vochtigheid.) <KB 21-04-1975, art. 14>
§ 4. De werkgever verschaft aan de arbeidsgeneesheer inlichtingen aangaande het arbeidsproces en de fabricagetechnieken, alsmede aangaande de gevaarlijke stoffen en preparaten die gebruikt worden in de door hem bestuurde onderneming.
(Hij licht hem eveneens in omtrent ieder probleem met betrekking tot de toestand van het arbeidsklimaat.) <KB 21-04-1975, art. 15>
Hij nodigt de arbeidsgeneesheer ertoe uit, de werkposten te onderzoeken, telkens de titularissen van deze posten blootgesteld worden aan een verhoging van de bestaande gevaren of aan nieuwe gevaren van de hinder, te wijten aan de werkmethoden of aan het milieu van de werkposten.
Hij raadpleegt de arbeidsgeneesheer betreffende ieder ontwerp, maatregel of middel, waarvan hij de toepassing overweegt en die rechtstreeks of onrechtstreeks, onmiddellijk of op termijn, gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid en de hygiëne van het personeel, inbegrepen de wijzigingen aangebracht in het arbeidsproces, de fabricagetechnieken en de inrichtingen, wanneer deze van aard zijn om de risico's van de hinder, overlast of ongemak, te verhogen of er andere te veroorzaken.
§ 5. Het advies verstrekt door de arbeidsgeneesheer in uitvoering van de bepalingen van deze onderafdeling wordt genoteerd in een verslag dat wordt afgegeven aan de werkgever. Deze laatste geeft een afschrift ervan aan het Comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen.
§ 6. Op aanvraag van de arbeidsgeneesheer, of van de afgevaardigden van het personeel bij het Comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen, laat de werkgever monsternemingen en analysen verrichten van de gevaarlijke stoffen en preparaten, van de atmosfeer der werkplaatsen en van elk andere stof waarvan vermoed wordt dat ze schadelijk is; hij laat ook controles uitvoeren op de schadelijke fysische agentia, zoals ioniserende stralingen, ultraviolette stralingen, intens lawaai, verluchting, hoge en lage temperaturen, enz.
In geval van betwisting aangaande de resultaten van deze analysen en controles, is het verplicht deze toe te vertrouwen aan een dienst of laboratorium met dat doel erkend door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid.
De resultaten van deze analysen en controles worden in al de gevallen medegedeeld aan de arbeidsgeneesheer alsook aan het Comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen.
§ 7. De verslagen van de arbeidsgeneesheer opgesteld overeenkomstig de bepalingen van § 5 van dit artikel, alsook de uitslagen van de verrichte metingen en analysen, worden door de werkgever ter beschikking gehouden van de geneesheren-arbeidsinspecteurs en de bezoeksters arbeidshygiëne.

Art. 148decies2. <Zie nota's onder TITEL> <KB 23-05-1972, art. 2> Bijzondere maatregelen <Om praktische redenen werd dit artikel in fiktieve artikelen onderverdeeld : 148decies2*1-148decies2*7>

Art. 148decies2*1. <Zie nota's onder TITEL> <KB 23-05-1972, art. 2> Strijd tegen het lawaai en de trillingen. (a) Strijd tegen het lawaai.
1.1. Alle maatregelen dienen getroffen ten einde de bescherming van de werknemers te verzekeren tegen de gevaren voor hun gehoor en voor hun gezondheid en veiligheid alsmede deze gevaren, die voortvloeien of kunnen voortvloeien uit blootstelling aan geluid op het werk, te voorkomen.
2. Definities.
In het kader van de huidige bepalingen worden de aan het lawaai te wijten risico's omschreven volgens de vergelijkingen die uitgewerkt worden in de bijlage XV bij afdeling I,
a) voor de continue of intermitterende geluidsniveaus zoals :
- de dagelijkse persoonlijke blootstelling aan lawaai (LEP,d) uitgedrukt in dB(A),
of
- het wekelijks gemiddelde der dagelijkse waarden (LEP,w);
b) voor het impulsgeluid door de maximumwaarde van de kortstondige niet-gewogen geluidsdruk, uitgedrukt in pascals.
3. Beoordeling van het risico.
3.1. Het geluid op het werk wordt beoordeeld en, zo nodig, worden metingen gedaan ten einde de werknemers, de arbeidsplaatsen en -posten, bedoeld bij deze bepalingen te identificeren.
De metingen worden uitgevoerd overeenkomstig de aanwijzingen van bijlage V van deze afdeling.
De meting van de dagelijkse persoonlijke blootstelling aan geluid kan vervangen worden door de meting van het geluidsniveau dat wordt opgenomen gedurende de dagelijkse arbeidstijd, maar ten minste gedurende acht uur, op de plaatsen waar de werknemer zich bevindt.
3.2. De beoordeling en de metingen der geluidsniveaus worden op regelmatige tijdstippen geprogrammeerd en uitgevoerd door bevoegde personen onder de verantwoordelijkheid van de werkgever.
3.3. De steekproef van de metingen moet representatief zijn voor de dagelijkse persoonlijke blootstelling van de werknemer aan geluid.
De gebruikte methoden en apparaten moeten aan de bestaande omstandigheden aangepast zijn, gelet met name op de kenmerken van het geluid, de blootstellingsduur, de omgevingsfactoren en de kenmerken van het meetapparaat.
Zij moeten geschikt zijn om de in punt 1.2. omschreven grootheden te bepalen en uit te maken of de in punt 5.1. vastgestelde waarden in het betrokken geval overschreden zijn.
3.4. De beoordeling en de eventuele metingen van het geluid op het werk maken het voorwerp uit van een raadpleging van de werknemers en van de leden van het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij ontstentenis ervan, de vakbondsafvaardiging. Zij hebben toegang tot de resultaten van de beoordeling en de metingen en krijgen uitleg over de betekenis van deze resultaten.
De beoordeling en de metingen worden herzien wanneer er redenen toe bestaan om aan te nemen dat zij niet correct zijn of wanneer de arbeidsomstandigheden daadwerkelijk veranderen. Alle moeilijkheid betreffende de beoordeling en de metingen of hun herziening worden beslecht door de geneesheer-arbeidsinspecteur.
4. Algemene bescherming.
De blootstelling van de werknemers aan geluid moet worden beperkt tot een zo laag mogelijk niveau, rekening houdend met de technische ontwikkeling en de beschikbaarheid van maatregelen om het geluid, met name bij de bron, te beheersen.
Bij gemis aan de specifieke beschermingsmaatregelen vermeld in punt 5, moet de dagelijkse persoonlijke blootstelling werknemer aan geluid kleiner zijn en blijven dan 85 dB(A) en de blootstelling aan impulsgeluid moet kleiner zijn dan een niet-gewogen momentane geluidsdruk van 200 Pa of 140 dB.
5. Specifieke beschermingsmaatregelen.
Op de arbeidsplaats die een dagelijkse persoonlijke blootstelling van de werknemer met zich brengen of kunnen brengen die hoger is dan 85 dB(A), hoger is dan 90 dB(A), of een blootstelling aan impulsgeluid, worden de specifieke beschermingsmaatregelen getroffen die hierna worden vermeld.
5.1. Dagelijkse persoonlijke blootstelling hoger dan 85 dB(A).
1° de werknemers en de leden van het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij ontstentenis ervan, de vakbondsafvaardiging krijgen voorlichting en desgevallend een adequate opleiding over :
a) de mogelijke gevaren voor hun gehoor als gevolg van blootstelling aan geluid;
b) de door de werkgever ter beperking van de blootstelling aan geluid genomen beschermingsmaatregelen; zij worden betrokken bij het zoeken naar voorkomingsmiddelen en voorgelicht over de resultaten van de metingen en de genomen besluiten;
c) de verplichting de beschermings- en voorkomingsmaatregelen in acht te nemen;
d) de doeltreffendheid en het nut van het dragen van individuele beschermingsmiddelen;
e) het doel van het medisch toezicht bedoeld in artikel 135sexies en, in het bijzonder, het bepalen van elke gehoorvermindering ten gevolge van geluid en het in stand houden van de gehoorfunctie.
2° Overminderd (de bepalingen van de artikelen 12, 13 en 15 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1995 betreffende het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen) worden individuele beschermingsmiddelen, in voldoende aantal, ter beschikking gesteld van de werknemers. <KB 1995-08-07/46, art. 23, 057; Inwerkingtreding : 25-09-1995>
5.2. Dagelijkse persoonlijke blootstelling aan meer dan 90 dB(A).
Onverminderd de bepalingen van punt 5.1., zijn de maatregelen betreffende een dagelijkse persoonlijke blootstelling aan meer dan 90 dB(A) de hiernavolgende :
1° De oorzaken van de blootstelling aan meer dan 90 dB(A) worden geïdentificeerd.
Vervolgens stelt de werkgever een programma van maatregelen van technische en/of organisatorische aard op en voert dit uit ten einde de blootstelling van werknemers aan geluid te verminderen indien dat mogelijk is;
2° De werknemers en de leden van het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij ontstentenis ervan, de syndicale afvaardiging, ontvangen adequate informatie over deze blootstelling aan meer dan 90 dB(A) en over de genomen maatregelen om eraan te verhelpen;
3° De betrokken arbeidsplaatsen of -posten worden afgebakend met een passende signalering. De toegang ertoe kan aan beperkingen onderworpen worden indien het blootstellingsrisico dit rechtvaardigt;
4° Onverminderd (de bepalingen van de artikelen 12,13 en 15 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1995 betreffende het gebruik van personnlijke beschermingsmiddelen) moeten de individuele beschermingsmiddelen die ter beschikking staan van de werknemers overeenkomstig de bepalingen van punt 5.1.2°, worden aangewend. <KB 1995-08-07/46, art. 23, 057; Inwerkingtreding : 25-09-1995>
5.3. Blootstelling aan impulsgeluid.
De bepalingen vervat in de punten 5.1. en 5.2. zijn van toepassing bij een dagelijkse persoonlijke blootstelling aan impulsgeluid dat 140 dB overschrijdt.
6. Individuele beschermingsmiddelen.
6.1. De arbeidsgeneesheer en de leden van het comité voor veiligheid gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij ontstentenis ervan, de syndicale afvaardiging worden betrokken bij de keuze van het (de) door de werkgever geselekteerd(e) model(len) van individuele beschermingsmiddelen.
6.2. De individuele beschermingsmiddelen zijn aangepast aan de werknemers en zijn werkomstandigheden, met inachtneming van zijn gezondheid en zijn veiligheid. Zij worden, in de zin van deze bepalingen, als passend en adequaat beschouwd als redelijkerwijs mag worden verwacht dat, wanneer zijn op de juiste manier worden gedragen, het gevaar voor het gehoor op zijn minst lager blijft dan het niveau van 90 dB(A).
6.3. Indien het dragen van individuele beschermingsmiddelen een ongevalrisico inhoudt, moet dit risico zoveel als technisch mogelijk is worden verlaagd door andere passende maatregelen dan geluidssignalen.
7. Bijzondere bepalingen.
7.1. Het ontwerp, de bouw en de constructie van nieuwe installaties (nieuwe fabrieken, installaties of machines, uitbreiding of aanzienlijke wijziging van bestaande fabrieken of installaties, vervanging van installaties of machines) beantwoorden aan de in punt 4 vermelde bepalingen.
7.2. Indien nieuw materieel (werktuigen, machines, apparaten, ...) bij een werknemer in geval van passend gebruik kan leiden tot een dagelijkse persoonlijke blootstelling aan geluid van meer dan 85 dB(A), gemeten tijdens een referentieperiode van 8 uur die valt in de arbeidsduur, ontvangt de betrokken werknemer voldoende informatie over het onder te specificeren gebruiksomstandigheden voortgebrachte geluid.
7.3. Indien de dagelijkse persoonlijke blootstelling een geluid van de werknemer op zijn werkpost naar aanleiding van speciale taken van de ene dag tot de andere sterk verschilt, mag de evaluatie van het risico op blootstelling aan geluid vervangen worden door het weekgemiddelde van de blootstelling van de werknemer aan geluid op voorwaarden dat dit weekgemiddelde lager is dan 90 dB(A).
7.4. Indien het niet mogelijk is om door technische en/of organisatorische maatregelen de dagelijkse persoonlijke blootstelling van de werknemer aan geluid tot minder dan 90 dB(A) terug te brengen en te waarborgen dat de individuele beschermingsmiddelen die de hoogste graad aan beschermingsmiddelen bieden en verplicht worden aangewend, het door het oor opgevangen geluidsniveau onder het niveau van 90 dB(A) brengen, mag de Minister van Tewerkstelling en Arbeid op advies van de Administratie van de Arbeidshygiëne en -geneeskunde van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, een in duur beperkte en verlengbare afwijking toestaan van de toepassing van deze bepalingen.
7.5. Indien het dragen van individuele beschermingsmiddelen het totale risico verzwaart dat de gezondheid en de veiligdheid van de betrokken werknemers die speciale taken uitvoeren bedreigt en het niet mogelijk is dit risico met andere middelen te beperken, mag de Minister van Tewerkstelling en Arbeid, op advies van de Administratie van de arbeidshygiëne en -geneeskunde van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, een in duur beperkte en verlengbare afwijking toestaan van de toepassing van deze bepalingen.
7.6. De bij de punten 7.4. en 7.5. bedoelde afwijkingen worden maar toegestaan indien de voorwaarden, met inachtneming van de bijzondere omstandigheden, garanderen dat de uit deze afwijkingen voortvloeiende risico's tot een minimum worden beperkt. De afwijkingen worden regelmatig beoordeeld en worden ingetrokken zodra dat redelijkerwijs mogelijk is.
7.7. De bepalingen vervat in de punten 7.1., 7.2. en 7.3. zijn van toepassing op het impulsgeluid.
De bepalingen van de punten 7.4., 7.5. en 7.6. zijn van toepassing op het impulsgeluid van meer dan 200 Pa.
b) Strijd tegen de trillingen.
Alle mogelijke maatregelen dienen getroffen ten einde overdreven trillingen veroorzaakt door het werk of de werkplaatsen bij de bron te verminderen.
Indien de technische middelen ontoereikend of onafdoend zijn om deze vermindering te bekomen, dragen de werknemers aangepaste individuele beschermingsmiddelen die hun ter beschikking gesteld worden door de werkgever.
In voorkomend geval is de werkgever verplicht de duur van de blootstelling aan deze risico's te verminderen of pauzen in te voeren in het werk.) <KB 1991-09-26/38, art. 4, 036; Inwerkingtreding : 1991-11-14>

Art. 148decies2*2. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

Art. 148decies2*2bis. <Zie nota's onder TITEL> <ingevoegd bij KB 1993-03-31/30, art. 1, Inwerkingtreding : 1993-06-05> 2bis. Strijd tegen hinder te wijten aan omgevingstabaksrook.
De werkgever neemt de noodzakelijke maatregelen waardoor het rookgedrag tijdens het werk en tijdens de rust- en etenstijden wordt afgestemd op de wederzijdse verwachtingen van de rokers en niet-rokers. Deze regeling is gebaseerd op wederzijdse verdraagzaamheid, respect voor de individuele vrijheid en hoffelijkheid.
De werkgever neemt zo nodig bijkomende materiële maatregelen om de hinder te wijten aan omgevingstabaksrook uit te schakelen.

Art. 148decies2*3. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1993-12-02/34, art. 17, 053; Inwerkingtreding : 08-01-1994>

Art. 148decies2*4. <Zie nota's onder TITEL> (Strijd tegen de overmatige warmte, koude en vochtigheid.
4.1. Specifieke rol van de arbeidsgeneesheer.
De arbeidsgeneesheer bepaalt welke maatregelen moeten worden genomen om een juiste acclimatisering van de werknemer aan de warmte of de koude te verzekeren. Hij geeft een voorafgaand advies nopens de keuze en het gebruik van de collectieve of individuele beschermingsmiddelen, alsook nopens het toepassen van de toegestane rusttijden en het gebruiken van de ontspanningslokalen. Hij licht de werknemers eveneens in over de aard van de dranken die hun door de onderneming moeten worden verstrekt.
4.2. Overmatige warmte van technologische oorsprong. § 1. Wanneer in de gesloten werklokalen de bron van hinder en ongemak voorkomt uit een overmatige temperatuur van technische oorsprong te wijten aan convectie, en van zodra de maximumtemperatuur, zoals deze is vastgesteld in artikel 64 van hetzelfde reglement, overschreden wordt op het niveau van de werkpost met zwaarste last, plaatst de werkgever kunstmatige ventilatieinrichtingen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 58 van dit reglement.
§ 2. De overmatige warmte van technische oorsprong veroorzaakt door stralingen wordt gemeten op het niveau van iedere werkpost met een vochtige globethermometer of met enige andere methode die op het stuk van de effectieve temperatuur dezelfde resultaten oplevert.
De hieronder gegeven schaal bepaalt de temperaturen waarvan het overschrijden tot de toepassing van bijzondere beschermingsmiddelen verplicht:
licht werk...............: ongeveer 150 kcal/uur: 30° C
halfzwaar werk...........: ongeveer 250 kcal/uur: 26,7° C
zwaar werk...............: ongeveer 350 kcal/uur: 25° C
In geval van overschrijding van deze effectieve temperaturen moeten beveiligingsschermen en /of reflectorische beschermingskleding of beschermingskleding met ingebouwd koelsysteem worden gebruikt.
§ 3. Indien de in de paragrafen 1 en 2 hierboven voorgeschreven maatregelen niet kunnen genomen worden of ondoelmatig blijken, wordt de duur van de blootstelling aan de overmatige warmte ingekort. Deze inkortingen gebeuren door beperkte aanwezigheidstijden op de betrokken werkpost af te wisselen met rusttijden ter plaatse of in ontspanningslokalen waar de effectieve temperatuur lager ligt dan 30° C.
De afwisseling van de beperkte aanwezigheidstijden op de werkpost en de rustperiodes wordt bepaald overeenkomstig de waardeschalen gegeven in de hiernavolgende tabel: <De schikking van deze tabel werd om technische redenen aangepast>

Temperatuur: Alternatie:
licht werk tijdsduur van toe te
blootstelling stane
+/-150kcal/h aan de warmte rusttijden
30,1° C 110 min. 10 min.
30,4° C 100 min. 20 min.
30,6° C 45 min. 15 min.
30,9° C 40 min. 20 min.
31,2° C 35 min. 25 min.
31,5° C 30 min. 30 min.
31,8° C 25 min. 35 min.
32,1° C 20 min. 40 min.
32,4° C 15 min. 45 min.
32,7° C 10 min. 50 min.
33° C 5 min. 55 min.
Temperatuur: Alternatie:
halfzwaar tijdsduur van toe te
werk blootstelling stane
+/-250kcal/h aan de warmte rusttijden
26,8° C 110 min. 10 min.
27,5° C 100 min. 20 min.
28 ° C 45 min. 15 min.
28,5° C 40 min. 20 min.
29 ° C 35 min. 25 min.
29,5° C 30 min. 30 min.
29,8° C 25 min. 35 min.
31,1° C 20 min. 40 min.
31,4° C 15 min. 45 min.
31,7° C 10 min. 50 min.
32 ° C 5 min. 55 min.
Temperatuur: Alternatie:
zwaar tijdstuur van toe te
werk blootstelling stane
+/-350kcal/h aan de warmte rusttijden
25,1° C 110 min. 10 min.
25,5° C 100 min. 20 min.
25,9° C 45 min. 15 min.
26,6° C 40 min. 20 min.
27,3° C 35 min. 25 min.
28 ° C 30 min. 30 min.
28,7° C 25 min. 35 min.
29,4° C 20 min. 40 min.
30,1° C 15 min. 45 min.
30,8° C 10 min. 50 min.
31,5° C 5 min. 55 min.
Temperatuur: Alternatie:
zwaar werk tijdsduur van toe te sta
blootstelling ne rusttij
+_150kcal/h aan de warmte den
25,1° C 110 min. 10 min.
25,5° C 100 min. 20 min.
25,9° C 45 min. 15 min.
26,6° C 40 min. 20 min.
27,3° C 35 min. 25 min.
28 ° C 30 min. 30 min.
28,7° C 25 min. 35 min.
29,4° C 20 min. 40 min.
30,1° C 15 min. 45 min.
30,8° C 10 min. 50 min.
31,5° C 5 min. 55 min.

4.3. Overmatige warmte van klimatologische oorsprong.
§ 1. De overmatige warmte van klimatologische oorsprong wordt gemeten op het niveau van elke werkpost met een vochtige globethermometer of met enige andere methode die op het stuk van de effectieve temperatuur dezelfde resultaten oplevert.
De effectieve temperaturen, vanaf welke er aan klimatologische omstandigheden te wijten hinder bestaat, zijn de volgende:
licht werk...............: ongeveer 150 kcal/uur: 30° C
halfzwaar werk...........: ongeveer 250 kcal/uur: 26,7° C
zwaar werk...............: ongeveer 350 kcal/uur: 25 C
In geval van overschrijding van genoemde maximumtemperaturen, moeten volgende maatregelen genomen worden:
1) de werknemers blootgesteld aan rechtstreekse zonnestraling beschikken over individuele of collectieve beschermingsmiddelen;
2) de werkgever zorgt ervoor dat aangepaste frisdranken worden verstrekt overeenkomstig het ter zake door de arbeidsgeneesheer verstrekte advies;
3) binnen de 48 uur, na het ogenblik van de vaststelling van de hinder, installeert de werkgever in de werklokalen inrichtingen voor kunstmatige verluchting, overeenkomstig de bepalingen van artikel 58 van dit reglement.
Indien na dit tijdsverloop de hinder voortduurt, voert de werkgever een regime in van beperkte aanwezigheidstijd op de werkpost en van rusttijden zoals voorzien in punt 4.2. § 3 van dit artikel.
De hierboven voorziene aanpassingstijd van 48 uur wordt niet in aanmerking genomen wanneer de overmatige warmte haar oorsprong vindt in een samenvallen van technologische en klimatologische factoren.
4.4. Overmatige koude van technologische oorsprong.
De lage temperaturen die ter oorzake van technische redenen in sommige gesloten werklokalen heersen worden gemeten met een droge thermometer.
Er is hinder wanneer de temperatuur lager ligt dan de volgende minima:
zeer licht werk...............: ongeveer 90 kcal/uur: 20° C
licht werk....................: ongeveer 150 kcal/uur: 18° C
halfzwaar werk................: ongeveer 250 kcal/uur: 15° C
zwaar werk....................: ongeveer 350 kcal/uur: 12° C
Deze hinder verplicht tot het nemen van de volgende maatregelen:
1) de werknemers worden voorzien van gepaste beschermingskleding;
2) deze beschermingskleding is, indien zulks nodig blijkt, voorzien van een ingebouwd verwarmingssysteem;
3) de snelheid van de luchtstroom in de gekoelde lokalen wordt beperkt tot een niveau dat verenigbaar is met de werking van de installaties.
Telkens hij het noodzakelijk oordeelt voor de gezondheid van de betrokkene schrijft de arbeidsgeneesheer bovendien een in de behoorlijk verwarmde ontspanningslokalen door te brengen rusttijd voor.
4.5. Overmatige vochtigheidsgraad.
De waterdamp, de nevel en de mist die voortkomen van de fabricageprocédés worden beperkt door een aan de in artikel 58 van dit reglement gestelde voorwaarden beantwoordende kunstmatige verluchting.) <KB 21-04-1975, art. 18>

Art. 148decies2*5. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1986-08-28/30, art. 2, 015> Strijd tegen de risico's te wijten aan asbest.<Om praktische redenen werd dit artikel in fiktieve artikelen onderverdeeld : 148decies2*5*1-148decies2*5*13>

Art. 148decies2*5*1. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1991-07-22/30, art. 1, 034; Inwerkingtreding : 04-08-1991> 5.1. Algemene bepalingen en definities :
Alle beschermingsmaatregelen dienen genomen te worden om de bescherming van de werknemers te verzekeren tegen risico's voor hun gezondheid, met inbegrip van de voorkoming van dergelijke risico's, die zich voordoen of zich kunnen voordoen door blootstelling aan asbest gedurende het werk.
Indien de technische mogelijkheid bestaat, moet asbest vervangen worden door vervangingsprodukten die minder schadelijk zijn voor de gezondheid van de werknemers.
Voor de toepassing van de volgende bepalingen duidt de term asbest de vezelachtige vorm van de minerale silicaten aan die hierna worden vermeld en die behoren tot de groepen van de metamorfe serpentijnen (chrysotiel CAS nummer 12001-29-5) en de amfibolen :
- actinoliet (CAS-nummer 77536-66-4);
- amosiet (CAS-nummer 12172-73-5);
- anthofylliet (CAS-nummer 77536-67-5);
- crocidoliet (CAS-nummer 12001-28-4);
- tremoliet (CAS-nummer 77536-68-6),
evenals van eender welk mengsel dat één of meer van die mineralen bevat.

Art. 148decies2*5*2. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1991-07-22/30, art. 2, 34; Inwerkingtreding : 04-08-1991> 5.2. Inventaris.
5.2.1. De werkgever maakt een inventaris op van alle asbest en asbesthoudende materialen die aanwezig zijn in alle gedeelten van gebouwen (met inbegrip van eventuele gemeenschappelijke delen), machines, installaties, beschermingsmiddelen en andere uitrustingen die zich in de werkplaats bevinden.
Deze inventaris dient te worden bijgehouden.
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gedeelten van gebouwen, machines en installaties die moeilijk bereikbaar zijn en die in normale omstandigheden geen aanleiding kunnen geven tot blootstelling aan asbestvezels.
5.2.2. De Minister van Tewerkstelling en Arbeid bepaalt de inhoud van deze inventaris en binnen welke termijn deze inventaris moet worden opgesteld.
5.2.3. Onverminderd de bepalingen van artikel 148decies 1, § 6, kan de werkgever zich bij het opstellen van deze inventaris laten bijstaan door een dienst of laboratorium, dat hiertoe door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid, is erkend.
5.2.4. Na het voorafgaand advies van het hoofd van de dienst voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen en van de arbeidsgeneesheer, wordt de inventaris alsmede de wijzigingen die erin worden aangebracht voorgelegd aan het Comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen, of bij zijn ontstentenis, aan de vakbondsafvaardiging.
5.2.5. Indien uit de in punt 5.2.1. bedoelde inventaris blijkt dat asbest aanwezig is dient een beheersprogramma te worden opgesteld.
Dit beheersprogramma heeft tot doel de blootstelling aan asbestvezels van de werknemers, die al dan niet behoren tot het personeel van de onderneming, zo laag mogelijk te houden.
Dit beheersprogramma omvat :
1° Een regelmatige beoordeling door middel van visuele inspectie van de toestand van het asbest of het asbesthoudend materiaal. Deze beoordeling gebeurt minstens eenmaal per jaar.
2° De maatregelen die moeten genomen worden wanneer blijkt dat het asbest of asbesthoudend materiaal in slechte toestand is of wordt gebruikt op plaatsen waar het kan beschadigd worden.
Deze maatregelen kunnen inzonderheid inhouden dat het materiaal dat asbest bevat wordt gefixeerd, ingekapseld of verwijderd.
In het geval van afbraak van gebouwen, machines, installaties, beschermingsmiddelen en andere uitrustingen of in het geval van belangrijke werkzaamheden waarbij het asbest kan vrijkomen, dient te worden overgegaan tot de verwijdering van het asbest volgens de bepalingen van artikel 148decies 2.5.9.3.
3° De instructies voor de werkzaamheden bedoeld bij artikel 148decies 2.5.9.2.
Na voorafgaand advies van de arbeidsgeneesheer wordt het beheersprogramma aangepast aan de evolutie van de toestand en wordt het voor advies voorgelegd aan het Comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of bij ontstentenis ervan, aan de vakbondsafvaardiging.
5.2.6. De inventaris of een uittreksel ervan wordt tegen ontvangstbewijs overhandigd aan de werkgevers van externe bedrijven die werkzaamheden moeten uitvoeren die tot blootstelling van de werknemers aan asbestvezels kunnen leiden.
5.2.7. De inventaris wordt ter beschikking gehouden van de bevoegde arbeidsinspecteur.

Art. 148decies2*5*3. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1986-08-28/30, art. 2> Beoordeling van het gevaar.
5.3.1. Deze bepalingen zijn van toepassing op werkzaamheden waarbij werknemers tijdens hun werk worden of kunnen worden blootgesteld aan stof afkomstig van asbest of van asbesthoudende materialen.
5.3.2. Bij elke werkzaamheid waarbij een gevaar van blootstelling aan stof afkomstig van asbest of van asbesthoudende materialen kan bestaan, moet dat gevaar worden beoordeeld, ten einde de aard en de mate van de blootstelling van de werknemers aan stof afkomstig van asbest of van asbesthoudende materialen vast te stellen.
5.3.3. (Indien uit de in 5.3.2. voorgeschreven beoordeling blijkt dat de concentratie van asbestvezels in de lucht op de arbeidsplaats bij het ontbreken van individuele beschermingsmiddelen op een niveau ligt, berekend of gemeten over een referentieperiode van 8 uur, van :
- ofwel minder dan 0,15 vezels per kubieke centimeter (150 000 vezels per kubieke meter) voor asbestsoorten behorende tot de groep van de serpentijnen of van minder dan 0,05 vezel per kubieke centimeter (50 000 vezels per kubieke meter) voor de asbestsoorten behorende tot de groep van de amfibolen;
- ofwel minder dan een gecumuleerde dosis gedurende drie maanden van respectievelijk 9,00 vezel-dagen per kubieke centimeter voor asbestsoorten behorende tot de groep van serpentijnen en 3,00 vezel-dagen per kubieke centimeter voor asbestsoorten behorende tot de groep van de amfibolen, dan zijn de voorschriften voorzien bij de punten 5.4., 5.6., 5.10., 5.11.2. en 5.12., niet van toepassing.) <KB 1991-07-22/30, art. 3, 034; Inwerkingtreding : 04-08-1991>
5.3.4. De werknemers en de leden van het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij zijn ontstentenis, de vakbondsafvaardiging worden geraadpleegd over de in 5.3.2. bedoelde beoordeling en deze wordt herzien wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat zij onjuist is of wanneer een verandering plaats grijpt in het werk. De betwistingen en geschillen omtrent de beoordeling of haar herziening worden beslecht door de geneesheer-arbeidsinspecteur.
5.3.5. Telkens een wijziging bij het gebruik van asbest of van asbest bevattende materialen een wijziging inzake de blootstelling van de werknemer met zich brengt, dient een nieuwe beoordeling te geschieden.

Art. 148decies2*5*4. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1986-08-28/30, art. 2> Melding.
Onder voorbehoud van punt 5.3.3., worden de volgende maatregelen getroffen :
5.4.1. De werkzaamheden bedoeld bij punt 5.3.1. moeten het voorwerp uitmaken van een meldingssysteem beheerd door de Administratie van de Arbeidshygiëne en -geneeskunde.
5.4.2. De melding moet door de werkgever aan de Administratie van de Arbeidshygiëne en -geneeskunde worden gedaan. Deze melding moet minstens een beknopte beschrijving omvatten van :
_ de gebruikte types en hoeveelheden asbest;
_ de verrichtte werkzaamheden en toegepaste procédés;
_ de gefabriceerde produkten.
5.4.3. De werknemers en de leden van het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij zijn ontstentenis, de vakbondsafvaardiging ontvangen automatisch het document dat de melding uitmaakt betreffende hun onderneming of inrichting. Zij hebben initiatiefrecht en worden voorafgaandelijk aan de melding geraadpleegd.
(5.4.4. Telkens wanneer zich ten opzichte van de oorspronkelijke melding belangrijke veranderingen in het gebruik van asbest of van asbesthoudende materialen voordoen, dient een nieuwe melding te worden gedaan.) <KB 1987-09-10/40, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 1987-09-26>

Art. 148decies2*5*5. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1986-08-28/30, art. 2> Algemene bescherming.
Bij elke in punt 5.3.1. bedoelde werkzaamheid moet de blootstelling van werknemers op het werk aan stof afkomstig van asbest of van asbesthoudende materialen worden beperkt tot een zo laag mogelijk niveau als technisch uitvoerbaar is en in elk geval tot onder de in de punt 5.7. vastgestelde grenswaarden, met name door middel van de volgende maatregelen, indien dit aangewezen blijkt :
5.5.1. Het in elk afzonderlijk geval gebruikte asbest dient te worden beperkt tot de minimale hoeveelheid.
5.5.2. Het aantal werknemers dat aan stof afkomstig van asbest of van asbesthoudende materialen wordt of kan worden blootgesteld, moet tot een zo klein mogelijk aantal worden beperkt.
5.5.3. De arbeidsprocédés moeten in beginsel zo zijn opgezet dat er geen asbeststof in de lucht vrijkomt. Indien dat technisch niet mogelijk is, moet de werkgever het stof zo dicht mogelijk bij de plaats van emissie verwijderen.
5.5.4. Alle gebouwen, installaties en uitrustingen die dienen voor het opslaan, de verwerking of de behandeling van asbest moeten zodanig zijn gebouwd dat ze doeltreffend kunnen onderhouden en gereinigd worden. Zij moeten in goede staat van onderhoud en netheid gehouden worden.
5.5.5. Ruw asbest moet worden opgeborgen en vervoerd in gesloten verpakkingen die voldoende bestand zijn tegen stoten en scheuren en voorzien van etiketten overeenkomstig de bepalingen van artikel 723ter 7. Het gebruik van verpakkingszakken in oplosbare materialen bij het mengen van grondstoffen is toegelaten.
5.5.6. De afvalstoffen van werkzaamheden moeten zo spoedig mogelijk worden verzameld in daartoe geschikte gesloten verpakkingen die voorzien zijn van een etiket met de vermelding dat zij asbest bevatten.

Art. 148decies2*5*6. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1986-08-28/30, art. 2> Metingen.
Onder voorbehoud van punt 5.3.3. worden de volgende maatregelen getroffen :
5.6.1. (Ten einde de naleving van de in dit reglement vastgestelde grenswaarden te waarborgen, wordt de meting van het asbestgehalte in de lucht op het werk verricht overeenkomstig de in bijlage I bij deze afdeling beschreven referentiemethode, en aangevuld door de norm NBN T96-102, of een andere methode die gelijkwaardige resultaten oplevert. Deze meting wordt volgens plan en regelmatig uitgevoerd, waarbij de bemonstering representatief moet zijn voor de persoonlijke blootstelling van de werknemer aan stof afkomstig van asbest of van asbesthoudende materialen.) <KB 1991-07-22/30, art. 4, 034; Inwerkingtreding : 04-08-1991>
5.6.2. De arbeidsgeneesheer wijst, met het akkoord van de leden van het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen de (werkposten) aan waar de metingen van de concentraties in asbestvezels moeten plaats hebben en bepaalt de duur van die metingen. Bij gebrek aan een dergelijk akkoord, worden de (werkposten) en de duur ambtshalve bepaald door de geneesheer-arbeidsinspecteur. <KB 1987-09-10/30, art. 1, 016; Inwerkingtreding : 1987-09-23>
5.6.3. Onverminderd de bepalingen van artikel 148decies 1, § 6, worden de bemonstering van de atmosfeer en de analyse ervan toevertrouwd aan een dienst of aan een laboratorium, erkend door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid.
5.6.4. Het asbest in de lucht wordt in het algemeen ten minste (maandelijks) gemeten en in elk geval telkens wanneer zich een technische wijziging voordoet. De metingsfrekwentie kan onder de in punt 5.6.5. genoemde voorwaarden verminderd worden. <KB 1991-07-22/30, art. 5, 034; Inwerkingtreding : 04-08-1991>
5.6.5. De metingsfrekwentie kan tot één keer (om de drie maanden) worden verminderd wanneer : <KB 1991-07-22/30, art. 6, 034; Inwerkingtreding : 04-08-1991>
_ de situatie op de arbeidsplaats niet wezenlijk wordt gewijzigd en
_ de resultaten van de twee vorige metingen niet hoger lagen dan de helft van de grenswaarden die in punt 5.7. zijn vastgesteld.
Wanneer groepen werknemers identieke of soortgelijke taken uitvoeren op een zelfde plaats en hun gezondheid derhalve van hetzelfde risico wordt blootgesteld, mag de bemonstering groepsgewijs worden verricht.
5.6.6. De bemonsteringsduur moet zo worden gekozen, dat hetzij door meting hetzij door berekening, gewogen in de tijd, de blootstelling representatief voor een achturige referentieperiode (één ploeg) kan worden vastgesteld. De duur van de afzonderlijke bemonsteringen wordt ook vastgesteld in het licht van de bepalingen van punt 6 van bijlage I.
5.6.7. (In geval van twijfel omtrent het type van vezel waarvan een monstername is gebeurd moet de vezelsoort bepaald worden door middel van electronenmicroscopie of een andere geschikte methode die toelaat de asbestsoort te identificeren, of dienen alle opgevangen vezels te worden beschouwd als behorend tot de groep van de amfibolen.) <KB 1991-07-22/30, art. 7, 034; Inwerkingtreding : 04-08-1991>

Art. 148decies2*5*7. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1991-07-22/30, art. 8, 034; Inwerkingtreding : 04-08-1991> 5.7. Grenswaarden.
De volgende grenswaarden worden toegepast :
5.7.1. Concentratie van asbestvezels behorende tot de groep van de serpentijnen in de lucht op de arbeidsplaats : 0,50 vezel per kubieke centimeter (500 000 vezels per kubieke meter) gemeten of berekend over een referentieperiode van 8 uur.
5.7.2. Concentratie van asbestvezels behorende tot de groep van de amfibolen in de lucht op de arbeidsplaats : 0,15 vezel per kubieke centimeter (150 000 vezels per kubieke meter) gemeten of berekend over een referentieperiode van 8 uur.
5.7.3. Concentratie van asbestvezels in de lucht op de arbeidsplaats van vezels die zowel behoren tot de groep van de serpentijnen als tot de groep van de amfibolen : 0,15 vezel per kubieke centimeter (150 000 vezels per kubieke meter) gemeten of berekend over een referentieperiode van 8 uur.els in de lucht op het werk voor een mengsel van crocidoliet en andere asbestvezels : de grenswaarde ligt op een niveau dat is berekend op basis van de in de punten 5.7.1. en 5.7.2. genoemde grenswaarden met inachtneming van de verhouding crocidoliet en andere soorten asbest in het mengsel.

Art. 148decies2*5*8. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1986-08-28/30, art. 2> Overschrijding van de grenswaarden.
5.8.1. Wanneer de in punt 5.7. vastgestelde grenswaarden overschreden worden, moeten de oorzaken van deze overschrijding worden opgespoord en moeten onmiddellijk passende maatregelen worden getroffen om deze situatie te verhelpen.
Het werk in de betrokken zone mag alleen worden voortgezet indien er ter bescherming van de betrokken werknemers adekwate maatregelen genomen worden.
5.8.2. Ten einde de doeltreffendheid van de in punt 5.8.1. eerste lid genoemde maatregelen na te gaan, wordt het asbestgehalte in de lucht onmiddellijk opnieuw gemeten.
5.8.3. Wanneer de blootstelling redelijkerwijs niet met ander middelen kan worden beperkt en het dragen van individuele bescherming en ademhalingsapparatuur noodzakelijk blijkt, moet dit niet blijvend zijn en moet dit tot de duur van de blootstelling beperkt blijven.

Art. 148decies2*5*9. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1986-08-28/30, art. 2> (Omstandigheden waarbij asbestvezels kunnen vrijkomen.) <KB 1991-07-22/30, art. 9, 034; Inwerkingtreding : 04-08-1991; Errata B.St. 04-09-1991, blz. 19216.>
5.9.1. Voor bepaalde werken en werkzaamheden, zoals het in gebruik nemen van eindprodukten op basis van asbest, afbraakwerken, vernieuwingswerken, verbouwingswerken, onderhoudswerken (van installaties, machines, voertuigen, schepen, ketels, enz...), verwijdering van asbest en/of van materialen die asbest bevatten en afvalbewerking uitgevoerd in of op gebouwen, installaties, bouwwerken, machines, ketels, werktuigen, schepen, enz... waarvoor men een overschrijding van de grenswaarden vastgesteld in punt 5.7. voorziet en waarvoor maatregelen ter beperking van het asbestgehalte van de lucht technisch niet uitvoerbaar zijn, stelt de werkgever de maatregelen vast om de werknemers tijdens die werken en werkzaamheden te beschermen.
5.9.2. De maatregelen bedoeld bij punt 5.9.1. zijn de volgende :
1° Het opstellen van een werkplan dat de lokalisatie, de opeenvolging en de duur van de werken en werkzaamheden bevat;
2° Het bepalen van de aard van de vezels;
3° Het nemen van collectieve veiligheidsmaatregelen zoals, de afzondering, de ventilatie, de afzuiging, de bevochtiging, het onderhoud van de lokalen, de keuze van de technieken, apparatuur en gereedschap, het ter beschikking stellen van sanitaire installaties;
4° Het plaatsen van panelen die erop wijzen dat een overschrijding van de grenswaarden vastgelegd in punt 5.7. kan worden verwacht;
5° Het ter beschikking stellen van de betrokken werknemers van gepaste ademhalingsapparatuur en van andere individuele beschermingsmiddelen;
6° Gedurende werken aan installaties, machines, ketels, enz... die uit diverse materialen zijn samengesteld, met inbegrip van asbest, het asbest en/of de materialen die asbest bevatten verwijderen alvorens de afbraaktechnieken toe te passen, voor zover dit technisch mogelijk is;
7° Het opstellen van het programma van de vezelmetingen en het gevolg dat eraan wordt voorbehouden;
8° Het nemen van maatregelen om de werknemers, de lokalen, de apparatuur en het gereedschap evenals de klederen en de verpakkingen te ontsmetten;
9° Het bepalen van de procédés ter verwijdering van de afvalstoffen.
(...) <KB 1991-07-22/30, art. 10, 034; Inwerkingtreding : 04-08-1991; Errata B.St. 04-09-1991, blz. 19216>
10° (Opgeheven) <KB 1991-07-22/30, art. 10, 034; Inwerkingtreding : 04-08-1991; Errata B.St. 04-09-1991, blz. 19216.>
11° Verplicht gebruik van handwerktuigen en mechanische werktuigen met lage snelheid die enkel grof stof verwekken of snijdsels.
(...) <KB 1991-07-22/30, art. 10, 034; Inwerkingtreding : 04-08-1991; Errata B.St. 04-09-1991, blz. 19216.>
12° De werkzones in goede staat van netheid houden, vrij van zaagsel en afval van asbestcement;
13° (Opgeheven.) <KB 1991-07-22/30, art. 10, 034; Inwerkingtreding : 04-08-1991; Errata B.St. 04-09-1991, blz. 19216.>
14° Onverminderd de bepalingen van punt 5.11., aan de werknemers geschreven inlichtingen verstrekken betreffende de aard en het verloop van de werken en de bescherming eigen aan elk stadium.
5.9.3. Afbraak en verwijdering van asbest.
5.9.3.1. Onverminderd de bepalingen van punt 5.9.2., en vóór het begin van de werken van afbraak of verwijdering van asbest en/of materialen die asbest bevatten, van gebouwen, constructies, apparatuur en installaties evenals van schepen, wordt een werkplan opgemaakt. (Dit werkplan dient steeds aanwezig te zijn op de werf en wordt ter inzage gehouden van de betrokken werknemers en de bevoegde arbeidsinspekteur.) <KB 1991-07-22/30, art. 11, 034; Inwerkingtreding : 04-08-1991; Errata B.St. 04-09-1991, blz. 19216.>
5.9.3.2. (Het werkplan bedoeld in punt 5.9.3.1. moet voorzien in :
1° de algemene maatregelen van collectieve bescherming waaronder :
a) het luchtdicht dubbel gelaagd afschutten van de werkzone;
b) het verwijderen uit de werkzones van apparatuur die er zich bevindt of ze luchtdicht beschermen;
c) het uitschakelen van het elektriciteitsnet, behalve bij uitzonderlijk noodzakelijke instandhouding;
d) het totaal bedekken van de vloeren, in twee lagen, door middel van aan elkaar gehechte vellen van glad materiaal;
e) het voortdurend in onderdruk houden van de werkzone door middel van één of meerdere centrale afzuiggroepen en de volledige filtrering van de lucht door een absoluutfilter. De afzuiging moet dermate zijn dat 3 tot 4 maal per uur een totale verversing van de lucht in de werkzone verzekerd wordt. Een onderdruk van ten minste 10 Pa ten opzichte van buiten de werkzone is aanbevolen. Van de hier vermelde specificaties kan afgeweken worden om technische redenen waarvoor in het werkplan een omstandige motivering wordt opgenomen. De efficiëntie van de absoluutfilter en van de afzuiging moet regelmatig gecontroleerd worden aan de hand van metingen.
De afvoer van de afzuiggroep moet rechtstreeks naar de buitenlucht gebeuren;
f) de strikte controle van de toegang tot de werkzone door een inkomsluis dat een vak bevat voorbehouden voor de werkkledij, een vak voorbehouden voor het omwisselen van de werkkledij met de specifieke individuele beschermingskledij en de ademhalingsmaskers en een vak dat voorbehouden is voor de persoonlijke decontaminatie. In dit vak dient een douche aanwezig te zijn.
Deze drie vakken worden eveneens in onderdruk gehouden ten opzichte van de toegangszone buiten de sluis en moeten dagelijks gereinigd worden.
De concentratie aan asbestvezels in de lucht in de zuivere zone van de sluis moet kleiner of gelijk zijn aan 0,01 vezel per kubieke centimeter (10 000 vezels per kubieke meter) boven de achtergrondconcentratie, gemeten voor de aanvang der werken. De minimumduur van de monstermeting bedraagt 4 uur;
2° De individuele beschermingsmiddelen.
De werknemers beschikken over werk- en beschermingskledij, handschoenen, laarzen, schoenen en kousen, ondergoed evenals over (ademhalingsmaskers die beantwoorden aan de bepalingen van artikel 4 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1995 betreffende het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen). De ademhalingsmaskers dienen, hetzij van het onafhankelijke type te zijn, hetzij met toevoer van lucht te werken, hetzij een evenwaardige bescherming te bieden door een combinatie van overdruk met totale filtrering van de lucht. Deze diverse middelen worden, na gebruik in hermetisch gesloten verpakking vervoerd, en behandeld en gereinigd in daartoe geschikte installaties. <KB 1995-08-07/46, art. 24, 057; Inwerkingtreding : 25-09-1995>
De werkgever moet de bezoekers geschikte beschermingsmiddelen ter hand stellen, waarvan sommige zoals kledij en schoenovertrekken voor éénmalig gebruik zullen zijn.
3° De verpakking en verwijdering van afval.
Het afval wordt verwijderd langs een andere toegangsweg dan die welke door de werknemers wordt gebruikt. Het wordt verpakt in stofdichte verpakkingen. Die verpakkingen worden ontstoft vooraleer opnieuw te worden verpakt. Die dubbele verpakking wordt hermetisch gesloten en naar behore geëtiketteerd. Alle materiaal gebruikt in de werkzone dat niet gemakkelijk ontstoft kan worden dient te worden beschouwd als afval.
4° De metingen van het stofgehalte.
a) Vooraleer met de eigenlijke afbraakwerken te beginnen dient aan de hand van een rooktest of een evenwaardige test gekontroleerd te worden of de afsluiting van de werkzone voldoende is. Deze test dient te gebeuren alvorens de werkzone in onderdruk wordt gebracht. Voor het uitvoeren van de test wordt gebruik gemaakt van de minst schadelijke produkten. De nodige maatregelen worden genomen om de blootstelling van de werknemers aan de rook te beperken.
b) Tijdens de werken moeten atmosfeeranalyses dagelijks worden uitgevoerd op volgende plaatsen :
- de zuivere zone van de inkomsluis;
- de uitgang(en) van de afzuiggroep(en);
- de uitgang van de materiaalsluis;
- op nader te bepalen kritieke plaatsen, afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden.
De voortdurende aanwezigheid van een afgevaardigde van de dienst of het laboratorium aan wie de metingen werden toevertrouwd, is noodzakelijk gedurende al die metingen ten einde toezicht te houden op de monsterneming.
De meetfrequentie kan worden verminderd na akkoord van de bevoegde arbeidsinspecteur indien de omstandigheden op de arbeidsplaats niet wezenlijk worden gewijzigd en de resultaten van de twee vorige metingen op dezelfde meetpunten niet hoger lagen dan 0,01 vezel per kubieke centimeter.
c) de uitrusting voor de collectieve bescherming mag slechts afgebroken worden nadat de resterende concentratie aan asbestvezels gelijk is aan of lager dan 0,01 vezel per kubieke centimeter (10 000 vezels per kubieke meter).
De metingen mogen slechts worden uitgevoerd nadat de ruimte zuiver, droog en vrij van zichtbare resten van asbest of asbesthoudend materiaal wordt bevonden.
Tijdens genoemde metingen moet de afzuigingsinstallatie afstaan en moet de lucht verstoord worden ter simulatie van de latere werkomstandigheden.
De minimumduur van de monsterneming bedraagt 4 uur met een aangezogen volume van minimaal 0,48 kubieke meter. Het aantal te nemen monsters wordt bepaald door de omvang van de werken. De monsterneming dient te gebeuren volgens de bepalingen van bijlage IV bij deze onderafdeling.
De voortdurende aanwezigheid van een afgevaardigde van de dienst of het laboratorium aan wie de metingen werden toevertrouwd, is noodzakelijk gedurende al die metingen ten einde toezicht te houden op de monsterneming, tenzij die voortdurende aanwezigheid kan vervangen worden door adequate middelen ter controle van het verloop van de metingen, van incidenten en van de toegang van derden tot de installatie en de bijhorende uitrustingen.
5° De aan te wenden droge en vochtige technieken.) <KB 1991-07-22/30, art. 12, 034; Inwerkingtreding : 04-08-1991; Errata B.St. 04-09-1991, blz. 19216.>
5.9.3.3. De werknemers en de leden van het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij zijn ontstentenis, de vakbondsafvaardiging worden over deze maatregelen geraadpleegd voordat tot deze werken of werkzaamheden wordt overgegaan.
5.9.3.4. De werken vermeld onder (punt 5.9.3.1.) mogen slechts uitgevoerd worden door ondernemingen die erkend werden door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid. <KB 1987-09-10/30, art. 1, 016; Inwerkingtreding : 1987-09-23>
5.9.3.5. (De in punt 5.9.3.1. bedoelde werken maken het voorwerp uit van een voorafgaande aan de bevoegde arbeidsinspecteur gerichte, door deze laatste te beheren melding. De melding dient minimum veertien dagen vóór de geplande aanvang van de werken te gebeuren. Een copie van deze melding wordt overgemaakt aan de arbeidsgeneesheer van de onderneming waar de werkzaamheden worden uitgevoerd.) <KB 1991-07-22/30, art. 13, 034; ED : 04-08-1991; Errata B,St. 04-09-1991, blz. 19216.>
(5.9.3.6. Voor de in punt 5.9.3.1. vermelde werkzaamheden wordt ter plaatse door de erkende onderneming een werfregister op het werkterrein bijgehouden. Het omvat de volgende rubrieken :
1. de identiteit van degene die voor het werk verantwoordelijk is;
2. een afschrift van de kaarten van medisch onderzoek van alle werknemers die op het werk aanwezig zijn;
3. de opmerkingen die naar aanleiding van de in punt 5.9.3.2.4°a genoemde rooktest zijn gemaakt;
4. de bijzondere maatregelen die door de bevoegde arbeidsinspecteur werden opgelegd of goedgekeurd, rekening houdend met de technische kenmerken ter plaatse of het uit te voeren werk en met de aard van het risico voor de werknemers;
5. de processen-verbaal van de in punt 5.9.3.2.4° b) en c) genoemde stofgehaltemetingen;
6. het verslag van de incidenten die tijdens de werkzaamheden zijn voorgekomen en die een besmetting van de ingangssluizen of aangrenzende zones of een blootstelling van de werknemers tot gevolg hebben gehad;
7. de vermelding per dag van de naam van de werknemers die op het werkterrein aanwezig zijn, alsmede het uur van aanvang en beëindiging van de arbeid en van de aard van hun activiteit;
8. de namen van de bezoekers en hun hoedanigheid;
9. eventuele opmerkingen van de bevoegde arbeidsinspecteur.) <KB 1991-07-22/30, art. 14, 034; Inwerkingtreding : 04-08-1991, Errata B.St. 04-09-1991, blz. 19216.>
5.9.4. Montage, onderhoud of herstelling van remvoeringen die wrijvingsmaterieel bevatten op basis van asbest.
Bij de montage, het onderhoud of de herstelling van remvoeringen die wrijvingsmateriaal bevatten op basis van asbest, dient het ontstoffen te geschieden door middel van een stofzuiger, aangepast aan deze werkzaamheden.
De ontstoffing met samengeperste lucht is verboden.
(5.9.5. Onverminderd de bepalingen van punt 5.9.2. en in afwijking van punt 5.9.3., mogen werkzaamheden die bestaan in de vervanging, het onderhoud of het beperkt herstel van buizen en leidingen waarvan de isolatie asbest bevat, het verwijderen van oud asbestcement, het verwijderen van asbest en asbesthoudende materialen die gemakkelijk kunnen worden weggenomen door eenvoudige handelingen zoals het losschroeven of uitzagen, enkel worden uitgevoerd onder de volgende voorwaarden :
1° de werknemers worden ingeschreven op een lijst, door de werkgever opgesteld. Zij beschikken over de nodige schriftelijke instructies met betrekking tot de in acht te nemen voorzorgsmaatregelen;
2° aan de betrokken werknemers worden, indien de betrokken arbeidsgeneesheer dit nodig acht, gepaste ademhalingstoestellen en andere individuele beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld. De werknemers zijn ertoe gehouden deze te dragen tijdens de volledige duur van de in dit punt bedoelde werkzaamheden;
3° aan de betrokken werknemers wordt arbeidskledij ter beschikking gesteld die aangepast is aan de aard van de werkzaamheden;
4° na het beëindigen van de in dit punt bedoelde werkzaamheden worden de nodige maatregelen genomen om de lokalen, de apparatuur en het gereedschap evenals de klederen en de verpakkingen te ontstoffen. De betrokken werknemers zijn ertoe gehouden een douche te nemen, indien de arbeidsgeneesheer dit nodig acht;
5° de werkgever brengt de dienst voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen op de hoogte alvorens de in dit punt bedoelde werkzaamheden worden aangevat;
6° de procédés ter verwijdering van de afvalstoffen dienen vooraf bepaald te worden door de werkgever;
7° voor beperkte vervanging, onderhoud of herstel van buizen en leidingen waarvan de isolatie asbest bevat, mag worden gebruik gemaakt van dubbel gelaagde, luchtdicht gesloten moffen van kleine afmetingen. Die werkzaamheden worden vooraf aan de Administratie van de Arbeidshygiëne en -geneeskunde gemeld, die voor het beheer van dit laatste zorgt;
8° voor het wegnemen van oud asbestcement moet de verwijdering zodanig gebeuren dat het vrijkomen van asbestvezels uit het asbestcement maximaal wordt beperkt. Dat betekent dat het asbestcement tijdens de werkzaamheden vochtig wordt gehouden en dat geschikte werktuigen worden gebruikt;
9° Het asbest en de asbestbevattende materialen worden met behoedzaamheid gehanteerd.
5.9.6. Gebruik van materialen uit asbestcement.
5.9.6.1. Op de werf mogen slechts gebruiksklare produkten uit asbestcement worden geleverd, zonder dat dient overgegaan te worden tot bewerkingen die stof kunnen veroorzaken.
5.9.6.2. Het gebruik van mechanische werktuigen met grote snelheid, schuurschijven en hoekslijpmachines voor het bewerken of snijden van stukken in asbestcement is verboden.
5.9.6.3. Het afval van asbestcement wordt dagelijks verzameld en verwijderd van de werkzones op zodanige wijze dat het geen stofverspreiding veroorzaakt.
5.9.6.4. Er moet een speciale plaats aangewezen worden voorbehouden voor het opslaan van produkten in asbestcement die op de werf worden gebruikt.) <KB 1991-07-22/30, art. 15, 034; Inwerkingtreding : 04-08-1991; Errata B.St. 04-09-1991, blz. 19216.>

Art. 148decies2*5*10. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1986-08-28/30, art. 2> Specifieke bescherg.
5.10.1. Voor elke in punt 5.3.1. bedoelde werkzaamheid en onder voorbehoud van punt 5.3.3. worden passende maatregelen genomen om te bewerkstelligen dat :
1° de plaatsen waar deze werkzaamheden worden uitgevoerd :
a) duidelijk afgebakend worden en gesignaleerd met borden die het gevaar van asbeststof aanduiden en de gevolgen die het voor de gezondheid kan hebben;
b) enkel toegankelijk zijn voor de werknemers die ze omwille van hun werk of hun functie moeten kunnen betreden;
c) het voorwerp uitmaken van een rookverbod;
2° er zones worden ingericht waar de werknemers zonder gevaar voor besmetting door asbeststof kunnen eten en drinken;

a) passende werk- of beschermingskledij ter beschikking is van de werknemers;
b) deze werk- of beschermingskledij het bedrijf niet verlaat. Zij mogen evenwel gewassen worden in daartoe uitgeruste, buiten het bedrijf gelegen wasserijen wanneer het bedrijf niet zelf voor de reiniging instaat; in dat geval moet de kledij in gesloten verpakkingen vervoerd worden;
c) de werk- of beschermingskledij, enerzijds, en de stadskledij, anderzijds, afzonderlijk opgeborgen worden;
d) passende en adekwate sanitaire voorzieningen _ met douches in het geval van stof gevende werkzaamheden _ ter beschikking staan van de werknemers;
e) de beschermingsuitrusting op een vaste plaats wordt bewaard; zij na ieder gebruik wordt nagezien en gereinigd en passende maatregelen genomen worden om de defecte uitrusting te herstellen of te vervangen vóór zij opnieuw wordt gebruikt.

Art. 148decies2*5*11. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1986-08-28/30, art. 2> Voorlichting van de werknemers.
5.11.1. Voor elke in punt 5.3.1. bedoelde werkzaamheid worden passende maatregelen genomen opdat de werknemers, alsmede de leden van het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen, of, bij zijn ontstentenis, de vakbondsafvaardiging de gepaste voorlichting krijgen over :
_ de mogelijke gevaren voor de gezondheid van blootstelling aan stof afkomstig van asbest of van asbesthoudende materialen;
_ het bestaan van voorgeschreven grenswaarden en de noodzaak van toezicht op het asbestgehalte in de lucht;
_ de voorschriften betreffende hygiënische maatregelen, met inbegrip van de noodzaak niet te roken;
_ de te nemen voorzorgsmaatregelen met betrekking tot het dragen en gebruiken van beschermingsuitrusting en -kledij;
_ de bijzondere voorzorgsmaatregelen om de blootstelling aan asbest zo laag mogelijk te houden.
5.11.2. Naast de in punt 5.11.1. bedoelde maatregelen en onder voorbehoud van punt 5.3.3. worden passende maatregelen genomen opdat :
a) de werknemers en de leden van het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij zijn ontstentenis, de vakbondsafvaardiging inzage krijgen in de resultaten van de metingen van het asbestgehalte in de lucht en uitleg bekomen over de betekenis van deze resultaten;
b) indien de resultaten de grenswaarden bepaald in punt 5.7. overschrijden, de betrokken werknemers evenals de leden van het Comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij zijn ontstentenis, de vakbondsafvaardiging onmiddellijk van deze overschrijdingen en van de oorzaken ervan kennis krijgen.

Art. 148decies2*5*12. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1986-08-28/30, art. 2> Register.
Onder voorbehoud van punt 5.3.3. worden de navolgende maatregelen genomen :
5.12.1. De werknemers die met de in punt 5.3.1. bedoelde werkzaamheden worden belast moeten door de werkgever ingeschreven worden in een register dat de aard en de duur van hun werkzaamheden evenals de blootstelling (aard en concentraties van de vezels) vermeldt. De arbeidsgeneesheer en de geneesheer-arbeidsinspecteur kunnen dit register inzien. Elke betrokken werknemer kan inzake krijgen van zijn persoonlijke resultaten die in het register vermeld staan. De werknemers en de leden van het Comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij zijn ontstentenis, de vakbondsafvaardiging kunnen de anonieme collectieve gegevens die in het register vermeld staan inzien.
5.12.2. De registers bedoeld bij punt 5.12.1. en de individuele gezondheidsdossiers bedoeld bij artikel 135ter 1) moeten ten minste 30 jaar na het einde van de blootstelling bewaard worden.

Art. 148decies2*5*13. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1986-08-28/30, art. 2> Register van de gevallen van asbestose en mesothelioom.
De Administratie van de arbeidshygiëne en -geneeskunde houdt een register van de gevallen van asbestose en van mesothelioom die door de arbeidsgeneesheren worden aangegeven.

Art. 148decies2*6. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

Art. 148deccies2*7. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1997-04-25/55, art. 32, 4°, 061; Inwerkingtreding : 22-07-1997>

Art. N1*. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1986-08-28/30, 015> Bijlage I. Referentiemethode voor de meting van asbest in de lucht op het werk, bedoeld in artikel 148decies 2.5.6.
1. Monsters dienen te worden genomen uit de individuele ademzone van de werknemers, dat wil zeggen binnen een halve bol met een straal van 300 mm frontaal voor het aangezicht en gemeten vanaf het midden van een lijn die de oren verbindt.
2. Er wordt gebruik gemaakt van membraanfilters (gemengde esters van cellulose of cellulosenitraat) met een poriëngrootte van 0,8 tot 1,2 micrometer met gedrukte vierkanten en een doorsnede van 25 mm.
3. Er wordt een open filterhouder gebruikt, voorzien van een cilindervormige kap welke zich tussen 33 en 44 mm voor het filter bevindt, waardoor een cirkelvormig oppervlak van ten minste 20 mm doorsnee wordt blootgesteld. Bij het gebruik is de kap naar beneden gericht.
4. Er wordt gebruik gemaakt van een draagbaar pompje met batterijvoeding dat de werknemer meedraagt aan de riem of in zijn zak. De luchtstroom dient regelmatig te zijn en te worden afgeteld op 1 liter per minuut plusminus 5 pct. De luchtsnelheid dient gehandhaafd te blijven binnen plusminus 10 pct. van de aanvankelijke stroomsnelheid tijdens de periode van bemonstering.
5. Voor de duur van de monsterneming is een marge van 2 pct. toegestaan.
6. De optimale belasting van de filters bedraagt 100/400 vezels/mm2.
7. Volgens voorkeur wordt het gehele filter of een deel van het filter op een voorwerpglaasje geplaatst, doorzichtig gemaakt volgens de aceton-triacetine-methode en met een dekglaasje bedekt.
8. De voor de vezeltelling te gebruiken binoculaire microscoop moet de volgende kenmerken hebben :
_ Koehler-verlichting;
_ onder de voorwerptafel is een Abbe- of achromatische fasecontrastcondensor ingebouwd in een centreerring. De instelling van het fasecontrast geschiedt onafhankelijk van het mechanisme van de condensorcentrering;
_ een positief par-focaal achromatisch fasecontrastobjectief, met een vergroting van 40 maal en met een numerieke opening van 0,65 tot 0,70 en een fase-ring-absorptie van 65 tot 85 pct.;
_ oculairen met een compensatiefactor van 12,5. Ten minste één oculair moet geschikt zijn voor een graticule en moet focusseerbaar zijn;
_ een Walton-Beckett ringvormig oculairgraticule met een zichtbare diameter in het objectvlak van 100 micrometer, plusminus 2 micrometer, bij gebruik van het gespecificeerde objectief en oculair, en geverifieerd met een micrometer op een voorwerptafel.
9. De microscoop wordt opgesteld volgens de voorschriften van de fabrikant en de waarnemingsgrens wordt gecontroleerd aan de hand van een fasecontrast-proefglaasje (phase contrast test slide). De codes op de IAI-proefglaasjes of de blokken op het HSE/NPL Mark 2 proefglaasje moeten tot aan code 5 respectievelijk blok 5 zichtbaar zijn bij gebruik op de door de fabrikant aangegeven wijze. Een en ander geschiedt aan het begin van de dag van gebruik.
10. De monsters worden geteld volgens de onderstaande voorschriften :
_ een telbare vezel is iedere in (artikel 148decies 2.5.6.1.), tweede lid, bedoelde vezel die geen deeltje met een maximumdiameter groter dan 3 micrometer raakt; <KB 1987-09-10/40, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 1987-09-26>
_ telbare vezels, waarvan de twee uiteinden zich binnen de graticulezone bevinden, worden als één vezel geteld; een vezel waarvan slechts een uiteinde zich in de zone bevindt, wordt als een halve vezel geteld;
_ graticulezones waar zal worden geteld, moeten aselect in het gehele blootgestelde oppervlakt van het filter worden gekozen;
_ een vezelcluster dat over zijn lengte één of meer plaatsen stevig en niet gespleten schijnt te zijn, maar dat op andere plaatsen in afzonderlijke vezels (een gesloten vezel) uiteen schijnt te vallen, is één telbare vezel indien het beantwoordt aan artikel 148decies 2.5.7.1., tweede lid en eerste streepje van dit punt. De diameter wordt gemeten dwars door het niet gespleten deel en niet door het gespleten deel;
_ bij andere vezelclusters waarin de afzonderlijke vezels elkaar raken of kruisen (een bundel), worden deze vezels apart geteld indien zij voldoende van elkaar kunnen worden onderscheiden om vast te stellen dat zij voldoen aan artikel 148decies 2.5.6.1., tweede lid en het eerste streepje van dit punt. Is dit niet het geval, dan is de bundel een telbare vezel indien hij als geheel voldoet aan artikel 148decies 2.5.6.1., tweede lid, en het eerste streepje van dit punt;
_ indien meer dan één achtste van een graticulezone is bedekt met een vezelcluster en/of deeltjes, moet de graticulezone worden geweigerd en moet een andere worden geteld;
_ er moeten 100 vezels worden geteld, waarbij minimaal 20 graticulezones worden onderzocht of er moeten 100 graticulezones worden onderzocht.
11. Het gemiddelde aantal vezels per graticulezone wordt berekend door het aantal getelde vezels te delen door het aantal onderzochte graticulezones. De bijdrage tot het tellen als gevolg van vlekken op het filter en verontreiniging wordt beneden 3 vezels per 100 graticulezones gehouden en wordt gemeten met behulp van blancofilters.
De concentratie in de lucht = (aantal per graticulezone x de gehele blootgestelde zone van het filter)/(graticulezone x opgevangen luchtvolume).

Art. N2*. <Zie nota's onder TITEL> Bijlage II. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

Art. N3*. <Zie nota's onder TITEL> Bijlage III. (Opgeheven) <KB 2002-03-11/32, art. 62, 072; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

Art. N4*. <Zie nota's onder TITEL> <NOTA : er bestaat een ander N4*. Ingevoegd bij KB 1991-07-22/30, art. 16, 034; Inwerkingtreding : 04-08-1991; Errata B.St. 04-09-1991, blz. 19216.> Bijlage IV.
Metingen voor het verwijderen van de uitrusting voor collectieve bescherming bedoeld bij artikel 148decies 2.5.9.3.2., 4°, c.
De metingen die worden uitgevoerd om te beslissen of de uitrusting voor collectieve bescherming mag afgebroken worden mogen slechts gebeuren wanneer de werkzone droog is en vrij van zichtbare resten van asbest of asbesthoudend materiaal.
De filterhouders moeten aangebracht worden op een hoogte tussen 1 à 2 meter boven de vloer en verspreid over de hele werkzone.
De filterhouders moeten naar beneden gericht zijn.
In verticale ruimten met belangrijke afmetingen (bijvoorbeeld kokers, liftkooien, enzovoort) moeten de filterhouders geplaatst worden op een voor de werknemers representatieve blootstellingshoogte.
Er moeten ten minste twee monsters genomen worden, tenzij het volume van de werkzone minder dan 10 kubieke meter bedraagt, in welk geval één monster volstaat.
Het minimum aantal monsters wordt bepaald door het geheel getal dat juist lager is dan het resultaat van de berekening overeenkomstig de volgende formule :
A1/3-1. <Resultaat van de aftrekking van 1 van de derdemachtswortel van A. Nota van Justel.>
A wordt als volgt bepaald :
1. wanneer de werkzone lager is dan 3 meter, of in de werkzones die hoger zijn maar waar de blootstelling normalerwijze alleen op grondniveau gebeurt, dan is A de oppervlakte van werkzone uitgedrukt in vierkante meters;
2. In de andere gevallen is A één derde van het volume van de werkzone uitgedrukt in kubieke meters.
Wanneer binnen de werkzone grote voorwerpen aanwezig zijn (zoals ketels) dan mag hun volume van het totale volume van de werkzone afgetrokken worden.
(De formule heeft geen theoretische betekenis maar is een vuistregel die cijfers van een juiste omvang oplevert).
De persoon die instaat voor het plannen van de metingen kan oordelen dat meer monsters nodig zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een werkzone duidelijk onderverdeeld is, bijvoorbeeld wanneer een ganse verdieping van een gebouw de werkzone vormt, met daarin verschillende kamers.
Voorbeelden van het aantal te nemen monsters bij gebruik van de hierboven vermelde formule :

Oppervlakte van Volume van Minimum aantal
de werkzone of de werkzone monsternemingen
in m2 in m3
10 1
50 150 2
200 600 4
500 1.500 6
1.000 3.000 9
5.000 15.000 16
10.000 30.000 20

De minimum monsternemingsduur bedraagt vier uur en het minimaal aangezogen volume bedraagt 0,48 kubieke meter.
Referenties : MDHS 39/3 (Asbestos fibres in air).
Health and Safety Executive (Verenigd-Koninkrijk).

Art. N5*. <Zie nota's onder TITEL> Bijlage V. <Ingevoegd bij KB 1991-09-26/38, art . 7, Inwerkingtreding : 1991-11-14> - Aanwijzingen voor de metingen van het geluid bedoeld in artikel 148decies 2.1. a) 3.1.
A.1. Algemeen :
De in artikel 148decies 2.1. a) 3.1. omschreven grootheden worden :
- hetzij rechtstreeks gemeten door integrerende geluidsniveaumeters;
- hetzij berekend uit de gemeten geluidsdruk en blootstellingsduur.
De metingen kunnen worden verricht op de plaats(en) die een werknemer tijdens de arbeid inneemt, of met behulp van op de persoon van de werknemer bevestigde instrumenten.
Plaats en duur van de metingen moeten van dien aard zijn dat de blootstelling aan geluid gedurende de dagelijkse werktijd kan worden bepaald.
2. Apparatuur.
2.1. Indien gebruik wordt gemaakt van integrerende geluidsniveaumeters die een gemiddelde waarde aangeven, moeten deze voldoen aan de eisen van de norm IEC 804.
Indien gebruik wordt gemaakt van geluidsniveaumeters, moeten deze voldoen aan de eisen van de norm IEC 651. De voorkeur dient te worden gegeven aan apparaten die zijn uitgerust met een overbelastingsindicator.
Indien het opnemen van signalen op een band onderdeel van de meetmethode vormt, dient bij de analyse van de gegevens rekening te worden gehouden met mogelijke fouten tengevolge van het opnemen en het weergeven.
2.2. Een apparaat dat wordt gebruikt om rechtstreeks de maximale waarde (piekwaarde) van de niet gewogen momentane geluidsdruk te meten, dient een inschakeltijdconstante te hebben van niet meer dan 100 us.
2.3. De gehele apparatuur moet op gezette tijden in het laboratorium worden geijkt.
3. Metingen.
3.1. Aan het begin en aan het einde van elke meetdag moet ter plaatse een verificatie plaatsvinden.
3.2. De geluidsdruk moet bij voorkeur worden gemeten in een niet-gestoord geluidsveld op de arbeidsplaats (dat wil zeggen bij afwezigheid van de betrokken persoon), met een microfoon op de plaats(en) die normaliter wordt (worden) ingenomen door het sterkst blootgestelde oor.
Indien de aanwezigheid van de betrokken persoon vereist is :
- moet de microfoon op zodanige afstand van het hoofd worden aangebracht dat de effecten van diffractie en afstand op de gemeten waarde zoveel mogelijk worden beperkt (0,1 m is een geschikte afstand);
- wanneer de microfoon zeer dicht bij het lichaam moet worden geplaatst, moeten de nodige aanpassingen worden aangebracht opdat op er een drukveld wordt vastgesteld dat gelijkwaardig is aan het ongestoorde drukveld.
3.3. In het algemeen zijn de wegingen in de tijd " S " en " F " geldig zolang het meettijdinterval groot is ten opzichte van de tijdconstante van de gekozen weging, maar zij zijn niet geschikt voor het bepalen van LAeq, Te wanneer het geluidsniveau zeer snel fluctueert.
3.4. Indirecte metingen van de blootstelling.
Het resultaat van de directe metingen van LAeq, Te kan worden benaderd wanneer de blootstellingsduur bekend is en er duidelijk te onderscheiden geluidsdrukniveaus worden gemeten; een steekproef en een statistische verdeling kunnen nuttig blijken.
4. Nauwkeurigheid van de geluidsmetingen en van de vaststelling van de blootstelling.
De soort apparatuur en de standaardafwijking van de resultaten zijn van invloed op de nauwkeurigheid van de meting. Bij het vergelijken met een geluidslimiet geeft de meetnauwkeurigheid het gebied van de afgelezen waarden aan waarbinnen geen geslissing over de overschrijding kan worden genomen; indien geen beslissing kan worden genomen, moet de meting met een grotere nauwkeurigheid worden herhaald.
Met de metingen met de grootste nauwkeurigheid is het in alle gevallen mogelijk een beslissing te nemen.
B. Metingen van korte duur met eenvoudige geluidsniveaumeters voldoen geheel wanneer werknemers op een vaste plaats steeds dezelfde werkzaamheden verrichten waarbij gedurende de gehele werkdag globaal dezelfde geluidsniveaus in een breed frequentiegebied worden veroorzaakt. Wanneer echter de geluidsdruk, waaraan een werknemer is blootgesteld, onderhevig is aan fluctuaties over een breed gebied van geluidsniveaus en/of aan fluctuaties met een onregelmatig tijdsverloop, wordt het steeds gecompliceerder de dagelijkse persoonlijke blootstelling van een werknemer aan geluid te bepalen; de nauwkeurigste methode is dan, de blootstelling gedurende de gehele werktijd te meten met behulp van een integrerende geluidsniveaumeter die een gemiddelde waarde aangeeft.
Wanneer een integrerende geluidsniveaumeter conform de norm IEC 804 (die geschikt is voor het meten van het continu equivalente geluidsdrukniveau van impulsgeluiden) ten minste voldoet aan de spcificaties van type 1, kort te voren naar behoren is geijkt in een laboratorium en de microfoon juist is geplaatst (zie punt A.3.2.), kan aan de hand van de resultaten, behoudens uitzonderingsgevallen, worden beslist of een gegeven blootstelling is overschreden (zie punt A.4.), zelfs in ingewikkelde situaties; deze methode kan dus algemeen worden toegepast en kan als referentiemethode worden gebruikt.

Onderafdeling II _ Individuele beschermingsmiddelen <KB 23-05-1972, art. 3>

Art. 149. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1995-08-07/46, art. 17, 057; Inwerkingtreding : 25-09-1995>

A. (opgeheven) <KB 31-01-1974, art. 7, 1°>

Art. 150. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 31-01-1974, art. 7, 1°>

B. Bescherming tegen risico's voor ziekten met uitzondering van de aandoeningen te wijten aan schadelijke uitstralingen, aan hevig geluid of aan trillingen.

Art. 151. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1995-08-07/46, art. 17, 057; Inwerkingtreding : 25-09-1995>

Art. 152. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1995-08-07/46, art. 17, 057; Inwerkingtreding : 25-09-1995>

Art. 153. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1995-08-07/46, art. 17, 057; Inwerkingtreding : 25-09-1995>

Art. 154. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1995-08-07/46, art. 17, 057; Inwerkingtreding : 25-09-1995>

Art. 155. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1995-08-07/46, art. 17, 057; Inwerkingtreding : 25-09-1995>

C. Bescherming tegen de risico's voor ziekten te wijten aan de schadelijke uitstralingen.

Art. 156. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1995-08-07/46, art. 17, 057; Inwerkingtreding : 25-09-1995>

D. Bescherming tegen de risico's voor ziekten veroorzaakt door intens gerucht of door trillingen.

Art. 157. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1995-08-07/46, art. 17, 057; Inwerkingtreding : 25-09-1995>

E. Bescherming tegen de risico's voor ongeval.

Art. 158. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1995-08-07/46, art. 17, 057; Inwerkingtreding : 25-09-1995>

Art. 158bis. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1995-08-07/46, art. 17, 057; Inwerkingtreding : 25-09-1995>

Art. 158ter. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1995-08-07/46, art. 17, 057; Inwerkingtreding : 25-09-1995>

Art. 158quater. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1995-08-07/46, art. 17, 057; Inwerkingtreding : 25-09-1995>

Art. 158quinquies. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1995-08-07/46, art. 17, 057; Inwerkingtreding : 25-09-1995>

Art. 158sexies. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1995-08-07/46, art. 17, 057; Inwerkingtreding : 25-09-1995>

Art. 159. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1995-08-07/46, art. 17, 057; Inwerkingtreding : 25-09-1995>

Art. 160. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1995-08-07/46, art. 17, 057; Inwerkingtreding : 25-09-1995>
(NOTA : In afwijking van de bepalingen van het eerste lid, blijven de artikelen 160 en 161 van het A.R.A.B. van toepassing op de P.B.M. die voor 30 juni 1995 op de markt werden gebracht en die niet voorzien zijn van de CE-markering, evenals de P.B.M. die na 30 juni 1995 op de markt worden gebracht en waarop geen koninklijk besluit tot omzetting van een communautaire richtlijn inzake het ontwerp en de constructie van P.B.M. van toepassing is.)
<KB 18-02-1960, art. 16> De bij bovenstaande artikelen 150 tot 158quinquies voorgeschreven individuele beschermingsmiddelen moeten, in elk geval, van een model, type of samenstelling zijn welke aangepast zijn aan de aard der bewerkingen en aan de bijzondere kenmerken der schadelijke of kwetsende agentia, zodat zij de werknemers zo rationeel en zo doelmatig mogelijk beschermen tegen de agentia en vermijden dat die middelen oorzaak van ongevallen kunnen zijn.
De kledingstukken, hoofddeksels, schorten, schoeisels, handschoenen, wanten en andere voorwerpen of toestellen voorzien in bovengemelde artikelen moeten stevig gemaakt, door middel van stoffen of materiaal van goede kwaliteit en zo weinig mogelijk gevoelig voor de inwerking van de agentia waarmee zij in contact komen, ten einde voldoende waarborg te bieden op gebied van weerstand tegen slijtage, tegen het scheuren, tegen stoten of tegen invreting.
Deze individuele beschermingsmiddelen moeten bovendien aan onderstaande bijzondere voorwaarden voldoen:
A. (opgeheven) <KB 31-01-1974, art. 7, 1°>
B. Beschermingskledij
Onverminderd de bepalingen van artikel 37, waarvan in geen geval mag worden afgeweken, moet de beschermingskledij in elk geval aangepast zijn aan de voorwaarden waarin de bewerkingen plaatshebben en aan de aard van het schadelijk agens in kwestie.
De beschermingskledij bestemd voor de werknemers die blootgesteld zijn aan het contact met vochtige of doorweekte wanden in de rioleringen, kuilen, welputten, regenputten, kuipen, vergaarbakken en ander soortgelijke plaatsen, zal naargelang van de noodwendigheden, bestaan in hetzij een jas, hetzij een broek en een jas hetzij een overall, alle gemaakt van een zelfstandigheid die voldoende ondoordringbaar en weerstandbiedend is.
De beschermingskledij bestemd voor de werknemers die buiten tewerkgesteld zijn en blootstaan aan de regen moet ondoordringbaar zijn en gemaakt van een weefsel of een stof die doeltreffend het indringen van water weren. Zij moet eveneens zoveel mogelijk bescherming bieden tegen uitzonderlijke koude.
De beschermingskledij bestemd voor de werknemers die in koelkamers worden tewerkgesteld moet aldus zijn opgevat en van zulkdanige stoffen zijn gemaakt dat zij de werknemers volledig en doeltreffend tegen koude vrijwaart.
De beschermingskledij bestemd voor de werknemers die blootgesteld zijn aan risico's voor besmetting door radioactieve substanties moet gemaakt zijn van een stof of weefsel die voldoende dicht zijn en waarin de stofdeeltjes van deze substanties niet kunnen doordringen.
C. Beschermingshoofddeksel
(Het beschermingshoofddeksel is, in elk geval, aangepast aan de omstandigheden waarin de bewerkingen plaats vinden en aan de aard van het betrokken schadelijk of kwetsend agens.) <KB 30-10-1972, art. 3>
Het hoofddeksel bestemd voor de werknemers tewerkgesteld aan het vervoer, op hoofd of op de schouders, van vleeskwartieren, van huiden of andere onbereide produkten afkomstig van het slachten van dieren, van balen niet ontsmette lompen of van dierlijke stoffen die besmettende kiemen kunnen inhouden moet bestaan in een kap met nekbedekking die zich, indien nodig, uitstrekt over de schouders en de rug. Die kap en die nekbedekking moeten gemaakt zijn van een weefsel of stof die voldoende ondoordringbaar en weerstandbiedend zijn.
Het beschermingshoofddeksel bestemd voor de werknemers tewerkgesteld aan het vervoer, op hoofd of op de schouders, van zakken of pakken met andere om het even welke produkten of stoffen moet, in elk geval, zodanig zijn opgevat dat het ten beste aan het gesteld doel beantwoordt. In de mate van het nodige moet het verlengd worden door eenzelfde nekbedekking, en, zoals deze laatste, dezelfde waarborgen bieden wat de ondoordringbaarheid en het weerstandsvermogen betreft.
Bij het beschermingshoofddeksel bestemd voor de werknemers tewerkgesteld in de riolen, kuilen, kelders welputten, regenputten, kuipen, vergaarbakken en andere soortgelijke plaatsen die bevuild zijn door ophopingen of resten van om het even welke stoffen, of die door ongedierte geplaagd zijn, behoort een nekbedekking telkens de werkvoorwaarden zulks nuttig maken.
Het beschermingshoofddeksel bestemd voor de werknemers die buiten zijn tewerkgesteld en aan regen of aan uitzonderlijke temperaturen zijn blootgesteld moet aan de omstandigheden en aan de aard van de weersgesteldheid worden aangepast. Indien het tegen de regen moet beschermen, moet het ondoordringbaar zijn of gemaakt zijn van een weefsel of een stof die doeltreffend het indringen van water beletten. Indien het tegen zonnestralen moet beschermen moet het zodanig zijn opgevat dat het gans het hoofd en de nek vrijwaart.
Het beschermingshoofddeksel bestemd voor de in koelkamers tewerkgestelde werknemers moet van een warm weefsel gemaakt zijn en toelaten zowel de oren als de schedel en het voorhoofd te beschermen.
Het beschermingshoofddeksel bestemd voor de werknemers die aan uitwasemingen van radioactief stof of rook zijn blootgesteld moet gemaakt zijn van een stof of weefsel die voldoende dicht zijn waarin de stofdeeltjes van dat stof of van die rook niet kunnen doordringen. Dit hoofddeksel moet de vorm hebben van een kap of van een hoofdhulsel dat het hoofd volledig omsluit indien dit laatste aan projecties of aan spatten van vloeibare radioactieve substanties inhoudende stoffen is blootgesteld.
De helm bestemd voor de werknemers die blootgesteld zijn aan het vallen van stenen, van materialen of van diverse brokstukken moet van licht metaal zijn, van leder of van om het even welke andere stof met evenveel weerstandsvermogen en hardheid. Langs de binnenkant moet een voldoende soepele voering aangebracht, zodat hij juist en zonder hinder aan het hoofd kan aanpassen. Deze voering moet eveneens op zulkdanige wijze opgevat dat zij op doeltreffende wijze de kracht der stoten die de helm krijgt breekt.
In de andere gevallen moet het hoofddeksel bestaan in een mutsje van dicht weefsel.
De helm of de kap van de beschermingsademhalingstoestellen vervangen het beschermingshoofddeksel naar de zin van de bepalingen van deze afdeling onder de voorwaarde dat zij, in elk geval, met evenveel zekerheid doeltreffend zijn tegen het schadelijk of kwetsend agens.
D. Beschermingsschort
Het beschermingsschort bestemd om te vermijden dat de kledij die er onder wordt gedragen nat wordt gemaakt door vloeibare of vochtige stoffen, of bevuild door rotte of besmettelijke stoffen of door vuilnis, moet van rubber zijn of van gelijk welke andere stof die minstens even ondoordringbaar is.
Het beschermingsschort bestemd voor de werknemers die blootgesteld zijn aan de mechanische beweegkracht van sommige weggeslingerde stoffen zoals weggeslingerde korrels voor zandstraling of ontzanding, moet van leder zijn of van een andere stof die even weerstandbiedend is.
Het beschermingsschort bestemd voor de aan gloeiende projecties blootgestelde werknemers moet van amiant zijn of van een andere geschikte, niet ontvlambare en zeer slecht brandende stof, zoals leder.
Die schorten moeten bestaan in een borst- en een onderstuk die samen een geheel vormen. Zij moeten volledig de borst en, daaronder tot ongeveer halverwege de benen, gans de voorkant van het lichaam bedekken over een zulkdanige breedte dat de heupen en de zijkanten der dijen beschut zijn.
Het schort voor bescherming tegen de ioniserende uitstralingen zoals Röntgenstralen en de uitstralingen van de radioactieve stoffen moet volledig de sleutelbeenderen, de schildklier in de in artikel 156 b), vijfde lid, bedoelde gevallen, het borstbeen), en het voorste gedeelte van de borstkas bedekken en, daaronder, gans het lichaam omhullen tot minstens 40 centimeter onder het middel. Dit schort moet van loodhoudend rubber zijn of van elke andere stof die minstens evengoed de bovengenoemde ioniserende uitstralingen opslorpt. Het moet een minstens even goede bescherming tegen deze uitstralingen waarborgen als een loodlaag van 0,50 millimeter. <KB 1990-04-09/32, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 1990-05-13>
E. Beschermingsschoeisel
Het beschermingsschoeisel moet bestaan in laarzen, schoenen of klompen, naargelang van de aard van het verricht werk en van de praktische behoeften. Dit schoeisel zal van rubber zijn, van leder of van elke andere stof die minstens even ondoordringbaar is.
De klompen mogen evenwel van hout zijn telkens de ondervinding heeft uitgewezen dat zij een voldoende bescherming van de voeten tegen de vloeistoffen, het slijk of andere vochtige stoffen kunnen verwezenlijken.
Indien de omstandigheden het vergen moeten de laarzen van dijstukken voorzien zijn die er een geheel mee vormen.
Het beschermingsschoeisel bestemd voor de werknemers die in de koelkamers zijn tewerkgesteld moet de voeten doeltreffend tegen de koude vrijwaren.
Het beschermingsschoeisel tegen de radioactieve stoffen moet van een ondoordringbare en gemakkelijk wasbare stof zijn.
F. Beschermingshandschoenen, -wanten, -handjes, -beenbekleedsels en -slobkousen
De beschermingshandschoenen en -wanten moeten de vingers, de handen en de polsen volledig en hermetisch omsluiten. Er moeten handboorden of, desnoods, mouwen aan vast zijn die zo lang zijn als nodig om de voorarm en de arm doeltreffend te beschermen tegen het schadelijk of kwetsend agens.
De handschoenen en wanten voor bescherming tegen de werking van giftige, bijtende, prikkelende of radioactieve stoffen, tegen besmette dieren, tegen krengen, afval van dieren of dierlijke stoffen die niet voor het gebruik geschikt zijn, en tegen alle voorwerpen of stoffen die besmettende kiemen kunnen inhouden (vuil linnen, lompen om niet ontsmette oude kledingstukken, slijk, vuilnis, vuil water, afvalstoffen, enz.) moeten van rubber zijn of van elke andere stof waarvan men zeker is dat zij minstens even ondoordringbaar en duurzaam is. De opening van hun handboord of mouw moet zo hermetisch mogelijk om de voorarm of arm sluiten.
De beschermingshandschoenen en -wanten bestemd voor de in de koelkamers tewerkgestelde werknemers moeten de handen tegen de koude vrijwaren.
De handschoenen en wanten ter bescherming tegen de ioniserende uitstralingen zoals de Röntgenstralen en de uitstralingen van de radioactieve stoffen moeten voorzien zijn van handboorden die minstens de helft van de voorarm omhullen. Zij moeten van loodhoudend rubber zijn of van elke andere stof die minstens evengoed de bovengenoemde ioniserende uitstralingen opslorpt. Zij moeten tegen deze laatste een bescherming bieden die minstens gelijk is aan deze die verzekerd wordt door een loodlaag van 0,33 millimeter.
Deze handschoenen en wanten ter bescherming tegen de ioniserende uitstralingen moeten langs de binnenkant gevoerd worden met een weefsel of met gelijk welke andere stof die de eigenschap bezit de secondaire uitstralingen die van deze handschoenen of wanten uitgaan op te slorpen.
De handschoenen en wanten ter bescherming tegen de mechanische beweegkracht van sommige weggeslingerde stoffen zoals weggeslingerde korrels voor zandstraling of ontzanding, of tegen de uitwerking van niet ioniserende uitstralingen zoals de ultraviolette stralen moeten van leder, van een speciaal weefsel of van om het even welke andere geschikte stof zijn.
De beschermingshandschoenen, -wanten en -handjes bestemd voor de werknemers die scherpe, snijdende, stekende, brandende of bijzondere ruwe voorwerpen of materialen manipuleren moeten, in elk geval, gemaakt zijn van een weefsel, van leder of van andere stoffen die een zo groot mogelijke weerstand bieden aan het betrokken kwetsend of schadelijk agens, zodat alle nodige veiligheid verzekerd is voor de werknemers.
De beschermingsbeenbekleedsels en -slobkousen bestemd voor de werknemers die blootgesteld zijn aan de mechanische beweegkracht van de projecties, moeten van leder zijn of van elke andere stof met een minstens even goed weerstandsvermogen.
De beschermingsbeenbekleedsels en -slobkousen bestemd voor de aan gloeiende projecties blootgestelde werknemers moeten van amiant zijn of van een andere geschikte, niet ontvlambare en zeer slecht brandende stof, zoals leder.
G. Zalven en andere dermatologische beschermingsbereidingen
De samenstelling van deze bereidingen moet, in elk geval, bepaald worden door de arts die aan de onderneming, aan de dienst of aan de instelling is verbonden met het oog op het uitoefenen van de gezondheidscontrole over het personeel overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 104 tot 148 of, bij ontstentenis van zulke dokter, door de inspecteur-geneesheer van de arbeid.
Deze bereidingen moeten worden uitgereikt in potten, tuben of andere geschikte recipiënten gemaakt van een stof die ze niet kan ontaarden of bevuilen en die hermetisch kunnen sluiten. Deze potten, tuben of andere recipiënten moeten individueel zijn.
Deze uitreiking mag evenwel gedaan door middel van toestellen voor gemeenschappelijk gebruik indien de werkingsvoorwaarden ervan elke besmettingsmogelijkheid voor de bovengenoemde bereidingen uitsluiten.
H. Beschermingsbrillen en aangezichtsschermen
1° De beschermingsbrillen en de aangezichtsschermen moeten volledig gemaakt zijn van niet ontvlambare stoffen of materialen. Deze toestellen mogen bovendien niet brandbaar zijn als zij aan een intense warmte of aan projecties van gloeiende stoffen moeten blootgesteld zijn.
Het montuur van de beschermingsbrillen moet juist passen op de vorm van het aangezicht en mag langs de kant van dit laatste, geen uitsteeksels, ruwigheden of oneffenheden vertonen die verwondingen of huidaandoeningen zouden kunnen teweegbrengen. Het moet bovendien zodanig opgevat dat het gemakkelijk kan gedragen worden.
Voor de werknemers die een bril met correctieglazen dragen, moet de beschermingsbril boven de andere kunnen gedragen, zonder de stand ervan te wijzigen, ofwel moet hij voorzien zijn van glazen die terzelfder tijd de nodige bescherming en de optische correctie der ogen verzekeren, of van correctieglazen die onder de beschermingsglazen zijn gemonteerd.
2° De glazen van de beschermingsbrillen moeten minstens 38 millimeter meten in de hoogte en minstens 44 millimeter in de breedte. Zij moeten van glas zijn of van elke andere geschikte vervangingsstof. Zij moeten vlak of bol zijn en moeten, in elk geval, de nodige weerstand en optische eigenschappen bieden. Zij mogen geen enkele kras, geen enkele onvolmaaktheid vertonen en moeten van weerskanten zorgvuldig gepolijst zijn. Indien zij op generlei wijze het gezicht moeten verbeteren, moeten de zijden streng evenwijdig zijn. Zij moeten kleurloos en goed doorzichtig zijn, tenzij zij bestemd zijn om schadelijke uitstralingen te weerhouden. Zij moeten volkomen helder zijn.
Deze glazen mogen bestaan uit verscheidene boven elkaar geplaatste schijven, onder de voorwaarde dat elke dezer voldoet aan de eisen die hierboven worden bepaald voor de glazen van één stuk.
De invatting van deze glazen moet streng aansluitend zijn.
3° De gekleurde glazen of deze van speciale samenstelling bestemd om de ogen tegen de schadelijke uitstralingen te beschermen moeten aan onderstaande bijzondere voorwaarden voldoen:
a) Bescherming tegen infra-rode, ultraviolette en fel lichtende stralen, inzonderheid bij metaallassen of -snijden door middel van de elektrische lichtboog of van de brander, bij het onderzoek van ovens of van witgloeiende stoffen, of bij het laden en lossen van smeltovens:
van deze glazen moet de doeltreffendheid, wat het opslorpingsvermogen van de infra-rode en ultraviolette stralen betreft, in elk geval erkend zijn. Zij moeten eveneens in de mate van het wenselijke de schittering van de lichtbron beperken;
de glazen der brillen bestemd voor de werknemers die tewerkgesteld zijn in de omgeving der plaatsen waar las- of snijwerken met de elektrische lichtboog worden verricht moeten gekleurd zijn zodanig dat de hevigheid van het licht voldoende wordt getemperd en moeten in de nodige mate de infra-rode en ultraviolette stralen weerhouden;
b) Bescherming tegen de Röntgenstralen en de uitstralingen der radioactieve stoffen:
de glazen moeten op zijn minst dezelfde bescherming bieden als een laag lood van 1 millimeter.
c) Bescherming tegen de zonnestralen ingeval de ogen blootgesteld zijn aan het stof van pek of van andere zelfstandigheden die eenzelfde prikkelende werking als pek uitoefenen op deze organen:
de glazen moeten zo volkomen mogelijk het doordringen van ultraviolette stralen beletten en moeten zodanig gekleurd zijn dat het rechtstreeks zonlicht voldoende wordt getemperd.
4° Wanneer de beschermingsbrillen er toe bestemd zijn om de ogen te vrijwaren tegen zijdelingse projecties van zelfstandigheden of tegen stof, gas, dampen, rook of nevels die prikkelend blijken voor deze organen, moeten de ringen waarin de glazen ingevat zijn achter- en zijwaarts verlengd zijn door kleppen en schermen, zodat een montuur wordt gevormd waarvan de randen overal het aangezicht raken. Indien het schadelijk of kwetsend agens bestaat in weggeslingerde zelfstandigheden of in grof stof mogen in deze kleppen en schermen verluchtingsopeningen aangebracht zijn, onder de voorwaarde evenwel dat deze openingen op zulkdanige wijze zijn opgevat en aangebracht dat zij deze zelfstandigheden of grof stof niet doorlaten. Indien het schadelijk agens bestaat uit fijn stof, gassen, dampen, rook of nevels die prikkelend zijn voor de ogen mogen in deze kleppen en schermen geen verluchtingsopeningen aangebracht zijn. In dit laatste geval moet de bril hermetisch aan het aangezicht sluiten en de ogen volledig afzonderen van de omgevende bezoedelde atmosfeer. De nodige schikkingen moeten worden genomen om te vermijden dat zich damp vastzet op de glazen van deze hermetische brillen.
De beschermingsbrillen bestemd voor de werknemers tewerkgesteld in de omgeving van de plaatsen waar las- of snijwerken met de elektrische lichtboog worden uitgevoerd moeten eveneens voorzien zijn van zijdelingse kleppen en schermen om zodoende de uitstralingen die van bezijden komen te beletten de ogen te bereiken.
5° De schermen ter beschutting van de ogen, die aan het aangezicht zijn aangepast zoals de beschermingsbrillen, worden met deze laatste gelijkgesteld en moeten op elk gebied dezelfde waarborgen bieden.
De aangezichtsschermen moeten op zulkdanige wijze zijn opgevat dat zij het hoofd van de werknemers zoveel mogelijk volledig afschermen ten opzichte van de plaats waar het schadelijk of kwetsend agens zijn oorsprong vindt.
Wanneer deze schermen bestemd zijn om dezelfde rol te vervullen als de beschermingsbrillen, moeten zij, in elk geval, op gebied van doeltreffendheid, dezelfde waarborgen bieden als deze laatste, inzonderheid wat het weerstandsvermogen en de optische kwaliteit van hun glazen, alsmede het opslorpingsvermogen van deze glazen ten opzichte van de schadelijke uitstralingen betreft. De nuttige oppervlakte van hun venster moet zo groot zijn als wenselijk.
I. Ademhalingstoestellen
1° Voor de toepassing van deze afdeling moet worden verstaan door:
Masker: een gezichtsbedekking bestemd om de ademhalingsopeningen en, in voorkomend geval, de ogen af te zonderen van de omgevende bezoedelde lucht. Als deze bedekking uitsluitend de ademhalingsopeningen afzondert, d.w.z. alleen de neus en de mond, wordt het halfmasker genoemd; als het, benevens deze openingen, eveneens de ogen afzondert wordt het aangezichtsbedekking genoemd.
Om de werknemer die het moet dragen toe te laten gezonde lucht in te ademen, is dit masker voorzien van een of meer instrumenten om de omgevende bezoedelde lucht te zuiveren, of verbonden met een bron van verse lucht genomen buiten de omgevende atmosfeer of met een niet van deze atmosfeer afhankelijke bron die lucht of met zuurstof verrijkte lucht levert.
Bij sommige ademhalingstoestellen is het halfmasker vervangen door een neusnijper en een monddop.
Hoofdhulsel: een omhulsel dat minstens volledig het hoofd en de hals bedekt en bestemd is om ze af te zonderen van de omgevende lucht. Het gedeelte van dit omhulsel dat het hoofd bedekt heeft gewoonlijk de vorm van een helm of van een stormhoed.
De ademhalingsmogelijkheid waarover de werknemer binnenin dit hoofdhulsel moet beschikken wordt verwezenlijkt door een systeem van toevoer van verse lucht genomen buiten de omgevende atmosfeer of van toevoer van lucht of van met zuurstof verrijkte lucht geleverd door een niet van dit midden afhankelijke bron.
Stofmasker: een masker voorzien van een filter die geschikt is om vaste bestanddelen (om het even welke stofdeeltjes) of vloeibare bestanddelen (bij voorbeeld fijne druppeltjes voorkomend van het verstuiven van verf of van produkten voor insectenverdelging door middel van pneumatische toestellen) te weerhouden.
Indien de bestanddelen vloeibaar zijn, bepaalt de doeltreffendheid van bovenbedoeld masker zich tot het weerhouden van deze bestanddelen zoals bedoeld.
Gasmasker: een masker voorzien van een filterpatroon of van een filterdoos welke een filter bevatten die door physische of chemische actie geschikt zijn om meerdere gassen of dampen van bepaalde soort te weerhouden.
De filters die geschikt zijn om verschillende gassen of dampen te weerhouden noemt men "polyvalente".
Gemengd masker: een masker waarvan het filtertoestel terzelfdertijd een stof- en een gasfilter bevat, zodat het zowel tegen stof als tegen gassen of dampen kan worden aangewend.
Deze twee filters kunnen zelfstandig zijn of zich samen in een zelfde filterpatroon of -doos die dan "gemengd" wordt genoemd, bevinden.
(Masker met toevoer van lucht: een masker waar ademlucht wordt ingebracht door middel van een toevoerslang die bedoelde lucht opvangt aan een daartoe geschikte bron. Deze lucht komt vrij in het masker louter door de gewone ademhalingsbewegingen van de persoon of wordt er naar gevoerd door middel van een compressor, een blaastoestel, een ventilator, een luchtpomp, enz.) <KB 29-7-1963, art. 6, 1°>
In het eerste geval wordt het masker genoemd "met toevoer van vrije lucht" of "met toevoer van lucht zonder druk"; in het tweede geval "met toevoer van perslucht".
De uitgeademde lucht wordt niet opnieuw in de ademhalingskring opgenomen, maar volledig in de omgevende atmosfeer weggeleid.
(Onafhankelijk masker: masker waarvan de voeding wordt verzekerd door flessen met perslucht, met door zuurstof verrijkte perslucht of met geperste zuurstof, of door een produkt dat zuurstof afgeeft; die flessen of het toestel waarin het produkt steekt worden doorgaans op de rug gedragen door degene die het masker gebruikt.) <KB 29-07-1963, art. 6, 2°>
Dit masker wordt genoemd "met gesloten omloop" of "met open omloop" naargelang de uitgeademde gassen al dan niet opnieuw in de ademhalingsomloop worden ingeschakeld.
Het onafhankelijk masker met gesloten omloop wordt met zuurstof gevoed.
Door deze maskers komen de werknemers die ze dragen onafhankelijk te staan ten opzichte van het midden waarin zij zich bevinden.
Hoofdhulsel met toevoer van lucht: een hoofdhulsel waarvan de voeding op dezelfde wijze gebeurt als deze van het masker met toevoer van perslucht.
Onafhankelijk hoofdhulsel: een hoofdhulsel waarvan de voeding op dezelfde wijze gebeurt als deze van het onafhankelijk masker met open omloop.
De maskers en hoofdhulsels met luchttoevoer of onafhankelijke kunnen gebruikt worden tegen om het even welk stof, met inbegrip van nevels, aerosols en rook, alsmede tegen gassen en dampen.
2° De ademhalingstoestellen moeten van stevige constructie zijn, zodat zij dagelijks en zonder risico voor beschadiging kunnen gedemonteerd, gereinigd en ontsmet. Het gewicht van deze toestellen moet evenwel zoveel mogelijk beperkt worden.
Zij moeten gemaakt zijn van niet ontvlambare stoffen en, wat de gedeelten betreft die met het aangezicht in aanraking komen, van stoffen die bovendien geen prikkelingen veroorzaken.
De vrije rand van het masker mag geen uitsteeksels, ruwigheden of oneffenheden vertonen die verwondingen of huidprikkelingen kunnen veroorzaken. Het moet geschikt zijn van vorm en elasticiteit zodat het doelmatig op het aangezicht past doch zonder dat er voor de gebruiker een gevoel van overdreven drukking of andere onaangename gewaarwording uit voortvloeit.
3° Het systeem voor het bevestigen van het masker aan het hoofd moet op zulkdanige wijze zijn opgevat dat, wanneer het bevestigen behoorlijk is uitgevoerd, de bescherming van de gedeelten van het aangezicht verwezenlijkt door het masker volledig is en blijft, welke ook de bewegingen, verplaatsingen of inspanningen zijn die de werknemer normaal moet doen. De maskers met filter, de maskers met toevoer van vrije (niet geperste) lucht alsmede de onafhankelijke maskers met gesloten omloop moeten, onder dezelfde voorwaarden, een doeltreffende afsluiting van deze gedeelten verzekeren.
Het gedeelte van het hoofdhulsel dat het hoofd bedekt moet op zulkdanige wijze zijn opgevat dat het gemakkelijk op het hoofd kan bevestigd worden zonder dat het hinder berokkent. De lucht die deze toestellen voedt moet hen bereiken en zich er in verspreiden in omstandigheden die geen enkele onaangename gewaarwording veroorzaken.
De niet filtrerende gedeelten der maskers en de hoofdhulsels moeten volkomen ondoordringbaar zijn door stof, gassen of dampen.
4° De oogopeningen of het venster van het aangezichtsscherm of van het hoofdhulsel moeten er op volkomen sluitende wijze aan bevestigd of ingevest zijn. Evenzo moeten hun glazen hermetisch ingezet, zodat zij op geen enkele wijze lucht doorlaten.
De glazen der oogopeningen of van het venster van het aangezichtsscherm of van het hoofdhulsel moeten aan dezelfde voorwaarden van afmetingen, van weerstand en van optische kwaliteiten voldoen als deze voorzien onder littera H van dit artikel voor de glazen van de beschermingsbrillen of van de aangezichtsschermen. Zij moeten van het "onbreekbaar" of "veiligheids-" type zijn om te vermijden dat zij, door een schok, in zich verspreidende stukken breken zodat de omgevende bezoedelde lucht ongehinderd in het masker kan dringen.
Indien zij de ogen moeten beschermen tegen schadelijke uitstralingen, moeten zij dezelfde eigenschappen bieden als deze in hetzelfde geval voorzien voor de glazen van de bovenbedoelde brillen of aangezichtsschermen.
5° De onnutte ruimte van het masker, d.w.z. de ruimte tussen het aangezicht en de binnenkant van het masker moet zo klein mogelijk worden gemaakt.
Indien, ten einde de bezwaren opgeleverd door de onnutte ruimte te verhelpen, het masker voorzien is van een vals masker dat de mond en de neus verbindt met de openingen voor in- en voor uitademing, zal de ruimte begrepen tussen het aangezicht en de binnenkant van dit vals masker dat zich bepaalt bij deze openingen beschouwd worden als deze van bedoelde onnutte ruimte.
6° In geval van masker met filter moet de filter op zulkdanige manier zijn opgevat, geschikt en bevestigd dat geen enkele hoeveelheid van de door de werknemer ingeademde lucht, hoe klein zij ook weze, kan ontsnappen tijdens het doortrekken van de filter noch aan de werking eigen aan deze laatste. Het filtertoestel moet aan het masker gehecht zijn door een systeem dat alle waarborgen biedt op gebied van stevigheid, dichtheid en onmogelijkheid van toevallig loskomen. De met dit doel voorziene verbindingen, buisopeningen en buizen moeten langs de binnenkant een diameter van minstens 19 mm hebben.
In geval van masker of hoofdhulsel hetzij met toevoer van lucht, hetzij onafhankelijk, moeten de buizen waarlangs deze toestellen gevoed worden langs de ene kant met het masker en langs de andere kant met de bron die de lucht of de met zuurstof verrijkte lucht levert verbonden worden door een systeem dat dezelfde waarborgen biedt als deze bepaald bij voorgaand lid.
In geval van masker of hoofdhulsel met toevoer van lucht, hetzij onafhankelijk, moeten de buizen waaraan de drager wordt bevestigd op zulkdanige wijze zijn opgevat dat deze laatste, in geval van gevaar, zich er gemakkelijk en vlug kan van bevrijden.
Indien de lucht zonder druk wordt toegevoerd, d.w.z. uitsluitend mits de gewone ademhalingsbewegingen van de werknemer, moeten de verbindingen, buisopeningen en buizen waarlangs de lucht komt een diameter van minstens 2,5 cm hebben, en mag de lengte van de slang die het masker met luchtbron verbindt niet meer zijn dan 15 m.
7° De buigzame slangen waarlangs de maskers en hoofdhulsels gevoed worden moeten voldoende weerstandbiedend, soepel en elastisch zijn zodat zij zoveel als nodig en naar alle kanten kunnen gebogen worden, naargelang van de bewegingen en verplaatsingen van de werknemer, zonder dat deze kromming aanleiding geeft tot beschadiging of tot een vereniging van de slang die een overdreven belemmering van de ademhaling zou kunnen teweegbrengen.
8° (De maskers met filter alsmede de maskers met toevoer van vrije (niet geperste) lucht moeten van inademingsventielen, -schuiven of -kleppen voorzien zijn ten einde te vermijden dat de door de werknemer uitgeademde lucht opnieuw door de filter trekt of opnieuw terecht komt in de buis voor luchttoevoer, en van uitademingsventielen, -schuiven of -kleppen bestemd om te beletten dat de omgevende bezoedelde lucht in de ademhalingsorganen van de gebruiker dringt. Het mag echter wel dat de maskers met filter niet voorzien zijn van inademingsventielen, -schuiven of -kleppen indien het controleorganisme waarvan verder sprake, dat er mede is belast na te gaan of de ademhalingstoestellen voldoen aan de bij deze littera gestelde voorwaarden, oordeelt dat de afwezigheid van die ventielen, schuiven of kleppen niet van aard is de doelmatigheid van die maskers te schaden.) <KB 29-07-1963, art. 7>
Deze ventielen, schuiven of kleppen moeten voldoende dicht zijn welk ook het debiet zij van de door de werknemer in- of uitgeademde lucht; hun maaksel moet hun steeds feilloze en doelmatige werking verzekeren.
9° De maskers met toevoer van perslucht, de hoofdhulsels met toevoer van lucht, alsmede de onafhankelijke maskers en hoofdhulsels moeten voorzien zijn van een of meer openingen of ventielen voor de evacuatie van de uitgeademde of overtollig toegevoerde lucht (of lucht verrijkt met zuurstof). Het voedingssysteem van deze maskers of hoofdhulsels alsmede de gebruiksmodaliteiten van deze toestellen moeten, in elk geval, op zulkdanige wijze zijn opgevat dat de omgevende lucht op geen enkel ogenblik kan binnendringen langs de bovengenoemde openingen of ventielen, welke ook de snelheid zij van de toegevoerde luchtstroom.
De lucht waarmede de onafhankelijke maskers of hoofdhulsels of deze met luchttoevoer worden gevoed mag geen enkele onzuiverheid inhouden.
Met dit doel moet zij opgevangen worden op een gezonde plaats van de atmosfeer, beveiligd tegen elke oorzaak van bezoedeling, en geperst worden door een middel waarbij er geen dampen van olie of andere levensgevaarlijke uitwasemingen kunnen binnendringen.
Indien deze voorwaarden niet integraal kunnen nageleefd worden, moet zij volledig worden gezuiverd door een procédé dat de doeltreffendheid volkomen waarborgt.
Als zij te koud is moet een geschikt middel worden voorzien dat toelaat haar tot een voldoende warmte te brengen.
10° (De ademhalingstoestellen moeten daarenboven van een aangenomen type of model zijn.
Deze aanneming wordt verleend door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid of door dezes afgevaardigde, op overeenkomstig advies van met dit doel bevoegde organismen.
De Minister van Tewerkstelling en Arbeid zal de voorwaarden voor deze aanneming alsmede de voorwaarden waaraan bovenbedoelde toestellen moeten beantwoorden om als van een aangenomen type of model te worden aangezien bepalen en zal die organismen aanwijzen.) <KB 25-08-1961, art. 1>

Art. 161. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1995-08-07/46, art. 17, 057; Inwerkingtreding : 25-09-1995>
(NOTA : In afwijking van de bepalingen van het eerste lid, blijven de artikelen 160 en 161 van het A.R.A.B. van toepassing op de P.B.M. die voor 30 juni 1995 op de markt werden gebracht en die niet voorzien zijn van de CE-markering, evenals de P.B.M. die na 30 juni 1995 op de markt worden gebracht en waarop geen koninklijk besluit tot omzetting van een communautaire richtlijn inzake het ontwerp en de constructie van P.B.M. van toepassing is.)
<KB 29-07-1963, art. 8> § 1. (In geen geval mogen de ademhalingswegen van de werknemers worden beschermd tegen de inademing van stof, gas, dampen, rook of nevels, om het even welke, door middel van ademhalingstoestellen die niet zijn aangenomen overeenkomstig de bepalingen van artikel 160, I, 10°.) <KB 10-02-1965, art. 4>
§ 2. (De volgende regels zullen worden nageleefd wat betreft de keuze van het type van ademhalingstoestel dat, al naargelang van de aard der verrichtingen, ter beschikking van de werknemers moet worden gesteld:) <KB 10-02-1965, art. 4>
1° moeten uitsluitend maskers met toevoer van lucht, onafhankelijke maskers, hoofdhulsels met toevoer van lucht of onafhankelijke hoofdhulsels zijn, de ademhalingstoestellen die bestemd zijn voor onderstaande verrichtingen te werk gestelde werknemers:
verrichtingen op om het even welke plaats waarvan men vreest dat de lucht er geen 17% zuurstof inhoudt;
verrichtingen waarbij in plaatsen zoals bedoeld in artikel 53 of in houders en tanks zoals bedoeld in artikel 625, moet worden binnengegaan of gebleven;
verstuiving door middel van een pneumatisch procédé op om het even welk voorwerp of welke stof, van verf, vernis, dekmiddelen of email, welke ook de samenstelling van die produkten is;
metalliseren van om het even welke stukken door middel van een pneumatisch procédé, welke ook het verstoven metaal of de verstoven metaallegering zijn;
2° moeten uitsluitend hoofdhulsels met toevoer van lucht of onafhankelijke hoofdhulsels zijn de ademhalingstoestellen bestemd voor de aan onderstaande verrichtingen te werk gestelde werknemers:
ontzanding, onder drukking, van gegoten stukken, met de handspuit;
bespuiten met zand of metaalgruis onder drukking van om het even welke stukken, voorwerpen of oppervlakten, met de handspuit;
3° moeten uitsluitend onafhankelijke maskers zijn met open omloop of filtermaskers voorzien van filterpatroon of -doos die geschikt is om koolmonoxyde op te houden, de ademhalingstoestellen die bestemd zijn om de werknemers te beschermen tegen dat gas in de inrichtingen voor het laden van kalkovens en andere ovens van soortgelijke structuur;
4° in de andere gevallen moet het gebruik van maskers of hoofdhulsels met luchttoevoer of van onafhankelijke maskers of hoofdhulsels verkozen worden boven dat van filtermaskers wanneer de aard of de technische voorwaarden van de verrichtingen zich er niet tegen verzetten

Art. 162. <Zie nota's onder TITEL> <KB 18-02-1960, art. 16> Het is de werknemers verboden te roken of gebruik te maken van schoonheidsmiddelen of blanketsels, terwijl zij bewerkingen verrichten waardoor zij blootgesteld zijn aan het bevuilen der handen door giftige stoffen zoals lood, kwik, loodcomponenten, kwikcomponenten, cadmiumcomponenten, fosforesters, enz., of door om het even welke produkten (verf, dekmiddelen, enz.), vloeistoffen, afval, residu's die giftige stoffen inhouden of door stoffen of voorwerpen die kunnen aangetast zijn door besmettende kiemen.
Hetzelfde verbod zal worden opgelegd aan de werknemers die blootgesteld zijn aan het contact met radioactieve stoffen, alsmede aan al de werknemers die, in lokalen waar radioactieve stoffen worden gemanipuleerd, gebruikt of ondergebracht, of in lokalen die door deze stoffen besmet zijn, tewerkgesteld zijn aan om het even welk werk of er moeten binnen zijn.
De ondernemingshoofden moeten voor de goede naleving van deze belangrijke prophylaxemaatregelen waken.

Art. 163. <Zie nota's onder TITEL> <KB 18-02-1960, art. 16> § 1. Alvorens de werknemers te werk te stellen aan werken waardoor zij risico's voor beroepsziekten (intoxicaties, huidaandoeningen, aandoeningen der ogen, aandoeningen der ademhalingswegen, ziekten veroorzaakt door de uitstralingen, besmettingen) of bijzondere ongevalrisico's kunnen lopen en voor welker uitvoering individuele beschermingsmiddelen voorgeschreven door deze afdeling te hunner beschikking moeten worden gesteld, moeten de werkgevers of de door deze laatsten aangewezen personen aan ieder van hen een individuele nota overhandigen met betrekking tot of hen onderhouden over de gevaren die de bewerkingen die zij zullen moeten uitvoeren bieden en hun wijzen op de regels die zij moeten in acht nemen om ze te vermijden.
Vervolgens, en zolang zij dezelfde bewerkingen verrichten, moeten de belanghebbende werknemers bij tussenpozen die niet langer dan één jaar mogen duren, een nieuw exemplaar van de nota ontvangen of moeten zij opnieuw over hetzelfde onderwerp toegesproken worden.
§ 2. Die nota moet opgesteld of de toespraak gehouden in de taal der personen tot dewelke zij gericht is, met nauwkeurigheid en duidelijkheid, zodat zij door al de betrokken werknemers kan worden verstaan. De bovengenoemde nota moet gedrukt of getypt zijn.
Voor het opmaken van de tekst van die nota of die toespraak, moet de werkgever beroep doen op het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen, of, bij gebreke daarvan, op de dienst voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen, alsmede op de geneesheren die de gezondheidscontrole over zijn werknemers uitoefenen in toepassing van de artikelen 104 tot 148. Telkens de omstandigheden op het nut ervan zullen wijzen, verzoekt hij, met hetzelfde doel, om de tussenkomst van de inspecteur-geneesheer van de arbeid.
De inspecteurs-geneesheren van de arbeid mogen, telkens zij het noodzakelijk achten, die tekst doen wijzigen of aanvullen, of er een nieuwe opleggen.
§ 3. De nota of de uiteenzetting moeten op nauwkeurige wijze bepalen welke de betrokken schadelijke of kwetsende agentia zijn en moeten bondig de aard van de door deze laatste op het organisme uitgeoefende actie aanduiden. Zij zullen de nadruk leggen op de essentiële regels en op de verschillende bijzondere voorschriften die moeten worden nageleefd ten einde zich doeltreffend van deze actie te onttrekken, te weten, al naargelang van het geval:
het regelmatig en oordeelkundig gebruik van de door deze afdeling voorgeschreven individuele beschermingsmiddelen;
het gewetensvol in acht nemen van de elementaire zindelijkheidszorgen, vooral in geval van risico's voor bevuiling der handen door giftige stoffen, door radioactieve stoffen of door stoffen of voorwerpen die door besmettende kiemen kunnen aangetast zijn: niet eten en niet roken tijdens het werk, noch zonder vooraf met zorg de handen te hebben gewassen; niet drinken, tenzij na zich ervan te hebben overtuigd dat de handen en het recipiënt zuiver zijn; geen schoonheidsmiddelen of blanketsels gebruiken; de vingers noch om het even welk voorwerp aan de mond brengen;
het oordeelkundig gebruik van de gezondheidsinrichtingen (kleedkamers, lavabo's, stortbaden, badkuipen, eetplaatsen), overeenkomstig de voorschriften van de artikelen 102 en 103;
de regelmatige en normale werking der toestellen voor het opzuigen van stof, rook, gassen of dampen, die best in gang worden gesteld vóór het werk wordt aangevangen en slechts stilgelegd na het beëindigen ervan;
de grootste mogelijke zindelijkheid tijdens het werk;
het regelmatig schoonmaken van de lokalen en van het materieel dat aangetast is door giftige, radioactieve, in staat van bederf verkerende of mogelijk besmettende kiemen inhoudende stoffen; het dagelijks wegruimen van fabricageafval of -resten;
het onmiddellijk aangeven van elk letsel, van elke prikkeling der huid of der slijmvliezen of van elk verdacht ongemak die zich voordoen;
het ontsmetten en onmiddellijk verbinden van elke verwonding, zelfs onaanzienlijke, ingeval stoffen die door besmettende kiemen kunnen aangetast zijn (behandeling van afval van dieren, van vuil linnen, enz.) worden gemanipuleerd;
het onmiddellijk aangeven van elke beschadiging aan de installaties voor stofopruiming of voor opzuiging der uitwasemingen;
de naleving van alle andere bijzondere voorschriften die door de bijzondere aard van de bewerkingen gerechtvaardigd zijn.

Art. 164. <Zie nota's onder TITEL> <KB 18-02-1960, art. 16> § 1. Al de individuele beschermingsmiddelen die door deze afdeling worden beoogd moeten bestendig in goede staat van gebruik worden gehouden. Zij moeten te gepasten tijde gereinigd, hersteld of vernieuwd worden.
Er moet heel in het bijzonder worden over gewaakt dat handschoenen of wanten met gaten of scheuren niet worden gebruikt om de huidweefsels te beschermen tegen de giftige, bijtende of prikkelende stoffen, de radioactieve stoffen, de uitstralingen, de in staat van bederf verkerende stoffen, of de besmettende kiemen. In gevallen als deze moet het gebruik, zelfs het kortstondig, van dergelijke handschoenen of wanten, verboden worden.
De reiniging, de controle en de herstelling der individuele beschermingsmiddelen moeten, zoveel mogelijk, worden toevertrouwd aan een dienst die met dit doel behoorlijk is uitgerust.
§ 2. De werkkledij en de beschermingsmutsen in geweven stoffen moeten zo dikwijls als nodig gewassen worden.
De beschermingskledij, hoofddeksels, handschoenen, wanten, schoeisels en schorten van rubber of van ondoordringbare stof moeten elke dag, op het einde van de werkdag, gespoeld en afgedroogd worden.
De lederen voorwerpen moeten, na gewassen te zijn, zorgvuldig worden gedroogd, ver van elke warmtebron.
Al de delen van de maskers, waarvan men de filter, indien deze bestaat, vooraf wegneemt, alsmede van de hoofdhulsels moeten volledig worden gereinigd zo dikwijls als het nodig is. Op het einde van elke werkdag moeten de gedeelten die door het ademen of het zweten werden bevuild, met zeepwater worden gereinigd en vervolgens gespoeld en afgedroogd.
§ 3. Tenzij het de werknemers opgelegd is elke dag, na het gebruik, de maskers af te geven aan de dienst waarvan hierboven sprake, moeten zij gedurende de tijd dat zij niet worden gebruikt, in een ondoordringbare, voldoende stevige en hermetisch sluitende doos of omslag worden geborgen.
In dezelfde voorwaarden moeten de brillen en de schermen voor ogenbescherming die zoals de eerstgenoemde op het aangezicht worden bevestigd doelmatig worden beschermd zodat hun glazen tegen alle risico's zijn gevrijwaard.
§ 4. De klederen, voorwerpen en toestellen voor individuele bescherming gedragen door de aan het contact met radioactieve stoffen blootgestelde werknemers moeten evenwel, na het werk, worden weggeborgen in een lokaal dat uitsluitend tot dat gebruik is voorbehouden en moeten toevertrouwd worden aan het toezicht door een persoon die goed op de hoogte is van al de maatregelen die in verband ermee moeten worden genomen.
De in voorgaand lid bedoelde werknemers moeten die beschermingsklederen -voorwerpen en -toestellen in dat lokaal wegbergen alvorens zij de lokalen der inrichting waar hun gevaarlijk werk wordt verricht verlaten.
Die klederen, voorwerpen en toestellen moeten regelmatig en zo dikwijls als de omstandigheden het vergen aan een controle worden onderworpen in zake de graad van contaminatie door bovengenoemde stoffen. Zij moeten te gepasten tijde ontsmet of vervangen worden.
Zij mogen alleen worden gereinigd, gedecontamineerd, nagezien of hersteld onder leiding van bovengenoemde persoon, in de onderneming zelf en mits zulkdanige voorzorgsmaatregelen te nemen dat zij niet op hun beurt een bron van contaminatie worden voor andere klederen, voorwerpen, toestellen of lokalen.
Als het verkieslijk wordt geacht deze door radioactieve stoffen gecontamineerde klederen, voorwerpen en toestellen weg te ruimen of te vernietigen, liever dan ze te decontamineren, moeten deze wegruiming en deze vernietiging plaats hebben volgens dezelfde methoden als deze van toepassing zijn voor de vaste radioactieve afval.

Art. 165. <Zie nota's onder TITEL> <KB 18-02-1960, art. 16> De kledij ter bescherming tegen de regen uitgezonderd moeten elk kledingsstuk, elk voorwerp of elk toestel voor individuele bescherming worden voorbehouden tot het uitsluitend persoonlijk gebruik door de werknemer waaraan zij werden afgegeven. Zij mogen niet achtereenvolgens door verschillende werknemers worden gebruikt tenzij zij, bij elke verandering van gebruiker, met zorg gereinigd, gedesinfecteerd en, in geval van mogelijke contaminatie door radioactieve stoffen, gedecontamineerd worden.

Art. 166. <Zie nota's onder TITEL> <KB 18-02-1960, art. 16> De reiniging en de desinfectie van de middelen voor individuele bescherming moeten er, naargelang van het geval, in bestaan ze gedurende minstens 10 minuten uit te koken en terzelfder tijd of daarop te wassen, hetzij door ze te wassen met een antiseptische oplossing, hetzij door ze te wassen en daarop te steriliseren door middel, bij voorbeeld, van een dampblad of van een stoomkoker.
De desinfectie door ze te wassen met een antiseptische oplossing moet worden verwezenlijkt in voorwaarden en door middel van produkten die op dat gebied alle waarborg bieden in zake doelmatigheid.
De decontaminatie van de individuele beschermingsmiddelen die door radioactieve stoffen zijn gecontamineerd moet door de meest geschikte methoden worden verwezenlijkt.

Art. 167. <Zie nota's onder TITEL> <KB 18-02-1960, art. 16> Onder geen voorwendsel mogen de werknemers de bij deze afdeling voorgeschreven individuele beschermingsmiddelen met zich naar huis nemen. Die beschermingsmiddelen moeten in de onderneming, dienst, inrichting of werf waar zij tewerkgesteld zijn blijven of er na de werkdag teruggebracht worden.
De bepalingen van dit artikel zijn evenwel niet van toepassing;
1° op de werknemers die deel uitmaken van reizende ploegen of die tewerkgesteld zijn op ver van de ondernemingen, diensten, inrichtingen of werven waaraan zij verbonden zijn gelegen plaatsen en die uiteraard niet regelmatig komen na hun werkdag, voor zover de bewerkingen die deze werknemers verrichten geen risico's voor besmetting door radioactieve stoffen met zich brengen.
2° (opgeheven) <KB 31-01-1974, art. 7, 3° tot 5°>

Art. 168. <Zie nota's onder TITEL> <KB 18-02-1960, art. 16> De werkgevers moeten op hun kosten instaan voor de levering aan de belanghebbende werknemers, het onderhoud in goede staat van gebruik, de reiniging, de desinfectie, de decontaminatie, de herstelling en de vernieuwing te gepasten tijde, van de bij deze afdeling voorgeschreven individuele beschermingsmiddelen.
(alinea opgeheven) <KB 31-01-1974, art. 7, 3° tot 5°>

Art. 169. <Zie nota's onder TITEL> <KB 18-02-1960, art. 16> De werkgevers moeten er voor zorgen dat de betrokken werknemers de individuele beschermingsmiddelen waarover zij overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling moeten beschikken regelmatig en rationeel gebruiken. ( (...) ).
Het is de werknemer verboden die middelen vrijwillig te beschadigen, te bevuilen of te verknoeien.
(alinea opgeheven) <KB 31-01-1974, art. 7, 3° tot 5°.>

Art. 170. <Zie nota's onder TITEL> <KB 18-02-1960, art. 16> De werknemers zijn er toe gehouden de individuele beschermingsmiddelen waarover zij krachtens deze afdeling moeten beschikken te gebruiken en zich te gedragen naar de instructies die hun in verband ermede worden gegeven.
BIJLAGE (opgeheven) <KB 31-01-1974, art. 7, 1°>

Afdeling IIbis _ Werkzitplaatsen en rustzitplaatsen.

Art. 171. <Zie nota's onder TITEL> <KB 18-02-1960, art. 16> Telkens zij hun werk hetzij aanhoudend hetzij doorgaans zittend kunnen verrichten moeten door de in artikel 28 genoemde werkgevers tewerkgestelde werknemers over zitplaatsen met rugleuning beschikken.

Art. 172. <Zie nota's onder TITEL> <KB 18-02-1960, art. 16> In de bureau's moeten de bedienden beschikken over stoelen met rugleuning die hun toelaten de voeten op de grond of een verhoogd vlak te plaatsen.

Art. 173. <Zie nota's onder TITEL> <KB 08-01-1964> Elk lid van het personeel dat te werk gesteld is in de magazijnen, winkels en andere aanhorige lokalen, waar koopwaar en diverse voorwerpen behandeld of aan het publiek worden aangeboden, moet bij tussenpozen of na bepaalde tijdruimten kunnen gaan zitten.
Te dien einde worden aan dit personeel zitgelegenheden ter beschikking gesteld. Deze moeten gemakkelijk bereikbaar zijn en onmiddellijk kunnen gebruikt worden zonder dat het nodig is ze vrij te maken of ze op te stellen. Zij mogen van het type "klapstoel" zijn. In geen geval mogen zij een hindernis vormen in de doorgangen die normaal aan het publiek of aan het personeel zijn voorbehouden.
Wanneer de taak van het personeel hun toelaat bij tussenpozen gebruik te maken van de zitgelegenheden moeten de samengetelde rusttijden ten minste een kwartier bereiken tijdens de eerste helft en een kwartier tijdens de tweede helft van de arbeidsdag.
Wanneer de taak van het personeel hun niet toelaat bij tussenpozen gebruik te maken van de zitgelegenheden moet de arbeid derwijze ingericht worden of verdeeld worden dat elk lid van het personeel op bepaalde tijdstippen zittend kan arbeiden gedurende een kwartier tenminste eenmaal tijdens de eerste helft en tenminste eenmaal tijdens de tweede helft van de arbeidsdag, ten vroegste na 1 h 30 m en ten laatste na 2 h 30 m prestaties.
(Een bericht dat de maatregelen vermeldt door de werkgever werden genomen ten einde de naleving van de voorschriften van dit artikel te verzekeren, zal aangeplakt worden op een goed zichtbare plaats in een lokaal van de onderneming bezocht door het personeel; dit bericht mag gevoegd worden bij het arbeidsreglement.) <KB 14-03-1974, art. 5>

Afdeling III _ Aan de door ongeval of door ongesteldheid getroffenen te verlenen eerste hulp en dringende verzorging <KB 16-04-1965, art. 3>

Art. 174. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 3> De in artikel 28 van dit reglement bedoelde werkgevers moeten de nodige maatregelen nemen om:
1° de door ongeval of ongesteldheid getroffenen zo spoedig mogelijk de hulp, de dringende verzorging alsmede de bijstand van een dokter of van een persoon die bevoegd is om hem voor de gevaren van verwikkelingen te vrijwaren en eveneens het voorlopig onderkomen te bezorgen die eventueel ingevolge de omstandigheden noodzakelijk zijn;
2° hun de eerste hulpmiddelen te kunnen verlenen in een behoorlijk lokaal;
3° hen naar dit lokaal te voeren indien zij zich er niet op eigen kracht kunnen naar begeven;
4° indien nodig, eveneens het vervoer, hetzij naar hun woonplaats, hetzij naar een hospitaalinrichting te verzekeren.
(5° in dat verband de nodige verbindingen te onderhouden met diensten van buitenaf.) <KB 1992-09-14/36, art. 7, 041; Inwerkingtreding : 1992-12-31>

Art. 175. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 3> Het in voorgaand artikel bedoelde lokaal moet gevrijwaard zijn tegen elke schadelijke invloed, moet goed verlucht, goed verlicht en toegerust zijn met een verwarmingssysteem dat geschikt is om er in elk seizoen een voldoende hoge temperatuur te laten heersen, alsmede met de nodige middelen om zuiver warm water te bekomen en om de handen te wassen.
De door ongeval of ongesteldheid getroffen personen moeten naar dat lokaal kunnen gebracht worden met alle nodige voorzorg en er kunnen rusten in de wegens hun gezondheidstoestand noodzakelijke houding en in behoorlijk comfortabele voorwaarden.

Art. 176. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 3> Onverminderd de bepalingen van artikel 180 moeten de eerste zorgen aan de door ongeval of ongesteldheid getroffenen verleend worden:
1° in de ondernemingen waar gewoonlijk en tegelijkertijd ten minste 500 personen zijn te werk gesteld indien ze van industriële aard zijn, of ten minste 1 000 personen in het tegenovergestelde geval:
door een of verschillende personen die minstens een (brevet van verpleegassistent(e)) of een ander gelijkwaardig diploma bezitten. <KB 25-10-1971, art. 1>
Op gemotiveerd advies van de Hoge raad voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen mag de Minister van Tewerkstelling en Arbeid evenwel de ondernemingen die een geringer getal personen te werk stellen ertoe verplichten zich de medewerking te verzekeren van personen die een van voormelde diploma's bezitten, wanneer de aard of het bijzonder karakter van hetgeen er wordt verricht, die maatregel wenselijk maakt.
2° in de andere ondernemingen die gewoonlijk en tegelijkertijd minstens twintig personen te werk stellen, indien ze van industriële aard zijn, of vijftig personen in het tegenovergestelde geval:
door een of verschillende personen waaraan deze laatste het schrift van hulpverlener bezitten.
3° in de niet in bovenstaande 1° en 2° bedoelde ondernemingen:
door een of verschillende door de werkgever aangewezen personen waaraan hij het bijhouden en het gebruik van de onder artikel 178 voorziene apotheek toevertrouwt.
In elke onderneming moet het getal der (brevethouders van verpleegassistent(e)) hulpverleners of andere bovenbedoelde personen, al naargelang van het geval, in verhouding zijn met het personeelscijfer, zodat het die personen mogelijk is hun opdracht uit te voeren onder voorwaarden die elke nodige waarborg bieden en tevens gedurende gans de werkdag en, indien het bedrijven betreft waar ook 's nachts wordt gewerkt, zowel tijdens de nacht als in de loop van de dag, onverwijld de nodige verzorging te verlenen. <KB 25-10-1971, art. 2>
De bepalingen van het 1° van dit artikel zijn evenwel niet toepasselijk op de tijdelijk bestaande bedrijven, op de seizoenbedrijven, noch op de ondernemingen die onderverdeeld zijn in afzonderlijke, van plaats veranderende en ver van elkaar gelegen werkposten, die uiteraard niet door eenzelfde centrum voor eerste verzorging kunnen bediend worden. In die ondernemingen mogen de eerste hulp en de dringende verzorging van de door ongeval of ongesteldheid getroffenen verzekerd worden door personen die een bewijs van hulpverlener bezitten of door de personen waarvan sprake in het 3° van dit artikel, al naargelang er gewoonlijk en tegelijkertijd twintig, bijaldien het een nijverheidsonderneming is, of vijftig, indien het geen nijverheidsonderneming is, werknemers worden te werk gesteld.

Art. 177. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 3> Het getuigschrift van hulpverlener waarvan sprake in het 2° van voorgaand artikel wordt afgeleverd door een met dat doel door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid of door diens afgevaardigde erkend organisme.
Mits zij beantwoorden aan de voorwaarden waarvan die aanneming afhankelijk is kunnen de arbeidsgeneeskundige diensten alsook de andere in artikel 182 bedoelde geneeskundige diensten die erkenning bekomen.
Die diensten moeten zoveel mogelijk op zulke manier georganiseerd zijn dat zij die erkenning kunnen bekomen en er in elk geval mee belast kunnen worden bovenbedoelde hulpverleners te vormen en deze laatsten geregeld op te leiden voor de verrichtingen met het oog op de redding van de door ongeval of ongesteldheid getroffenen. Indien nodig moet die opleiding worden verwezenlijkt met de medewerking van de technische diensten der onderneming.

Art. 178. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 3> In iedere door de in artikel 28 van dit reglement bedoelde werknemers bestuurde onderneming, moeten de eerste hulpmiddelen ten minste bestaan in een hulpapotheek ondergebracht in een of meer kasten of in een of meer dozen en waarvan de samenstelling bepaald is in de bijlage van deze afdeling volgens de aard van de onderneming of van de werkplaats.
Die kasten en die dozen moeten gemaakt zijn van materialen die voldoende weerstand bieden tegen schokken en tegen roest zodat zij bij het gebruik niet kunnen misvormd worden, geen enkele spleet vertonen langswaar vloeistof of stof kunnen binnendringen en hermetisch sluiten. De dozen moeten voorzien zijn van een handvat of van een ander middel om ze gemakkelijk te dragen.
(In de ondernemingen die bestaan in verschillende tamelijk ver uit elkaar liggende departementen of afdelingen, moeten ten minste evenveel gebruikbare dozen voorzien zijn als er departementen of afdelingen zijn. In ieder departement of afdeling moet zich een van die dozen bevinden.
In de ondernemingen verdeeld over ver van elkaar gelegen werkposten, bedoeld in artikel 176, derde lid, moet zich ten minste een gebruiksklare doos op elk van die verschillende werkposten bevinden, tenzij het aantal tewerkgestelde werknemers lager is dan vijf personen en dat ieder van hen uitgerust is met een individuele verbandetui waarvan de inhoud wordt bepaald in de bijlage van deze afdeling.
Een gebruiksklare verbanddoos moet eveneens geplaatst worden op elk voertuig met mechanische beweegkracht dat op de openbare weg komt alsmede op elk schip, tenzij het voertuig of het schip reeds uitgerust zijn met een verbandkist of een verbandetui overeenkomstig de reglementen inzake het vervoer.) <KB 25-10-1971, art. 3>

Art. 179. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 3> Het onder artikel 176, 1°, bedoelde verzorgingspersoneel moet over de nodige lokalen en uitrusting beschikken om zijn opdracht te kunnen vervullen onder voorwaarden die elke gewenste waarborg bieden.
Die lokalen moeten voldoende ruim, goed verlicht, goed verlucht en van een drinkwaterleiding, warm en koud, voorzien zijn alsmede van een verwarmingssysteem dat in elk seizoen een aan het gebruik waarvoor ze bestemd zijn aangepaste warmte biedt.
Die lokalen kunnen in de plaats komen van het in de artikelen 174 en 175 bedoelde lokaal.

Art. 180. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 3> Voor de hierna opgesomde ondernemingen of werken moeten de bij artikel 178 voorgeschreven eerste hulpmiddelen als volgt worden aangevuld:
1° ondernemingen, welk ook het aantal te werk gestelde personen mag zijn, waar herhaald of groot gevaar bestaat om te vallen, zoals de werven voor stellingbouw, bouwwerken, afbraakwerken alsmede alle andere ondernemingen van industriële aard waar gewoonlijk in totaal ten minste honderd personen zijn te werk gesteld:
een met twee dekens beklede draagberrie of draagstoel moet zich op of in de nabijheid van de werkplaatsen bevinden zodat hij zonder verwijl kan worden gebruikt.
2° ondernemingen en werkposten waar verrichtingen gebeuren die bijzondere risico's bieden voor verbranding of invreting op de huid of op de slijmvliezen door zuren, basen of andere chemische stoffen:
de eerste hulpmiddelen moeten bestaan in produkten of bereidingen waarmee de agentia die verbranding of invreting veroorzaken geneutraliseerd kunnen worden.
3° slachthuizen, slachterijen, darmwasserijen, vilbeluiken, ondernemingen voor het vergaren, het behandelen of het bewerken van huiden, beenderen, horens, manen of ander voor de voeding ongeschikt dierenafval; ondernemingen voor het laden of lossen van dat afval; ondernemingen voor de behandeling of het sorteren van vuilnis of van niet ontsmette vodden; laboratoria voor biologie, autopsiediensten, leerzalen voor anatomie:
de eerste hulpmiddelen moeten bestaan in een antiseptische oplossing waarmee elke verwonding, elke schram, hoe klein ook, kan worden ontsmet bij de personen die in contact kunnen komen met de dieren, met dierenafval, met de lijken of met elke andere stof waardoor zij rechtstreeks of onrechtstreeks besmet kunnen worden door aanraking met de zakken, recipiënten, voertuigen, grond, verschillende voorwerpen die hebben gediend om ze te verpakken, te vervoeren, vast te nemen, enz.
De samenstelling van die antiseptische oplossing wordt bepaald door de arbeidsgeneesheren of door de aan andere onder artikel 182 bedoelde geneeskundige diensten verbonden geneesheren, al naargelang van het geval.
De personen die verwondingen vertonen of schrammen welke kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke besmettingen mogen het werk slechts hervatten of voortzetten nadat die verwondingen of schrammen ontsmet zijn en van een sluitend verband voorzien.
De evolutie van die verwondingen en van die schrammen moet van nabij worden gevolgd.
4° werken in perslucht (werken uitgevoerd door middel van persluchtcaissons of -schilden, of van duikerpakken):
daar waar die werken worden verricht, moeten zich bevinden:
a) een reddingstoestel dat zich in de werkkamer van de caissons en van de schilden bevindt en zodanig gemaakt is dat de gekwetste of zieke personen gemakkelijk kunnen weggebracht worden;
b) de nodige toestellen en produkten voor de inhalaties van zuurstof;
c) een recompressiesluis, wanneer de nodige druk voor de uitvoering der werken anderhalve effectieve atmosfeer moet bereiken.
Die sluis moet ruim genoeg zijn om er gemakkelijk een zieke en twee helpers in onder te brengen. Zij moet voorzien zijn van twee luchtsassen, het ene voor het schutten van de personen, het andere voor het inbrengen van geneesmiddelen; ze moet zich bevinden in een lokaal dat gemakkelijk kan verwarmd worden, voorzien is van een elektrisch verlichtingssysteem en waar de verluchting gebeurt door middel van een toestel dat een luchtverversing mogelijk maakt naar rato van vijftig kubieke meter lucht per persoon en per uur. De temperatuur in de sluis moet zoveel mogelijk 18° Celsius benaderen.
De werkgever moet een persoon aanwijzen die verantwoordelijk wordt gesteld voor het onderhoud en voor de goede werking van de recompressiesluis.
De werkgever moet er eveneens voor zorgen dat op elke post waar in perslucht wordt gewerkt twee personen aanwezig zijn die minstens het onder artikel 177, eerste lid, bedoelde bewijs van hulpverlener bezitten en die bevoegd zijn om de kunstmatige ademhaling toe te passen en om bovenbedoelde sluis te bedienen.
Die personen moeten op elk ogenblik en zolang het werk duurt metterdaad aanwezig zijn en ook nog gedurende twaalf uren nadat het werk werd stilgelegd indien de luchtdruk waaraan de arbeiders zijn onderworpen geweest (een verhoogde druk van ten minste 1,5 bar) heeft bereikt en nog gedurende twee uren indien die luchtdruk lager dan dat cijfer is gebleven. <KB 1985-08-28/30, art. 1, 013>
Telkens hij in perslucht moet verblijven moet elke der betrokken werknemers vooraf individueel worden ondervraagd over zijn gezondheidstoestand door de in de twee voorgaande alinea's bedoelde personen. Indien de werknemers verklaren dat zij lijden aan stoornissen van de neus, van de keel, van de oren of aan om het even welke ongesteldheid, mogen zij slechts mits gunstig advies van de arbeidsgeneesheer gemachtigd worden in de perslucht te komen.
Wanneer de werken worden verricht (onder een verhoogde druk van 2,5 bar) moet de arbeidsgeneesheer aanwezig zijn op het ogenblik dat de werknemers het werk stilleggen en de decompressie ondergaan.
De werkgever doet de arbeidsgeneesheer binnen de kortst mogelijke tijd elke werknemer onderzoeken die over een stoornis klaagt. <KB 1985-08-28/30, art. 1, 013>
De betrokken werknemers moeten te allen tijde over een van rustbedden, kleerkasten en lavabo's voorzien lokaal beschikken. Dat lokaal moet behoorlijk verwarmd en verlucht worden.
5° ondernemingen en werkposten waar bijzondere risico's bestaan voor electrocutie, overstroming, verdrinking, ontploffing, overvloedige en plotse ontsnapping van schadelijke gassen, ernstige vergiftiging door bijzonder gevaarlijke uitwasemingen (cyaanwaterstofzuur, zwavelwaterstof, fosforwaterstof, arseenwaterstof, koolmonoxyde, enz.):
die ondernemingen en posten moeten over aangepast reddingsmaterieel beschikken (reddingsgordels, ladders, touwen, boeien, ademhalingstoestellen, bijzondere beschermingskledij, enz., al naargelang van het geval), waarmee de getroffenen uit hun netelige positie kunnen worden bevrijd, alsmede over de nodige toestellen en produkten om ze opnieuw bij bewustzijn te brengen.
Een voldoende aantal hulpverleners die het bewijs waarvan sprake onder artikel 177 bezitten moet worden opgeleid voor de reddingswerken en het toepassen van de kunstmatige ademhaling opdat, indien nodig, die verrichtingen op elk ogenblik onverwijld in de beste omstandigheden zouden kunnen gebeuren.
Indien onder de reddingsmiddelen ook ademhalingstoestellen moeten voorhanden zijn moeten de hulpverleners eveneens vertrouwd gemaakt worden met het dragen van die toestellen.
De ademhalingstoestellen voor reddingswerk moeten van het type "met toevoer van lucht" of van het "onafhankelijk" type zijn, zoals die types worden bepaald in artikel 160, I, van dit reglement en moeten beantwoorden aan de bepalingen van dat artikel.
Die toestellen moeten worden onderhouden, hersteld en vervangen zoals voorzien in de artikelen 164 en 166 van dit reglement. Na elk gebruik moeten zij behoorlijk gereinigd, ontsmet en, ingeval zij door radioactieve stoffen gecontamineerd zijn, gedecontamineerd worden.
6° in afdeling I, bijlage II, (rubriek 2.1.), van dit hoofdstuk bedoelde ondernemingen:
al naargelang van de bijzondere risico's voor bestraling waaraan de werknemers die er worden te werk gesteld kunnen blootgesteld worden, moeten die ondernemingen beschikken over geschikte middelen om, op doeltreffende wijze, alle door de omstandigheden genoodzaakte reddingsverrichtingen of decontaminaties alsmede alle dringende medische behandelingen toe te passen. <verv. KB 10-04-1974, art. 20>

Art. 181. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 3> De dozen en kasten waarin geneesmiddelen steken, alsmede de andere eerste hulpmiddelen en het reddingsmaterieel moeten ondergebracht zijn op plaatsen waar zij gevrijwaard zijn tegen elke oorzaak van contaminatie of van beschadiging.
Al die eerste hulpmiddelen en dat het reddingsmaterieel moeten te allen tijde bereikbaar zijn, volledig en in goede staat van bewaring worden gehouden en moeten onmiddellijk kunnen gebruikt worden.
Een voldoende voorraad van de apotheekartikels moet worden aangelegd om, dadelijk na het gebruik, de inhoud van bovenbedoelde dozen of kasten opnieuw volledig bij te vullen.
Die voorraad moet worden ondergebracht in een kast of op een plaats die beantwoorden aan de in het tweede lid van artikel 178, en in het eerste lid van dit artikel bepaalde voorwaarden. Men moet er eveneens te allen tijde de hand kunnen op leggen.

Art. 182. <Zie nota's onder TITEL> <KB 14-03-1974, art. 6> De arbeidsgeneeskundige diensten oefenen het toezicht uit over de organisatie van de eerste hulp en de dringende verzorging, zo voorgeschreven door de artikelen 174 tot 181, en zorgen ervoor dat die eerste hulp en die dringende verzorging geschieden in de voorwaarden die alle gewenste waarborgen bieden, behoudens de gevallen waar die opdracht voorbehouden wordt aan andere medische diensten die werden opgericht in toepassing van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.

Art. 183. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-4-1965, art. 3> De arbeidsgeneesheren of de aan de andere in het voorgaande artikel bedoelde geneeskundige diensten verbonden dokters, al naargelang van het geval, moeten de betrokken ondernemingshoofden alle nuttige voorstellen doen inzake de uitbreiding die volgens hen moet worden gebracht aan de onder de artikelen 178 en 180 voorziene eerste hulp en dringende verzorging, ingeval de oorzaken van de risico's voor ongeval of ongesteldheid, en de aard van deze laatste van bijzondere aard zijn of kenmerkende letsels of pathologische stoornissen met zich brengen, of indien zij zeer talrijk of zeer groot zijn.
De geneesheren-arbeidsinspecteurs mogen, van hun kant, en in zover zij oordelen dat het even noodzakelijk is, de ondernemingshoofden ertoe verplichten maatregelen van de zelfde aard toe te passen.
Wat betreft de reddingsmiddelen voor de door ongeval of ongesteldheid getroffen werknemers, mogen de ingenieurs van de Administratie van de arbeidsveiligheid of van de Administratie van het Mijnwezen, al naargelang van het geval, mits hetzelfde voorbehoud, de werkgevers ertoe verplichten zulke maatregelen toe te passen indien die middelen uiteraard onder de bevoegdheid vallen van die ambtenaren.

Art. 183bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 3> In alle om het even welke onder de bepalingen van deze afdeling vallende lokalen en in alle inrichtingen die erbij behoren, moeten de verwarmingstoestellen met brandstof beantwoorden aan de voorschriften van artikel 65, eerste lid, van dit reglement.

Art. 183ter. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1965, art. 3> De dienst van het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen van de onderneming worden bij toepassing van het bepaalde in deze afdeling betrokken.

Art. N*183ter. <Zie nota's onder TITEL> BIJLAGE <KB 25-10-1971, art. 6>
_ Samenstelling van de apoteekkasten of verbanddozen alsmede van de individuele verbandetuis voorgeschreven in artikel 178 van deze afdeling.
I. Minimum samenstelling van de apotheekkasten of verbanddozen.
a) artikelen in vast verband:
1° elastisch knevelverband (5 cm breed): één
2° reanimatiecanule: één
3° roestvrije schaar (14 cm lang): één
4° toelichtingsnota: "Dringende verzorging in afwachting van de komst van de geneesheer";
b) artikelen in wisselend aantal:
naargelang van de aard van het werk en de personeelssterkte per gedeelte of veelvoud van:
- tien industriële werknemers met maximum van drie veelvouden
- vijftig niet-industriële werknemers met maximum van twee veelvouden
1° steriele snelverbanden:
- twee snelverbanden waarvan de gaaszwachtel 2 m op 5 cm meet en het verbandplakje 10 cm op 7 cm
- één snelverband waarvan de gaaszwachtel 2 m op 7 cm meet en het verbandpakje 14 cm op 12 cm
2° steriel driekantig doekverband:
- één - afmetingen: 90 cm, 90 cm, 127 cm
3° lichte cabriczwachtels:
- twee: van ten minste 5 m lang en 5 cm breed
_ twee: van ten minste 5 m lang en 7 cm breed
4° samengeperste hydrofiele verbandwatten:
- twee verpakkingen van netto 20 gr
5° zijden kleefpleister:
- één rol van ten minste 5 m lang en 2,5 cm breed
- één rol van ten minste 5 m lang en 1,25 cm breed
6° gaaspleisterverband:
- hetzij één zwachtel van ten minste 1 m lang en 6 cm breed
- hetzij één assortiment van verschillende breedten waarvan de totale lengte 1 m bedraagt
7° antiseptische oplossing:
oplossing van jodium en alcohol à 1 % of chloorhexidinedigluconaat in alcoholische oplossing van ten minste 50 volumen % of elke oplossing die als equivalent wordt beschouwd:
30 ml in een of meer hermetisch sluitende flesjes of in ampullen (met vijltje)
8° roestvrije veiligheidsspelden: tien (in een doosje of op een kaartje).
II. Minimum samenstelling van het individueel verbandétui
1° steriele snelverbanden waarvan de hydrofiele gaaszwachtel ten minste twee meter lang is en 7 cm breed: twee
2° steriel driekantig doekverband: een
- afmetingen: 90 cm, 90 cm, 127 cm.
III. Opmerking.
De onder I en II opgesomde artikelen alsmede hun verpakkingen moeten beantwoorden aan de eisen van de Belgische Farmacopee (Ve uitgave).
_ Toelichtingsnota: "Dringende verzorging in afwachting van de komst van de geneesheer".
1. Deze toelichtingsnota dient opgemaakt te worden in de vorm van een brochure.
2. Op de omslag van die brochure moet vermeld worden:
a) op de buitenkant:
"DRINGENDE VERZORGING IN AFWACHTING VAN DE KOMST VAN DE GENEESHEER" (Artikel 178 van het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming _ Bijlage).
b) op de binnenkant:
INHOUDSTAFEL
I. Wonden, bloedingen
II. Verstuiking, ontwrichting, botbreuk
III. Brandwonden
IV. Verstikking
V. Elektrokutie
VI. Vergiftiging
Voorafgaande opmerkingen:
wat niet mag gedaan worden: het slachtoffer verplaatsen, behalve wanneer er onmiddellijk doodsgevaar is.
wat zo spoedig mogelijk gedaan moet worden: bij ademhalingsstilstand de kunstmatige ademhaling toepassen (zie rubriek IV).
3. de brochure dient verschillende bladen te bevatten waarop de volgende tekst voorkomt:
<De bladspiegel van de hiernavolgende tabel werd om technische redenen aangepast>
I. Wonden - Bloedingen
Wat u ziet: Lichte verwonding.
Wat moet worden gevreesd: Besmetting.
Wat te doen: De Wonde ontsmetten en beschutten met een steriel snelverband.
Hoe het te doen:
- Zorgvuldig de handen wassen;
- De wonde en de streek er rond ontsmetten met het ontsmettingsmiddel dat zich in de verbanddoos bevindt;
- Een steriel snelverband of een aseptisch gaaspleisterverband aanbrengen.
Gebruiksaanwijziging:
- de wikkel van een steriel snelverband losmaken;
- met elke hand een van de twee rolletjes van de zwachtel vastnemen;
- de handen uit elkaar brengen om het verband open te vouwen;
- de kompresprop op de wonde drukken zonder de wonde noch de binnenkant van de prop aan te raken;
- de zwachtels afwinden en de twee einden aan elkaar knopen om het verband vast te leggen.
Wat u ziet: Ernstige verwonding.
Wat moet gevreesd worden: Besmetting.
Wat te doen: De wonde beschutten met een of zonodig verscheidene steriele snelverbanden.
Hoe het te doen:
- Zorgvuldig de handen wassen.
- Een of meer snelverbanden aanbrengen;
Gebruiksaanwijzing: zie hierboven.
Wat u ziet: Overvloedig bloedverlies langs een of meer wonden.
Wat moet gevreesd worden: Dood ingevolge bloedverlies.
Wat te doen:
- De bloeding stelpen door een drukverband op de wonde aan te brengen
Hoe het te doen:
- Een steriel snelverband op de wonde aanbrengen;
Gebruiksaanwijzing: zie hierboven.
- Indien nodig verscheidene steriele snelverbanden boven elkaar op de dezelfde wonde aanbrengen en er met de hand op drukken;
- In geval van een zeer ernstige bloeding aan een lid en als de andere middelen falen een knevelverband aanbrengen tussen de wonde en de romp, bij de wortel van het lid;
- Op het slachtoffer het uur leesbaar aanduiden waarop het knevelverband aangebracht werd. Het knevelverband om de twintig minuten langzaam losmaken en het slechts opnieuw aandrukken indien de bloeding aanhoudt.
II. Verstuiking, ontwrichting, botbreuk
Wat u ziet:
Zwelling of misvormig van een lid;
Eventueel bot dat door de huis is heengedrongen mogelijk met bloedverlies;
Wat moet gevreesd worden:
Verstuiking;
Ontwrichting;
Botbreuk.
Wat te doen:
- Het slachtoffer in een gemakkelijke houding plaatsen en pijn verzachten;
- Eventueel de bloeding stelpen;
- Het lid onbeweeglijk maken.
Hoe het te doen:
- Het slachtoffer neerleggen;
- Het slachtoffer beletten het gezwollen of misvormd lid te verplaatsen;
- Het bloed stelpen indien nodig (zie rubriek I);
- Het lid onbeweeglijk maken door middel van stijve voorwerpen (spalken, plankjes, geplooid krantenpapier, enz.) geplaatst langsheen het lid en vastgemaakt door middel van cambriczwachtels.
III. Brandwonden
Wat u ziet: Het slachtoffer staat in brand.
Wat moet gevreesd worden: Ernstige en uitgebreide brandwonden.
Wat te doen:
- Het slachtoffer beletten zich te verplaatsen;
- De brandende kleding doven.
Hoe het te doen:
- Het slachtoffer neerleggen;
- Het slachtoffer in een deken rollen;
- Eens het vuur gedoofd het slachtoffer laten neerliggen, het hoofd horizontaal en de voeten een weinig omhoog;
- Het slachtoffer toedekken en kleine hoeveelheden water te drinken geven.
Wat u ziet: Brandwonden.
Wat moet gevreesd worden: Besmetting.
Wat te doen: De brandwonden beschutten tegen vuil of vreemde voorwerpen.
Hoe het moet gedaan worden:
- De handen wassen;
- Steriele snelverbanden of een of meer steriele driekantige doekverbanden op de brandwonden aanbrengen.
Wat u ziet: Chemische brandwonden.
Wat moet gevreesd worden: Besmetting.
Wat te doen: Het chemisch produkt verdunnen.
Hoe het moet gedaan worden:
- De getroffen streek overvloedig wassen met helder water en vermijden dat het water zich op de niet aangetaste huid verspreidt;
- Vervolgens een of meer steriele snelverbanden op de brandwonden aanbrengen.
Wat u ziet: Chemische brandwonden in het aangezicht en aan de ogen.
Wat moet gevreesd worden:
Besmetting;
Blijvende littekens;
Gezichtsverlies.
Wat te doen: De brandwonden beschutten tegen vuil of vreemde voorwerpen.
Hoe het moet gedaan worden:
- De handen wassen;
- Steriele snelverbanden of een of meer steriele driekantige doekverbanden op de brandwonden aanbrengen
IV. Verstikking
Wat u ziet: Het slachtoffer ademt niet meer.
Wat moet gevreesd worden: Dood door verstikking.
Wat te doen:
- Onmiddellijk de kunstmatige ademhaling toepassen.
Methoden:
- "mond-op-neusbeademing";
- "mond-op-mondbeademing" (met of zonder reanimatiecanule).
Hoe het te doen:
- De hals vrijmaken;
- Alle vreemde lichamen uit de mond en de neus verwijderen (aarde, bloed, water, voedsel);
- Het hoofd achterover buigen, de hals gestrekt, de kin vooruit;
- De neusgaten met een hand dichtknijpen (mond-op-mondbeademing) of de mond met een hand dicht doen (mond-op-neusbeademing);
- Met de andere hand de kin vastnemen
Zonder canule (mond-op-mond of mond-op-neusbeademing);
- Inademen;
- Uw mond hermetisch op de lippen of de neus van het slachtoffer plaatsen;
- Lucht in de mond of neus van het slachtoffer blazen;
- Uw mond terugtrekken;
- Inademen en de beademing opnieuw beginnen.
Met een canule:
- Het ene uiteinde van de canule in de mond van het slachtoffer brengen;
- Inademen;
- De mond van het slachtoffer om de canule sluiten;
- In het andere uiteinde van de canule blazen;
- Uw mond terugtrekken;
- Inademen en de beademing opnieuw beginnen.
Opmerking: het inblazen moet 15 maal per minuut worden overgedaan.
V. Elektrokutie
Wat u ziet: Bewusteloze persoon, kan nog in kontakt zijn met een stroomgeleider.
Wat moet gevreesd worden:
Elektrokutie;
Brandwonden.
Wat te doen:
- Het contact met de stroom verbreken.
Vervolgens:
- De kunstmatige ademhaling toepassen.
BELANGRIJK:
- Nooit iemand aanraken die nog in contact is met een stroombron zonder zich vooraf zelf te beschermen: DOODSGEVAAR.
Hoe het te doen:
- De stroom uitschakelen (een eventuele val van het slachtoffer
voorzien).
Indien niet mogelijk:
- Dikke wollen of rubberen handschoenen aantrekken;
- Een stuk droog hout of elk ander isolerend voorwerp nemen;
- Zich van de grond isoleren door op een voorwerp van droog hout of elk ander isolerend materiaal te gaan staan;
- Door middel van het stuk door hout of het isolerend voorwerp het slachtoffer verwijderen van de stroomgeleider waarmee hij (zij) in aanraking is;
- Zonodig de kunstmatige ademhaling toepassen (zie rubriek IV) en de brandwonden beschutten (zie rubriek III).
VI. Vergiftiging
Wat u ziet: In het begin misschien niets. Na enige tijd kan het dat het slachtoffer:
- braakt;
- pijn heeft;
- zich onwel voelt;
- bezwijmt.
Wat moet worden gevreesd: Vergiftiging
Wat te doen:
- Nagaan hoe de vergiftiging ontstond en welk het vergift was;
- De geneesheer roepen;
- Telefoneren naar het Nationaal Centrum ter voorkoming en behandeling van intoxicaties (Anti-Giftcentrum), Jozef Stallaertstraat 1, 1060 Brussel, tel. 02/345.45.45 - De eerste zorgen toedienen;
- Indien mogelijk het vergift en het braaksel bewaren.
Hoe het te doen:
- Het slachtoffer op zijn (haar) zijde leggen op een rustige en verluchte plaats;
- Zich schikken naar de door het Anti-Giftcentrum verstrekte onderrichtingen;
- Bij gebrek aan onderrichtingen beletten dat het slachtoffer iets zou innemen.
Als er stuiptrekkingen optreden:
- Beletten dat het slachtoffer in zijn (haar) tong bijt door een in een zakdoek gewikkeld hard voorwerp tussen zijn (haar) kaken te plaatsen.
Indien het slachtoffer niet meer ademt:
- De kunstmatige ademhaling toepassen (zie rubriek IV).

HOOFDSTUK IV. - (Opgeheven) <KB 1999-05-03/38, art. 14, 068; Inwerkingtreding : 13-06-1999>

Art. 183quater1. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-03/38, art. 14, 068; Inwerkingtreding : 13-06-1999>

Art. 183quater2. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-03/38, art. 14, 068; Inwerkingtreding : 13-06-1999>

Art. 183quater3. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-03/38, art. 14, 068; Inwerkingtreding : 13-06-1999>

Art. 183quater4. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-03/38, art. 14, 068; Inwerkingtreding : 13-06-1999>

Art. 183quater5. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-03/38, art. 14, 068; Inwerkingtreding : 13-06-1999>

Art. 183quinquies1. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-03/38, art. 14, 068; Inwerkingtreding : 13-06-1999>

Art. 183quinquies2. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-03/38, art. 14, 068; Inwerkingtreding : 13-06-1999>

Art. 183quinquies3. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-03/38, art. 14, 068; Inwerkingtreding : 13-06-1999>

Art. 183sexies. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-03/38, art. 14, 068; Inwerkingtreding : 13-06-1999>

TITEL III - BIJZONDERE BEPALINGEN TOEPASSELIJK IN ZEKERE NIJVERHEIDSTAKKEN

HOOFDSTUK I - Toestellen, installaties, arbeidsprocédés, gemeen aan verscheidene nijverheidstakken.

Eerste Afdeling - Elektrische installaties.

Eerste deel - Constructie.
I. Algemene bepalingen.
A. Bepalingen en algemeenheden.

Sterkstroominstallaties.

Art. 184. <Zie nota's onder TITEL> Onverminderd de wetten en reglementen die van kracht zijn in de mijnen, ondergrondse graverijen en groeven, zijn de voorschriften die het voorwerp van deze afdeling uitmaken toepasselijk op alle sterkstroominstallaties met uitzondering van de vaste installaties die dienen tot de eigenlijke elektrische tractie van de spoorwegen en de tramwegen (*) en van deze die de elektrische uitrusting van het rollend materieel uitmaken. (*) Als voorbeeld, worden niet aanzien als eigenlijke tractieïnstallaties, de lijnen voor het overbrengen van elektrische energie van de centrale naar de onderstations en de onderstationsinstallaties)
Deze voorschriften zijn niet van toepassing op de inrichtingen voor telecommunicatie (telegrafie, telefonie of signalisatie).
(Zij zijn evenmin van toepassing op de installaties die onderworpen zijn aan het Algemeen Reglement op de elektrische installaties bindend verklaard door het koninklijk besluit van 10 maart 1981 waarbij het Algemeen Reglement op de elektrische installaties voor de huishoudelijke installaties en sommige lijnen van transport en verdeling van elektrische energie bindend wordt verklaard, en door het koninklijk besluit van 2 september 1981 houdende wijziging van het Algemeen Reglement op de elektrische installaties en houdende bindendverklaring ervan op de elektrische installaties in inrichtingen gerangschikt als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk, en in inrichtingen beoogd bij artikel 28 van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming.) <KB 1981-09-02/30, art. 10, 006>
Behoudens strijdige bepaling, zijn de aanwijzingen betreffende de spanning en de intensiteit evenzeer van toepassing op gelijkstroom als op wisselstroom; in dit laatste geval gelden ze voor de effectieve spanning en intensiteit.

Lage, gemiddelde en hoge spanning.

Art. 185. <Zie nota's onder TITEL> Een elektrische installatie heet "laagspanningsinstallatie" wanneer de spanning tussen de geleiders en de aarde niet meer dan 600 volt bedraagt bij gelijkstroom en 250 volt bij wisselstroom.
Wordt ook nog "laagspanningsinstallatie" geheten, een onderstationinstallatie voor elektrische tractie met gelijkstroom, wanneer de spanning tussen de geleiders en de aarde in normaal bedrijf niet meer dan 700 volt bedraagt.
Een elektrische installatie wordt "gemiddelde spanningsinstallatie" geheten, wanneer ze werkt op wisselstroom en de spanning tussen de geleiders en de aarde tussen 250 en 375 volt begrepen is.
Al de andere installaties worden "hoogspanningsinstallaties" genoemd.
Nochtans voorziet het reglement:
a) bijzondere voorschriften toepasselijk op de laagspanningsinstallaties met wisselstroom, waarvan de spanning tussen de geleider en de aarde meer dan 150 volt bedraagt;
b) aanvullende voorschriften, toepasselijk op de hoogspanningsinstallaties waarvan de spanning tussen de geleiders en de aarde 15.000 volt overtreft zonder boven 100.000 volt te gaan.
In de installaties met driephasenstroom zonder neutraalgeleider en die waar de neutraalgeleider niet is geaard, is de in aanmerking te nemen spanning de phasenspanning gedeeld door 1,73. Wanneer een phase bestendig met de aarde verbonden is, wordt de phasenspanning in aanmerking genomen.

Lokalen van de elektriciteitsdienst.

Art. 186. <Zie nota's onder TITEL> Onder "gesloten lokalen van de elektriciteitsdienst" verstaat men die lokalen waar enkel de personen mogen intreden belast met de bediening, de bewaking, het onderhoud of de herstelling van de daarin geplaatste werktuigen.
Onder "gewone lokalen van de elektriciteitsdienst" verstaat men de lokalen speciaal bestemd tot de werking der elektrische machines of toestellen, voor zover het intreden, in die lokalen verboden is voor personen, die niet op de hoogte zijn van de gevaren van de elektriciteit.
Onder "bewaakte lokalen" verstaat men de nijverheids- of handelslokalen waar ook personen mogen binnengaan die niet op de hoogte zijn van de gevaren van elektriciteit op voorwaarde dat zij er wegens hun dienst geroepen zijn.
Al de andere lokalen worden in dit reglement "open lokalen" genoemd.

Onbrandbare stoffen.

Art. 187. <Zie nota's onder TITEL> Worden onbrandbare stoffen genoemd, die welke in normale gebruiksvoorwaarden niet kunnen worden ontvlamd, noch verbrand.
(Aarding.) <KB 26-02-1971, art. 1>

Art. 188. <Zie nota's onder TITEL> <KB 26-02-1971, art. 1> § 1. Onder aarding wordt verstaan een blijvende, goed geleide verbinding met de aarde, bestaande uit een geleider, die op doelmatige en duurzame wijze, zonder tussenplaatsing van een smeltzekerheid of schakelaar, verbonden is met een of meer metalen stukken die met de aarde een voldoend ontwikkelde contactoppervlakte vormen.
§ 2. De aardverbinding, bestaande uit de gezamenlijke metalen stukken in contact met de aarde, moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
1° de minimumcontactoppervlakte met de grond bedraagt 0,5 m2;
2° de aarde van de electroden moet zodanig gekozen zijn dat ze weerstaan aan de door de bodem veroorzaakte corrosie;
3° de verspreidingsweerstand van de aarde bedraagt ten hoogste 10 ohm.
§ 3. De in voorgaande paragraaf vermelde contactoppervlakte mag van 0,5 m2 op 0,125 m2 gebracht worden, wanneer metalen electroden onder de vorm van met kracht in de aarde gedreven palen of buizen worden gebruikt.
§ 4. Wanneer de voorwaarde 3° van § 2 niet kan worden nageleefd om reden van de grote weerstand van de aarde, dan moet de contactoppervlakte met de aarde ten minste verdubbeld worden door toevoeging van een tweede aardverbindingsinrichting, die zich op een voldoende afstand van de eerste bevindt.
Deze vereiste mag in de laagspanningsinstallaties door de volgende vervangen worden: de installatie is beschermd door een automatische aardstroomschakelaar met differentiële inrichting van hoge gevoeligheid (nominale uitschakelstroom kleiner dan of gelijk aan 30 mA); deze automatische stroomschakelaar mag eveneens vervangen worden door een gelijkaardige minder gevoelige stroomschakelaar, op voorwaarde dat het produkt van zijn nominale uitschakelstroom met de aardingsweerstand van de te beschermen toestellen 50 V niet overtreft in de droge en niet geleidende plaatsen en 24 V in de vochtige of geleidende plaatsen.
§ 5. Een aardverbinding wordt "beveiligingsaardverbinding" genoemd, wanneer deze door middel van een aardgeleider verbonden is met de massa's, omhulsels en andere metalen onderdelen, waarvoor de aarding is voorgeschreven bij deze afdeling, alsmede met de secundaire ketens en nulpunten van de meettransformatoren.
§ 6. Een aardverbinding wordt "exploitatieaardverbinding" genoemd, wanneer ze bestemd is voor de aarding van het nulpunt van de vermogentransformatoren, overspanningsafleiders of bliksemafleiders.
§ 7. De ondergrondse metalen buizen van een privaat waterdistributienet, alsmede de grote metalen geraamten die in verbinding staan met de aarde mogen als beveiligingsaardverbinding worden gebruikt voor de wisselstroominstallaties met lage of gemiddelde spanning, niettegenstaande de bepalingen van § 2.
§ 8. De beveiligings- en de exploitatieaardverbindingen moet gescheiden zijn; ze mogen nochtans samen aangesloten worden wanneer de verspreidingsweerstand van de aardverbinding ten hoogste 1 ohm bedraagt.
§ 9. Het is eveneens verplicht afzonderlijke beveiligingsaardverbindingen in te richten voor installaties of gedeelten van installaties met lage of gemiddelde spanning enerzijds, en hoge spanning anderzijds; een enkele aardverbinding mag nochtans gebruikt worden wanneer de verspreidingsweerstand van de aardverbinding minder bedraagt dan 10 ohm.
§ 10. De ontladingslampen van alle categorieën, alsmede alle andere gebruikstoestellen die gevoed worden door een laagspanningsnet zijn gelijkgesteld met laagspanningsinstallaties, wat hun aarding betreft.
§ 11. De aardgeleider heeft een doorsnede van ten minste 16 mm2 wanneer hij dienst doet als beveiligingsgeleider van een hoogspanningsinstallatie of wanneer hij bestemd is om het nulpunt van de laagspanning van een vermogentransformator te aarden.
§ 12. Bij de hoogspanningsborden mag de massa der meettransformatoren nochtans met de hoofdaardgeleider verbonden worden door middel van een verbinding waarvan de doorsnede ten minste gelijk is aan die van de geleider die de energie naar de spanningsreductors toevoert, of aan die van de laagspanningsgeleider voor de intensiteitsreductors, zonder dat die doorsnede minder dan 6 mm2 is noch groter moet zijn dan 16 mm2.
§ 13. Anderzijds is de doorsnede van de aardgeleider voor de aarding van de secundaire ketens van de meettransformatoren ten minste gelijk aan de doorsnede van de secundaire wikkeling, zonder dat zij kleiner dan 2,5 mm2 mag zijn.
§ 14. Bij de elektrische installaties van lage of gemiddelde spanning wordt de minimumdoorsnede aangeduid in de hieronderstaande tabel:
Doorsnede van fasegeleiders die de toestellen voeden:
S (mm2)
S < of = 16
16 < S < of = 35
S > 35
Minimumdoorsnede van de aardgeleider: Sp (mm2) (Die doorsneden zijn die welke toegelaten zijn voor de koperen geleiders. Voor de geleiders die uit een ander metaal zijn samengesteld, worden de doorsneden zodanig bepaald dat een gelijkwaardige geleidbaarheid wordt bekomen als die welke voortvloeit uit de toepassing van de tabel. De aardgeleiders zijn uit hetzelfde metaal samengesteld als de aktieve geleiders).
Sp = S (Indien de aardgeleider geen deel uitmaakt van de voedingsleiding (buis of kabel), dan is Sp ten minste gelijk aan 2,5 m2, wanneer de aardgeleider voorzien is van een mechanische bescherming, en aan 4 mm2, indien die mechanische bescherming ontbreekt).
Sp = 16 mm2
Sp = S/2 (Sp mag de genormaliseerde doorsnede zijn die onmiddellijk onder S/2 gelegen is).
§ 15. De aarding van andere metalen stukken zoals stutten of leuningen wordt verwezenlijkt door middel van een koperen aardgeleider met een minimumdoorsnede van 2,5 mm2, wanneer hij voorzien is van een mechanische bescherming, of van 4 mm2, indien deze mechanische bescherming ontbreekt.
§ 16. De aardgeleiders mogen dezelfde leidingen gebruiken als de energiegeleiders die een elektrische installatie of een elektrisch toestel voeden.
§ 17. De geisoleerde aardgeleiders die wel of niet deel uitmaken van een voedingsleiding van een toestel zijn gekenmerkt door de groen-gele kleurencombinatie; deze kleurencombinatie moet uitsluitend gebruikt worden voor de aarding.
§ 18. De kopermantel van de leidingen met minerale isolatie en de koperen draden die langs de pantsering van sommige kabels lopen mogen eveneens als aardgeleider gebruikt worden op voorwaarde dat ze de in de tabel van § 14 opgelegde doorsneden hebben.
§ 19. De hieronder vermelde bepalingen moeten niet nageleefd worden in de elektrische installaties die vóór 1 januari 1972 in dienst zijn gesteld:
- de voorwaarde 3 van § 2, indien de bepalingen van § 3, niet ingeroepen worden.
- de § 8;
- de waarden bepaald in de tabel van § 14 voor de doorsneden van de aardgeleider, wanneer de opgelegde doorsneden groter zijn dan 6 mm2; in die gevallen moet de doorsnede van de aardgeleider ten minste gelijk zijn aan 6 mm2;
- § 17 betreffende de kleuren van de aardgeleiders.
Zij zijn echter wel van toepassing op de wijzigingen en uitbreidingen, die gebeuren na 1 januari 1972, aan installaties die voor deze datum in dienst zijn gesteld.

Onder spanning staande genaakbare geleiders en toestellen.

Art. 189. <Zie nota's onder TITEL> Worden aangezien als genaakbaar, al de geleiders en toestellen die, zonder speciale middelen, kunnen worden aangeraakt van op de grond, van op de daken, balkons, vensters, vervoermiddelen, werkvloeren, dienstbruggetjes en andere plaatsen, waar personen kunnen werken, verblijven of voorbijgaan.

Geisoleerde, blanke, beschermde, ingesloten of gepantserde stukken.

Art. 190. <Zie nota's onder TITEL> "Geisoleerd" worden genoemd de delen onder spanning die helemaal omgeven zijn met een vast of vloeibaar diëlectricum dat een isoleringsvermogen biedt dat past bij de te voorziene maximum bedrijfsspanning.
"Blank" worden genoemd de delen onder spanning die aan deze voorwaarde niet voldoen.
"Beschermd" worden genoemd de blanke of geisoleerde delen onder spanning die, op bestendige wijze, tegen toevallige aanraking beschut zijn door een metalen of ander omhulsel, of dit vol weze of niet.
("Ingesloten") worden genoemd de blanke of geisoleerde delen onder spanning die op bestendige wijze, tegen toevallige aanraking beschut zijn door een, al dan niet vol, geaard metalen omhulsel.
"Gepantserd" worden genoemd de blanke of geisoleerde delen onder spanning die tegen elke aanraking beschut zijn door een vol, onvervormbaar, geaard metalen omhulsel.
B. Gevaar voor aanraking.
De voorschriften van de artikels 191, 192, 193, 194 zijn samengevat in de onderstaande tabel: <Niet opgenomen>

Open lokalen.

Art. 191. <Zie nota's onder TITEL> In de open lokalen worden:
a) de genaakbare blanke delen onder laagspanning beschermd;
b) de genaakbare of ongenaakbare blanke delen onder hoge of gemiddelde spanning gepantserd;
c) de genaakbare geisoleerde delen onder gemiddelde spanning beschermd en de genaakbare geisoleerde delen onder hoge spanning gepantserd;
d) de ongenaakbare geisoleerde delen onder hoge spanning ingesloten.

Bewaakte lokalen.

Art. 192. <Zie nota's onder TITEL> In de bewaakte lokalen worden:
a) de genaakbare blanke delen onder lage of gemiddelde spanning beschermd;
b) de genaakbare of ongenaakbare blanke delen onder hoogspanning gepantserd;
c) de genaakbare geisoleerde delen onder gemiddelde spanning toegelaten, op voorwaarde de afstanden te eerbiedigen voorzien onder a) van artikel 193 voor de blanke laagspanningsdelen; die afstanden moeten niet in acht genomen worden wanneer de delen beschermd zijn;
d) de genaakbare geisoleerde hoogspanningsdelen ingesloten.

Gewone lokalen van de elektriciteitsdienst.

Art. 193. <Zie nota's onder TITEL> In de gewone lokalen van de elektriciteitsdienst:
a) mogen de delen onder lage of gemiddelde spanning blank blijven, op voorwaarde dat ze, in hun ongunstigste stand, nog ten minste 2m50 hoger liggen dan de vloeren waarop het verkeer plaats heeft. Ze mogen eveneens blank blijven, op welke hoogte boven de vloer ze ook liggen, indien de verkeersdoorgangen een horizontaal gemeten afstand bieden van ten minste:
0m75 tussen blanke laagspanningsdelen in hun ongunstigste stand en de tegenoverstaande wand;
1m25 tussen blanke delen onder gemiddelde spanning, in hun ongunstigste stand en de tegenoverstaande wand;
1m25 tussen blanke laagspanningsdelen, in hun ongunstigste stand, aan weerskanten van een doorgang;
2m00 tussen blanke delen onder gemiddelde spanning en blanke delen onder laagspanning, in hun ongunstigste stand, aan weerskanten van een doorgang;
2m50 tussen blanke delen onder gemiddelde spanning, in hun ongunstigste stand, aan weerskanten van een doorgang.
Die afstanden moeten niet in acht genomen worden indien de delen beschermd zijn;
b) worden de blanke hoogspanningsdelen ingesloten;
c) worden de genaakbare geisoleerde delen onder gemiddelde spanning toegelaten, op voorwaarde daarbij de afstanden in acht te nemen voorzien onder a) voor de blanke laagspanningsdelen; die afstanden moeten niet geëerbiedigd worden indien de delen beschermd zijn;
d) worden de genaakbare geisoleerde hoogspanningsdelen ingesloten.

Gesloten lokalen van de elektriciteitsdienst.

Art. 194. <Zie nota's onder TITEL> In de gesloten lokalen van de elektriciteitsdienst:
a) mogen de delen met lage of gemiddelde spanning blank blijven, op voorwaarde dat ze, in hun ongunstigste stand ten minste 2 meter hoger liggen dan de vloeren waarop het verkeer plaats heeft; die afstanden moeten niet geëerbiedigd worden zo de stukken beschermd zijn;
b) mogen de hoogspanningsdelen blank blijven, op voorwaarde dat ze, in hun ongunstigste stand, ten minste 2m50 hoger liggen dan de vloeren waarop het verkeer plaats heeft; die hoogte wordt met 1 centimeter vermeerderd voor elke kilovolt boven 20 kilovolt van de nominale bedrijfsspanning tussen phasen; die afstanden moeten niet geëerbiedigd worden indien de delen ingesloten zijn ;
c) mogen de delen onder lage, gemiddelde of hoge spanning, eveneens blank blijven, indien de verkeersdoorgangen een horizontaal gemeten afstand bieden van minstens:
0m70 tussen blanke laagspanningsdelen, in hun ongunstigste stand, en de tegenoverstaande wand;
1m20 tussen blanke delen onder gemiddelde spanning, in hun ongunstigste stand, en de tegenovergestelde wand;
1m50 tussen blanke hoogspanningsdelen, in hun ongunstigste stand, en de tegenoverstaande wand;
1m00 tussen blanke laagspanningsdelen, in hun ongunstigste stand, aan weerskanten van een doorgang;
1m50 tussen blanke laagspanningsdelen en blanke delen onder gemiddelde spanning, in hun ongunstigste stand, aan weerskanten van een doorgang;
2m00 tussen blanke laagspanningsdelen en blanke hoogspanningsdelen, in hun ongunstigste stand, aan weerskanten van een doorgang;
2m00 tussen blanke delen met gemiddelde spanning, in hun ongunstigste stand, aan weerskanten van een doorgang;
2m25 tussen blanke delen met gemiddelde spanning en blanke hoogspanningsdelen, in hun ongunstigste stand, aan weerszijden van een doorgang;
2m50 tussen blanke hoogspanningsdelen, in hun ongunstigste stand, aan weerszijden van een doorgang.
Die afstanden moeten niet geëerbiedigd worden indien de delen met lage of gemiddelde spanning beschermd zijn en indien de hoogspanningsdelen ingesloten zijn;
d) zijn de genaakbare geisoleerde hoogspanningsdelen toegelaten, op voorwaarde dat de afstanden geëerbiedigd worden, voorzien onder c) voor de blanke delen onder gemiddelde spanning; die afstanden moeten niet in acht genomen worden, indien die delen ingesloten zijn;
e) moeten de blanke delen onder spanning zich niet op de in de voorgaande alinea's voorziene afstanden bevinden, indien ze beschermd zijn (bijvoorbeeld door traliewerk, cellen met deuren, enz.).
De hoogte van het traliewerk of der sluitingsdeuren van de cellen mag niet minder zijn dan 1m50 boven de vloer dienende tot het verkeer.
Tussen een gesloten cel en de tegenovergelegen wand is de vrije doorgangbreedte minstens 0m75. Die breedte wordt op minstens 1 meter gebracht, wanneer de gesloten cellen aan weerskanten van de doorgang zijn aangebracht.

Inrichting en verlichting der gewone en der gesloten lokalen van de elektriciteitsdienst.

Art. 195. <Zie nota's onder TITEL> De gewone en de gesloten lokalen van de elektriciteitsdienst worden in dier voege ingericht en verlicht dat het mogelijk is er heen en weer te gaan en er de dienst te verzekeren, zonder zich bloot te stellen aan toevallig contact met onder spanning staande delen.
Enkel de onvermijdelijke water-, gas-, ventilatie- en verwarmingsleidingen worden in de gesloten lokalen van de elektriciteitsdienst die hoogspanningstoestellen bevatten toegelaten.

Aardverbinding.

Art. 196. <Zie nota's onder TITEL> <KB 26-02-1971, art. 2> In de laag-, middel- of hoogspanningsinstallaties, zijn alle metalen stukken die deel uitmaken van elektrische machines, lijnen of toestellen, hetzij als geraamte, hetzij als beschuttende bekleding of nog als stutten en als leuningen, met de aarde verbonden, volgens de voorwaarden vermeld in artikel 188, wanneer ze niet bestemd zijn om normaal onder spanning te staan.
Deze bepaling is niet van toepassing:
1. op de vaste toestellen en op de beweegbare toestellen met vaste standplaats voor huishoudelijk gebruik die met laagspanning gevoed worden, opgesteld in droge niet geleidende plaatsen, wanneer zij zich bevinden op meer dan 1,25 m van elk geleidend element waarvan men niet met zekerheid weet dat het van de aarde geisoleerd is;
2. op de metalen delen van de verlichtingstoestellen met gloeilampen of op de installaties van ontladingslampen van categorie A, voor zover zij normaal niet toegankelijk zijn:
3. op sommige toestellen of onderdelen, vermeld in deze afdeling, waarvoor de aarding niet verplicht is;
4. op de metalen gedeelten van de steunen van de bovengrondse laagspanningslijnen.
5. op sommige toestellen waarvan de goede werking niet samengaat met hun aarding, voor zover maatregelen genomen zijn om te voorkomen dat gevaarlijke spanningen bij aanraking kunnen ontstaan.
De aarding der metalen delen van de draagstangen der ontladingslampen is niet vereist indien de lampen niet op een metalen onderstel geplaatst zijn en de draagstangen rechtstreeks bevestigd zijn op voor de elektriciteit slecht geleidende stoffen zoals metselwerk, beton of gelijkaardig materiaal.
Door draagstangen verstaat men de stangen of ringen die de lampen of buizen vasthouden, andere dan deze die de stukken houden dienende tot de voeding van de lampen.
Bij de installaties onder lage of gemiddelde spanning, is het niet nodig een bijzondere aarddraad te gebruiken, zoals bepaald in artikel 188, indien die metalen delen, zonder tussenplaatsing van isoleermateriaal, bevestigd zijn op metalen geraamten die zelf geaard zijn of uit zichzelf een goed geleidingsvermogen met de aarde hebben.
C. Verhittingsgevaar.

Doorsnede van de geleiders.

Art. 197. <Zie nota's onder TITEL> De doorsnede van de elektrische geleiders is zo dat de maximumstroom, voorzien in normaalbedrijf, in bedoelde geleiders nooit een temperatuurverhoging veroorzaken kan die gevaarlijk is voor de bewaring hunner isoleringen of voor welke stoffen ook die zich in hun nabijheid bevinden.
De keuze van de afmetingen en het plaatsen van deze geleiders zal zo gebeuren dat ze steeds een voldoende mechanische weerstand behouden, de belastingen waaraan ze onderhevig zijn in aanmerking genomen.

Automatische schakelaars en smeltzekeringen.

Art. 198. <Zie nota's onder TITEL> De elektrische lijnen alsmede al de stroomkringen van de machines en transformatoren of andere ontvangtoestellen dienen verplichtend beschermd tegen een abnormale verhoging van de stroom door middel van automatische schakelaars of door smeltzekeringen.
Dit voorschrift is niet toepasselijk:
a) op de opwekkingsstroomketens van de generators en motoren;
b) op de stroomketens van de rotors der wisselstroommotoren;
c) op de neutraalgeleider in de stelsels waar zulke geleider aanwezig is;
d) op de wisselstroomdynamo's beschermd tegen gevaarlijke stroomverhogingen door middel van bijzondere constructieschikkingen of door speciale toestellen.
D. Toegelaten spanningen binnen open lokalen en bewaakte lokalen.

Art. 199. <Zie nota's onder TITEL> 1° (Binnen de open en de bewaakte lokalen is alleen de laagspanning toegelaten voor de voeding van de stroomketens voor verlichting, verwarming, drijfkracht en de in artikel 216 bedoelde draagbare toestellen.
De gemiddelde en hoge spanning zijn toegelaten aan de klemmen van de ontladingslampen; de hulptoestellen van deze lampen echter, die ook de transformatoren omvatten, moeten door laagspanning gevoed worden.
2° Nochtans is, binnen de bewaakte lokalen, de gemiddelde spanning toegelaten voor de voeding van vaste nijverheidstoestellen en van niet draagbare beweegbare toestellen.) <KB 11-12-1958, art. 3>
3° (De hoogspanning mag eveneens in de bewaakte lokalen worden toegelaten voor de voeding van de elektromotoren en de vermogentransformaten, alsmede aan de klemmen van de elektrische generatoren, onder voorbehoud van de naleving van de volgende voorwaarden:
1. De voedingsspanning tussen de fazen mag niet meer dan 20 000 volt bedragen.
2. De minimumbeschermingswijze van de motoren en generatoren bedraagt P 3x volgens de norm NBN 197.
3. De motoren of generatoren zijn van op een afstand bediend, zoniet mogen het in werking brengen en het stilleggen van de machines slechts toevertrouwd worden aan gevolmachtigde personen, met de nodige bevoegdheid.
4. Berichten die in de nabijheid van de bedieningsplaatsen zijn uitgehangen houden het verbod in de bediening door onbevoegde personen te laten uitvoeren.
De hoogspanning is bovendien toegelaten in de bewaakte lokalen waar verf of enige andere bedekking wordt aangebracht door middel van elektrostatische procédés. De gebruikte installaties moeten in dit geval aan de volgende voorwaarden voldoen:
1. Indien het een automatische installatie betreft:
a) is de kortsluitingsstroom van de generator beperkt tot 4 mA;
b) bevinden de toestellen zich in een gesloten lokaal met doeltreffende verluchting;
c) mag de installatie slechts onder spanning staan wanneer de verluchting verzekerd is en de deur van het lokaal gesloten is; de spanning wordt bij het ontstaan van een vonk onmiddellijk onderbroken.
2. Indien het een installatie betreft met een pistool dat met de hand wordt bediend:
a) is de kortsluitingsstroom van de generator beperkt tot 0,7 mA;
b) mag de door de generator geleverde energie 300 mJ niet overtreffen;
c) mag de energie die door de elektroden van het pistool geleverd wordt 0,25 mJ niet overtreffen. De spanning van de elektroden moet nul benaderen wanneer ze bij een geaard voorwerk worden gebracht en moet deze grens bereiken van zodra de equipotentiële verbinding met de aarde verwezenlijkt is;
d) is het handvat van het toestel voorzien van een schakelaar om de elektroden onder spanning te brengen; dit handvat moet uit metaal zijn en geaard.) <KB 26-2-1971, art. 3>
E. Isolering van laagspanningsbinneninstallaties.

Art. 200. <Zie nota's onder TITEL> De totale isoleerweerstand van een laagspanningsinstallatie, ten opzichte van de aarde, dient te allen tijde 25.000 ohms te overtreffen, zonder dat de weerstand van iedere stroomkring, in ohms uitgedrukt, minder mag zijn dan duizendmaal de spanning tussen de geleiders van het net uitgedrukt in volt ((220 volt): 220.000 ohm). Uitzondering wordt gemaakt voor de voedingsstroomkringen aangebracht in badkamers en stortbadzalen, in vochtige, natte of door geleidende vochten doordrongen lokalen of waarin zich bijtende dampen ontwikkelen die in de hiernavermelde artikelen 248, 249 en 250 worden bepaald. Die stroomkringen mogen worden uitgeschakeld op het ogenblik van het meten van de totale isolatieweerstand der installatie; nochtans mag de isolatieweerstand van ieder dezer stroomkringen niet minder dan 25.000 ohm bedragen. <KB 10-06-1952, art. 14 en bijl.>
Het meten van de isolatieweerstand geschiedt minstens onder bedrijfsspanning en met een minimum van 100 volt.
F. Isolering van laagspanningsbuiteninstallaties.

Art. 201. <Zie nota's onder TITEL> De voorschriften van artikel 200 betreffende de voedingsstroomkringen aangebracht in vochtige of natte lokalen zijn ook toepasselijk op laagspanningsbuiteninstallaties.
II. Generators, motors en transformators.

Bescherming tegen contact en verhittingsgevaar.

Plaats waar de machines dienen opgesteld.

Art. 202. <Zie nota's onder TITEL> De generators, transformators en motors, alsmede hun toebehoren, dienen in dier voege aangebracht en in stand gehouden, dat ze op een voldoende afstand van alle brand- en ontplofbare stoffen verwijderd zijn ten einde brand- en ontploffingsgevaar te voorkomen, zelfs bij toevallige verhitting of nog een abnormale vonkenvoortbrengst.

Statische transformators onder hoogspanning of gemiddelde spanning.

Art. 203. <Zie nota's onder TITEL> De statische transformators onder hoogspanning of onder gemiddelde spanning, met uitzondering van de meettransformators, zijn voorzien van een met de aarde verbonden metalen bekleding.
De secundaire ketens van de transformators der meettoestellen worden geaard. Ingeval echter die transformators relais voeden, moeten de secundaire ketens niet noodzakelijk rechtstreeks met de aarde verbonden worden, indien die secundaire ketens van overspanningsveiligheden voorzien zijn.
De aansluitingen met elke hoogspannings- of gemiddeldespanningstransformator zijn voorzien van de uitschakelingstoestellen nodig voor het verbreken op een zichtbare wijze, zowel van de primaire als van de secundaire ketens. Dit voorschrift geldt niet:
a) voor de transformator die een groep vormt met een andere machine. In dat geval mogen de uitschakelingstoestellen tussen de transformator en de machine waarmede hij een groep vormt, wegvallen;
b) voor de transformators der meettoestellen;
c) (voor de secundaire stroomketen van de transformatoren tot voeding der ontladingslampen en van de transformatoren met een vermogen van maximum 500 VA.) <KB 11-12-1958, art. 5>
Bij transformators die parallel moeten werken en waarvan de laagspanningnulleiders onderling verbonden en niet geaard zijn, moeten de uitschakelaars tegelijk de nulleiding en de phasen verbreken.
III. Toestellen.
A. Schakelborden.

Algemene bepalingen.

Art. 204. <Zie nota's onder TITEL> De dwarsstang tot verbinding van de messen der schakelaars welke vooraan op het schakelbord zijn geplaatst, wordt uitsluitend uit een isolerende stof vervaardigd.

Minimumafstand in de lucht tussen de oppervlakten van blanke delen onder hoogspanningswisselstroom, of tussen die oppervlakken en de massa (Is niet van toepassing op de blanke delen der gepantserde toestellen).

Art. 205. <Zie nota's onder TITEL> In de gesloten lokalen van de elektriciteitsdienst, die tegen weersinvloeden beschut zijn, bedraagt de voorgeschreven afstand in de lucht de vlakken van blanke delen onder hoge wisselspanning of tussen die vlakken en de massa ten minste 50 millimeter. Hij wordt vermeerderd met 6,75 millimeter per kilovolt of breuk van kilovolt van de nominale bedrijfsspanning tussen phasen. Nochtans is deze regel slechts toepasselijk tot aan de spanning van 100 kilovolt. (De aldus berekende afstand moet eventueel verhoogd worden om met de bijzondere omstandigheden der installaties rekening te houden)
Over het algemeen wordt de nominale bedrijfsspanning tussen phasen vastgesteld naar de aanduidingen van de in artikel 255 omschreven herkomstplaten der generators, der motoren en der transformators. Bij een eenvoudige groepschakelpost wordt die spanning vastgesteld naar de aanduidingen van de herkomstplaten van de naastbij gelegen transformatiepost.
De minimum-afstand wordt voorgeschreven:
a) tussen de oppervlakken der blanke delen onder spanning en de massa;
b) tussen de oppervlakken der blanke delen onder spanning, die tot verschillende phasen behoren;
c) tussen de oppervlakken der blanke delen van een zelfde phase die in open stand gescheiden zijn.
Aan de bevestingspunten wordt de afstand in de lucht gemeten volgens de kortste weg, om de isolatoren heen.
Voormelde minimum-afstand tussen de oppervlakken der blanke delen onder spanning en de massa mag met 20 t.h. verminderd worden, in de volgende gevallen:
a) wanneer de uitrusting der borden verbonden is met een bovengrondse lijn of een bovengronds net, waarvan de nominale bedrijfsspanning tussen phasen groter is dan 50 kilovolt en waarvan het nulpunt rechtstreeks en op bestendige wijze geaard is;
b) wanneer de uitrusting der borden verbonden is met een kabel of met een net van ondergrondse kabels, waarvan de nominale spanning tussen phasen groter is dan 25 kilovolt.

Materialen.

Art. 206. <Zie nota's onder TITEL> De panelen, lessenaars of andere draaginrichtingen, waarop de toestellen voor bedienings-, voorzienings-, veiligheids- of meetdoeleinden bevestigd zijn, moeten uit onbrandbaar materiaal vervaardigd zijn. Het is evenwel toegelaten hout te gebruiken voor het vervaardigen der bedieningsstangen, isoleerstoeltjes, telefoontoestellen en voor dragers van elementen en accumulatoren.
De gesloten lokalen van de elektriciteitsdienst waarin de toestellen onder hoge of onder gemiddelde spanning geborgen worden, moeten met onbrandbare materialen gebouwd worden; het is nochtans toegelaten, bij het bouwen van die lokalen, hout te gebruiken voor de vloeren, deuren, vensters en daken.
Het is verboden in de nabijheid der borden voor hoge of gemiddelde spanning enige opslag van brandbare stoffen aan te leggen.

Verbindingen.

Art. 207. <Zie nota's onder TITEL> De schakelborden worden in dier voege aangebracht, dat de verbindingen der geleiders onderling en met de toestellen gemakkelijk kunnen worden nagezien.
De bedrijfsspanning wordt op zichtbare wijze vermeld.
Door middel van duurzame aanwijsplaten worden de hoofdstroomkringen nauwkeurig aangeduid.
B. Stroomafneming.

Art. 208. <Zie nota's onder TITEL> In geval van hoogspanning belet een meerpolige schakelaar automatisch, de contactstop onder stroom in te steken of uit te trekken.
Bij installaties onder gemiddelde spanning moet er een meerpolige uitschakelaar zijn om, tijdens het insteken of uittrekken van de contactstop, de contactbuisjes buiten spanning te kunnen stellen.
Dit voorschrift is echter niet van toepassing op de contacten en stoppen voor synchronisatie van voltmeters of meettoestellen.
C. Schakelaars, commutators.

Bouw.

Art. 209. <Zie nota's onder TITEL> De platen- en voetstukken van de schakelaars en commutators bestaan uit isolerend, ontbrandbaar en niet-hygroscopisch materiaal. De schakelaars en de commutators snijden in dier voege de stroom af, dat de verbreking onder bedrijfsspanning verkregen wordt zonder een blijvende lichtboog te verwekken.

Schakelaars.

Art. 210. <Zie nota's onder TITEL> Over het algemeen zijn de schakelaars meerpolig; nochtans is het toegelaten eenpolige schakelaars te gebruiken:
a) bij laagspanningsstroomkringen, die uitsluitend verlichtings-, verwarmings- of huisdrijfkrachttoestellen voeden;
b) in stroomkringen voor toevoer naar de voedingskabels voor elektrische gelijkstroomstractie, welke door middel van een met de aarde verbonden pool werkt.
(Het gebruik van meerpolige schakelaars is evenwel verplicht in de laagspanningsstroomketens die dienen tot de voeding der spanningsopvoeringstransformatoren van de installaties van ontladingslampen van de bij artikel 247 bepaalde categorieën B en C.) <KB 11-12-1958, art. 6>

Uitschakeling van neutrale geleiders en van aardleidingen.

Art. 211. <Zie nota's onder TITEL> Buiten de lokalen van de elektriciteitsdienst, moeten de neutrale leidingen en de aardleidingen niet gemakkelijk kunnen worden uitgeschakeld ofwel mogen ze slechts gelijktijdig met de andere leidingen kunnen worden uitgeschakeld.

Reglementaire aanduidingen.

Art. 212. <Zie nota's onder TITEL> De hoogspannings- of gemiddelde spanningsschakelaars en commutators zijn voorzien van een toestel, dat duidelijk aanduidt of ze zich in de stand van inschakeling of van verbreking van de stroom bevinden.
De nominale waarden van de spanning en van de stroom waarvoor die toestellen berekend zijn, worden op de schakelaars en commutators vermeld.
D. Smeltzekeringen.

Werkingsvoorwaarden.

Art. 213. <Zie nota's onder TITEL> De werking van de smeltzekeringen moet geschieden onder bedrijfspanning, zonder gevaarlijke vonkspatting, noch voortbrenging van een blijvende lichtboog, onder een stroom, waarvan de sterkte het dubbel van de nominale stroomsterkte niet overtreft. De nominale waarde van de stroomsterkte wordt op elke smeltzekering vermeld.
IV. Ontladingslampen, licht-, verwarmings- en drijfkrachttoestellen. <KB 11-12-1958, art. 4>

Hangtoestellen.

Art. 214. <Zie nota's onder TITEL> Wanneer de leidingen terzelfdertijd dienen als hangdraad, mogen de aansluitpunten met de lampen, lantaarnen of plafondrozetten aan geen trekkracht blootgesteld zijn.
De opgehangen lichttoestellen worden in dier voege geplaatst, dat de stroomgeleiders niet kunnen beschadigd worden noch door draaiing, noch door enige andere verplaatsing van die toestellen.

Gebruik van sommige lamphouders met Edison-schroefdraad.

Art. 214bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 25-01-1968, art. 1> De lamphouders met Edison-schroefdraad van de types E 14 en E 27 die in gebruik worden gesteld vanaf 1 maart 1969 moeten van een model of van een type zijn dat goedgekeurd is door de Minister van Economische Zaken overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 13 december 1967 tot vaststelling van de veiligheidswaarborgen welke de lamphouders met Edison-schroefdraad moeten bieden en moeten, op een zichtbare zijde, de voorgeschreven aanduidingen dragen.
Dit artikel is echter niet van toepassing op de lamphouders voor bijzondere doeleinden, bijvoorbeeld voor kerstboomverlichting, lichtreclames, toneel- en illuminatieverlichting en op de bijzondere lamphouders voor verwarmingstoestellen, enz.
Een lamphouder die uit het armatuur genomen niet meer als lamphouder bruikbaar is wordt niet geacht onder het toepassingsgebied van dit artikel te vallen.

Verbod van verlichting met lampen aangebracht op stroomkringen met hoogspanning of gemiddelde spanning.

Art. 215. <Zie nota's onder TITEL> <KB 11-12-1958, art. 7> In de lokalen van alle categorieën is het verboden verlichtingstoestellen en installaties van ontladingslampen te plaatsen op stroomketens van gemiddelde of hoge spanning. Zijn nochtans toegelaten:
a) de spanningsverkliklampen. Deze lampen dienen onttrokken te zijn aan elke toevallige aanraking;
b) de installaties van ontladingslampen die beantwoorden aan de voorschriften van deze afdeling.

Draag- en beweegbare toestellen gevoed door soepele geleiders.

Art. 216. <Zie nota's onder TITEL> Een door een soepele leiding gevoed toestel wordt aangezien als draagbaar, wanneer het, voorzien van zijn elektrische uitrusting, in de hand gehouden wordt of kan worden, terwijl het werkt. (Voorbeeld: handlamp, schuiflamp, draagbare boormachine)
In tegenovergesteld geval wordt het aangezien als beweegbaar.
Men onderscheidt twee soorten van beweegbare toestellen:
a) die welke, terwijl ze worden verplaatst, onder spanning zijn of kunnen zijn; (Voorbeeld: boormachine op slede)
b) die welke, terwijl ze worden verplaatst, niet onder spanning kunnen zijn. (Voorbeeld: railfrees)
In alle gevallen geschiedt het inleiden van de soepele geleiders door middel van een isolerende nippel in dier voege, dat er voor het beschadigen van die geleiders geen vrees bestaat.
In alle lokalen worden de draagbare en beweegbare toestellen beschreven onder littera a) beschermd.
De beweegbare toestellen beschreven onder littera b) zijn onderworpen aan de regelen voor de vaststaande toestellen voorzien in de artikelen 191, 192, 193 en 194.
(Voor alle gebruik is de massa van de beweegbare en draagbare toestellen en hun metalen beschermingsbekleding met de aarde verbonden; met dit doel omvat de verplaatsbare leiding een speciale geleider die met de aarde verbonden is en waarvan de doorsnede vastgesteld is in artikel 188.
Uitzondering op deze laatste regel mag worden gemaakt voor de loopbanen en de draagbare toestellen voor huishoudelijk gebruik alsook voor de draagbare werktuigen met elektromotoren van de klasse II die beantwoorden aan de veiligheidsvoorschriften van de norm NBN 605. Nochtans zijn de lampen en toestellen beschermd.) <KB 26-02-1971, art. 4>
Het is verboden draagbare toestellen en de beweegbare toestellen van een stopcontact (wandtype) te voorzien; ze moeten ofwel een steker hebben, ofwel uitgerust zijn met een soepele geleider, waaraan zich op het einde een steker bevindt.
(Met uitzondering van de snoeren die er vast aan verbonden zijn en in dit geval niet voorzien zijn van een niet-demonteerbare contactstop of enig ander niet-demonteerbaar aansluitsysteem, moeten de snoeren met aderisolatie van rubber of van polyvinylchloride welke dienen om draag- en beweegbare toestellen te voeden en in gebruik worden gesteld vanaf 1 maart 1969 van een type zijn dat goedgekeurd is door de Minister van Economische Zaken en een aanduiding dragen om melding te maken van deze goedkeuring, overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 13 december 1967 tot vaststelling van de veiligheidswaarborgen welke de snoeren met aderisolatie van rubber of met aderisolatie van polyvinylchloride moeten bieden.) <KB 25-01-1968, art. 2>

Brandgevaar.

Art. 217. <Zie nota's onder TITEL> Al de onder spanning staande delen van de verlichtings- en verwarmingstoestellen dienen aangebracht op voetstukken van onbrandbaar en niet-hygroscopisch isoleermateriaal.
Geschikte inrichtingen verhinderen het vallen van witgloeiende stukjes van de koolspitsen.
V. Accumulatoren (nijverheidsbatterijen).

Lokalen.

Art. 218. <Zie nota's onder TITEL> De vaststaande accumulatorbatterijen worden enkel in zulke lokalen van de elektriciteitsdienst geplaatst, die voortdurend en doelmatig worden geventileerd. De vloer van die lokalen bestaat uit ondoordringbare en door electrolyten onaantastbare materialen.

Plaatsing van de batterijen.

Art. 219. <Zie nota's onder TITEL> De elementen van de batterijen worden van hun draagstellen geisoleerd en deze stellen dienen ook van de aarde geisoleerd.
De batterijen worden in dier voege geplaatst dat de spanning tussen de naast elkander gelegen uiteinden van twee reeksen elementen geen 600 volt overtreft. Een geisoleerde dienstdoorgang gaat rondom de hoogspanningsbatterijen.
De grens van 600 volt wordt op 700 volt gebracht voor de in de onderstations aangebrachte batterijen tot voeding van lijnen voor elektrische tractie met gelijkstroom.

Ontploffingsgevaar.

Art. 220. <Zie nota's onder TITEL> (Voor de verlichting der accumulatorzalen zijn alleen gloeilampen en de ontladingslampen van de bij artikel 247 bepaalde categorieën A en B toegelaten.) <KB 16-02-1962, art. 1>
Deze lampen, de lamphouders of de elektroden alsmede de hulptoestellen worden in hermetische armaturen of kasten geplaatst.) <KB 16-02-1962, art. 1>
Het gebruik van blote vuren of van toestellen, die vonken kunnen teweegbrengen, is in die zalen ondergeschikt aan het in werking brengen van ventilatiemiddelen waardoor alle ontploffingsgevaar wordt vermeden. Dit gebruik is verboden gedurende het laden van de batterijen.
VI. Installaties.
A. Bovengrondse lijnen.
1. Algemene voorschriften.

Art. 221. <Zie nota's onder TITEL> De vertikale afstanden worden vastgesteld in de onderstelling dat de temperatuur + 40° C bedraagt en er geen wind is.

Stutten (palen, masten, armen, draagijzers, verankeringen, spandraden).

Art. 222. <Zie nota's onder TITEL> In de netten met laagspanning en gemiddelde spanning wordt de spandraad alleen toegelaten wanneer hij op een afdoende en duurzame wijze met de aarde is verbonden of wanneer op een hoogte, die niet kan worden bereikt, een isolator is ingeschakeld.
Voor hoogspanningslijnen is het gebruik van spandraden verboden.
Voor hoogspanningslijnen worden de metalen delen der steunen, met inbegrip van de wapeningen van gewapendbetonsteunen op doelmatige en duurzame wijze met de aarde verbonden, hetzij rechtstreeks, hetzij door bemiddeling van een aardleiding welke aan het boveneind der steunen wordt aangebracht. In dit laatste geval wordt die leiding ten minste om de 500 meter geaard, op voorwaarde dat de afstand tussen twee opeenvolgende steunen niet groter zij dan die lengte. Bedraagt de afstand tussen die steunen meer dan 500 meter, dan wordt de leiding bij elke steun geaard.
Dezelfde voorschriften zijn van toepassing op de lijnen met gemiddelde spanning op metalen steunen, afzonderlijk geplaatst op een blok van beton of metselwerk. Wanneer de steunen der lijnen met gemiddelde spanning aangebracht zijn op metalen vakwerk met goed geleidingsvermogen naar de grond, of wanneer palen van hout of van gewapend beton gebruikt worden, is men niet verplicht de metalen delen der steunen (dwarsstukken, ijzers en betonwapeningen) te aarden.
Alle houten palen moeten boomstammen zijn.
Ze hebben minstens de volgende afmetingen:

Lengte Omtrek
der palen aan de top
M. M.
8 0,40
9 0,40
10 0,41
10,5 0,42
11 0,42
12 0,43
14 0,45
17 0,45

Wanneer gebruik wordt gemaakt van een met de aarde verbonden afdalende draad, wordt die draad op een minimumhoogte van 2m50 vanaf de grond beschut. Die beschutting dient nochtans niet aangebracht zo, op de hoogte van 2m50 boven de grond, de bevestigingsmiddelen der aardleiding een genoegzaam weerstandsvermogen bezitten en dicht genoeg bij elkaar staan om het afrukken er van zonder behulp van speciale middelen, moeilijk te maken.
(De stutten die hoogspannings- en gemiddelde spanningslijnen dragen worden op een hoogte van minstens 3 meter boven de grond of op minstens 2 meter afstand van de energielijnen voorzien van een inrichting waardoor het beklimmen, zonder speciale middelen, bemoeilijkt wordt. Uitzondering op dit voorschrift kan gemaakt worden voor de gemiddelde spanningsinstallaties, aangelegd in de aanhorigheden der gebouwen en openluchtplaatsen van nijverheidsinrichtingen. (Op elke stut is een waarschuwingsbord voor gevaar voor elektrische spanning aangebracht overeenkomstig de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk). Bovendien draagt ten minste een paal op vijf een tweede plaat waarop, rekening houdend met de voorschriften van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, de tekst voorkomt : "Draden niet aanraken ook als zij op de grond liggen", "Ne pas toucher aux fils, même tombés à terre" of "Das Berühren der Drähte, auch der zu Boden gefalenen, ist stengstens verboten)) <KB 07-03-1967, art. 1> <KB 19-09-1980, art. 5> <KB 1997-06-17/46, art. 21, 044; Inwerkingtreding : 29-09-1997>
Gepaste conserveringsmiddelen worden aangebracht op de stutten om deze tegen de vernielende inwerking van de weersomstandigheden en tegen de vochtigheid van de grond te beschermen, en ten einde de bewaring van hun mechanisch weerstandsvermogen te verzekeren.

Geleiders.

Art. 223. <Zie nota's onder TITEL> Het gebruik van geleiders, waarvan het bederf de mechanische weerstand kan in gevaar brengen, is verboden.
De minimumtrekvastheid der geleiders bedraagt 280 kilogram voor laagspanning en 500 kilogram voor hoogspanning en gemiddelde spanning.
De geleiders en de aardleidingen der hoogspannings- en gemiddelde spanningslijnen bestaan uit kabels van minstens zeven draden. De hoogspannings- of gemiddelde spanningsgeleiders worden in dier voege aan de isolatoren bevestigd, dat ze de mechanische weerstand der geleiders niet schaden.
De voegen moeten steeds een breukvastheid van minstens 95 t.h. van die der geleiders bezitten.
De geleiders die op de top van de stutten zijn geplaatst, op vele punten met de aarde zijn verbonden en de lijnen tegen de werking van de atmospherische elektriciteit moeten beschermen, mogen niet uit ijzer zijn vervaardigd, zelfs niet wanneer het gegalvaniseerd is. Een kabel uit gietstaal mag nochtans worden gebruikt indien deze op doelmatige en duurzame wijze tegen atmospherische invloeden beschut is. De kabel heeft ten minste 25 mm2 doorsnede en de diameter der draden is ten minste 2 millimeter. De bevestiging op de top der stutten geschiedt door middel van beugels met afgeronde kanten, derwijze gemaakt dat het ontstaan van galvanische koppels onmogelijk wordt.
Gegalvaniseerde ijzerdraad van minstens 3 millimeter diameter mag worden gebruikt voor de afleidingen naar de aardplaat der laagspanningslijnen.

Buitenspanningstellen van de hoogspannings- en gemiddelde spanningslijnen.

Art. 224. <Zie nota's onder TITEL> De bovengrondse hoogspannings- en gemiddelde spanningslijnen worden van de nodige toestellen voorzien om ze spoedig buiten spanning te stellen.
Ten einde, in geval van noodzakelijkheid, op staande voet het personeel van de exploitant te kunnen verwittigen, worden de lokalen, de kabienen of stutten, die uitschakelingstoestellen bevatten of dragen, voorzien van de nodige aanduidingen en namelijk, van zijn telefoonnummer. In de bebouwde kommen waar de lijn doorheen gaat worden de aanduidingen minstens om de 500 meter herhaald.

Mechanische stabiliteit.

Art. 225. <Zie nota's onder TITEL> <KB 22-01-1957, art. 1>
(1) De afmetingen van de geleiders, beschermdraden, aarddraden, steunen, verankeringen, draagijzers en van alle onderdelen der lijn worden berekend in verband met de spanningen teweeggebracht door de blijvende belastingen en door de ongunstigste der beide combinaties van toevallige belastingen welke door volgende omstandigheden worden veroorzaakt:
a) Temperatuur van + 15° C met normale horizontale maximum wind;
b) Temperatuur van _ 15° C met beperkte horizontale wind.
In elk geval wordt verondersteld dat de wind uit de ongunstigste richting waait.
Bij de berekening van de overlangse en dwarse afmetingen van de steunen, verankeringen en draagijzers dient, in voorkomend geval, rekening gehouden met de momenten die zich gelijktijdig volgens de twee symmetrie-assen voordoen.
(2) Om de globale werking van de wind op de onderdelen van de lijn vast te stellen wordt de formule:
F = c q A,
gebruikt, waarin:
- F de windbelasting in kg' is; (kg' duidt de krachteenheid aan: een kilogram-kracht is gelijk aan 9,80665 N (Newton).)
- c de gezamenlijke aerodynamische coëfficiënt in de richting van de wind, sleepcoëfficiënt genoemd, waarvan de waarde afhangt van de vorm en soms van de afmetingen van het voorwerp, dat door de wind getroffen wordt;
- A de oppervlakte in m2 uitgedrukt, der volle stukken welke het onderdeel aan de wind blootstelt loodrecht op de richting waarin deze waait;
- q de dynamische druk in kg/m2, waarvan de waarde wordt gegeven door de formule:
q = a v2/2 g
waarin:
- a het soortgelijk gewicht van de lucht is, hetzij 1,225 kg'/m2 op 15° C en onder een druk van 760 mm kwik;
- v de betrekkelijk snelheid van de lucht ten opzichte van het beschouwde voorwerp in m/sec;
- g de versnelling van de zwaartekracht gelijk aan 9,81 m/sec2.
(21) De waarden van de in aanmerking te nemen snelheid en dynamische druk worden hierna aangeduid.
(211) Normale horizontale maximumwind.
De tabel I, die hier volgt, geeft, in functie van de hoogte boven de grond, de waarden van:
1. De snelheid van de normale horizontale maximumwind, welke op de windmeters wordt afgelezen en in aanmerking dient genomen bij het ontwerpen van een bouwonderdeel, waarvan de grootste afmeting niet meer dan 1 m bedraagt;
2. De overeenstemmende dynamische druk q.

TABEL I
Hoogte v q
boven de grond m/sec kg'/m2
Tot 25 m 34,64 75
op 50 m 35,78 80
op 75 m 36,88 85
op 100 m 37,95 90
op 125 m 38,99 95
op 150 m 40,00 100
op 175 m 40,99 105
op 200 m 41,95 110

Voor de berekening van de winddruk op de steunen, dwarsstukken, isolatoren wordt de werkelijke dynamische druk gelijk aan 0,8 q gekozen.
Voor de berekening van de winddruk op de geleiders, bescherm- en aarddraden (*), wordt de werkelijke dynamische druk gekozen gelijk aan: ( (*): Voor de geleiders, bescherm- en aarddraden is de in aanmerking te nemen hoogte deze van het bevestigingspunt aan de isolatoren of de steun)
- 0,7 q voor de overspanningen minder dan 100 m lang;
- 0,5 q voor de overspanningen meer dan 100 m lang.
(212) Beperkte horizontale wind.
Voor de berekening der onderdelen van de leiding (1) is de in aanmerking te nemen werkelijke dynamische druk gelijk aan 0,25 q. <(1) Voor de geleiders, bescherm- en aarddraden is de in aanmerking te nemen hoogte deze van het bevestigingspunt aan de isolatoren of de steun>
(22) De waarden van de in de formule op te nemen sleepcoëfficiënt c bedragen onderscheidenlijk:
(221) Geleiders, bescherm- en aarddraden: 1,2 voor de gladde cylindrische draden en 1,45 voor de uit gewrongen draden samengestelde kabels;
(222) Uit één of twee profielijzers samengestelde palen.
De waarden van c worden aangegeven in de tabel die hier volgt:

TABEL II
a
Grey- --- b
profielijzer I 1,57 I I
(a=b) b I a I------I 1,87
--- I I
Normaal --- I I
profielijzer I I------I 1,68
I 2,00 I I
---
Normale -- -- I I
profielijzers I I I-----I
I I 1,25 1,51
I I I-----I
-- -- I I

(223) Masten in metalen vakwerk met vierkante of rechthoekige basis met gelijke tegenover elkaar staande vlakken en samengesteld uit normale profielijzers. De waarde van de sleepcoëfficiënt voor de gehele mast, in de veronderstelling dat de wind loodrecht op het vlak van de mast blaast, wordt aangegeven door de formule:
c = 3,2 _ 2,8 doorsnede waarin doorsnede = A/A'
waarbij A de oppervlakte is der volle gedeelten en A' de oppervlakte overeenstemmende met de buitenomtrek van het beschouwde vlak, beide in m2 uitgedrukt.
Deze coëfficiënt c houdt rekening met de druk van de wind op de 4 vlakken van de mast.
Bedoelde formule is van toepassing binnen de grenzen:
0,1 < doorsnede < 0,6
(224) Palen in metalen buizen met een gemiddelde doormeter van 0,20 m en meer. De waarde van c is gelijk aan 0,5.
(225) Masten in vakwerk met vierkante of rechthoekige basis met gelijke tegenover elkaar staande vlakken en samengesteld uit metalen buizen. De waarde van c is gelijk aan 7/10 van de waarde geleverd door de formule uit (223) hierboven.
(226) Betonnen palen minder dan 25 m hoog. De waarden van coëfficiënt c worden verstrekt in de onderstaande tabel III:

TABEL III
Betonpalen c-waarden
Doorsnede Wind loodrecht op
het het
grootste kleinste
vlak vlak

Rechthoek zonder uitsparing 1,85 1,40
Rechthoek met uitsparingen 1,60 1,30
in het grote vlak
I-profiel zonder uitsparing 1,60 1,40
I-profiel met uitsparingen 1,50 1,30
in het lijf
Kringvormig, gemiddelde 0,50
middelijn van 0,20 m en 1,75

(227) Houten palen met een gemiddelde middellijn van 0,20 m en meer, c = 0,50.
(3) Bij de berekening wordt gelijktijdig rekening gehouden met:
a) de door de werking van de wind op de geleiders, beschermdraden, aarddraden, steunen, verankeringen en draagijzers, veroorzaakte spanningen;
b) de door het trekken der geleiders, beschermdraden en aarddraden veroorzaakte spanningen bepaald onder de hierboven vastgestelde voorwaarden;
c) het eigen gewicht van de geleiders, beschermdraden, aarddraden, isolatoren, draagijzers en van de steun.
(4) De verscheidene onderdelen der lijnen worden volgens onderstaande voorschriften vastgesteld:
(41) De geleiders, beschermdraden en aarddraden worden berekend met een veiligheidscoëfficiënt ten opzichte van de breukbelasting van het beschouwde element gelijk aan 3.
(42) De stalen steunen worden overeenkomstig onderstaande voorschriften berekend:
(421) De bij de berekeningen in aanmerking te nemen doorsneden zijn, voor de getrokken of gebogen stukken, de "nuttige" doorsneden, d.w.z. na aftrek van de klinknagel- of boutgaten en, voor de gedrukte stukken, de hieronder in (423) en (424) bepaalde "gereduceerde" doorsneden.
(422) De toelaatbare spanningen in de stukken van gewalst staal der palen uit enkelvoudig profielijzer en der vakwerkmasten zijn in onderstaande tabel IV aangegeven.

TABEL IV
Toelaatbare
spanningen
Staalhoedanigheid kg'/mm2
----- ---
Staal met een breukvastheid
tussen 37 en 45 kg'/mm2
(A 37-staal) :
Trek-, druk, buiging 17,0
Afschuiving 10,2
Staal met een breukvastheid
tussen 52 en 62 kg'/mm2
(A 52-staal) :
Trek-, druk, buiging 26,0
Afschuiving 15,6

(423) De aan niet-excentrische druklasten onderworpen stukken worden zodanig berekend dat de gemiddelde drukspanning of de gereduceerde doorsnede van het stuk de in tabel IV vermelde waarden niet overschrijdt.
Voor de volle uit gewalst staal vervaardigde staven wordt de verminderingsfactor phi der doorsnede in functie van de slankheid lambda in onderstaande tabel V aangegeven. <De bladspiegel van deze tabel werd om technische redenen aangepast; de formules werden omgezet>

Tabel V
Slankheidsgraad Verminderingsfactor
[lambda] voor het staal
A 37-staal
Lager dan 20 : 1
Tussen 20 en 105 : 15,784 - 0,0892[lambda]
-----------------------
14
Hoger dan 105 : 212.200
-----------------------------------------
14 (1,516 + 0,0142[lambda]) [lambda] ** 2

A 52-staal
lager dan 20 1
Tussen 20 en 105 : 24,180 - 0,159[lambda]
----------------------
21
Hoger dan 105 : 212.200
-----------------------------------------
21 (1,516 + 0,0142[lambda]) [lambda] ** 2

De slankheid lambda van een stuk is gelijk aan de verhouding der aan de knik onderworpen lengte tot de met het beschouwde knikvlak overeenstemmende traagheidsstraal. De gereduceerde doorsnede wordt voor de ongunstigste slankheid berekend.
Voor de vakwerkmasten mag de slankheid 150 voor de randstaven en 200 voor de andere elementen niet overschrijden.
(424) Voor de gedrukte stukken samengesteld uit niet aansluitende elementen (vakwerkstukken) wordt de verminderingsfactor phi**e van het gehele stuk, overeenstemmend met de meest ongunstige slankheid bepaald; de bepaling van deze verminderingsfactor phi**e geschiedt volgens tabel V alsof het om een vol stuk ging.
De gereduceerde doorsnede van het stuk wordt bepaald door de totale doorsnede der samenstellende elementen met de verminderingsfactor van het gehele stuk phi**e en met de individuele verminderingsfactor phi van één der elementen er van te vermenigvuldigen.
Nochtans, indien de slankheid van een samenstellend element 40 niet overtreft, moet enkel de verminderingsfactor van het gehele stuk phi**e in aanmerking genomen worden.
(425) Voor de stukken bestaande uit een enkel hoekijzer, is de traagheidsstraal in aanmerking te nemen voor de berekening van de gereduceerde doorsnede, gelijk aan de minimum traagheidsstraal. Nochtans, voor de randstaven in dewelke zich beurtelings op beide flenzen van het hoekijzer vakwerkverbindingsknopen bevinden, mag de met een flens evenwijdige traagheidsstraal aangenomen worden.
(426) De kniklengte in aanmerking te nemen bij de berekening van de slankheid voor de vaststelling van de gereduceerde doorsnede is, in het geval van vakwerkmasten, de lengte tussen de tegen een vervorming in het vlak beoogd voor het knikken van het beschouwde element verzekerde punten, behalve in geval de uiteinden van de stukken in dit knikvlak ingeklemd zijn, in welk geval men de 8/10 van deze lengte neemt.
Het kruispunt van een getrokken staaf en van een gedrukte staaf mag beschouwd worden als een tegen een vervorming in het knikvlak verzekerd punt voor zover de kracht waarvoor de getrokken staaf berekend is in absolute waarde ten minste gelijk zij aan de drukkracht, en dat de verbinding op het kruispunt der staven voldoende zij.
(427) Wanneer een stuk tegelijkertijd gedrukt en gebogen is, moeten de spanningen met hetzelfde teken, voortkomende uit beide effecten, opgeteld worden. In dit geval wordt de drukspanning berekend volgens de gereduceerde doorsnede overeenstemmend met het meest waarschijnlijke knikvlak en de buigspanning vermeerderd om rekening te houden met de zijdelingse knikweerstand van de gedrukte randstaaf.
De verhogingsfactor der buigspanning wordt gelijk genomen aan:
1/(1-0,0005 L/iY) <om technische redenen werd deze formule omgezet volgens de FORTRAN-conventie>
Hierin is:
L = theoretische lengte van het stuk of afstand van centrum tot centrum der op doeltreffende wijze tegen een zijdelingse vervorming verzekerde punten.
iy = traagheidsstraal van het gedrukte deel van het stuk genomen ten opzichte van de met het buigvlak evenwijdige as.
(428) De toelaatbare schuifspanning der bouten en klinknagels beloopt ten hoogste 4/5 der toelaatbare spanning bij enkelvoudige trekkracht.
De gemiddelde druk op het diametrale contactoppervlak voor de met een dubbele afschuiving belaste bouten en klinknagels is ten hoogste gelijk aan de hierna vermelde waarden:
- gedraaide klinknagels en bouten: 2,4 maal de hierboven bepaalde schuifspanning;
- gewone ruwe bouten: 2 maal de hierboven bepaalde schuifspanning.
Voor de met een enkelvoudige afschuiving belaste bouten worden de hierboven voorgeschreven grenzen voor de gemiddelde druk op het diametrale contactoppervlak met één vijfde verminderd.
(429) De gelaste verbindingen vertonen, voor de hoogste kracht waaraan zij worden onderworpen, een veiligheidscoëfficiënt met betrekking tot hun breukbelasting, die ten minste 3 bedraagt, wanneer de kracht in het metaal der verbonden staven met één der onder (422) (tabel IV) voorgeschreven toelaatbare spanningen berekend wordt.
(43) De palen van gewapend beton voldoen aan volgende voorschriften:
De behoorlijk ingeklemde palen mogen niet breken vooraleer de geleidelijk aangrijpende belasting die er wordt op toegepast een waarde bereikt heeft gelijk aan:
a) bij gewone palen van gewapend beton:
1. 2,5 maal de totale belasting wanneer de breuk het gevolg is van het overschrijden van de elasticiteitsgrens van het staal. Deze breuk is gekenmerkt door het ontstaan van steeds groter wordende scheuren in de trekzone;
2. 3,5 maal de totale belasting wanneer de breuk optreedt door vergruizing van het beton in de drukzone, zonder dat de elasticiteitsgrens van het staal bereikt is geworden;
b) bij palen van spanbeton:
2,5 maal de totale belasting.
Onder totale belasting wordt verstaan de som van de nuttige kopbelasting en van de windkopbelasting, beide beschouwd dezelfde richting en dezelfde zin te hebben.
De nuttige kopbelasting is één enkele fictieve belasting aangrijpende in het hierna bepaalde fictieve aangrijpingsvlak, die uit oogpunt van het in de bovenste inklemmingsdoorsnede optredende moment, de krachten vervangt welke werkelijk, door tussenkomst van de uitrusting in de gegeven zin en richting op de paal worden uitgeoefend.
De nuttige in aanmerking te nemen kopbelasting is deze, welke rekening houdt met het grootste traagheidsmoment.
Bij een symmetrische paal kan deze belasting met dezelfde waarde in de twee tegenovergestelde zinnen aangrijpen. Bij een asymmetrische paal is die waarde verschillend volgens de beschouwde zin. De grootste dezer twee waarden bepaalt de waarde der nuttige kopbelasting van de asymmetrische paal.
De windkopbelasting in een gegeven richting en zin is één enkele en het hierna bepaalde fictieve aangrijpingsvlak aangrijpende fictieve belasting die, uit oogpunt van het in de bovenste inklemmingsdoorsnede optredende moment, de kracht vervangt welke door de in de gegeven richting en zijn blazende wind op de paal werkelijk wordt uitgeoefend.
Het fictieve aangrijpingsvlak der kopbelastingen is een 0,30 m onder de kop van de paal gelegen dwarsvlak, waarin voorvermelde krachten geacht zijn aan te grijpen.
(44) De houten palen worden berekend:
met een veiligheidscoëfficiënt met betrekking tot de breukbelasting van 3,5, wanneer het laag- of gemiddelde spanningsinstallaties geldt.
met een veiligheidscoëfficiënt met betrekking tot de breukbelasting van 5, wanneer het hoogspanningsinstallaties geldt, waarvan de nominale spanning, tussen de geleider en de aarde 15 kV of minder bedraagt. De veiligheidscoëfficiënt 5 wordt op 3,5 gebracht voor niet ingedolven houten steunen, welke op ten minste 0,10 m boven de grond gehouden worden door middel van derwijze aangebrachte voetstukken of voeten uit ijzer of gewapend beton, dat het benedendeel der houten steunen verlucht wordt.
(5) De stabiliteit tegen het omvallen der steunen wordt onderzocht rekening gehouden met het maximum kantelingsmoment en met de voor de stabiliteit voordelige tegenwerkende momenten.
De tegenwerkende momenten worden bepaald door:
a) het gezamenlijk gewicht;
b) de reactie van de grond welke zich tegen het kantelen der funderingen verzet.
De stabiliteit is de verhouding tussen de som der tegenwerkende momenten en het kantelingsmoment; zij beloopt ten minste 1,25 in de onderstelling van het grootste kantelingsmoment.

Onbereikbaarheid.

Art. 226. <Zie nota's onder TITEL> De geleiders, de beschermnetten en draden van de bovengrondse lijnen zijn onbereikbaar. Ze worden slechts als dusdanig aangezien, wanneer ze te allen tijde aan de volgende voorwaarden voldoen en dat in al hun gedeelte, die noch beschut, noch met een tegen de weersomstandigheden bestand isoleermiddel bedekt zijn.
1° Laagspanningsinstallaties
De laagspanningsgeleiders, de beschermnetten en -draden worden als onbereikbaar beschouwd:
a) wanneer ze zich bevinden op minstens 6 meter boven het vlak der openbare wegen, waar ze langs lopen, en op ten minste 7 meter boven het vlak der openbare wegen, die ze oversteken (de afstand verticaal gemeten). Wanneer de draagpalen van lijnen langs de openbare weg in taluds (ingraving of ophoging) zijn aangebracht, moeten de geleiders minstens 6 meter boven het punt van indringing van de draagpaal in de grond (de afstand verticaal gemeten), gelegen zijn; daarenboven moeten de geleiders op ten minste vijf meter van de kruinlijn van het talud van een weg in ophoging of op minstens drie meter van gelijk welk punt van het talud van een weg in uitgraving gehouden worden;
b) wanneer ze zich op minstens 6 meter boven de grond van koeren, tuinen of terreinen bevinden, wanneer zij gespannen zijn (de afstand verticaal gemeten);
c) indien in de nabijheid van gelijk welk gebouw, ze zich bevinden buiten de profielen van vrije ruimte AB of CD van de hierna volgende schets, te weten, namelijk:
op minstens 2 meter boven daken, schoorstenen, kroonlijsten, platformen, balkons, dorpels;
op minstens 1 meter boven de kant der vorstpan van de dakvensters;
op minstens 0,50 m onderlangs kroonlijsten;
op minstens 0,30 m onderlangs balkons en loggia's;
op minstens 1 meter van de balkonleuning;
op minstens 0,75 m van kroonlijsten, van loggia's van het muurvlak vóór vensters; (Wordt beschouwd als zijnde vóór de vensters, de ruimte begrensd door de omtrek EFGH van bijgaande schets)
op minstens 0,15 m van de muurvlakken;
al deze afstanden horizontaal gemeten.
Voor de aftakkingen zijn bovenstaande voorwaarden van onbereikbaarheid van toepassing; nochtans, wanneer het profiel geen enkel punt heeft waar de afstand tot het vlak der muren 0,15 m bedraagt, mogen de aftakkingen in het profiel onder de kroonlijst dringen, op voorwaarde dat ze ten minste 0,30 m boven de bovendorpel van deuren, vensters en voor het publiek toegankelijke openingen blijven.
De aftakkingen worden eveneens als onbereikbaar aangezien, wanneer ze zich op ten minste 4 meter boven de stoepen bevinden, buiten het profiel van de rijweg, alsmede in de voor voertuigen ontoegankelijke delen der koeren en tuinen gelegen vóór de gebouwen.
De bijzondere voorwaarden, vastgesteld voor de aftakkingen, zijn insgelijks van toepassing op de leidingen voor stroomtoevoer naar de toestellen der openbare verlichting.
2° Gemiddelde spanningsinstallaties, hoogspanningsinstallaties, waarvan de spanning tussen de geleiders en de aarde 15.000 volt of minder bedraagt.
De minimumafstanden tot de grond, voorzien in a van 1° van dit artikel voor de laagspanningsinstallaties, worden met minstens 1 meter vermeerderd.
De verticale minimumafstanden tot de gebouwen, voorzien in 1° van dit artikel voor de laagspanningsinstallaties, worden vermeerderd met minstens 1,5 maal het elektrisch zekerheidskwota, zonder dat die vermeerdering minder mag bedragen dan 1 meter. (Het elektrisch zekerheidskwota is de kortste afstand tussen de blanke delen onder spanning en de massa-afstand in de lucht gemeten, langs de normale isolator of de normale keten van isolatoren der lijn)
De horizontale minimumafstanden tot de gebouwen, voorzien in 1° van dit artikel voor de laagspanningsinstallaties worden vermeerderd met ten minste:
a) 1,5 maal het elektrische zekerheidskwota, en
b) de horizontale afwijking der geleiders, berekend in de onderstelling van een vrije slingerbeweging bij een temperatuur van + 15° C en een horizontale winddruk van 60 kilogram per vierkante meter normaal aangegrepen plat vlak. In geen geval mag de totale vermeerdering minder dan 1 meter bedragen.
Behoudens bijzondere gevallen, zoals centrales, onderstations, eindpunten, is het verboden de steunen der geleiders op de gebouwen te bevestigen.
Met afwijking van de drie voorgaande alinea's zijn de voorwaarden, in 1° voorgeschreven voor de laagspanningsinstallaties, ook van toepassing op de installaties met gemiddelde spanning, aangelegd op nijverheidsgebouwen en in de aanhorigheden en koeren van die inrichtingen. <De schets waarvan sprake in art. 226, 1°, C, werd om technische redenen niet afgedrukt. U kunt hem vinden in het Belgisch Staatsblad van 4 april 1949>

Gemeenschappelijke steunen. <KB 22-01-1957, art. 2>

Art. 227. <Zie nota's onder TITEL> <KB 22-01-1957, art. 2> In geval van boven elkaar geplaatste hoog- of gemiddelde spanningslijnen op dezelfde steunen, worden de hoogspanningslijnen op ten minste 1,50 boven de andere lijnen aangebracht.
Bedoelde hoogspanningslijnen worden volgens een der volgende veiligheidsinrichtingen gemonteerd:
Inrichting A.
Iedere geleider wordt op de steun bevestigd door middel van ten minste twee isolatoren, op een voldoende onderlinge afstand om te beletten dat de vlam van een aardingsboog, optredend aan een der isolatoren, er een andere zou kunnen bereiken en daar eveneens een boog doen ontstaan.
Iedere geleider wordt aan een der isolatoren bevestigd en met ieder der bijkomende isolatoren verbonden door een stuk geleider van dezelfde doorsnede en dezelfde aard, waaraan hij aan weerszijden van het steunpunt aangesloten wordt.
De bevestiging der geleiders aan de isolatoren en de verbinding der geleiders onderling worden verkregen door bijzondere bevestigingsmiddelen die in staat zijn iedere verschuiving te beletten, zonder daardoor de mechanische weerstand der geleiders te schaden.
Inrichting B.
Bij uitrusting van de lijn met isolatoren van het opgehangen type, wordt iedere geleider gehouden door middel van bevestigingsstukken aan de uiteinden van minstens twee isolatorenkettingen, afzonderlijk bevestigd aan de dwarsijzers der steunen.
Een bretel, gevormd door een geleider van dezelfde doorsnede en dezelfde aard als de voor de lijn gebruikte geleider, wordt door middel van klemmen aan weerszijden van de eindstukken der isolatorenkettingen bevestigd. Die bretel wordt, daarenboven, met de geleider verbonden door een of meer bijkomende klemmen, aangebracht tussen de bevestigingspunten aan de isolatorenkettingen.
Inrichting C.
De veiligheidsinrichting B mag vervangen worden door een inrichting bestaande uit een enkele isolatorenketting en een verdubbeling van de geleider door een bretel gevormd door een geleider met dezelfde doorsnede en van dezelfde aard als de voor de lijn gebruikte geleider, en vastgehecht aan weerszijden van het bevestigingspunt van deze laatste aan de isolatorenketting.
Zowel voor de B _ als voor de C _ inrichting:
1° moeten de bevestigingsstukken der geleiders aan de isolatoren en de klemmen der bretellen aan de geleiders iedere verschuiving beletten zonder daardoor de mechanische weerstand der geleiders te schaden.
2° moet de afstand tussen het eindstuk van elke isolatorenketting en de buitenklem der bretel ten minste 0,40 m bedragen.
In de volgens een der A, B of C inrichtingen aangelegde overspanningen worden de aan de onderkant aangebrachte laag- of gemiddelde spanningslijnen van doelmatige spanningsveiligheden voorzien.
Ingeval hoog- of gemiddelde spanningslijnen en private telecommunicatielijnen op dezelfde steunen boven elkaar voorkomen, worden de hoog- of gemiddelde spanningslijnen ten minste 1,50 m boven de andere aangebracht.
De telecommunicatietoestellen worden met de telecommunicatielijnen door middel van bijkomende buiten het bereik van de operateurs gestelde en van doelmatige spanningsveiligheden voorziene transformatoren verbonden.
Buiten het traject op gemeenschappelijke steunen, worden die private telecommunicatielijnen aangelegd als ondergrondse kabels of volgens de voorschriften van toepassing op de hoog- en gemiddelde spanningslijnen waaronder ze gelegd worden, tenzij, bij de aftakkingspunten in de telecommunicatielijnen buiten het bereik gestelde bijtransformatoren, voorzien van doelmatige spanningsveiligheden, ingeschakeld worden.
In plaats van bijkomende transformatoren mogen er andere toestellen worden gebruikt, die even veel veiligheid waarborgen.

Kruisingen.

Art. 228. <Zie nota's onder TITEL> Bij kruising in één spanwijdte of op gemeenschappelijke stutten van hoogspanningslijnen en van lijnen onder lage of gemiddelde spanning of van lijnen onder hoge of onder gemiddelde spanning en van lijnen voor telecommunicatie, moeten de respectieve ligging der geleiders en hun minimumafstanden, vastgesteld in artikel 227, in acht genomen worden. (De boven kruisende lijnen worden volgens één der drie in artikel 227 bepaalde veiligheidsinrichtingen gemonteerd. De gebruikte inrichtingen ter verzekering van de verbinding der geleiders vertonen bestendig een breukvastheid welke deze van de geleider ten minste moet evenaren. De elektrische weerstand per lengte-eenheid van het de verbinding omvattende geleideronderdeel, evenaart, of is kleiner dan deze van de geleider zelf.) <KB 22-01-1957, art. 3>
2. <KB 22-01-1957, art. 4> Aanvullende voorschriften, toepasselijk op de bovengrondse lijnen waarvan de nominale spanning tussen de geleiders en de aarde 15 kV te boven gaat zonder 30 kV te overschrijden.)

Art. 229. <Zie nota's onder TITEL> <KB 22-01-1957, art. 4> De minimumtrekvastheid der geleiders en de aardleidingen bedraagt ten minste 1.200 kg.
Indien aardleidingen in staalkabel worden gebruikt, zijn de bij artikel 223 voorgeschreven voorwaarden toepasselijk.
De minimumdoorsnede wordt echter van 25 mm2 verhoogd tot 35 mm2.
De steunen bestaan uit palen van metaal of gewapend beton.
De bij a) van 1° uit artikel 226 voor de laagspanningsinstallaties voorgeschreven minimumafstanden van de grond worden vermeerderd met 1,5 maal het elektrisch veiligheidscijfer, zonder dat deze vermeerdering minder dan 1 meter mag bedragen. Daarenboven mag bij uitrusting met isolatoren van het opgehangen type de minimumhoogte boven de wegen niet kleiner zijn dan 5 meter in de onderstelling van de door het breken van de onderste geleider in een der aangrenzende overspanningen, teweeggebrachte bijkomende helling der kettingen.
De minimumafstand tot aan de grond der door de lijnen overspannen koeren, tuinen of terreinen, bedraagt niet minder dan 5 meter (loodrecht gemeten afstand), vermeerderd met 1,5 maal het elektrisch veiligheidscijfer, zonder dat deze vermeerdering kleiner dan 1 meter mag zijn.
De bij 1 van artikel 226 voorgeschreven loodrechte minimumafstanden tot aan de gebouwen worden met ten minste 2,5 maal het elektrisch veiligheidscijfer vermeerderd.
De bij 1° van artikel 226 voorgeschreven horizontale minimumafstanden tot aan de gebouwen worden vermeerderd met ten minste 1,5 maal het elektrisch veiligheidscijfer, en de horizontale afwijking der geleiders, berekend in de onderstelling van een vrije slingerbeweging bij een temperatuur van + 15° C en de normale horizontale maximumwind, waarvan de kenmerken in artikel 225 worden opgegeven.
In geen geval mogen de horizontale of loodrechte afstanden tot aan de gebouwen kleiner dan 3 meter zijn. De minimumafstand van 3 meter wordt op 4 meter gebracht, wanneer de geleiders boven terrassen lopen. Bij uitrusting met isolatoren van het opgehangen type worden de minimumafstanden van 3 of 4 meter bovendien geëerbiedigd, in de onderstelling van breuk van de onderste geleider in een van de aangrenzende overspanningen.
Het gebruik van gemeenschappelijke steunen voor het aanleggen van lijnen dezer categorie en van laag- of gemiddelde spanningsleidingen is verboden.
Het gebruik van gemeenschappelijke steunen voor de aanleg van lijnen dezer categorie en van private steunen voor de aanleg van lijnen dezer categorie en van private telecommunicatielijnen is toegelaten onder de bij artikel 227 voorgeschreven voorwaarden, behalve wat de minimumafstand tussen de twee lijnen categorieën betreft dewelke aan de hierna voor de kruising opgelegde voorwaarden moet voldoen.
Bij kruising met een elektrische lijn van een andere categorie of met een private telecommunicatielijn, worden de lijnen dezer categorie in de kruisingsoverspanning volgens een der drie in artikel 227 bepaalde veiligheidsinrichtingen gemonteerd en op een afstand van ten minste 2,5 maal het elektrisch veiligheidscijfer boven de andere lijnen aangebracht, zonder dat deze afstand kleiner dan 2 meter mag zijn. Indien de lijn met isolatoren van het opgehangen type uitgerust is, mag de factor 2,5 bij uitzondering tot 1,25 verminderd worden, in de onderstelling van breuk van de onderste geleider in een der aangrenzende overspanningen, en de minimumafstand van 2 m verlaagd worden tot 1,50 m.
(2bis. Aanvullende voorschriften toepasselijk op de bovengrondse lijnen waarvan de nominale spanning tussen de geleiders en de aarde 30 kV overtreft.
De onder 2° hierboven bepaalde aanvullende voorschriften zijn eveneens toepasselijk op de bovengrondse lijnen waarvan de nominale spanning tussen de geleiders en de aarde 30 kV overtreft.
Bij gebruik van een der in artikel 227 bepaalde veiligheidsinrichtingen hoeft de in de alinea's 4, 8 en 11 van 2° hierboven voorziene onderstelling van breuk van de onderste geleider in een der aangrenzende overspanningen evenwel niet in aanmerking genomen indien volgende voorwaarden zijn vervuld:
a) in geval van lijnen waarvan de nominale spanning tussen geleiders en aarde minder is dan of gelijk aan 60 kV, is de doorsnede der geleiders in aluminium-staal gelijk aan of groter dan 100 mm2 en de doorsnede der geleiders in koper gelijk aan of groter dan 70 mm2;
b) in geval van lijnen waarvan de nominale spanning tussen geleiders en aarde groter is dan 60 kV, is de door der geleiders in aluminium-staal gelijk aan of groter dan 100 mm2;
c) de isolatiekettingen zijn boven- en onderaan voorzien van een bescherminrichting, ring of hoorn;
d) de afmetingen der bretel, welke de geleider verdubbelt, beantwoorden aan de in onderstaande tabel vermelde minima: <KB 22-01-1957, art. 4> <De bladspiegel van deze tabel werd om technische redenen aangepast>)

Kolom (1) : nominale spanning tussen
geleider en aarde
Kolom (2) : nominale spanning tussen
overeenstemmende geleiders
Kolom (3) : afstand van het eindstuk van
elke isolatorenketting tot aan
de buitenklem der bretel
Kolom (4) : afstand van de bretel tot aan
de geleider ter hoogte van de
tang
(1) (2) (3) (4)
V V m m
127500 220000 1,25 0,40
86750 150000 1,00 0,30
63600 110000 0,85 0,25
40500 70000 0,70 0,25

3. Contactlijnen.

Art. 229bis. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd bij KB 1991-11-25/51, art. 1; Inwerkingtreding : 25-01-1992> De Minister die Energie onder zijn bevoegdheid heeft kan bij besluit de te nemen maatregelen vastleggen om de rechtstreekse en onrechtstreekse uitwerking op het organisme van mens en huisdier evenals op elektrische en/of elektronische uitrustingen en toestellen te beperken van de elektrische en magnetische velden die worden voortgebracht door lijnen voor transport en verdeling van elektrische energie.

Gebruiksvoorwaarden.

Art. 230. <Zie nota's onder TITEL> Enkel de beweegbare ontvangtoestellen met laagspanning of gemiddelde spanning mogen door contactlijnen met schuivende of rollende contactaansluiting worden gevoed. Die lijnen mogen zich, in strijd met de bepalingen van artikel 226, minstens op 2m50 voor laagspanning of op minstens 5 meter voor gemiddelde spanning boven de grond of de werkvloeren in de nijverheidsinstallaties bevinden. Indien de beweegbare ontvangtoestellen de openbare weg gebruiken bedraagt de afstand boven de grond ten minste 6 meter.
Ingeval de hoogte van 5 meter niet kan in acht genomen worden, beschut een geaard metalen net het personeel. Wanneer het net bevestigd is aan ijzeren getimmerten met goed geleidingsvermogen naar de grond, is de bijzondere aarding van het net niet verplichtend.

Schakelaars, signaallampen.

Art. 231. <Zie nota's onder TITEL> Elke contactlijn moet afzonderlijk, op gans haar lengte, buiten spanning gesteld kunnen worden door middel van een schakelaar. Indien deze schakelaar niet toelaat op klaarblijkende wijze te onderscheiden 't zij door zijn bouwwijze, 't zij door een daartoe bestemd toestel, of hij zich in of buiten stroom bevindt, wordt zijn stand door één of meerdere signaallampen aangeduid.
Op de brugkranen daarenboven moeten de trolleydraden door een hefboomuitschakelaar buiten spanning gesteld kunnen worden. Hij bevindt zich in de cabine zo deze laatste vast is of op de loopbrug, op een gemakkelijk te bereiken plaats, indien de cabine beweegbaar is.
B. Ondergrondse lijnen.

Bescherming.

Art. 232. <Zie nota's onder TITEL> Elke ondergrondse elektrische leiding wordt minstens op haar ganse loop beschermd door een bedekking in duurzame en stevige materialen, ertoe bestemd haar bij het uitgraven tegen aanraking der werktuigen te beschutten. De beschutting steekt aan weerskanten over de kabels uit; zij wordt in dier voege aangebracht dat boven de kabels geen doorlopende lengtevoeg gevormd wordt.
De kabels worden op een diepte van minstens 0m60 ingedolven.
Nochtans, wanneer het indelven op 0m60 niet mogelijk is, wordt de beschutting gemaakt van een onafgebroken omhulsel van duurzame en stevige materialen.

Het merken van ondergrondse kabels. <KB 05-08-1974, art. 1>

Art. 233. <Zie nota's onder TITEL> <KB 05-08-1974, art. 1> § 1. De ligging van een kabel wordt op zichtbare en duurzame wijze aangeduid. Daartoe wordt een merkteken aan de eindpunten van elk rechtlijnig deel geplaatst. Indien het rechtlijnig deel langer is dan 200 m worden tussenliggende merktekens geplaatst op ten minste alle 200 m. Merktekens worden tevens geplaatst aan de eindpunten van de bochten. In de bochten van meer dan 20 m lengte wordt een bijkomend merkteken geplaatst in het midden van de beschreven boog. Indien de afstand tussen dit merkteken en deze die het begin van de boog aanduiden groter is dan 50 m worden bijkomende merktekens geplaatst zodat de afstand tussen twee opeenvolgende merktekens ten hoogste 50 m bedraagt.
In het geval van een bundel kabels mag gebruik gemaakt worden van gemeenschappelijke merktekens voor het geheel van deze kabels.
Indien het onmogelijk is het merkteken te plaatsen precies boven de ligging van een of meerdere kabels, wordt het geplaatst op een zo klein mogelijke afstand ervan.
In geval van private eigendommen worden de merktekens bij voorkeur geplaatst aan de grenzen van de percelen ofwel op andere plaatsen waar ze de uitbating en in het bijzonder de exploitatie van landbouwgronden niet hinderen door hun aanwezigheid.
Het is niet verplicht de ligging aan te duiden van:
- de laagspanningsaansluitingen van abonnenten;
- de kabels geplaatst door de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen op haar eigen domein;
- de kabels die de palen van een openbare verlichtingsinstallatie of van een lichtsignalisatie onderling verbinden alsook de kabels die deze palen verbinden met hun voedingsposten.
Moet ook niet aangeduid worden de ligging van de kabels geplaatst in een openbare weg, wanneer de overheid die deze openbare weg beheert zich uitdrukkelijk verzet tegen het plaatsen van merktekens aldaar, wegens de bijzondere aard van de wegbekleding.
§ 2. De gebruikte merktekens zijn in een duurzaam materiaal. Hun oppervlakte mag niet kleiner zijn dan 0,01 m2 en hun kleinste afmeting niet kleiner dan 0,08 m. Zij dragen, uitstekend op hun zichtbaar vlak, de volgende aanduidingen:
- een bliksemschicht voor de aanduiding van een enkele kabel;
- twee bliksemschichten voor de aanduiding van een bundel onder of naast elkander liggende kabels.
De bepalingen van het voorgaande lid gelden niet voor de merktekens die op 31 december 1974 geplaatst of in voorraad zijn; deze merktekens mogen verder gebruikt worden voor het aanduiden van de aanwezigheid van ondergrondse kabels.
§ 3. De eigenaar van een kabel moet steeds in staat zijn de plannen of, bij gebreke daarvan, de aanduidingen te verstrekken welke nodig zijn om die te lokaliseren.
Hij zal ze verstrekken aan om het even wie gemachtigd is werken uit te voeren in de nabijheid van de kabel, en dit binnen een tijdsruimte van maximaal zeven werkdagen na de ontvangst van de aanvraag die hem te dien einde wordt toegestuurd.
§ 4. Wat betreft de installaties die zij gebruikt of die op haar domein zijn gelegen kan de militaire overheid, om redenen van militaire veiligheid zich verzetten tegen de gehele of gedeeltelijke toepassing van dit artikel.

Nabijheid en kruising van ondergrondse telecommunicatiekabels. <KB 05-08-1974, art. 1>

Art. 234. <Zie nota's onder TITEL> <KB 05-08-1974> § 1. Voor de toepassing van dit artikel verstaat men door "telecommunicatiekabels" de kabels die uitsluitend dienen voor telefonie, telegrafie, telesignalisatie, telemetingen, telebedieningen en in het algemeen voor het overbrengen van informaties of gegevens alsook voor om 't even welk telecommunicatiesysteem van welke aard ook aangelegd ten behoeve van hetzij publiekrechtelijke personen, hetzij van ondernemingen die het voortbrengen, overbrengen en verdelen van elektrische energie en gas tot doel hebben.
§ 2. In de nabijheid van en bij kruising met ondergrondse telecommunicatiekabels wordt elke energiekabel derwijze aangelegd dat al zijn punten zich bevinden op ten minste 0,50 m van de op het ogenblik van zijn plaatsing bestaande telecommunicatiekabels.
§ 3. Om dwingende redenen kan van het bepaalde in § 2 worden afgeweken. In dat geval neemt hij die de elektrische leiding plaatst, na overleg met de eigenaar van de telecommunicatiekabel, de passende maatregelen om latere vergissingen over de identificatie van de kabels uit te sluiten, om schade te voorkomen en om de storingen in de communicaties te vermijden en het gevaar dat uit deze afwijking zou kunnen voortvloeien.
§ 4. Indien op aanvraag van derden telecommunicatie- en energiekabels worden verplaatst en dwingende redenen bestaan om van het bepaalde in § 2 af te wijken, worden de in § 3 bedoelde maatregelen genomen, na overeenkomst tussen de betrokken partijen.
§ 5. De afwijking als bedoeld in de §§ 3 en 4 kan maar geschieden mits de goedkeuring van de betrokken Ministers of van de ambtenaren die zij daartoe aanwijzen.
§ 6. De onder § 1 vermelde personen en ondernemingen mogen afwijken van het bepaalde in § 2 voor wat hun eigen telecommunicatieinstallaties betreft, op voorwaarde dat zij de nodige beschikkingen treffen om het gevaar te vermijden

Nabijheid van gasleidingen.

Art. 235. <Zie nota's onder TITEL> In de nabijheid van gasleidingen worden de nodige voorzorgsmaatregelen getroffen om ophoping van gas te vermijden in de kijk- of mangaten; in die nabijheid dient dat gebruik van buizen voor het beschermen van gepantserde grondkabels vermeden. Nochtans wanneer de omstandigheden er toe verplichten dergelijke bescherming te gebruiken worden voorzorgsmaatregelen getroffen om ophoping van gas te voorkomen.

Verbindingen.

Art. 236. <Zie nota's onder TITEL> De verbindingen tussen verschillende stukken van een zelfde kabel dienen beschut door sterke dicht gesloten metalen kasten die met een geschikte isoleerstof zijn gevuld.
Een verbinding tussen een bovengrondse hoog- of gemiddelde spanningslijn en een kabel mag enkel worden aangebracht in een gesloten metalen kast of in een gesloten lokaal van de elektriciteitsdienst.
Nochtans voor lijnen onder gemiddelde spanning mag de metalen kast door elk ander doelmatig beschuttingsmiddel vervangen worden.
C. Binneninstallaties.
1. Algemene voorschriften.

Isolering.

Art. 237. <Zie nota's onder TITEL> Binnen open lokalen moeten alle elektrische leidingen aangelegd worden door middel van geleiders welke, op doelmatige en duurzame wijze, door een onafgebroken vochtvrije bekleding geisoleerd zijn.
Het is nochtans toegelaten blanke geleiders te gebruiken in de nijverheidsgebouwen, mits naleving der voorwaarden bepaald in de artikelen 191, 192, 230 en 231.
In de loodsen is het toegelaten blanke elektrische laag- en gemiddelde spanningsleidingen te plaatsen; de minimumhoogte boven de grond is 6 meter. De afstand tussen de stutten mag 20 meter niet overschrijden.

Beschutting en mechanische weerstand.

Art. 238. <Zie nota's onder TITEL> Wanneer de geleiders bijzonder zijn blootgesteld aan mechanische beschadiging, dienen ze door een speciale bekleding bedekt, die ze tegen beschadiging vrijwaart.

Stroomsterkte, doorsnede der geleiders, nominale sterkte der smeltveiligheden.

Art. 239. <Zie nota's onder TITEL> <KB 26-02-1971, art. 5> De elektrische installaties zijn in al hun delen opgevat en verwezenlijkt in functie van de nominale stroomsterkte en -spanningen.

Plaatsing op isolatoren.

Art. 240. <Zie nota's onder TITEL> <KB 15-04-1958, art. 1> De zichtbare blanke of geisoleerde en in dit laatste geval, niet met een uit metaal of uit thermoplastic bestaande bescherming omgeven geleiders moeten op isolatoren van onbrandbaar en niet hygroscopisch materiaal aangebracht worden, op zodanige wijze dat zij noch de wanden der lokalen, noch een der voorwerpen die er zich in bevinden kunnen raken.
Uitzondering wordt gemaakt voor de geisoleerde geleiders, dienend om beweegbare nijverheidstoestellen te controleren en uit te rusten.

Plaatsing in buizen. <KB 15-04-1958, art. 2>

Art. 241. <Zie nota's onder TITEL> <KB 15-04-1958, art. 2> Het gebruik van buizen uit thermoplastic is slechts toegelaten zo deze buizen voldoen aan de voorschriften vervat in de laatste uitgave van de norm NBN 409, verschenen op de datum van het verwerken der buizen.
De buizen die voldoen aan de voorschriften vervat in de vorige uitgave mogen echter verwerkt worden gedurende een periode van een jaar vanaf het verschijnen van de nieuwe uitgave.
De afstand tussen de klemmen die de buizen uit thermoplastic aan de wanden bevestigen bedraagt maximaal 0,50 m.
Het is verboden:
1° buizen of kokers uit brandbaar materiaal te gebruiken welke niet met metaal bekleed zijn;
2° in een zelfde buis energiegeleiders en telecommunicatiedraden te plaatsen;
3° in een zelfde buis geleiders te plaatsen die met twee verschillende energiebronnen verbonden zijn;
4° verbindingen tussen geleiders in de buizen te brengen;
5° buizen uit thermoplastic te gebruiken op de plaatsen waar de temperatuur normaal 60° C zou kunnen overschrijden.
Het derde lid, 2° en 3°, van dit artikel is niet toepasselijk ingeval kabels gebruikt worden. Het is evenmin toepasselijk op de draden voor bediening of meting op afstand of voor telecommunicatie wanneer die draden toestellen verbinden die zich bevinden in gesloten lokalen van de elektriciteitsdienst of wanneer zij deel uitmaken van een geheel waarvan het uitsluitend industriëel gebruik klaarblijkelijk is.
Aansluitingen op een laagspanningsdistributienet, enerzijds, en op een hoogspannings- of gemiddelde spanningstransformatiepost, anderzijds, worden als verschillende energiebronnen beschouwd. De verschillende verdeelborden van eenzelfde installatie, worden niet als verschillende energiebronnen beschouwd.

Armering of buizen in magnetisch metaal.

Art. 242. <Zie nota's onder TITEL> De geleiders, die tot een zelfde wisselstroomkring horen, worden, in een zelfde omhulsel samengebracht, wanneer dit omhulsel, armatuur of buis, in magnetisch metaal is en geen doorlopend lengtevoeg bezit (en wanneer de geleiders beschermd zijn door veiligheden waarvan de nominale stroomsterkte groter is dan 25 A.) <KB 11-12-1958, art. 9>

Doorgang door muren, schotten en plafonds - Verlaten van de vloeren. <KB 15-04-1958, art. 3>

Art. 243. <Zie nota's onder TITEL> <KB 15-04-1958, art. 3> De geisoleerde niet gearmeerde geleiders dienen in buizen aangebracht wanneer zij geplaatst worden tussen een plafond en een vloer, of wanneer zij in een bekleding verzonken worden. Zij dienen eveneens in buizen aangebracht bij de doorgang door muren, schotten en plafonds.
Wanneer die buizen niet van staal zijn moeten zij mechanisch beschut worden op al de plaatsen waar gevaar voor beschadiging bestaat. Deze beschutting wordt onder meer tot stand gebracht boven de vloeren, tot op een hoogte van minstens 0,10 m in de woonlokalen en van minstens 1 meter in de andere lokalen

Aansluitingen.

Art. 244. <Zie nota's onder TITEL> De verbindingen tussen geleiders moeten gesoldeerd worden of tot stand gebracht door middel van aansluitstukken met drukschroeven of ook nog door elk ander gelijkwaardig stelsel.
Die aansluitingen moeten te allen tijde onderzocht kunnen worden.
2. Bijzondere voorschriften betreffende de laagspanningsbinneninstallaties. <KB 26-02-1971, art. 6>

Art. 245. <Zie nota's onder TITEL> <KB 26-02-1971, art. 6> De verlichtingstoestellen met gloeilampen worden niet gevoed met een nominale spanning die 250 volt overtreft.
3. Speciale voorschriften betreffende de aanleg van elektrische installaties in sommige lokalen.

Ketels en metalen vergaarbakken.

Art. 246. <Zie nota's onder TITEL> Op geen enkel punt van de stroomkring mag de spanning ten opzichte van de aarde die voor het onderzoek van ketels en metalen vergaarbakken gebruikte handlampen voedt 120 volt bij gelijkstroom en 35 volt bij wisselstroom overschrijden. Dit voorschrift is toepasselijk vanaf de verbinding der beweegbare geleiders aan de vaste leidingen. De beweegbare geleiders worden beschut door een omhulsel van leder of ander, uit oogpunt van weerstand tegen slijtage, gelijkwaardig materiaal. Nochtans is het gebruik van een metalen omhulsel verboden.

Installaties van ontladingslampen. <KB 19-02-1962, art. 2>

Art. 247. <Zie nota's onder TITEL> <KB 19-02-1962, art. 2> § 1. Onder "ontladingslamp" wordt verstaan, een lamp waarin, met het doel een al dan niet zichtbare straling uit te zenden, een elektrische ontlading plaats grijpt tussen verschillende elektroden in een geioniseerde gasatmosfeer.
De installaties van ontladingslampen worden in drie categorieën A, B en C ingedeeld.
Categorie A. Installaties die aan de lamphouders of aan de eindelektroden van een lamp, of aan de uiterste lamphouders of eindelektroden van een reeks lampen, wanneer de lamp of de lampen opgesteld zijn en normaal werken, een spanning geven welke, behalve tijdens de ontstekingsperiode, niet hoger is dan 250 V bij wisselstroom of 750 V bij gelijkstroom.
Categorie B. Installaties die aan de lamphouders of aan de eindelektroden van een lamp of aan de uiterste lamphouders of aan de eindelektroden van een reeks lampen, wanneer de lamp of de lampen opgesteld zijn en normaal werken, een wisselspanning geven welke, behalve tijdens de ontstekingsperiode, begrepen is tussen 250 V en 750 V.
Wanneer de lamp of één der lampen van de reeks uitgenomen is, mag deze spanning nochtans 1 000 V bereiken tussen lamphouders of uiterste eindelektroden.
Categorie C. Installaties die aan de lamphouders of aan de eindelektroden van een lamp of aan de uiterste lamphouders of eindelektroden van een reeks lampen een spanning geven welke hoger is dan 750 V wanneer de lamp of de lampen opgesteld zijn en normaal werken of hoger dan 1 000 V wanneer de lamp of één der lampen van de reeks uitgenomen is.
§ 2. Voorschriften toepasselijk op de installaties van de categorie A.
De stroomketens die de ontladingslampen van de categorie A voeden zijn onderworpen aan de voorschriften die de laagspanningsinstallaties beheersen.
§ 3. Voorschriften toepasselijk op de installaties van de categorie B.
De stroomketens die de ontladingslampen van de categorie B voeden zijn onderworpen aan de voorschriften die de installaties met gemiddelde spanning beheersen.
§ 4. Voorschriften toepasselijk op de installaties van de categorie C.
In de vaste installaties mag de secundaire nullastspanning niet meer bedragen dan 12 kV. Deze bepaling geldt niet voor de installaties die vóór 15 maart 1963 verwezenlijkt werden.
Behoudens hiernavermelde strijdige bepalingen, voldoen de stroomketens die de ontladingslampen van de categorie C voeden aan de voorschriften die de hoogspanningsinstallaties beheersen.
De primaire stroomketen van elke transformator of groep transformatoren is van volgende uitschakeltoestellen voorzien:
Buiteninstallaties:
Een meerpolige hulpschakelaar "brandweerschakelaar" genaamd, buiten, langs de straat of langs een doorgang en liefst op de voorgevel geplaatst, op een hoogte begrepen tussen 3 m en 4 m boven de grond en op een horizontale afstand van maximum 5 m van het dichtstbijgelegen uiteinde der lampen.
De schakelaar is geplaatst in een kast met voeg van het hermetisch type.
De kast is stevig bevestigd op een plaats die met behulp van een ladder gemakkelijk bereikbaar is. Er dient vermeden de kast boven een venster of een deur te plaatsen. De bediening van deze schakelaar wordt gemakkelijk uitgevoerd van op de grond met behulp van een roede voorzien van een haak. In deze kast is, achter een venster van doorzichtig materiaal waarvan de diameter minstens 4 cm bedraagt, een verkliklamp geplaatst die gevoed wordt door de primaire stroomketen van de transformator of van de groep transformatoren. Deze lamp brandt wanneer de primaire klemmen van de transformator of van de groep transformatoren onder spanning staan. Door het venster geeft zij een rood licht. De wand van de kast, voorzien van dit venster, is gemakkelijk van op de grond zichtbaar.
Indien de kast uit metaal is, moet zij geaard zijn onder de voorwaarden voorzien bij artikel 188.
Binneninstallaties:
Een meerpolige schakelaar zo dicht mogelijk bij de ontladingslampen geplaatst ofwel op het ontstekingsbord van het lokaal waarin de lampen opgesteld zijn.
§ 5. Aanvullende voorschriften gemeenschappelijk voor de installaties van de categorieën B en C.
A. Voeding.
a) Voor de voeding der ontladingslampen van de categorieën B en C is het gebruik van spaartransformatoren verboden. Deze bepaling geldt niet voor de installaties van de categorie B die vóór 15 maart 1962 verwezenlijkt werden.
(Onverminderd het bepaalde in artikel 15 van het in het volgende lid bedoelde koninklijk besluit, moeten de voedingstransformatoren welke in dienst gesteld worden zes maanden na de datum van homologatie bij koninklijk besluit van de norm NBN 575 overeenkomstig de bepalingen van die norm zijn.
Deze die in dienst gesteld worden vanaf 1 september 1968 moeten bovendien van een model zijn dat goedgekeurd is door de Minister van Economische Zaken, overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 13 december 1967 tot vaststelling van de veiligheidswaarborgen welke de voedingstransformatoren van de ontladingslampen der categorieën B en C moeten bieden en moeten, op een zichtbare zijde, de voorgeschreven aanduidingen dragen.) <KB 25-1-1968, art. 3>
b) De ontladingslampen worden gevoed door een speciale stroomketen vertrekkende van het hoofdverdeelbord of van een hulpverdeelbord. Deze speciale stroomketen is voorzien van een meerpolige schakelaar, "normaal schakelaar" genoemd, die de hulptoestellen van de ontladingslampen, waaronder ook de transformatoren begrepen zijn, bedient.
Elke andere schakelaar in deze stroomketen geplaatst is eveneens meerpolig.
B. Plaats van de hulptoestellen der ontladingslampen.
De binnen in de gebouwen aangebrachte hulptoestellen onder gemiddelde of hoge spanning, van de ontladingslampen, zijn geplaatst in een lokaal dat gescheiden is van het overige der installatie.
Dit lokaal is enkel toegankelijk voor personen die gemachtigd zijn er binnen te treden.
Zo deze schikking ontbreekt zijn de hulptoestellen geplaatst in één of meerdere kasten uit onbrandbare stof.
In de buiteninstallaties zijn de buiten gebouwen aangebrachte hulptoestellen met gemiddelde of hoge spanning van de ontladingslampen geplaatst in één of meerdere kasten uit onbrandbare stof die tegen de weersomstandigheden bestand zijn en het materieel waarborgen tegen het indringen van waterspatten.
Ingeval ze op brandbaar materiaal bevestigd zijn, zijn de hulptoestellen of de kasten die de hulptoestellen bevatten, op thermisch isolatiemateriaal geplaatst.
Een meerpolige schakelaar, "veiligheidsschakelaar" genoemd, wordt mechanisch bediend, door de deur van het lokaal of door het deksel van de kast die de hulptoestellen bevat, op zulke wijze dat de stroomketen geopend is wanneer het binnenste van het lokaal of van de kast bereikbaar is.
C. (Gemiddelde spannings- of hoogspanningsgeleiders.
De bepalingen van deze rubriek C gelden niet voor de installaties die vóór 15 maart 1962 verwezenlijkt werden.
Om de spanningopvoeringstransformatoren te verbinden met de eindelektroden van de lampen of met de lamphouders, alsook om de tussenliggende elektroden of lamphouders met elkaar te verbinden worden, wanneer de verbinding meer dan 30 cm lang is, een van de volgende geleiderstypes gebruikt:
1° kabels onder loodmantel, al of niet gepantserd, voorzien voor een nominale spanning die ten minste gelijk is aan de nullastspanning van de transformator;
2° kabels die geisoleerd zijn voor een nominale spanning welke minstens gelijk is aan de nullastspanning van de transformator. Deze kabels zijn beschermd.
Verbindingen tussen geleiders zijn toegelaten in de installaties van de categorie B. Deze verbindingen moeten uitgevoerd worden door middel van bus- of bekklemmen die voldoen aan § 18 van de norm NBN 575 en waarvan alle delen onder spanning of mogelijk onder spanning onbereikbaar zijn voor de genormaliseerde tastvinger. Zij moeten bovendien, tegen elke toevallige aanraking beschermd zijn door een omhulsel uit onbrandbaar materiaal.
Het is geoorloofd de verbindingen die minder dan 30 cm lang zijn uit te voeren in draad bedekt met een isolerend omhulsel dat voorzien is voor de nullastspanning van de transformator en dat een voldoende mechanische weerstand biedt. Deze lengte mag op 60 cm gebracht worden wanneer de draden in twee tussenliggende punten van hun lengte vastgemaakt zijn.
De isolering van deze verbindingen met betrekkelijk dikke glazen buizen, gelet op hun binnendiameter "capillaire buizen" genoemd, wordt beschouwd voldoende mechanische weerstand te bieden gezien de aard van deze verbindingen tussen elektroden van ontladingslampen die zelf betrekkelijk breekbaar zijn.) <15-09-1964, art. 1>
D. Lamphouders en elektroden.
De lamphouders en elektroden van ontladingslampen moeten beschermd zijn tegen toevallige aanraking.
De mechanische weerstand van het daartoe gebruikte isolerend omhulsel moet minstens gelijk zijn aan deze van de lampen zelf. De lampen en hun lamphouders of elektroden zijn bevestigd door middel van en op onbrandbare onderstellen.
E. Steunen van de lampen.
De steunen van de lampen, andere dan deze bedoeld in artikel 196 worden geaard onder de voorwaarden vermeld in artikel 188.
F. Terugkeer van de stroom.
Het is verboden de aarde of een metalen geraamte als stroomgeleider te gebruiken.
§ 6. Draagbare en beweegbare toestellen.
a) Het bepaalde in § 5, A, b, van dit artikel is niet toepasselijk op de voedingketens van draagbare of beweegbare toestellen.
b) De blanke delen onder spanning zijn gegroepeerd in een zelfde kast die bij voorkeur uit isolerend materiaal bestaat. Indien een metalen kast gebruikt wordt is deze geaard tenzij het materieel dat zij bevat door een dubbele isolatie beschermd is.
(lid opgeheven) <KB 26-02-1971, art. 7>
c) Het is geoorloofd de verbinding van deze toestellen door middel van een gewone contactdoos uit te voeren, op voorwaarde dat de secondaire stroomsterkte niet groter is dan 25 mA.
d) De "normaal" en "hulp" schakelaars zijn niet verplicht.
e) In de draagbare en beweegbare toestellen mag de secundaire nullastspanning de 6 kV niet overschrijden.

Bad- of stortbadzalen.

Art. 248. <Zie nota's onder TITEL> Zowel in openbare als in private bad- of stortbadzalen mag geen enkel deel van de elektrische installatie noch enig beweegbaar toestel onder het bereik zijn van een persoon die zich van de badkuip of van het stortbad bedient of daarmede in aanraking is.
De elektrische badkachels, alsmede de daarop aangesloten waterleidingen mogen in de nabijheid van de badkuip of van het stortbad aangebracht worden, op voorwaarde dat alle metalen delen, behalve de geleiders, voortdurend elektrisch met de aarde verbonden zijn en dat de vanuit de badkuip of van onder het stortbad bereikbare elektrische leidingen beschermd worden door een geaard metalen omhulsel met grote mechanische weerstand.
Elke schel of elk ander elektrisch toestel, al dan niet verbonden aan een licht- of drijfkrachtleiding en vanuit het bad of van onder het stortbad bediend, mag dit slechts worden door middel van een hermetisch trekschakelaar, met niet-geleidend snoer.
Elke elektrische installatie in dergelijke lokalen moet daarenboven voldoen aan de voorschriften van artikel 249.

Vochtige of natte lokalen.

Art. 249. <Zie nota's onder TITEL> Worden als zodanig aangezien, de lokalen waarin de vochtigheid zich in de vorm van waterdruppels verdicht of die aanhoudend of tijdelijk vol waterdamp of wasem zijn (wasplaatsen, melkerijen, zekere kelders, bad- of stortbadlokalen, wasserijen, enz., zowel openbare als private).
Behoudens materiële onmogelijkheid, worden de geleiders en de toestellen, die de stroomkringen van deze lokalen bedienen, buiten die lokalen aangebracht.
Ingeval de installatie gedeeltelijk of geheel binnen de lokalen wordt aangebracht, dienen de volgende voorschriften nageleefd.
Zijn alleen toegelaten:
a) (montage in staalpantserbuizen met geschroefde verbindingsstukken of in buizen uit thermoplastic op voorwaarde dat de verbindingen tussen die buizen op zulke wijze uitgevoerd worden dat zij volkomen hermetisch zijn;) <KB 15-04-1958, art. 4>
b) montage met draden of kabels, waarvan de isolering beschermd is door een waterdichte en vochtvaste armering;
c) montage met draden of kabels geisoleerd met gummi en bevestigd op klok-isolatoren in isolerend, onbrandbaar en niet-hygroscopisch materiaal, waarbij de draden over heel de lengte op ten minste 20 millimeter van de wanden gehouden worden.
Het inleiden van de geleiders in een verlichtingstoestel, in een schakelaar, in een smeltzekering, in een weerstand, enz., dient in dier voege gedaan, dat het water dat langs de geleiders afloopt, niet in die toestellen dringen kan.
Het moet mogelijk zijn al de geleiders buiten spanning te stellen, zelfs wanneer zij met de aarde zijn verbonden.
Ieder stroomkring wordt door een meerpolige schakelaar bediend.
De hulsels van de lamphouders zijn in porselein of in een ander gelijkwaardig isoleermateriaal. Nochtans worden gewone lamphouders toegelaten, op voorwaarde dat ze in hermetische bekledingen worden aangebracht.
Sleutellamphouders worden niet toegelaten.
De schakelaars, de smeltzekeringen of andere gebruikte toestellen moeten van het hermetisch type met rubbervoeg zijn.
De draagbare toestellen, de beweegbare toestellen en leidingen mogen niet blijvend aangesloten worden.
Enkel laagspanning wordt toegelaten. Nochtans wordt het plaatsen van motoren met gemiddelde spanning toegelaten, onder de volgende voorwaarden:
a) de motoren zijn gans gesloten of gesloten-geventileerd, met aanzuiging en wegpersing der lucht buiten de lokalen;
b) de vaste motoren worden gevoed door middel van pantserkabels. Voor voeding en uitrusting van brugkranen en andere beweegbare manutentie-toestellen, zijn geisoleerde en ongepantserde slappe kabels toegelaten. Die kabels worden beschermd door een omkleding, bestand tegen sleet en tegen vocht. Daarvoor een metalen omkleding gebruiken is verboden. Glij- en rolcontacten in de lucht voor de voeding van die toestellen zijn verboden;
c) er worden ingesloten automatische schakelaars gebruikt;
d) het gebruik van smeltzekeringen is verboden.
(De installaties van ontladingslampen der categorieën A en B zijn toegelaten op voorwaarde dat de wijze van bescherming voorzien bij artikel 220 wordt toegepast voor hun hulptoestellen en deze voorzien bij artikel 247, § 5, D, voor hun lamphouders en elektroden.
De installaties van ontladingslampen van de categorie C zijn toegelaten buiten de gebouwen.) <KB 19-02-1962, art. 3>

Lokalen door geleidende vochten doordrongen of waarin zich bijtende dampen ontwikkelen.

Art. 250. <Zie nota's onder TITEL> Dusdanige lokalen zijn o.a. de vee- of paardestallen, kaasfabrieken, leerlooierijen, waslokalen van papier- en andere nijverheidsinrichtingen, enz.
De voorschriften betreffende de lokalen, waarvan spraak in artikel 249, dienen hier toegepast; nochtans zijn de hulsels der lamphouders van porselein of elk ander gelijkwaardig isoleermateriaal. De lampen en hun houders zijn in hermetische toestellen aangebracht.
Het materieel moet aan scheikundige inwerking kunnen weerstaan.

Lokalen die licht ontvlambare stoffen bevatten.

Art. 251. <Zie nota's onder TITEL> a) Magazijnen, uitstalramen, enz. Voor de vaste leidingen wordt enkel montage in buizen of met metaal gepantserde geisoleerde leidingen toegelaten.
De borden, schakelaars, stopcontacten, zekeringen worden minstens op 0m50 afstand van ontvlambare stoffen aangebracht.
Ten einde elk brandgevaar te vermijden, worden de lampen op een voldoende afstand van elke ontvlambare stof geplaatst.
(Alleen laagspanning is toegelaten. Nochtans zijn installaties van ontladingslampen der categorieën A, B en C toegelaten.) <KB 11-12-1958, art. 12, § 1>
b) (Maalderijen, houtzagerijen. Voor de vaste leidingen worden enkel montages in staalbuizen of in pantserdraad of pantserkabel toegelaten, alsook montage in buizen uit thermoplastic. Evenwel is ook elk ander montagestelsel toegelaten, indien het dezelfde hoedanigheden van dichtheid en mechanische weerstand bezit.) <KB 15-04-1958, art. 5, § 1>
Alle toestellen, die vonken kunnen afgeven, zoals schakelaars, rheostaten, zekeringen, lampen, aanzetters, dienen door hermetische omhulsels beschut.
De maalderijmotoren zijn gans gesloten of gesloten geventileerd met aanzuiging en wegpersing der lucht buiten de lokalen.
De houtzagerijmotoren mogen van het open type zijn, op voorwaarde op doelmatige wijze tegen ophopingen van houtafval te zijn beschut.
Het gebruik van booglampen is verboden.
(Alleen laagspanning is toegelaten. Nochtans zijn installaties van ontladingslampen der categorieën A en B toegelaten, alsmede installaties van motoren met gemiddelde spanning. Deze installaties voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 249.) <KB 11-12-1958, art. 12, § 2>
c) (opgeheven) <KB 26-02-1971, art. 8>

Art. 251bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 26-02-1971, art. 9> Industriële benzineopslagplaatsen.
Wanneer elektrische installaties zijn ingericht in lokalen of ruimten die in de nabijheid zijn gelegen of van benzinetanks die in open lucht zijn opgesteld of van hun inrichtingen voor het vullen of aftappen en dat het gevaar voor ontvlambare vloeistoffen of de vorming van een ontplofbaar mengsel, ontvlambare dampen/lucht, bestaat of te vrezen is, dan beantwoorden deze aan de volgende voorschriften:
1. het aantal elektrische toestellen is tot het strikt noodzakelijke minimum beperkt;
2. de elektromotoren zijn zoveel mogelijk in open lucht opgesteld;
3. een alpolige schakelaar die buiten elk van de bedoelde plaatsen is opgesteld moet het mogelijk maken de installaties volledig te isoleren;
4. de elektrische installaties worden slechts met elektrische laagspanningsstroom gevoed.
Nochtans zijn de installaties van ontladingslampen van de categorieën A en B toegelaten.
Voor de voeding van de elektromotoren met een minimumvermogen van 100 pk mag gebruik gemaakt worden van de hoogspanning op voorwaarde dat de bepalingen van de artikelen 192 en 199 en de volgende voorwaarden worden nageleefd:
a) de ganse inrichting is gepantserd;
b) de verspreidingsweerstand van de aarding bedraagt ten hoogste één ohm.
De keuze van de elektrische uitrusting, alsook de wijze van opstelling ervan worden bepaald door de graad van gevaar van de betrokken ruimten, daartoe onderverdeeld in vier zones:
Zone 0:
In deze zone is een ontplofbaar mengsel gas/lucht bestendig of gedurende lange perioden aanwezig.
De elektrische toestellen zijn er verboden, behalve de elektrische toestellen met intrinsieke veiligheid van eerste categorie, bepaald in de norm NBN 683 of de gelijkwaardige.
Zone 1:
In deze zone kan zich tijdens de normale werking van de installaties een ontplofbaar mengsel gas/lucht vormen.
De wijzen van beveiliging die voor de elektrische toestellen zijn toegelaten zijn de volgende:
- de intrinsieke veiligheid, bepaald in de norm NBN 683;
- de ontploffingsvaste hulzen, bepaald in de norm NBN 286;
- de omhulsels met inwendige overdruk, bepaald in de norm NBN 716;
- het poedervormige isolatiemateriaal.
De enige montages toegelaten voor de elektrische leidingen zijn:
- de montage in TIAF buizen, bepaald in de norm NBN 45;
- de gepantserde kabel, onder loodmantel, waarvan de pantsering en de mantel geaard zijn;
- de soepele geleiders van het type CTF-B.N, bepaald in de norm NBN 10.01;
- de leidingen met minerale isolatie, bepaald in de norm NBN 693;
- elke andere montage, indien ze dezelfde veiligheidswaarborgen biedt.
Zone 2:
In deze zone is het bestaan van een ontplofbaar mengsel gas/lucht weinig waarschijnlijk en zou het, indien dit wel het geval was, slechts gedurende een korte tijd blijven bestaan.
De toegelaten wijzen van beveiliging voor de toestellen zijn de volgende:
- de wijzen van beveiliging, bepaald voor de zone 1;
- de verhoogde veiligheid, bepaald in de norm NBN 717:
- de olieonderdompeling.
De toegelaten montages zijn:
- de montages van de zone 1;
- de montages in TAF buizen, bepaald in de norm NBN 45;
- de montages in buizen uit thermoplastische stoffen, op voorwaarde dat de koppelingen hermetisch zijn en dat de buizen beschermd zijn door een stalen buis of door elk ander gelijkwaardig middel, op de plaatsen waar ze aan stoten zijn blootgesteld;
- elke andere montage, indien ze dezelfde veiligheidswaarborgen biedt.
Zone 3:
In deze zone is het risico voor het ontstaan van een gevaarlijke atmosfeer als verwaarloosbaar te beschouwen.
De toestellen en montages van het normale industriële type mogen in die plaatsen aangewend worden.
De bepalingen van dit artikel zijn eveneens van toepassing:
1. op de opslagplaatsen in tanks, opgericht in open lucht, van ontvlambare stoffen waarvan het ontvlammingspunt kleiner is dan of gelijk is aan 21° C;
2. op de opslagplaatsen, in vaten en bussen, van ontvlambare vloeistoffen waarvan het ontvlammingspunt kleiner is dan of gelijk is aan 50° C, opgericht in gesloten lokalen, wanneer ze opgenomen zijn onder de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen.

Lokalen die springstoffen bevatten.

Art. 252. <Zie nota's onder TITEL> Enkel laagspanning is toegelaten.
Elke elektrische installatie wordt buiten de lokalen aangebracht en bediend door een meerpolige schakelaar, die gans de installatie kan isoleren.
Enkel gloeilampen worden toegelaten. Ze worden in een nis geplaatst die langs binnen door een dik glas of elk ander gelijkwaardig toestel is gesloten.
Indien, om een bijzonder reden, de lampen binnen de lokalen dienen geplaatst, dan wordt het hublotstelsel toegepast en de voedingsleidingen worden door staalpantserbuizen beschut; die buizen worden met metselwerk, warmtewerende stof of beton ommanteld.
Het gebruik van draaglampen en elektromotoren is verboden.
Iedere elektrische luchtlijn is verboden, indien zij niet ten minste 20 meter verwijderd is van de lokalen waar de springstoffen geborgen zijn; die welke tot voeding van die lokalen dienen, worden van op dien afstand vervangen door ondergrondse pantserkabels, waarvan de aansluitingen met het bovengronds net voorzien worden van bliksemafleiders en van smeltveiligheden.
De palen van de bovengrondse lijn zijn voorzien van met de aarde verbonden bliksemafleiders.

Tweede deel - Exploitatie en toezicht.
I. Beschuttingsinrichtingen en waarschuwingsborden.

Beschuttingsinrichtingen.

Art. 253. <Zie nota's onder TITEL> Buiten de lokalen van de elektriciteitsdienst en de bewaakte lokalen, worden de beschuttingsinrichtingen in dier voege vastgemaakt dat ze niet gemakkelijk geopend, weggenomen of verplaatst kunnen worden.

Waarschuwingsborden.

Art. 254. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1997-06-17/46, art. 22, 044; Inwerkingtreding : 29-09-1997> De aanwezigheid van leidingen of toestellen op hoogspanning of gemiddelde spanning wordt aangeduid door waarschuwingsborden voor gevaar voor elektrische spanning, met een zijde van minstens 20 cm, overeenkomstig de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk.
Deze bepaling is niet toepasselijk op installaties van ontladingslampen van de categorie B. Voor installaties van ontladingslampen van categorie C en voor hoog- of gemiddelde spanningsleidingen of -toestellen in de ontstekingsinrichtingen van stookoliebranders mag de zijde van het waarschuwingsbord voor gevaar voor elektrische spanning tot 5 cm teruggebracht worden.
Daarenboven wordt op de installaties van ontladingslampen van categorie C de maximum waarde van de nullastspanning aangeduid.

Kenmerken van de machines.

Art. 255. <Zie nota's onder TITEL> De generators, motoren en transformatoren zijn voorzien van een herkomstplaat, waarop o.a. is aangeduid de naam van de constructeur, een volgnummer, alsook de nominale waarden van de bedrijfsspanning en van het normaal vermogen of van de daarmede overeenstemmende stroom.

Schematisch plan.

Art. 256. <Zie nota's onder TITEL> Voor elke elektrische installatie, met een vermogen van minstens 50 kW, maakt en houdt men ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaren en van het onderzoekend personeel één of meer schematische plannen, die aanduiden: de spanningen en de aard van de stroom, het vermogen en de kenmerken der generators, der motoren en der transformatoren.
II. Exploitatie, herstelling en uitbreiding van de installaties.

Onderhoud, schoonmaak en herstelling van hoog- of gemiddelde-spanningsinstallaties.

Art. 257. <Zie nota's onder TITEL> De werkzaamheden tot onderhoud, schoonmaak of herstelling van de elektrische hoog- of gemiddeldespanningsinstallaties worden alleen uitgevoerd door personen die daartoe opdracht hebben.Die personen beschikken over een noodverlichting voor de werken binnen de lokalen.

Bediening onder stroom en bediening onder spanning.

Art. 258. <Zie nota's onder TITEL> In de hoog- en gemiddelde spanningsinstallaties is het verboden onder stroom staande smeltzekeringen te behandelen; uitzondering op deze regel mag gemaakt worden voor de smeltveiligheden die de potentiaaltransformatoren en de transformatoren met een vermogen van hoogstens 10 KVA beschermen, op voorwaarde dat, voor deze laatste, de laagspanningsstroomketen helemaal verbroken is, vooraleer de primaire stroomverbrekers bediend worden.
Het in werking stellen van onder stroom staande hoog- of gemiddelde spanningssectieschakelaars wordt enkel toegelaten voor het in of buiten bedrijf stellen van installaties, waarbij het geinstalleerd schijnbaar vermogen 100 KVA niet overschrijdt.
Nochtans is dit voorschrift niet toepasselijk in geval van openluchtschakelaars van luchtlijnen, die op afstand bediend worden en voorzien zijn van hoornen of van elk ander toestel, geschikt om hoge stroomverbrekers bedienen, welke voorzien zijn van toestellen tot beperking van de stroom, op voorwaarde evenwel dat het personeel gedurende de bediening beschermd is.
(De bediening) onder spanning van schakelaars en smeltzekeringen voor hoge spanning mag enkel geschieden met behulp van gereedschap, waarvan het geheel twee in serie isolerende delen bevat, waarvan elk een voldoende isolering bezit. <KB 10-06-1952, art. 14 en bijl.>

Werken en bedieningen buiten spanning.

Art. 259. <Zie nota's onder TITEL> De toestellen en de gedeelten hoogspanningsleiding, die herstellings-, vernieuwings-, regelings- of onderhoudswerken vereisen, worden vooraf buiten spanning gesteld en vervolgens, in de meest onmiddellijke nabijheid van de plaats der werken met de aarde verbonden. De aarding geschiedt aan weerskanten van die toestellen of die leidingsgedeelten, wanneer het onder spanning zetten eventueel mogelijk is aan beide zijden.
De bevelen tot het uitschakelen en tot aarden worden uitsluitend gegeven door de daartoe gemachtigde persoon, die het herstellen, vernieuwen, regelen of onderhouden der toestellen of leidinggedeelten onder hoge spanning leidt. Die persoon beveelt daarenboven het aanbrengen in de nabijheid der bedieningstoestellen van bordjes houdende verbod om weer in te schakelen.

Opnieuw in werking stellen.

Art. 260. <Zie nota's onder TITEL> Het wegnemen der aardingen, het wegnemen der bordjes met verbod om weer in te schakelen en het weer onder spanning brengen van een deel of het geheel der hoogspanningsinstallatie mag slechts bevolen worden door de daartoe gemachtigde persoon. Alvorens zijn bevelen te geven, vergewist deze persoon er zich van dat de uitvoering er van niet schadelijk is voor personen of voor zaken.
IIbis. <KB 05-08-1974, art. 2> Werken in de nabijheid van ondergrondse elektrische kabels.

Art. 260bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 05-08-1974, art. 2> § 1. Geen enkel grond-, bestratings- of ander werk mag worden uitgevoerd in de nabijheid van een ondergrondse elektrische kabel zonder dat de eigenaar van de ondergrond, de overheid die de eventueel gebruikte openbare weg beheert en de eigenaar van de kabel vooraf zijn geraadpleegd. Het feit dat de in artikel 233 bedoelde merktekens al dan niet aanwezig zijn ontslaat niet van deze raadpleging.
Het bepaalde in het eerste lid is niet toepasselijk wanneer dringend werken moeten worden uitgevoerd om onderbreking van de dienst te vermijden.
Als de raadpleging niet heeft kunnen plaatshebben, mag het werk niet uitgevoerd worden zonder voorafgaande lokalisering van de kabels.
§ 2. Geen mechanische machines of werktuigen mogen worden gebruikt, in de veiligheidsruimte die begrensd is door twee verticale vlakken op 50 cm afstand aan weerskanten van de kabel, zonder dat de aannemer en de eigenaar van de kabel vooraf zijn overeengekomen over de na te leven voorwaarden.
§ 3. Wat betreft de installaties die zij gebruikt of die op haar domein zijn gelegen, kan de militaire overheid, om redenen van militaire veiligheid, zich verzetten tegen de gehele of gedeeltelijke toepassing van dit artikel.
III. Toezicht.

Controle van de installaties. <KB 01-07-1971, art. 1>

Art. 261. <Zie nota's onder TITEL> a) (Overeenkomstig de bepalingen van titel V, hoofdstuk I, door Onze bevoegde Minister voor de controle van de elektrische installaties erkende organismen, zijn belast met de door onderstaand artikel 262 voorgeschreven onderzoeken.
Bij afwijking van het eerste lid van onderhavig artikel kan de controle van de op een openbaar verdeelnet aangesloten elektrische installaties worden uitgevoerd door een afgevaardigde van de distributeur in plaats van door een erkend organisme.
De distributeurs zijn er toe gehouden aan de bevoegde administratie, met het oog op hun erkenning, naam, woonplaats en hoedanigheid mede te delen van ieder van hun afgevaardigden die met de controle van de gezamenlijke op hun verdeelnetten aangesloten installaties belast zijn.
Deze afgevaardigden mogen echter niet belast worden met de controle van de installaties van de distributeur.
Zij maken werkelijk deel uit van het personeel van deze laatste. Zij voldoen bovendien aan de in titel V, hoofdstuk I, voor de agenten-onderzoekers gestelde voorwaarden. Het in artikel 829bis, c, 7°, bepaalde is evenwel niet van toepassing op de door de gemeentelijke en intercommunale bedrijven voor openbare elektriciteitsdistributie aangewezen afgevaardigden.) <KB 01-07-1971, art. 1>
(De Staat en de Dienst der Scheepvaart mogen het onderzoek van de laagspanningsinstallaties die zij gebruiken, laten verrichten door het Bestuur voor Elektriciteit en Elektromechanica van het Ministerie van Openbare Werken.
De Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen en de Nationale Maatschappij van Buurtspoorwegen mogen het onderzoek van de laagspanningsinstallaties die zij gebruiken, zelf verrichten.) <KB 22-01-1962, art. 1>
(De Regie van Telegraaf en Telefoon en de ((Nationale Maatschappij der luchtwegen (N.M.L.W.))) mogen het onderzoek van de laagspanningsinstallaties die zij gebruiken geheel of gedeeltelijk zelf verrichten of laten verrichten door het voornoemd Bestuur voor Elektriciteit en Elektromechanica.) <KB 22-01-1962, art. 1> <W 1991-03-21/30, art. 169, 033; Inwerkingtreding : onbepaald>
(De Staat laat het onderzoek van de installaties met gemiddelde en met hoge spanning die hij gebruikt, verrichten door de directie elektrische energie van het Ministerie van Economische Zaken en Energie. De instellingen vermeld in het 7e, 8e en 9e lid, mogen het onderzoek van installaties met gemiddelde en met hoge spanning die zij gebruiken insgelijks door de directie laten verrichten.
Het Ministerie van Landsverdediging zorgt zelf voor het onderzoek van de installaties die het gebruikt.) <KB 22-01-1962, art. 1>
b) Daarenboven wordt door de eigenaars of beheerders der exploitatie, onder hun personeel en voor zover het hoogspanningsinstallaties betreft, een of meer vaste opzichters aangesteld wier verplichtingen in artikel 265 omschreven zijn.

Onderzoekingen.

Art. 262. <Zie nota's onder TITEL> De elektrische installaties worden onderzocht (door een erkend organisme, door een met de controle belaste afgevaardigde van de distributie, of door de overheid, overeenkomstig de bepalingen van artikel 261, litt. a): <KB 01-07-1971, art. 2>
1° vóór het in bedrijf stellen van elke installatie;
2° éénmaal per jaar voor elke hoog- of gemiddelde spanningsinstallatie;
(Er wordt een uitzondering gemaakt voor de installatie van ontladingslampen der categorie B en voor ontstekingsinrichtingen van stookoliebranders, voor dewelke het jaarlijks onderzoek niet wordt opgelegd) <KB 28-06-1962, art. 2>
3° vóór het in werking stellen van elke werkelijke wijziging of vergroting van een hoog- of gemiddelde spanningsinstallatie.
IV. Plichten van de eigenaars, beheerders, onderzoekers, opzichters en werklieden.

Plichten van de erkende organismen, van de met de controle belaste afgevaardigden van de distributeurs of van de overheid.

Art. 263. <Zie nota's onder TITEL> <KB 01-07-1971, art. 3> Het erkend organisme, de met de controle belaste afgevaardigde van de distributeur of de overheid die de controle uitvoert, vergewist er zich van dat de installaties in al hun delen voldoen aan de voorschriften van deze afdeling, (...) <KB 1993-06-10/35, art. 1, 037; Inwerkingtreding : 1993-07-16>
Geldt het een laagspanningsinstallatie, dan wordt er, na het onderzoek gedaan in het 1° van artikel 262 bedoelde geval, een proces-verbaal opgemaakt, dat door de eigenaar of de beheerder van de installatie op elke vordering dient voorgelegd aan de met het toezicht belaste ambtenaar.
Geldt het een hoog- of gemiddelde spanningsinstallatie, dan vermeldt het erkend organisme, de met de controle belaste afgevaardigde van de distributeur of de overheid die de controle uitvoert zijn waarnemingen in een speciaal daarvoor bestemd register, dat op elke vordering van de met het toezicht belaste ambtenaar dient voorgelegd.)

Plichten van de eigenaar of beheerder.

Art. 264. <Zie nota's onder TITEL> De eigenaar of beheerder van een elektrische installatie is er toe gehouden de bepalingen van deze afdeling na te leven of te doen naleven, onverminderd de rechtshalve openstaande beroepen. Behalve waar het een particuliere laagspanningsinstallatie geldt, is de eigenaar of de beheerder namelijk gehouden:
a) voor een hoog- of gemiddelde spanningsinstallatie, (het erkend organisme, de met de controle belaste afgevaardigde van de distributeur of de overheid die de controle uitvoert) in te lichten omtrent elke wijziging of merkelijke uitbreiding van de installatie, en zulks voor het in werking stellen van de wijzigingen en uitbreidingen; <KB 01-07-1971, art. 4>
b) ingeval er werken worden uitgevoerd aan de onder spanning staande installaties, ter beschikking van zijn personeel het nodige materieel te stellen, en namelijk datgene voorzien bij artikel 258;
c) ter beschikking van zijn personeel te stellen: exemplaren van de tekst van deze afdeling, schema's van de verbindingen, afschriften van de schriftelijke onderrichtingen, die hij nodig acht te geven zowel met het oog op de veiligheid van de arbeid als de redding bij ongevallen. Een exemplaar alsmede van de geschreven onderrichtingen, wordt aan iedere opzichter, waarvan spraak in artikel 261, sub littera b, overhandigd;
d) er zich van te verzekeren, dat zijn opzichters de reglementsbepalingen kennen en verstaan, alsmede de onderrichtingen die ze moeten doen naleven;
e) op goed gekozen plaatsen, een onderrichting aan te plakken betreffende de eerste hulp bij ongevallen;
f) de met het toezicht belaste ambtenaar onmiddellijk te verwittigen van elk ongeval aan personen overkomen en dat rechtstreeks of onrechtstreeks te wijten is aan de tegenwoordigheid van installaties, dienende tot het voortbrengen, transformeren, overbrengen, verdelen, meten of benutten van elektrische energie, die hun toebehoren of waarvan zij het beheer hebben.

Plichten van de opzichters.

Art. 265. <Zie nota's onder TITEL> De opzichters zijn verplicht, elk binnen de grenzen der hun opgedragen taak:
a) minstens eenmaal per maand al de delen van de hoog- of gemiddelde spanningsinstallaties te onderzoeken, waarmede zij belast zijn en zich inzonderheid er van te verzekeren, dat de veiligheids- en beschuttingstoestellen in goede staat zijn;
b) op staanden voet aan hun overheid de defecten te doen kennen, die ze vaststellen.

Door de werklieden na te leven algemene voorschriften.

Art. 266. <Zie nota's onder TITEL> Het is aan de werklieden verboden:
a) de onder spanning staande geleiders, alsook de niet beschutte delen van machines, toestellen of leidingen zonder noodzakelijkheid aan te raken;
b) de beschuttende bekledingen weg te nemen of te beschadigen of zonder daartoe bevel te hebben ontvangen, te openen;
c) onder spanning werken uit te voeren zonder het speciaal materiaal te bezigen, dat te dien einde te hunner beschikking is gesteld;
d) in de gesloten lokalen van de elektriciteitsdienst te treden, zonder daartoe bevel te hebben ontvangen; in die lokalen gereedschap, klederen of andere voorwerpen neer te leggen, die zij voor het verrichten van hun werkzaamheden niet nodig hebben en waarvan de aanwezigheid in de lokalen niet door dienstredenen gewettigd kan worden.

Derde deel - Overgangsbepalingen. <KB 30-04-1955, art. 1>

Art. 266bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 30-04-1955, art. 1> De bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op de installaties welke reeds vóór 27 januari 1932 bestonden.
Nochtans, wanneer de veiligheid der personen op het spel staat, hebben de ambtenaren, belast met het hoger toezicht over de elektrische installaties het recht te eisen dat de in het eerste lid bedoelde installaties zo gewijzigd worden, dat zij voldoen aan de voorschriften van deze afdeling. Bovendien zijn de voorschriften, welke geen verandering der toestellen of van de staat der plaatsen vergen, bindend, zelfs voor de oude installaties.
Tegen de beslissingen van voornoemde ambtenaren kunnen de betrokkenen beroep aantekenen bij de bevoegde Minister, die uitspraak doet na het advies van het Vast electro-technisch comité of van de bevoegde vaste afdeling ingewonnen te hebben.

Afdeling II - Hefwerktuigen.

Art. 267. <Zie nota's onder TITEL> <KB 19-09-1980, art. 1> Toepassingsgebied. - Definities.
1. Toepassingsgebied.
1.1. Met uitzondering van de hefwerktuigen van de schepen, die onder toepassing vallen van de wet van 5 juni 1972 op de veiligheid der schepen, zijn de bepalingen van deze afdeling van toepassing op de hefwerktuigen gebruikt door de (personen, ondernemingen en instellingen) bedoeld in artikel 28 van dit reglement. <KB 1987-09-17/31, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 12-10-1987>
1.2. Worden niet als hefwerktuigen, in de zin van deze afdeling beschouwd :
1.2.1. de gietijzerbreekmachines en toestellen om de palen en paalplanken (heistellingen) te heien op voorwaarde dat deze machines uitsluitend gebruikt worden voor het hijsen van de vallende drijfhamer of het heiblok, en niet voor het hijsen van materialen;
1.2.2. de hefwerktuigen die met de hand bewogen worden en die geen enkele reductieinrichting bevatten;
1.2.3. de graafmachines, mechanische schoppen en andere soortgelijke toestellen wanneer ze uitsluitend voor grondwerken worden aangewend;
1.2.4. de hefbruggen voor motorvoertuigen.
(2. Definities :
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder :
2.1. hefwerktuig : de hijswerktuigen, de hoogwerkers, de personenliften, de goederenliften, de bouwliften, de materiaalliften en de toestellen die tijdelijk of bij gelegenheid als dusdanig gebruikt worden;
2.2. hijswerktuig : een werktuig met intermitterend bedrijf ingericht en bestemd voor het hijsen en het eventueel verplaatsen van opgehangen lasten;
2.3. hoogwerker : een toestel omvattende een werkplatform voor één of meerdere personen en hun eventueel materieel, bevestigd hetzij op een al of niet draaibare gearticuleerde arm, hetzij op een schaarsysteem, hetzij op een telescopische arm of zuiger, dat zich bij middel van een hydraulische, pneumatische of electromechanische aandrijving in de hoogte of in de gewenste richting kan bewegen, en dat speciaal bestemd is voor het uitvoeren van montage-, herstellings- en onderhoudswerken zonder het werkplatform te verlaten.
Het geheel is opgesteld op een verrijdbaar onderstel;
2.4. personenlift : een vast opgesteld hefwerktuig dat welbepaalde (stopplaatsen) bedient en dat uitgerust is met een kooi waarvan de afmetingen en de bouwwijze het betreden door personen mogelijk maken en die zich, langs vertikale geleiders of geleiders waarvan de helling ten overstaan van de vertikale kleiner is dan 15°, beweegt; <KB 1984-12-12/30, art. 1, 009>
2.5. goederenlift : een vast opgesteld hefwerktuig dat bepaalde (stopplaatsen) bedient en uitgerust is met een kooi die door zijn afmetingen en samenstelling niet toegankelijk is voor personen en zich langs vertikale geleiders of geleiders waarvan de helling ten overstaan van de vertikale kleiner is dan 15°, beweegt. <KB 1984-12-12/30, art. 1, 009>
De kooi is niet toegankelijk voor personen indien :
1° ofwel alle afmetingen de volgende grootten niet overschrijden :
a) oppervlakte : 1,00 m2;
b) diepte : 1,00 m;
c) hoogte : 1,20 m.
De kooihoogte mag nochtans hoger zijn dan 1,20 m wanneer de kooi door middel van vaste schotten in compartimenten is ingedeeld die elk voor zich aan de hogervermelde eisen voldoen;
2° ofwel de kooivloer zodanig is ingericht dat een persoon er geen plaats kan op nemen omwille van de aanwezigheid van een rollenbaan, rails of een soortgelijke hinderpaal;
2.6. (fabriekslift : een vast opgesteld hefwerktuig dat bepaalde stopplaatsen bedient, uitgerust met een kooi of laadvloer toegankelijk voor personen welke zich langs één of meerdere vertikale geleiders of waarvan de helling ten overstaan van de vertikale kleiner is dan 15° beweegt en waarvan de bediening slechts kan geschieden van buitenuit en dat voor het vervoer van personen verboden is.) <KB 1984-12-12/30, art. 1, 009>
2.7. hydraulische personen-, goederen- en fabriekslift : een toestel waarbij de energie voor het heffen van de last geleverd wordt door een motor die een pomp aandrijft die een vloeistof tegen een zuiger stuwt welke direct of indirect de verplaatsing van de kooi of de laadvloer verzekert (meerdere motoren, pompen en zuigers kunnen gebruikt worden).
De hydraulische heftafels die gebruikt worden als personen-, goederen- of fabriekslift zijn hieronder begrepen, zelfs in het geval ze niet bewegen langs vertikale geleiders of geleiders waarvan de helling ten overstaan van de vertikale geleiders kleiner is dan 15°;
2.8. hydraulische personen-, goederen- en fabriekslift met directe aandrijving : een toestel waarvan de zuiger of de cilinder direct bevestigd is aan de kooi of het kooiraam;
2.9. hydraulische personen-, goederen- en fabriekslift met indirecte aandrijving : een toestel waarvan de zuiger of de cilinder met de kooi of het kooiraam verbonden is op een andere wijze dan direct, bijvoorbeeld via kabels of kettingen;
2.10. personenbouwlift : een personenlift op een tijdelijke bouwplaats opgesteld;
2.11. materiaallift : een tijdelijk opgesteld hefwerktuig uitsluitend bestemd voor het vervoer van materialen, goederen of meubelen (ladderliften), daartoe voorzien van een mobiele uitrusting die zich langs een of meerdere vertikale of hellende geleiders beweegt.
Onder mobiele uitrusting moet verstaan worden : een bak, laadvloer, kooi of soortgelijke voorziening tot het verplaatsen van materialen en goederen;
2.12. bedrijfslast : de toelaatbare last, die met behulp van de niet-verwisselbare hijsmiddelen mag worden gehesen, dit wil zeggen de toelaatbare som van de massa van de nuttige last, het hijsgereedschap (stroppen, de sluitings, ander soortgelijk gereedschap) en de verwisselbare hijsmiddelen (grijpers, jukken, soortgelijk materieel);
2.13. schacht van personen- en goederenlift : de ruimte waarin de kooi zich beweegt en ook het eventuele tegengewicht. Deze ruimte wordt begrensd door de bodem van de schachtput, de wanden en het plafond;
2.14. schachtdeur : elke deur die toegang geeft tot de schacht;
2.15. bordesdeur : schachtdeur die op elk niveau, toegang verleent tot de kooi of de laadvloer;
2.16. mechanisch gedwongen elektrisch contact : een schakelaar waarvan het openen wordt verwezenlijkt door een mechanisch ingrijpen dat voldoende is om de scheiding te verzekeren van de contactpunten, zo nodig door verbreking in geval van toevallig aan elkaar lassen of mechanisch vastraken van de schakelaar;
2.17. veiligheidscontact : een toestel dat minstens een mechanisch gedwongen elektrisch contact bevat en in werking brengt en waarvan het openen de kooi tot stilstand brengt en het opnieuw in beweging brengen van de kooi onmogelijk maakt;
2.18. deurcontact : een veiligheidscontact dat slechts kan gesloten worden wanneer de deur gesloten is;
2.19. automatische grendeling : een slot waarin het terugtrekken van het grendelend element verwekt wordt door een nok (of elk ander toestel dat dezelfde uitwerking heeft). Het slot grendelt de deur in kwestie in haar sluitstand en maakt het openen slechts mogelijk wanneer de kooivloer of de laadvloer zich in de betrokken ontgrendelingszone bevindt;
2.20. grendelcontact : een veiligheidscontact waarvan het contact niet kan gesloten worden zolang de deur niet vergrendeld is;
2.21. ontgrendelingszone : een vertikale zone gelegen aan beide zijden van de hoogte van de bordesdrempel en waarin de kooivloer of laadvloer zich moeten bevinden wanneer de overeenstemmende bordesdeur ontgrendeld is;
2.22. positieve grendeling : een automatische grendeling waarvan het ingrijpen in de deuren en het vrijmaken van het grendelend element worden gecontroleerd door een grendelcontact en die de deur grendelt in haar sluitstand en het openen slechts mogelijk maakt wanneer de kooi of de laadvloer zich in de ontgrendelingszone waar zij moeten stoppen bevinden;
2.23. grendelcontrolecontact (bij post-positieve grendeling) : een veiligheidscontact dat slechts kan gesloten zijn wanneer de kooi zich in de ontgrendelingszone bevindt en dat, wanneer de deur niet vergrendeld is bij het vertrek van de kooi, deze tot stilstand brengt door het afschakelen van de stroom, wanneer deze zich niet meer in de overeenstemmende ontgrendelingszone bevindt;
2.24. veiligheidskring : een elektrische kring waarin zowel onderdelen met als zonder galvanische scheiding voorkomen en waarvan de opbouw zodanig is dat slechts een gevaarlijke situatie kan ontstaan nadat minstens twee onderscheiden storingen gelijktijdig optreden. Deze kring zorgt ervoor dat het toestel tot stilstand gebracht wordt ten laatste vanaf de eerste sekwentie waaraan het eerste gestoord element moet deelnemen;
2.25. nominale snelheid : de snelheid van de kooi voor dewelke het toestel gebouwd werd en voor dewelke een normale werking gewaarborgd wordt door de leverancier;
2.26. vanginrichting : mechanische inrichting ontworpen voor het vastzetten en vasthouden van de kooi of het tegengewicht op hun geleiders bij te hoge neerwaartse snelheid of bij breuk van de ophangorganen;
2.27. blokkeervang : vanginrichting waarbij het vastzetten op de geleiders tot stand komt door vrijwel onmiddellijke blokkering;
2.28. blokkeervang met bufferwerking : vanginrichting waarbij het vastzetten op de geleiders tot stand komt door vrijwel onmiddellijke blokkering maar zodanig dat de reactie op het opgehangen deel wordt begrensd door tussenkomst van een veerkrachtig stelsel;
2.29. remvang : vanginrichting waarbij het vastzetten plaatsvindt door remmen op de geleiders en waarbij voorzieningen zijn getroffen om de reactie op het opgehangen deel te begrenzen tot een toelaatbare waarde;
2.30. snelheidsbegrenzer : inrichting die bij het overschrijden van een ingestelde snelheid het stoppen van de machine inleidt en zo nodig de vanginrichting in werking stelt;
2.31. personen-, goederen- en fabriekslift met tractieaandrijving : personen-, goederen- en fabriekslift waarvan de kabels worden aangedreven door wrijving in de groeven van de tractieschijf van de machine;
2.32. personen-, goederen- en fabriekslift met gekoppelde aandrijving : personen-, goederen- en fabriekslift opgehangen aan kettingen of waarvan de kabels anders dan door wrijving worden aangedreven;
2.33. breukventiel van hydraulische leiding : ventiel bestemd om zich automatisch te sluiten wanneer de drukvermindering in het ventiel, veroorzaakt door een vermeerdering van het debiet, een vooraf ingestelde waarde overschrijdt;
2.34. hydraulische druk bij vollast : de statische druk uitgeoefend op de hydraulische leiding direct verbonden aan de cilinder waarbij de kooi met zijn nominale belasting op de hoogste bediende stopplaats stilstaat.) <KB 1983-09-02/33, art. 1, 007>
I. (Algemene voorschriften betreffende de hefwerktuigen.) <KB 19-09-1980, art. 1>

Art. 268. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
II. (Bijzondere voorschriften.) <KB 19-09-1980, art. 1>

A. (Bijzondere voorschriften betreffende de hijswerktuigen.) <KB 19-09-1980, art. 1>

Art. 269. <Zie nota's onder TITEL> <KB 19-09-1980, art. 1>
1. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
2. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
3. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
4. (Opegeheven) <KB 1999-05-04/45, art. 29, 050; Inwerkingtreding : 14-06-1999>
5. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; ED : 01-01-1995>

B. (Bijzondere voorschriften betreffende hoogwerkers.) <KB 19-09-1980, art. 1>

Artikel 269bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 19-09-1980, art. 1>
1. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
2. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
3. (Opegeheven) <KB 1999-05-04/45, art. 29, 050; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

(C. Bijzondere voorschriften voor personenliften, die niet als paternosterliften of als personenbouwliften kunnen beschouwd worden, en voor goederenliften en fabrieksliften.) <KB 1983-09-02/33, art. 12, 007>

Art. 270. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven wat betreft de electrische goederenliften die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen. <KB 1995-05-05/32, art. 36, 4°, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>)
- Opgeheven wat betreft de electrische personen- en fabrieksliften die na 30 juni 1999 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen. <KB 1998-08-10/83, art. 41, 1°; Inwerkingtreding : 01-07-1997>

Art. 270bis. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

(D. Bijzondere voorschriften voor hydraulische personenliften, goederenliften en fabrieksliften.) <KB 1983-02-09/33, art. 13, 007>

Art. 271. <Zie nota's onder TITEL> NOTA : Opgeheven wat betreft de hydraulische goederenliften die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen. <KB 1995-05-05/32, art. 36, 5°, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
- Opgeheven wat betreft de hydraulische personen- en fabrieksliften die na 30 juni 1999 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen. <KB 1998-08-10/83, art. 41, 2°; Inwerkingtreding : 01-07-1997>

(E. Bijzondere voorschriften voor personenbouwliften.) <KB 1983-09-02/33, art. 14, 007>

Art. 272. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1983-09-02/33, art. 14, 007>
1. De voorschriften van artikel 270.1., 2., 3., 4.3. lid 1, 4.4., 4.5., 5, 6, 8, 9, 18, 19.4. (ook voor montagebesturing), 19.5., 23 en 24 betreffende de personenliften en de voorschriften van artikel 271 betreffende de hydraulische personenliften zijn toepasselijk op personenbouwliften.
2. De volgende bijzondere voorschriften worden eveneens in acht genomen :
2.1. Vanginrichting :
Elke kooi van een personenbouwlift met tandbeugel is voorzien van een vanginrichting die beantwoordt aan de bepalingen van artikel 270.1.
2.2. Vrije ruimte boven de kooi :
Bij personenbouwliften met tandbeugel, wanneer de kooi in zijn hoogste stand staat, dient voldaan te zijn aan de voorschriften van artikel 270.5.1.1.b) maar waarbij de term 0,035 v**2 mag vervallen.
2.3. Ontgrendelingszone :
De ontgrendelingszone mag niet meer dan 0,20 m bedragen boven en onder het niveau van de stopplaats.
2.4. Schacht.
2.4.1. De zijden van de schacht waarin de bordesdeuren zijn aangebracht zijn voorzien van over de gehele hoogte doorlopende wanden. Van dit voorschrift kan afgeweken worden wanneer voldaan is aan de voorschriften voorzien bij punt 2.5.4. wat de inrichtingen voor het sluiten en vergrendelen van de kooideuren betreft.
2.4.2. Wanneer gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheid tot afwijking voorzien bij punt 2.4.1. is deze schachtwand minstens 2,00 m hoog boven de vloer van elke stopplaats en boven elke andere vloer, overloop, trap of ladder gelegen op minder dan 0,70 m van de ruimte waarin de kooi en het tegengewicht zich bewegen.
2.4.3. Wanneer er zich vloeren, overlopen, trappen of ladders op minder dan 0,70 m van de andere zijden van de schacht bevinden dan zijn deze zijden voorzien van wanden van minstens 2,00 m hoog boven het niveau van deze vloeren, overlopen, trappen of ladders.
2.4.4. Op het niveau van de grond bedraagt de hoogte van de wanden minstens 2,50 m.
2.4.5. De wanden voorzien bij de punten 2.4.1., 2.4.2., 2.4.3. en 2.4.4. zijn vol of uitgevoerd in metalen traliewerk. Dit traliewerk heeft mazen van maximaal 3 cm en een minimum draaddikte van 2 mm ofwel mazen van maximaal 1 cm horizontaal en maximaal 6 cm vertikaal met een minimum draaddikte van 1,8 mm.
2.4.6. De openingen die toegang verlenen tot de schacht zijn voorzien van bordesdeuren, zodanig uitgevoerd dat zij toelaten duidelijk te zien of de kooi zich erachter bevindt.
Ze bestaan uit een stevig kader en voldoen voor wat hun panelen betreft aan de bepalingen van punt 2.4.5.
De vrije doorgangshoogte van de openingen die toegang verlenen tot de schacht bedraagt minstens 2,00 m.
2.4.7. Tenzij de bordesdeuren voorzien zijn van positieve grendelingen die beantwoorden aan artikel 270.16., omvat elke bordesdeur een grendelingsinrichting die slechts vanuit de kooi kan bediend worden met uitzondering van de grendelingsinrichting van de onderste stopplaats die eveneens van buitenuit kan bediend worden met behulp van een speciale inrichting, tenzij de onderste stopplaats uitgerust is met een automatische grendeling.
Elke grendelingsinrichting van de bordesdeur is voorzien van een grendelcontact. In het geval een automatische grendeling wordt gebruikt voor de bordesdeuren van de onderste stopplaats mag het grendelcontact van de bordesdeur vervangen worden door een deurcontact en een grendelcontrolecontact.
2.4.8. De afstand tussen de bordesdeuren en de kooidrempel mag niet meer dan 15 cm bedragen. De afstand tussen de drempel van de stopplaatsen en de kooidrempel mag niet meer dan 5 cm bedragen.
2.4.9. Beneden in de schacht worden, hetzij een schachtput aangebracht beantwoordend aan de voorschriften van artikel 270.4.1. en 4.2. en voorzien van een afvoersysteem voor regenwater, hetzij voorzieningen beantwoordend aan de voorschriften van artikel 270.4.6. laatste lid.
2.5. Kooi :
2.5.1. De kooi is over haar gehele hoogte voorzien van doorlopende wanden : deze zijn vol over een hoogte van minimum 1,00 m ten overstaan van de kooivloer gemeten.
Het overige gedeelte beantwoordt aan de voorschriften van artikel 2.4.5.
2.5.2. De kooi is voorzien van een dak dat stevig genoeg is om te weerstaan aan de te voorziene krachten, inzonderheid bij montagewerkzaamheden, en minstens aan het gewicht van twee personen of 2000 N en omvat een horizontaal vrij oppervlakt uit een stuk met een minimale oppervlakte van 0,12 m2 en waarvan de kleinste afmeting ten minste 0,25 m meet.
Het dak heeft een valluik dat voorzien is van een veiligheidscontact dat slechts gesloten kan zijn wanneer het valluik gesloten is.
Een vaste ladder aangebracht in de kooi, laat toe het dak van de kooi te bereiken.
De buitenrand van het kooidak is voorzien van een plint met een minimum hoogte van 10 cm en van een leuning, die indien nodig, neerklapbaar of uitschuifbaar mag zijn, waarvan de loopreling aangebracht is op een hoogte van 1,00 m tot 1,20 m en de tussenreling op een hoogte van 0,40 m tot 0,50 m.
In het geval de leuning neerklapbaar of inschuifbaar is moet ze voorzien zijn van een veiligheidscontact dat gekoppeld is met de inspectiebesturing en zodanig werkt dat de leuning moet opgeklapt of uitgeschoven zijn bij inspectiebesturing en dat de leuning dient neergeklapt of ingeschoven te zijn bij normaal bedrijf.
2.5.3. De kooitoegangen zijn voorzien van stevige deuren. Deze deuren voldoen aan de bepalingen van 2.5.1. betreffende de wanden.
De vrije doorgangshoogte van de kooitoegang bedraagt minstens 2,00 m.
2.5.4. De kooideuren die gelegen zijn tegenover doorlopende schachtwanden zijn voorzien van een deurcontact.
De kooideuren die niet gelegen zijn tegenover doorlopende schachtwanden zijn voorzien van een deurcontact en van een automatische vergrendeling met grendelcontrolecontact.
2.5.5. De bediening van de personenbouwlift mag slechts vanuit de kooi kunnen gebeuren en dit met behulp van inrichtingen die, wanneer ze losgelaten worden automatisch het stoppen van de kooi veroorzaken.
Slechts personen, die voldoende bevoegd zijn, mogen een dergelijke personenbouwlift bedienen.
Deze bepalingen zijn niet toepasselijk indien de bordesdeuren voorzien zijn van positieve grendelingen die beantwoorden aan artikel 270.16.
De nodige aanduidingen in verband met de bediening zijn duidelijk zichtbaar, goed leesbaar en onuitwisbaar aangebracht in de nabijheid van de bedieningsinrichtingen.
2.5.6. De kooi is voorzien van een verlichting en een alarminstallatie.
2.6. Noodeindschakelaars :
2.6.1. De personenbouwlift wordt automatisch tot stilstand gebracht zodra de kooi hetzij de bovenste, hetzij de onderste stopplaats bereikt.
2.6.2. Onafhankelijk hiervan wordt het stoppen van de personenbouwlift tevens teweeggebracht door de kooi of door het tegengewicht zodra de kooi hetzij de bovenste, hetzij de onderste stopplaats voorbijgaat.
Indien de personenbouwlift een trommellier bevat wordt de stilstand ervan steeds veroorzaakt door de kooi.
De noodeindschakelaar kan niet automatisch terug gesloten worden door de verplaatsing van de kooi.
Het verbreken van de stroom door de noodeindschakelaar wordt teweeggebracht door een veiligheidscontact.
Het schakelt de voedingskring uit.
Voor toestellen met traktieschijf is het toegelaten dat de veiligheidsschakelaars alleen de hoofdstuurkring onderbreken.
2.6.3. Een inrichting is aangebracht die belet dat de personenbouwlift kan functioneren met een overbelasting van meer dan 20 pct. in de kooi.
2.7. Lier :
2.7.1. De lier en haar aanhorigheden zijn zodanig opgevat en/of opgesteld dat zij doelmatig beschermd zijn tegen de weersomstandigheden en tegen de indringing van vreemde voorwerpen eigen aan de bouwwerkzaamheden.
2.7.2. Een hoofdschakelaar laat toe de elektrische installatie van de personenbouwlift in alle fasen buiten werking te stellen.
Deze schakelaar moet in alle omstandigheden bereikbaar zijn en wordt aan het benedendeel van de schacht of nabij de lier geplaatst.
2.8. Tandbeugelsysteem :
2.8.1. De tandlatten worden op zodanige wijze bevestigd dat hun uitlijning verzekerd blijft onder de normale omstandigheden van gebruik en werking.
2.8.2. Bij normale werking en belasting grijpen de tanden minstens de helft van de hoogte in op de tandlat.
2.8.3. Het tandbeugelsysteem dient zodanig ontworpen en berekend te zijn dat een gelijkwaardige veiligheid bereikt wordt als deze opgelegd voor de kabels.
2.8.4. De tandlatten lopen zowel bovenaan als onderaan voldoende ver door om te beletten dat de tandwielen uit de tandlatten zouden grijpen.
2.9. Elektrische contacten en deurmechanismen.
De elektrische contacten en deurmechanismen zijn zodanig opgevat en/of opgesteld dat zij doelmatig beschermd zijn tegen weersinvloeden, tegen de indringing van vreemde voorwerpen eigen aan de bouwwerken. Zij zijn bovendien zodanig opgevat en/of opgesteld dat zij doelmatig beschermd zijn tegen elke bediening van buiten de schacht, behalve in de gevallen voorzien in artikel 270.16.3.6.
2.10. Overgangsmaatregelen :
2.10.1. Voor wat betreft de bepalingen van de personenliften waarvan sprake in artikel 270, toepasselijk op de personenbouwliften, gelden dezelfde overgangsmaatregelen als voor de personenliften.
2.10.2. De voorschriften van 2.4.8., 2.6.3., 2.8.3. en 2.9. zijn niet van toepassing op de toestellen welke in dienst gesteld werden voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
2.10.3. Voor de bestaande of in opbouw zijnde toestellen op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, treden de voorschriften 2.5.2. en 2.6.2. 2e tot 5e lid, in werking na een termijn van één jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

(F. Bijzondere voorschriften voor materiaalliften.) <KB 1983-09-02/33, art. 15, 007>

Art. 273. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>

Art. 273bis. <Zie nota's onder TITEL> (.....) <KB 19-09-1980, art. 5>

Art. 274. <Zie nota's onder TITEL> (.....) <KB 19-09-1980, art. 5>
III. Maatregelen tijdens de bewegingen te treffen om de veiligheid der personen te verzekeren.

Art. 275. <Zie nota's onder TITEL> (Opegeheven) <KB 1999-05-04/45, art. 29, 050; Inwerkingtreding : 14-06-1999>
IV. Speciale bepalingen betreffende de toestellen voor het vervoer van personen.

Art. 276. <Zie nota's onder TITEL> (Opegeheven) <KB 1999-05-04/45, art. 29, 050; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

Art. 277. <Zie nota's onder TITEL> (Opegeheven) <KB 1999-05-04/45, art. 29, 050; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

Art. 278. <Zie nota's onder TITEL> De ophaaltoestellen die in de openluchtgroeven en -graverijen worden gebruikt, mogen slechts met toelating van de bevoegde minister en onder de door deze voor te schrijven voorwaarden tot het overbrengen van het personeel aangewend worden.
V. Onderhoud.

Art. 279. <Zie nota's onder TITEL> (Opegeheven) <KB 1999-05-04/45, art. 29, 050; Inwerkingtreding : 14-06-1999>
VI. Keuring bij ontvangst en onderzoeken.

Art. 280. <Zie nota's onder TITEL> <KB 26-02-1957, art. 11> (Het bedrijfshoofd is er toe verplicht elke personenlift, elke goederenlift, elke fabriekslift, elke personenbouwlift, elke materiaallift en elk ander hefwerktuig dat bestemd is tot personenvervoer of voorzien is om zich te verplaatsen of lasten te vervoeren boven of in de nabijheid van plaatsen waar personen kunnen vertoeven, te doen onderzoeken en keuren door een overeenkomstig de bepalingen van titel V, hoofdstuk I, door Onze bevoegde Minister voor de controle van de hefwerktuigen erkend organisme.) <KB 1984-12-12/30, art. 11, 009>
Dit onderzoek moet plaats hebben vooraleer het toestel in dienst wordt gesteld en na elke omvorming er van waardoor zijn kenmerken wat de veiligheid van het gebruik er van betreft kunnen gewijzigd worden.
(Het (erkend) organisme gaat na: <KB 20-06-1962, art. 2, al. 1>
a) of alle delen van de inrichting een voldoende weerstand vertonen door statische en bedrijfsproeven en wanneer het nodig is door alle bijkomende onderzoekingsprocédés en controles, gegrondvest op de regelen der kunst ter zake;
b) of er generlei slechte afwerking valt te bespeuren;
c) of de werking van het toestel en zijn aanhorigheden geen enkele oorzaak van gevaar vertoont;
d) of er voldaan is aan al de reglementaire voorschriften aangaande de veiligheid.) <KB 31-07-1957, art. 1>
Voor de rolbruggen, zal dit onderzoek uitgebreid worden tot de vervoerbanen.
De kettingen en soortgelijk tuig zoals haken, ringen, sluitingen, wartels welke verlengd, veranderd of gerepareerd zijn door lassen moeten opnieuw beproefd en onderzocht worden.
De in dit artikel bedoelde werktuigen mogen slechts in gebruik gesteld worden nadat (het erkend organisme) een proces-verbaal heeft afgeleverd waarbij de maximum toelaatbare belasting wordt vastgesteld, waarin de datum en de uitslag van de keuringen en nazichten worden vermeld en waarbij bevestigd wordt dat het toestel met volle zekerheid kan gebruikt worden. Dit proces-verbaal zal aan de gebruiker van het heftoestel worden afgeleverd die het ter beschikking zal houden van de met het toezicht belaste ambtenaar. <KB 20-06-1962, art. 2, al. 1>
(NOTA : Opgeheven wat betreft de bepalingen inzake de keuring voor indienststelling van personen- en fabrieksliften bedoeld in dit besluit. <KB 1998-08-10/83, art. 41, 3°; Inwerkingtreding : 01-07-1997>

Art. 281. <Zie nota's onder TITEL> (De in voormeld artikel 280 beoogde hefwerktuigen dienen minst om de twaalf maand onderworpen aan een nauwkeurig en volledig onderzoek, uitgevoerd door (een erkend organisme.) Dit onderzoek omvat, inzonderheid, het nazien van het geraamte, van het mechanisme en van de verschillende onderdelen, van de rolbanen, en, in het algemeen, van al de leden welke zonder voorafgaand demonteren te bereiken zijn.) <KB 26-02-1957, art. 12> <KB 20-06-1962, art. 3, al. 1>
Daarenboven moeten de kabels, kettingen, haken, stangen, schijven, zwengels, remmen, slagnokken en andere om 't even welke delen, die, ten opzichte van de veiligheid, van belang zijn, ten minste om de drie maanden onderzocht worden.
(Wanneer deze stukken deel uitmaken van toestellen die uitsluitend dienen voor goederenvervoer en die slechts zelden gebruikt worden, mag de frequentie van die onderzoeken, op eensluidend advies van (het erkend organisme), zodanig verminderd worden, dat gedurende de tijdsruimte begrepen tussen twee opeenvolgende onderzoekingen deze stukken niet meer gebruikt worden dan gedurende een regelmatig gebruik van drie maanden. De tijdsruimte tussen twee onderzoeken mag evenwel geen twaalf maanden overschrijden. Dit lid is niet van toepassing op de hefwerktuigen, gebruikt voor het vervoer van goederen vergezeld door een begeleider.) <KB 20-06-1962, art. 3, al. 1>
(Indien zij het nuttig achten, zullen (de erkende organismen) zowel vóór als tijdens het gebruik, kabels en kettingen aan beproevingen laten onderwerpen.) <KB 26-02-1957, art. 13> <KB 20-06-1962, art. 3, al. 1>
Zij zullen het uitgloeien eisen van de organen waarvan het metaal ontaardingen mocht ondergaan hebben, namelijk ten gevolge van de intensiteit of van de aard van het verrichte werk.
(Het (erkend organisme) zal een omstandig verslag opmaken van zijn vaststellingen en gevolgtrekkingen met aanduiding van de datum van het nazicht. Dit verslag zal aan de gebruiker van het toestel overgemaakt worden, die het te allen tijde ter beschikking zal houden van de met het toezicht van de inrichting belaste technische ambtenaar.) <KB 26-02-1957, art. 14> <KB 20-06-1962, art. 3, al. 1>

Art. 281bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 26-02-1957, art. 15> Wat de hefwerktuigen betreft die gebruikt worden door het Rijk en door de instellingen van openbaar nut welke bij de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut in categorie A gerangschikt zijn, worden de onderzoekingen bij de ontvangst en de controleonderzoekingen van de hefwerktuigen, voorgeschreven bij de artikelen 280 en 281 verricht, 't zij door ambtenaren van de Administratie van de Electriciteit en van de Electromechanica van het Ministerie van Openbare Werken en van Wederopbouw, 't zij door (een erkend organisme.) <KB 20-06-1962, art. 4, al. 1>

Art. 281ter. <Zie nota's onder TITEL> <KB 20-06-1962, art. 5> De controle van de hefwerktuigen die dient gedaan door de erkende organismen, mag eveneens uitgevoerd worden door personen van Belgisch publiek recht en door personen van vreemd recht die door Onze bevoegde Minister te dien einde zijn erkend.
VII. Bepalingen betreffende de kabelbanen.

Art. 282. <Zie nota's onder TITEL> De verschillende bepalingen die voor de hefwerktuigen zijn voorgeschreven, gelden ook voor de kabelbanen, die zo aangelegd zijn, dat het breken van een kabel of van enigerlei orgaan of onderdeel ongelukken aan personen kan teweegbrengen.

Art. 283. <Zie nota's onder TITEL> <KB 26-02-1957, art. 16> Ter gelegenheid van de keuring, die het in gebruik stellen van de kabelbanen voorafgaat, moet (het erkend organisme) de inrichting in al haar bijzonderheden nazien, zowel vóór als na het onder spanning brengen van de kabels, alsmede na het aanbrengen van de maximumlast die in de loop van de dienst is toegelaten. <KB 20-06-1962, art. 6, al. 1>

Afdeling IIbis - Hefbruggen. <KB 02-02-1976, art. 1>

Art. 283bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 02-02-1976, art. 1>
1. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
2. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
3. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
4. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
5. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; ED : 01-01-1995>
6. Schouwingen.
6.1. De hefbruggen worden jaarlijks onderzocht door een overeenkomstig artikel 829 van dit reglement voor de controle van hefwerktuigen erkend organisme.
6.2. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
6.3. Ter gelegenheid van elk bezoek stelt het organisme een getuigschrift op waarin het verklaart dat het toestel voldoet aan de bepalingen van dit artikel en dat het in goede staat van onderhoud en werking verkeert.
6.4. De getuigschriften worden ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaar gehouden.

Afdeling III - Acetyleen - (Centrigfuges) - Motors met inwendige verbranding - Arbeidsprocédés door pneumatische verstuiving - Recipiënten voor samengeperst, vloeibaar gemaakt of opgelost gas. <KB 16-09-1970, art. 2>
(...) <KB 09-03-1962, art. 1>
§ 1. Opslagplaatsen van calciumcarbid.
Acetyleengenerators - Gebruik van de steekvlam <R 17-08-1948>
A. Opslagplaatsen voor calciumcarbid.

Art. 284. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) <KB 09-03-1962, art. 2> De voorschriften van deze littera A zijn van toepassing op de opslagruimten van calciumcarbid of andere carbiden kunnen onder de werking van water acetyleen voortbrengen, die onder de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen gerangschikt zijn.
(Ze zijn eveneens van toepassing op de personen, ondernemingen en instellingen bedoeld in artikel 28 van dit reglement.) <KB 1987-09-17/31, art. 3, 017; Inwerkingtreding : 12-10-1987>

Art. 285. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) <R 17-08-1948> Het carbid zal in gesloten metalen recipiënten worden gehouden, welke, in goed zichtbare letters, de aanduiding van de korreling zullen dragen.

Art. 286. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) <R 17-08-1948> De carbidrecipiënten zullen opgeslagen worden in plaatsen, waar ze tegen de vochtigheid beschut zijn. Zij mogen niet in ondergrondse lokalen worden opgeslagen.
(Op de plaatsen waar het opslaan geschiedt, alsmede binnen en buiten de lokalen die als opslagplaats dienen, worden verbodsborden, die verbieden een brand met water te blussen, aangebracht, overeenkomstig de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk.) <KB 1997-06-17/46, art. 23, 044; Inwerkingtreding : 29-09-1997>
De recipiënten zullen derwijze geplaatst worden dat zij naar gelang van hun aankomstdatum, kunnen weggehaald worden.

Art. 287. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) <R 17-08-1948> De opslagplaatsen voor meer dan 1.000 kg carbid zullen in uitsluitend tot dat gebruik voorbehouden lokalen worden ingericht. Deze lokalen zullen uit onbrandbaar materiaal gebouwd zijn; zij zullen droog, in ruime mate verlucht en goed verlicht zijn.

Art. 288. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) <R 17-08-1948> Voor de kunstmatige verlichting zal er in de lokalen die tot opslagplaats dienen, slechts elektriciteit op laagspanning toegelaten worden.
De elektrische geleidingen zullen over de gehele lengte, neerhangende draden inbegrepen, in stalen buisjes worden geplaatst met aangeschroefde verbindingen. Elk ander monteerstelsel zal evenwel worden toegelaten zo het dezelfde hermetische kwaliteiten en dezelfde mechanische weerstand biedt.
Al de toestellen welke vonken kunnen teweeg brengen, zoals schakelaars, stroomafsluiters, lampen, dienen met een hermetisch omhulsel beschermd.
Bij ontstentenis van elektrische installatie zullen er andere vaste verlichtingstoestellen mogen gebruikt worden die buiten de lokalen, welke tot opslagplaatsen dienen zijn aangebracht en van deze gescheiden zijn door een dik vensterglas; deze installatie zal zodanig dienen ingericht dat er zich in geen geval een ontvlamming van acetyleen kan voordoen.

Art. 289. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) <R 17-08-1948> Het is verboden in de opslagplaatsen te roken of er een toestel of om het even welk voorwerp binnen te brengen welk in staat is een gas te doen ontvlammen. (Verbodsborden die vuur, open vlam en het roken verbieden en die voldoen aan de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk, worden zowel binnen als in de omgeving van de opslagplaatsen aangebracht.) <KB 1997-06-17/46, art. 24, 044; Inwerkingtreding : 29-09-1997>

Art. 290. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) <R 17-08-1948> Zo deze verrichting buiten de opslagplaats geschiedt, zal deze slechts mogen gedaan worden op een afstand van ten minste 3 meter, in horizontale projectie gemeten, van elke vuurhaard, vlam of gloeiend voorwerp.

Art. 291. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) <R 17-08-1948> De ledige recipiënten zullen op droge wijze schoongemaakt worden.
Carbidafval en -stof zullen ver van elke vuurhaard, vlam of gloeiend voorwerp, in de vrije lucht, in ten minste tien maal zoveel water als hun gewicht bedraagt, gedompeld worden totdat er geen gasontwikkeling meer plaats heeft.
De afvalwateren zullen slechts in een waterloop, een kanaal of een openbaar riool mogen ontlast worden, nadat de daarin suspensie gehouden kalk werd verwijderd.
B. <KB 09-10-1969, art. 1> Produktie van acetyleen.

Art. 292. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 293. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 294. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 295. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 296. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 297. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 298. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 299. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 300. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 301. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 302. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 303. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 304. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 305. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 306. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 307. (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 308. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>
C. Toestellen die werken met een zuurstof- of luchtacetyleenvlam. - Terugslagveiligheden. - Las- en snijposten met de steekvlam. - Reduceertoestellen. <KB 09-10-1969, art. 1>

Art. 309. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 310. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 311. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 312. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 313. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <tweede en derde lid opgeheven ; bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 314. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 315. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 316. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 317. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

Art. 318. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999>
D. Administratieve maatregel. <R 17-08-1948>

Art. 319. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1987-09-17/31, art. 6, 017; Inwerkingtreding : 12-10-1987>
§ 2. <KB 16-09-1970, art. 1> Centrifuges.

Art. 320. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>

Art. 321. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

Art. 322. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

Art. 323. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-09-1970, art. 1> Onderzoekingen.
323.1. Er wordt overgegaan tot:
1° ten minste een onderzoek om de twaalf maanden, voor de centrifuges die minder dan twaalf uur per dag werken;
2° ten minste een onderzoek om de zes maanden, voor de centrifuges die twaalf uur of meer per dag werken of die bijtende stoffen bewerken.
De frekwentie van de onderzoekingen wordt verhoogd voor de toestellen die onder zeer ongunstige voorwaarden werken. Zij wordt vastgesteld door het erkend organisme.
323.2. Elk onderzoek geeft vanwege het erkend organisme aanleiding tot het opmaken van een verslag, hetwelk verplichtend de oorsprong, het fabrieksnummer en de datum van het in werking stellen van de centrifuge vermeldt, alsmede de tijdens het onderzoek gedane vaststellingen, de daaruit te trekken besluiten en de redenen waarom sommige onderdelen niet zouden onderzocht geweest zijn.
Dit verslag wordt aan de gebruiker van het toestel overhandigd, die het steeds ter beschikking houdt van de technische ambtenaar die met het toezicht over de inrichting is belast.

Art. 324. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

Art. 325. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

Art. 326. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 16-09-1970, art. 1>
§ 3. Ontploffingsmotoren of motoren met inwendige verbranding. <KB 18-10-1956>
A. Algemene voorwaarden. <KB 18-10-1956>

Art. 327. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 327bis. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 328. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 329. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 330. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 331. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 332. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>
B. Bijzondere voorwaarden voor de installaties waarvan de aanloopreservoirs gevuld zijn met aan de drijfcylinders afgetapte gassen. <KB 18-10-1956>

Art. 333. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>
C. Vervaardiging van de aanloopreservoirs. <KB 07-02-1966, art. 1>

Art. 334. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 335. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 336. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 337. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>
D. Beproevingen, onderzoekingen en aanduidingen. <KB 07-02-1966, art. 3>

Art. 339. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 340. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 341. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

Art. 341bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 08-09-1961, art. 3> De voorschriften van deze paragraaf zijn van toepassing op de werkplaatsen waar men verf of bedekking op om 't even welk oppervlak aanbrengt met al dan niet pneumatische procédés met het pistool of door elektrostatische procédés.

Art. 342. <Zie nota's onder TITEL> Het werk dient in een speciaal lokaal uitsluitend tot dit gebruik voorbehouden, uitgevoerd.

Art. 343. <Zie nota's onder TITEL> De grond van dit lokaal dient effen en waterdicht te zijn. Hij dient in goede staat van zindelijkheid behouden.

Art. 344. <Zie nota's onder TITEL> De damp en de wasems, die bij het verstuiven gevormd worden, dienen op de plaats zelf van hun ontstaan opgevangen, verwijderd, verdicht, opgeslorpt of te niet gedaan, zodat zij niet kunnen:
a) in het lokaal blijven hangen of zich in de belendende lokalen verspreiden;
b) de personen die er te werk gesteld zijn of het gebuurte hinderen;
c) bij toeval ontbranden, zowel binnen als buiten het verstuivingslokaal.

Art. 345. <Zie nota's onder TITEL> <KB 10-06-1952, art. 11> De leidingen en buizen voor de ontruiming der uitwasemingen worden zo aangelegd dat de neerslag, die er in ontstaat, gemakkelijk kan ontruimd worden.
Zij worden regelmatig gereinigd met procédés die alle veiligheidswaarborgen bieden. Het is verboden ze met de vlam of met elk ander procédé dat vonken kan verwekken,te reinigen,wanneer in de bestuivingsinstelling ontvlambare stoffen gebruikt worden.
Al de metalen delen er van dienen met de aarde verbonden.

Art. 346. <Zie nota's onder TITEL> De cabines voor verstuiving en de afvoerinstallaties van de uitwasemingen mogen geen enkele dode ruimte vertonen, in dewelke zich ontplofbare mengsels of ophopingen zouden kunnen vormen.

Art. 347. <Zie nota's onder TITEL> Zo er voor de verstuiving ontvlambare produkten gebruikt worden:
a) dient het lokaal voor de verstuiving in onbrandbare materialen gebouwd :
b) dienen de werkposten aldus ingericht dat iedere werkman, in geval van brand, zonder gevaar een uitgang kan bereiken.
De deuren van het lokaal voor verstuiving zullen langs buiten open draaien.
De doorgangen dienen van elke hindernis vrij gehouden :
c) de elektrische inrichtingen dienen aan navermelde voorschriften te beantwoorden.
De geleidingen dienen over hun ganse lengte, hangdraden inbegrepen, onder stalen buizen met aangeschroefde koppelingen geplaatst. Elk ander monteringstoestel is evenwel toegelaten zo het gelijkwaardighe hoedanigheden van luchtdichtheid en van mechanische weerstand biedt.
De aanwezigheid binnen het lokaal van smeltveiligheden, schakelaars, rheostaten, aanzetters, zal slechts toegelaten zijn indien deze toestellen luchtdicht zijn.
De kunstmatige verlichting zal uitsluitend door middel van elektrische gloei- of lichtlampen geschieden. Deze lampen en hun douille dienen in hermetische toestellen geplaatst.
Enkel volledig gesloten motoren en gesloten verluchte motoren met opvanging en uitdrijving van lucht buiten het lokaal, zijn toegelaten.
Buiten het lokaal dient een meerpolige schakelaar de mogelijkheid te bieden de inrichting volledig uit te schakelen.
Alleen laagspanning is toegelaten.
De elektrische motoren dienen met de aarde verbonden.
d) de verwarming van het lokaal mag enkel geschieden door middel van toestellen waarvan de bouw, de plaatsing en het gebruik voldoende waarborgen bieden om elk brand- en ontploffingsgevaar te voorkomen;
e) Met droog zand gevulde emmers of blustoestellen in goede staat dienen in het lokaal dicht bij de werkposten en de uitgangsdeuren geplaatst.

Art. 348. <Zie nota's onder TITEL> In de lokalen waar de verstuiving van ontvlambare produkten geschiedt, is het verboden:
a) stocks te verstuiven groter dan de behoeften voor een halve dag werk, te bewaren;
b) werken te verrichten, die het gebruik vereisen van een toestel met open vuur of dat vonken kan verwekken.
(Verbodsborden, die vuur, open vlam en het roken verbieden en die voldoen aan de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk, worden zowel op de buitenzijde van de deuren als binnen de lokalen aangebracht.) <KB 1997-06-17/46, art. 25, 044; Inwerkingtreding : 29-09-1997>
§ 5. Recipiënten voor samengeperst, vloeibaar gemaakt of opgelost gas.

Art. 349. <Zie nota's onder TITEL> <KB 09-03-1962, art. 9> De voorschriften van deze paragraaf betreffende de recipiënten voor samengeperst, vloeibaar gemaakt of opgelost gas zijn van toepassing in de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen.
Zij zijn eveneens van toepassing op de bij artikel 28 van dit reglement bedoelde (personen, ondernemingen en instellingen.) <KB 1987-09-17/31, art. 9, 017; Inwerkingtreding : 12-10-1987>

Art. 349bis. <Zie nota's onder TITEL> De voorschriften van deze paragraaf zijn van toepassing op de verplaatsbare recipiënten, die samengeperst, vloeibaar gemaakt of opgelost gas, onder een hogere drukking dan 1 kg/cm2 inhouden.
Door "verplaatsbare recipiënt" dient verstaan, elke recipiënt waarvan de lading, buiten de inrichting, waar het gebezigd wordt, dient gedaan.
Deze paragraaf is niet toepasselijk op:
a) de recipiënten voor lucht of lichtgas, die deel uitmaken van het rollend materieel der spoorwegen;
b) (de recipiënten waarvan de inhoud in water minder dan 500 cm3 bedraagt en die niet bestemd zijn om gassen voor geneeskundig gebruik in te houden;) <KB 22-08-1957, art. 1>
c) de recipiënten van minder dan 5 liter, die opgelost acetyleen bevatten en bestemd zijn om op voertuigen te worden gebruikt;
d) dezelfde recipiënten, waarvan de inhoud 5 tot 10 liter bedraagt, indien zij van een sluitingsstelsel zijn voorzien, derwijze ingericht dat de inwendige drukking niet 40 kg/cm2 overschrijdt;
e) (NOTA : Opgeheven voor wat betreft de draagbare brandblussers en flessen voor ademhalingstoestellen die in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen na 29-11-1999, door KB 1999-06-13/81, art. 32; Inwerkingtreding : 1999-11-29> (de recipiënten voor samengeperst of vloeibaar gemaakt gas waarmee de draagbare brandblustoestellen zijn uitgerust, indien hun inhoud in water niet groter is dan 2 liter.) <KB 22-08-1957, art. 1>
(f) de flessen bedoeld in artikel 1.1. van het koninklijk besluit van 12 juni 1989 houdende uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake naadloze stalen gasflessen, naadloze gasflessen van niet-gelegeerd aluminium en van een aluminiumlegering en gelaste flessen van ongelegeerd staal.) <KB 1989-06-12/32, art. 15, 020; Inwerkingtreding : 26-09-1989>
(Deze paragraaf is niet van toepassing op de gasrecipiënten die op spoorwagens zijn bevestigd, voor zover die recipiënten voldoen aan de eisen van de bijlage 1 (RID) bij de internationale overeenkomst betreffende het goederenvervoer per spoorweg (CIM).) <KB 22-11-1961, art. 1>

Aard en kenmerken van het materiaal.

Art. 350. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor wat betreft de draagbare brandblussers en flessen voor ademhalingstoestellen die in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen na 29-11-1999, door KB 1999-06-13/81, art. 32; Inwerkingtreding : 1999-11-29> De in artikel 349 beoogde recipiënten dienen uit één stuk te zijn (van het type zonder soldering).
Wanneer de dienstdruk in de recipiënten geen 30 kg/cm2 op 15° C overschrijdt mogen deze gesoldeerd worden.
A. De recipiënten uit één stuk dienen vervaardigd uit:
a) elektrisch of Siemens-Martin gekalmeerd koolstaal, dat volgende kenmerken aanbiedt:
Minimum breukvastheid: B = 35 kg/mm2.
Maximum breukvastheid: B = 80 kg/mm2.
Elasticiteitsgrens "E" begrepen tussen 0,6 en 0,75 B.
De uitrekking "a" in geval van breuk dient een dusdanige waarde te hebben dat het produkt B X a immer 1.000 overschrijdt, deze uitrekking wordt gemeten op een lengte tussen merktekens L = 66,67S**0,5, S zijnde het snijvlak van het proefstuk in mm2
Maximum zwavelinhoud: 0,05 %.
Maximum fosforinhoud: 0,04 %;
b) speciaal staal verkregen door toevoeging van een of meer bestanddelen, zoals Ni, Cr, Mo, Ti, Va, enz.
Dezelfde kenmerken zoals in littera a, behoudens dat de maximum breukvastheid (B de 110) kg/mm2 zal mogen bereiken en dat de elasticiteitsgrens "E" 0,9 B zal mogen bereiken en dat de elasticiteitsgrens "E" 0,9B zal mogen bereiken. <KB 10-06-1952, art. 14 en bijl.>
B. (De gelaste recipiënten worden vervaardigd uit platen Siemens-Martin of elektrisch gekalmeerd staal, dat de volgende kenmerken heeft:
Minimum breukvastheid:
B = 35 kg/mm2.
Maximum breukvastheid:
B = 75 kg/mm2.
Bij breuk dient de uitrekking "a" zulk een waarde te hebben dat het produkt B X a altijd hoger is dan 1 000, die uitrekking gemeten zijnde op een lengte tussen merktekens L = 66,67S**0,5, waarbij S het snijvlak van het proefstukje in mm2 is.
Maximum zwavelinhoud: 0,05 pct.
Maximum fosforinhoud: 0,04 pct.
Het onder vorm van lasmetaal of door elektroden opgelegd metaal heeft de volgende kenmerken:
Elasticiteitsgrens en breukvastheid ten minste gelijk aan de minimawaarden van de specificatie van de hoedanigheden van het basismetaal.
Uitrekking die voldoet aan hetzelfde voorschrift als dit hierboven gegeven voor het basismetaal.) <KB 26-6-1964>
C. Koperen recipiënten.
De kooloxychloride (C0C12), methylchloride (CH3C1), aethylchlorure (C2H5C1) en zwaveldioxyde (S02) gassen mogen in koperen recipiënten worden opgesloten.
De koperen recipiënten met soldeerlijn mogen slechts door autogene soldering worden samengebracht.
De dikte van de wanden dient dusdanig te zijn, dat bij de waterdrukproef, de spanning in het metaal één vijfde van de breukvastheid niet overtreft.

Regels voor de vervaardiging.

Art. 351. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor wat betreft de draagbare brandblussers en flessen voor ademhalingstoestellen die in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen na 29-11-1999, door KB 1999-06-13/81, art. 32; Inwerkingtreding : 1999-11-29> De plannen van de recipiënten en de berekening van hun weerstandsvermogen moeten vóór de aanneming er van aan het in artikel 360 bepaald organisme worden voorgelegd.
De dikte van de wanden dient dusdanig berekend dat de spanning in het metaal, voor de drukkingsproef, in geen geval de drie vierden van de elasticiteitsgrens van het metaal overschrijdt.
De wanden van de recipiënten moeten ten minste 3 mm dik zijn; deze dikte mag echter slechts 2,5 mm bedragen, wanneer het om recipiënten gaat met een doorsnede dewelke 150 mm niet overtreft, die bestemd zijn om opgelost acetyleen te bevatten en waarvan de inhoud in water begrepen is tussen 5 en 10 liter:
Voor de recipiënten uit een stuk:
a) de berekende dikte zal een minimum dikte zijn en dienvolgens dient de theoretische dikte vastgesteld onder inachtneming van de in artikel 353 toegelaten vervaardigingsafwijkingen;
b) de minimum dikte van de hals mag niet minder zijn dan de dikte van de rolronde wand, tenzij de hals door een ring versterkt is;
c) in de halzen dienen er minstens 7 hele schroefdraden aangebracht, van onder en van boven ten volle gebouwd; de staart van de kranen dient derwijze gemaakt dat hij van ten minste 7 aansluitende schroefdraden voorzien zijn.
Voor de gesoldeerde recipiënten:
a) de lasnaden mogen in beginsel slechts bij trekking of druk werken;
b) de gewelfde bodem zal een welvingstraal hebben die hoogstens gelijk is aan de middellijn van de ketelring; de hoekstraal dient het tiende van deze middellijn te overschrijden. Vermelde bodem zal voorzien zijn van een rechte rand, waarvan de hoogte minstens dient gelijk te zijn aan viermaal de dikte van het plaatijzer, met minimum van 25 mm.
De uitgeduwde bodems waarvan het bolrond buitenvlak aan drukkingskracht is onderworpen, zijn verboden;
c) het soldeerwerk betreft heel de dikte van het metaal; mocht het aangewend soldeerprocédé een hernieuwing langs de keerzijde vergen, dan moet vooraf de wortel van de eerste opgelegde draden, door middel van een werktuig van afgeronde vorm derwijze worden weggenomen dat op heel de lengte van de draad een gezond metaal zou worden blootgelegd.

Thermische behandeling.

Art. 352. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor wat betreft de draagbare brandblussers en flessen voor ademhalingstoestellen die in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen na 29-11-1999, door KB 1999-06-13/81, art. 32; Inwerkingtreding : 1999-11-29> Al de recipiënten dienen, na hun vervaardiging en vóór de waterdrukproef een gepaste tempering of elke thermische behandeling te ondergaan, die van aard is aan het metaal zijn hoogst gunstige hoedanigheden te verschaffen en de overblijvende spanningen te verwijderen.

Controle over de vervaardiging en verificatie van de hoedanigheden van het materiaal.

Art. 353. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor wat betreft de draagbare brandblussers en flessen voor ademhalingstoestellen die in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen na 29-11-1999, door KB 1999-06-13/81, art. 32; Inwerkingtreding : 1999-11-29> Het met de ontvangst belast (erkend organisme bedoeld bij artikel 360) dient van het begin der bewerking verwittigd. Zijn afgevaardigden zullen vrije toegang hebben tot de werkplaatsen, waar de recipiënten worden vervaardigd en mogen alle nuttige onderzoekingen doen in zover: <KB 20-06-1962, art. 16, al. 2>
a) deze onderzoekingen niet meer mogelijk zijn, als de recipiënten voltrokken zijn;
b) ze de normale productie van de werkplaatsen niet verhinderen.
A. Voor de recipiënten uit één stuk.
De leveraars moeten de werkelijke herkomst van elk lot uit een zelfde staalgietsel vaststellen. Op de per staalgietsel in loten gegroepeerde recipiënten zal er overgegaan worden:
a) tot de verificatie van de dikten: de dikte van de cylindrische wanden dient vóór het sluiten van de ogieven gecontroleerd. De toegelaten afwijking gaat tot -10 % en tot +15 % op de gemiddelde dikte;
b) tot de mechanische proefnemingen en chemische ontleding.
De monsters voor de mechanische proefnemingen of voor chemische ontleding zullen genomen worden:
voor de recipiënten, waarvan de cylindrische wanden minder dan 12 mm dik zijn, op een voltooide recipiënt gekozen na thermische behandeling, onder de lichtste van het lot;
voor de recipiënten waarvan de cylindrische wanden een dikte hebben die gelijk is aan 12 mm of meer bedraagt, voordat de ogieven gevormd zijn, op de overlengte van een der buizen van het lot; dezelfde thermische behandeling dient op de proefstukjes als op de recipiënten toegepast.
1. Trekproeven: de verificatie van de bepalingen betreffende de hoedanigheid van het metaal zal op 3 overlangse proefstukjes worden gedaan.
2. Buigproef: een proefstukje zal op 180° zonder barst of scheur moeten kunnen geplooid worden op een rol waarvan de doorsnede zal gelijk zijn aan:
Achtmaal de dikte voor een staal, waarvan B groter is dan 80 kg/mm2;
Zesmaal de dikte voor een staal, waarvan B begrepen is tussen 70 kg/mm2 en 80 kg/mm2;
Vijfmaal de dikte voor een staal, waarvan B begrepen is tussen 60 kg/mm2 en 70 kg/mm2;
Driemaal de dikte voor een staal, waarvan B begrepen is tussen 54 kg/mm2 en 60 kg/mm2;
Tweemaal de dikte voor een staal, waarvan B begrepen is tussen 48 kg/mm2 en 54 kg/mm2;
Eenmaal de dikte voor een staal, waarvan B begrepen is tussen 42 kg/mm2 en 48 kg/mm2;
Zonder rol, helemaal, voor B met minder dan 42 kg/mm2.
3. Kerfslagproef:
Voor de recipiënten, waarvan de cylindrische wanden een dikte hebben die gelijk is aan 12 mm of meer bedraagt, worden 3 proefstukjes van het type Mesnager 55 X 10 X 10, met een afgeronde kerf van 2 mm diepte genomen;
Voor de recipiënten, waarvan de cylindrische wanden minder dan 12 mm dik zijn, zullen er 3 proefstukjes worden genomen van 120 X 15 X d ((d zijnde de dikte van het proefstukje) met hoogstens 5 mm), met een kerf van 4 mm breedte, waarvan de bodem is afgerond volgens een straal van 2 mm en met een dusdanige diepte dat het breukvlak 5 X 7,5 zij; deze proefstukjes zullen op 80 mm van elkaar verwijderde draagvlakken worden gebroken. <KB 10-06-1952, art. 14 en bijl.>
De kerfslagproeven dienen als uitslagen te geven:
voor een staal waarvan B hoger gaat dan of gelijk is aan 60 kg/mm2, een gemiddelde waarde die niet lager mag zijn dan 6 kgm/cm2, met een minimum van 4 kgm/cm2 voor een der proefstukjes;
voor een staal waarvan B niet minder is dan 60 kg/mm2, een gemiddelde waarde die niet lager mag zijn dan 8 kgm/cm2 met een minimum van 6 kgm/cm2 voor een der proefstukjes.
4. De vervaardiger zal een attest afleveren met de uitslagen van de chemische ontleding. Deze uitslagen zullen kunnen gecontroleerd worden door monsters afkomstig van dezelfde stukken als de proefstukjes.
5. Wanneer een der bovenbedoelde beproevingen geen bevredigende uitslag mocht geven, zou het lot, in voorkomend geval, na verbetering, opnieuw mogen aangeboden worden. De beproeving zal op een ander recipiënt van het lot worden herhaald. Wanneer deze nieuwe beproeving niet bevredigend mocht zijn, wordt gans het lot afgekeurd.
B. Voor de gesoldeerde recipiënten.
Zal er worden overgegaan:
a) tot de in ontvangstneming van het voor het vervaardigen bestemd plaatijzer; voor elk staalgietsel dienen er ten minste 3 trekproefjes en 3 overdwarse buigproefstukjes genomen.
De buigproefstukjes moeten in natuurlijke staat kunnen geplooid worden zonder barst of scheur te vertonen:
op een rol waarvan de doormeter gelijk is aan een maal de dikte van de platen voor een staal waarvan B begrepen is tussen 42 kg/mm2 en 48 kg/mm2;
helemaal voor een staal waarvan B begrepen is tussen 35 kg/mm2 en 42 kg/mm2.
De leveraar van het plaatijzer zal een attest afleveren met de uitslagen van de chemische ontleding. Deze uitslagen zullen kunnen gecontroleerd worden op monsters afkomstig van het plaatijzer;
b) tot de aannemingsbeproevingen van het lasmetaal of de elektrodes. Er zullen 3 proefstukjes in opgelegd metaal worden gemaakt die aan de bij artikel 350, litt. B, voorziene voorschriften dienen te beantwoorden;
c) tot het onderzoek van de solderingen die op de weerstand van de in uitvoer zijnde recipiënten betrekking hebben. De voorbereiding en de uitvoering van de solderingen dienen naar de regels van de kunst en door middel van een aangepast materiaal gedaan;
d) tot het vervaardigen van twee op het uiteinde van de langwerpige soldering gesoldeerde monsters:
van 1 recipiënt op 100, wanneer de dikte van het plaatijzer niet meer dan 5 mm bedraagt;
van 1 recipiënt op 20, wanneer de dikte van het plaatijzer begrepen is tussen 5 en 10 mm;
van 1 recipiënt op 5, wanneer de dikte van het plaatijzer begrepen is tussen 10 en 15 mm;
van elk recipiënt wanneer de dikte van het plaatijzer 15 mm te boven gaat.
Van een dier monsters zullen genomen worden:
1 gesoldeerd trekproefstukje, dat een breukbelasting moet geven die ten minste gelijk is aan die van het basismetaal.
Voor het plaatijzer met een grotere dikte dan 5 mm: 1 gesoldeerd buigproefstukje, dat zonder breuk of barst aan te tonen zal kunnen geplooid worden. De uittrekking van het buitenste solderingsfiber, gemeten op de aanvankelijke lengte, minstens gelijk aan de dikte van het plaatijzer, mag niet minder dan 30 % bedragen.
Voor het plaatijzer met een dikte, die gelijk is aan of minder bedraagt dan 5 mm, dienen er 2 buigproefstukjes genomen, die op 180° moeten kunnen geplooid worden het ene op de rechte zijde, het andere op de keerzijde, op een priem gelijk aan 2 maal de dikte er van zonder breuk of barst aan te tonen.
Daarenboven, zal er in ditzelfde monster voor de platen van een dikte beneden 10 mm, 1 proefstukje voor buigproef bij stoot worden genomen, op een derwijze gekerfde staaf dat de gebroken soldering kan worden onderzocht. Deze moet van gebreke vrij zijn.
Voor het plaatijzer met een dikte, die gelijk is aan 10 mm of meer bedraagt 3 kerfslagproefstukjes Mesnager, genomen in de soldering.
De gemiddelde waarde van de kerfslag mag niet minder bedragen (dan 8 kgm/cm2 met een minimum van 6 kgm/cm2) voor een der proefstukjes. <KB 10-06-1952, art. 14>
Het ander monster zal aan een radiografisch onderzoek worden onderworpen.
Er zal, bovendien, een radiografisch onderzoek worden gedaan:
1° op de overlangse solderingen van de recipiënten, waarvan het plaatijzer een dikte heeft, die gelijk is aan 10 mm of meer bedraagt;
2° op de overlangse en dwarslopende solderingen van de recipiënten waarvan het plaatijzer dikker is dan 15 mm.
(Het erkend organisme) zal in zijn ontvangstbewijs de radiografische onderzoekingen vermelden en zal omtrent de uitslagen een commentaar uitbrengen <KB 20-06-1962, art. 16>
Mocht een van boven beschreven beproevingen niet bevredigend zijn, zal de oorzaak van de defecte uitslagen worden opgespoord. De vervaardiger zal al het nodige in 't werk stellen om aan de opgelegde vereisten te voldoen. Ingeval er aan de voorschriften niet kan worden beantwoord, zullen de recipiënten worden afgekeurd.

Beproevingen, beproevingsdrukken en vullingsgraden. <KB 07-12-1979, art. 2>

Art. 354. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor wat betreft de draagbare brandblussers en flessen voor ademhalingstoestellen die in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen na 29-11-1999, door KB 1999-06-13/81, art. 32; Inwerkingtreding : 1999-11-29> Vóór ze in dienst worden gesteld, dienen al de recipiënten van binnen aan een waterdrukproef onderworpen, ten einde te onderzoeken of er geen barsten of dichtheidsgebreken en blijvende vervormingen bestaan.
Deze waterdrukproef dient naar een procédé en door middel van materieel, beide door de bevoegde technische dienst goedgekeurd, te geschieden.
De druk dient regelmatig en geleidelijk op te gaan en de proefdrukking dient, zolang het nodig is om de opgelegde onderzoekingen te doen, gehandhaafd.
Na de waterdrukproef worden de recipiënten behoorlijk gereinigd, gedroogd, daarna met zorg onderzocht om gebeurlijke plaatselijke gebreken op te sporen.
Er dient, daarenboven, nagegaan:
a) de ovalisatie: het maximum verschil tussen twee middellijnen van één zelfde doorsnede mag 2 % van de gemiddelde middellijn niet overschrijden;
b) de rechtheid van de overlangse generaties: de maximum pijl mag 3,5 mm per lopende meter niet te boven gaan.
De recipiënten, die aan de onder a en b bovenvermelde voorwaarden niet beantwoorden of die gebreken zouden vertonen van aard om hun weerstandsvermogen in gevaar te brengen, worden afgekeurd.
(De minimale waarde van de beproevingsdruk en de maximale waarde van de vuldruk of de vullingsgraad stemmen overeen met de waarden opgenomen in de bijlagen A en B van het Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (A.D.R.), ondertekend op 30 september 1957 te Genève en goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1960, gewijzigd overeenkomstig artikel 14 van dat verdrag en aangevuld overeenkomstig bijlage I van het koninklijk besluit van 15 maart 1976 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 1 juni 1977, 7 april 1978 en 25 september 1978.) <KB 07-12-1979, art. 3>

Aanduidingen die op de recipiënten dienen vermeld.

Art. 355. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor wat betreft de draagbare brandblussers en flessen voor ademhalingstoestellen die in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen na 29-11-1999, door KB 1999-06-13/81, art. 32; Inwerkingtreding : 1999-11-29> (De recipiënten dienen op een goed zichtbare plaats, in gemakkelijk leesbare letters, die hetzij rechtstreeks op het ogief van de recipiënten uit een stuk of op een der bodems van de gelaste recipiënten, hetzij op een kraagstuk of op een vastblijvende plaat zijn geslagen, volgende aanduidingen te vermelden:
de naam van de eigenaar;
het volgnummer;
de aanvankelijke tarra van de recipiënt;
het inhoudsvermogen in liter;
de toelaatbare lading in kilogram, gevolgd door de naam of door de formule van het gas, indien het vloeibaar gemaakte gassen betreft, of de einddrukking bij het laden op 15° C, indien het om samengeperste gassen of opgelost acetyleen gaat;
de letter E, gevolgd door de beproevingsdatum en door de ijkstempel van het aangenomen organisme.
Deze ijkstempel mag enkel worden aangebracht indien aan al de in § 5 vervatte voorschriften is voldaan.) <KB 29-10-1958, art. 1>
Het is verboden vermelde aanduidingen rechtstreeks op het metaal van de wand van de recipiënt te slagen, indien deze wand geen 5 mm dik is, tenzij dit stempelen geschiedt door afdrukking in de matrijs, dienende voor het maken van het ogief of de bodem. In dit geval mag de merking geen groeven maken, die meer dan 0,15 mm diep zijn en dient ze volkomen afgeronde hoeken te hebben.
(Daarenboven zullen de recipiënten die gassen voor geneeskundig gebruik bevatten, volgende aanduidingen dragen:
a) op de cylindrische romp, onmiddellijk onder het bovenste ogief op vier plaatsen diametraal tegenover elkaar en alle op gelijke afstand van elkaar, een letter M in rode kleur op witte grond;
b) op het bovenste ogief, de scheikundige formule van het gas; voor atmosferische lucht, wordt deze formule door de aanduiding "lucht-air" vervangen; de scheikundige formule en deze aanduiding worden aangebracht in een rode cirkelvormige band van 8 mm breed.
Het cylindrisch gedeelte der recipiënten zal een andere kleur hebben dan de kleur of de kleuren van het ogief waarover sprake in artikel 359 D, hierna.) <KB 22-08-1957, art. 3>

Vaststelling van de tarra en het inhoudsvermogen.

Art. 356. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor wat betreft de draagbare brandblussers en flessen voor ademhalingstoestellen die in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen na 29-11-1999, door KB 1999-06-13/81, art. 32; Inwerkingtreding : 1999-11-29> De tarra omvat heel de recipiënt met voet en kraagstuk zonder ventiel of kap.
Nochtans:
a) voor de recipiënten met vloeibaar gemaakte gassen, zal er een tweede tarra, waarin het ventiel en de kap is begrepen, mogen worden vastgesteld en op de fles gemerkt.
b) voor de recipiënten met opgelost acetyleen, dient er buiten de netto tarra, een tweede tarra aangeduid, waarin het gewicht van de recipiënt, van de poreuze stof, het oplosmiddel, het opgelost acetyleen op atmosferische drukking en het ventiel, zonder kap, begrepen is.
De waterinhoud wordt bepaald door het verschil van het gewicht van de ledige en de met onbevuild water gevulde recipiënt, of nog, door de nauwkeurige maat van de waterinhoud, nodig om hem helemaal te vullen.

Attesten van ontvangst. <KB 18-05-1957, art. 3>

Art. 357. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor wat betreft de draagbare brandblussers en flessen voor ademhalingstoestellen die in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen na 29-11-1999, door KB 1999-06-13/81, art. 32; Inwerkingtreding : 1999-11-29> <KB 18-05-1957, art. 3> (Het met de ontvangst belast organisme stelt een attest op, dat voor elk lot vermeldt:
de naam en het adres van de vervaardiger;
de naam en het adres van de eigenaar;
de uitslagen van de verschillende beproevingen, ontledingen en radiografische onderzoekingen en waarbij bevestigd wordt dat de bepalingen van deze paragraaf volledig nageleefd zijn;
de op elke recipiënt gemerkte aanduidingen zoals in artikel 355 opgelegd.) <KB 29-10-1958, art. 2>
Dit attest wordt aan de eigenaar overgemaakt die het te allen tijde ter beschikking houdt van de bevoegde technisch ambtenaar.
Binnen de acht dagen die volgen op de datum van de ontvangst, wordt door het organisme een afschrift van dit attest aan deze ambtenaar overgemaakt.
Bij overdracht van de recipiënten aan een derde, wordt aan de nieuwe gebruiker een afschrift van het attest bezorgd.

Hernieuwing der beproeving.

Art. 358. <Zie nota's onder TITEL> A. Uit te voeren verrichtingen.
De recipiënten dienen periodisch onder volgende voorwaarden onderzocht:
1° Recipiënten die samengeperste of vloeibaar gemaakte gassen inhouden:
De recipiënten worden grondig gereinigd, gedroogd, gewogen, van binnen en van buiten onderzocht. De recipiënten die gebreken of gevaarlijke invretingen vertonen en diegene waarvan het gewichtsverlies groter is dan het tiende van het aanvankelijk gewicht, worden afgekeurd.
De recipiënten die kolengas inhouden en wier gewichtsverlies groter is dan 5 t.h. worden afgekeurd.
De recipiënten met groot inhoudsvermogen, voorzien van een opening, waarbij het aan een bezoeker zal mogelijk gemaakt worden er binnen in te dringen, dienen niet gewogen. In dit geval, zal op het attest betreffende de nieuwe beproeving, de plaats alsmede het detail van de vastgestelde invretingen of beschadigingen worden vermeld.
Het gewichtsverlies van 10 t.h. zal de afkeuring van de recipiënt niet noodzakelijk als gevolg moeten hebben, indien deze terug wordt gebezigd voor het opsluiten van een ander gas met een minder hoge druk.
Buiten bovenvermelde onderzoekingen, worden al de recipiënten onder de bij artikel 354 voorziene voorwaarden aan een waterdrukproef onderworpen.
(Dat nazicht en die beproevingen worden herhaald binnen de termijnen opgelegd in de bijlagen A en B van het Europees Verdrag betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, zoals aangevuld door bijlage A van het koninklijk besluit van 15 maart 1976 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 1 juni 1977, 7 april 1978 en 25 september 1978.
Voor de recipiënten met koolzuuranhydride welke een verplaatsbaar blustoestel vormen of aan een verplaatsbare of vaste blusinstallatie zijn aangepast, mogen dat nazicht en die beproevingen slechts om de tien jaar worden herhaald.
Het nazicht en de beproevingen van die recipiënten worden evenwel herhaald ter gelegenheid van een herlading van die recipiënten, als die herlading meer dan vijf jaar na een beproeving of herbeproeving plaatsgrijpt.
Bovendien worden die recipiënten ten minste eenmaal per jaar onderzocht door een bevoegd persoon; dat onderzoek bestaat uit een uitwendige optische controle, het nagaan van het gewicht en van de goede werking van de kranen.) <KB 07-12-1979, art. 4>
1°bis. (Vóór elke vulling van recipiënten die bestemd zijn om butaangas, propaangas of een mengsel van beide in te houden, worden de recipiënten uitwendig door een bevoegde persoon nagezien.
De recipiënten waarvan de beschermingslaag beschadigd is dienen behoorlijk te worden gereinigd en een volledig nieuwe beschermingslaag moet daarop aangebracht.
De recipiënten die deuken of vervormingen vertonen worden verwijderd en mogen niet opnieuw gevuld worden alvorens zij de bovenvermelde onderzoekingen en beproevingen hebben ondergaan.) <KB 14-05-1956, art. 1, 2°>
2° (Recipiënten voor opgelost acetyleen :
Alle vijf jaar wordt de toestand van de poreuze stof onderzocht en inzonderheid vastgesteld of die stof de recipiënt vult zonder ledige ruimten over te laten.
Indien de poreuze stof uit de recipiënten kan worden gehaald, zal er alle tien jaar één recipiënt op vijfhonderd, van dezelfde vervaardiging, worden genomen.
Deze recipiënt zal aan een inwendig optisch onderzoek worden onderworpen. Wordt er een gewichtsverlies, dat een tiende van het aanvankelijk gewicht overschrijdt, of overdreven invretingen van het metaal vastgesteld, dan wordt het lot recipiënten afgekeurd.) <KB 1993-06-24/40, art. 1, 038; Inwerkingtreding : 24-07-1993>
3° (Recipiënten voor samengeperst gas die deel uitmaken van een autonoom duikerspak, namelijk van een uitrusting voor het duiken met een voorraad inadembaar gas door de duiker meegevoerd:
Voor elk herladen worden die recipiënten van buiten nagezien door een bevoegd persoon. De recipiënten waarvan de beschermingsbekleding beschadigd is worden behoorlijk gereinigd en de bekleding wordt helemaal vernieuwd.
Naast de in 1° voorgeschreven proeven en verificaties, worden de recipiënten alle twee jaar nagezien door een erkend organisme dat zich vergewist van de goede staat van de binnen- en buitenbeschermingsbekledingen.
De bepalingen voorzien in B hierna zijn toepasselijk op die verificaties.) <KB 19-04-1966, art. 2>
B. (Attesten betreffende de nieuwe beproeving.
Het met het periodisch onderzoek belaste organisme stelt een attest op met vermelding van de uitslag van deze bewerkingen.
Dit attest wordt aan de gebruiker overgemaakt die het, te allen tijde, ter beschikking houdt van de bevoegde technische ambtenaar.
Elke recipiënt waarvan het periodiek nazicht en de periodieke beproeving met succes hernieuwd werden draagt de letter R gevolgd door de datum van de nieuwe beproeving en de ijkstempel van het aangenomen organisme.) <KB 18-5-1957, art. 4>
(Deze ijkstempel mag enkel worden aangebracht indien aan al de in § 5 vervatte voorschriften is voldaan.) <KB 29-10-1958, art. 3>

Voorschriften betreffende het gebruik der recipiënten.

Art. 359. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor wat betreft de draagbare brandblussers en flessen voor ademhalingstoestellen die in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen na 29-11-1999, door KB 1999-06-13/81, art. 32; Inwerkingtreding : 1999-11-29> A. (Vullen van de recipiënten.
Het vullen van verplaatsbare recipiënten voor ontvlambare gassen met een inhoudsvermogen van minder dan 300 liter mag alleen gebeuren in inrichtingen speciaal ontworpen en uitgerust voor deze activiteit.) <KB 1993-06-10/35, art. 2, 036; Inwerkingtreding : 1993-07-16>
(Verplaatsbare recipiënten, tankwagens inbegrepen, mogen niet aangewend worden voor het vullen met vloeibaar handelspropaan, vloeibaar handelsbutaan of een mengsel van deze gassen, van om het even welk recipiënt met een inhoudsvermogen dat groter is dan 1 liter en kleiner dan 300 liter.) <KB 1985-01-21/30,art. 1, 010>
B. Montering van de recipiënten: De uitgangsnippel van de ventielen dient derwijze van een schroefdraad voorzien, dat een vergissing in de verbinding, zowel bij het vullen als bij het benutten, praktisch zijn uitgesloten.
Wat de ontvlambare gassen betreft, dient de schroefdraad links te gaan, wat de andere gassen betreft, dient hij rechts te gaan.
Bovendien, dient deze nippel voor de waterstof een mannelijke en voor de zuurstof een vrouwelijke te zijn.
C. (Bescherming van de ventielen.
Wanneer de recipiënten niet in gebruik zijn, worden de ventielen beschermd door een op de kraag gevestigde metalen kap voorzien van gaatjes, met een genoegzame doorsnede om, in geval van ontsnapping van gas door de ventielen, dit gas weg te voeren.
Het aanbrengen van deze kap is niet verplicht voor de recipiënten die deel uitmaken van de uitrusting van speciale toestellen (zuurstofinademingstoestellen, blustoestellen, enz.) of voor autodrijfkracht dienen, wanneer de getroffen maatregelen het gevaar van omkantelen der recipiënten of van beschadiging der ventielen uitsluiten.
Voor het vervoer der recipiënten bedoeld in voorgaand lid, worden gepaste maatregelen getroffen om te beletten dat de ventielen en hun bijhorigheden zouden beschadigd worden.) <KB 22-08-1957, art. 5>
D. (Identificatiekleuren.
Het ogief van de recipiënten met een inhoudsvermogen van minder dan 85 liter zal met een laag verf worden bedekt, waarvan de kleur voor al de recipiënten, die hetzelfde gas inhouden, dezelfde moet zijn. Zij worden zodanig geverfd dat het nagaan der aanduidingen, waarover in artikel 355 sprake, er niet door gehinderd wordt.
De kleuren zijn:
voor acetyleen (C2H2): rood;
voor ammoniak (NH3): blauw en wit;
voor argon (A2): geel en wit;
voor carbogeen (O2 + CO2): wit en grijs;
voor chloor (C1): groen;
voor cyclopropaan (C3H6): oranje;
voor ethyleen (C2H4): paars;
voor helium (He): bruin;
voor koolzuuranhydride (CO2): grijs;
voor samengeperste lucht: wit en zwart;
voor stikstof (N): zwart;
voor stikstofoxydule (N2O): blauw;
voor waterstof (H): rood en groen;
voor zuurstof (O2): wit;
voor een mengsel van zuurstof en helium (O2 + He): wit en bruin;
voor zwaveldioxyde (SO2): rood en wit.
Wanneer twee kleuren worden voorgeschreven moet de verf worden aangebracht zoals aangeduid in onderstaande figuur. <De figuur waarvan sprake werd om technische redenen weggelaten. U vindt ze in het B.St. van 4 april 1946 en in de Lex Belgica van 11 februari 1946, p. 368>
Voor alle hierboven niet vermelde gassen en voor alle recipiënten met een inhoudsvermogen gelijk aan of van meer dan 85 liter dient de naam van het gas leesbaar in het Nederlands en in het Frans, dichtbij de ladingsventiel aangeduid.) <KB 22-08-1957, art. 6>
E. Voorzorgen te nemen voor het opslaan en het hanteren van met gas gevulde recipiënten.
De recipiënten dienen beschut tegen de inwerking van de zonnestralen of de inwerking van iedere andere warmtebron; zij mogen niet worden geworpen of hardhandig gehanteerd. Indien de recipiënten "staande" zijn opgeslagen, dienen er voorzorgsmaatregelen genomen om te beletten dat zij zouden omkantelen.
Na het gebruik en vóór alle vervoer, zullen de recipiënten voor samengeperst, vloeibaar gemaakt of opgelost gas, zelfs ledig, luchtdicht gesloten worden.
Gedurende het gebruik moeten de kranen voorzien blijven van de sleutel die gebeurlijk voor hunne behandeling nodig is.
(De drukontspanners die eventueel gebruikt worden, moeten voorzien zijn van nippels die verschillend zijn voor de verscheidene gassen; zij hebben de kleur die in D van dit artikel voorgeschreven is voor het gas waarvoor ze bestemd zijn.
Geen enkele drukontspanner mag voor ander gas gebruikt worden dan waarvoor hij werd vervaardigd.
Het is verboden drukontspanners te verwarmen door middel van een vlam of een vuurhaard.) <KB 09-10-1969, art. 2>
F. Verandering van de aard van het in een recipiënt op te sluiten gas.
Ingeval in een recipiënt een gas dient opgesloten dat verschilt van het gas, waarvoor het vroeger gebezigd werd moet hij een reiniging ondergaan, dewelke als doeltreffend zal worden vastgesteld door (een erkend organisme), dat zijn advies zal uitbrengen omtrent de voorwaarden van de verandering der bestemming van de recipiënt en omtrent een eventuele nieuwe beproeving. <KB 20-06-1962, art. 19>
Het is verboden de recipiënten, die tot het opsluiten van kolengas werden gebezigd, voor een ander gas te gebruiken.
G. Bijzondere voorschriften voor zuurstof- en waterstofgassen.
De samengeperste zuurstof mag in omvang niet meer dan 4 % waterstof bevatten; de samengeperste waterstof mag in omvang niet meer dan 2 % zuurstof bevatten. De exploitanten van de werkhuizen, waarin de recipiënten worden gevuld, dragen zorg dat ontledingen, er toe bestemd het zuiverheidspeil van de gassen te bepalen, minstens eenmaal per dag worden gedaan.
Het is verboden de zuurstof met vette bestanddelen in aanraking te brengen en de kranen van de recipiënten te smeren.
H. Bijzondere voorschriften voor opgelost acetyleengas en voor de recipiënten er van.
De op het einde van de lading bereikte maximum drukking van het in de recipiënten opgelost acetyleen zal op een temperatuur van 15° C 15 kg/cm2 bedragen.
De snelheid en de druk bij het vullen dienen derwijze geregeld dat de druk in de recipiënt tijdens deze verrichting op geen enkel ogenblik hoger is dan 25 kg/cm2.
De nippels van de ventielen mogen van beugels voorzien zijn.
Het metaal voor de ventielen mag niet meer dan 70 % zuiver koper bevatten.
De recipiënten dienen, zonder dat er een ledige ruimte of holte overblijft, gevuld met een poreuze stof, die in staat is elke ontbranding tegen te houden.
Het mengsel van de poreuze stof met het oplossingsmiddel mag generlei inwerking hebben op het metaal van de recipiënten of op het acetyleen, zelfs indien het geheel op een temperatuur van 50° C gebracht wordt.
Het oplossingsmiddel dient gans de poreuze massa te drenken en mag er niet van scheiden, zelfs onder herhaalde schokken.
De poreuze stof zal moeten onderworpen worden aan proefnemingen bestemd om te kunnen vaststellen dat ze voldoet aan de hierboven bepaalde voorwaarden. Een getuigschrift betreffende deze beproevingen zal, bij iedere eis van de met het toezicht gelaste ambtenaren, dienen voorgelegd.
Het oplossingsmiddel dient in de recipiënt in zulke hoeveelheid ingevoerd, dat, rekening houdend met de porositeit van de massa en met de omvang, door het oplossingsmiddel ingenomen nadat het acetyleen onder de toegelaten vullingsdrukking opgelost is, er binnen de poreuze stof een voldoende vrije omvang blijft, om te beletten dat de drukking 40 kg per cm2 overtreft, zelfs wanneer de temperatuur 50° C bereikt. Zo er aceton gebruikt wordt, dient de vrijgelaten omvang minstens 15 % van het inhoudsvermogen in water van de recipiënt gelijk te zijn.
I. Bijzondere voorschriften betreffende recipiënten voor kolengas.
Buiten het in bovenstaande litt. F uitgedrukt verbod, dienen de recipiënten voor kolengas, na tien jaren gebruik, definitief buiten dienst gesteld.
J. (Bijzondere voorschriften voor recipiënten voor butaan- of propaangas of een mengsel van beide.
De recipiënten die bestemd zijn om butaan- of propaangas of een mengsel van beide te bevatten moeten bedekt worden met een beschermingslaag.) <KB 14-05-1956, art. 3>
K. (De binnen- en buitenoppervlakken van de wanden van de recipiënten waarvan sprake in artikel 358, A, 3°, worden beschermd tegen corrosie door een aangepaste bekleding, steeds in goede staat behouden.) <KB 19-04-1966, art. 3>

Erkende organismen. <KB 20-06-1962, art. 20>

Art. 360. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor wat betreft de draagbare brandblussers en flessen voor ademhalingstoestellen die in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen na 29-11-1999, door KB 1999-06-13/81, art. 32; Inwerkingtreding : 1999-11-29> De verrichtingen van ontvangst of van nieuwe beproevingen dienen, op verzoek van de koper of van de eigenaar der recipiënten door (een overeenkomstig de bepalingen van titel V, hoofdstuk I, door Onze bevoegde Minister voor de controle van de gasrecipiënten erkend organisme) te geschieden. <KB 20-06-1962, art. 21, al. 1>
De verrichtingen van ontvangst en nieuwe beproeving, dienen onderscheidenlijk acht of vijftien dagen op voorhand aan de bevoegde technische ambtenaar gemeld, naar gelang genoemde verrichtingen in het land of er buiten moeten geschieden, met vermelding van plaats, datum en uur.
De beproevingen zullen slechts in het buitenland mogen geschieden mits instemming van de bevoegde technische ambtenaar.
In geval de beproevingen in het buitenland geschieden, zullen de eventuele reis- en verblijfskosten van de bevoegde technische ambtenaar ten laste van de koper vallen.
De plaats waarin tot het nazien van de recipiënten wordt overgegaan zal van elk lokaal, waarin er gas wordt gemaakt of de recipiënten gevuld worden, voldoende afgezonderd zijn. Zij zal behoorlijk verwarmd en verlicht zijn.
De eigenaars van de recipiënten zullen kosteloos ter beschikking van de aangestelde ambtenaar de lokalen, het personeel, de nodige toestellen en het gevraagd gereedschap stellen, behalve de standaardmanometer en de officiële stempel. De aangestelde ambtenaar mag weigeren tot de gevraagde controle over te gaan:
1° Wanneer hij acht dat zijn persoonlijke veiligheid of die van de arbeiders niet voldoende gewaarborgd is;
2° Wanneer de beproevingen niet geschieden volgens een procédé en met het materieel aangenomen door de bevoegde technische dienst.
Wanneer de ambtenaar slachtoffer is van een ongeval ten gevolge of ter gelegenheid van de beproevingen en het nazien, dan zijn de eigenaars, directeurs of zaakvoerders er in elk geval helemaal voor aansprakelijk.

Art. 360bis. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor wat betreft de draagbare brandblussers en flessen voor ademhalingstoestellen die in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen na 29-11-1999, door KB 1999-06-13/81, art. 32; Inwerkingtreding : 1999-11-29> <KB 08-04-1958> De bezoeken, ontvangsten, proeven, nieuwe proeven, controles en examens van de stalen recipiënten zonder lasnaad, die eigendom zijn van Nederlandse gasproducenten, en die gebruikt worden voor de invoer van in Nederland vervaardigd nijverheidsgas, mogen worden uitgevoerd, overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf, door de "Dienst voor het Stoomwezen" van Nederland.
De "Dienst voor het Stoomwezen" gebruikt een bijzondere ijkstempel voor het stempelen van de bedoelde recipiënten.

Art. 360ter. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor wat betreft de draagbare brandblussers en flessen voor ademhalingstoestellen die in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen na 29-11-1999, door KB 1999-06-13/81, art. 32; Inwerkingtreding : 1999-11-29> <KB 20-06-1962, art. 22> De controle van de gasrecipiënten, die dient gedaan door erkende organismen, mag eveneens uitgevoerd worden door personen van Belgisch publiek recht en door personen van vreemd recht, die door Onze bevoegde Minister te dien einde zijn erkend.

Algemene bepalingen.

Art. 361. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor wat betreft de draagbare brandblussers en flessen voor ademhalingstoestellen die in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen na 29-11-1999, door KB 1999-06-13/81, art. 32; Inwerkingtreding : 1999-11-29> De recipiënten, die, volgens de vorige besluiten in België regelmatig aan beproevingen werden onderworpen en waarvan de eigenaars de oorsprongsattesten aan de Minister van Arbeid en Sociale Voorzorg overmaakten, zullen onder voorbehoud van de bij artikel 358 voorziene periodische onderzoekingen, tot hun buitendienststelling, toegelaten worden.
De bedrijfsleiders van ondernemingen, waar buitenlandse recipiënten met gas worden gevuld, mogen, onder hun eigen verantwoordelijkheid, overgaan tot het vullen van dergelijke recipiënten door er zich van te vergewissen of deze een beproeving of een onderzoek ondergingen die de veiligheid zowel gedurende het vullen als gedurende het vervoer er van, voldoende waarborgen.
Deze recipiënten zullen onmiddellijk terug worden uitgevoerd. De bevoegde technische ambtenaar zal, onverwijld, van de invoer en de uitvoer van deze recipiënten door middel van de bij de tolbeambten geviseerde documenten worden gewaarschuwd. (Dit lid is niet van toepassing op gasrecipiënten die op in het buitenland ingeschreven voertuigen zijn bevestigd en dienen om gas voor de voeding van de motor dier voertuigen te bevatten.) <KB 22-11-1961, art. 2>

Art. 361bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 24-05-1957, art. 1> De bedrijfshoofden (...) mogen, uitsluitend voor de invoer van gassen die niet in België vervaardigd worden, recipiënten voor samengeperst, vloeibaar gemaakt of opgelost gas van buitenlandse herkomst gebruiken, die niet aan de voorschriften van dit reglement maar wel aan de in het land van herkomst geldende reglementering voldoen, mits de volgende voorwaarden vervuld zijn: <KB 1993-06-10/35, art. 3, 037; Inwerkingtreding : 16-07-1993>
1° de invoerder moet zo spoedig mogelijk en vóór het overhevelen de recipiënten laten onderzoeken door (een erkend organisme); <KB 20-06-1962, art. 23>
2° zo het organisme vaststelt dat de recipiënten niet aan een van de in het tweede lid omschreven voorwaarden voldoen, mogen de recipiënten niet geledigd worden en moeten ze onmiddellijk terug worden uitgevoerd;
3° het bedrijfshoofd bezorgt onmiddellijk het in het derde lid bedoelde getuigschrift aan de Minister van Arbeid en Sociale Voorzorg;
4° de ledige recipiënten mogen in België niet opnieuw gevuld worden en moeten onmiddellijk terug worden uitgevoerd.
Het onder het eerste lid bedoelde organisme stelt vast of de recipiënten aan de volgende voorwaarden voldoen:
1° de recipiënten moeten in hun land van herkomst regelmatig gekeurd en beproefd zijn geweest en aan de aldaar geldende reglementen voldoen;
2° ze mogen geen zichtbaar gebrek vertonen dat aan de veiligheid zou kunnen schaden;
3° rekening gehouden met de gassen die ze inhouden, met de merktekens die er op voorkomen of met de voorgelegde documenten moeten de recipiënten waarborgen van veiligheid bieden gelijkwaardig met die welke door de artikelen 349 tot 360 van dit reglement zijn voorgeschreven.
(Het erkend organisme) maakt een getuigschrift op met vermelding van het adres van de invoerder, de inrichting of de plaats waar de recipiënten zich bevinden, hun aantal, de naam van het gas dat ze inhouden, het resultaat van zijn vaststellingen. <KB 20-06-1962, art. 23>

Art. 361ter. <Zie nota's onder TITEL> <KB 22-11-1961, art. 3> Recipiënten voor samengeperst, vloeibaar gemaakt of opgelost gas van buitenlandse herkomst, die niet gekeurd zijn overeenkomstig de voorschriften van dit reglement en aan het leger toebehoren, mogen worden gevuld onder de volgende voorwaarden:
Vooraleer die recipiënten voor de eerste maal in België worden gevuld, worden zij aan de in artikel 358 voorgeschreven verrichtingen van hernieuwing der beproeving onderworpen door een overeenkomstig de bepalingen van titel V, hoofdstuk I, door Onze bevoegde Minister voor de controle van de gasrecipiënten erkend organisme.
Dat organisme vergewist zich ervan of de recipiënten aan de volgende voorwaarden voldoen:
1. de recipiënten zijn in het land van herkomst regelmatig gekeurd en opnieuw beproefd en voldoen aan de aldaar geldende reglementen;
2. met inachtneming van het gas dat zij moeten bevatten en van de merktekens die op de recipiënten voorkomen, of van de overgelegde documenten, moeten de recipiënten waarborgen van veiligheid bieden, ten minste gelijk aan die welke de artikelen 349 tot 360 voorschrijven.
Bij het eerste onderzoek in België maakt het erkend organisme het bij artikel 358B voorgeschreven attest van nieuwe beproeving op en merkt het eventueel de recipiënten.
Een afschrift van dit attest wordt door het erkend organisme aan de bevoegde technische ambtenaar gezonden.
De opschriften op de recipiënten, alsook de identificatiekleuren moeten overeenstemmen met de voorschriften van deze paragraaf.
De recipiënten worden opnieuw beproefd zoals voorgeschreven door dit reglement.

Art. 361quater. <Zie nota's onder TITEL> <KB 22-11-1961, art. 4> Recipiënten voor samengeperst of vloeibaar gemaakt gas bestemd voor geneeskundig gebruik, met een inhoud van minder van 500 cm3, en zuurstofrecipiënten waarvan de inhoud in water twee liter niet overtreft en waarmede draagbare inhalatietoestellen zijn uitgerust, worden, voor zover zij in België in dienst zijn vóór 18 oktober 1957, geduld tot zij buiten dienst worden gesteld, mits zij geregeld worden nagezien zoals voorgeschreven in artikel 358 en op voorwaarde dat de voorschriften van de artikelen 355, 356 en 359 worden nageleefd.
Bij hun eerste nieuwe vulling, en ten laatste binnen twee jaar, worden deze recipiënten onderworpen aan de verrichtingen die zijn voorgeschreven in de artikelen 354 en 358. Het attest opgemaakt door het erkend organisme, waardoor deze verrichtingen gedaan zijn, wordt afgegeven aan de eigenaar die het te allen tijde ter beschikking houdt van de bevoegde technische ambtenaar.
Een afschrift van dit attest wordt door het organisme aan de ambtenaar gezonden binnen acht dagen nadat bedoelde verrichtingen hebben plaats gehad.
De toegelaten dienstdruk of vulling mag niet hoger zijn dan die welke op de recipiënten is aangegeven en in geen enkel geval hoger dan die welke door dit reglement is toegelaten. Voor recipiënten voor samengeperst gas mag de dienstdruk niet hoger zijn dan 150 kg/cm2.

Art. 362. <Zie nota's onder TITEL> Elk ongeval overkomen wegens het gebruik van een recipiënt met samengeperst, vloeibaar gemaakt of opgelost gas en waardoor hetzij personen werden gedood of gewond, hetzij belangrijke materiële schade werd veroorzaakt, zal, buiten alle andere vereiste verklaringen, binnen de vier en twintig uren ter kennis van de met het toezicht belaste ambtenaar, diensthoofd, worden gebracht.

Art. 363. <Zie nota's onder TITEL> De eigenaars, directeurs of zaakvoerders van fabrieken waar er recipiënten worden gevuld dienen zich er van te vergewissen dat de voorschriften van deze paragraaf worden nageleefd.
§ 6. <KB 1984-07-12/32, art. 1, 008> Vloeibaar gemaakte gassen - Laden en lossen van tankwagens, tankwagons en laadketels.

Art. 363bis. <Zie nota's onder TITEL> <AR 1984-07-12/32, art. 1, 008> De bepalingen van deze paragraaf hebben betrekking op het laden en lossen van vloeibaar gemaakte gassen in of uit tankwagens, tankwagons en laadketels.
Onverminderd de bepalingen van het koninklijk besluit van 21 oktober 1968 betreffende de opslagplaatsen voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders en van de voorwaarden die kunnen opgelegd worden bij de vergunningsbesluiten, waarvan sprake is in titel I, zijn de bepalingen van deze paragraaf van toepassing op de in artikel 28 van dit reglement bedoelde (personen, ondernemingen en instellingen). <KB 1987-09-17/31, art. 10, 017; Inwerkingtreding : 12-10-1987>
1. Elke verrichting van laden en lossen moet gebeuren onder het gezag en onder het toezicht van de werkgever van de onderneming waarin het laden of lossen plaatsvindt, of van een aangestelde die hij daartoe heeft aangeduid.
De werkgever of zijn aangestelde is vertrouwd met de installatie voor het laden en/of lossen en met de uitrusting van de opslaghouders van de inrichting en is op de hoogte van de uitrusting van de voertuigen die geladen of gelost worden.
Gedurende de laad- en losverrichtingen moet de werkgever of zijn aangestelde zich op een redelijke afstand van de laad- of losplaats bevinden, zodat hij in geval van een incident onverwijld kan ingrijpen.
De hierboven bedoelde aangestelde is een werknemer van de onderneming waar het laden en/of lossen plaatsvindt.
2. Voor de inrichting, de uitrusting en het onderhoud zowel van de laad- en/of losplaats als van de ermee verbonden opslag- en overslaginstallaties, evenals voor de laad- en/of losverrichtingen treft de werkgever van de onderneming waar het laden of het lossen plaatsvindt, aangepaste maatregelen om de aantoonbare risico's inherent aan het laden en lossen van vloeibaar gemaakte gassen te ondervangen.
Hij besteedt bijzondere aandacht aan de maatregelen die tot doel hebben een overdruk in de opslaghouders, tanks en leidingen, het overvullen van opslaghouders en tanks, het uitvoeren van verkeerde handelingen, het brandgevaar en de gevaren inherent aan statische electriciteit te voorkomen.
3. De werkgever van de onderneming waar het laden of lossen plaatsvindt stelt schriftelijk instructies op die in het bijzonder een beschrijving bevatten van de te volgen procedure voor de laad- en losverrichtingen, alsook de te volgen consignes om de in punt 2 bedoelde risico's tot een minimum te herleiden en de maatregelen die in geval van een incident of een ongeval moeten genomen worden.
Deze instructies worden ter beschikking gesteld van de in punt 1 bedoelde aangestelde.
De werkgever waakt over de naleving van deze instructies.
De personen die belast zijn met het laden en/of lossen of er aan deelnemen worden door hun werkgever op de hoogte gebracht van de door hen uit te voeren bewerkingen en van de te treffen maatregelen in geval van een incident of een ongeval.
Wanneer personen die niet tot de onderneming behoren deelnemen aan laad- of losverrichtingen brengt de werkgever of de aangestelde deze personen op de hoogte van de verrichtingen en van de maatregelen eigen aan de inrichting.
4. Onverminderd het bepaalde onder 5,d) , zijn de bepalingen van de punten 1, 2 en 3 niet van toepassing wanneer het gaat om :
a) het lossen van met vloeibaar gemaakte handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan geladen tankwagens in vaste houders die enkel dienen voor huishoudelijk gebruik of in vaste houders bestemd voor het bevoorraden van motorvoertuigen;
b) het lossen van met vloeibaar gemaakt gas geladen tankwagens in vaste houders opgesteld in ondernemingen die minder dan twintig werknemers tewerkstellen en waar het opslaan, overtappen, vervaardigen, verwerken of verhandelen van vloeibaar gemaakt gas niet behoort tot de doelstellingen van de onderneming;
c) het laden en/of lossen van vloeibaar gemaakt handelspropaan of -butaan of mengsels daarvan in of uit tankwagens in (relaisopslagplaatsen) waar niet bestendig technisch personeel is tewerkgesteld, door firma's die een schriftelijke toelating van de exploitant van het (relaisopslagplaats) bezitten om deze verrichtingen te mogen uitvoeren; <vervangen bij KB 1989-09-11/33, art. 1, 021; Inwerkingtreding : 14-10-1989>
d) het laden van vloeibaar gemaakt handelspropaan of -butaan of mengsels daarvan in tankwagens vanuit tankwagons, wanneer het laden wordt uitgevoerd op de terreinen van de N.M.B.S. door firma's die een schriftelijk toelating van de N.M.B.S. bezitten om deze verrichtingen te mogen uitvoeren.
(e) het lossen van tankwagens die diepgekoelde vloeibaar gemaakte gassen bevatten van de cijfers 7° en 8° van de klasse 2 van het Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, in vaste houders, opgesteld bij gebruikers van die gassen.) <KB 1989-09-11/33, art. 1, 021; Inwerkingtreding : 14-10-1989>
5. In de in punt 4 bedoelde gevallen zijn de volgende bepalingen van toepassing :
a) De laad- en losverrichtingen worden uitgevoerd onder het toezicht en het gezag van de transporteur van het produkt per tankwagen of van zijn aangestelde.
De transporteur of zijn aangestelde blijven in de nabijheid van de installaties gedurende de overtapverrichtingen.
b) De transporteur stelt schriftelijke instructies op die in het bijzonder bevatten :
een beschrijving van de te volgen procedure voor de overtapverrichtingen;
de in acht te nemen veiligheidsconsignes die tot doel hebben een overdruk in de opslaghouders, tanks of leidingen, het overvullen van opslaghouders en tanks, het uitvoeren van verkeerde handelingen, het brandgevaar en de gevaren inherent aan statische electriciteit te voorkomen;
de te nemen maatregelen in geval van een incident of een ongeval.
De instructies houden rekening met de karakteristieken eigen aan de opslaghouders en tanks en hun uitrusting.
c) De aangestelde van de transporteur moet vertrouwd zijn met de laad- en losverrichtingen van tankwagens en op de hoogte gebracht zijn van de uitrusting van de opslaghouders en/of tankwagons die bij het overtappen betrokken zijn.
De transporteur dient hem hiertoe een geschikte theoretische en praktische vorming te verschaffen.
De transporteur stelt de in punt 5. b) bedoelde instructies ter beschikking van de aangestelde. Hij vergewist zich ervan dat deze instructies begrepen zijn en waakt over hun naleving.
d) De bepalingen van punt 2 zijn van toepassing op de exploitant van (relaisopslagplaatsen) bedoeld in punt 4. c) en op de transporteur die een overtapping verricht in de opslagplaatsen bedoeld in 4. d). <vervangen bij KB 1989-09-11/33, art. 1, 021; Inwerkingtreding : 14-10-1989>
6. Indien het laden of lossen van vloeibaar gemaakte gassen door middel van slangen gebeurt, dienen deze slangen aan elk uiteinde beschermd door veiligheidsinrichtingen die het debiet volledig of gedeeltelijk stoppen in geval van breuk van de slang.
Deze veiligheidsinrichtingen treden automatisch in werking of zijn van op afstand bedienbaar. Zij dienen geplaatst ofwel op de slang, ofwel onmiddellijk stroomopwaarts en stroomafwaarts van de slang, ofwel op de leidingen in vloeistoffase en in gasfase van de opslaghouders en de tanks.
(De voorschriften van dit punt zijn niet van toepassing op het laden en lossen van diepgekoelde vloeibaar gemaakte gassen van de cijfers 7° a) en 8° a) van de klasse 2 van het Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg.) <KB 1989-09-11/33, art. 1, 021; Inwerkingtreding : 14-10-1989>
7. (...) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

HOOFDSTUK II - Speciale maatregelen op sommige bedrijven toepasselijk.

Afdeling I - Metaalnijverheid.
A. Behandeling van zink- of loodertsen. <KB 09-03-1962, art. 10>

Art. 364. <Zie nota's onder TITEL> <KB 09-03-1962, art. 11> De voorschriften van deze littera zijn van toepassing op de behandeling van zink- of loodertsen die onder de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen gerangschikt is.

Art. 364bis. <Zie nota's onder TITEL> De ovens of toestellen welke gas, rook of stof ontwikkelen, waardoor de lucht bevuild kan worden, aan de plantengroei schade kan worden veroorzaakt of aan de in de nabijheid wonende personen, hinder kan worden berokkend, zullen in wijde, goed verlichte en verluchte hall's worden opgericht en wel in dier voege dat gas, rook noch stof in deze hall's blijven hangen, en, vóór hun opneming in het luchtruim, op een voldoende wijze zijn verdund en dat deze opneming, op zulk een hoogte geschiedt, dat zij noch aan de gezondheid van de werknemer, noch aan de openbare gezondheid schaadt.

Art. 365. <Zie nota's onder TITEL> De zwavelhoudende gassen, die voortkomen van het roosteren van ertsen, dienen naar toestellen van een zwavelzuurfabriek of naar andere opslorpingstoestellen geleid. Het afvalwater, waarin zuur aanwezig is, zal, alvorens het in rivieren of beken wegvloeit, worden opgevangen, gezuiverd en geneutraliseerd. Het zal van alle vrij mineraal zuur worden ontlast, alsmede van alle schadelijke bestanddelen, die de gezondheid van de omgeving zouden kunnen in gevaar brengen, de vissen vergiftigen of schade berokkenen aan de dieren, die aan deze rivieren of beken komen drinken.

Art. 366. <Zie nota's onder TITEL> De hoogte boven de omliggende grond, van de schoorstenen of andere afvoeropeningen, waarlangs residugas, rook of andere uitwasemingen van ovens of toestellen ontsnappen, dient vastgesteld, rekening houdende met het gehalte aan zwavelige verbindingen van dit gas, rook of uitwasemingen.
Zij zal niet minder bedragen dan de afmetingen in de volgende tabel aangeduid: <De bladspiegel van deze tabel werd om technische redenen aangepast>

Kolom (1) : graad van verdunning der
gasachtige samenstellingen
van het zwavel
Kolom (2) : minimum der voorgeschreven
hoogte voor gas of rook waarvan
de warmtegraad 150° C overtreft
Kolom (3) : minimum der voorgeschreven
hoogte voor gas of rook waarvan
de warmtegraad onder 150° C blijft
(1) (2) (3)
1/12.000 7 meter 10 meter
1/10.000 10 - 15 -
1/ 7.500 14 - 23 -
1/ 5.000 20 - 35 -
1/ 3.000 30 - 50 -
1/ 2.000 40 - 65 -
1/ 1.000 60 - 100 -

Alle uitdrijving in het luchtruim van gas of rook, waarin meer dan één volume per duizend gasvormige zwavelverbindingen aanwezig is, is verboden.

Art. 367. <Zie nota's onder TITEL> Ten einde van de bezinksels, van rook of gas gemakkelijk stalen te kunnen nemen, dienen er in de wanden van de schoorstenen of andere leidingen, waarlangs de uitdrijving van rook of gas geschiedt, openingen aangebracht op plaatsen, die gemakkelijk te bereiken zijn.
Het gehalte aan gasvormige zwavelverbindingen van dit gas of rook zal, telkens de met het toezicht belaste ambtenaar er om verzoekt, bepaald worden.
Het nodige materieel zal aan deze ambtenaar worden verstrekt.

Art. 368. <Zie nota's onder TITEL> Men dient, bij het stoken der reductie-ovens, in dier voege te werk te gaan, dat al de bestanddelen van de brandstof, voor dit stoken gebruikt, volledig worden verbrand.

Art. 369. <Zie nota's onder TITEL> Doeltreffende toestellen dienen gebeurlijk het opzuigen en, in voorkomend geval, het verdunnen van gas of rook, door deze ovens uitgedreven, alsook in de mate van het mogelijke de verdichting van het schadelijk stof te verzekeren.

Art. 370. <Zie nota's onder TITEL> Tijdens het schoonmaken en het vullen der smeltkroezen, dienen de werklieden van de zinkreductieovens tegen de uitstraling van de warmte beschut, door middel van toestellen, die de opening dekken van alle geledigde smeltkroezen, van de rijen waaraan zij niet werken.

Art. 371. <Zie nota's onder TITEL> Het bezinksel, uit de reductieovens getrokken, dient onmiddellijk vergaard in bijzondere ruimten of vergaarbakken, onder het peil van de werkvloer aangebracht. Deze kamers, alsook de galerijen of kelders, waarin het laden en het vervoer van deze resten plaats heeft, dienen ruim en goed verlucht. Aan het personeel dient verboden, daar tijdens het schoonmaken binnen te gaan, tenware deze resten in gesloten trechters werden opgevangen, waaruit zij rechtstreeks in voor het vervoer bestemde wagentjes kunnen worden gelost.
Zo men op deze manier niet kan te werk gaan, en zo de resten door daarvoor aangestelde werklieden met de schop moeten worden weggenomen, dienen er maatregelen getroffen, om deze werklieden, tijdens deze bewerking, tegen het stof en de uitwasemingen te beschutten.

Art. 372. <Zie nota's onder TITEL> Het vervoer, het opstapelen en het bewaren van de ovenresten dienen op zulke wijze te geschieden, dat er uit deze bewerking en behandeling voor het personeel van de werkplaats geen hinder voortvloeit en evenmin aan de omgeving last of nadeel worden berokkend.

Art. 373. <Zie nota's onder TITEL> Zelfs indien al de bovenstaande voorwaarden worden nageleefd, zijn de bedrijfshoofden er toe verplicht aan hun ovens, toestellen en fabricagemiddelen, alsmede aan de schoorstenen en andere zuig- of verdichtingstoestellen voor gas, rook of stof, alle wijzigingen of bij te voegen stukken aan te brengen, waarvan de noodzakelijkheid later door de overheid, die de bedrijfsvergunning zal hebben verleend, op verslag van de technische ambtenaar, met het hoog toezicht over de inrichting belast, zou worden erkend.
B. Fabrieken en herstellingswerkplaatsen voor elektrische loodaccumulators.

Art. 374. <Zie nota's onder TITEL> <KB 09-03-1962, art. 12> De voorschriften van deze littera zijn van toepassing op de vervaardiging van elektrische loodaccumulatoren en op de werkplaatsen voor het monteren en herstellen van elektrische loodaccumulatoren die onder de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen gerangschikt zijn.
(Ze zijn eveneens van toepassing op de personen, ondernemingen en instellingen bedoeld in artikel 28 van dit reglement.) <KB 1987-09-17/31, art. 11, 017; Inwerkingtreding : 12-10-1987>

Art. 374bis. <Zie nota's onder TITEL> Het lood voor de vervaardiging van de platen der accumulatoren en hun ondergeschikte delen bestemd, dient zeer zuiver te zijn en mag, afgezien van het antimonium, slechts sporen van arseniekhoudende stoffen bevatten.
Het gebruik van oud lood, dat tot andere doeleinden werd gebezigd, wordt verboden.

Art. 375. <Zie nota's onder TITEL> De smeltkroezen voor het lood dienen derwijze opgesteld dat de uitwasemingen van het gesmolten lood zich niet in het werkhuis kunnen verspreiden; te dien einde dienen de kroezen overdekt te zijn met een vang, uit onbrandbare stoffen, waarvan de verschillende delen derwijze zijn samengebracht dat zij een stevig en ondoordringbaar geheel vormen, dat de kroes volkomen bedekt, met uitzondering van de opening, welke juist groot genoeg moet zijn om het gesmolten lood te scheppen. De kap dient aan een schoorsteen van voldoende doorsnede verbonden, waardoor de uitwasemingen naar buiten worden geleid. De tocht van de schoorsteen dient krachtig te wezen; desnoods zal hij aangewakkerd worden.

Bewerking van de platen na het gieten.

Art. 376. <Zie nota's onder TITEL> Het tijdens om 't even welke vormbewerking voortgebracht stof zal door middel van een ter plaatse aangepaste zuiger worden verwijderd.

Loodoxyde.

Art. 377. <Zie nota's onder TITEL> Het loodoxyde dient in goed gesloten recipiënten bewaard, in een tot dit doel speciaal ingericht vertrek. Vloer en wanden dienen met een effen, aaneensluitende en ondoordringbare bekleding bedekt, welke met veel water kan worden gereinigd.

Art. 378. <Zie nota's onder TITEL> De voorbereiding van het deeg, namelijk, het behandelen, het wegen, het malen en mengen van droge oxyde alsmede het mengen er van met zwavelzuur dienen in een afzonderlijk speciaal daartoe voorbehouden lokaal te geschieden.
De bij de omstandigheden aangewezen voorzorgen zullen getroffen worden ten einde het ontsnappen van stof te vermijden.

Art. 379. <Zie nota's onder TITEL> De werkplaats waar de platen worden gepasteerd dient van de andere lokalen gescheiden.

Art. 380. <Zie nota's onder TITEL> De deuren van bovenbedoelde twee lokalen moeten, buiten de strikt nodige tijd om er door te gaan, gesloten blijven.

Art. 381. <Zie nota's onder TITEL> De vloer van het pasteerlokaal dient met een harde, effen bekleding bedekt, welke aan de inwerking van de zuren weerstaat en lichtjes naar de verzamelriool overhelt. Hij zal dagelijks onmiddellijk na het werk met veel water worden gereinigd.

Art. 382. <Zie nota's onder TITEL> De voor het pasteren bestemde tafels dienen helemaal uit metaal vervaardigd. Zij mogen van geen laden voorzien zijn.
De tafels alsmede de stutten en fabricagebijhorigheden moeten dagelijks onmiddellijk na het werk met veel water gewassen en gespoeld worden.
Buiten de dagelijkse reiniging er van, dienen de tafels en fabricagebijhorigheden alsmede de vloer van het pasteerlokaal zo dikwijls besproeid als het nodig is om het verdrogen van deegafval te vermijden.

Vorming van de platen.

Art. 383. <Zie nota's onder TITEL> De platen dienen gevormd in lokalen, waarvan de vloer met een waterdichte bekleding moet bedekt zijn die door de electrolieten niet kan worden aangetast.

Art. 384. <Zie nota's onder TITEL> Om deze lokalen te verlichten mogen slechts gloeilampen worden aangewend; de lampen en de lamphouders er van dienen in hermetisch gesloten toestellen geplaatst.

Art. 385. <Zie nota's onder TITEL> De beschadigde en gesulfateerde platen en, over 't algemeen, de loodafval zullen in waterdichte en gesloten recipiënten worden geplaatst.

Art. 386. <Zie nota's onder TITEL> Al de lokalen, waar de platen gevormd worden, zullen hevig geventileerd worden.
C. Werkplaatsen voor het polijsten van metalen en elektrolytische neerslag.

Art. 387. <Zie nota's onder TITEL> <KB 09-03-1962, art. 13> De voorschriften van deze littera zijn van toepassing op het gladschuren van metalen en op de galvanische neerslag die onder de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen gerangschikt zijn.
(Ze zijn eveneens van toepassing op de personen, ondernemingen en instellingen bedoeld in artikel 28 van dit reglement.) <KB 1987-09-17/31, art. 12, 017; Inwerkingtreding : 12-10-1987>

Art. 387bis. <Zie nota's onder TITEL> De slijpstenen, schijven, viltbekledingen, enz., van de polijstmolentjes dienen voorzien van omhulsels, die alleen het voor de arbeid volstrekt nodig gedeelte onbedekt laten en verbonden zijn aan mechanische zuigtoestellen derwijze ingericht en opgesteld dat noch de werklieden der inrichting, noch de buren door het stof kunnen gehinderd worden; desnoods zal er gebruik worden gemaakt van neerslagkamers.

Art. 388. <Zie nota's onder TITEL> <KB 22-06-1956> De baden voor elektrolytische neerslag dienen opgesteld in een lokaal van de andere lokalen gescheiden door volkomen dichte beschotten en deuren. De zijwanden van het lokaal moeten tot minstens één meter hoogte van een waterdichte bekleding voorzien zijn. De bevloering dient effen te zijn, waterdicht, lichtjes afhellend en zodanig onderhouden dat het stagneren van vloeistoffen wordt vermeden. De baden mogen de afscheidingsmuren niet raken.
De baden voor elektrolytische neerslag van het chroom zullen voorzien zijn van toestellen om het gas op te vangen, dat chroomzuur bevat. Deze toestellen dienen derwijze aangebracht dat ze over heel de lengte van de elektrodes de wasems en dampen kunnen opvangen en dienen zo dicht mogelijk bij het oppervlak van het bad geplaatst. Tevens dienen zij voorzien van geschikte toestellen, bestemd om de ontsnapping van het chroomzuur te voorkomen. De toestellen, welke dienen om het gas op te vangen, moeten in gang worden gezet vóór dat de elektrodes onder spanning worden gebracht.

Art. 389. <Zie nota's onder TITEL> Cyaankali en, over 't algemeen, alle giftige produkten dienen onmiddellijk, bij ontvangst er van, achter slot in goed waterdichte recipiënten in een kast geborgen.

Art. 390. <Zie nota's onder TITEL> Tot het smelten, het versmelten, het oplossen of het mengen van giftige produkten mag alleen worden overgegaan in open lucht of onder een aan een schoorsteen verbonden rookvang; deze bewerkingen mogen alleen door een vertrouwbaar persoon worden uitgevoerd.

Art. 391. <Zie nota's onder TITEL> De nodige schikkingen dienen getroffen opdat het gas voortkomend van het afbijten, door middel van zuren of van het schoonbijten van metaal, noch de werklieden der inrichting, noch de buren zou hinderen.

Art. 392. <Zie nota's onder TITEL> Het afvalwater moet worden geneutraliseerd vooraleer het uit de inrichting wordt verwijderd.

Art. 392bis. <Zie nota's onder TITEL> (ingevoegd voor het Waalse Gewest bij <BWG 1999-01-21/33, art. 1, Inwerkingtreding : 20-02-1999>) Bij de fabricage of de bewerking van non-ferrometalen is het gebruik van hexachloorethaan verboden behalve :
1° in niet-geïntegreerde aluminiumgieterijen die speciaal aluminium produceren voor gebruiksvormen die hoge kwaliteits- en veiligheidsnormen vereisen, en die gemiddeld minder dan 1,5 kg HCE per dag gebruiken;
2° voor korrelverfijning bij de productie van de magnesiumlegeringen AZ81, AZ82 en AZ92.

Afdeling Ibis. <Ingevoegd voor het Waalse Gewest door BWG 1999-03-04/42, art. 10; Inwerkingtreding : 08-04-1999> - Inrichtingen voor de productie en de omzetting van asbest en voor de vervaardiging van asbesthoudende producten.

Art. 392ter. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd voor het Waalse Gewest door BWG 1999-03-04/42, art. 10; Inwerkingtreding : 08-04-1999> § 1. Bij de productie of de omzetting van asbest of bij de vervaardiging van asbesthoudende producten neemt de exploitant de nodige maatregelen om vaste afvalstoffen aan de bron te voorkomen of te verminderen.
§ 2. Bij gebruik van asbest impliceren de in § 1 bedoelde maatregelen dat gebruik wordt gemaakt van de beste beschikbare technologie die geen overmatig hoge kosten veroorzaakt, met inbegrip van recycling of behandeling.
In de zin van deze paragraaf wordt verstaan onder gebruik van asbest : de werkzaamheden waarbij per jaar een hoeveelheid van meer dan 100 kg ruwe asbest wordt behandeld en die betrekking hebben op :
1° de productie van ruwe asbest uit asbesthoudend gesteente met uitzondering van alle procédés die rechtstreeks verbonden zijn met het winnen van het gesteente,
en/of;
2° de vervaardiging en industriële afwerking van de volgende producten die ruwe asbest bevatten : asbestcement of asbestcementproducten, asbestfrictiemateriaal, asbestfilters, asbestweefsels, asbestpapier- en karton, dichtings-, verpakkings-, verstevigings- en dichtheidsmateriaal van asbest, vloerbedekkingen van asbest en asbesthoudende vulmiddelen.

Afdeling II - Scheikundige nijverheden.
A. Gebruik, aankoop, verkoop en vervoer van sommige giftige produkten.

Art. 393. <Zie nota's onder TITEL> <KB 28-08-1968> § 1. De hierna opgesomde giftige stoffen en de produkten die deze stoffen inhouden, mogen aan de in artikel 28 van dit reglement bedoelde (personen, ondernemingen en instellingen) uitsluitend onder verpakkingen geleverd worden waarop nauwkeurig, goed zichtbaar en goed leesbaar vermeld is dat zij zulke stoffen inhouden : <KB 1987-09-17/31, art. 13, 017; Inwerkingtreding : 12-10-1987>
1° lood, loodlegeringen en loodverbindingen;
2° kwik, kwikamalgamen en kwikverbindingen;
3° witte fosfor en giftige fosforverbindingen;
4° arseen, cadmium, mangaan, thallium, vanadium, beryllium en hun verbindingen;
5° fluor en zijn verbindingen;
6° zwavelkoolstof;
7° benzeen, tolueen en xylenen;
8° homologen van benzeen, andere dan tolueen en xylenen;
9° alifatische koolwaterstoffen die bij gewone temperatuur niet gasvormig zijn;
10° petroleumbenzine en andere koolwaterstofoplosmiddelen die niet destilleren beneden 150° C;
11° gedenatureerde petroleumbenzine en andere gedenatureerde koolwaterstofoplosmiddelen waarvan maximum 10 pct. in volume destilleren beneden 155° C;
12° petroleumbenzine en andere koolwaterstofoplosmiddelen waarvan de destillatiekurve onder 150° C begint, d.i.:
a) gedesaromatiseerde petroleumbenzine en andere gedesaromatiseerde koolwaterstofoplosmiddelen.
Onder deze benamingen worden verstaan de petroleumbenzine en andere koolwaterstofoplosmiddelen waarvan het gehalte aan aromatische koolwaterstoffen niet hoger is dan 1 pct. in volume en waarvan het gehalte aan benzeen alleen niet hoger is dan 0,25 pct. in volume;
b) petroleumbenzine en andere koolwaterstofoplosmiddelen die maximum 7 pct. in volume benzeen, tolueen en xylenen samen en maximum 0,25 pct. in volume benzeen alleen inhouden;
c) petroleumbenzine en andere koolwaterstofoplosmiddelen die maximum 1 pct. in volume benzeen inhouden;
13° naftaleen en zijn homologen;
14° styreen;
15° terpenen;
16° terpentijn en terpentijnolie;
17° pek, teer en andere bijprodukten van steenkool;
18° polycylische koolwaterstoffen en hun derivaten;
19° carbazol en zijn derivaten;
20° bitumen, asfalt en ruwe paraffine;
21° radioactieve stoffen;
22° nitro- en halogeenderivaten van de aromatische koolwaterstoffen;
23° fenolen en hun nitro-, halogeen-, nitroso-, sulfon- of carboxylderivaten, alsmede de zouten van die produkten;
24° aromatische aminen en hydrazinen alsmede hun halogeen-, fenol-, nitroso-, nitro- of sulfonderivaten;
25° synthetische organische kleurstoffen;
26° halogeen- en aminoderivaten van de alifatische koolwaterstoffen;
27° tetramethylthiuramdisulfide;
28° benzochinon;
29° methanal of formaldehyde;
30° formol;
31° methanol;
32° fosgeen;
33° chloor, broom, jood;
34° cyaanwaterstof en cyaniden;
35° cyaanzuur, cyanaten en isocyanaten;
36° oxaalzuur en oxalaten;
37° carbonylnikkel;
38° chroomzuur, natrium-, kalium- of ammoniumchromaten en -bichromaten;
39° streptomycine en zijn zouten.
De verpakkingen moeten evenwel geen melding maken van:
a) de aanwezigheid, in produkten die geen oplosmiddelen zijn, van benzeen, tolueen of xylenen, wanneer het oplosmiddel in die produkten niet meer dan 1 pct. in volume van die koolwaterstoffen samen inhoudt;
b) de aanwezigheid in verven, vernissen en bedekkingsmiddelen, van stoffen hierboven bedoeld in 8°, 9°, 10°, 11°, 12° a, 15° en 16°;
c) de aanwezigheid, in om het even welke stoffen, van chloorderivaten van de alifatische koolwaterstoffen, wanneer deze aanwezigheid voortvloeit uit een door de Dienst der Accijnzen voorgeschreven denaturering en het gehalte van bedoelde produkten aan deze chloorderivaten het door die dienst vereiste minimum niet overschrijdt;
d) de aanwezigheid, in om het even welke produkten, van minieme hoeveelheden aromatische aminen of synthetische organische kleurstoffen die er worden aan toegevoegd zonder enige technische noodzaak, doch alleen om ze te kleuren met esthetische, decoratieve of publicitaire doeleinden of ter identificatie.
§ 2. De bepalingen van dit artikel zijn niet toepasselijk op:
1° de stoffen en produkten die deze inhouden, geleverd los op wagons, vrachtwagens of schepen, of geleverd in tankwagens, -wagens of -schepen.
In dit geval echter moet de leveringsfactuur die aan de werkgever overgemaakt wordt de aard van deze stoffen vermelden op dezelfde manier als deze voorgeschreven in § 3;
2° de ertsen;
3° de niet-radioactieve ruwe en bewerkte metalen;
4° de voor dierenvoeding bestemde bereidingen;
5° de artikels voor gewoon bureauwerk;
6° de petroleumbenzine en de andere koolwaterstoffen uitsluitend bestemd voor de voeding van motoren of voor verwarming;
7° de smeeroliën;
§ 3. De in § 1 voorgeschreven vermelding moet de giftige stoffen opgeven met dezelfde benaming als die welke voorkomt in die paragraaf.
Indien die benaming een soortnaam is als "loodverbinding" "homoloog van benzeen, ander dan de tolueen en xylenen", "alifatische koolwaterstof", "halogeenderivaat van alifatische koolwaterstof", "cyanide", mag zij worden vervangen door een specifieke chemische benaming die met ten minste evenveel klaarheid en zekerheid de chemische aard van de stof bepaalt, zoals "loodsulfaat", "éthylbenzeen", "hexaan", "trichloorethyleen", "kaliumcyanide".
Indien het evenwel om stoffen gaat zoals bedoeld in § 1, 12°, moet als de vermelding de volgende tekst worden gebruikt, waarin het woord "petroleumbenzine" in voorkomend geval mag worden vervangen door het woord "koolwaterstofoplosmiddel":
a) voor de stoffen bedoeld in 12°, a:
"gedesaromatiseerde petroleumbenzine":
b) voor de stoffen bedoeld in 12°, b:
"petroleumbenzine met in volume maximum 7 pct. benzeen, tolueen en xylenen samen en maximum 0,25 pct. benzeen alleen";
c) voor de stoffen bedoeld in 12°, c:
"petroleumbenzine met in volume maximum 1 pct. benzeen".
Indien het gehalte van benzeen, tolueen en xylenen samen van de in 12°, c, bedoelde stoffen hoger is dan 1 pct. in volume, moet de aanwezigheid van tolueen en xylenen erbij worden vermeld.
In de vermeldingen, bedoeld in het derde lid, b en c, mogen de maximumgehalten worden vervangen door het juiste gehalte aan tolueen en xylenen samen.
§ 4. De in § 1 voorgeschreven vermelding moet, wat de vorm, kleur of uitzicht betreft, scherp afsteken tegen de achtergrond waarop zij is aangebracht, zodat zij dadelijk en zo levendig mogelijk in het oog springt. Indien aan de verpakking een kant voorbehouden is waarop zij normaal wordt neergezet, moet de vermelding aangebracht op een der andere kanten, bij voorkeur op de grootste.
§ 5. (opgeheven) <KB 09-04-1980, art. 5>
§ 6. Indien het een radioactieve stof betreft moet de vermelding beantwoorden aan de bepalingen ter zake van het koninklijk besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen.
§ 7. Voor de toepassing van de voorschriften van dit artikel moeten als verpakkingen worden aangezien, de recipiënten, bussen, flessen, dozen, zakken, builtjes, enz., die de bedoelde stoffen of produkten rechtstreeks inhouden en niet de voorlopige omhulsels die dienen om de recipiënten, bussen, flessen, dozen, zakken, builtjes, enz. te beschermen of om ze samen te houden tijdens hun verblijf in magazijn of tijdens hun vervoer. De in § 1 voorgeschreven opgave moet niet op de voorlopige omhulsels worden aangebracht behalve indien het radioactieve stoffen betreft of produkten die deze stoffen inhouden.
Wanneer evenwel in dit artikel bedoelde niet-radioactieve stoffen of produkten die deze stoffen inhouden afgeleverd worden onder verpakkingen van klein volume, in originele dozen waarop, langs buiten, alle handels- en technische aanduidingen betreffende het merk, de benaming, het gebruik, enz., zijn vermeld welke op die verpakkingen voorkomen, moet niet op elk van die verpakkingen, maar alleen op de dozen die, in dat geval, zullen worden aangezien als verpakking in de zin der bepalingen van voorgaand lid, gewezen worden op de aanwezigheid van deze stoffen of produkten. Indien aan de andere kant, de verpakking die rechtstreeks de beoogde stof of het beoogde produkt inhoudt, van zeer beperkte afmetingen is, zodat het praktisch niet mogelijk is er bij dit artikel voorgeschreven aanduidingen op aan te brengen moeten deze vermeldingen en aanduidingen voorkomen op een verpakking die over de voorgaande is aangebracht en die zoveel mogelijk bestemd is om het in het bezit te blijven van het ondernemingshoofd ten einde de bescherming van de eerste verpakking en van haar inhoud te verzekeren.
§ 8. Indien het nodig is, zullen de werkgevers hun leveranciers wijzen op de verplichtingen die deze laatsten ingevolge dit artikel moeten nakomen.
De werkgevers zullen eveneens de aandacht van hun personeel vestigen op de giftigheid van de bovenbedoelde stoffen en produkten, alsmede op de noodzakelijkheid ze behoedzaam te behandelen en te gebruiken.
§ 9. Kunnen worden aangezien als etiketten in de zin van dit artikel, de gelijkaardige en dezelfde mogelijkheden tot chemische identificatie biedende aanduidingen die, ingevolge andere wettelijke bepalingen, op de verpakking van sommige stoffen of produkten moeten voorkomen ten behoeve van degenen die ze gebruiken.
§ 10. (De bepalingen van dit artikel zijn niet toepasselijk op de gevaarlijke stoffen en preparaten bedoeld in het artikel 723bis 8 van dit reglement.) <KB 09-04-1980, art. 5>

Art. 394. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 03-10-1973, art. 6>

Phosphor.

Art. 395. <Zie nota's onder TITEL> Het is verboden witte-phosphorhoudende lucifers te vervaardigen, te verkopen en voor de verkoop in voorraad te hebben.
De produkten, die onder dit verbod vallen en de toestellen die tot het vervaardigen er van gediend hebben, zullen in beslag genomen, verbeurdverklaard en vernietigd worden.

Art. 396. <Zie nota's onder TITEL> De invoer van witte-phosphorhoudende lucifers is verboden.
Bij geregelde aangifte wordt de waar in beslag genomen en verbeurdverklaard. De invoer zonder aangifte of onder een onnauwkeurige benaming, alsook het onregelmatig vervoer binnen de tolkring worden vastgesteld en gestraft overeenkomstig de bepalingen der wet van 20 september 1897 op het beteugelen van de sluikhandel in zake invoer van verboden goederen.
De verbeurdverklaarde produkten worden in elk geval vernietigd.

Loodhoudend email.

Art. 397. <Zie nota's onder TITEL> Omtrent het gebruik van loodhoudend email wordt hieronder een verbod of beperking opgelegd in navermelde bedrijven, voor de daartegenover bepaalde industriële bewerkingen.
Bedrijven:
Werkplaatsen voor het emailleren van ijzer en ruwijzer.
Industriële bewerkingen:
Het gebruik van loodhoudend email voor het zogenaamd "stofemailleren" is verboden.
Het toepassingsgebied van de bepalingen van dit artikel zal, op advies van de Diensten voor de Technische en medische Arbeidsbescherming, bij ministeriële besluiten mogen gewijzigd of aangevuld worden.
(Dit artikel is van toepassing op het emailleerwerk dat onder de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen gerangschikt is.) <KB 09-03-1962, art. 14>

(rubriek opgeheven) <KB 03-10-1973, art. 6>

Art. 397bis. <Zie nota's onder TITEL> <opheffingsbepaling van KB 03-10-1973, art. 6>

Loodwit, loodsulfaat en andere witte loodhoudende pigmenten. <KB 22-12-1970, art. 1>

Art. 398. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1990-11-05/33, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 22-11-1991>

Art. 399. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1990-11-05/33, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 22-11-1991>

Art. 400. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1990-11-05/33, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 22-11-1991>

Art. 401. <Zie nota's onder TITEL> <opheffingsbepaling van KB 22-12-1970, art. 2>
B. <opheffingsbepaling van KB 01-07-1952, art. 10>

Art. 402. <Zie nota's onder TITEL> <opheffingsbepaling van KB 01-07-1952, art. 10>

Art. 403. <Zie nota's onder TITEL> <opheffingsbepaling van KB 01-07-1952, art. 10>

Art. 404. <Zie nota's onder TITEL> <opheffingsbepaling van KB 01-07-1952, art. 10>

Art. 405. <Zie nota's onder TITEL> <opheffingsbepaling van KB 01-07-1952, art. 10>

Art. 406. <Zie nota's onder TITEL> <opheffingsbepaling van KB 01-07-1952, art. 10>

Art. 407. <Zie nota's onder TITEL> <opheffingsbepaling van KB 01-07-1952, art. 10>

Art. 408. <Zie nota's onder TITEL> <opheffingsbepaling van KB 01-07-1952, art. 10>
C. Bereiding van loodverbindingen.

Algemene voorwaarden.

Art. 409. <Zie nota's onder TITEL> <KB 09-03-1962, art. 15> De voorschriften van deze littera zijn van toepassing op de bereiding van loodverbindingen, op de bereiding van loodwit en op de bereiding van loodchromaten en van loodchromaathoudende verfstoffen die onder de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen gerangschikt zijn.
(Ze zijn eveneens van toepassing op de personen, ondernemingen en instellingen bedoeld in artikel 28 van dit reglement.) <KB 1987-09-17/31, art. 14, 017; Inwerkingtreding : 12-10-1987>

Art. 410. <Zie nota's onder TITEL> Alle dagen, onmiddellijk na de schorsing van 't werk, moeten de vloer der werkplaatsen, de toestellen en het gereedschap zorgvuldig met veel water grondig gereinigd worden. Op 't einde van elke week, moeten de muren, het timmerwerk, enz., en over 't algemeen, al de plaatsen waar loodhoudend stof ligt, afgewassen worden.
Het schoonmaken zonder water is volstrekt verboden.

Art. 411. <Zie nota's onder TITEL> Bij elke behandeling van loodverbindingen worden de nodige maatregelen getroffen om te vermijden dat de handen met die produkten in aanraking komen, er stof ontstaat en die produkten in de ruimte verspreid worden.

Art. 412. <Zie nota's onder TITEL> De handvatten van het gereedschap en al de door de werklieden te hanteren voorwerpen moeten in volkomen reine staat gehouden worden.
Het stof zal opgezogen worden op de plaats zelf waar het voortgebracht wordt en zal in kamers of gepaste toestellen samengebracht worden.

Bijzondere voorwaarden aangaande het bereiden van loodwit.

Art. 413. <Zie nota's onder TITEL> Het lood moet gesmolten worden in een bijzonder lokaal, onder een rookvang, derwijze opgesteld dat de werkman-smelter zich buiten het bereik van alle uitwasemingen bevindt.
Tijdens (het aftappen) van het lood mag er in de rookvang slechts een opening zijn, welke voor die verrichting volstrekt noodzakelijk is. Buiten de smelttijd moet hij gans kunnen gesloten of op de smeltkroes nedergelaten worden. Een machinale ventilator moet een voortdurende en sterke luchtstroom onder de rookvang verzekeren. <KB 10-06-1952, art. 14 en bijl.>

Art. 414. <Zie nota's onder TITEL> De nodige maatregelen moeten genomen worden om te vermijden dat het wegnemen van de roosters, de plaatjes of de mest het minste stof zou veroorzaken. Desnoods, zullen die roosters, plaatjes of elke mestbed op voldoende wijze bevochtigd worden.

Art. 415. <Zie nota's onder TITEL> Het afkloppen, afbijten en zeven met de handen is verboden.

Art. 416. <Zie nota's onder TITEL> De niet in het water gedompelde machinale bijt- of verbrijzeltoestellen moeten voorzien zijn van goed dicht gesloten metalen bekledingen, welke verbonden zijn aan krachtig werkende opzuigingstoestellen, derwijze geplaatst dat het loodhoudend stof niet naar buiten kan vliegen.
De toestellen zullen slechts geopend worden na het volkomen neerslaan van het stof; dit zal desnoods verzekerd worden door een straal waterdamp of verstoven water.

Art. 417. <Zie nota's onder TITEL> Van af het afbijten van de roosters tot na het einde van het verbrijzelen met water, moet het loodwit machinaal van het ene toestel naar het andere worden overgebracht.
De werklieden mogen niet in de ovens binnendringen om er het droog loodwit uit te halen, alvorens deze lokalen verkoeld zijn.

Art. 418. <Zie nota's onder TITEL> De loodwitbroodjes moeten machinaal verbrijzeld worden en de verbrijzel-, maal- en builtoestellen zullen derwijze geplaatst zijn dat het loodwit automatisch van het een in het ander toestel komt. Die toestellen, in een bijzonder lokaal geplaatst, moeten voorzien zijn van goede metalen bekledingen, zo dat er niet het minste loodwit uit kan komen. Zij moeten voorzien zijn van machinale opzuigingstoestellen en mogen slechts geopend worden na volledige neerslag van het poederachtige stof.

Art. 419. <Zie nota's onder TITEL> Het verpakken van droog loodwit moet machinaal en derwijze geschieden dat hoegenaamd geen stof ontsnappen kan.

Art. 420. <Zie nota's onder TITEL> Het loodwitpoeder zal derwijze door middel van een toestel in de laadrechter van de pletmachine met olie gebracht worden dat er hoegenaamd geen stof kan ontstaan. De trechter zal voorzien zijn van een bekleding, waaronder, gedurende de ganse werktijd, de lucht door middel van een krachtige mechanische ventilator zal opgezogen worden.

Art. 421. <Zie nota's onder TITEL> Het mengen van het droog loodwit met de olie alsook de eerste verbrijzelverrichting moeten in een volkomen dicht gesloten toestel geschieden. Van dit toestel zal het loodwitdeeg automatisch naar de verschillende pletrollen gebracht worden.

Bijzondere voorwaarden aangaande het bereiden van loodoxyde: massicot, loodlit, menie.

Art. 422. <Zie nota's onder TITEL> De nodige voorzorgen dienen genomen opdat, tijdens het roeren en het uit de oven halen, de werklieden niet aan damp en stof worden blootgesteld. Staan de ovens niet in open lucht, dan moeten, boven de deuren rookvangen met krachtige luchtstroom geplaatst worden.

Art. 423. <Zie nota's onder TITEL> Het tot poeder stampen en builen zal in (luchtdicht gesloten) toestellen worden verricht, die slechts zullen geopend worden na volledige neerslag van de poederachtige stof. <KB 10-6-1952, art. 14 en bijl.>

Art. 424. <Zie nota's onder TITEL> Bij het overgieten, in vaten doen en samendrukken, zullen de nodige voorzorgen genomen worden om het opjagen van het stof volkomen te verhinderen.

Bijzondere voorwaarden aangaande het bereiden van loodchromaat en van de verven die er bevatten.

Art. 425. <Zie nota's onder TITEL> Het tot poeder stampen, builen, samendrukken en verpakken, moeten derwijze geschieden dat hoegenaamd geen stof ontsnappe. Die verrichtingen moeten geschieden hetzij onder krachtig werkende opzuigtoestellen, hetzij in luchtdicht gesloten toestellen, die slechts zullen geopend worden nadat de poederachtige stof volledig is neergeslagen.

Bijzondere voorwaarden aangaande het bereiden van loodarseniaat.

Art. 426. <Zie nota's onder TITEL> De invretende vloeistoffen dienen mechanisch te worden vervoerd en overgegoten.

Art. 427. <Zie nota's onder TITEL> De vaten en recipiënten die voor de reacties en de behandelingen dienen, zullen uit materiaal worden vervaardigd dat door de aangewende stoffen niet kan worden aangetast.

Art. 428. <Zie nota's onder TITEL> Het tot poeder stampen, het builen, het samendrukken, het inpakken en alle andere behandelingen van de grondstoffen of van het bereid produkt moeten derwijze geschieden dat er zich in de werkplaatsen geen stof kan verspreiden.

Art. 429. <Zie nota's onder TITEL> Buiten vermelde voorschriften en die hoofdzakelijk ten doel hebben lood- en andere vergiftigingen te voorkomen, moeten de fabrikanten navermelde maatregelen nemen, om de andere bezwaren van hun bedrijf te voorkomen.

Art. 430. <Zie nota's onder TITEL> Mesthopen en carbonatatiekamers mogen niet opgericht worden nabij de woningen, die aan derden toebehoren.
De nodige voorzorgen zullen genomen worden opdat het water der naburige putten niet besmet worde door de met de organische stoffen van de mest beladen vloeistoffen.

Art. 431. <Zie nota's onder TITEL> Water waarin lood- of arseenverbindingen opgelost zijn of waarin deze zweven, mag alleen in openbare riolen aflopen; het is verboden het in de grond te laten dringen of het buiten de inrichting te laten wegvloeien.

Art. 432. <Zie nota's onder TITEL> Alle brandbare stof moet van de droogplaatsen worden verwijderd.

Art. 433. <Zie nota's onder TITEL> De tijdens het bereiden voortgebrachte schadelijke gassen zullen derwijze worden gecondenseerd of opgeslorpt dat ze noch de werklieden noch de buren zouden kunnen hinderen.

Afdeling III.
A. Bouw- en onderhoudswerken. <KB 28-12-1976,art. 1, § 1>

Art. 433bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 28-12-1976, art. 1, § 1> Afdeling III van dit hoofdstuk is van toepassing op de (personen, ondernemingen en instellingen) bedoeld in artikel 28 van dit reglement. <KB 1987-09-17/31, art. 15, 017; Inwerkingtreding : 12-10-1987>
I. Materieel, toestellen, installaties en produktieinrichtingen. <KB 28-12-1976, art. 2>

Art. 434. <Zie nota's onder TITEL> <KB 28-12-1976, art. 2>
434.1.1.
Het materieel, de toestellen, de installaties en de produktieinrichtingen van elke aard zijn aangepast aan de uit te voeren werkzaamheden.
Ze hebben voldoende weerstand om aan de lasten en krachten, waaraan ze kunnen worden onderworpen, te weerstaan.
Ze mogen geen gebreken vertonen die de veiligheid in het gedrang kunnen brengen en worden in goede staat gehouden.
434.1.2.
De toestellen, de installaties en de produktieinrichtingen zijn zodanig aangebracht, opgesteld of gebruikt dat ze een voldoende stabiliteit bieden.
434.2.1.
De elementen die als uitvoerings- of beschermingsmiddelen gebruikt werden, zoals stellingen, bekistingen, beschoeiingen, stutten, platformen, loopbruggen, trappen, ladders, leuningen, panelen, vangnetten en -vloeren, zijn ontworpen, berekend en vervaardigd volgens de richtlijnen van de Administratie van de arbeidsveiligheid of bij ontstentenis ervan, volgens de normen, kodes voor goede praktijk of regels van de kunst, algemeen toegepast of aanbevolen in België.
434.2.2.
Op elke aanvraag van de met het toezicht gelaste ambtenaar, deelt het ondernemingshoofd of zijn afgevaardigde, voor elke stelling met een hoogte van meer dan 8 m, de referentie mede van de norm, de berekeningsmethode of de kode voor goede praktijk gebruikt voor het ontwerpen van de stelling.
434.3.1.
De gebruikte materialen zijn van goede kwaliteit en verkeren in goede staat.
434.3.2.
Het gebruikte hout is van het soort met lange vezels, zonder barsten noch andere gebreken die de weerstand ervan kunnen schaden.
Daarenboven is het volledig van zijn schors ontdaan als het gebruikt wordt voor het maken van stellingen, platformen, loopbruggen, trappen en ladders.
434.3.3.
De metalen onderdelen vertonen geen scheuren noch andere gebreken die de weerstand ervan kunnen schaden.
434.3.4.
Elk onderdeel dat in slechte staat verkeert of waarvan de stevigheid twijfelachtig is, wordt verwijderd zodat het niet meer kan worden gebruikt.
434.4.1.
De toestellen uitgerust met beweegbare platformen, bakken, grijpers of andere dergelijke uitrustingen mogen niet alleen gelaten worden met deze uitrustingen in geheven stand.
434.4.2.
De beweegbare toestellen en de voertuigen mogen slechts opgesteld en gebruikt worden op plaatsen waar hun stabiliteit verzekerd is, inzonderheid rekening houdend met de aard en de staat van de bodem en de vorm van het terrein.
(Wanneer laders op wielen of rupsen, tractors op wielen of rupsen, wegschaven of scrapertractors, met een nominaal vermogen van minstens 15 kW, moeten gebruikt worden onder omstandigheden die de door de constructeur vastgestelde stabiliteitsgrenzen benaderen, dienen deze bouwmachines te worden voorzien van een constructie ter bescherming bij omslaan die conform is met een norm of code van goede praktijk. De bestuurdersplaats moet uitgerust zijn met een veiligheidsgordel.) <KB 1991-09-18/33, art. 1, 034; Inwerkingtreding : 22-12-1991>
(Lid 3 opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999>
434.4.3.
Een persoon die niet volledig 18 jaar oud is of die de vereiste geschiktheden niet bezit om een beweegbaar toestel of een voertuig op de openbare weg te besturen, mag dat toestel of dat voertuig op een bouwplaats niet besturen, of toegelaten worden te besturen, ongeacht of die persoon al dan niet tot de onderneming behoort.
434.5.1.
(Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999>
434.5.2.
(Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999>
434.6.1.
Aangepaste stellingen worden gebruikt voor alle werkzaamheden die niet zonder gevaar met een ladder of andere middelen kunnen worden uitgevoerd.
434.6.2.
Loopbruggen, trappen, bordessen, ladders, hellende vlakken of liften zijn oordeelkundig verdeeld zodat de werknemers beschikken over gemakkelijke toegangs- en evacuatiemiddelen
434.6.3.
Het is verboden zich van de ene naar de andere verdieping van een afgewerkte stelling te begeven door langs de elementen van het geraamte ervan te klimmen of er zich langs te laten glijden.
434.7.1.
Als de werknemers blootgesteld zijn aan een val van meer dan 2 m, dan zijn de werk- en loopvlakken met volgende kollektieve beveiligingselementen uitgerust:
a) hetzij leuningen met tussenleuning en kantlijst die aan de vloer aansluit;
b) hetzij volle of uit traliewerk bestaande panelen;
c) hetzij elke andere inrichting die een gelijkwaardige veiligheid biedt.
Deze kollektieve beveiligingselementen mogen enkel worden onderbroken op de toegangsplaats tot een ladder.
434.7.2.
De bovenlat van een leuning bevindt zich op 1 m tot 1,2 m hoogte boven de werk- of loopvlakken.
Tussen de bovenlat en de kantlijst is een tussenleuning aangebracht tussen 40 tot 50 cm boven het werk- of loopvlak gelegen.
De kantlijsten zijn ten minste 15 cm hoog.
434.7.3.
De volle of uit traliewerk bestaande panelen zijn ten minste 1 m hoog en bieden een gelijkwaardige veiligheid als die van de beveiligingsinrichting beschreven in artikel 434.7.2.
434.7.4.
De hoogte van de beveiliging boven het werk- of loopvlak mag tot 70 cm worden verlaagd als ze bestaat:
a) uit een muur waarvan de som van de hoogte en de dikte gelijk is aan of groter is dan 1,3 m;
b) uit een bank van een vensteropening indien de breedte van de opening kleiner is dan of gelijk aan 2 m.
434.7.5.
Behalve als het gaat om gelaste, geklonken of geschroefde metalen elementen, zijn de leuningen, tussenleuningen, de kantlijsten en de panelen aan de binnenkant van het steunelement vastgehecht.
434.8.1.
(Als sommige gedeelten van de bouwplaats niet voor de arbeid toegankelijk zijn en de toegang ertoe gevaar oplevert voor de werknemers, worden deze plaatsen aangeduid door waarschuwingsborden voor gevaar, overeenkomstig de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk, en worden ze door materiële elementen behoorlijk afgebakend. Deze materiële elementen beletten de onvrijwillige toegang tot deze gedeelten van de bouwplaats.) <KB 1997-06-17/46, art. 26, 044; Inwerkingtreding : 29-09-1997>
434.8.2.
Indien deze elementen niet op een afstand van tenminste 1,5 m van de lege ruimte gelegen zijn, dan voldoen ze aan de vereisten gesteld voor de beveiligingselementen bedoeld in de artikelen 434.7.2. en 434.7.3.
434.9.1.
Als het niet mogelijk is de kollektieve beveiligingselementen bedoeld in artikel 434.7.1. aan te brengen of als er gevaar bestaat van over deze beveiligingselementen heen te vallen, dan worden vangelementen aangebracht:
- hetzij vloeren of gelijkwaardige kollectieve vangelementen, die een werknemer kunnen opvangen voordat hij een vrije val verricht van meer dan 3 m;
- hetzij netten of gelijkwaardige kollectieve vangelementen, die een werknemer kunnen opvangen voordat hij een vrije val verricht van meer dan 6 m. De vrije valhoogte wordt gemeten bij het laagste punt van het vangelement.
434.9.2.
De uitsteek van de vangelementen is de funktie van het hoogteverschil tussen de bovenste rand van het vangelement en het beginpeil van de val.
De afstand horizontaal gemeten tussen de bovenste rand van het vangelement en de vertikale die door het beginpunt van de val gaat, bedraagt ten minste:
- 2 m voor een hoogteverschil dat 4 m niet overtreft;
- 3 m voor een hoogteverschil dat 4 m overtreft.
434.9.3.
De vangelementen hebben:
a) een voldoende weerstand;
b) een samenstelling en een vorm die elke verdere val uitsluiten.
De vangelementen zijn zodanig aangebracht dat het slachtoffer van een val niet in aanraking komt met een hindernis.
De netten en de gelijkwaardige kollektieve vangelementen hebben een voldoende elasticiteit om de opgevangen werknemer van elke verwonding te vrijwaren.
De helling van de vangvloeren mag 45° niet overschrijden.
434.9.4.
Als het uitvoeren van een speciaal werk het tijdelijk wegnemen van een beveiligingselement tegen het vallen noodzakelijk maakt, worden doeltreffende vervangende veiligheidsmaatregelen getroffen, zoals automatisch werkende leuningen of panelen, beweegbare leuningen of panelen, handvatten, veiligheidsgordels of elk ander middel om het vallen van werknemers, materieel of materialen te voorkomen.
434.9.5.
Doeltreffende maatregelen worden genomen om de stabiliteit van bekistingspanelen met grote oppervlakte te verzekeren bij de behandeling, het gebruik en de opslag ervan, rekening houdend met de invloed van de wind.
434.9.6.
Het onder spanning brengen van de bewapening in voorgespannen beton, alsook het wegnemen van de hiervoor gebruikte vijzels gebeuren onder het toezicht van het ondernemingshoofd of zijn afgevaardigde.
Deze persoon zorgt voor het plaatsen van inrichtingen die de werknemers doelmatig kunnen beschermen tegen het gevaar van een mogelijke vrijmaking van de tijdens het