-A +A

Decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Alternatieve naam: 
Afvalstoffendecreet
Afkondiging: 
don, 02/07/1981
Publicatie: 
zat, 25/07/1981
Tekst van de wetgeving: 

niet geconsolliedeerde versie:

2 JULI 1981. - Decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van <afvalstoffen>. <DVR 1994-04-20/31, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> <NOTA 1 : Bij arrest van 26-05-1988 (B.St. 18-06-1988), heeft het Arbitragehof artikel 65, eerste lid, 1 vernietigd> <NOTA 2 : Bij arrest van 11-05-1989 (B.St. 31-05-1989), heeft het Arbitragehof verschillende artikelen vernietigd (zie art. 55, §1, 1; 55, § 2; 57; 58; 60; 62; 63>
(NOTA : raadpleging van vroegere versies vanaf 30-12-1986 en tekstbijwerking tot 25-06-2009) Zie wijziging(en)

Bron : VLAAMSE GEMEENSCHAP
Publicatie : 25-07-1981 nummer : 1981001184 bladzijde : 9334
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen. <DVR 1994-04-20/31, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994>

Artikel 1. Dit decreet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 107quater van de Grondwet.

Art. 2. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> In dit decreet wordt verstaan onder :
1° afvalstof : elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;
2° afvalstoffencatalogus : niet limitatieve lijst waarin wordt opgesomd welke <afvalstoffen> er zijn en welke analysemethoden eventueel van toepassing zijn om uit te maken of een stof voldoet aan de omschrijving die is gegeven aan een in de lijst opgenomen afvalstof;
3° producent : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens activiteit <afvalstoffen> heeft voortgebracht en/of elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die voorbehandelingen, vermengingen of andere bewerkingen heeft verricht die leiden tot wijziging in de aard of de samenstelling van die <afvalstoffen>;
4° houder : de producent van de <afvalstoffen> of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de <afvalstoffen> in zijn bezit heeft;
5° beheer : de inzameling, het vervoer, de nuttige toepassing en verwijdering van <afvalstoffen>, met inbegrip van het toezicht op die handelingen en de nazorg voor de stortplaatsen na sluiting;
6° verwijdering : de vernietiging en definitieve opslag op of in de bodem en de hierop gerichte handelingen, evenals de handelingen die als dusdanig worden bepaald door de Vlaamse regering overeenkomstig de geldende Europese voorschriften;
7° nuttige toepassing : het winnen van grondstoffen, produkten of energie uit afval, het rechtstreekse en wettige gebruik van afval, evenals de handelingen die als dusdanig worden bepaald door de Vlaamse regering overeenkomstig de geldende Europese voorschriften;
8° verwerken : het verwijderen of nuttig toepassen;
9° inzameling : het ophalen, sorteren en/of samenvoegen van <afvalstoffen> om deze te vervoeren;
(10° lagere besturen :provincies, provinciebedrijven, gemeenten, gemeentebedrijven en intergemeentelijke samenwerkingsverbanden.) <DVR 2002-07-05/44, art. 13, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

Art. 2bis. (Opgeheven) <DVR 2005-04-22/33, art. 17, 033; Inwerkingtreding : 01-01-2005>

Art. 3. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> § 1. De Vlaamse regering stelt een afvalstoffencatalogus op, overeenkomstig de geldende Europese voorschriften.
§ 2. Alle <afvalstoffen> worden volgens hun herkomst of aard in één van de volgende hoofdcategorieën ingedeeld :
1. huishoudelijke <afvalstoffen> : <afvalstoffen> die ontstaan door de normale werking van een particuliere huishouding en <afvalstoffen> die daarmee gelijkgesteld worden bij besluit van de Vlaamse regering;
2° bedrijfsafvalstoffen : <afvalstoffen> die ontstaan ten gevolge van een industriële, ambachtelijke of wetenschappelijke activiteit, en de <afvalstoffen> die daarmee gelijkgesteld worden bij besluit van de Vlaamse regering.
§ 3. <Afvalstoffen> kunnen bovendien in één of meer van de volgende bijkomende categorieën worden ingedeeld :
1° gevaarlijke <afvalstoffen> : <afvalstoffen> die een bijzonder gevaar voor de gezondheid van de mens of voor het milieu opleveren of kunnen opleveren of die in speciale inrichtingen verwerkt moeten worden. De Vlaamse regering bepaalt welke <afvalstoffen> als gevaarlijke <afvalstoffen> worden beschouwd overeenkomstig de geldende Europese voorschriften;
2° bijzondere <afvalstoffen> : huishoudelijke, gevaarlijke, bedrijfsafvalstoffen of andere <afvalstoffen> die wegens hun aard, samenstelling, herkomst of (verwerking) een bijzondere regeling behoeven. <DVR 2005-04-22/33, art. 19, 033; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
§ 4. De voorschriften die gelden voor de hoofdcategorie en de bijkomende categorie(ën) waarin een afvalstof is ingedeeld, zijn cumulatief van toepassing in de mate zoals aangegeven in artikel 22 en/of artikel 32.
§ 5. De volgende <afvalstoffen> zijn bijzondere <afvalstoffen> :
a. afgewerkte olie;
b. gebruikte PCB's;
c. <afvalstoffen> van de titaandioxyde-industrie;
d. dierlijk afval;
e. medisch afval;
f. bouw- en sloopafval;
g. klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong;
h. landbouwafvalstoffen;
i. mijnbouwafvalstoffen;
j. slib afkomstig van de drinkwaterproduktie, de reiniging van riolen, septische putten en vetvangers en van rioolwaterzuiveringsinstallaties;
k. voertuigwrakken;
l. rubberbanden.
De Vlaamse regering kan de bovenvermelde bijzondere <afvalstoffen> nader omschrijven en andere <afvalstoffen> als bijzondere <afvalstoffen> aanwijzen.

Art. 4. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> Zijn geen <afvalstoffen> als bedoeld in dit decreet :
1° gasvormige effluenten die in de atmosfeer worden uitgestoten;
2° dierlijk mest, als bedoeld in het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen verontreiniging door meststoffen;
3° afvalwater; met uitzondering van <afvalstoffen> in vloeibare toestand.
(4 ° bodem, uitgegraven buiten ontginningsgebieden, die vrij kan worden hergebruikt als bodem of als bouwstof; (bodem, uitgegraven buiten ontginningsgebieden, die overeenkomstig de voorwaarden bepaald in of krachtens het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering wordt gebruikt.)) <DVR 2003-04-04/13, art. 34, 026; Inwerkingtreding : 08-07-2004> <DVR 2006-05-19/36, art. 27, 034; Inwerkingtreding : 30-06-2006>

HOOFDSTUK II. - Doelstellingen van het afvalstoffenbeleid.

Art. 5. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> Het afvalstoffenbeleid heeft tot doel de gezondheid van de mens en het milieu te vrijwaren tegen de schadelijke invloed van <afvalstoffen> en de verspilling van grondstoffen en energie tegen te gaan door :
1° in de eerste plaats de produktie van <afvalstoffen> te voorkomen of te verminderen, en de schadelijkheid van <afvalstoffen> te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken;
2° in de tweede plaats de nuttige toepassing van <afvalstoffen> te bevorderen;
3° ten slotte de verwijdering te organiseren van die <afvalstoffen> die niet kunnen worden voorkomen of nuttig kunnen worden toegepast.

HOOFDSTUK III. - Preventie, vermindering, hergebruik en terugwinning van <afvalstoffen>.

Afdeling 1. - Algemeen.

Art. 6. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> Om de in artikel 5, 1° en 2°, bedoelde doelstellingen te realiseren nemen de administratieve overheden van het Vlaamse Gewest, de andere besturen die onderworpen zijn aan het bestuurlijk toezicht van het Vlaamse Gewest, en de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke instellingen en personen die belast zijn met taken van openbaar nut ter zake van milieu, elk in het kader van zijn of haar bevoegdheid, alle passende maatregelen of initiatieven ter bevordering van :
1° de ontwikkeling van schone technologieën die een zuiniger gebruik maken van de natuurlijke hulpbronnen;
2° de ontwikkeling en het gebruik van produkten die dusdanig zijn ontworpen dat de fabricage, het gebruik en de verwijdering ervan bijdragen tot een vermindering van de hoeveelheid <afvalstoffen> en de schadelijkheid ervan en van het gevaar voor verontreiniging;
3° de nuttige toepassing van de <afvalstoffen> door recyclage, hergebruik, terugwinning of andere handelingen gericht op het verkrijgen van secundaire grondstoffen of het gebruik van <afvalstoffen> als energiebron;
4° de ontwikkeling van adequate technieken voor de definitieve verwijdering van gevaarlijke stoffen uit <afvalstoffen> die bestemd zijn voor nuttige toepassing.

Art. 7. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> De Vlaamse regering kan voorschrijven dat in de algemene en bijzondere bestekken van besturen van het Vlaamse Gewest en van ondergeschikte besturen bepalingen worden opgenomen om de afzet van uit <afvalstoffen> teruggewonnen produkten en grondstoffen te bevorderen.

Afdeling 2. - Maatregelen en initiatieven in het kader van het economisch, industrieel en technologisch beleid.

Art. 8. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> § 1. De Vlaamse regering neemt in het kader van het economisch, het industrieel, het technologisch en het milieubeleid initiatieven en maatregelen als bedoeld in artikel 6. Daartoe worden onder meer volgende instrumenten aangewend :
1° het Vlaams Instituut voor de bevordering van het Wetenschappelijk-Technologisch Onderzoek in de Industrie, opgericht bij decreet van 23 januari 1991;
2° de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek, opgericht bij decreet van 23 januari 1991;
3° de wetgeving tot bevordering van de economische expansie;
4° het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur, opgericht bij decreet van 23 januari 1991;
5° de N.V. Vlaamse Milieuholding, gespecialiseerde dochtervennootschap van de Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Vlaanderen.
§ 2. In het milieujaarprogramma opgesteld overeenkomstig de terzake geldende decretale bepalingen, wordt jaarlijks een overzicht gegeven van welke initiatieven er in het lopende jaar ter uitvoering van § 1 genomen werden, wat de resultaten daarvan zijn en welke initiatieven in het komende jaar moeten worden genomen en welke resultaten daardoor moeten worden bereikt.

Art. 8bis. <Ingevoegd bij DVR 2005-04-22/33, art. 20; Inwerkingtreding : 01-01-2004> De Vlaamse Regering stelt voor preventiestimulerende en eco-efficiëntiestimulerende programma's de nadere regels vast waarbinnen aanspraak kan gemaakt worden op een subsidie voor het uitvoeren van projecten in het kader van deze programma's. De subsidies worden toegekend binnen de perken van de in de begroting opgenomen kredieten.

Afdeling 3. - Milieubeleidsovereenkomsten.

Art. 9. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> De Vlaamse regering kan om de in artikel 5, 1°, 2° en 3°, bedoelde doelstellingen te realiseren milieubeleidsovereenkomsten sluiten overeenkomstig de terzake geldende decretale bepalingen.

Afdeling 4. - Aanvaardingsplicht.

Art. 10. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> § 1. De Vlaamse regering wijst de <afvalstoffen>, inclusief verpakkingen, aan waarvoor, met het oog op hun nuttige toepassing of met het oog op hun doelmatige verwijdering, een aanvaardingsplicht geldt voor de eindverkoper, de tussenhandelaar en de producent of invoerder.
§ 2. De aanvaardingsplicht voor de eindverkoper houdt in dat hij, wanneer een consument een produkt aanschaft, verplicht is het overeenstemmend produkt waarvan de consument zich ontdoet in ontvangst te nemen.
De Vlaamse regering wijst de <afvalstoffen>, inclusief verpakkingen, aan die de eindverkoper van de consumenten in ontvangst moet nemen, zelfs wanneer deze consumenten geen vervangende produkten aanschaffen.
§ 3. De tussenhandelaars zijn verplicht de met toepassing van § 2, eerste lid door de eindverkopers in ontvangst genomen <afvalstoffen> te aanvaarden, en dit in verhouding tot de door hen aan de eindverkopers gedane leveringen van produkten.
De tussenhandelaars zijn verplicht de met toepassing van § 2, tweede lid door de eindverkopers in ontvangst genomen <afvalstoffen> te aanvaarden.
§ 4. De producenten of invoerders zijn verplicht de met toepassing van § 2, eerste lid door de eindverkopers of met toepassing van § 3, eerste lid door de tussenhandelaars in ontvangst genomen <afvalstoffen> te aanvaarden en in te staan voor de nuttige toepassing of de verwijdering ervan, en dit in verhouding tot de door hen aan de eindverkopers of tussenhandelaars gedane leveringen van produkten. De producenten of invoerders zijn verplicht de met toepassing van § 2, tweede lid door de eindverkopers of met toepassing van § 3, tweede lid door de tussenhandelaars in ontvangst genomen <afvalstoffen> te aanvaarden en in te staan voor de nuttige toepassing of de verwijdering ervan.
§ 5. De eindverkopers, tussenhandelaars, producenten en invoerders kunnen door de nakoming van de verplichtingen die hen door of krachtens dit artikel worden opgelegd op hun kosten een beroep doen op derden, onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse regering.
§ 6. De Vlaamse regering kan aanvullende regels vaststellen betreffende de wijze waarop de in § 1 bedoelde personen aan de aanvaardingsplicht moeten voldoen en de krachtens §§ 2, 3 of 4 in ontvangst genomen <afvalstoffen> moeten worden verwerkt. Zij kan terzake ook milieubeleidsovereenkomsten sluiten overeenkomstig de terzake geldende decretale bepalingen.

Afdeling 5. - Aanwending van <afvalstoffen> als secundaire grondstoffen.

Art. 11. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> § 1. De Vlaamse regering stelt een lijst op van <afvalstoffen> die op wettige wijze mogen worden gebruikt als secundaire grondstoffen indien zij voldoen aan de voorwaarden inzake samenstelling en/of gebruik, vastgesteld door de Vlaamse regering. Deze voorwaarden waarborgen dat het gebruik van deze <afvalstoffen> als secundaire grondstoffen gebeurt zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder nadelige gevolgen voor het milieu en met name :
- zonder risico's voor water, lucht, bodem, fauna en flora;
- zonder geluids- of stankhinder te veroorzaken;
- zonder schade te berokkenen aan natuur- en landschapsschoon.
De Vlaamse regering kan voor deze stoffen een gebruikscertificaat invoeren dat hun conformiteit met de gestelde voorwaarden attesteert.
§ 2. De in § 1 bedoelde <afvalstoffen> worden voor de toepassing van dit decreet niet als <afvalstoffen> beschouwd van zodra zij worden afgeleverd bij een gebruiker die beschikt over de nodige vergunningen en/of voldoet aan de krachtens § 1 vastgestelde voorwaarden om deze <afvalstoffen> als secundaire grondstoffen te gebruiken.

HOOFDSTUK IV. - Beheer en verwijdering van <afvalstoffen>.

Afdeling 1. - Algemene bepalingen.

Art. 12. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> Het is verboden <afvalstoffen> achter te laten of te (beheren) in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan. <DVR 2005-04-22/33, art. 21, 033; Inwerkingtreding : 01-01-2005>

Art. 13. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> § 1. Onverminderd de toepassing van andere bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten is de natuurlijke persoon of rechtspersoon die <afvalstoffen> beheert (...), verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om gevaar voor de gezondheid van de mens of voor het leefmilieu, meer bepaald risico voor water, lucht, bodem, fauna en flora, geluids- of stankhinder, schade aan natuur- en landschapsschoon te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. De Vlaamse regering kan deze maatregelen nader omschrijven. <DVR 2005-04-22/33, art. 22, 033; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
§ 2. De Vlaamse regering kan bepalen dat <afvalstoffen> bij hun vervoer vergezeld moeten gaan van een identificatieformulier.

Art. 14. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> § 1. Het verwijderen van <afvalstoffen> is een vergunningsplichtige handeling als bedoeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning.
De milieuvergunning die krachtens de bepalingen van het voormeld decreet wordt verleend aan de natuurlijke personen of rechtspersonen die <afvalstoffen> verwijderen heeft met name betrekking op :
- de soort en hoeveelheid van de <afvalstoffen>;
- de technische eisen;
- de te nemen voorzorgsmaatregelen inzake veiligheid;
- de plaats waar de <afvalstoffen> worden verwijderd;
- de behandelingsmethode;
- de maatregelen van controle en bewaking.
§ 2. De natuurlijke personen of rechtspersonen die <afvalstoffen> inzamelen of ophalen, huishoudelijke <afvalstoffen> die door de gemeente huis aan huis worden opgehaald uitgezonderd, en handelaars of makelaars die ten behoeve van anderen regelingen treffen voor de verwijdering of nuttige toepassing van <afvalstoffen>, zijn onderworpen aan een door de Vlaamse regering te verlenen erkenning. De erkening heeft onder meer betrekking op de solvabiliteit van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon en op de deskundigheid en moraliteit van de verantwoordelijke personen.
§ 3. De natuurlijke personen of rechtspersonen die in opdracht van derden, <afvalstoffen> vervoeren, zijn onderworpen aan registratie, voor zover ze zelf niet erkend zijn overeenkomstig § 2.
§ 4. De Vlaamse regering stelt de nadere regels vast met betrekking tot de erkenning en de registratie als bedoeld in § 2 en § 3.
§ 5. De Vlaamse regering kan sectorale voorwaarden uitvaardigen voor de in § 1, § 2 en § 3 bedoelde activiteiten.
§ 6. Het nuttig toepassen van <afvalstoffen> is een vergunnings- of meldingsplichtige handeling als bedoeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning.
§ 7. De natuurlijke personen en rechtspersonen die een activiteit als bedoeld in § 1, § 2, § 3 of § 6 uitoefenen, houden een afvalstoffenregister bij waarin onder meer de hoeveelheid, aard, oorsprong en, indien van toepassing, bestemming, frequentie van de inzameling, wijze van vervoer en van behandeling van de ingezamelde, opgehaalde, vervoerde, verwijderde of nuttig toegepaste <afvalstoffen> zijn vermeld. De Vlaamse regering bepaalt de vorm van het register en de gegevens die erin moeten worden opgenomen.
§ 8. De natuurlijke personen of rechtspersonen die een activiteit als bedoeld in § 1, § 2 of § 6 uitoefenen zijn verplicht de door de Vlaamse regering bepaalde gegevens met betrekking tot de ingezamelde, opgehaalde, verwijderde of nuttig toegepaste <afvalstoffen> te melden aan de OVAM. De Vlaamse regering kan de in § 3 bedoelde natuurlijke personen of rechtspersonen eveneens verplichten om bepaalde gegevens met betrekking tot de door hen vervoerde <afvalstoffen> aan de OVAM te melden.
(§ 9. De rechtspersonen die een kringloopcentrum uitbaten, waar afgedankte goederen die in aanmerking komen voor producthergebruik, worden ingezameld voor selectie met het oog op hergebruik, opgeslagen, gesorteerd, gereinigd en/of hersteld en verkocht, zijn onderworpen aan een door de Vlaamse regering te verlenen erkenning. De Vlaamse regering stelt de nadere regels vast met betrekking tot de erkenning.) <DVR 2003-12-19/39, art. 22, Inwerkingtreding : 01-01-2004>

Afdeling 2. - Huishoudelijke <afvalstoffen>.

Art. 15. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> § 1. (Elke gemeente draagt er, al dan niet in samenwerking met andere gemeenten, zorg voor dat de huishoudelijke <afvalstoffen> maximaal worden voorkomen of hergebruikt, op regelmatige tijdstippen worden opgehaald of op een andere wijze worden ingezameld, en worden verwerkt overeenkomstig artikelen 14 en 16, § 1 en § 2.) <DVR 2004-04-02/46, art. 3, 029; Inwerkingtreding : 28-05-2004>
§ 2. Onverminderd de bepalingen van dit decreet worden de ophaling en inzameling van huishoudeljke <afvalstoffen> bij gemeentelijk reglement geregeld.
§ 3. De prestaties van elke persoon die nodig zijn voor de normale werking van de diensten die met het ophalen van de huishoudelijke <afvalstoffen> zijn belast, evenals het nodige materieel hiervoor, mogen door de burgemeester, de arrondissementscommissaris en de gouverneur worden opgeëist.

Art. 16. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> § 1. De Vlaamse regering bepaalt welke huishoudelijke <afvalstoffen> afzonderlijk moeten worden opgehaald of op andere wijze moeten worden ingezameld met het oog op hun nuttige toepassing of verwijdering.
§ 2. De Vlaamse regering kan algemene regels vaststellen met betrekking tot de wijze waarop de door de gemeenten opgehaalde of ingezamelde huishoudelijke <afvalstoffen> nuttig worden toegepast of verwijderd.
§ 3. De gemeenten en verenigingen van gemeenten kunnen met de OVAM overeenkomsten sluiten om de organisatie van de selectieve ophaling of inzameling van huishoudelijke <afvalstoffen> te bevorderen of te begeleiden.
§ 4. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, kan de Vlaamse regering aan de in § 3 bedoelde gemeenten en verenigingen van gemeenten een financiële tussenkomst in de kosten van de selectieve ophaling of inzameling toekennen, ten laste van het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur. De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden voor de toekenning van deze financiële tussenkomst.
§ 5. (Wanneer een gemeente of een provincie de haar door of krachtens deze afdeling of door de plannen bedoeld in artikel 35 opgelegde verplichtingen niet nakomt binnen de door de Vlaamse regering bepaalde termijn en hierdoor het algemeen belang schaadt, kan de Vlaamse regering, na ingebrekestelling bij een met redenen omkleed besluit, in de plaats treden van de gemeente of de provincie in kwestie voor de uitvoering van alle maatregelen die nodig zijn om de voormelde verplichtingen na te komen. Het Vlaamse Gewest kan de kosten van de bedoelde maatregelen verhalen op de gemeente of de provincie.) <DVR 2004-04-02/46, art. 4, 029; Inwerkingtreding : 28-05-2004>
§ 6. De provincies zijn belast met de coödinatie van de uitvoering, door de gemeenten en verenigingen van gemeenten op hun grondgebied, van de plannen bedoeld in artikel 35, wat de huishoudelijke <afvalstoffen> betreft.
(§ 6bis. Onverminderd § 5 nemen de provincies tegen uiterlijk 31 december 2007 de taak van de organisatie van de eindverwerking van de huishoudelijke <afvalstoffen> op zich. Onder organisatie wordt verstaan dat een provincie in uitvoering van en binnen het kader van de algemene beleidsbepaling van en sturing door het Vlaamse Gewest gemeenten in een aantal gevallen in functie van de doelstellingen van het Uitvoeringsplan huishoudelijke <afvalstoffen> bindend kan sturen inzake de eindverwerking van huishoudelijke <afvalstoffen>.
In het geval van consensus tussen enerzijds de gemeenten en/of hun intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en anderzijds de provincie of in het geval dat een gemeente of een intergemeentelijk samenverwerkingsverband geen structurele en duurzame oplossing vindt voor de eindverwerking van huishoudelijk afval, kan de organisatie verder gaan dan enkel een bindende sturing met name de bouw en exploitatie van een eindverwerkingsinstallatie. Als een provincie meent dat er geen structurele en duurzame oplossing aanwezig is dan dient ze dit aan te tonen via een ingevuld afwegingskader met economische, ecologische en sociale aspecten. Onder organisatie wordt niet verstaan dat de provincies zelf installaties zullen bouwen en exploiteren tenzij in de gevallen zoals hierboven vernoemd. Centraal bij de bindende sturing die de provincie binnen haar organisatie uitvoert, staat het laten respecteren door de lokale besturen van de doelstellingen van het Uitvoeringsplan huishoudelijke <afvalstoffen>.
De gemeenten en provincies kunnen ook initiatieven nemen inzake de met huishoudelijk afval vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen. Zowel voor gemeenten als provincies liggen hier echter geen verplichtingen.
§ 6ter. Provincies kunnen niet enkel preventief coördinerend optreden als gemeenten in gebreke blijven, maar ook pro-actief om problemen te voorkomen of om een gezamenlijk beleid te voeren binnen het kader van het Vlaamse afvalbeleid. De provinciale overlegplatforms zoals bedoeld in § 6quater zijn daartoe een van de geëigende kanalen. Dit betekent dat de provincies, naast de taak die ze blijven hebben om gemeenten die achterblijven bij te trekken, ook gemachtigd zijn om hun gemeenten te verplichten vigerende gewestelijke uitvoeringsplannen zoals bedoeld in artikel 35 na te leven. De provincies kunnen daartoe voor de gemeenten en intergemeentelijke samenwerkingsverbanden bindende beslissingen nemen als er binnen het provinciaal overlegplatform zoals bedoeld in § 6quater geen consensus is met de betrokken gemeente(n) of intergemeentelijk(e) samenwerkingsverband(en). Bij een consensus tussen enerzijds de gemeenten en/of hun intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en anderzijds de provincie kan de provincie ook andere taken op zich nemen waarover de bedoelde consensus handelt.
§ 6quater. Per provincie wordt een provinciaal overlegplatform huishoudelijke <afvalstoffen> en vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen opgericht.
De provinciale overlegplatformen bestaan uit vertegenwoordigers van de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, de gemeenten, de provincie en het Vlaamse Gewest. Deze worden aangeduid door hun respectievelijke besturen.
De provinciale overlegplatformen hebben als taak :
1° de samenwerking tussen de lokale besturen en de provincies uit te werken, met prioritaire inzet naar de voorkoming en het hergebruik van <afvalstoffen>;
2° de uitwisseling en afstemming van sensibiliseringsacties;
3° de gemeenten en intergemeentelijke samenwerkingsverbanden waar het afvalbeleid minder goede resultaten haalt bij te sturen;
4° innovatieve projecten te gaan initiëren of ondersteunen met bijzondere aandacht voor projecten die voorkoming en het hergebruik van <afvalstoffen> centraal stellen.
De informatiedoorstroming tussen het Vlaams overlegplatform huishoudelijke <afvalstoffen> en vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen en de provinciale overlegplatformen gebeurt volgens afspraak.
§ 6quinquies. Zowel bij de coördinatie als bij de organisatie staat voor de gemeenten en hun samenwerkingsverbanden een beroepsmogelijkheid open bij de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu. Dit beroep moet via een aangetekend schrijven bij de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, ingesteld worden. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, start binnen de maand na ontvangst van het aangetekend schrijven onderhandelingen op en neemt binnen de zes maanden na de start van de onderhandelingen de eindbeslissing. Hiervoor roept de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, het advies in van het Vlaams overlegplatform huishoudelijke <afvalstoffen> en vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen, zoals bedoeld in § 6sexies. Het Vlaams overlegplatform geeft uiterlijk vijf maanden na de start van de onderhandelingen een advies, en dit bij voorkeur bij consensus, zoniet met meerderheid tegen minderheid met vermelding van minderheidsstandpunten. Het Vlaams overlegplatform en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, moeten daarbij de vigerende plannen bedoeld in artikel 35 respecteren.
§ 6sexies. Het Vlaams overlegplatform huishoudelijke <afvalstoffen> en vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen is belast met de coördinatie, bijsturing en bewaking van de plannen bedoeld in artikel 35 wat betreft de huishoudelijke <afvalstoffen>.
In het Vlaams overlegplatform zijn minimaal vertegenwoordigers opgenomen van het Vlaamse Gewest, de provincies, de gemeenten en hun intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, de bedrijven, de erkende kringloopcentra en belangenorganisaties.
Het Vlaams overlegplatform heeft als taak :
1° de samenwerking en het overleg tussen de verschillende bestuursniveaus, belangenorganisaties, erkende kringloopcentra en bedrijven te bevorderen en te stimuleren;
2° jaarlijks de prioritaire acties inzake preventie, hergebruik, selectieve inzameling en eindverwerking vast te leggen (met een bijzonder aandacht voor acties die de voorkoming en het hergebruik van <afvalstoffen> centraal stellen);
3° de gemeenten, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en provincies waar het afvalbeleid minder goede resultaten haalt, bij te trekken;
4° bij gebrek aan consensus tussen de gemeente, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en provincies inzake de uitvoering van de in artikel 35 vermelde plannen wat betreft de huishoudelijke <afvalstoffen> advies te verstrekken aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zoals bedoeld in § 6quinquies.) <DVR 2004-04-02/46, art. 5, 029; Inwerkingtreding : 28-05-2004>
(§ 7. De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden waarbinnen lagere besturen aanspraak kunnen maken op een subsidie ten behoeve van opdrachten in uitvoering van de van toepassing zijnde plannen en uitvoeringsplannen bedoeld in artikel 35. De subsidies worden toegekend binnen de perken van de in de begroting opgenomen kredieten.) <DVR 2002-07-05/44, art. 14, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
(§ 8. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, kan de Vlaamse regering aan de in artikel 14, § 9, bedoelde rechtspersonen die een kringloopcentrum uitbaten, een financiële bijdrage verlenen in de kosten voor werking, investeringen en/of personeel, ten laste van het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur. De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden voor de toekenning van deze financiële bijdrage.) <DVR 2003-12-19/39, art. 23, Inwerkingtreding : 01-01-2004>

Afdeling 3. - Bedrijfsafvalstoffen.

Art. 17. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> § 1. De producenten van bedrijfsafvalstoffen houden een afvalstoffenregister waarin onder meer de aard, oorsprong, samenstelling, hoeveelheid, bestemming en wijze van nuttige toepassing of verwijdering van de <afvalstoffen> worden vermeld.
§ 2. De producenten van bedrijfsafvalstoffen hebben een jaarlijkse meldingsplicht ten aanzien van de OVAM. De Vlaamse regering bepaalt de gegevens uit het afvalstoffenregister die aan de OVAM moeten worden gemeld.
§ 3. De Vlaamse regering stelt nadere regels vast met betrekking tot de vorm en de modaliteiten van het afvalstoffenregister en de meldingsplicht. Zij kan bepaalde categorieën van producenten van deze verplichtingen ontslaan wegens de geringe hoeveelheden en de geringe schadelijkheidsgraad van de door hen voortgebrachte <afvalstoffen>.
(Ze kan de melding laten doen via het integraal milieujaarverslag, bedoeld in artikel 3.5.3. van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.) <DVR 2004-02-06/33, art. 3, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2004>

Art. 18. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> Indien dit vereist is voor hun nuttige toepassing of voor hun doelmatige verwijdering worden de verschillende afvalstromen gescheiden opgevangen en opgeslagen en op passende wijze geïdentificeerd.

Art. 19. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> Producenten van bedrijfsafvalstoffen moeten op hun kosten deze <afvalstoffen> een nuttige toepassing geven of verwijderen.

Art. 20. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> Bedrijfsafvalstoffen mogen enkel worden verwijderd of nuttig toegepast :
1° binnen de onderneming waarin de <afvalstoffen> zijn ontstaan, en dit in overeenstemming met de milieuvergunning bedoeld in artikel 14 of met de andere toepasselijke wettelijke, decretale of reglementaire voorschriften;
2° door afgifte aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die hetzij houder is van een vergunning voor de verwijdering of nuttige toepassing van deze <afvalstoffen>, als bedoeld in artikel 14, § 1 of § 6, of voldaan heeft aan de meldingsplicht als bedoeld in artikel 14, § 6, hetzij houder is van een erkenning als bedoeld in artikel 14, § 2;
3° als secundaire grondstoffen, overeenkomstig artikel 11;
4° door afgifte aan een in een ander Gewest of land gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon die overeenkomstig de daar geldende wetgeving de <afvalstoffen> :
a. mag verwijderen voor zover er geen merkelijk dichterbij gelegen, vergunde verwijderingsinrichting is die deze <afvalstoffen> op een verantwoorde wijze kan verwijderen onder vergelijkbare voorwaarden, of
b. nuttig mag toepassen.

Art. 21. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> § 1. Iedere afgifte van bedrijfsafvalstoffen als bedoeld in artikel 20, § 2°, gebeurt tegen ontvangstbewijs.
§ 2. Het ontvangstbewijs vermeldt :
1° datum van afgifte;
2° naam en woonplaats van de producent of de inrichting waarvan de <afvalstoffen> in ontvangst worden genomen;
3° naam en woonplaats van de in artikel 20, 2°, bedoelde natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de <afvalstoffen> worden afgegeven;
4° aard, herkomst, samenstelling en hoeveelheid van de afgegeven <afvalstoffen>;
§ 3. De Vlaamse regering bepaalt de vorm van het ontvangstbewijs.

Afdeling 4. - Gevaarlijke <afvalstoffen>.

Art. 22. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> De bepalingen van de afdelingen 1 en 3 van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de gevaarlijke <afvalstoffen> voor zover er in deze afdeling niet uitdrukkelijk wordt van afgeweken.

Art. 23. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> § 1. Gevaarlijke <afvalstoffen> die worden verwijderd moeten worden geregistreerd en geïdentificeerd.
§ 2. Gevaarlijke <afvalstoffen> moeten bij de inzameling, het vervoer en de tijdelijke opslag deugdelijk zijn verpakt en/of opgeslagen en overeenkomstig de geldende internationale en Europese voorschriften zijn gekenmerkt. Tijdens het vervoer moeten zij bovendien vergezeld gaan van een identificatieformulier. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen betreffende de verpakking, opslag en identificatie van gevaarlijke <afvalstoffen>.
§ 3. De natuurlijke personen of rechtspersonen die een in artikel 14, § 1, § 2 of § 6, bedoelde activiteit uitoefenen, moeten de verschillende soorten gevaarlijke <afvalstoffen> van elkaar gescheiden houden en moeten de gevaarlijke <afvalstoffen> gescheiden houden van de niet-gevaarlijke <afvalstoffen>.
§ 4. In afwijking van § 3 kan in de vergunning bedoeld in artikel 14, § 1 of § 6, worden toegelaten dat gevaarlijke <afvalstoffen> gemengd worden met andere gevaarlijke <afvalstoffen> of met andere <afvalstoffen>, stoffen of materialen, indien dit vereist is om de veiligheid bij de verwijdering of de nuttige toepassing te verbeteren en voor zover daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan de bepalingen van artikel 13.
§ 5. Zijn de gevaarlijke <afvalstoffen> al met andere <afvalstoffen>, stoffen of materialen vermengd, dan moet, uitgezonderd in het geval bedoeld in § 4, een scheidingsbehandeling plaatsvinden wanneer dit technisch en economisch haalbaar is.

Art. 24. (opgeheven) <DFG 2007-05-25/39, art. 2, 037; Inwerkingtreding : 29-06-2007>

Afdeling 5. - Dierlijk afval.

Art. 25. <DFG 2007-05-25/39, art. 3, 037; Inwerkingtreding : 29-06-2007> Het is verboden zich op een andere wijze van dierlijk afval te ontdoen dan overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen betreffende het beheer van <afvalstoffen> ter aanvulling of uitvoering van de Verordening, vermeld in het vorige lid.

Art. 26. <DFG 2007-05-25/39, art. 3, 037; Inwerkingtreding : 29-06-2007> In afwijking van het bepaalde in artikel 17, § 2, en behoudens in de gevallen die uitdrukkelijk bepaald zijn door de Vlaamse Regering, zijn de voortbrengers van dierlijk afval ertoe gehouden die <afvalstoffen> alleen te melden aan een inrichting die erkend is voor de ophaling ervan.
Behoudens in de gevallen die uitdrukkelijk bepaald zijn door de Vlaamse Regering, is alleen de verwijdering van dierlijk afval door afgifte aan een erkende inrichting toegestaan.

Art. 27. <DFG 2007-05-25/39, art. 3, 037; Inwerkingtreding : 29-06-2007> Dierlijk afval wordt opgehaald en verwerkt door de hiertoe erkende of geregistreerde inrichtingen. De Vlaamse Regering bepaalt de regels betreffende de erkenning en registratie.
In de door de Vlaamse Regering bepaalde gevallen kunnen de toezichthoudende ambtenaren zo nodig besluiten dat dit afval kan of moet worden verwijderd door verbranding of begraving.
De erkende inrichtingen melden jaarlijks aan de OVAM de ophalingen die ze ter uitvoering van deze bepaling hebben verricht.

Art. 28. <DFG 2007-05-25/39, art. 3, 037; Inwerkingtreding : 29-06-2007> De Vlaamse Regering wijst de categorieën van voortbrengers van dierlijk afval aan, die ertoe gehouden zijn een overeenkomst te sluiten voor de ophaling van dat dierlijk afval met een erkende inrichting als vermeld in artikel 27, eerste lid.
Als niet voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt dit afval door de erkende inrichting opgehaald tegen vergoeding per prestatie. In de erkenning kan de bevoegde overheid de maximumtarieven bepalen die in een dergelijk geval mogen worden toegepast.
De ophaling van dierlijk afval, als het dode landbouwdieren betreft, bij andere personen dan vermeld in het eerste lid, geschiedt kosteloos. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder de erkende inrichtingen voor die prestaties worden vergoed door het Vlaamse Gewest.
Aanvullend op de vergoedingen vermeld in het derde lid, kan de Vlaamse Regering een vergoeding toekennen voor andere handelingen van beheer van dierlijk afval. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder de in het kader van beheer van dierlijk afval verrichte prestaties worden vergoed lastens het Vlaamse Gewest.

Art. 29. (opgeheven) <DFG 2007-05-25/39, art. 4, 037; Inwerkingtreding : 29-06-2007>

Art. 30. (opgeheven) <DFG 2007-05-25/39, art. 4, 037; Inwerkingtreding : 29-06-2007>

Art. 31. (opgeheven) <DFG 2007-05-25/39, art. 4, 037; Inwerkingtreding : 29-06-2007>

Afdeling 6. - Bijzondere <afvalstoffen>.

Art. 32. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> § 1. De Vlaamse regering stelt nadere regels vast voor het beheer van de in artikel 3, § 3, 2°, bedoelde bijzondere <afvalstoffen>.
§ 2. Deze regels vullen de door of krachtens afdeling 1 en, in voorkomend geval, de door of krachtens de afdelingen 2, 3, 4 of 5 van dit hoofdstuk vastgestelde regels aan. Ze kunnen echter ook voor welbepaalde bijzondere <afvalstoffen> en activiteiten gericht op het beheer van deze <afvalstoffen> voorschriften omvatten die afwijken van de bepalingen van artikel 14 van dit decreet, indien dit vereist is voor de doelmatige verwijdering of de nuttige toepassing van deze <afvalstoffen>. Deze voorschriften waarborgen dat deze verwijdering of nuttige toepassing gebeurt zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder nadelige gevolgen voor het milieu en met name :
- zonder risico's voor water, lucht, bodem, fauna en flora;
- zonder geluids- of stankhinder te veroorzaken;
- zonder schade te berokkenen aan natuur- en landschapsschoon.

HOOFDSTUK V. - Invoer en uitvoer van <afvalstoffen>.

Art. 33. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> § 1. De Vlaamse regering kan de invoer van <afvalstoffen> verbieden of reglementeren.
§ 2. Zij kan alle maatregelen nemen met betrekking tot de invoer en de uitvoer van <afvalstoffen> die nodig zijn voor de uitvoering van de Verordening (EEG) nr. 25993 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van <afvalstoffen> binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap en van het Verdrag inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke <afvalstoffen> en de verwijdering ervan, gesloten te Bazel op 22 maart 1989 en goedgekeurd bij de wet van 6 augustus 1993. Zij kan onder meer elke invoer of uitvoer van <afvalstoffen> binnen de werkingssfeer van voormelde Verordening (EEG) nr. 259/93 onderwerpen aan de betaling van een borgsom of het stellen van een gelijkwaardige financiële zekerheid ter dekking van de kosten van het vervoer en van de verwijdering of nuttige toepassing.
(§ 3. De Vlaamse regering kan bij invoer of uitvoer van <afvalstoffen> aan de kennisgever de betaling van een vergoeding tot dekking van de administratieve kosten, verbonden aan de uitvoering van de kennisgevings- en toezichtsprocedure ingesteld door de Verordening (EEG nr. 259/93), zoals bedoeld in artikel 33, eerste lid van deze Verordening, opleggen.) <DVR 1994-12-21/40, art. 6, 012; Inwerkingtreding : 01-01-1995>

Art. 34. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> Het is verboden <afvalstoffen> in of uit te voeren in strijd met de bepalingen van voormelde Verordening (EEG) nr. 259/93 of met de bepalingen vastgesteld krachtens artikel 33.

HOOFDSTUK VI. - Sectorale uitvoeringsplannen.

Art. 35. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> § 1. Ter uitvoering van het geldende afvalstoffenplan of milieubeleidsplan ontwerpt de OVAM sectorale uitvoeringsplannen.
§ 2. Deze sectorale uitvoeringsplannen hebben betrekking op concrete projecten, op acties in verband met preventie, recuperatie en verwijdering van <afvalstoffen> of op specifieke categorieën van <afvalstoffen>.

Art. 36. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> § 1. De OVAM betrekt de meest belanghebbende overheidsorganen, instellingen en privaatrechtelijke organisaties bij het ontwerpen van de sectorale uitvoeringsplannen.
§ 2. De ontwerpen van sectorale uitvoeringsplannen worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en voor een termijn van twee maanden ter inzage gelegd bij de gemeenten en bij de OVAM. Gedurende deze termijn kan iedereen bezwaren of opmerkingen schriftelijk ter kennis brengen van de OVAM.
§ 3. Tegelijkertijd met hun bekendmaking worden de ontwerpen van sectorale uitvoeringsplannen bezorgd aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen en de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, die een met redenen omkleed advies uitbrengen binnen een vervaltermijn van twee maanden na ontvangst van het ontwerp. Deze adviezen zijn niet bindend.
§ 4. De sectorale uitvoeringsplannen worden vastgesteld door de Vlaamse regering, rekening houdend met de gegeven adviezen en met de ingediende bezwaren of opmerkingen. Wanneer de regering het door de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen of de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen uitgebrachte advies niet volgt, hetzij geheel of gedeeltelijk, dan verantwoordt ze dit in een verslag, gevoegd bij de in § 5 bedoelde bekendmaking.
§ 5. De sectorale uitvoeringsplannen worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze liggen ter inzage bij de OVAM, de provincies en de gemeenten.
§ 6. De sectorale uitvoeringsplannen gelden, in de mate zoals hierna aangegeven, voor de administratieve overheden van het Vlaamse Gewest, de provincies, de gemeenten en de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke instellingen die belast zijn met taksen van openbaar nut inzake milieubeleid. De geldigheidsduur van de sectorale uitvoeringsplannen wordt in ieder plan afzonderlijk bepaald.
§ 7. Bepalingen van sectorale uitvoeringsplannen zijn bindend, uitgezonderd waar dit uitdrukkelijk aangegeven is in deze plannen. In die gevallen zijn ze indicatief. Van de bindende bepalingen kan slechts worden afgeweken bij beslissing van het Vlaamse regering, wanneer daarvoor gewichtige redenen zijn en mits behoorlijke motivering. Bepalingen van sectorale uitvoeringsplannen die strijdig zijn met een gewestelijk plan van latere datum met verordenende of verbindende kracht verliezen hun geldigheid.
++++++++++++++++++++
TOEKOMSTIGE WETTEKST
--------------------
Art. 36. <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994> § 1. De OVAM betrekt de meest belanghebbende overheidsorganen, instellingen en privaatrechtelijke organisaties bij het ontwerpen van de sectorale uitvoeringsplannen.
§ 2. De ontwerpen van sectorale uitvoeringsplannen worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en voor een termijn van twee maanden ter inzage gelegd bij de gemeenten en bij de OVAM. Gedurende deze termijn kan iedereen bezwaren of opmerkingen schriftelijk ter kennis brengen van de OVAM.
§ 3. (Tegelijkertijd met hun bekendmaking worden de ontwerpen van sectorale uitvoeringsplannen bezorgd aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen, die een met redenen omkleed advies uitbrengt binnen een vervaltermijn van twee maanden na ontvangst van het ontwerp. Die adviezen zijn niet bindend.) <DVR 2004-04-30/45, art. 9, 030; Inwerkingtreding : onbepaald>
§ 4. (De sectorale uitvoeringsplannen worden vastgesteld door de Vlaamse regering, rekening houdend met het gegeven advies en de ingediende bezwaren of opmerkingen. Wanneer de regering het door de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen gegeven advies niet volgt, hetzij geheel of gedeeltelijk, dan verantwoordt ze dat in een verslag, gevoegd bij de in § 5 bedoelde bekendmaking.) <DVR 2004-04-30/45, art. 9, 030; Inwerkingtreding : onbepaald>
§ 5. De sectorale uitvoeringsplannen worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze liggen ter inzage bij de OVAM, de provincies en de gemeenten.
§ 6. De sectorale uitvoeringsplannen gelden, in de mate zoals hierna aangegeven, voor de administratieve overheden van het Vlaamse Gewest, de provincies, de gemeenten en de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke instellingen die belast zijn met taksen van openbaar nut inzake milieubeleid. De geldigheidsduur van de sectorale uitvoeringsplannen wordt in ieder plan afzonderlijk bepaald.
§ 7. Bepalingen van sectorale uitvoeringsplannen zijn bindend, uitgezonderd waar dit uitdrukkelijk aangegeven is in deze plannen. In die gevallen zijn ze indicatief. Van de bindende bepalingen kan slechts worden afgeweken bij beslissing van het Vlaamse regering, wanneer daarvoor gewichtige redenen zijn en mits behoorlijke motivering. Bepalingen van sectorale uitvoeringsplannen die strijdig zijn met een gewestelijk plan van latere datum met verordenende of verbindende kracht verliezen hun geldigheid.
++++++++++++++++++++

HOOFDSTUK VII. - Veiligheidsmaatregelen.

Art. 37.
<Opgeheven bij DVR 2007-12-21/82, art. 20, 039; Inwerkingtreding : 01-05-2009>

HOOFDSTUK VIII. - De Openbare <Afvalstoffen> voor het Vlaamse Gewest.

Art. 38. (Opgeheven) <DVR 2004-05-07/63, art. 13, 1°, 032; Inwerkingtreding : 01-04-2006>

Art. 39. (Opgeheven) <DVR 2004-05-07/63, art. 13, 2°, 032; Inwerkingtreding : 01-04-2006>

Art. 40. (Opgeheven) <DVR 2004-05-07/63, art. 13, 3°, 032; Inwerkingtreding : 01-04-2006>

Art. 41. (Opgeheven) <DVR 2004-05-07/63, art. 13, 3°, 032; Inwerkingtreding : 01-04-2006>

Art. 42. (Opgeheven) <DVR 2004-05-07/63, art. 13, 3°, 032; Inwerkingtreding : 01-04-2006>

Art. 43. (Opgeheven) <DVR 2004-05-07/63, art. 13, 4°, 032; Inwerkingtreding : 01-04-2006>

Art. 44. (Opgeheven) <DVR 2004-05-07/63, art. 13, 3°, 032; Inwerkingtreding : 01-04-2006>

Art. 45. (Opgeheven) <DVR 2004-05-07/63, art. 13, 3°, 032; Inwerkingtreding : 01-04-2006>

Art. 46. (opgeheven) <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994>

Afdeling 6. - Dierlijk afval. (Ingevoegd bij DVR 1992-06-25/31, art. 30)

Art. 46bis. (opgeheven) <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994>

Art. 46ter. (opgeheven) <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994>

Art. 46quater. (opgeheven) <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994>

Art. 46quinquies. (opgeheven) <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994>

Art. 46sexies. (opgeheven) <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994>

Art. 46septies. (opgeheven) <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994>

Art. 46octies. (opgeheven) <DVR 1994-04-20/31, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 07-05-1994>

HOOFDSTUK IX. - Milieuheffingen.

Art. 47. <DVR 2006-12-22/31, art. 46, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. De begrippen gebruikt in dit hoofdstuk hebben de betekenis die hen wordt toegekend door of krachtens dit decreet en het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning.
§ 2. Voorts wordt voor dit hoofdstuk verstaan onder :
- voorbehandelen van <afvalstoffen> in het kader van de bepaling in artikel 48, § 2, 16° : het behandelen van <afvalstoffen> waarbij de aard en samenstelling van de <afvalstoffen> wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van de <afvalstoffen>;
- (brandbare <afvalstoffen> : <afvalstoffen> met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %;) <DFG 2007-05-25/39, art. 5, 037; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

Art. 48.<DVR 2006-12-22/31, art. 46, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. Aan een milieuheffing zijn onderworpen de exploitanten van de in § 2, 1° tot en met 16°, bedoelde vergunningsplichtige inrichtingen alsook de overbrengers van de in § 2, 17°, bedoelde <afvalstoffen> met het oog op verwerking ervan buiten het Vlaamse Gewest. De gemeenten, of de in hun plaats tredende verenigingen van gemeenten kunnen voor de door hen opgehaalde huishoudelijke en gemeentelijke <afvalstoffen> rechtstreeks als heffingsplichtige worden aangemerkt voor zover zij hiervoor een machtiging ontvangen van OVAM. De machtiging vermeldt de afvalstroom, de concrete bestemming en het toe te passen heffingstarief. Een kopie van deze machtiging wordt bezorgd aan de exploitant van de inrichting waarnaar de concrete afvalstroom wordt afgevoerd. De exploitant vermeldt de betreffende hoeveelheden in een bijlage bij zijn aangifte met verwijzing naar de respectievelijke machtiging. De exploitant deelt deze hoeveelheden tijdig mee aan de gemeenten, of de in hun plaats tredende verenigingen van gemeenten die voor de betreffende hoeveelheden zelf als heffingsplichtige optreden en een aangifte doen overeenkomstig de bepalingen van dit decreet.
Onverminderd de verder bepaalde uitzondering geldt de in § 2, 1° tot en met 16°, bepaalde heffing voor de hoeveelheden <afvalstoffen> zoals ze worden gestort, verbrand of meeverbrand, inclusief de toeslagstoffen die werden toegevoegd met het oog op het storten, verbranden of meeverbranden van de <afvalstoffen>.
§ 2. Het bedrag van de milieuheffingen, als bedoeld in § 1, wordt, afhankelijk van het soort afvalstof en het soort verwerkingswijze, vastgesteld op :
1° 150 euro per ton voor het storten, verbranden of meeverbranden van <afvalstoffen> in een inrichting die niet vermeld wordt onder 2° tot en met 16°;
2° a) 75 euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van brandbare <afvalstoffen>;
b) 20 euro per ton, en dit in afwijking van a), voor het storten van huishoudelijke <afvalstoffen> die niet konden worden verwerkt in een inrichting vergund voor het verwerken van huishoudelijke <afvalstoffen>, om reden dat de exploitant zijn inrichting op vrijwillige basis tijdelijk en buiten de normale onderhoudsperiodes buiten dienst heeft gesteld omdat niet kan voldaan worden aan de opgelegde vergunningsvoorwaarden. Deze afwijking geldt evenwel voor elke inrichting slechts gedurende een periode van 18 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand tijdens dewelke de inrichting op vrijwillige basis werd gesloten;
c) 40 euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van niet-brandbare <afvalstoffen>;
3° voor recyclageresidu's van bedrijven die <afvalstoffen> afkomstig van selectieve inzamelingen, zoals hieronder vermeld, gebruiken of voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten :
a) 75 * K euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van brandbare <afvalstoffen>;
b) 40 * K euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van niet-brandbare <afvalstoffen>.
De te storten restfractie moet na (voor)behandeling kleiner zijn dan de hierna vermelde percentages die moeten beschouwd worden ten opzichte van de totale aanvoer van de betreffende <afvalstoffen> op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie de hierna vermelde percentages overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1.
- 15 gewichtspercent voor glasafval;
- 20 gewichtspercent voor lompenafval;
- 20 gewichtspercent voor kunststofafval, geldend voor de bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten;
- 5 gewichtspercent voor kunststofafval, geldend voor de bedrijven die kunststofafval voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten;
- 10 gewichtspercent voor elektronisch en elektrisch schrootafval;
- 10 gewichtspercent voor schrootafval;
- 5 gewichtspercent voor houtafval;
- 5 gewichtsprocent voor papier- en kartonafval;
- 3 gewichtspercent voor groenafval;
- 5 gewichtspercent voor piepschuimafval;
- 5 gewichtspercent voor groente-, fruit- en tuinafval (GFT-afval) afkomstig van aërobe compostering;
- 8 gewichtspercent voor groente-, fruit- en tuinafval (GFT-afval) afkomstig van anaërobe vergisting;
- 5 gewichtspercent voor bouw- en sloopafval;
- 10 gewichtspercent voor rubberafval, andere dan bandenafval;
- 5 gewichtspercent voor bandenafval;
- 20 gewichtspercent voor plasticverpakkingen, metalen verpakkingen en drankkartons (PMD);
- 25 gewichtspercent voor shredderafval afkomstig van schrootverwerking;
- 5 gewichtspercent voor voedselafval;
- 25 gewichtspercent voor gebruikte oplosmiddelen;
- 10 gewichtspercent voor recyclageresidu's afkomstig van de normale activiteiten van door de OVAM erkende kringloopcentra;
- 3 gewichtspercent voor recyclageresidu's van de behandeling van bodemassen.
Voor recyclageresidu's van lompenafval is K = 0 met ingang van het heffingsjaar 2007.
Voor recyclageresidu's van bedrijven die glasafval afkomstig van selectieve inzamelingen gebruiken of voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuw glas, is K = 0 met ingang van het heffingsjaar 2007.
Voor niet-brandbare recyclageresidu's van papier- en kartonafval is K = 0,05 met ingang van het heffingsjaar 2007.
Voor brandbare recyclageresidu's van papier- en kartonafval is K = 0,03 met ingang van het heffingsjaar 2007 tot en met het heffingsjaar 2009, en K = 1 vanaf het heffingsjaar 2010.
Voor recyclageresidu's van elektronisch en elektrisch schrootafval, van schrootafval en van shredderafval afkomstig van schrootverwerking, voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, en voor recyclageresidu's van de compostering/vergisting van GFT is K = 0,15 met ingang van het heffingsjaar 2007 tot en met het heffingsjaar 2009, en K = 1 vanaf het heffingsjaar 2010. In afwijking hiervan blijft voor shredderafval afkomstig van schrootverwerking K = 0,15 voor het heffingsjaar 2010 indien de hoeveelheid shredderafval die in 2010 per ton inputmateriaal wordt gestort, met 10 % wordt verminderd in vergelijking met de hoeveelheid shredderafval die in 2010 per ton inputmateriaal wordt geproduceerd en bestaande uit enerzijds de lichte fractie die wordt afgezogen uit de cycloon, en anderzijds de zware fractie die overblijft na metallische scheiding en na de lineaire motor.
Voor recyclageresidu's afkomstig van de normale activiteiten van door de OVAM erkende kringloopcentra is K = 0,2 met ingang van het heffingsjaar 2007.
Voor recyclageresidu's van bouw- en sloopafval is K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 en K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008.
[1 Voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerk- en ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen, is K=0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008. De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtspercent. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K=1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerk- en ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en het zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd.]1
Voor andere recyclageresidu's is K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007, K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008, K = 0,8 voor het heffingsjaar 2009 en K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2010;
4° voor residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra :
3 euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats;
5° voor residu's afkomstig van de verwerking van rioolkolkenslib in daartoe vergunde inrichtingen :
3 euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats;
6° voor slibresidu's afkomstig van de reiniging van zeefzand in daartoe vergunde bedrijven :
3 euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats;
7° 23 euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van geïmmobiliseerde niet-brandbare <afvalstoffen> afkomstig van daartoe vergunde bedrijven, op voorwaarde dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de vergunningsvoorwaarden van de stortplaats;
8° 5 euro per ton voor het storten van ijzeroxide <afvalstoffen> van de zinkproductie bekend onder de naam jarosiet en goethiet, op een daartoe vergunde stortplaats;
9° 1 euro per ton voor het storten van gips of calciumchloride <afvalstoffen> op een daartoe vergunde stortplaats;
10° 5 euro per ton voor het storten van ertsresten van de productie van titaandioxidepigmenten volgens het chloorproces op een daartoe vergunde stortplaats;
11° 0,1 euro per ton voor het storten van baggerspecie op een daartoe vergunde stortplaats;
12° 0,1 euro per ton voor het storten van ruimingspecie op een daartoe vergunde stortplaats;
13° 11 euro per ton voor het storten van inerte <afvalstoffen> op een daartoe vergunde stortplaats;
14° 7 euro per ton voor het verbranden van <afvalstoffen> in een daartoe vergunde installatie;
15° 7 euro per ton voor het meeverbranden van <afvalstoffen> in een daartoe vergunde installatie.
In afwijking van 14° en 15° geldt voor het verbranden of meeverbranden van recyclageresidu's van papier- en kartonafval een heffingstarief van 2 euro/ton met ingang van het heffingsjaar 2007;
16° de bedragen overeenkomstig het bovenvermelde 1° tot en met 15° voor het sorteren of voorbehandelen van <afvalstoffen> in een daartoe vergunde inrichting. Het bedrag van de milieuheffing wordt bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte <afvalstoffen> toegepaste verwerkingswijze bedoeld in het bovenvermelde 1° tot en met 15°.
De hiervoor vermelde milieuheffing is niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- en/of voorbehandelinginrichting aantoont dat de <afvalstoffen> na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-hergebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het bovenvermelde 1° tot en met 15°.
Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte <afvalstoffen> buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde 17°, tweede zinsdeel, van toepassing;
17° de bedragen vermeld sub 1° tot en met sub 16°, overeenkomstig de toegepaste verwerkingswijze voor de <afvalstoffen> geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest; in geval een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar bedoelde <afvalstoffen> worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid.
§ 3. Voor volgende <afvalstoffen> geldt een tarief van 0 euro/ton :
1° het storten van asbesthoudende <afvalstoffen> op een daartoe vergunde stortplaats.
Onder asbesthoudende <afvalstoffen> worden tevens begrepen : <afvalstoffen> geheel of gedeeltelijk bestaande uit keramische vezels met gelijkaardige carcinogene eigenschappen;
2° het storten, verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van <afvalstoffen> van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en storten onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn;
3° het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting en met recuperatie van energie van verwerkte dierlijke vetten, eiwitten en meel die conform die conform de Europese, federale en regionale regelgeving vernietigd moeten worden;
4° het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting en met recuperatie van energie van recyclageresidu's van lompenafval en van recyclageresidu's van bedrijven die glasafval afkomstig van selectieve inzamelingen gebruiken of voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuw glas.
Aan een milieuheffing zijn niet onderworpen :
1° het gebruik in de afdichtlaag van een vergunde stortplaats van mengsels van enerzijds reagentia en/of toeslagstoffen en anderzijds volgende <afvalstoffen> die overeenkomstig de Beste Beschikbare Technieken (BBT) niet reinigbaar zijn : zuiveringsslib, gronden/zanden, bodemassen en assen afkomstig van de verbranding van zuiveringsslib;
2° het storten van gronden die beantwoorden aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem en die gebruikt worden als tussenafdek;
3° het verbranden of meeverbranden van houtafval in een daartoe vergunde inrichting en met recuperatie van energie.
§ 4. De in § 2 bedoelde bedragen worden aangepast aan het indexcijfer der consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer der consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De indexering gebeurt jaarlijks automatisch, dus zonder voorafgaande verwittiging, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden afgerond tot de hogere cent.
§ 5. De bedragen van de milieuheffing overeenkomstig het bovenvermelde artikel 48, § 2, 2° tot en met 17°, worden vanaf 2007 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting.
----------
(1)<DVR 2007-12-21/35, art. 21, 038; Inwerkingtreding : 01-01-2008>

Art. 49. <DVR 2006-12-22/31, art. 46, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. De milieuheffing bedoeld in artikel 48, § 1, is verschuldigd :
1° voor wat betreft de bedragen bedoeld in § 2, 1° tot en met 16° : op het tijdstip dat de <afvalstoffen> worden verwerkt in de in § 2, 1° tot en met 16°, bedoelde inrichtingen;
2° voor wat betreft de bedragen bedoeld in § 2, 17° : op het tijdstip dat de <afvalstoffen> geproduceerd in het Vlaamse Gewest worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan buiten het Vlaamse Gewest.
§ 2. Wanneer een afvalstof verschillende verwerkingswijzen ondergaat, is de heffing alleen verschuldigd voor de heffingsplichtige verwerkingswijze die het eerst wordt toegepast. De vrijstelling van heffing geldt ook voor de toeslagstoffen die in de eerste verwerkingswijze worden toegevoegd.
§ 3. De heffingsplichtige kan het gedeelte van de heffing door hem opgenomen in zijn aangifte en regelmatig voldaan op de wijze voorzien bij artikel 50, § 6, terugvorderen onder volgende voorwaarden :
1° de heffing moet onbetwistbaar en duidelijk omschreven zijn op een factuur uitgereikt door de heffingsplichtige aan een medecontractant met verwijzing naar het in artikel 50, § 8, bedoelde register;
2° de vordering van de heffingsplichtige moet blijken definitief oninbaar te zijn bij gebrek aan activa na opname als onbetwistbare vordering in het passief van het faillissement van de medecontractant op grond van een attest uitgereikt door de behandelende curator;
3° de aanvraag tot teruggave van de heffing moet gebeuren per aangetekend schrijven aan de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij en moet vergezeld zijn van de factuur vermeld in 1°, alsmede van een afschrift van het attest uitgereikt door de behandelende curator, zoals vermeld in 2°.

Art. 50. <DVR 2006-12-22/31, art. 46, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. Wanneer voor de exploitatie van een inrichting de vergunning, verleend conform de bepalingen van dit decreet, is vervallen en voor dezelfde inrichting een nieuwe vergunning werd verleend, wordt voor wat de toepassing betreft van artikel 48, § 2, inzake milieuheffingen de nieuwe vergunning geacht te zijn verleend met ingang van ofwel het tijdstip zoals vermeld in het vergunningsbesluit indien de vergunningverlenende overheid binnen de wettelijk voorziene termijn een beslissing heeft genomen, ofwel het tijdstip waarop deze beslissing conform de wettelijke termijn had moeten genomen worden.
§ 2. De inning van de heffing vindt eenmaal per kwartaal plaats, namelijk in de loop van de maanden april en mei voor wat het eerste kwartaal betreft, in de loop van de maanden juli en augustus voor wat het tweede kwartaal betreft, in de loop van de maanden oktober en november voor wat het derde kwartaal betreft en in de loop van de maanden januari en februari van het volgende jaar voor wat het vierde kwartaal betreft. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen.
§ 3. De Vlaamse Regering duidt de ambtenaren en contractuele personeelsleden van de OVAM aan die belast zijn met de inning en de invordering van de heffing en met de controle op de naleving van de verplichtingen inzake de heffing, en bepaalt de nadere regelen met betrekking tot hun bevoegdheden.
§ 4. De heffingsplichtige is verplicht om in de loop van de maanden april, juli, oktober en januari een aangifte in te dienen met betrekking tot de heffing verschuldigd voor het voorafgaande kwartaal.
§ 5. Indien de heffingsplichtige niet tot betaling van het aangegeven bedrag overgaat of indien na controle door de met de inning en de invordering van de heffing belaste ambtenaar blijkt dat de aangegeven bedragen onjuist zijn kan door de met de inning en de invordering van de heffing belaste ambtenaar een navordering worden opgelegd ten laste van de heffingsplichtige.
§ 6. De heffingsplichtige is verplicht om voor 10 mei, 10 augustus, 10 november, alsmede 10 februari, de heffing voor het voorafgaande kwartaal te betalen. Evenwel is de heffingsplichtige ertoe verplicht voor 10 december van elk jaar een voorschot te betalen op de heffing voor het vierde kwartaal van dat jaar. Dit voorschot wordt forfaitair vastgesteld op zesenzestig procent van het bedrag dat bekomen wordt door de voor de eerste drie kwartalen door de heffingsplichtige verschuldigde heffing te delen door drie. Het aldus bekomen forfaitair bedrag wordt afgerond tot het lagere tiental. Indien op basis van de aangifte inzake het vierde kwartaal blijkt dat de werkelijk verschuldigde heffing lager is dan het verschuldigde voorschot, wordt dit voorschot, verminderd met de werkelijk verschuldigde heffing, maar vermeerderd met de wettelijke verwijlintrest op het aldus berekende verschil, aan de heffingsplichtige teruggestort binnen negentig kalenderdagen na ontvangst van de behoorlijk opgestelde aangifte inzake het vierde kwartaal. Het voorschot is niet verschuldigd indien de heffingsplichtige voor 10 december het bewijs levert dat hij zijn belastingplichtige activiteit heeft stopgezet voor de aanvang van het vierde kwartaal.
§ 7. In geval de heffingsplichtige meerdere kwartalen moet vereffenen, worden de betalingen eerst aangerekend op de oudste schulden en in volgorde eerst op de administratieve geldboeten, de nalatigheidsintresten en de hoofdsom.
§ 8. De heffingsplichtige is verplicht om de hoeveelheden <afvalstoffen> uitgedrukt in ton dagelijks en in volgorde van verwerking in een register in te schrijven.
§ 9. De heffingsplichtige is verplicht om alle bescheiden die nodig zijn om de voldoening van de heffing of de juistheid van de aangegeven bedragen na te gaan, voor te leggen op ieder verzoek van de ambtenaren belast met de controle op de naleving van de verplichtingen inzake de heffing.
§ 10. De heffingsplichtige is verplicht om op ieder verzoek van de ambtenaren belast met de controle op de naleving van de verplichtingen inzake de heffing, mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te verschaffen die hem gevraagd worden om de voldoening van de heffing of de juistheid van de aangegeven bedragen na te gaan.
§ 11. Wanneer de heffing niet is betaald na het verstrijken van de termijn bedoeld in § 6, is van rechtswege de wettelijke intrest verschuldigd zoals thans bepaald in het KB van 4 augustus 1996 tot wijziging van de wettelijke rentevoet.
§ 12. Wanneer een heffingsplichtige, om welke redenen dan ook, de aangifte bedoeld in § 4 niet of te laat heeft ingediend of de verplichtingen bedoeld in § 8, § 9 of § 10, niet is nagekomen, kan hem door de met invordering belaste ambtenaar een ambtelijke aanslag opgelegd worden tot beloop van de heffing die vermoedelijk is verschuldigd.
§ 13. De heffing wordt in de gevallen bedoeld in § 12 vastgesteld op basis van de gevraagde stukken of, bij ontstentenis hiervan, op basis van gegevens die kunnen bewezen worden door geschrift, getuigen en vermoedens.
§ 14. De ambtelijke aanslag wordt opgelegd onverminderd de mogelijkheid van navordering binnen de termijn bedoeld in artikel 52.
§ 15. Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van verzending, per aangetekend schrijven, van een ambtelijke aanslag of een navordering, kan de heffingsplichtige per aangetekend schrijven beroep instellen bij de door de Vlaamse Regering aangewezen Vlaamse minister die uitspraak doet binnen de zes maanden vanaf de datum van verzending van het beroepschrift. Een afschrift van dit beroep dient met dezelfde post per aangetekend schrijven aan de OVAM betekend. Op straffe van nietigheid verwijst het beroep naar het dossiernummer, aanslagjaar en kwartaal vermeld in de ambtelijke aanslag of in de navordering. Bij met redenen omkleed aangetekend schrijven, gericht aan de heffingsplichtige, kan de door de Vlaamse Regering aangewezen Vlaamse minister de voormelde termijn eenmalig verlengen met een periode van zes maanden.
§ 16. Alvorens een beslissing te nemen, legt de door de Vlaamse Regering aangewezen Vlaamse minister de in § 15 bedoelde geschillen voor aan een adviescommissie.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen met betrekking tot de werking en samenstelling van de adviescommissie.
§ 17. Bij gebrek aan een uitspraak van de door de Vlaamse Regering aangewezen Vlaamse minister binnen de in § 15 gestelde termijn, wordt het beroep van de heffingsplichtige als ingewilligd beschouwd.
§ 18. De minister verzendt zijn beslissing per aangetekend schrijven aan de heffingsplichtige.
§ 19. Tegen de beslissing van de minister kan een vordering worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 20. Ten aanzien van de heffingsplichtige, bedoeld in artikel 48, § 1, kan teruggave van door hem te veel aangegeven en betaalde milieuheffingen plaatsvinden door middel van verrekening op het verschuldigde bedrag aan te geven en te betalen voor een volgend kwartaal van het lopende kalenderjaar.
§ 21. De heffingsplichtige voegt bij deze kwartaalaangifte de nodige stukken ter staving van de gegrondheid van zijn verrekening. Bij onjuiste of ten onrechte toegepaste verrekening blijft de mogelijkheid van navordering zoals bedoeld in § 5 onverminderd bestaan.
§ 22. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de aanduiding van de met inning en invordering van de milieuheffingen belaste personen, de wijze van inning en invordering van de milieuheffingen, de aangifte en de betaling van de milieuheffingen en de behandeling van de beroepen ingesteld overeenkomstig § 15.

Art. 51. <DVR 2006-12-22/31, art. 46, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk XI wordt voor iedere overtreding van de verplichting om aan de heffing te voldoen, een administratieve geldboete opgelegd gelijk aan de ontdoken of niet tijdig betaalde heffingen met dien verstande dat deze boete ten minste 70 euro bedraagt. Voor de berekening van deze administratieve geldboete wordt uitgegaan van de milieuheffing zonder de vermenigvuldigingsfactor 0,70 zoals bedoeld in artikel 48, § 5.

Art. 52. <DVR 2006-12-22/31, art. 46, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007> De vordering tot voldoening van de heffing, van de intresten en van de administratieve geldboete verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

Art. 53. <DVR 2006-12-22/31, art. 46, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. De ambtenaar daartoe aangewezen door de Vlaamse Regering kan met de heffingsplichtige dadingen treffen, voor zover deze niet leiden tot vrijstelling of vermindering van de heffing.
§ 2. Hij beslist tevens over de gemotiveerde verzoeken om kwijtschelding of vermindering van de administratieve geldboete die de heffingsplichtige per aangetekend schrijven tot hem richt. Deze verzoeken dienen op straffe van verval ingediend uiterlijk binnen de maand nadat de beroeper in kennis is gesteld van de beslissing van de bevoegde Vlaamse minister over het ingestelde beroep overeenkomstig de bepalingen in artikel 50, § 18.
§ 3. Tegen de beslissing van de daartoe aangewezen ambtenaar bedoeld in § 2 kan een vordering worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 4. Hij beslist tevens over de gemotiveerde verzoeken tot uitstel van betaling die de heffingsplichtige per aangetekend schrijven tot hem richt.
§ 5. Bij gebrek aan voldoening van de heffing, intresten, administratieve geldboete en toebehoren wordt door de met de invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd. Dit dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de ambtenaar daartoe aangewezen door de Vlaamse Regering.
§ 6. De betekening van het dwangbevel gebeurt bij gerechtsdeurwaarderexploot of bij aangetekend schrijven.
§ 7. Op het dwangbevel zijn de bepalingen toepasselijk van deel V van het Gerechtelijk Wetboek houdende bewarend beslag en middelen van tenuitvoerlegging.
§ 8. Tot zekerheid van de voldoening van de heffing, intresten, administratieve geldboete en de kosten heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de heffingsplichtige. Het kan een wettelijke hypotheek vestigen op alle goederen die daarvoor vatbaar zijn en in het Vlaamse Gewest gelegen zijn van de persoon op wiens naam de navordering of de ambtelijke aanslag is gevestigd.
§ 9. Het voorrecht bedoeld in § 8 neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in de artikelen 19 en 20 van de Hypotheekwet.
§ 10. De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt.
§ 11. De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaren, bedoeld in artikel 50, § 3.
§ 12. Artikel 19 van de Faillissementswet is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de verschuldigde heffing waarvoor de inschrijving is genomen voor en waarvan betekening aan de heffingsschuldige is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring.

Art. 53bis. <DVR 2006-12-22/31, art. 46, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007> De gemeenten zijn ertoe gerechtigd een beroep te doen op de nodige medewerking van de OVAM met het oog op de inning van de opcentiemen, voor zover deze maximaal 20 opcentiemen bedragen, door de betrokken gemeente te heffen op de door de OVAM geïnde milieuheffingen bedoeld in artikel 48, voor de heffingsplichtige inrichtingen gelegen op hun grondgebied.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de inningskosten en wijze van innen van de opcentiemen.

HOOFDSTUK X. _ Toezicht. <DVR 1994-04-20/31, art. 6, 011; Inwerkingtreding : 07-05-1994>

Art. 54.[1 Voor dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten worden het toezicht en de bestuurlijke handhaving uitgeoefend en worden veiligheidsmaatregelen genomen volgens de regels bepaald in hoofdstukken III, IV en VII van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.]1
----------
(1)<DVR 2007-12-21/82, art. 21, 039; Inwerkingtreding : 01-05-2009>

Art. 55.
<Opgeheven bij DVR 2007-12-21/82, art. 22, 039; Inwerkingtreding : 01-05-2009>

HOOFDSTUK XI. _ Strafbepalingen. <DVR 1994-04-20/31, art. 9, 011; Inwerkingtreding : 07-05-1994>

Art. 56.[1 Met betrekking tot dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten gebeuren het onderzoek, de vaststelling en de sanctionering van de milieu-inbreuken en milieumisdrijven volgens de regels bepaald in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de overtreding van de verplichting om aan de heffing te voldoen, vermeld in artikelen 50 en 51.]1
(NOTA : zie voorlopige toevoeging van twee leden bij DVR 2007-12-21/82, art. 42; Inwerkingtreding : 01-05-2009.)
----------
(1)<DVR 2007-12-21/82, art. 23, 039; Inwerkingtreding : 01-05-2009; zelf gewijzigd bij DVR 2009-04-30/87, art. 145; ED ; 25-06-2009>
 

Art. 57. <NOTA : Bij arrest van 11-05-1989 (B.St. 31-05-1989), heeft het arbitragehof artikel 57 vernietigd>
Bij herhaling binnen drie jaar na een vorige veroordeling kan de straf op het dubbele van het maximum worden gebracht.

Art. 58.
<Opgeheven bij DVR 2007-12-21/82, art. 24, 039; Inwerkingtreding : 01-05-2009>

Art. 59.
<Opgeheven bij DVR 2007-12-21/82, art. 25, 039; Inwerkingtreding : 01-05-2009>

Art. 60.
<Opgeheven bij DVR 2007-12-21/82, art. 26, 039; Inwerkingtreding : 01-05-2009>

Art. 61.
<Opgeheven bij DVR 2007-12-21/82, art. 27, 039; Inwerkingtreding : 01-05-2009>

Art. 62. <NOTA : Bij arrest van 11-05-1989 (B.St. 31-05-1989), heeft het arbitragehof artikel 62 vernietigd>
Als medeplichtig aan een overtreding van een bepaling vastgesteld door of krachtens dit decreet of van een voorschrift van de verleende vergunning wordt beschouwd, eenieder die bevoegd is bevelen of onderrichtingen te geven aan de overtreder, tenzij is vastgesteld dat hij de overtreding niet heeft kunnen verhinderen.

Art. 63. <Bij arrest van 11-05-1989 (B.St. 31-05-1989), heeft het arbitragehof artikel 63 vernietigd>
Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, uitgezonderd hoofdstukken V en VII, maar met inbegrip van artikel 85, zijn toepasselijk op de bij dit decreet bepaalde misdrijven.

HOOFDSTUK XII. _ Overgangs- en opheffingsbepalingen. <DVR 1994-04-20/31, art. 11, 011; Inwerkingtreding : 07-05-1994>

Art. 64. (opgeheven) <DVR 1994-04-20/31, art. 12, 011; Inwerkingtreding : 07-05-1994>

Art. 65. Voor het Vlaamse Gewest worden opgeheven :
1. artikel 3, § 2, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging;
<NOTA : Bij arrest van 26-05-1988 (B.St. 18-06-1988), heeft het Arbitragehof artikel 65, eerste lid, 1 vernietigd>
2. artikel 38 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
3. in zover zij betrekking hebben op de <afvalstoffen> waarop dit decreet van toepassing is :
a) de bepalingen van het Algemeen Reglement op de arbeidsbescherming;
b) de bepalingen van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 houdende maatregelen van diergeneeskundige politie op vuilnisbelten en op het gebruik van organische afval en keukenafval voor de voeding van huisdieren.
De opheffing van bovenstaande wetsbepalingen treedt in werking op de dag waarop de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten die deze materie regelen toepasselijk worden op de in hogervermelde wetsbepalingen vervatte materie.

Art. 66. (opgeheven) <DVR 1994-04-20/31, art. 12, 011; Inwerkingtreding : 07-05-1994>

Art. 67. (opgeheven) <DVR 1994-04-20/31, art. 12, 011; Inwerkingtreding : 07-05-1994>

Art. 68. § 1. De vergunningen die met toepassing van het Algemeen Reglement op de arbeidsbescherming voor het verwijderen van <afvalstoffen> werden verleend, vervallen op de dag waarop in toepassing van dit decreet een definitieve beslissing werd genomen over de vergunningsaanvraag, die de bedoelde vergunningsplichtigen gehouden zijn in te dienen binnen het jaar vanaf de inwerkingtreding van dit decreet.
§ 2. De aanvragen om vergunning die met toepassing van het algemeen Reglement op de Arbeidsbescherming voor het verwijderen van <afvalstoffen> zijn ingediend en waaromtrent bij de inwerkingtreding van dit decreet nog geen definitieve beslissing is genomen, blijven onderworpen aan de bepalingen van het Algemeen Reglement op de arbeidsbescherming, onverminderd het bepaalde in § 1.
§ 3. De Vlaamse Executieve bepaalt de voorwaarden waaronder en de termijn waarin de personen en inrichtingen die met dit decreet vergunningsplichtig worden, de vergunningsplichtige activiteiten die ze bij de inwerkingtreding van dit decreet uitoefenen, voorlopig mogen voortzetten.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 10/11/2009 - 14:01
Laatst aangepast op: vr, 15/01/2010 - 18:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.