-A +A

Rooilijndecreet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Alternatieve naam: 
Decreet houdende vaststelling en realisatie van de rooilijnen
Afkondiging: 
vri, 08/05/2009
Publicatie: 
vri, 03/07/2009
Tekst van de wetgeving: 

rooilijndecreet

8 MEI 2009. - Decreet houdende vaststelling en realisatie van de rooilijnen

Publicatie : 03-07-2009 nummer : 2009035594 bladzijde :

Inwerkingtreding : 13-07-2009

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.

Art. 2. De rooilijn is de huidige of de toekomstige grens tussen de openbare weg en de aangelande eigendommen. De rooilijn wordt vastgesteld in een rooilijnplan. Bij ontstentenis van een rooilijnplan, vastgesteld volgens dit decreet is de rooilijn de huidige grens tussen de openbare weg en de aangelande eigendommen.

Art. 3. Er worden rooilijnplannen opgesteld op twee niveaus :
1° gewestelijke rooilijnplannen voor de gewestwegen, met uitzondering van de autosnelwegen zoals bedoeld in de wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen;
2° gemeentelijke rooilijnplannen voor de gemeentewegen.

Art. 4. De procedure voor het totstandkomen van rooilijnplannen is ook van toepassing op het wijzigen ervan.
Voor de opheffing van een rooilijnplan volstaat echter een besluit, zonder toepassing van de totstandkomingsprocedures voor rooilijnplannen.

Art. 5. In afwijking van hoofdstuk II, kan een rooilijnplan tegelijkertijd opgesteld worden met een ruimtelijk uitvoeringsplan zoals bedoeld in het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, waarvan het de uitvoering beoogt. Het wordt dan tegelijkertijd met dat ruimtelijk uitvoeringsplan onderworpen aan de procedureregels voor het opstellen van dat ruimtelijk uitvoeringsplan.
De eigenaars van de goederen, gelegen binnen de omtrek van de percelen in kwestie, worden vóór de aanvang van het openbaar onderzoek door de overheid die het ontwerpplan voorlopig vaststelt, bij aangetekende brief in hun woonplaats ervan op de hoogte gebracht dat het rooilijnplan in het gemeentehuis ter inzage ligt.

Art. 6. Voor wat betreft buurtwegen, zoals bedoeld in de wet op de buurtwegen van 10 april 1841, is dit decreet slechts van toepassing voor zover de buurtweg behoort tot het openbare domein. Het vaststellen van rooilijnplannen voor deze buurtwegen gebeurt op basis van de procedure voor de vaststelling van een gemeentelijk rooilijnplan zoals bepaald in afdeling 2, hoofdstuk II, van dit decreet. Op de overige buurtwegen is dit decreet niet van toepassing.

HOOFDSTUK II. - Procedure

Afdeling 1. - Gewestelijk rooilijnplan

Art. 7. § 1. De Vlaamse Regering is belast met het opstellen van het voorontwerp van gewestelijk rooilijnplan en stuurt dat naar de deputatie en het college van burgemeester en schepenen van elke provincie respectievelijk gemeente waarvan het grondgebied geheel of gedeeltelijk door het gewestelijk rooilijnplan wordt bestreken, naar de gewestelijke administratie bevoegd voor de ruimtelijke ordening en naar de maatschappijen van geregeld vervoer.
Het voorontwerp bevat minstens de getroffen percelen en hun oppervlakte, alsook de actuele en toekomstige rooilijn. Het bevat in voorkomend geval ook de nutsleidingen die als gevolg van de realisatie van de toekomstige rooilijn op privaat domein zullen liggen. De Vlaamse Regering kan de inhoud van het voorontwerp nader bepalen.
Uiterlijk 21 dagen na het versturen van het voorontwerp organiseert de Vlaamse Regering een plenaire vergadering. De in het eerste lid genoemde instanties brengen uiterlijk op die vergadering hun advies uit. Het verslag van de vergadering wordt verstuurd binnen veertien dagen.
§ 2. De Vlaamse Regering stelt het ontwerp van rooilijnplan voorlopig vast en stuurt het naar de deputatie van elke betrokken provincie en het college van burgemeester en schepenen van elke betrokken gemeente.
§ 3. Het college van burgemeester en schepenen van elke betrokken gemeente onderwerpt het ontwerp van gewestelijk rooilijnplan aan een openbaar onderzoek dat binnen dertig dagen na de voorlopige vaststelling bedoeld in § 2, minstens wordt aangekondigd door :
1° aanplakking in elke betrokken gemeente;
2° een bericht in het Belgisch Staatsblad ;
3° een afzonderlijke mededeling, bij aangetekende brief in hun woonplaats, aan de eigenaars van de onroerende goederen die zich bevinden in het ontwerp van rooilijnplan.
Deze aankondiging vermeldt minstens :
1° de hiervoor genoemde gemeenten waarop het ontwerp van het gewestelijk rooilijnplan betrekking heeft;
2° waar het ontwerp ter inzage ligt;
3° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
4° het adres waar de opmerkingen en bezwaren dienen toe te komen of kunnen worden afgegeven en de te volgen formaliteiten;
5° dat een rooilijnplan ook gevolgen heeft voor werken en handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning is vereist, met verwijzing naar artikel 16, vierde lid, van dit decreet.
§ 4. Na de aankondiging wordt het ontwerp van gewestelijk rooilijnplan gedurende dertig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis van elke betrokken gemeente.
§ 5. Opmerkingen en bezwaren worden uiterlijk de laatste dag van de termijn van het openbaar onderzoek per aangetekende brief aan de gemeente toegestuurd of afgegeven tegen ontvangstbewijs. De gemeenten versturen uiterlijk de derde werkdag na het openbaar onderzoek, de bezwaren en opmerkingen aan de gewestelijke administratie, bevoegd voor de openbare werken. Aan laattijdig bezorgde bezwaren en opmerkingen mag worden voorbijgegaan.
Het college van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeenten, de deputatie van de betrokken provincies en de gewestelijke administratie, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, versturen hun gemotiveerd advies naar de gewestelijke administratie bevoegd voor de openbare werken uiterlijk de laatste dag van het openbaar onderzoek. Wanneer geen advies is verleend binnen die termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
Het gewest draagt de kosten van het openbaar onderzoek.
§ 6. De gewestelijke administratie, bevoegd voor de openbare werken bundelt en coördineert alle adviezen, opmerkingen en bezwaren en verstuurt binnen dertig dagen na ontvangst ervan haar gemotiveerd advies naar de Vlaamse Regering. Samen met haar advies bezorgt ze de Vlaamse Regering de gebundelde adviezen, opmerkingen en bezwaren.
§ 7. De Vlaamse Regering stelt binnen dertig dagen na ontvangst van de in § 6 bedoelde adviezen, opmerkingen en bezwaren het gewestelijk rooilijnplan definitief vast.
Bij de definitieve vaststelling van het plan kunnen ten opzichte van het voorlopig vastgestelde plan slechts wijzigingen worden aangebracht, die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde bezwaren en opmerkingen of de adviezen, uitgebracht door de aangewezen administraties en overheden.
De definitieve vaststelling van het plan kan geen betrekking hebben op delen van het grondgebied die niet opgenomen zijn in het voorlopig vastgestelde plan.
§ 8. Indien het gewestelijk rooilijnplan niet definitief wordt vastgesteld negentig dagen na het einde van het openbaar onderzoek vervalt het ontwerp van gewestelijk rooilijnplan.

Art. 8. Het besluit houdende definitieve vaststelling van het gewestelijk rooilijnplan wordt door de Vlaamse Regering bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad binnen zestig dagen na de definitieve vaststelling.
Het gewestelijk rooilijnplan treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking.
De Vlaamse Regering stuurt een afschrift van het gewestelijk rooilijnplan, van het advies van de gewestelijke administratie bevoegd voor de openbare werken en van het vaststellingsbesluit naar de betrokken provincies en gemeenten.

Afdeling 2. - Gemeentelijk rooilijnplan

Art. 9. § 1. De gemeenteraad stelt het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan voorlopig vast.
Het ontwerp bevat minstens de getroffen percelen en hun oppervlakte, alsook de actuele en toekomstige rooilijn. Het bevat in voorkomend geval ook de nutsleidingen die als gevolg van de realisatie van de toekomstige rooilijn op privaat domein zullen liggen. De Vlaamse Regering kan de inhoud van het ontwerp nader bepalen.
§ 2. Het college van burgemeester en schepenen onderwerpt het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan aan een openbaar onderzoek dat binnen dertig dagen na de voorlopige vaststelling, bedoeld in § 1, minstens wordt aangekondigd door :
1° aanplakking in de gemeente;
2° een bericht in het Belgisch Staatsblad ;
3° een afzonderlijke mededeling, bij aangetekende brief in hun woonplaats, aan de eigenaars van de onroerende goederen die zich bevinden in het ontwerp van rooilijnplan;
4° een afzonderlijke mededeling aan de deputatie;
5° een afzonderlijke mededeling aan de beheerders van aansluitende openbare wegen;
6° een afzonderlijke mededeling aan de maatschappijen van geregeld vervoer.
Deze aankondiging vermeldt minstens :
1° waar het ontwerp ter inzage ligt;
2° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
3° het adres waar de opmerkingen en bezwaren dienen toe te komen of kunnen worden afgegeven en de te volgen formaliteiten;
4° dat een rooilijnplan ook gevolgen heeft voor werken en handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning is vereist, met verwijzing naar artikel 16, vierde lid, van dit decreet.
§ 3. Na de aankondiging wordt het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan gedurende dertig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis.
§ 4. Opmerkingen en bezwaren worden uiterlijk de laatste dag van het openbaar onderzoek naar de gemeente verstuurd per aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs.
§ 5. De gemeenteraad stelt binnen zestig dagen na het einde van het openbaar onderzoek het gemeentelijk rooilijnplan definitief vast.
Bij de definitieve vaststelling van het plan kunnen ten opzichte van het voorlopig vastgestelde plan slechts wijzigingen worden aangebracht, die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde bezwaren en opmerkingen.
De definitieve vaststelling van het plan kan geen betrekking hebben op delen van het grondgebied die niet opgenomen zijn in het voorlopig vastgestelde plan.
§ 6. Indien het gemeentelijk rooilijnplan niet definitief wordt vastgesteld binnen de termijn bedoeld in § 5, vervalt het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan.

Art. 10. Het besluit houdende definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd binnen zestig dagen na de definitieve vaststelling. Het gemeentelijk rooilijnplan treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking.

HOOFDSTUK III. - Realisatie en verval van het rooilijnplan

Art. 11. Het gewest en de gemeenten kunnen de onroerende goederen vereist voor de realisatie van de rooilijnplannen verwerven door onteigening in het algemeen belang.
Deze onteigeningen zullen worden gevorderd met toepassing van de gemeenrechtelijke onteigeningsprocedure of van de rechtspleging in urgente omstandigheden.

Art. 12. De onteigenende overheid moet beschikken over een definitief vastgesteld onteigeningsplan.
Het onteigeningsplan moet de omtrek van de te onteigenen goederen aangeven, afzonderlijk of tot stroken samengevoegd, met de kadastrale vermelding van de sectie, de nummers, de grootte en de aard van de percelen, en met de naam van de eigenaars volgens de kadastrale gegevens. Het onteigeningsplan moet voor elk te onteigenen perceel de onteigenende rechtspersoon vermelden.
Wat de uit te voeren werken en onroerende verrichtingen betreft, kan het onteigeningsplan zich beperken tot het overnemen van de voorschriften van het rooilijnplan.
De eigenaars van de betrokken onroerende goederen, gelegen binnen de omtrek van de te onteigenen percelen worden bij aangetekende brief in hun woonplaats op de hoogte gebracht van de periode dat het rooilijnplan of het onteigeningsplan in het gemeentehuis ter inzage ligt.
De onteigenende overheid draagt de kosten van het openbaar onderzoek.
Het onteigeningsplan dat gelijktijdig met het rooilijnplan waarvan het de uitvoering beoogt, wordt opgesteld, wordt samen met dit plan onderworpen aan de procedure voor de vaststelling van dat rooilijnplan.
Het onteigeningsplan voor de realisatie van het gemeentelijk rooilijnplan wordt aan de Vlaamse Regering voorgelegd. De Vlaamse Regering beslist over het verlenen van de onteigeningsmachtiging.

Art. 13. Bij het bepalen van de waarde van het te onteigenen perceel wordt geen rekening gehouden met de waardevermeerdering die het goed heeft verkregen door onwettig uitgevoerde werken of handelingen.

Art. 14. Wanneer binnen een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de goedkeuring van het onteigeningsplan de onteigeningsprocedure niet is begonnen, kan de eigenaar van het te onteigenen onroerend goed bij aangetekende brief de onteigenende overheid verzoeken van de onteigening van zijn goed af te zien.
De onteigenende overheid brengt de eigenaar per aangetekende brief op de hoogte van zijn beslissing binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek.
Indien de onteigenende overheid afziet van het voornemen om te onteigenen of bij ontstentenis van een beslissing binnen voormelde termijn, vervalt het onteigeningsplan van rechtswege voor het deel dat betrekking heeft op de goederen van de eigenaar die het verzoek heeft ingediend.
Als de onteigenende overheid beslist niet af te zien van het voornemen om te onteigenen dan moet deze binnen twee jaar te rekenen vanaf de aangetekende brief waarmee ze de verzoeker op de hoogte brengt van haar beslissing, de onteigeningsprocedure aanvatten, anders vervalt het onteigeningsplan van rechtswege voor het deel dat betrekking heeft op de goederen van de eigenaar die het verzoek heeft ingediend.

Art. 15. Het besluit van de Vlaamse Regering of de gemeente houdende de definitieve vaststelling van het rooilijnplan kan bepalen dat het rooilijnplan slechts kan worden uitgevoerd naarmate de aanvragen voor een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning worden ingediend. In dat geval is artikel 14 niet van toepassing.

Art. 16. Onverminderd andersluidende wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen, is het verboden om een constructie in de zin van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, te bouwen of herbouwen op een stuk grond dat door een rooilijn of een achteruitbouwstrook is getroffen, of om verbouwings- of uitbreidingswerken, andere dan stabiliteitswerken, aan een door een rooilijn of een achteruitbouwstrook getroffen constructie uit te voeren, tenzij het gaat om :
1° sloop- of aanpassingswerken die tot gevolg hebben dat de constructie aan de rooilijn of de achteruitbouwstrook wordt aangepast;
2° de verbouwing van een krachtens decreet definitief of voorlopig beschermd monument of een constructie die deel uitmaakt van een krachtens decreet definitief of voorlopig beschermd stads- of dorpsgezicht of landschap;
3° het aanbrengen van gevelisolatie, waarbij de rooilijn of de bouwlijn met ten hoogste veertien centimeter mag worden overschreden.
In afwijking van het eerste lid mag een stedenbouwkundige vergunning, zoals bedoeld in het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, worden verleend als uit het advies van de bevoegde instanties blijkt dat de rooilijn niet binnen vijf jaar na afgifte van de vergunning zal worden gerealiseerd.
Wordt na het verstrijken van die termijn maar voor het verval van rechtswege van het rooilijnplan onteigend, dan wordt bij het bepalen van de vergoeding geen rekening gehouden met de waardevermeerdering die uit de vergunde werken voortvloeit.
Werken en handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning is vereist, mogen onder dezelfde voorwaarden als bepaald in het eerste en tweede lid worden uitgevoerd na machtiging van, naargelang van het geval, de Vlaamse Regering of het college van burgemeester en schepenen.
De Vlaamse Regering kan nadere formele en procedurele regelen voor de toepassing van dit artikel bepalen.

Art. 17. § 1. Wanneer de uitvoering van de rooilijn, bij vernauwing of wijziging van het tracé van een openbare weg als gevolg heeft de aanpalende eigendommen te scheiden van de openbare weg, dan hebben de aangelande eigenaars een voorkooprecht om de tussenliggende strook die deel uitmaakte van de weg, aan te kopen. De prijs wordt bepaald door het comité tot aankoop van onroerende goederen op basis van de waarde van het terrein op het ogenblik van de eigendomsoverdracht.
Wil de eigenaar de tussenliggende strook niet aankopen, dan heeft het openbaar bestuur het recht zijn gehele eigendom te onteigenen in der minne mits vergoeding van de waarde die gold vóór de aanvang der werken.
§ 2. Percelen grond afhangende van gewest- en gemeentewegen kunnen uit de hand worden verkocht aan de aangelande eigenaars om aan hen de mogelijkheid te geven om vooruit te komen tot aan de rooilijn die naar aanleiding van een aanvraag tot verkaveling of stedenbouwkundige vergunning wordt aangegeven ter uitvoering van artikel 57 van het Gemeentedecreet.

HOOFDSTUK IV. - Strafbepaling en toezicht

Art. 18. Schendingen van artikel 16 van dit decreet en de besluiten ter uitvoering van dit artikel, worden bestraft met een geldboete van 50 euro tot 5.000 euro.
Naast de straf beveelt de rechtbank het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand. De rechtbank bepaalt een termijn voor die maatregelen en beslist dat, bij niet-uitvoering van het vonnis, de wegbeheerder ambtshalve in de uitvoering kan voorzien. De overtreder wordt tot terugbetaling van de uitgave gedwongen op vertoon van een staat, begroot op zijn kosten en uitvoerbaar verklaard door de beslagrechter in de Burgerlijke Rechtbank.
De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, gelden voor de in het eerste lid bedoelde misdrijven.

Art. 19. Onverminderd de bevoegdheden van de agenten en de officieren van gerechtelijke politie, zijn de door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren, bevoegd om de misdrijven op te sporen en vast te stellen door een proces-verbaal dat geldt tot bewijs van het tegendeel.
Daartoe hebben zij toegang tot de bouwplaats en de gebouwen om alle nodige opsporingen en vaststellingen te verrichten. Als deze verrichtingen de kenmerken van een huiszoeking dragen, mogen ze enkel worden uitgevoerd op voorwaarde dat de politierechter daartoe een machtiging heeft verstrekt.

HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen

Art. 20. Worden opgeheven :
1° in titel II van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, hoofdstuk VI, dat bestaat uit de artikelen 76 en 77;
2° artikel 53 van de wet van 16 september 1807 betreffende het droogleggen van moerassen;
3° artikel 3 van de wet van 14 maart 1854 betreffende de vervreemding van domaniale goederen.

Art. 21. Een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning, zoals bedoeld in het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, moet worden geweigerd indien de aanvraag onverenigbaar is met een voorlopig vastgesteld ontwerp van rooilijnplan. Die weigeringsgrond vervalt wanneer het plan niet definitief werd vastgesteld binnen de in de procedure bepaalde termijn.

Art. 22. Rooilijnen vastgesteld of goedgekeurd op grond van andere wetgeving, blijven geldig tot ze door rooilijnplannen vastgesteld in overeenstemming met dit decreet zijn vervangen.
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 8 mei 2009.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur,
H. CREVITS
 

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 03/10/2009 - 06:26
Laatst aangepast op: za, 06/02/2010 - 17:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.