-A +A

Wet educatief verlof

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Alternatieve naam: 
wetgeving educatief verlof vervat in Herstelwet houdende sociale bepalingen IV afdeling 6 van 22 januari 1985
Afkondiging: 
din, 22/01/1985
Publicatie: 
don, 24/01/1985
Tekst van de wetgeving: 

  AFDELING 6. - Toekenning van betaald educatief verlof in het kader van de voortdurende vorming van de werknemers.

  Onderafdeling 1. - Toepassingsgebied.

  Art. 108.(§ 1. Deze afdeling is van toepassing :
  1° - op de werknemers die voltijds tewerkgesteld zijn in het kader van één of verscheidene arbeidsovereenkomsten;
  - op de ten minste 4/5-tijds tewerkgestelde werknemers;
  - op de werknemers tewerkgesteld op basis van artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 februari 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de tewerkstellingsakkoorden in toepassing van de artikelen 7, § 2, 30, § 2, en 33 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;
  - op de werknemers tewerkgesteld op basis van het koninklijk besluit van 24 november 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering in toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;
  - op de op basis van een variabele werktijdregeling deeltijds tewerkgestelde werknemers in de zin van artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en die een bij artikel 109 bedoelde opleiding volgen;
  [1 - op de deeltijdse werknemers bedoeld in Hoofdstuk 2 van Titel 2 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis.]1
  2° op de werkgevers.
  § 2. Voor de toepassing van deze afdeling worden gelijkgesteld :
  1° met werknemers : de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van één of meer personen op basis van :
  - een volledige dagtaak;
  - 4/5e arbeidsprestaties;
  - artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 februari 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de tewerkstellingsakkoorden in toepassing van de artikelen 7, § 2, 30, § 2, en 33 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;
  - het koninklijk besluit van 24 november 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering in toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;
  - een deeltijdse variabele werktijdregeling in de zin van artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
  2° met werkgevers : de personen die de bij 1° bedoelde personen tewerkstellen.) <W 1999-03-26/30, art. 29, 029; Inwerkingtreding : onbepaald>
  § 3. Deze afdeling is niet van toepassing op :
  1° de werknemers tewerkgesteld door de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de verenigingen van provincies, de gemeenten, de verenigingen van gemeenten, de agglomeraties en federaties van gemeenten, de openbare instellingen die eronder ressorteren en de instellingen van openbaar nut (behalve de werknemers tewerkgesteld op grond van een arbeidsovereenkomst in de zin van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, bij de autonome overheidsbedrijven bedoeld in artikel 1, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.) <W 2002-08-02/45, art. 47, 017 ; Inwerkingtreding : 29-08-2002>
  2° het onderwijzend personeel.
  § 4. Bij in Ministerraad overlegd besluit, en na het advies te hebben ingewonnen van de Nationale Arbeidsraad, kan de Koning :
  1° voor bepaalde categorieën van werknemers bijzondere toepassingsregels vaststellen;
  2° de toepassing van deze afdeling ofwel zonder meer, ofwel met enige aanpassingen, tot andere categorieën van werknemers verruimen;
  3° bepaalde categorieën van werknemers van de toepassing van deze afdeling of van sommige bepalingen ervan uitsluiten.
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/01, art. 146, 053; Inwerkingtreding : 01-09-2009>

  Art. 109. § 1. Voor de toepassing van deze afdeling, worden als beroepsopleiding beschouwd :
  1° de cursussen gegeven in het kader van het onderwijs voor sociale promotie en georganiseerd, gesubsidieerd of erkend door de Staat;
  2° de cursussen gegeven in het kader van het onderwijs in de plastische kunsten met beperkt leerplan, kunstonderwijs voor sociaal-culturele promotie genaamd, en waarvan de Koning de lijst vaststelt;
  2°bis (de cursussen van het korte type en met volledig leerplan, die 's avonds of in het weekeinde worden gegeven, in inrichtingen voor hoger onderwijs overeenkomstig artikel 5bis van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs;) <KB 1985-07-23/34, art. 4, 004>
  3° de cursussen op universitair niveau van het lange type en met volledig leerplan, 's avonds of tijdens het weekeinde gegeven in inrichtingen voor hoger onderwijs, overeenkomstig artikel 5bis van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs;
  4° (de universitaire cursussen van de eerste en de tweede cyclus, die 's avonds of in het weekeinde worden gegeven in universiteiten of in de met universiteiten gelijkgestelde inrichtingen met het oog op het verkrijgen van een wettelijke of wetenschappelijke titel, bedoeld bij de wet van 11 september 1933 op de bescherming van de titels van hoger onderwijs (evenals de cursussen die leiden tot de graad van bachelor of master die 's avonds of tijdens het weekend worden georganiseerd in instellingen voor hoger onderwijs); ) <KB 1985-07-23/34, art. 5, 004> <KB 2005-08-10/67, art. 1, 044; Inwerkingtreding : 01-09-2004>
  (In afwijking op het eerste lid kunnen de cursussen die gewoonlijk 's avonds of tijdens het weekend worden gegeven en waarvan de organisatie voorziet dat zij maximum éénmaal per week overdag zullen worden gegeven, door de werknemers worden gevolgd indien hun arbeidsregime nacht- of weekendprestaties inhoudt.) <KB 1999-05-31/37, art. 1, 030; Inwerkingtreding : 1999-09-01>
  5° de opleidingen geregeld door de reglementen betreffende de voortdurende vorming in de middenstand en waarvan de Koning de lijst vaststelt bij in Ministerraad overlegd besluit;
  6° de opleidingen geregeld door de reglementen betreffende de scholing van de personen die in de landbouw werkzaam zijn en waarvan de Koning de lijst vaststelt bij in Ministerraad overlegd besluit;
  7° de voorbereiding op en het afleggen van examens voor de centrale examencommissie, onder voorbehoud van bijzondere toepassingsregels die de Koning vaststelt;
  (7°bis. De voorbereiding en het afleggen van de examens georganiseerd door de gefedereerde overheden in het kader van een systeem van herkenning, erkenning of certificering van verworven competenties, volgens de toepassingsmodaliteiten vastgesteld door de Koning.) <W 2001-12-30/30, art. 67, 039; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  8° de opleidingen per bedrijfstak georganiseerd bij een beslissing van het bevoegde paritaire comité;
  (8°bis. de beroepsopleidingen die zijn uitgesloten in toepassing van § 3, 3°, maar die niettemin nuttig verklaard werden bij een beslissing van het bevoegd paritaire comité; deze opleidingen behoeven een nieuwe erkenning van de Erkenningscommissie;) <W 1993-06-10/32, art. 6, 018; Inwerkingtreding : 10-07-1993>
  9° de hierboven niet opgenomen opleidingen waarvan het programma erkend is door de bij artikel 110 opgerichte erkenningscommissie.
  § 2. Voor de toepassing van deze afdeling, worden als algemene opleiding beschouwd :
  1° de cursussen georganiseerd door de representatieve werknemersorganisaties, zoals bedoeld bij artikel 3 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;
  2° de cursussen georganiseerd door de jeugd- en volwassenenorganisaties en de instellingen voor werknemersvorming, opgericht binnen de representatieve werknemersorganisaties of door hen erkend;
  3° de hierboven niet opgenomen opleidingen waarvan het programma erkend is door de erkenningscommissie.
  De bij 1° en 2° bedoelde organisaties en instellingen delen de programma's van de georganiseerde cursussen mee aan het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid en aan de erkenningscommissie.
  § 3. (Bij een in Ministerraad overlegd besluit, en na het advies te hebben ingewonnen van de Erkenningscommissie, kan de Koning :
  1° de lijst van de bij de §§ 1 en 2 bedoelde opleidingen wijzigen;
  2° voor bepaalde opleidingen bijzondere uitvoeringsregels vaststellen en het minimumaantal uren bepalen dat die opleidingen moeten bevatten om het recht op betaald educatief verlof te openen;
  3° de opleidingen uitsluitend bedoeld in § 1, 1° en 2°, die geen direct verband houden met de beroepssituatie of met de beroepsperspectieven van de werknemers.) <W 1993-06-10/32, art. 6, 018; Inwerkingtreding : 10-07-1993>

  Art. 110. § 1. Bij de Minister van Tewerkstelling en Arbeid wordt een paritair samengestelde erkenningscommissie opgericht, verder de Commissie genaamd.
  § 2. De Commissie spreekt zich uit, bij een met redenen omklede beslissing :
  1° over de erkenning van het programma van de opleidingen bedoeld bij artikel 109, § 1, 9°, en § 2, 3°, alsmede over de intrekking of de schorsing van die erkenning;
  2° over de intrekking of de schorsing van de erkenning van de bij artikel 109, § 1, 1° tot 8°, en § 2, 1° en 2°, bedoelde opleidingen.
  Volgens de door de Koning te bepalen regels, oefent zij de controle uit op de in artikel 109 bedoelde opleidingen.
  (...) <W 2001-09-05/32, art. 37, 037; ED : 15-09-2001>
  (De Erkenningscommissie volgt minstens halfjaarlijks de ontwikkeling van de budgettaire situatie van de regeling inzake betaald educatief verlof op in aanwezigheid van de inspecteur van Financiën bij de Minister van Tewerkstelling en Arbeid geaccrediteerd, (...). Wanneer zij een overschrijding vaststelt van het budgettair objectief of een dreiging van overschrijding van dit objectief stelt zij de Minister van Tewerkstelling en Arbeid hiervan onverwijld op de hoogte. De Minister van Tewerkstelling en Arbeid neemt, na dringend advies van de Nationale Arbeidsraad, de nodige initiatieven om het budgettaire evenwicht te vrijwaren.) <KB 1995-03-28/53, art. 1, b), 021; Inwerkingtreding : 01-09-1995> <W 2001-09-05/32, art. 37, 037; Inwerkingtreding : 01-09-2000>
  Zij brengt, uit eigen beweging of op verzoek van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid, een advies uit in verband met vraagstukken betreffende het betaald educatief verlof.
  § 3. De Commissie wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid.
  De Koning benoemt de voorzitter en de leden.
  Enkel de leden hebben stemrecht.
  De voorzitter beschikt over een termijn van vier vrije dagen om beroep in te stellen tegen de beslissingen van de Commissie betreffende de erkenningen, schorsingen of intrekkingen bedoeld in § 2, eerste lid. Het beroep is opschortend.
  De voorzitter tekent beroep aan bij de Minister van Tewerkstelling en Arbeid. De beslissing van de Minister tot vernietiging hoort met redenen te zijn omkleed.
  Indien binnen een termijn van twintig vrije dagen, de Minister de vernietiging van de beslissing niet heeft uitgesproken, wordt de beslissing definitief.
  (§ 3bis. Indien de Commissie geen beslissing genomen heeft met betrekking tot de erkenning van een programma op de derde vergadering en uiterlijk 4 maanden volgend op deze tijdens welke zij in het bezit gesteld werd van al de inlichtingen die zij bij de organisator van dit programma aangevraagd heeft, kan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid zich uitspreken over de erkenning van het bedoelde programma.
  De Minister spreekt zich uit bij een met redenen omklede beslissing. Hij brengt zijn beslissing ter kennis van de Commissie op haar eerstvolgende vergadering.) <W 1989-12-22/31, art. 146, 013; Inwerkingtreding : 09-01-1990>
  § 4. De Koning bepaalt, na het advies te hebben ingewonnen van de Nationale Arbeidsraad, de samenstelling en de werking van de Commissie.
  In de Commissie heeft een vertegenwoordiger zitting, met raadgevende stem, van elk van de Ministers die het Onderwijs onder hun bevoegdheid hebben.

  Onderafdeling 2. - Betaald educatief verlof.

  Art. 111. <KB 1995-03-28/53, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 01-09-1995> § 1. Voor opleidingen die zijn gevolgd voor 1 september 1993 heeft de werknemer het recht om, met behoud van zijn normaal loon dat op het gewone tijdstip moet worden uitbetaald, op het werk afwezig te zijn gedurende een aantal uren dat overeenstemt met het aantal theoretische lesuren van de buiten de normale werkuren gevolgde lessen en met het aantal uren van werkelijke aanwezigheid tijdens de lesuren voor de opleidingen die tijdens de normale werkuren worden gegeven.
  Voor de opleidingen gevolgd vanaf 1 september 1993 wordt enkel het aantal uren van werkelijke aanwezigheid tijdens de lesuren in aanmerking genomen voor het bepalen van het betaald educatief verlof dat aan de werknemer wordt toegekend.
  Voor de opleidingen gevolgd vanaf 1 september 1995 bedraagt het maximum per jaar in ieder geval :
  1° 120 uren indien de werknemer een beroepsopleiding volgt;
  2° 80 uren indien hij een algemene opleiding volgt;
  3° 120 uren indien hij tijdens éénzelfde jaar, een algemene- en een beroepsopleiding volgt.
  § 2. In afwijking van § 1 kunnen taalcursussen enkel aanleiding geven tot globaal 80 verlofuren.
  Indien deze opleidingen gevolgd worden samen met een andere beroepsopleiding wordt het maximum op te nemen verlofuren gebracht op 120 uren.
  § 3. (De verlofuren kunnen opgenomen worden boven de maxima bedoeld in § 1, zodanig dat er in totaal 120 verlofuren kunnen worden opgenomen hetzij voor het volgen van beroepsopleidingen hetzij voor het volgen van meerdere cursussen van verschillende aard, als de lesuren - ondanks de toepassing van wat bij de collectieve planning werd betracht - toch samenvallen met de voorziene arbeidstijd van de betrokken werknemer.) <W 2007-05-17/48, art. 11, 050; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  § 4. Op voorstel van de sectoren en na advies van de Erkenningscommissie kan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid beslissen dat voor de sectorgebonden beroepsopleidingen die tegemoet komen aan tekorten op de arbeidsmarkt het maximum aantal uren op 180 vastgesteld wordt.
  § 5. (Voor de werknemer die een opleiding volgt die leidt tot de graad van academisch gerichte bachelor georganiseerd in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap en tot de graad van bachelor georganiseerd in een cursus van lange type van het hoger onderwijs van de Franse Gemeenschap, wordt het maximum aantal uren vastgesteld op 180.
  Voor de werknemer die een opleiding volgt die leidt tot de graad van master georganiseerd in het hoger onderwijs, wordt het maximum aantal uren vastgesteld op 180.) <W 2006-07-20/39, art. 267, 046; Inwerkingtreding : 07-08-2006>
  § 6. Op gemotiveerd voorstel van de Erkenningscommissie kan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid beslissen dat voor opleidingen inzake elementaire basisvaardigheden voor laaggeschoolde werknemers het maximum aantal uren op 180 vastgesteld wordt.
  § 7. (De Koning kan, vanaf het schooljaar 2007-2008, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, en op basis van het voorstel van de sociale gesprekspartners, opgenomen in hun tweejaarlijks interprofessioneel akkoord voor de schooljaren die beginnen tijdens de geldigheidsduur van dit interprofessioneel akkoord :
  a) de in §§ 1 tot 6 gestelde maxima vermeerderen of verminderen;
  b) de lijst van de in artikel 109, §§ 1 en 2, bedoelde opleidingen wijzigen.
  Bij gebrek aan voorstel inzake het betaald educatief verlof in het interprofessioneel akkoord zoals bedoeld in het eerste lid, kan de Koning, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, en na advies van de Nationale Arbeidsraad, de in de §§ 1 tot 6 gestelde maxima vermeerderen of verminderen voor de schooljaren beginnend in een kalenderjaar waarop geen voorstel inzake het betaald educatief verlof in het interprofessioneel akkoord is.) <W 2006-12-27/32, art. 196, 048; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  § 8. De Koning bepaalt de nadere regels inzake toepassing van dit artikel.
  (NOTA : In uitvoering van artikel 111, § 7, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 maart 1995 worden voor de opleidingen gevolgd vanaf 1 september 2006, de maxima voorzien in :
  - artikel 111, § 1, derde lid, gebracht op 100 uur indien de werknemer een beroepsopleiding volgt, op 80 uur indien hij een algemene opleiding volgt en op 100 uur indien de hij tijdens éénzelfde jaar, een algemene en een beroepsopleiding volgt;
  - artikel 111, § 2, tweede lid op 100 uur gebracht;
  - artikel 111, § 3, voor beroepsopleidingen gebracht op 105 uur, voor algemene opleidingen op 85 uur en bij het volgen van meerdere cursussen van verschillende aard op 105 uur;
  - artikel 111, § 4, op 100 uur gebracht;
  - artikel 111, § 5, op 120 uur gebracht; zie KB 2006-09-01/38, art. 1, 047; Inwerkingtreding : 01-09-2006)

  Art. 112. De werknemer die gebruik wenst te maken van het betaald educatief verlof, licht zijn werkgever hierover in door middel van een getuigschrift waarin wordt bevestigd dat hij regelmatig ingeschreven is om een of verschillende bij deze afdeling bedoelde opleidingen te volgen. Hij deelt hem de voorziene afwezigheden mede. Hij verwittigt hem van het opgeven of het onderbreken van de opleidingen.
  Deze inlichtingen en dat getuigschrift worden meegedeeld binnen de termijn en volgens de regels bepaald door de Koning.

  Art. 113. § 1. Het betaald educatief verlof wordt op het vlak van de onderneming gepland door de ondernemingsraad of, bij ontstentenis hiervan, in gemeen overleg tussen de werkgever en de vakbondsafvaardiging van de onderneming of, bij ontstentenis hiervan, in gemeen overleg tussen de werkgever en de werknemers.
  (Bij de planning wordt rekening gehouden zowel met de vereisten inzake interne organisatie van de onderneming als met de specifieke belangen en situaties van iedere werknemer, hierbij moet er zoveel mogelijk over gewaakt worden dat de lesuren niet samenvallen met de arbeidsuren). De hierna volgende regels worden daarbij in acht genomen : <KB 1995-03-28/53, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  1° in de ondernemingen die minder dan 20 werknemers tewerkstellen, kan de werkgever zich verzetten tegen de gelijktijdige afwezigheid wegens betaald educatief verlof van meer dan 10 pct. van het totaal aantal werknemers; ten minste één werknemer moet evenwel de toestemming krijgen om wegens die reden afwezig te zijn;
  2° in de ondernemingen die 20 tot 50 werknemers tewerkstellen, kan de werkgever zich verzetten tegen de gelijktijdige afwezigheid wegens betaald educatief verlof van meer dan 10 pct. van de werknemers die dezelfde functie uitoefenen; ten minste één werknemer per functie moet evenwel de toestemming krijgen om wegens die reden afwezig te zijn.
  (3° in de ondernemingen die meer dan 50 werknemers tewerkstellen, kan de werkgever zich verzetten tegen de gelijktijdige afwezigheid wegens betaald educatief verlof van meer dan 10 pct. van de werknemers die dezelfde functie uitoefenen met dien verstande dat ten minste één werknemer per functie de toestemming moet krijgen om wegens die reden afwezig te zijn en op voorwaarde dat vooraf de ondernemingsraad of, bij ontstentenis van een akkoord in die raad, het bevoegde paritair comité, heeft vastgesteld wat onder " dezelfde functie " moet worden verstaan.) <W 1989-12-22/31, art. 147, 013; Inwerkingtreding : 09-01-1990>
  Het aantal werknemers dat in aanmerking komt voor de toepassing van het tweede lid is dat van de driemaandelijkse aangifte die de werkgever op 30 september van het betrokken jaar aan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid moet opsturen.
  (Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing wanneer de planning van de afwezigheden in de onderneming voorzien werd in een collectieve arbeidsovereenkomst, ondertekend door alle organisaties vertegenwoordigd in de syndicale afvaardiging in de ondernemingen met meer dan 100 werknemers, voor zover deze collectieve arbeidsovereenkomst gesloten werd overeenkomstig de bepalingen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.) <W 1990-12-29/30, art. 176, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  (De collectieve planning heeft voorrang op de individuele planning.) <W 1993-06-10/32, art. 8, 018; Inwerkingtreding : 10-07-1993>
  § 2. In geval van onvoorziene gebeurtenissen of van omstandigheden van dwingende aard kan, op gemotiveerd verzoek van de werkgever of van de werknemer, van de planning opgemaakt met toepassing van § 1, worden afgeweken; bijzondere regels inzake gebruikmaking van het betaald educatief verlof kunnen dan worden vastgesteld in onderlinge overeenstemming tussen de werkgever en de betrokken werknemers die op hun verzoek kunnen worden bijgestaan door vakbondsafgevaardigden.
  § 3. In geval van blijvende onenigheid, worden de geschillen betreffende § 1 en § 2 van dit artikel aan de inspectie van de sociale wetten van de Administratie van de arbeidsbetrekkingen en -reglementering van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid voorgelegd, die, wanneer haar verzoeningsopdracht mislukt, een beslissing zal nemen.
  § 4. De Koning kan, na het advies te hebben ingewonnen van de Nationale Arbeidsraad, andere regels inzake planning en verzoening vaststellen dan die bepaald bij dit artikel.

  Art. 114. § 1. Het normale loon wordt berekend overeenkomstig de wetgeving betreffende de betaalde feestdagen.
  § 2. (De Koning kan, vanaf het schooljaar 2007-2008, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, en op basis van het voorstel van de sociale gesprekspartners, opgenomen in hun tweejaarlijks interprofessioneel akkoord, voor de schooljaren die beginnen tijdens de geldigheidsduur van dit interprofessioneel akkoord het bedrag bepalen waartoe, voor de toepassing van deze afdeling, het normale loon begrensd wordt.
  Bij gebrek aan voorstel inzake het betaald educatief verlof in het interprofessioneel akkoord, kan de Koning, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, en na advies van de Nationale Arbeidsraad, bepalen het bedrag bepalen waartoe, voor de toepassing van deze afdeling het normale loon begrensd wordt.) <W 2006-12-27/32, art. 197, 048; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Hij bepaalt de regels inzake omrekening van de maandlonen in week-, dag- en uurlonen.
  (§ 3. In afwijking van § 2 is het bedrag waarop de normale bezoldiging begrensd is vastgelegd op 2.500 euro voor de beroepsopleidingen wat betreft :
  1° de werknemers die ten minste 45 jaar oud zijn op 1 januari van het jaar waarin de opleiding gegeven wordt;
  2° de werknemers betrokken bij de sluiting van een onderneming, voor zover een collectieve arbeidsovereenkomst, zoals in de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités wordt verstaan, dat een sociaal plan omvat, voorziet dat er een beroep gedaan wordt op het betaald educatief verlof.
  De Koning kan de beroepsopleidingen bedoeld in het eerste lid vaststellen en het bedrag wijzigen dat vastgelegd is in hetzelfde lid.) <W 2003-04-08/33, art. 57, 041; Inwerkingtreding : 01-05-2003>

  Art. 115. De uren gedurende welke de werknemer afwezig is krachtens de bepalingen van deze onderafdeling, worden gelijkgesteld met werkelijke arbeidsuren voor de toepassing van de sociale wetgeving.

  Art. 116. § 1. Het voordeel van het betaald educatief verlof wordt alleen toegekend aan de werknemer die de cursussen met nauwgezetheid volgt.
  § 2. Het voordeel van het betaald educatief verlof wordt gedurende een periode van zes maanden niet meer toegekend aan de werknemer die in de cursussen ongewettigd afwezig was voor meer dan één tiende van de duur ervan.
  Deze periode vangt aan :
  1° wanneer de cursussen minder dan drie maanden duren, op de einddatum van die cursussen;
  2° wanneer de cursussen langer dan drie maanden duren, zonder echter bij wijze van schooljaar te zijn georganiseerd, op het einde van de periode van drie maanden tijdens welke een door het eerste lid bepaald ongewettigde afwezigheid werd vastgesteld;
  3° wanneer de cursussen bij wijze van schooljaar zijn georganiseerd, op het einde van het schoolkwartaal tijdens hetwelk een door het eerste lid bepaalde ongewettigde afwezigheid werd vastgesteld.
  § 3. Inzake opleidingen die geen regelmatige aanwezigheid van de betrokkenen impliceren, bepaalt de Koning de normen inzake nauwgezetheid waaraan de werknemer moet voldoen.

  Art. 117. Het voordeel van het betaald educatief verlof wordt niet meer toegekend :
  1° gedurende een periode van twaalf maanden, ingaande vanaf de dag waarop de feiten worden vastgesteld, aan de werknemer die tijdens zijn betaald educatief verlof een winstgevende activiteit als zelfstandige of als werknemer uitoefent;
  2° voor dezelfde cursus of voor hetzelfde cursusjaar, aan de werknemer die, nadat hij reeds tweemaal dezelfde cursus of datzelfde cursusjaar heeft gevolgd, het beoordelingsgetuigschrift niet heeft behaald, zonder dat deze dubbele mislukking kan toegeschreven worden aan omstandigheden buiten zijn wil.

  Art. 118. § 1. De werkgever mag de werknemer niet ontslaan vanaf het ogenblik waarop hij zijn aanvraag om van het betaald educatief verlof te genieten heeft ingediend overeenkomstig artikel 112, en dit tot op het einde van de opleiding, behalve om redenen die vreemd zijn aan die aanvraag.
  De werkgever dient te bewijzen dat zodanige redenen voorhanden zijn.
  § 2. De werknemer verliest het voordeel van de bescherming, ingesteld door dit artikel, gedurende de periode bedoeld bij artikel 117, 1°, en wanneer hij het normale verloop van zijn studiecyclus onderbreekt.
  § 3. Wanneer de aangevoerde ontslagredenen niet vreemd zijn aan de aanvraag van de werknemer of wanneer er geen redenen zijn aangevoerd, betaalt de werkgever aan de werknemer een vergoeding gelijk aan drie maanden loon, onverminderd de vergoedingen die in geval van verbreking van de arbeidsovereenkomst aan de werknemer verschuldigd zijn.

  Art. 119. De werknemer die op het werk afwezig is en ten onrechte het voordeel van het recht op betaald educatief verlof inroept, kan voor die afwezigheid de uitbetaling van zijn normaal loon niet eisen.
  Wanneer het bedrog van de werknemer pas vastgesteld wordt nadat deze zijn normaal loon reeds ontvangen heeft, kan de werkgever de terugbetaling eisen van dat loon (...). <W 1989-12-22/31, art. 148, 013; ED : 09-01-1990>

  Art. 119bis. (Opgeheven) <W 1998-02-10/33, art. 58, 026; Inwerkingtreding : 21-08-1998>

  Onderafdeling 3. - Verdeling van de lasten.

  Art. 120. <KB 1995-03-28/53, art. 4, 021; Inwerkingtreding : 01-09-1995> De werkgevers kunnen bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid de terugbetaling verkrijgen van de lonen en de sociale bijdragen met betrekking tot het betaald educatief verlof, (...), binnen de termijnen en overeenkomstig de overige voorwaarden en modaliteiten terzake door de Koning bepaald, (...). <W 2001-09-05/32, art. 38, 037; Inwerkingtreding : 01-09-2000>
  (...) <W 2001-09-05/32, art. 38, 037; Inwerkingtreding : 01-09-2000>
  (De Koning kan, ten vroegste met ingang van het schooljaar 2006-2007, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, in de voorwaarden en modaliteiten die hij bepaalt, de terugbetaling tot een forfaitair bedrag beperken dat kan variëren in functie van de leeftijd van de werknemer.) <W 2005-12-27/30, art. 2, 045; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
  (De Koning kan, in afwijking van de vorige leden en ten vroegste voor de opleidingen gevolgd vanaf het schooljaar 2005-2006, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder de voorwaarden en modaliteiten die hij bepaalt, de terugbetaling beperken tot een forfaitair bedrag dat kan variëren naargelang het type opleiding.
  Voor de toepassing van het voorgaand lid, bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en op basis van het voorstel van de sociale gesprekspartners, opgenomen in hun tweejaarlijks interprofessioneel akkoord, tijdens de geldigheidsduur van dit interprofessioneel akkoord :
  1° wat dient te worden verstaan onder type van opleiding;
  2° welk percentage van het in het begrotingsjaar beschikbare middelen aan elk type van opleiding wordt toegewezen.
  Bij gebrek aan voorstel inzake het betaald educatief verlof in het interprofessioneel akkoord zoals bedoeld in het voorgaande lid bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na advies van de Nationale Arbeidsraad :
  1° wat dient te worden verstaan onder type van opleiding;
  2° welk percentage van het in het begrotingsjaar beschikbare middelen aan elk type van opleiding wordt toegewezen.) <W 2006-12-27/32, art. 198, 048; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 121.<W 2006-12-27/32, art. 199, 048; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. De kosten verbonden aan de in artikel 120 bedoelde terugbetaling aan de werkgevers worden deels gedragen door de werkgevers en deels door de Belgische Staat, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.
  § 2. Voor het deel ten laste van de werkgevers, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de werkgevers een bijdrage opleggen.
  Het bedrag van die bijdrage wordt vastgesteld op basis van het voorstel van de sociale gesprekspartners, opgenomen in hun tweejaarlijks interprofessioneel akkoord.
  Bij gebrek aan voorstel inzake het betaald educatief verlof in het interprofessioneel akkoord, bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag van de bijdrage, na advies van de Nationale Arbeidsraad.
  (In de loop van de maand september van elk jaar raamt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, op basis van de overeenkomstig de vorige leden vastgestelde bijdrage, de voor het volgend kalenderjaar vermoedelijke opbrengst van die bijdrage.) <W 2007-05-17/48, art. 18, 1°, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  § 3. Het aandeel van de Belgische Staat wordt elk kalenderjaar vastgesteld op hetzelfde bedrag als dit geraamd overeenkomstig § 2, laatste lid.
  (In afwijking van het voorgaande lid wordt het aandeel van de Belgische Staat voor het kalenderjaar 2007 vastgesteld op 84.360.000 euro.) <W 2007-05-17/48, art. 18, 2°, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [1 In afwijking van het eerste lid wordt het aandeel van de Belgische Staat voor het kalenderjaar 2011 verminderd met 30 miljoen euro.]1
  § 4. Het overeenkomstig de voorgaande paragrafen in elk kalenderjaar vastgesteld globaal bedrag wordt ingeschreven in de begroting van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening voor de vereffening van de schuldvorderingen van de werkgevers met betrekking tot het betaald educatief verlof, met toepassing van artikel 7, § 1, derde lid, h, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
  (Het in het vorig lid bedoelde globaal bedrag wordt in de jaren 2007 en 2008 verhoogd met het bedrag van de renteloze lening vanwege het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen, toegekend in uitvoering van afdeling 2 van Hoofdstuk VI van Titel II van de wet van 17 mei 2007 houdende uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008.) <W 2007-05-17/48, art. 18, 3°, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (§ 5. (Het overeenkomstig de voorgaande paragrafen in elk kalenderjaar vastgesteld globaal bedrag wordt, vanaf het kalenderjaar 2009, aangewend voor de terugbetalingen van de schuldvorderingen die betrekking hebben op het schooljaar dat eindigt het kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar.) <W 2008-12-22/33, art. 199, 051; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  Het overeenkomstig de voorgaande paragrafen in elk kalenderjaar vastgesteld globaal bedrag wordt, voor de kalenderjaren 2007 en 2008, aangewend voor de terugbetalingen die betrekking hebben op de schooljaren voorafgaand aan het schooljaar 2007-2008.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere voorwaarden en modaliteiten bepalen met betrekking tot de uitvoering van de vorige leden.) <W 2007-05-17/48, art. 18, 4°, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  ----------
  (1)<W 2009-12-23/04, art. 101, 052; Inwerkingtreding : 09-01-2010>

  Art. 122. (lid opgeheven) <W 2006-12-27/32, art. 200, 048; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (De bijdragen, verschuldigd krachtens artikel 121) zijn te betalen volgens de nadere regels en binnen de termijnen die door de Koning worden vastgesteld, respectievelijk aan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid, aan het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers of aan de (Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden) naargelang de bijdrageplichtige werkgevers onder toepassing vallen van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid der mijnwerkers en ermede gelijkgestelden, of van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij. (De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de werkgevers van de sectoren die gelegenheidswerknemers tewerkstellen in de zin van de uitvoeringsbesluiten van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, die onderworpen zijn aan het geheel der regelingen als bedoeld in artikel 21, § 1, van de wet van 29 juni 1981 en voor de categorieën werknemers die Hij bepaalt, vrijstellen van deze bijdrage.) <KB 1995-05-19/56, art. 11, 022; Inwerkingtreding : 13-08-1995> <W 2006-12-27/32, art. 200, 048; Inwerkingtreding : 01-01-2007> <W 2007-04-27/35, art. 46, 049; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
  De niet-betaling binnen de aldus vastgestelde termijnen brengt de toepassing mede van de bijdrageopslagen en van de nalatigheidsintresten, berekend volgens dezelfde bedragen en onder dezelfde voorwaarden als die welke vastgesteld zijn door de voornoemde wet van 27 juni 1969 en de besluitwetten van 10 januari 1945 en 7 februari 1945 en door hun uitvoeringsbesluiten.

  Art. 123. De Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid, het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers en de (Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden) maken de opbrengst van de bij het artikel 122, eerste en derde lid, bedoelde bijdragen, bijdrageopslagen en nalatigheidsintresten over (aan de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening), na aftrek van de bedragen die nodig zijn om de administratiekosten te dekken die voortspruiten uit de toepassing van dit artikel. <KB 1995-05-19/56, art. 11, 022; Inwerkingtreding : 13-08-1995> <W 2001-07-19/38, art. 20, 035; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  Het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid en de inningsinstellingen stellen het bedrag van de administratiekosten in gemeen overleg vast.

  Onderafdeling 4. - Toezicht en strafbepalingen.
  1. Toezicht.

  Art. 124.<W 1989-12-22/31, art. 215, 013; Inwerkingtreding : 09-01-1990> Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, houden de door de Koning aangewezen ambtenaren toezicht op de naleving van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
  Deze ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie.
  
  Art. 124. (Toekomstig recht) [1 De inbreuken op de bepalingen van deze afdeling en van de uitvoeringsbesluiten ervan worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.
   De sociaal inspecteurs beschikken over de in de artikelen 23 tot 39 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde bevoegdheden wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht inzake de naleving van de bepalingen van deze afdeling en de uitvoeringsbesluiten ervan.]1

  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 69, 055; Inwerkingtreding : onbepaald, uiterlijk op 01-07-2011>

  Art. 125.<W 1989-12-22/31, art. 215, 013; Inwerkingtreding : 09-01-1990> Bovendien mogen deze ambtenaren bij de uitoefening van hun opdracht op elk ogenblik van de dag of van de nacht, zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnengaan in de lokalen van de bij artikel 109 bedoelde instellingen en organisaties, bezocht door degenen die het voordeel van deze afdeling genieten.
  Tot de bewoonde lokalen hebben zij evenwel enkel toegang wanneer de rechter in de politierechtbank vooraf toestemming heeft verleend.
  
  Art. 125. (Toekomstig recht) [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 109, 34°, 055; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 126. (opgeheven) <W 1989-12-22/31, art. 215, 013; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  Art. 127. (opgeheven) <W 1989-12-22/31, art. 215, 013; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  Art. 128. (opgeheven) <W 1989-12-22/31, art. 215, 013; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  Art. 129. (opgeheven) <W 1989-12-22/31, art. 215, 013; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  Art. 130. De Koning kan de inrichtingshoofden en de verantwoordelijken voor het onderwijs in de bij artikel 109 bedoelde organisaties, bezocht door personen die het voordeel van deze afdeling genieten, verplichten documenten en inlichtingen betreffende het verloop van het onderwijs bij te houden en te verstrekken.
  2. Strafbepalingen.

  Art. 131.Onverminderd het bepaalde in de artikelen 269 en 271 tot 274 van het Strafwetboek, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot één maand en met geldboete van 26 tot 500 frank of met één van die straffen alleen :
  1° de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die inbreuk plegen op de bepalingen van artikelen 111 en 113 of van de besluiten genomen ter uitvoering van deze artikelen;
  2° al wie onjuiste inlichtingen verstrekt met het oog op de toepassing van deze afdeling of al wie het krachtens deze afdeling geregelde toezicht verhindert.
  
  Art. 131. (Toekomstig recht) [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 109, 34°, 055; Inwerkingtreding : onbepaald>
  

  Art. 132.Bij de in artikel 131, 1°, bepaalde misdrijven wordt de geldboete zoveel maal toegepast als er werknemers zijn die in strijd met de artikelen 111 en 113 of van de besluiten, genomen ter uitvoering van deze artikelen, zijn tewerkgesteld; het totale bedrag van die geldboete mag evenwel niet hoger zijn dan 50 000 frank.
  
  Art. 132. (Toekomstig recht) [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 109, 34°, 055; Inwerkingtreding : onbepaald>
  

  Art. 133.Bij herhaling binnen één jaar na een vorige veroordeling, kan de straf het dubbel van het maximum bedragen.
  
  Art. 133. (Toekomstig recht) [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 109, 34°, 055; Inwerkingtreding : onbepaald>
  

  Art. 134.De werkgever is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten waartoe zijn aangestelden of lasthebbers werden veroordeeld ingevolge deze afdeling.
  
  Art. 134. (Toekomstig recht) [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 109, 34°, 055; Inwerkingtreding : onbepaald>
  

  Art. 135.<W 1998-02-13/32, art. 110, 025; Inwerkingtreding : 01-03-1998> § 1. Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met uitzondering van hoofdstuk V maar met inbegrip van hoofdstuk VII, zijn toepasselijk op de bij deze afdeling bepaalde misdrijven.
  § 2. Artikel 85 van voormeld wetboek is toepasselijk op de in deze afdeling bepaalde misdrijven zonder dat het bedrag van de geldboete lager mag zijn dan 40 % van het bij deze afdeling bepaalde minimumbedrag.
  
  Art. 135. (Toekomstig recht) [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 109, 34°, 055; Inwerkingtreding : onbepaald>
  

  Art. 136.De publieke rechtsvordering wegens overtreding van bepalingen van deze afdeling en van de ter uitvoering hiervan genomen besluiten verjaart door verloop van (vijf jaar) na het feit waaruit de vordering is ontstaan. <W 1994-03-23/30, art. 25, 019; Inwerkingtreding : 01-04-1994>
  
  Art. 136. (Toekomstig recht) [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 109, 34°, 055; Inwerkingtreding : onbepaald>
  

  Onderafdeling 5. - Verjaring.

  Art. 137. De rechtsvorderingen die de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid, het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers en de (Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden) kunnen instellen tegen werkgevers wegens het niet-betalen van de bijdragen, de bijdrageopslagen en de nalatigheidsinteresten binnen de opgelegde termijnen, verjaren na verloop van (drie jaar). <KB 1995-05-19/56, art. 11, 022; Inwerkingtreding : 13-08-1995> <W 1999-12-24/36, art. 100, 031; Inwerkingtreding : 01-04-1997> <W 2005-07-03/46, art. 42, 043; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  De rechtsvorderingen tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bijdragen, die tegen de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid, het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers en de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden onder Belgische vlag zijn ingesteld, verjaren na verloop van (drie jaar), die ingaan op de betaaldatum. <W 2005-07-03/46, art. 42, 043; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  De rechtsvorderingen van de werknemers tegen de werkgevers in verband met het toekennen van het betaald educatief verlof verjaren na verloop van drie jaren, die ingaan op de datum waarop het recht is ontstaan.
  De rechtsvorderingen die, met toepassing van artikel 119, tweede lid, door de werkgevers kunnen worden ingesteld tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen, verjaren na verloop van drie jaren, die ingaan op de betaaldatum.

  Art. 137bis. <ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 149, 013; Inwerkingtreding : 09-01-1990> § 1. Het recht van de werkgever om terugbetaling te verkrijgen van de lonen en de sociale bijdragen met betrekking tot het betaald educatief verlof, zoals bepaald in artikel 120, en waarvoor de schuldvorderingen met betrekking tot de bewuste betalingen en stortingen niet werden ingediend volgens de nadere regelen vastgesteld door de Koning, binnen een termijn van (twee jaar) te rekenen vanaf 1 januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij ontstonden, vervalt. <KB 1995-03-28/53, art. 6, 021; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  (De in het vorige lid bedoelde termijn van twee jaar wordt vanaf het schooljaar 2006-2007 herleid tot anderhalf jaar.) <W 2007-05-17/48, art. 17, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Voor de toepassing van deze paragraaf, worden de schuldvorderingen betreffende het betaald educatief verlof, toegekend in de loop van een opleiding, geacht ontstaan te zijn de laatste dag van de opleiding of, wanneer de opleiding zich uitstrekt over meerdere jaren, de laatste dag van elk jaar van de opleiding.
  § 2. Vervallen zijn de vorderingen in terugbetaling welke door de Minister niet betaalbaar zijn gesteld binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar waarin ze zijn ingediend.

  Onderafdeling 6. - Slotbepalingen.
  1. Wijzigings- en opheffingsbepalingen.

  Art. 138. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 139. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 140. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 142 en 143 van deze afdeling, en met uitzondering van haar artikel 25, worden de wet van 10 april 1973 waarbij aan de werknemers kredieturen worden toegekend met het oog op hun sociale promotie, en haar uitvoeringsbesluiten, opgeheven.
  2. Overgangsbepalingen.

  Art. 141. Op het betaald educatief verlof kunnen geen aanspraak maken :
  1° de werknemers die voor dezelfde cursussen om de toekenning verzoeken van de vergoeding, bedoeld bij artikel 1, 1°, van de wet van 1 juli 1963 houdende toekenning van een vergoeding voor sociale promotie;
  2° de werknemers die voor éénzelfde cursussencyclus om de toekenning verzoeken van de vergoeding, bedoeld bij artikel 1, 2°, van dezelfde wet.

  Art. 142. De werknemers die op de datum van het in werking treden van deze afdeling, niet volledig de kredieturen hebben gebruikt waarop zij aanspraak kunnen maken krachtens de wet van 10 april 1973 waarbij aan de werknemers kredieturen worden toegekend met het oog op hun sociale promotie, kunnen voornoemde kredieturen gebruiken tot op het einde van het lopend schooljaar.
  In dit geval, kunnen zij voor ditzelfde schooljaar geen aanspraak maken op het voordeel van de bepalingen van deze afdeling.

  Art. 143. <W 1989-12-22/31, art. 150, 013; Inwerkingtreding : 09-01-1990> In afwijking van artikel 137bis, § 1, vervalt het recht van de werkgever ontstaan in 1986 op 1 januari 1991 en dat ontstaan in respectievelijk de jaren 1987 en 1988, op 1 januari 1992.
  3. Inwerkingtreding.

  Art. 144. De Koning bepaalt de datum waarop deze afdeling in werking treedt.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 14/08/2011 - 17:12
Laatst aangepast op: zo, 14/08/2011 - 17:12

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.