-A +A

Wetboek van Canoniek Recht - 1983 Boek IIc-Volk Gods Dl.III 573-746

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Alternatieve naam: 
Codex Iuris Canonici 1983 IIc

Boek II-Volk Gods Dl.III 573-746

Boek II Deel III Instituten van gewijd leven en sociëteiten van apostolisch leven 573-746

Afdeling I Instituten van gewijd leven 573-730

Titel I Normen gemeenschappelijk voor alle instituten van gewijd leven 573-606

Can. 573 - § 1 Het leven gewijd door de professie van de evangelische raden is een duurzame levensvorm waarin gelovigen, Christus van meer nabij volgend, onder de stuwing van de Heilige Geest zich geheel en al toewijden aan God, de meest beminde, om, op een nieuwe en bijzondere titel geheel gegeven aan diens eer, de opbouw van de Kerk en het heil van de wereld, tot de volmaaktheid in de liefde te komen in dienst van het Rijk Gods en, gemaakt tot een lichtend teken in de Kerk, de hemelse heerlijkheid aan te kondigen.
§ 2 Deze levensvorm in instituten van gewijd leven door de bevoegde overheid van de Kerk canoniek opgericht, nemen vrijwillig op zich de christengelovigen die door geloften of andere gewijde bindingen volgens de eigen wetten van de instituten zich verbinden tot de evangelische raden van kuisheid, armoede en gehoorzaamheid, en die door de liefde waartoe deze leiden, op een bijzondere wijze verbonden zijn met de Kerk en haar mysterie.

Can. 574 - § 1 De staat van degenen die zich in deze instituten verbinden tot de evangelische raden, behoort tot het leven en de heiligheid van de Kerk en moet daarom door allen in de Kerk van harte bevorderd worden.
§ 2 Tot deze staat worden bepaalde christengelovigen bijzonder door God geroepen om in het leven van de Kerk een eigen gave te hebben en, overeenkomstig het doel en de geest van het instituut, haar heilszending te dienen.

Can. 575 - De evangelische raden, gebaseerd op de leer en het voorbeeld van Christus de Leraar, zijn een goddelijke gave die de Kerk van de Heer heeft ontvangen en met zijn genade steeds bewaart.

Can. 576 - Aan de bevoegde overheid van de Kerk komt het toe de evangelische raden te interpreteren, de beoefening ervan door wetten te regelen en derhalve door canonieke goedkeuring duurzame levensvormen in te richten, alsook, voor haar aandeel, zorg te dragen dat de instituten volgens de geest van de stichters en de gezonde tradities groeien en bloeien.

Can. 577 - Zeer talrijk zijn de instituten van gewijd leven in de Kerk, die volgens de hun geschonken genade onderscheiden gaven bezitten; ze volgen immers Christus van meer nabij, hetzij in het bidden, hetzij in zijn aankondiging van het Rijk Gods, hetzij in zijn weldoen aan de mensen, hetzij in zijn omgaan in de wereld met hen, steeds de wil van de Vader vervullend.

Can. 578 - De geest en de intenties van de stichters, door de bevoegde kerkelijke overheid bekrachtigd, betreffende de aard, het doel, de geest en het karakter van het instituut, alsook zijn gezonde tradities, die samen het erfgoed van dit instituut vormen, moeten door allen trouw in acht genomen worden.

Can. 579 - De diocesane Bisschoppen kunnen, ieder in zijn gebied, bij formeel decreet instituten van gewijd leven oprichten, mits de Apostolische Stoel geraadpleegd is.

Can. 580 - Aggregatie van een instituut van gewijd leven aan een ander is voorbehouden aan de bevoegde overheid van het aggregerende instituut, steeds met behoud van de canonieke autonomie van het geaggregeerde instituut.

Can. 581 - Het verdelen van een instituut in delen, hoe deze ook genoemd worden, het oprichten van nieuwe delen, het samenvoegen van bestaande of het anders omschrijven ervan, komt toe aan de bevoegde overheid van het instituut, volgens de constituties.

Can. 582 - Fusies en verenigingen van instituten van gewijd leven zijn voorbehouden aan de Apostolische Stoel alleen; aan deze zijn ook confederaties en federaties voorbehouden.

Can. 583 - Wijzigingen in instituten van gewijd leven die raken aan datgene wat door de Apostolische Stoel goedgekeurd is, kunnen zonder diens verlof niet aangebracht worden.

Can. 584 - Een instituut opheffen komt alleen toe aan de Apostolische Stoel, waaraan het ook voorbehouden is te beslissen over de tijdelijke goederen ervan.

Can. 585 - Delen van een instituut opheffen komt toe aan de bevoegde overheid van dit instituut.

Can. 586 - § 1 Aan de afzonderlijke instituten wordt een rechtmatige autonomie van leven en vooral van bestuur toegekend, krachtens welke zij in de Kerk hun eigen levensordening bezitten en hun erfgoed waarover in can. 578, integraal kunnen bewaren.
§ 2 Het is de taak van de plaatselijke Ordinarissen deze autonomie te handhaven en te beschermen.

Can. 587 - § 1 Om de eigen roeping en identiteit van de afzonderlijke instituten getrouwer te beschermen, moet het basiswetboek ofwel de constituties van elk instituut, naast hetgeen volgens de bepalingen van can. 578 in acht genomen moet worden, ook bevatten de fundamentele normen omtrent het bestuur van het instituut en de levensordening van de leden, de opname en vorming van de leden, alsmede de eigen inhoud van de gewijde bindingen.
§ 2 Dit wetboek wordt door de bevoegde overheid van de Kerk goedgekeurd en kan alleen met haar toestemming gewijzigd worden.
§ 3 In dit wetboek dienen de geestelijke en juridische elementen goed op elkaar afgestemd te worden; de normen mogen echter niet zonder noodzaak verveelvoudigd worden.
§ 4 De overige normen door de bevoegde overheid van het instituut vastgesteld, dienen op geschikte wijze in andere wetboeken verzameld te worden; zij kunnen echter naar gelang van de eisen van plaats en tijd herzien en aangepast worden.

Can. 588 - § 1 De staat van gewijd leven is naar zijn aard noch clericaal noch laïcaal.
§ 2 Clericaal wordt genoemd een instituut dat, om reden van de door de stichter beoogde doelstelling op opzet of krachtens een wettige traditie, onder het bestuur staat van clerici, de uitoefening van de heilige wijding op zich neemt en als zodanig door de overheid van de Kerk erkend wordt.
§ 3 Laïcaal wordt genoemd een instituut dat, als zodanig door de overheid van de Kerk erkend, krachtens zijn aard, karakter en doelstelling een eigen taak heeft, door de stichter of door de wettige traditie bepaald, welke de uitoefening van de heilige wijding niet insluit.

Can. 589 - Een instituut van gewijd leven wordt van pauselijk recht genoemd, als het door de Apostolische Stoel opgericht of door deze bij formeel decreet goedgekeurd is; van diocesaan recht echter, als het door de diocesane Bisschop opgericht is en geen decreet van goedkeuring van de Apostolische Stoel verkregen heeft.

Can. 590 - § 1 Instituten van gewijd leven, op een speciale wijze immers tot de dienst van God en van de gehele Kerk bestemd, zijn op een bijzondere grond aan de hoogste overheid van de Kerk onderworpen.
§ 2 De afzonderlijke leden zijn gehouden de Paus als hun hoogste Overste te gehoorzamen, ook op grond van de gewijde band van gehoorzaamheid.

Can. 591 - Om beter te voorzien in het welzijn van de instituten en in de noden van het apostolaat, kan de Paus, op grond van zijn primaatschap over de gehele Kerk, met het oog op het algemeen nut instituten van gewijd leven aan het bestuur van de plaatselijke Ordinarissen onttrekken en onder zijn eigen gezag alleen of onder een ander kerkelijk gezag stellen.

Can. 592 - § 1 Om de verbondenheid van de instituten met de Apostolische Stoel beter te bevorderen, dient iedere hoogste Bestuurder een kort overzicht van de staat en het leven van zijn instituut aan de Apostolische Stoel te zenden op de door deze vastgestelde wijze en tijd.
§ 2 De Bestuurders van elk instituut dienen de bekendheid met de documenten van de Heilige Stoel die de hun toevertrouwde leden betreffen, te bevorderen en zorg te dragen voor de naleving ervan.

Can. 593 - Onverminderd het voorschrift van can. 586, zijn instituten van pauselijk recht wat intern bestuur en levensordening betreft rechtstreeks en uitsluitend aan de macht van de Apostolische Stoel onderworpen.

Can. 594 - Een instituut van diocesaan recht blijft, onverminderd can. 586, onder de bijzondere zorg van de diocesane Bisschop.

Can. 595 - § 1 Het komt aan de Bisschop van de hoofdzetel toe de constituties goed te keuren en daarin wettig aangebrachte wijzigingen te bekrachtigen, behoudens datgene wat de Apostolische Stoel in handen heeft genomen, alsmede zaken van meer gewicht te behandelen die het gehele instituut betreffen en die de macht van de interne overheid te boven gaan, na raadpleging echter van de overige diocesane Bisschoppen als het instituut over meerdere bisdommen verspreid is.
§ 2 De diocesane Bisschop kan in bijzondere gevallen dispensaties van de constituties verlenen.

Can. 596 - § 1 Oversten en kapittels van de instituten hebben over de leden de macht die door het universeel recht en de constituties bepaald wordt.
§ 2 In clericale religieuze instituten van pauselijk recht echter hebben zij bovendien kerkelijke bestuursmacht zowel in het uitwendig als in het inwendig rechtsbereik.
§ 3 Op de macht waarover in § 1, zijn de voorschriften van de canones 131, 133 en 137-144 van toepassing.

Can. 597 - § 1 Tot een instituut van gewijd leven kan iedere katholiek toegelaten worden die de juiste intentie heeft, de door het universeel en het eigen recht vereiste eigenschappen bezit en door geen beletsel weerhouden wordt.
§ 2 Niemand kan toegelaten worden zonder passende voorbereiding.

Can. 598 - § 1 Elk instituut dient, rekening houdend met zijn eigen karakter en doelstelling, in zijn constituties de wijze te bepalen waarop de evangelische raden van kuisheid, armoede en gehoorzaamheid, naar gelang van de levenswijze van het instituut, onderhouden moeten worden.
§ 2 Alle leden evenwel moeten niet alleen de evangelische waarden trouw en integraal in acht nemen, maar ook volgens het eigen recht van het instituut hun leven inrichten en zo naar de volmaaktheid van hun staat streven.

Can. 599 - Het op zich nemen van de evangelische raad van kuisheid omwille van het Rijk der hemelen, hetgeen een teken is van de toekomstige wereld en een bron van rijkere vruchtbaarheid in een onverdeeld hart, brengt de verplichting van volledige onthouding in het celibaat met zich mee.

Can. 600 - De evangelische raad van armoede tot navolging van Christus, die om onzentwille behoeftig is geworden ofschoon Hij rijk was, brengt, naast een metterdaad en in de geest arm leven, werkzaam in soberheid te leiden en ver van aardse rijkdom, met zich mee afhankelijkheid en beperking in het gebruik van en de beschikking over goederen volgens het eigen recht van de afzonderlijke instituten.

Can. 601 - De evangelische raad van gehoorzaamheid, op zich genomen in de geest van geloof en liefde, in het voetspoor van Christus die gehoorzaam was tot de dood, verplicht tot onderwerping van de wil aan de wettige Oversten, die Gods plaats bekleden, wanneer zij volgens de eigen constituties voorschriften geven.

Can. 602 - Het broederlijk leven, aan elk instituut eigen, waardoor alle leden als het ware tot een bijzondere familie in Christus verenigd worden, dient zo bepaald te worden dat het voor allen een onderlinge steun wordt om ieders eigen roeping te vervullen. Door hun broederlijke gemeenschap, in de liefde geworteld en gegrondvest, dienen de leden een voorbeeld te zijn van de alomvattende verzoening in Christus.

Can. 603 - § 1 Naast de instituten van gewijd leven erkent de Kerk het eremieten- of kluizenaarsleven, waarin christengelovigen door een strengere afzondering van de wereld, door de stilte van de eenzaamheid, door voortdurend gebed en boetedoening hun leven geheel en al geven tot lof van God en het heil van de wereld.
§ 2 Een eremiet wordt door het recht erkend als aan God gegeven in het gewijd leven, indien hij zich tot de drie evangelische raden, bevestigd door een gelofte of door een andere gewijde binding, publiek verbindt in de handen van de diocesane Bisschop en onder diens leiding zijn eigen levenswijze volgt.

Can. 604 - § 1 Bij deze vormen van gewijd leven komt de orde der maagden, die, met het uitspreken van het heilig voornemen om Christus van meer nabij te volgen, door de diocesane Bisschop volgens de goedgekeurde liturgische ritus aan God toegewijd worden, op mystieke wijze als bruid met Christus, Gods Zoon, verbonden en aan de dienst van de Kerk gewijd worden.
§ 2 Om haar voornemen trouwer na te komen en om haar dienst aan de Kerk, overeenkomstig met haar eigen staat, in onderlinge hulp te vervullen, kunnen de maagden zich verenigen.

Can. 605 - Nieuwe vormen van gewijd leven goedkeuren is alleen aan de Apostolische Stoel voorbehouden. De diocesane Bisschoppen evenwel dienen zich moeite te geven om nieuwe gaven van gewijd leven, door de Heilige Geest aan de Kerk toevertrouwd, te onderkennen. Zij dienen hen die deze bevorderen, bij te staan om hun voornemens zo goed mogelijk tot uitdrukking te brengen en met geschikte statuten te beschermen, gebruik makend vooral van de algemene normen in dit deel vervat.

Can. 606 - Hetgeen over de instituten van gewijd leven en hun leden bepaald wordt, geldt in het recht gelijkelijk voor beide geslachten, tenzij uit de context van de woorden of uit de aard der zaak iets anders vaststaat.
Boek II Deel III Afdeling I Titel II Religieuze instituten 607-709

Can. 607 - § 1 Het religieuze leven geeft als toewijding van de gehele persoon uitdrukking in de Kerk aan het door God gevestigd wonderlijk echtverbond, dat een teken is van de toekomstige wereld. Zo volbrengt een religieus zijn volledige overgave als een offer aan God opgedragen, waardoor zijn gehele bestaan een voortdurende eredienst wordt aan God in liefde.
§ 2 Een religieus instituut is een georganiseerde gemeenschap waarin de leden volgens het eigen recht publieke geloften voor het leven afleggen of tijdelijke geloften, die echter na het verstrijken van de tijd hernieuwd moeten worden, en waarin zij een broederlijk leven in gemeenschap leiden.
§ 3 Het publiek getuigenis dat de religieuzen voor Christus en de Kerk moeten afleggen, brengt die afzondering van de wereld met zich mee welke eigen is aan het karakter en de doelstelling van elk instituut.

Hoofdstuk I - Religieuze huizen, hun oprichting en opheffing 608-616

Can. 608 - Een religieuze gemeenschap moet wonen in een wettig opgericht huis onder het gezag van een volgens het recht aangewezen Overste; elk huis dient ten minste een kapel te hebben, waarin de Eucharistie gevierd en bewaard wordt, zodat deze werkelijk het middelpunt van de gemeenschap is.

Can. 609 - § 1 Huizen van een religieus instituut worden opgericht door de bevoegde overheid volgens de constituties, met voorafgaande, schriftelijk gegeven toestemming van de diocesane Bisschop.
§ 2 Voor de oprichting van een klooster van monialen is bovendien verlof van de Apostolische Stoel vereist.

Can. 610 - § 1 De oprichting van huizen geschiedt met het nut van de Kerk en van het instituut voor ogen, en met veiligstelling van wat vereist is opdat de leden op de juiste wijze het religieuze leven leiden, overeenkomstig de eigen doelstellingen en de geest van het instituut.
§ 2 Geen enkel huis mag opgericht worden, tenzij wijselijk geoordeeld kan worden dat naar behoren in de noden van de leden voorzien zal zijn.

Can. 611 - De toestemming van de diocesane Bisschop tot oprichting van een religieus instituut brengt het recht met zich mee om:
1. een leven te leiden overeenkomstig de eigen aard en doelstellingen van het instituut;
2. de aan het instituut eigen werken uit te oefenen volgens het recht, behoudens de aan de toestemming toegevoegde voorwaarden;
3. voor de clericale instituten een kerk te hebben, behoudens het voorschrift van can. 1215, § 3, en de gewijde bedieningen te verrichten, met inachtneming van de rechtsvoorschriften.

Can. 612 - Om een religieus huis te bestemmen voor apostolische werkzaamheden verschillend van die waarvoor het is opgericht, is de toestemming van de diocesane Bisschop vereist; deze is echter niet vereist, indien het gaat om een verandering die, behoudens de stichtingsbepalingen, alleen betrekking heeft op het intern bestuur en de levensordening.

Can. 613 - § 1 Een religieus huis van reguliere kanunniken et monniken onder het bestuur en de zorg van een eigen Bestuurder is rechtens zelfstandig, tenzij de constituties anders bepalen.
§ 2 De Bestuurder van een rechtens zelfstandig huis is van rechtswege hogere Overste.

Can. 614 - De met een instituut van mannen verbonden kloosters van monialen bezitten hun eigen levenswijze en bestuur volgens de constituties. De wederzijdse rechten en verplichtingen dienen zo bepaald te worden dat door de verbondenheid het geestelijk welzijn kan groeien.

Can. 615 - Een rechtens zelfstandig klooster dat naast de eigen Bestuurder geen andere hogere Overste heeft, en dat niet zodanig met een instituut van religieuzen verbonden is dat diens Overste werkelijke, in de constituties bepaalde macht ten aanzien van dat klooster bezit, wordt volgens het recht aan het bijzonder toezicht van de diocesane Bisschop toevertrouwd.

Can. 616 - § 1 Een wettig opgericht religieus huis kan opgeheven worden door de hoogste Bestuurder volgens de constituties, na raadpleging van de diocesane Bisschop. Het eigen recht van het instituut dient voorzieningen te treffen aangaande de goederen van het opgeheven huis, behoudens de wil van de stichters of weldoeners en de wettig verworven rechten.
§ 2 De opheffing van het enige huis van een instituut komt toe aan de Heilige Stoel, waaraan het tevens voorbehouden is in dit geval over de goederen te beslissen.
§ 3 De opheffing van een rechtens zelfstandig huis waarover in can. 613, komt toe aan het generaal kapittel, tenzij de constituties anders bepalen.
§ 4 De opheffing van een rechtens zelfstandig klooster van monialen komt toe aan de Apostolische Stoel, met inachtneming van de voorschriften van de constituties wat de goederen betreft.

Hoofdstuk II - Bestuur van de instituten 617-640

Art. 1 - Oversten en raden 617-630

Can. 617 - Oversten dienen hun ambt te vervullen en hun macht uit te oefenen volgens het universeel en het eigen recht.

Can. 618 - Oversten dienen hun macht die zij van God door de bediening van de Kerk ontvangen hebben, in een geest van dienstbaarheid uit te oefenen. Bereid derhalve te luisteren naar Gods wil in de uitoefening van hun ambt, dienen zij hun onderdanen als kinderen Gods te leiden en, terwijl zij met eerbied voor de menselijke persoon hun vrijwillige gehoorzaamheid bevorderen, dienen zij gaarne naar hen te luisteren en hun eensgezinde samenwerking tot welzijn van het instituut en van de Kerk te bevorderen, onverminderd evenwel hun gezag om te beslissen en om voor te schrijven wat gedaan moet worden.

Can. 619 - Oversten dienen zich met ijver op hum ambt toe te leggen en samen met de hun toevertrouwde leden er naar te streven een broederlijke gemeenschap in Christus op te bouwen, waarin vóór alles God gezocht en bemind wordt. Zij dienen de leden derhalve veelvuldig te sterken met het voedsel van Gods woord en hen tot de viering van de heilige liturgie te brengen. Zij dienen hun tot voorbeeld te zijn in de beoefening van de deugden en in het onderhouden van de wetten en de tradities van het eigen instituut; zij dienen op passende wijze te voorzien in de persoonlijke noden van de leden, de zieken met zorg te omgeven en hen te bezoeken, de onrustigen te vermanen, de kleinmoedigen te troosten en geduldig te zijn jegens allen.

Can. 620 - Hogere Oversten zijn zij die het gehele instituut besturen of een provincie daarvan of een daaraan gelijkgesteld deel of een rechtens zelfstandig huis, alsmede hun plaatsvervangers. Daarbij komen de Abt-Primaat en de Overste van een monastieke congregatie, die echter niet de gehele macht hebben die het universeel recht aan hogere Oversten toekent.

Can. 621 - Een groepering van meerdere huizen die onder dezelfde Overste een rechtstreeks onderdeel van hetzelfde instituut vormt en door de wettige overheid canoniek opgericht is, wordt een provincie genoemd.

Can. 622 - De hoogste Bestuurder heeft de macht over alle provincies, huizen en leden van het instituut, uit te oefenen volgens het eigen recht; de andere Oversten hebben die binnen de grenzen van hun ambt.

Can. 623 - Voor de geldige benoeming of keuze van leden tot het ambt van Overste is vereist dat er een passende tijd verstreken is sinds de professie voor het leven of de definitieve professie, te bepalen door het eigen recht of, als het gaat om hogere Oversten, door de constituties.

Can. 624 - § 1 Oversten dienen aangesteld te worden voor een bepaalde en passende tijdsduur overeenkomstig de aard en de behoefte van het instituut, tenzij voor de hoogste Bestuurder en voor de Oversten van een rechtens zelfstandig huis de constituties anders bepalen.
§ 2 Het eigen recht dient door geschikte normen erin te voorzien dat voor bepaalde tijd aangestelde Oversten niet te lang zonder onderbreking in bestuursambten blijven.
§ 3 Zij kunnen echter gedurende hun ambtstijd uit hun ambt verwijderd worden of in een ander geplaatst om redenen in het eigen recht vastgesteld.

Can. 625 - § 1 De hoogste Bestuurder van een instituut dient bij canonieke verkiezing aangewezen te worden volgens de constituties.
§ 2 De verkiezing van de Overste van een rechtens zelfstandig klooster waarover in can. 615, en van de hoogste Bestuurder van een instituut van diocesaan recht worden voorgezeten door de Bisschop van de hoofdzetel.
§ 3 De overige Oversten dienen aangesteld te worden volgens de constituties; met dien verstande echter dat, als zij gekozen worden, zij de bevestiging van de bevoegde hogere Overste nodig hebben; als zij door de Overste benoemd worden, dient een passende raadpleging vooraf te gaan.

Can. 626 - Bij de verlening van ambten dienen Oversten en bij verkiezingen dienen leden de normen van het universeel en van het eigen recht te onderhouden, zich te onthouden van ieder misbruik en van aanzien des persoons en, met niets dan God en het welzijn van het instituut voor ogen, dienen zij diegenen te benoemen of te kiezen die zij in de Heer waardig en geschikt achten. Bovendien dienen zij zich bij verkiezingen te hoeden voor stemmenwerving hetzij rechtstreeks hetzij onrechtstreeks, zowel voor zichzelf als voor anderen.

Can. 627 - § 1 Volgens de constituties dienen Overste een eigen raad te hebben, van de dienst waarvan zij gebruik moeten maken bij het uitoefenen van hun ambt.
§ 2 Naast de gevallen in het universeel recht voorgeschreven, dient het eigen recht de gevallen vast te stellen waarin om geldig te handelen toestemming of advies vereist is, te vragen volgens can. 127.

Can. 628 - § 1 De Oversten die volgens het eigen recht van het instituut voor deze taak worden aangewezen, dienen op vastgestelde tijden de hun toevertrouwde huizen en leden te visiteren volgens de normen van dit eigen recht.
§ 2 De diocesane Bisschoppen hebben het recht en de plicht om, ook wat de religieuze levensordening betreft, te visiteren:
1. de rechtens zelfstandige kloosters waarover in can. 615;
2. elk huis van een instituut van diocesaan recht, gelegen in het eigen ambtsgebied.
§ 3 De leden dienen vertrouwvol met de visitator samen te werken, op wiens wettige vragen zij gehouden zijn te antwoorden volgens de waarheid in liefde; het is niemand toegestaan op welke wijze ook de leden van deze verplichting af te houden of het doel van de visitatie anderszins te belemmeren.

Can. 629 - Oversten dienen ieder in hun eigen huis te verblijven, en niet afwezig te zijn tenzij volgens het eigen recht.

Can. 630 - § 1 Oversten dienen de vrijheid te erkennen die aan de leden toekomst betreffende het boetesacrament en de geestelijke leiding, met behoud echter van de levensordening van het instituut.
§ 2 Oversten dienen er zorg voor te dragen volgens het eigen recht, dat voor de leden geschikte biechtvaders beschikbaar zijn bij wie zij veelvuldig kunnen biechten.
§ 3 In kloosters van monialen, in vormingshuizen en in grotere laïcale communiteiten dienen gewone biechtvaders te zijn, door de plaatselijke Ordinaris goedgekeurd, na overleg met de communiteit, zonder echter enige verplichting om naar hen toe te gaan.
§ 4 Oversten mogen geen biecht horen van onderdanen, tenzij de leden er uit eigen beweging om vragen.
§ 5 De leden dienen zich met vertrouwen tot hun Oversten te wenden, tegenover wie zij zich vrij en uit eigen beweging kunnen uitspreken. Het is de Oversten echter verboden hen, op welke wijze ook, er toe te brengen hun geweten aan hen te openbaren.

Art. 2 – Kapittels 631-633

Can. 631 - § 1 Het generaal kapittel, dat in het instituut het hoogste gezag bezit volgens de constituties, dient zo samengesteld te worden dat dit het gehele instituut vertegenwoordigt en zo een echt teken wordt van zijn eenheid in liefde. Tot zijn taak behoort vooral het erfgoed van het instituut waarover in can. 578, te beschermen en aangepaste vernieuwingen dienovereenkomstig te bevorderen, de hoogste Bestuurder te kiezen, de zaken van groter belang te behandelen, alsook de normen uit te vaardigen waaraan allen moeten gehoorzamen.
§ 2 De samenstelling van het kapittel en de reikwijdte van zijn macht dienen in de constituties vastgelegd te worden; het eigen recht dient verder het reglement te bepalen dat in acht genomen moet worden bij het houden van het kapittel, vooral wat de verkiezingen betreft en de wijzen waarop de zaken behandeld worden.
§ 3 Volgens de normen in het eigen recht bepaald, kunnen niet alleen de provincies en plaatselijke communiteiten, maar kan ook ieder lid zijn wensen en suggesties vrij naar het generaal kapittel sturen.

Can. 632 - Het eigen recht dient nauwkeurig te bepalen wat behoort tot de andere kapittels van het instituut en tot andere gelijksoortige bijeenkomsten, namelijk hun aard, gezag, samenstelling, werkwijze en de tijd wanneer zij gehouden worden.

Can. 633 - § 1 De organen voor participatie of raadpleging dienen de hun toevertrouwde taak getrouw te vervullen volgens het universeel en het eigen recht, en op hun wijze de zorg en de deelname van alle leden tot uitdrukking te brengen tot welzijn van het gehele instituut of van de communiteit.
§ 2 Bij het instellen en aanwenden van deze middelen tot participatie en raadpleging dient men met wijs onderscheid te handelen, en de werking ervan dient in overeenstemming te zijn met het karakter en de doelstelling van het instituut.

Art. 3 - Tijdelijke goederen en hun beheer 634-640

Can. 634 - § 1 Instituten, provincies en huizen zijn, als rechtspersoon van rechtswege, bekwaam tijdelijke goederen te verwerven, te bezitten, te beheren en te vervreemdem, tenzij deze bekwaamheid in de constituties uitgesloten of beperkt wordt.
§ 2 Zij dienen echter elke vorm van luxe, overmatige winst en opeenhoping van goederen te vermijden.

Can. 635 - § 1 Tijdelijke goederen van religieuze instituten, als zijnde kerkelijke goederen, vallen onder de voorschriften van Boek V Tijdelijke goederen van de Kerk, tenzij uitdrukkelijk iets anders voorzien wordt.
§ 2 Elk instituut echter dient geschikte normen vast te stellen betreffende het gebruik en het beheer van goederen, waardoor de armoede die het eigen is, bevorderd, beschermd en tot uitdrukking gebracht wordt.

Can. 636 - § 1 In elk instituut en eveneens in elke provincie die bestuurd wordt door een hogere Overste, dient een econoom te zijn, onderscheiden van de hogere Overste en aangesteld volgens het eigen recht, die het beheer voert over de goederen onder leiding van de betreffende Overste. Indien mogelijk dient ook in de plaatselijke communiteiten een econoom aangesteld te worden, onderscheiden van de plaatselijke Overste.
§ 2 Op de door het eigen recht bepaalde tijd en wijze dienen economen en andere beheerders aan de bevoegde overheid rekenschap af te leggen over het gevoerde beheer.

Can. 637 - De rechtens zelfstandige kloosters waarover in can. 615, moeten eenmaal per jaar rekenschap over het beheer afleggen aan de plaatselijke Ordinaris; de plaatselijke Ordinaris moet bovendien het recht hebben kennis te nemen van de economische toestand van een religieus huis van diocesaan recht.

Can. 638 - § 1 Het behoort tot het eigen recht om, binnen het kader van het universeel recht, de handelingen te bepalen welke de grens en de wijze van gewoon beheer overschrijden, en datgene vast te stellen wat noodzakelijk is voor het geldig stellen van een handeling van buitengewoon beheer.
§ 2 Uitgaven en rechtshandelingen van gewoon beheer verrichten op geldige wijze, naast de Oversten, binnen de grenzen van hun taak ook de functionarissen die in het eigen recht hiertoe aangewezen worden.
§ 3 Voor de geldigheid van een vervreemding en van elke handeling waardoor de vermogenspositie van een rechtspersoon slechter kan worden, is schriftelijk gegeven verlof vereist van de bevoegde Overste met de toestemming van zijn raad. Als het echter gaat over een handeling die het bedrag door de Heilige Stoel voor elke regio bepaald, overschrijdt, en eveneens over zaken die door een gelofte aan de Kerk geschonken zijn, of over zaken die kostbaar zijn vanwege hun kunst- of historische waarde, wordt bovendien het verlof van de Heilige Stoel zelf vereist.
§ 4 Voor de rechtens zelfstandige kloosters waarover in can. 615, en voor instituten van diocesaan recht is bovendien de schriftelijk verleende toestemming van de plaatselijke Ordinaris vereist.

Can. 639 - § 1 Als een rechtspersoon schulden of verplichtingen aangegaan is, ook met verlof van de Oversten, is hij zelf tot aansprakelijkheid hiervoor gehouden.
§ 2 Als een lid met verlof van zijn Overste een verbintenis betreffende zijn goederen aangegaan is, moet hij zelf daarvoor aansprakelijk zijn; als hij echter in opdracht van de Overste zaken van het instituut waargenomen heeft, moet het instituut aansprakelijk zijn.
§ 3 Als een religieus een verbintenis aangegaan is zonder enig verlof van de Oversten, moet hij zelf daarvoor aansprakelijk zijn, maar niet de rechtspersoon.
§ 4 Gewaarborgd moet echter blijven dat tegen hem tot wiens voordeel iets uit de aangegane verbintenis is gekomen, altijd een rechtsvordering ingesteld kan worden.
§ 5 De religieuze Oversten dienen te waken dat zij niet toestaan dat schulden aangegaan worden, tenzij met zekerheid vaststaat dat de rente van de schuld uit de gewone inkomsten betaald kan worden en dat binnen niet al te lange tijd het kapitaal door wettige aflossing terugbetaald kan worden.

Can. 640 - De instituten dienen, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, zich erop toe te leggen een als het ware collectief getuigenis af te leggen van liefde en armoede, en naar draagkracht uit eigen goederen iets bij te dragen voor de noden van de Kerk en het onderhoud van de behoeftigen.

Hoofdstuk III - Toelating van de kandidaten en vorming van de leden 641-661

Art. 1 - Toelating tot het noviciaat 641-645

Can. 641 - Het recht om kandidaten toe te laten tot het noviciaat komt aan de hogere Oversten toe volgens het eigen recht.

Can. 642 - De Oversten dienen er met zorg over te waken slechts hen toe te laten die, naast de vereiste leeftijd, de gezondheid, het geschikt karakter en voldoende rijpheid hebben om het aan het instituut eigen leven aan te gaan; gezondheid, karakter en rijpheid dienen vastgesteld te worden, zo nodig ook met behulp van deskundigen, onverminderd het voorschrift van can. 220.

Can. 643 - § 1 Ongeldig wordt tot het noviciaat toegelaten:
1. wie het zeventiende levensjaar nog niet voltooid heeft;
2. een gehuwde, gedurende het huwelijk;
3. wie nog door een gewijde band met een instituut van gewijd leven verbonden is of opgenomen is in een sociëteit van apostolisch leven, behoudens het voorschrift van can. 684;
4. wie het instituut binnentreedt, daartoe gebracht door dwang, ernstige vrees of bedrog, of wie opgenomen wordt door een Overste die op gelijke wijze tot deze opname gebracht is;
5. wie zijn opname in een instituut van gewijd leven of in een sociëteit van apostolisch leven verzwegen heeft.
§ 2 Het eigen recht kan andere beletselen ook voor de geldigheid van de toelating vaststellen, of voorwaarden toevoegen.

Can. 644 - De Oversten mogen geen seculiere clerici tot het noviciaat toelaten zonder overleg met de eigen Ordinaris van dezen, en evenmin mensen met schulden die deze niet kunnen voldoen.

Can. 645 - § 1 Voordat de kandidaten tot het noviciaat toegelaten worden, moeten zij een doop- en vormbewijs voorleggen, alsmede een bewijs van vrije staat.
§ 2 Indien het gaat om de toelating van clerici of van hen die tot een ander instituut van gewijd leven, tot een societeit van apostolisch leven of tot een seminarie toegelaten geweest zijn, is bovendien vereist een getuigenis respectievelijk van de plaatselijke Ordinaris, van de hogere Overste van het instituut of de societeit of van de rector van het seminarie.
§ 3 Het eigen recht kan andere getuigenissen eisen betreffende de vereiste geschiktheid van de kandidaten en het vrij zijn van beletselen.
§ 4 De Oversten kunnen eveneens, ook onder geheimhouding, andere inlichtingen inwinnen, als zij dit nodig vinden.

Art. 2 - Noviciaat en vorming van de novicen 646-653

Can. 646 - Het noviciaat, waarmee het leven in het instituut begint, is erop gericht dat de novicen de goddelijke roeping, en wel die welke eigen is aan het instituut, beter leren kennen, ervaring opdoen met de levenswijze van het instituut, met de geest hiervan hun denken en hart vormen, en dat hun voornemen en geschiktheid vastgesteld worden.

Can. 647 - § 1 De oprichting, verplaatsing en opheffing van een noviciaatshuis dient te geschieden bij schriftelijk gegeven decreet van de hoogste Bestuurder van het instituut met de toestemming van zijn raad.
§ 2 Het noviciaat moet, om geldig te zijn, doorgemaakt worden in een huis dat daartoe op de voorgeschreven wijze aangewezen is. In bijzondere gevallen en bij wijze van uitzondering kan de kandidaat, krachtens toelating van de hoogste Bestuurder met de toestemming van zijn raad, zijn noviciaat doormaken in een ander huis van het instituut, onder leiding van een ervaren religieus die de plaats van de novicenmeester inneemt.
§ 3 De hogere Overste kan toestaan dat een groep novicen gedurende bepaalde perioden verblijft in een ander, door hem aangewezen huis van het instituut.

Can. 648 - § 1 Het noviciaat moet, om geldig te zijn, twaalf maanden omvatten, door te brengen in de gemeenschap zelf van het noviciaat, onverminderd het voorschrift van can. 647, § 3.
§ 2 Om de vorming van de novicen te voltooien, kunnen de constituties, naast de tijd waarover in § 1, een of meer perioden vaststellen voor apostolische stages, door te brengen buiten de gemeenschap van het noviciaat.
§ 3 Het noviciaat mag niet langer duren dan twee jaar.

Can. 649 - § 1 Behoudens de voorschriften van can. 647, § 3 en can. 648, § 2, maakt een afwezigheid uit het novitiaatshuis van meer dan drie maanden, ononderbroken of onderbroken, het noviciaat ongeldig. Een afwezigheid van meer dan vijftien dagen moet aangevuld worden.
§ 2 Met verlof van de bevoegde hogere Overste kan de eerste professie vervroegd worden, maar niet meer dan vijftien dagen.

Can. 650 - § 1 De doelstelling van het noviciaat vereist dat de novicen onder leiding van een novicenmeester gevormd worden volgens de vormingsregeling van het instituut, te bepalen door het eigen recht.
§ 2 De leiding van de novicen is voorbehouden aan de novicenmeester alleen, onder het gezag van de hogere Oversten.

Can. 651 - § 1 De novicenmeester dient lid van het instituut te zijn, geloften voor het leven te hebben afgelegd en wettig te zijn aangewezen.
§ 2 Aan de novicenmeester kunnen indien nodig medewerkers gegeven worden, die aan hem ondergeschikt zijn wat betreft de leiding van het noviciaat en de vormingsregeling.
§ 3 Met de leiding van de vorming van de novicen dienen belast te worden daartoe goed voorbereide leden die, niet door andere werkzaamheden verhinderd, hun taak vruchtbaar en bestendig kunnen vervullen.

Can. 652 - § 1 Het komt de novicenmeester en zijn medewerkers toe om de roeping van de novicen te onderkennen en vast te stellen, en hen geleidelijk te vormen om op de juiste wijze een leven van volmaaktheid te leiden, eigen aan het instituut.
§ 2 De novicen dienen ertoe gebracht te worden de menselijke en christelijke deugden te ontwikkelen; door gebed en zelfverloochening geleid te worden naar een weg van steeds grotere volmaaktheid; onderricht te worden in de beschouwing van het heilsmysterie en in het lezen en overwegen van de Heilige Schrift; voorbereid te worden op het vieren van de goddelijke eredienst in de heilige liturgie; zich een levenswijze eigen te maken die door de evangelische raden in Christus aan God en de mensen toegewijd is; onderwezen te worden in de aard en de geest van het instituut, in zijn doelstelling en levensordening, zijn geschiedenis en leven, en doordrongen te worden van liefde voor de Kerk en haar gewijde Herders.
§ 3 De novicen dienen, zich hun eigen verantwoordelijkheid bewust, zo met de novicenmeester actief mee te werken dat zij getrouw beantwoorden aan de genade van de goddelijke roeping.
§ 4 De leden van het instituut dienen er zorg voor te dragen dat zij aan de vorming van de novicen voor hun aandeel meewerken door hun voorbeeld van leven en door hun gebed
§ 5 De tijd van het noviciaat, waarover in can. 648, § 1, dient werkelijk aan de vorming besteed te worden, en daarom mogen de novicen zich niet bezighouden met studies en taken die niet rechtstreeks tot deze vorming dienen.

Can. 653 - § 1 Een novice kan het instituut vrij verlaten; de bevoegde overheid van een instituut echter kan hem wegzenden.
§ 2 Na het beëindigen van het noviciaat dient de novice, indien hij geschikt geacht wordt, toegelaten te worden tot de tijdelijke professie, anders dient hij weggezonden te worden; als er nog twijfel bestaat over zijn geschiktheid, kan zijn proeftijd door de hogere Overste verlengd worden volgens het eigen recht, maar niet langer dan zes maanden.

Art. 3 - Religieuze professie 654-658

Can. 654 - In de religieuze professie nemen de leden door een publieke gelofte op zich de drie evangelische raden te onderhouden, worden zij door de bediening van de Kerk aan God toegewijd en ingelijfd in het instituut met de rechten en plichten door het recht bepaald.

Can. 655 - De tijdelijke professie dient afgelegd te worden voor de tijd door het eigen recht bepaald, welke niet korter dan drie en niet langer dan zes jaar mag zijn.

Can. 656 - Voor de geldigheid van de tijdelijke professie wordt vereist dat:
1. degene die haar gaat afleggen, ten minste het achttiende levensjaar voltooid heeft;
2. het noviciaat geldig doorgemaakt is;
3. de toelating er is, door de bevoegde Overste met het oordeel van zijn raad volgens het recht in vrijheid gegeven;
4. ze uitdrukkelijk is en afgelegd zonder dwang, ernstige vrees of bedrog;
5. ze afgenomen wordt door de wettige Overste, persoonlijk of door een ander.

Can. 657 - § 1 Na het verstrijken van de tijd waarvoor de professie afgelegd is, dient de religieus die het uit eigen beweging vraagt en die geschikt geacht wordt, tot de hernieuwing van de professie of tot de professie voor het leven toegelaten te worden, anders dient hij weg te gaan.
§ 2 Indien het echter geschikt lijkt, kan de periode van de tijdelijke professie door de bevoegde Overste, volgens het eigen recht, verlengd worden, met dien verstande echter dat de gehele tijdsduur waarin het lid door tijdelijke geloften gebonden is, de negen jaar niet overschrijdt.
§ 3 De professie voor het leven kan om een goede reden vervroegd worden, maar niet meer dan drie maanden.

Can. 658 - Naast de voorwaarden waarover in can. 656, nrs.3,4 en 5, en andere toegevoegd door het eigen recht, is voor de geldigheid van de professie voor het leven vereist:
1. de voltooiing van ten minste het eenentwintigste levensjaar;
2. een voorafgaande tijdelijke professie van ten minste drie jaar, behoudens het voorschrift van can. 657, § 3.

Art. 4 - Vorming van de religieuzen 659-661

Can. 659 - § 1 In elk instituut dient na de eerste professie de vorming van alle leden vervolledigd te worden om het leven eigen aan het instituut meer volledig te leiden en zijn zending beter na te streven.
§ 2 Daarom moet het eigen recht de regeling van deze vorming en van haar duur vaststellen, gelet op de noden van de Kerk en de omstandigheden van mensen en tijden, zoals dit door de doelstelling en het karakter van het instituut vereist wordt.
§ 3 De vorming van de leden die zich voorbereiden op het ontvangen van de heilige wijdingen, wordt geregeld door het universeel recht en de eigen studieregeling van het instituut.

Can. 660 - § 1 De vorming dient systematisch te zijn, aangepast aan het bevattingsvermogen van de leden, geestelijk en apostolisch, tegelijk leerstellig en praktisch, met inbegrip van het behalen, als dit geschikt is, van passende graden, zowel kerkelijke als burgerlijke.
§ 2 Gedurende de tijd van deze vorming mogen aan de leden geen ambten en taken toevertrouwd worden, die mogelijk een belemmering daarvoor zijn.

Can. 661 - Gedurende heel hun leven dienen de religieuzen hun geestelijke, leerstellige en praktische vorming ijverig voort te zetten; de Oversten dienen hun echter hiertoe de hulpmiddelen en de tijd ter beschikking te stellen.

Hoofdstuk IV - Verplichtingen en rechten van de instituten en hun leden 662-672

Can. 662 - De religieuzen dienen het volgen van Christus, in het Evangelie voorgesteld en in de constituties van het eigen instituut uitgedrukt, als hoogste levensregel te beschouwen.

Can. 663 - § 1 De beschouwing van de goddelijke werkelijkheden en de voortdurende vereniging met God in het gebed dienen de eerste en belangrijkste plicht van alle religieuzen te zijn.
§ 2 De leden dienen naar vermogen dagelijks deel te nemen aan het eucharistisch Offer, het allerheiligste Lichaam van Christus te ontvangen en de Heer zelf, tegenwoordig in het Sacrament, te aanbidden.
§ 3 Zij dienen tijd vrij te maken voor de lezing van de heilige Schrift en voor het inwendig gebed, overeenkomstig de voorschriften van het eigen recht op waardige wijze de liturgie van de getijden te vieren, onverminderd de verplichting voor clerici, waarover in can. 276, § 2, nr.3, en andere oefeningen van vroomheid te verrichten.
§ 4 Zij dienen een bijzondere verering te betonen, ook door het bidden van de rozenkrans, voor de Maagd en Moeder Gods, voorbeeld en bescherming van elk gewijd leven.
§ 5 Zij dienen trouw de jaarlijkse perioden van gewijde afzondering in acht te nemen.

Can. 664 - De religieuzen dienen zich met ijver toe te leggen op de bekering van het hart tot God, ook dagelijks hun geweten te onderzoeken en dikwijls tot het boetesacrament te naderen.

Can. 665 - § 1 De religieuzen dienen in een eigen religieus huis te wonen, het gemeenschappelijk leven onderhoudend, en zij mogen dit niet verlaten tenzij met verlof van hun Overste. Als het echter gaat om een langdurige afwezigheid van het huis, kan de hogere Overste met de toestemming van zijn raad en om een goede reden aan een lid toestaan om buiten het huis van het instituut te verblijven, maar niet langer dan een jaar, tenzij omwille van de behandeling van een ziekte, om studieredenen of omwille van het uitoefenen van apostolaat namens het instituut.
§ 2 Het lid dat onwettig uit het religieus huis afwezig is met de bedoeling zich aan het gezag van de Oversten te onttrekken, dient met bezorgdheid door hen gezocht en geholpen te worden om terug te keren en in zijn roeping te volharden.

Can. 666 - Bij het gebruik van de sociale communicatiemiddelen dient de nodige onderscheiding in acht genomen te worden, en dient vermeden te worden wat schadelijk is voor de eigen roeping en gevaarlijk voor de kuisheid van een gewijd persoon..

Can. 667 - § 1 In alle huizen dient een clausuur, aangepast aan de aard en de zending van het instituut, onderhouden te worden overeenkomstig de bepalingen van het eigen recht, waarbij een bepaald gedeelte van het religieus huis steeds voor de leden alleen gereserveerd blijft.
§ 2 Een meer strikte clausuurordening moet onderhouden worden in kloosters gericht op het contemplatief leven.
§ 3 De kloosters van monialen die volledig op het contemplatief leven gericht zijn, moeten de pauselijke clausuur onderhouden, namelijk overeenkomstig de normen door de Apostolische Stoel gegeven. De overige kloosters van monialen dienen een clausuur te onderhouden die aangepast is aan de eigen aard en vastgelegd in de constituties.
§ 4 De diocesane Bisschop is bevoegd om een goede reden de clausuur van de kloosters van monialen, die in zijn bisdom gelegen zijn, binnen te gaan en toe te staan dat, om een ernstige reden en met instemming van de Overste, anderen binnen de clausuur toegelaten worden, en dat de monialen de clausuur verlaten voor de tijd die werkelijk nodig is.

Can. 668 - § 1 De leden dienen voor hun eerste professie van het beheer van hun goederen afstand te doen aan wie zij willen, en, tenzij de constituties anders bepalen, ook vrij een beschikking te treffen over het gebruik en het vruchtgebruik ervan. Een testament echter, dat ook geldig dient te zijn in het burgerlijk recht, dienen zij ten minste voor de professie voor het leven te maken.
§ 2 Om deze beschikkingen om een goede reden te veranderen en om wat voor handeling ook betreffende tijdelijke goederen te stellen, hebben zij verlof nodig van de bevoegde Overste volgens het eigen recht.
§ 3 Alles wat een religieus verwerft door eigen werkzaamheid of omwille van het instituut, verwerft hij voor het instituut. Hetgeen hem op welke wijze ook krachtens een uitkering, toelage of verzekering toekomt, wordt voor het instituut verkregen, tenzij door het eigen recht iets anders bepaald wordt.
§ 4 Wie krachtens het wezen van het instituut volledig afstand moet doen van zijn goederen, dient deze afstand, die vanaf de dag van het afleggen van de professie geldig zal zijn, voor de professie voor het leven te doen, op een wijze die, voor zover mogelijk, ook voor het burgerlijk recht geldig is. Hetzelfde dient te doen de geprofeste voor het leven die volgens het eigen recht met verlof van de algemene Overste geheel of gedeeltelijk afstand wil doen van zijn goederen.
§ 5 De geprofeste die krachtens het wezen van het instituut afstand gedaan heeft van zijn goederen, verliest de bekwaamheid om goederen te verwerven en te bezitten, en stelt derhalve handelingen in strijd met de gelofte van armoede ongeldig. Hetgeen hem ten deel valt nadat hij afstand gedaan heeft, vervalt aan het instituut volgens het eigen recht.

Can. 669 - § 1 Religieuzen dienen de kleding van het instituut te dragen, vervaardigd volgens het eigen recht, als teken van hun toewijding en als getuigenis van armoede.
§ 2 Religieuzen-clerici van een instituut dat geen eigen kleding heeft, dienen de kleding van de clerici te dragen volgens can. 284.

Can. 670 - Het instituut moet aan de leden alles verschaffen wat volgens de constituties nodig is om het doel van hun roeping te bereiken.

Can. 671 - Een religieus mag geen taken of ambten buiten het eigen instituut op zich nemen zonder verlof van de wettige Overste.

Can. 672 - Religieuzen zijn gebonden aan de voorschriften van de canones 277, 285, 286, 287 en 289, en religieuzen-clerici bovendien aan de voorschriften van can. 279, § 2; in laïcale instituten van pauselijk recht kan het verlof waarover in can. 285, § 4, verleend worden door de eigen hogere Overste.

Hoofdstuk V - Apostolaat van de instituten 673-683

Can. 673 - Het apostolaat van alle religieuzen bestaat allereerst in het getuigenis van hun gewijd leven, dat zij door gebed en boete dienen te voeden.

Can. 674 - Instituten die volledig op de beschouwing gericht zijn, nemen in het mystiek Lichaam van Christus steeds een uitgelezen plaats in: zij brengen God immers een voortreffelijk offer van lof, met zeer overvloedige vruchten van heiligheid tooien zij het volk Gods, bezielen het door hun voorbeeld en dragen zij bij tot zijn uitbreiding door een geheimnisvolle, apostolische vruchtbaarheid. Daarom kunnen de leden van deze instituten, hoezeer de nood aan actief apostolaat ook dringt, niet opgeroepen worden om in de verschillende pastorale diensten hulp te bieden.

Can. 675 - § 1 In instituten aan werken van apostolaat gewijd, behoort de apostolische activiteit tot hun wezen zelf. Daarom dient het gehele leven van de leden doortrokken te zijn van een apostolische geest en dient de gehele apostolische activiteit een religieuze geest te ademen.
§ 2 De apostolische activiteit dient altijd voort te komen uit een innige vereniging met God en dient deze te bevestigen en te bevorderen.
§ 3 De apostolische activiteit, uit te oefenen in naam en in opdracht van de Kerk, dient steeds in gemeenschap met haar verricht te worden.

Can. 676 - Laïcale instituten, zowel van mannen als van vrouwen, hebben door hun geestelijke en lichamelijke werken van barmhartigheid deel aan de pastorale taak van de Kerk en verlenen aan de mensen de meest uiteenlopende diensten; daarom dienen zij in de genade van hun roeping getrouw te volharden.

Can. 677 - § 1 De Oversten en de leden dienen de zending en de werken eigen aan het instituut getrouw te behouden; maar, lettend op de noden van tijd en plaats, dienen zij die naar wijs oordeel aan te passen, ook met gebruikmaking van nieuwe en geschikte middelen.
§ 2 De instituten dienen echter, als zij met hen verbonden verenigingen van christengelovigen hebben, deze met bijzondere zorg bij te staan, opdat zij vervuld worden van de echte geest van hun familie.

Can. 678 - § 1 De religieuzen staan onder het gezag van de Bisschoppen, tegenover wie ze gehouden zijn toegewijde volgzaamheid en eerbied te betonen, in datgene wat betrekking heeft op de zielzorg, de uitoefening van de openbare eredienst en andere werken van apostolaat.
§ 2 Bij het uitoefenen van het apostolaat naar buiten staan de religieuzen tevens onder het gezag van hun eigen Oversten en moeten zij trouw blijven aan de levensordening van het instituut; de Bisschoppen zelf mogen niet nalaten, als het geval zich voordoet, deze verplichting te urgeren.
§ 3 Bij het regelen van het apostolaatswerk van de religieuzen moeten de diocesane Bisschoppen en de religieuze Oversten in gezamenlijk overleg handelen.

Can. 679 - De diocesane Bisschop kan om een dringende, zeer ernstige reden aan een lid van een religieus instituut het verblijf in het bisdom verbieden, als zijn hogere Overste, na gewaarschuwd te zijn, nagelaten heeft voorzieningen te treffen; de aangelegenheid moet evenwel onmiddellijk aan de Heilige Stoel doorgegeven worden.

Can. 680 - Tussen de verschillende instituten, en ook tussen deze en de seculiere clerus, dient een geordende samenwerking bevorderd te worden alsook, onder leiding van de diocesane Bisschop, de coördinatie van alle apostolische werken en activiteiten, met behoud van de aard en de doelstelling van elk instituut en van de stichtingsbepalingen.

Can. 681 - § 1 De werken die door de diocesane Bisschop aan religieuzen toevertrouwd worden, staan onder het gezag en de leiding van deze Bisschop, onverminderd het recht van de religieuze Oversten volgens can. 678, §§2 en 3.
§ 2 In deze gevallen dient een schriftelijke overeenkomst aangegaan te worden tussen de diocesane Bisschop en de bevoegde Overste van het instituut, waarin onder andere uitdrukkelijk en nauwkeurig vastgelegd wordt wat betrekking heeft op het te verrichten werk, de hieraan te verbinden leden en de economische aangelegenheden.

Can. 682 - § 1 In geval van verlening van een kerkelijk ambt in een bisdom aan een religieus, wordt de religieus benoemd door de diocesane Bisschop, op voordracht of althans met instemming van de bevoegde Overste.
§ 2 De religieus kan uit een hem verleend ambt verwijderd worden bij vrije beslissing hetzij van de overheid die het verleent, na kennisgeving aan de religieuze Overste, hetzij van de Overste, na kennisgeving aan die overheid, zonder dat de een toestemming van de ander behoeft.

Can. 683 - § 1 De diocesane Bisschop kan aan religieuzen toevertrouwde kerken en kapellen die gewoonlijk door christengelovigen bezocht worden, scholen en andere godsdienstige of liefdewerken hetzij van geestelijke hetzij van tijdelijke aard visiteren, hetzij persoonlijk hetzij door een ander, tijdens de pastorale visitatie en ook in geval van noodzaak; maar geen scholen die uitsluitend toegankelijk zijn voor de eigen leerlingen van het instituut.
§ 2 Als hij mogelijk misbruiken aantreft, kan hij, na de religieuze Overste vergeefs gewaarschuwd te hebben, persoonlijk op eigen gezag maatregelen treffen.

Hoofdstuk VI - Beëindiging van de band tussen leden en instituut 684-704

Art. 1 - Overgang naar een ander instituut 684-685

Can. 684 - § 1 Een lid met geloften voor het leven kan niet van zijn eigen religieus instituut
naar een ander overgaan, tenzij met toelating van de hoogste Bestuurder van elk van beide instituten en met toestemming van hun beider raad.
§ 2 Het lid kan in het nieuwe instituut toegelaten worden tot de professie voor het leven, nadat hij een proeftijd doorgemaakt heeft die ten minste drie jaar moet duren. Als het lid niet tot deze professie toegelaten wordt, dient hij terug te keren naar het vorige instituut, tenzij hij een secularisatie-indult verkregen heeft.
§ 3 Om van een rechtens zelfstandig klooster naar een ander van hetzelfde instituut of federatie of confederatie te kunnen overgaan, is voor de religieus vereist en voldoende de toestemming van de hogere Overste van elk van beide kloosters en van het kapittel van het klooster dat hem opneemt, behoudens andere vereisten door het eigen recht vastgesteld; een nieuwe professie in niet vereist.
§ 4 Het eigen recht dient de duur en de wijze van de proeftijd te bepalen, die aan de professie van het lid in het nieuwe instituut moet voorafgaan.
§ 5 Voor de overgang naar een seculier instituut of naar een sociëteit van apostolisch leven of van dezen naar een religieus instituut, is verlof vereist van de Heilige Stoel, waarbij men zich moet houden aan wat deze bepaalt.

Can. 685 - § 1 Tot aan het afleggen van de professie in het nieuwe instituut worden, met behoud van de geloften, de rechten en verplichtingen die het lid in het vorige instituut had, opgeschort; vanaf het begin echter van de proeftijd is het lid verplicht de voorschriften van het eigen recht van het nieuwe instituut te onderhouden.
§ 2 Door de professie in het nieuwe instituut wordt het lid hierin ingelijfd, waarbij de voorafgaande beloften, rechten en verplichtingen ophouden te bestaan.

Art. 2 - Uittreding uit het instituut 686-693

Can. 686 - § 1 De hoogste Bestuurder kan, met toestemming van zijn raad, aan een lid met geloften voor het leven om een ernstige reden een exclaustratie-indult verlenen, maar niet voor langer dan drie jaar, en na vooraf verkregen toestemming van de Ordinaris van de plaats waar het lid verblijven moet, als het over een clericus gaat. Het verlengen van het indult of het verlenen ervan voor langer dan drie jaar is voorbehouden aan de Heilige Stoel of, als het gaat over instituten van diocesaan recht, aan de diocesane Bisschop.
§ 2 Een exclaustratie-indult voor monialen verlenen, komt alleen toe aan de Apostolische Stoel.
§ 3 Op verzoek van de hoogste Bestuurder en met toestemming van zijn raad kan door de Heilige Stoel exclaustratie opgelegd worden aan een lid van een instituut van pauselijk recht, of door de diocesane Bisschop aan een lid van een instituut van diocesaan recht, om ernstige redenen en met inachtneming van de billijkheid en de liefde.

Can. 687 - Het geëxclaustreerde lid geldt als ontslagen van de verplichtingen die met zijn nieuwe levenssituatie niet te verenigen zijn; hij blijft evenwel onder het gezag en de zorg van zijn Oversten en ook van de plaatselijke Ordinaris, vooral als het over een clericus gaat. Hij kan de kleding van het instituut dragen, tenzij in het indult iets anders bepaald wordt. Hij heeft echter actief noch passief stemrecht.

Can. 688 - § 1 Wie na het verstrijken van de tijd van de professie uit het instituut wil treden, kan het verlaten.
§ 2 Wie tijdens de tijdelijke professie om een ernstige reden vraagt het instituut te verlaten, kan in een instituut van pauselijk recht het indult om uit te treden verkrijgen van de hoogste Bestuurder met toestemming van zijn raad; in instituten van diocesaan recht en in kloosters waarover in can. 615, moet het indult, om geldig te zijn, bevestigd worden door de Bisschop van het huis waartoe het lid behoort.

Can. 689 - § 1 Een lid kan na verstrijken van de tijd van de tijdelijke professie, als er goede redenen aanwezig zijn, door de bevoegde hogere Overste, nadat deze zijn raad gehoord heeft, van het afleggen van een volgende professie uitgesloten worden.
§ 2 Een lichamelijke of geestelijke ziekte, ook als ze na de professie opgelopen is, die naar het oordeel van deskundigen het lid waarover in § 1, ongeschikt maakt voor het leven in het instituut, vormt een reden om het lid niet toe te laten tot de hernieuwing van de professie of tot het afleggen van de professie voor het leven, tenzij de ziekte opgelopen is door nalatigheid van het instituut of door werk in het instituut verricht.
§ 3 Als echter een religieus gedurende zijn tijdelijke geloften geestesziek geworden is, kan hij, ofschoon hij geen nieuwe professie kan afleggen, toch niet uit het instituut weggezonden worden.

Can. 690 - § 1 Wie na beëindiging van het noviciaat of na de professie op wettige wijze uit het instituut getreden is, kan door de hoogste Bestuurder met toestemming van zijn raad opnieuw toegelaten worden, zonder de verplichting het noviciaat opnieuw door te maken; het zal echter de taak van deze Overste zijn een passende proeftijd te bepalen voor de tijdelijke professie, alsmede de tijd van de geloften die aan het afleggen van de professie voor het leven vooraf moet gaan, volgens de canones 655 en 657.
§ 2 Dezelfde bevoegdheid heeft de Overste van een rechtens zelfstandig klooster met toestemming van zijn raad.

Can. 691 - § 1 De geprofeste met geloften voor het leven mag het indult om uit het instituut te treden niet vragen, tenzij om zeer ernstige redenen die hij voor de Heer overwogen heeft; hij dient zijn verzoek te richten aan de hoogste Bestuurder van het instituut, die dit samen met zijn eigen oordeel en dat van zijn raad aan de bevoegde overheid dient over te brengen.
§ 2 Dit indult is in instituten van pauselijk recht voorbehouden aan de Apostolische Stoel, maar in instituten van diocesaan recht kan dit ook verlenen de Bisschop van het bisdom waarin het huis gelegen is waartoe het lid behoort.

Can. 692 - Het indult om uit te treden, wettig verleend en aan het lid betekend, brengt, tenzij het door het lid zelf bij de akt van betekening afgewezen is, van rechtswege dispensatie van de geloften met zich mee alsook van alle verplichtingen voortgekomen uit de professie.

Can. 693 - Als het lid clericus is, wordt het indult niet verleend voordat hij een Bisschop gevonden heeft die hem in zijn bisdom incardineert of ten minste bij wijze van proef opneemt. Als hij bij wijze van proef wordt opgenomen, wordt hij na vijf jaar van rechtswege in het bisdom geïncardineerd, tenzij de Bisschop hem afgewezen heeft.

Art. 3 - Wegzending van leden 694-704

Can. 694 - § 1 Als door het feit zelf uit het instituut weggezonden moet beschouwd worden een lid dat:
1. op publiek gekende wijze van het katholiek geloof afgevallen is;
2. een huwelijk gesloten heeft of dit, ook louter burgerlijk, gewaagd heeft.
§ 2 In deze gevallen dient de hogere Overste met zijn raad zonder enig uitstel, nadat het bewijsmateriaal bijeen gebracht is, een vaststelling van het feit uit te vaardigen, opdat de wegzending juridisch vaststaat.

Can. 695 - § 1 Een lid moet weggezonden worden wegens de misdrijven waarover in de canones 1397, 1398 en 1395, tenzij de Overste bij de misdrijven waarover in can. 1395, § 2, van oordeel is dat wegzending niet volstrekt noodzakelijk is en dat voor de verbetering van het lid en voor het herstel van de rechtvaardigheid en het wegnemen van ergernis op andere wijze voldoende gezorgd kan worden.
§ 2 In deze gevallen dient de hogere Overste, nadat de bewijzen betreffende de feiten en de toerekenbaarheid bijeengebracht zijn, aan het weg te zenden lid de beschuldiging te betekenen, waarbij hem de mogelijkheid gegeven wordt zich te verdedigen. Alle akten, door de hogere Overste en een notarius ondertekend, dienen tegelijk met de antwoorden van het lid, op schrift gesteld en door het lid zelf ondertekend, aan de hoogste Bestuurder overgemaakt te worden.

Can. 696 - § 1 Een lid kan ook wegens andere gronden weggezonden worden, mits deze ernstig zijn, uitwendig, aanrekenbaar en juridisch bewezen, zoals: een voortdurende verwaarlozing van de verplichtingen van het gewijd leven; herhaalde schendingen van de gewijde banden; hardnekkige ongehoorzaamheid aan wettige voorschriften van de Oversten in ernstige aangelegenheden; zware ergernis ontstaan uit een schuldige handelwijze van het lid; hardnekkig vasthouden aan of verspreiden van doctrines die door het leergezag van de Kerk veroordeeld zijn; publiek aanhangen van ideologieën die aangetast zijn door materialisme of atheïsme; onwettige afwezigheid waarover in can. 665, § 2 gedurende een half jaar; andere gronden van gelijke zwaarte mogelijk in het eigen recht van het instituut bepaald.
§ 2 Voor de wegzending van een lid met tijdelijke geloften volstaan ook gronden van minder ernstige aard, in het eigen recht vastgesteld.

Can. 697 - In de gevallen waarover in can. 696, dient de hogere Overste, na het horen van zijn raad, als hij van oordeel is een wegzendingsproces te moeten beginnen, het volgende te doen:
1. hij dient de bewijzen te verzamelen of te vervolledigen;
2. hij dient het lid schriftelijk of in aanwezigheid van twee getuigen te waarschuwen met de expliciete dreiging dat wegzending zal volgen als hij niet tot inkeer komt, waarbij hij duidelijk de reden van wegzending aangeeft en het lid ten volle de mogelijkheid biedt zich te verdedigen; als deze waarschuwing tevergeefs is, dient hij, na een tussentijd van ten minste vijftien dagen, tot een tweede waarschuwing over te gaan;
3. als ook deze waarschuwing tevergeefs geweest is en de hogere Overste met zijn raad van oordeel is dat de onverbeterlijkheid van het lid voldoende vaststaat en dat zijn verdediging ontoereikend is, dient hij, nadat vijftien dagen sinds de laatste waarschuwing vruchteloos verstreken zijn, alle akten, door hem zelf en door een notarius ondertekend, samen met de antwoorden van het lid, door het lid zelf ondertekend, aan de hoogste Bestuurder over te maken.

Can. 698 - In alle gevallen waarover in de canones 695 en 696, blijft steeds onverminderd het recht van het lid om in contact te treden met de hoogste Bestuurder en zijn verdediging rechtstreeks aan hem voor te leggen.

Can. 699 - § 1 De hoogste Bestuurder dient met zijn raad, die voor de geldigheid uit ten minste vier leden moet bestaan, als college te werk te gaan om de bewijzen, de argumenten en de verdediging nauwkeurig af te wegen en, indien daartoe bij geheime stemming beslist is, het wegzendingsdecreet uit te vaardigen, waarin voor de geldigheid ten minste summier de motieven in rechte en in feite aangegeven moeten zijn.
§ 2 In de rechtens zelfstandige kloosters waarover in can. 615, komt de beslissing over wegzending toe aan de diocesane Bisschop, aan wie de Overste de akten, nadat die door zijn raad nauwkeurig beoordeeld zijn, dient voor te leggen.

Can. 700 - Het wegzendingsdecreet heeft geen rechtskracht tenzij het bekrachtigd is door de Heilige Stoel, aan wie het decreet en alle akten overgemaakt moeten worden; als het gaat over een instituut van diocesaan recht, komt de bekrachtiging toe aan de Bisschop van het bisdom waar het huis gelegen is waartoe de religieus behoort. Het decreet moet echter, om geldig te zijn, het recht vermelden dat de weggezondene heeft, om binnen tien dagen na ontvangst van de kennisgeving in beroep te gaan bij de bevoegde overheid. Het beroep heeft opschortende werking.

Can. 701 - Met de wettige wegzending houden door het feit zelf de geloften op te bestaan alsook de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit de professie. Als het lid echter clericus is, kan hij de heilige wijdingen niet uitoefenen, totdat hij een Bisschop gevonden heeft die hem na een passende proeftijd in het bisdom overeenkomstig can. 693 opneemt, of hem ten minste de uitoefening van de heilige wijdingen toestaat.

Can. 702 - § 1 Zij die wettig uit een religieus instituut treden of er wettig uit weggezonden zijn, kunnen niets terugvorderen voor welk werk ook daarin verricht.
§ 2 Het instituut dient echter jegens het lid met wie de band beëindigd wordt, de billijkheid en de evangelische liefde in acht te nemen.

Can. 703 - In geval van zware ergernis naar buiten of van zeer ernstig nadeel dat voor het instituut dreigt, kan het lid onmiddellijk door de hogere Overste, of, als uitstel gevaarlijk is, door de plaatselijke Overste met toestemming van zijn raad uit het religieus huis verwijderd worden. De hogere Overste dient, als het nodig is, ervoor te zorgen dat de wegzendingsprocedure volgens het recht in gang gezet wordt, of de zaak aan de Apostolische Stoel voor te leggen.

Can. 704 - Van leden wier band met het instituut op enigerlei wijze beëindigd is, dient melding gemaakt te worden in het rapport waarover in can. 592, § 1, dat aan de Apostolische Stoel toegezonden moet worden.

Hoofdstuk VII - Religieuzen tot het episcopaat verheven 705-707

Can. 705 - De religieus die tot het episcopaat verheven is, blijft lid van zijn instituut, maar krachtens de gelofte van gehoorzaamheid is hij alleen onderworpen aan de Paus en is hij niet gebonden aan verplichtingen die naar eigen wijs oordeel niet met zijn positie te verenigen zijn.

Can. 706 - De bovengenoemde religieus:
1. heeft, wanneer hij door zijn professie het eigendomsrecht van goederen verloren heeft, het gebruik, vruchtgebruik en beheer van de goederen die hem ten deel vallen; maar de eigendom verwerven een diocesane Bisschop en de anderen over wie in can. 381, § 2, voor de particuliere Kerk; de overigen voor het instituut of voor de Heilige Stoel, naar gelang het instituut bekwaam is goederen te bezitten of niet;
2. herkrijgt, wanneer hij door zijn professie het eigendomsrecht van goederen niet verloren heeft, het gebruik, vruchtgebruik en beheer van de goederen die hij had; wat hem daarna ten deel valt, verwerft hij ten volle voor zichzelf;
3. moet echter in beide gevallen over de goederen die hem niet omwille van zijn persoon ten deel vallen, beschikken overeenkomstig de wil van de schenkers.

Can. 707 - § 1 De religieus die emeritus Bisschop is, kan zich een woonplaats kiezen ook buiten de huizen van zijn instituut, tenzij door de Apostolische Stoel iets anders voorzien is.
§ 2 Wat betreft zijn passend en waardig onderhoud dient, als hij in dienst van een bisdom geweest is, can. 402, § 2 in acht genomen te worden, tenzij het eigen instituut in dat onderhoud heeft willen voorzien; anders dient de Apostolische Stoel op een andere wijze erin te voorzien.

Hoofdstuk VIII - Conferenties van hogere Oversten 708-709

Can. 708 - Het kan nuttig zijn dat de hogere Oversten zich verenigen in conferenties of raden om zich met vereende krachten in te zetten hetzij om het doel van de afzonderlijke instituten vollediger te bereiken, altijd met behoud van hun autonomie, hun aard en eigen geest, hetzij om gemeenschappelijke aangelegenheden te behandelen, hetzij om een passende coördinatie en samenwerking met de bisschoppenconferenties alsook met de afzonderlijke Bisschoppen tot stand te brengen.

Can. 709 - De conferenties van hogere Oversten dienen hun eigen statuten te hebben, goedgekeurd door de Heilige Stoel; door hem alleen kunnen zij opgericht worden, ook als rechtspersoon, en zij blijven onder zijn hoogste leiding.

Boek II Deel III Afdeling I Titel III – Seculiere instituten 710-730

Can. 710 - Een seculier instituut is een instituut van gewijd leven waarin christengelovigen, levend in de wereld, naar volmaaktheid in de liefde streven en zich erop toeleggen tot de heiliging van de wereld vooral van binnenuit bij te dragen.

Can. 711 - Een lid van een seculier instituut brengt krachtens zijn toewijding in de eigen canonieke positie in het volk Gods, hetzij laïcale hetzij clericale, geen wijziging, met inachtneming van de rechtsvoorschriften betreffende de instituten van gewijd leven.

Can. 712 - Onverminderd de voorschriften van de canones 598-601, dienen de constituties de gewijde banden vast te stellen waarmee men de evangelische raden in het instituut op zich neemt, en de verplichtingen te bepalen die deze banden met zich meebrengen, maar steeds met inachtneming van het eigen seculier karakter van het instituut in de wijze van leven.

Can. 713 - § 1 De leden van de instituten brengen de eigen toewijding tot uitdrukking en in praktijk in een apostolische activiteit en zij beijveren zich alles met de geest van het Evangelie als een zuurdeeg te doordringen tot kracht en groei van het Lichaam van Christus.
§ 2 De leken-leden nemen in en vanuit de wereld deel aan de evangeliseringsopdracht van de Kerk, hetzij door het getuigenis van hun christelijk leven en van hun trouw aan hun toewijding, hetzij door de hulp die zij verschaffen tot de ordening van het tijdelijke volgens Gods bedoeling en tot de bezieling van de wereld met de kracht van het Evangelie. Ook bieden zij, volgens de eigen seculiere aard van hun leven, hun medewerking ten dienste van de kerkelijke gemeenschap aan.
§ 3 De clerici-leden staan door het getuigenis van hun gewijd leven, vooral in het priesterschap, hun medebroeders terzijde met een bijzondere apostolische liefde, en bewerken in het volk Gods door hun heilig dienstwerk de heiliging van de wereld.

Can. 714 - De leden dienen hun leven in een gewone wereldlijke situatie te leiden, of alleen, of ieder in zijn familie, of in een groep van broederlijk leven, volgens de constituties.

Can. 715 - § 1 De clerici-leden die in een bisdom geïncardineerd zijn, zijn afhankelijk van de diocesane Bisschop, behoudens hetgeen betrekking heeft op het gewijd leven in het eigen instituut.
§ 2 Degenen echter die volgens can. 266, § 3 in het instituut geïncardineerd worden, zijn, als zij bestemd worden voor de eigen werken van het instituut of voor het bestuur van het instituut, van de bisschop afhankelijk op de wijze van de religieuzen.

Can. 716 - § 1 Alle leden dienen volgens het eigen recht actief deel te nemen aan het leven van het instituut.
§ 2 De leden van eenzelfde instituut dienen onder elkaar de band van gemeenschap te bewaren, daarbij grote zorg bestedend aan de eenheid van geest en de echte broederlijkheid.

Can. 717 - § 1 De constituties dienen de eigen wijze van bestuur voor te schrijven, de tijd te bepalen gedurende welke de Bestuurders hun ambt bekleden en de wijze waarop dezen aangewezen worden.
§ 2 Niemand mag tot hoogste Bestuurder aangewezen worden die niet definitief ingelijfd is.
§ 3 Degenen die met het bestuur van het instituut belast zijn, dienen er zorg voor te dragen dat de eenheid van geest van het instituut bewaard blijft en een actieve deelname van de leden bevorderd wordt.

Can. 718 - Het beheer van de goederen van het instituut, dat de evangelische armoede tot uitdrukking moet brengen en bevorderen, valt onder de normen van Boek V Tijdelijke goederen van de Kerk alsook onder het eigen recht van het instituut. Eveneens dient het eigen recht vooral de economische verplichtingen van het instituut te bepalen tegenover de leden, die zich voor het instituut inzetten.

Can. 719 - § 1 De leden dienen, om trouw te beantwoorden aan hun roeping en opdat hun apostolisch werk voortkomt uit de vereniging zelf met Christus, met zorg tijd vrij te maken voor het gebed, zich op aangepaste wijze toe te leggen op het lezen van de heilige Schrift, de jaarlijkse perioden van afzondering in acht te nemen en andere geestelijke oefeningen overeenkomstig het eigen recht te verrichten.
§ 2 De viering van de Eucharistie, zo mogelijk dagelijks, dient de bron en de kracht te zijn van geheel hun gewijd leven.
§ 3 Zij moeten vrij kunnen naderen tot het boetesacrament, dat zij dikwijls behoren te ontvangen.
§ 4 De noodzakelijk leiding van het geweten moeten zij in vrijheid kunnen verkrijgen en, als zij dit wensen, raadgevingen van deze aard ook aan hun Bestuurders kunnen vragen.

Can. 720 - Het recht van toelating tot het instituut, of tot de proeftijd of tot het aangaan van een gewijde band, hetzij tijdelijk hetzij voor het leven of definitief, komt toe aan de hogere Bestuurders samen met hun raad volgens de constituties.

Can. 721 - § 1 Tot de aanvangsproeftijd wordt ongeldig toegelaten:
1. wie nog niet meerderjarig is;
2. wie nog door een gewijde band met een instituut van gewijd leven verbonden is, of in een sociëteit van apostolisch leven ingelijfd;
3. een gehuwde, gedurende het huwelijk.
§ 2 De constituties kunnen andere beletselen voor toelating vaststellen, ook voor de geldigheid, of voorwaarden toevoegen.
§ 3 Bovendien behoort iemand, om te worden toegelaten, de rijpheid te bezitten die nodig is om het eigen leven van het instituut goed te leiden.

Can. 722 - § 1 De aanvangsproeftijd dient erop gericht te zijn dat de kandidaten hun goddelijke roeping, en wel die welke eigen is aan het instituut, beter leren kennen en dat zij geoefend worden in de geest en de levenswijze van het instituut.
§ 2 Voor het leiden van een leven volgens de evangelische raden dienen de kandidaten op de voorgeschreven wijze opgeleid te worden, en onderricht te worden om dit leven volledig op het apostolaat te richten, met gebruikmaking van die vormen van evangelisering die het best beantwoorden aan het doel, de geest en de aard van het instituut.
§ 3 De wijze van deze proefperiode en de tijd ervan, voorafgaande aan het eerste aangaan van de gewijde banden en niet korter dan twee jaar, dienen in de constituties bepaald te worden.

Can. 723 - § 1 Na het verstrijken van de aanvangsproeftijd dient de kandidaat die geschikt geoordeeld wordt, de drie evangelische raden, bekrachtigd door een gewijde band, op zich te nemen of het instituut te verlaten.
§ 2 Deze eerste opname dient tijdelijk te zijn volgens de constituties, en niet voor minder dan vijf jaar.
§ 3 Na het verstrijken van deze periode van opname dient het lid dat geschikt geoordeeld wordt, te worden toegelaten tot de opname die voor het leven is of definitief is, namelijk door telkens te hernieuwen tijdelijke banden.
§ 4 De definitieve opname wordt met die voor het leven gelijkgesteld ten aanzien van bepaalde, in de constituties vast te stellen rechtsgevolgen.

Can. 724 - § 1 Nadat men de gewijde banden voor de eerste maal op zich genomen heeft, dient de vorming blijvend voortgezet te worden volgens de constituties.
§ 2 De leden dienen in de goddelijke en menselijke zaken met gelijke tred gevormd te worden; voor hun voortdurende geestelijke vorming evenwel dienen de Bestuurders van het instituut zorg te dragen.

Can. 725 - Een instituut kan door een of andere band, in de constituties bepaald, andere christengelovigen aan zich associëren, die naar de evangelische volmaaktheid volgens de geest van het instituut streven een aan zijn zending deelnemen.

Can. 726 - § 1 Na het verstrijken van de tijd van de tijdelijke opname kan het lid het instituut vrij verlaten of door de hogere Bestuurder, nadat deze zijn raad gehoord heeft, om een goede reden van het hernieuwen van de gewijde banden uitgesloten worden.
§ 2 Wanneer een lid dat tijdelijk ingelijfd is, uit eigen beweging erom vraagt, kan dit lid van de hoogste Bestuurder, met toestemming van diens raad, om een ernstige reden het indult verkrijgen om het instituut te verlaten.

Can. 727 - § 1 Wanneer een lid dat voor het leven ingelijfd is, het instituut wil verlaten, dient dit lid, na de zaak ernstig voor God overwogen te hebben, het indult om uit te treden via de hoogste Bestuurder aan de Apostolische Stoel te vragen, indien het instituut van pauselijk recht is; anders ook aan de diocesane Bisschop, naar gelang het in de constituties bepaald wordt.
§ 2 Als het gaat over een clericus die in het instituut geïncardineerd is, dient het voorschrift van can. 693 in acht genomen te worden.

Can. 728 - Nadat het indult tot uittreding wettig gegeven is, houden alle banden op te bestaan, alsook de rechten en verplichtingen die uit de opname voortvloeien.

Can. 729 - Een lid wordt uit het instituut weggezonden volgens de canones 694 en 695; daarenboven dienen de constituties de andere gronden tot wegzending te bepalen, mits zij verhoudingsgewijze ernstig zijn, uitwendig, aanrekenbaar en juridisch bewezen, en hierbij dient de procedure in acht genomen te worden die in de canones 697-700 vastgesteld is. Op de weggezondene is het voorschrift van can. 701 van toepassing.

Can. 730 - Voor het overgaan van een lid van een seculier instituut naar een ander seculier instituut dienen de voorschriften in acht genomen te worden van de canones 684, §§1,2,4 en 685; voor de overgang echter naar een instituut van gewijd leven of naar een sociëteit van apostolisch leven, of van dezen naar een seculier instituut, is verlof vereist van de Apostolische Stoel, waarbij men zich moet houden aan wat deze bepaalt.

Boek II Deel III Afdeling II Sociëteiten van apostolisch leven 731-746

Can. 731 - § 1 Bij de instituten van gewijd leven komen de sociëteiten van apostolisch leven, waarvan de leden zonder religieuze geloften het eigen apostolisch doel van de sociëteit nastreven en, een broederlijk leven in gemeenschap leidend, volgens hun eigen levenswijze door het onderhouden van de constituties naar volmaaktheid in de liefde te streven.
§ 2 Hieronder zijn sociëteiten waarin de leden, door een of andere band in de constituties bepaald, de evangelische raden op zich nemen.

Can. 732 - De bepalingen van de canones 578-597 en 606 zijn van toepassing op de sociëteiten van apostolisch leven, met behoud echter van de aard van elke sociëteit; op de sociëteiten evenwel waarover in can. 731, § 2, zijn ook de canones 598-602 van toepassing.

Can. 733 - § 1 Een huis wordt opgericht en een plaatselijke communiteit wordt gesticht door de bevoegde overheid van de sociëteit met voorafgaande schriftelijk gegeven toestemming van de diocesane Bisschop, die ook voor de opheffing ervan geraadpleegd moet worden.
§ 2 De toestemming tot oprichting van een huis brengt het recht met zich mee ten minste een kapel te hebben, waar de allerheiligste Eucharistie gevierd en bewaard wordt.

Can. 734 - Het bestuur van de sociëteit wordt door de constituties bepaald, met inachtneming, volgens het wezen van elke sociëteit, van de canones 617-633.

Can. 735 - § 1 De toelating, proeftijd, opname en opleiding van de leden worden door het eigen recht van elke sociëteit bepaald.
§ 2 Wat de toelating tot de sociëteit betreft, dienen de in de canones 642-645 gestelde voorwaarden in acht genomen te worden.
§ 3 Het eigen recht moet de regeling van de proeftijd en van de opleiding bepalen, aangepast aan het doel en de aard van de sociëteit, vooral in leerstellig, geestelijk en apostolisch opzicht, zodat de leden, door de goddelijke roeping te leren kennen, goed voorbereid worden op de zending en het leven van de sociëteit.

Can. 736 - § 1 In clericale sociëteiten worden de clerici in de sociëteit zelf geïncardineerd, tenzij de constituties anders bepalen.
§ 2 Met betrekking tot de studieregeling en het ontvangen van wijdingen dienen de normen voor de seculiere clerici in acht genomen te worden, onverminderd echter § 1.

Can. 737 - De opname brengt van de zijde van de leden de rechten en verplichtingen met zich mee die in de constituties bepaald zijn, van de zijde van de sociëteit evenwel de zorg om de leden te leiden tot het doel van de eigen roeping, volgens de constituties.

Can. 738 - § 1 Alle leden staan onder de eigen Bestuurders volgens de constituties in zaken die betrekking hebben op het interne leven en de levensordening van de sociëteit.
§ 2 Zij staan bovendien onder de diocesane Bisschop in zaken die de openbare eredienst, de zielzorg en andere werken van apostolaat betreffen, rekening houdend met de canones 679-683.
§ 3 De betrekkingen met de eigen Bisschop van een lid dat in een bisdom geïncardineerd is, worden door de constituties of door bijzondere overeenkomsten bepaald.

Can. 739 - Naast de verplichtingen waaraan de leden als zodanig volgens de constituties onderworpen zijn, zijn zij gebonden aan de gemeenschappelijke verplichtingen van de clerici, tenzij uit de aard van de zaak of uit de context iets anders vaststaat.

Can. 740 - De leden moeten wonen in een wettig opgericht huis of communiteit en het gemeenschappelijk leven in acht nemen, volgens het eigen recht, waarin namelijk ook de gevallen van afwezigheid uit huis of communiteit geregeld worden.

Can. 741 - § 1 De sociëteiten en, tenzij de constituties anders bepalen, hun leden en huizen zijn rechtspersonen en als zodanig bekwaam om tijdelijke goederen te verwerven, te bezitten, te beheren en te vervreemden, volgens de voorschriften van Boek V Tijdelijke goederen van de Kerk, van de canones 636, 638 en 639, alsook van het eigen recht.
§ 2 Ook de leden zijn bekwaam, volgens het eigen recht, tijdelijke goederen te verwerven, te bezitten, te beheren en erover te beschikken, maar al wat hun omwille van de sociëteit ten deel valt, wordt voor de sociëteit verworven.

Can. 742 - Het uittreden en het wegzenden van een lid dat nog niet definitief ingelijfd is, wordt in de constituties van elke sociëteit geregeld.

Can. 743 - Het indult om uit een sociëteit te treden, waarbij de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit de opname ophouden te bestaan, onverminderd het voorschrift van can. 693, kan een lid dat definitief ingelijfd is, verkrijgen van de hoogste Bestuurder met toestemming van diens raad, tenzij dit volgens de constituties aan de Heilige Stoel voorbehouden is.

Can. 744 - § 1 Het is ook aan de hoogste Bestuurder met toestemming van zijn raad op gelijke wijze voorbehouden een lid dat definitief ingelijfd is, verlof te geven om naar een andere sociëteit van apostolisch leven over te gaan, met tussentijdse opschorting van de rechten en verplichtingen in de eigen sociëteit, onverminderd echter het recht om terug te keren voor de definitieve opname in de nieuwe sociëteit.
§ 2 Voor de overgang naar een instituut van gewijd leven of van daaruit naar een sociëteit van apostolisch leven is verlof van de Heilige Stoel vereist, waarbij men zich moet houden aan wat deze bepaalt.

Can. 745 - De hoogste Bestuurder kan met toestemming van zijn raad een lid dat definitief ingelijfd is, het indult verlenen om buiten de sociëteit te leven, maar niet voor langer dan drie jaar, met opschorting van de rechten en verplichtingen die niet verenigbaar zijn met zijn nieuwe situatie; hij blijft echter onder de zorg van de Bestuurders. Wanneer het over een clericus gaat, is bovendien toestemming vereis van de Ordinaris van de plaats waar hij moet verblijven, onder wiens zorg hij ook staat en van wie hij afhankelijk blijft.

Can. 746 - Voor de wegzending van een lid dat definitief ingelijfd is, dienen de canones 694-704 in acht genomen te worden, toe te passen voor zover het kan.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 22/11/2009 - 18:50
Laatst aangepast op: vr, 15/01/2010 - 17:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.