-A +A

Wetboek van Canoniek Recht - 1983 Boek III-Verkondigingstaak 747-833

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Alternatieve naam: 
Codex Iuris Canonici III

Boek III-Verkondigingstaak 747-833

Boek III Verkondigingstaak van de kerk 747-833

Can. 747 - § 1 Christus de Heer heeft aan de Kerk het geloofsgoed toevertrouwd opdat zij, onder bijstand van de Heilige Geest, de geopenbaarde waarheid heilig zou bewaren, dieper onderzoeken en getrouw verkondigen en uitleggen. De Kerk heeft daarom krachtens haar wezen de plicht en het recht om aan alle volkeren het Evangelie te verkondigen, ook met gebruikmaking van de haar eigen sociale communicatiemiddelen en onafhankelijk van gelijk welke menselijke macht.
§ 2 Het komt de Kerk toe overal en altijd de morele beginselen, ook met betrekking tot de sociale ordening, voor te houden en een oordeel uit te spreken over welke menselijke aangelegenheid ook, voor zover de grondrechten van de menselijke persoon of het geestelijk heil van de mensen dit vereisen.

Can. 748 - § 1 Alle mensen hebben de plicht de waarheid te zoeken in wat God en zijn Kerk aangaat; krachtens goddelijke wet hebben zij de plicht en het recht deze, eenmaal gekend, te aanvaarden en dienovereenkomstig te leven.
§ 2 Niemand is het ooit toegestaan mensen tegen hun geweten in tot aanvaarding van het katholieke geloof te dwingen.

Can. 749 - § 1 Onfeilbaarheid in het leergezag geniet de Paus, wanneer hij, uit hoofde van zijn ambt als opperste Herder en Leraar van alle christengelovigen, wiens taak het is zijn broeders in het geloof te bevestigen, een leer inzake geloof of zeden bij definitieve act als bindend afkondigt.
§ 2 Onfeilbaarheid in het leergezag bezit ook het Bisschoppencollege, wanneer de Bisschoppen het leergezag uitoefenen in een Oecumenisch Concilie vergaderd en, als leraren en rechters in geloof en zeden, voor de gehele Kerk verklaren dat een leer inzake geloof of zeden definitief bindend is; of wanneer zij, over de wereld verspreid, de band van gemeenschap onder elkaar en met de opvolger van Petrus bewarend, samen met deze Paus van Rome zaken van geloof en zeden authentiek lerend, tot een eensgezinde uitspraak komen die definitief bindend is.
§ 3 Geen leer dient als onfeilbaar gedefinieerd beschouwd te worden, tenzij dit duidelijk vaststaat.

Can. 750 - § 1 Met goddelijk en katholiek geloof moet geloofd worden alles wat vervat is in het geschreven of overgeleverd woord van God, namelijk in het ene geloofsgoed dat aan de Kerk toevertrouwd is en dat tegelijk als van Godswege geopenbaard voorgehouden wordt, hetzij door het plechtig leergezag van de Kerk hetzij door het gewoon en universeel leergezag, dat zeker ook door het gemeenschappelijk aanvaarden van de christengelovigen onder leiding van het heilig leergezag tot uiting gebracht wordt; derhalve zijn allen verplicht welke leerstellingen dan ook te mijden die hiermee in strijd zijn.
(§ 2 Ook moet vast aanvaard en gehouden worden alle leerstellingen die afzonderlijk en tezamen met betrekking tot een leer over geloof of zeden door het leergezag van de Kerk definitief worden voorgehouden, welke namelijk vereist zijn om dit geloofsgoed heilig te bewaren en getrouw uit te leggen; daarom is met de leer van de Kerk in strijd wie deze definitief te houden uitspraken afwijst.) (voorlopige vertaling)

Can. 751 - Ketterij wordt genoemd het, na het ontvangen van het doopsel, hardnekkig ontkennen of in twijfel trekken van een of andere waarheid die met goddelijk en katholiek geloof geloofd moet worden; apostatie het volkomen afwijzen van het christelijk geloof; schisma het zich onttrekken aan het gezag van de Paus of aan de gemeenschap met de onder zijn gezag staande kerkleden.

Can. 752 - Weliswaar geen geloofsinstemming maar wel een religieuze volgzaamheid van verstand en wil moeten betracht worden ten overstaan van een leer die hetzij de Paus hetzij het Bisschoppencollege inzake geloof of zeden naar voren brengen, wanneer zij hun authentiek leergezag uitoefenen, ook al hebben zij niet de bedoeling deze bij definitieve act af te kondigen; bijgevolg dienen christengelovigen ervoor te zorgen om te mijden wat met deze leer niet strookt.

Can. 753 - De Bisschoppen die in gemeenschap zijn met het hoofd en de leden van hun College, zijn hetzij ieder afzonderlijk hetzij gezamenlijk in bisschoppenconferenties of particuliere concilies, ook al bezitten zij niet de onfeilbaarheid in hun onderricht, de authentieke leraren en meesters van het geloof voor de aan hun zorg toevertrouwde christengelovigen; de christengelovigen dienen dit authentiek leergezag van hun Bisschoppen met religieuze volgzaamheid te aanvaarden.

Can. 754 - Alle christengelovigen zijn verplicht de constituties en decreten op te volgen, welke de wettige overheid van de Kerk, in het bijzonder de Paus of het Bisschoppencollege, uitvaardigt om een leer voor te houden en dwalingen af te wijzen.

Can. 755 - § 1 Het komt in de eerste plaats toe aan het gehele Bisschoppencollege en aan de Apostolische Stoel om de oecumenische beweging bij de katholieken ter harte te nemen en te leiden, waarvan het doel het herstel is van de eenheid onder alle christenen, die de Kerk krachtens de wil van Christus verplicht is te bevorderen.
§ 2 Eveneens komt het toe aan de Bisschoppen en, volgens het recht, aan de bisschoppenconferenties om deze eenheid te bevorderen en, naar gelang van de verschillende noden of gelegenheden, praktische normen te geven, rekening houdend met de voorschriften die door het hoogste gezag van de Kerk uitgevaardigd zijn.

Boek III Titel I Bediening van het Woord Gods 756-780

Can. 756 - § 1 De taak om ten overstaan van de gehele Kerk het Evangelie te verkondigen is allereerst toevertrouwd aan de Paus en het Bisschoppencollege.
§ 2 Ten overstaan van de hun toevertrouwde particuliere Kerk oefenen de afzonderlijke Bisschoppen die taak uit, die hierin immers de leiding hebben van de gehele bediening van het Woord; soms echter vervullen enige Bisschoppen gezamenlijk die taak ten overstaan van verschillende Kerken samen, volgens het recht.

Can. 757 - Het behoort tot de eigen taak van de priesters, die immers de medewerkers van de Bisschoppen zijn, het Evangelie van God te verkondigen; tot deze plicht zijn vooral gehouden, ten overstaan van het volk dat hun toevertrouwd is, de pastoors en anderen aan wie de zielzorg toevertrouwd wordt; ook aan de diakens komt het toe om het volk Gods ten dienste te staan in de bediening van het woord, in gemeenschap met de Bisschop en zijn presbyterium.

Can. 758 - De leden van de instituten van gewijd leven leggen, krachtens hun eigen toewijding aan God, op bijzondere wijze getuigenis af van het Evangelie; zij worden door de Bisschop gevoeglijk betrokken om te helpen bij de verkondiging van het Evangelie.

Can. 759 - Christengelovigen-leken zijn, krachtens hun doopsel en vormsel, getuigen van de evangelische boodschap door hun woord en hun voorbeeld van christelijk leven; zij kunnen ook geroepen worden om in de uitoefening van de bediening van het woord met de Bisschop en de priesters samen te werken.

Can. 760 - In de bediening van het woord, die moet steunen op de Heilige Schrift, de traditie, de liturgie, het leergezag en het leven van de Kerk, moet het mysterie van Christus volledig en getrouw voorgehouden worden.

Can. 761 - Om de christelijke leer te verkondigen moeten de verschillende middelen gebruikt worden die voorhanden zijn tot verkondiging van de christelijke leer, vooral de prediking en het catechetisch onderricht, die immers altijd op de eerste plaats komen, maar ook het voorhouden van de leer in scholen, academies, conferenties en bijeenkomsten van allerlei aard, alsook haar verspreiding door publieke verklaringen door de wettige overheid bij gelegenheid van bepaalde gebeurtenissen via de pers en andere sociale communicatiemiddelen.

Hoofdstuk I - Prediking van het woord Gods 762-772

Can. 762 - Daar het volk Gods allereerst verzameld wordt door het woord van de levende God, dat men met het volste recht mag eisen uit de mond van de priesters, dienen de gewijde bedienaren, tot wier voornaamste plichten het behoort om allen het Evangelie van God te verkondigen, aan de taak van de prediking groot belang te hechten.

Can. 763 - Bisschoppen hebben het recht om overal, ook in kerken en kapellen van religieuze instituten van pauselijk recht, het woord Gods te prediken, tenzij de plaatselijke Bisschop in bijzondere gevallen dit uitdrukkelijk geweigerd heeft.

Can. 764 - Behoudens het voorschrift van can. 765 hebben priesters en diakens de bevoegdheid om overal te prediken, met ten minste veronderstelde toestemming van de rector van de kerk, tenzij de bevoegde Ordinaris deze bevoegdheid beperkt of ontnomen heeft, of door de particuliere wet een uitdrukkelijk verlof geëist wordt.

Can. 765 - Om te preken voor religieuzen in hun kerken of kapellen is verlof vereist van de Overste die volgens de constituties bevoegd is.

Can. 766 - Om te preken in een kerk of kapel kunnen leken toegelaten worden, indien in bepaalde omstandigheden de noodzaak hiertoe aanwezig is of indien dit in bijzondere gevallen nuttig lijkt, volgens de voorschriften van de bisschoppenconferentie en behoudens can. 767, § 1.

Can. 767 - § 1 Een plaats bij uitstek onder de vormen van prediking bekleedt de homilie, die deel uitmaakt van de liturgie zelf en die aan de priester of diaken voorbehouden wordt; hierin dienen in de loop van het liturgisch jaar de geloofsmysteriën en de normen van christelijk leven vanuit de gewijde tekst uiteengezet te worden.
§ 2 In alle Missen op zondagen en verplichte feestdagen, die met deelname van het volk gevierd worden, moet een homilie gehouden worden; zij mag slechts om een ernstige reden weggelaten worden.
§ 3 Het wordt zeer aanbevolen dat, indien er voldoende deelname van het volk is, een homilie gehouden wordt ook in Missen die op weekdagen gevierd worden, vooral tijdens de advent en de veertigdagentijd of bij gelegenheid van een feest of van een rouwplechtigheid.
§ 4 Het is de taak van de pastoor of de rector van de kerk ervoor te zorgen dat deze voorschriften trouw onderhouden worden.

Can. 768 - § 1 Verkondigers van het goddelijk woord dienen de christengelovigen vooral voor te houden hetgeen zij moeten geloven en doen tot eer van God en tot heil van de mensen.
§ 2 Zij dienen de gelovigen ook de leer over te dragen die het leergezag van de Kerk voorhoudt ten aanzien van de waardigheid en de vrijheid van de menselijke persoon, de eenheid en duurzaamheid en de taken van het gezin, de plichten die de mensen hebben als leden van de maatschappij, alsook de ordening van de tijdelijke zaken overeenkomstig Gods plan.

Can. 769 - De christelijke leer moet voorgehouden worden op een wijze aangepast aan de situatie van de toehoorders en inspelend op de noden van de tijd.

Can. 770 - De pastoors moeten op bepaalde tijden volgens de voorschriften van de diocesane Bisschop die vormen van prediking organiseren, die retraites en heilige missies genoemd worden, of andere vormen die op noden inspelen.

Can. 771 - § 1 De zielzorgers, vooral de Bisschoppen en de pastoors, moeten er zorg voor dragen dat het woord van God ook aan die gelovigen verkondigd wordt, die omwille van hun levenssituatie de gemeenschappelijke en gewone herderlijke zorg niet voldoende genieten of deze volledig missen.
§ 2 Zij moeten er ook voor zorgen dat de boodschap van het Evangelie de niet-gelovigen bereikt die in hun ambtsgebied wonen; hun zielzorg moet zich immers evenzeer op hen richten als op de gelovigen.

Can. 772 - § 1 Wat betreft de uitoefening van de prediking moeten door allen bovendien de normen onderhouden worden die door de diocesane Bisschop uitgevaardigd zijn.
§ 2 Betreffende het spreken over de christelijke leer via radio en televisie moeten de voorschriften onderhouden worden die door de bisschoppenconferentie bepaald zijn.

Hoofdstuk II - Catechetisch onderricht 773-780

Can. 773 - Het is de eigen en ernstige plicht vooral van de zielzorgers om te zorgen voor catechese aan het christenvolk, opdat het geloof van de gelovigen door het onderricht in de leer en de ervaring van christelijk leven zich ontplooit en werkzaam wordt.

Can. 774 - § 1 De zorg voor catechese, onder leiding van het wettig kerkelijk gezag, komt toe aan alle kerkleden, ieder voor zijn deel.
§ 2 Vóór alle anderen hebben de ouders de plicht hun kinderen door woord en voorbeeld vorming te geven in het geloof en de praktijk van het christelijk leven; dezelfde verplichting hebben zij die de plaats van de ouders innemen, en de peter en meter.

Can. 775 - § 1 Met inachtneming van de door de Apostolische Stoel gegeven voorschriften, is het de taak van de diocesane Bisschop normen uit te vaardigen inzake catechese en ervoor te zorgen dat geschikte catechetisch instrumenten voorhanden zijn, ook door het laten opstellen van een catechismus, als dit opportuun lijkt, alsook om initiatieven op het gebied van de catechese te bevorderen en te coördineren.
§ 2 Het is de taak van de bisschoppenconferentie om, als het nuttig lijkt, ervoor zorg te dragen dat catechismussen voor hun ambtsgebied, met voorafgaande goedkeuring van de Apostolische Stoel, uitgegeven worden.
§ 3 Bij de bisschoppenconferentie kan een catechetisch bureau ingericht worden dat als voornaamste taak heeft de afzonderlijke bisdommen op catechetisch gebied hulp te bieden.

Can. 776 - De pastoor is ambtshalve verplicht te zorgen voor de catechetische vorming van volwassenen, jongeren en kinderen; te dien einde moet hij beroep doen op de clerici die aan de parochie verbonden zijn, en op leden van instituten van gewijd leven en van sociëteiten van apostolisch leven, met inachtneming van de eigen aard van elk instituut, alsook op christengelovigen-leken, vooral catechisten; geen van hen mag weigeren bereidwillig zijn medewerking te verlenen, tenzij hij wettig verhinderd is. De pastoor moet de taak van de ouders in de gezinscatechese, waarover in can. 774, § 2, bevorderen en behartigen.

Can. 777 Op bijzondere wijze moet de pastoor, met inachtneming van de normen die door de diocesane Bisschop vastgesteld zijn, er zorg voor dragen:
1. dat een aangepaste catechese met het oog op de viering van de sacramenten gegeven wordt;
2. dat de kinderen door middel van catechetisch onderricht gedurende een passende tijd op de juiste wijze voorbereid worden op de eerste biecht, de eerste communie en op het vormsel;
3. dat dezen na de eerste communie een verdere, verdiepte catechetische vorming ontvangen;
4. dat catechetisch onderricht ook gegeven wordt aan lichamelijk of geestelijk gehandicapten, voor zover hun situatie het mogelijk maakt;
5. dat het geloof van jongeren en volwassenen in verschillende vormen en via verschillende initiatieven gesterkt, verhelderd en ontwikkeld wordt.

Can. 778 - Oversten van religieuzen en van sociëteiten van apostolisch leven moeten er zorg voor dragen dat in hun kerken, scholen of andere werken die hun op welke wijze ook toevertrouwd zijn, het catechetisch onderricht met zorg gegeven wordt.

Can. 779 - Het catechetisch onderricht moet gegeven worden met gebruikmaking van alle hulpmiddelen, middelen van didactische aard en sociale communicatiemedia, die efficiënt lijken, opdat de gelovigen op een wijze aangepast aan hun aard, vermogen, leeftijd alsook aan hun levenssituaties, de katholieke leer vollediger kunnen leren kennen en beter in praktijk brengen.

Can. 780 - De plaatselijke Ordinarissen moeten er zorg voor dragen dat de catechisten om hun taak op de voorgeschreven wijze te vervullen behoorlijk voorbereid worden, dat hun namelijk een permanente vorming gegeven wordt en dat zij de leer van de Kerk naar behoren leren kennen en zich theoretisch en praktisch bekwamen in de normen die eigen zijn aan de pedagogische disciplines.

Boek III Titel II Missie-activiteit van de kerk 781-792

Can. 781 - Omdat de gehele Kerk uit haar aard missionair is en het werk van de evangelisatie beschouwd moet worden als een fundamentele plicht van het Godsvolk, moeten alle christengelovigen, bewust van hun eigen verantwoordelijkheid, hun deel in het missiewerk bijdragen.

Can. 782 - § 1 De hoogste leiding en coördinatie van initiatieven en activiteiten inzake het missiewerk en de missionaire samenwerking komt toe aan de Paus en het Bisschoppencollege.
§ 2 Alle Bisschoppen moeten, als verantwoordelijken voor de universele Kerk en voor alle Kerken, ieder persoonlijk bijzondere zorg dragen voor het missiewerk, vooral door in hun eigen particuliere Kerk missionaire initiatieven te wekken, te behartigen en te ondersteunen.

Can. 783 - Leden van instituten van gewijd leven zijn, daar zij zich krachtens hun toewijding aan de dienst van de Kerk wijden, verplicht zich bijzonder in te zetten voor de missie-activiteit, op de wijze het instituut eigen.

Can. 784 - Tot missionarissen, die namelijk door het bevoegd kerkelijk gezag voor het missiewerk uitgezonden worden, kunnen uitgekozen worden autochtonen of niet-autochtonen, hetzij seculiere clerici, hetzij leden van instituten van gewijd leven of van een sociëteit van apostolisch leven, hetzij andere christengelovigen-leken.

Can. 785 - § 1 Bij de uitvoering van het missiewerk dienen catechisten betrokken te worden, namelijk christengelovigen-leken, die behoorlijk opgeleid zijn en die zich onderscheiden door hun christelijk leven; zij dienen zich onder leiding van een missionaris erop toe te leggen de leer van het Evangelie voor te houden en liturgische diensten en caritatieve werken te organiseren.
§ 2 Catechisten dienen opgeleid te worden in hiertoe bestemde scholen of, als deze ontbreken, onder leiding van missionarissen.

Can. 786 - De eigenlijke missie-activiteit, waardoor de Kerk ingeplant wordt in volken en groepen waar zij nog niet geworteld is, wordt door de Kerk verricht vooral door het zenden van verkondigers van het Evangelie, totdat de jonge Kerken geheel gevormd zijn, wanneer zij namelijk voorzien zijn van eigen krachten en voldoende middelen waardoor zij het werk van de evangelisatie zelf kunnen realiseren.

Can. 787 - § 1 Missionarissen dienen door hun getuigenis van leven en woord een oprechte dialoog aan te gaan met degenen die niet in Christus geloven, opdat voor hen op een aan hun volksaard en cultuur aangepaste wijze wegen geopend worden, waarlangs zij ertoe gebracht kunnen worden om de evangelische boodschap te leren kennen.
§ 2 Zij dienen ervoor te zorgen dat zij aan hen die zij gereed achten voor het ontvangen van de evangelische boodschap, de geloofswaarheden onderwijzen en wel zó dat dezen tot het doopsel kunnen toegelaten worden, wanneer zij vrijwillig hierom vragen.

Can. 788 - § 1 Degenen die de wil tot het aanvaarden van het geloof in Christus kenbaar gemaakt hebben, moeten, na de tijd van het pre-catechumenaat doorlopen te hebben, met liturgische ceremoniën tot het catechumenaat worden toegelaten; hun namen moeten ingeschreven worden in een daartoe bestemd boek.
§ 2 Catechumenen moeten door onderricht en oefening in het christelijk leven op geëigende wijze ingewijd worden in het heilsmysterie en binnengeleid in het leven van het geloof, van de liturgie en de caritas van het Godsvolk en van het apostolaat.
§ 3 Het is de taak van de bisschoppenconferentie om statuten uit te vaardigen tot ordening van het catechumenaat, door te bepalen wat door de catechumenen gedaan moet worden en door te definiëren welke voorrechten hun toegekend worden.

Can. 789 - Nieuw-gedoopten moeten op geëigende wijze gevormd worden tot het dieper leren kennen van de evangelische waarheid en tot het vervullen van de plichten die zij door het doopsel op zich hebben genomen; een oprechte liefde tot Christus en zijn Kerk moet hun bijgebracht worden.

Can. 790 - § 1 Het is de taak van de diocesane Bisschop in de missiegebieden:
1. initiatieven en werken die de missie-activiteiten betreffen, te bevorderen, te leiden en te coördineren;
2. ervoor zorg te dragen dat de vereiste overeenkomsten gesloten worden met de Oversten van instituten die zich aan het missiewerk wijden, en dat hun betrekkingen met dezen de missie ten goede komen.
§ 2 Aan de voorschriften waarover in § 1, nr.1, uitgevaardigd door de diocesane Bisschop, zijn alle missionarissen onderworpen, ook de religieuzen en hun helpers die in zijn gebied verblijven.

Can. 791 - In elk bisdom moet ter behartiging van de missionaire samenwerking:
1. gewerkt worden aan het bevorderen van missieroepingen;
2. een priester aangesteld worden om initiatieven voor de missies daadwerkelijk te bevorderen, vooral de Pauselijke Missiewerken;
3. de jaarlijkse missiedag gehouden worden;
4. jaarlijks een gepaste financiële bijdrage voor de missies betaald worden, over te maken aan de Heilige Stoel.

Can. 792 - De bisschoppenconferenties dienen instellingen op te richten en te bevorderen, waardoor mensen die uit de missiegebieden naar hun bisdommen komen om reden van arbeid of studie, op broederlijke wijze ontvangen en met geëigende pastorale zorg begeleid worden.

Boek III Titel III Katholieke opvoeding 793-821

Can. 793 - § 1 Ouders en zij die hun plaats innemen, hebben de plicht en het recht hun kinderen op te voeden; katholieke ouders hebben bovendien de plicht en het recht de middelen en instellingen te kiezen waardoor zij volgens de plaatselijke omstandigheden het best kunnen zorgen voor de katholieke opvoeding van hun kinderen.
§ 2 Aan de ouders komt het recht toe ook de door de burgerlijke samenleving te verlenen hulpmiddelen te ontvangen, die zij nodig hebben ter verzorging van de katholieke opvoeding van hun kinderen.

Can. 794 - § 1 Om een bijzondere reden komt de plicht en het recht tot opvoeding toe aan de Kerk, waarvan van Godswege de zending toevertrouwd is om mensen te helpen de volheid van het christelijk leven te kunnen bereiken.
§ 2 De zielzorgers hebben de plicht om er alles voor te doen dat alle gelovigen een katholieke opvoeding genieten.

Can. 795 - Daar echte opvoeding ten doel moet hebben de integrale vorming van de menselijke persoon, gericht op zijn uiteindelijk doel en tegelijk op het algemeen welzijn van de maatschappij, moeten kinderen en jongeren zó gevormd worden dat zij hun fysieke, morele en intellectuele gaven harmonisch kunnen ontwikkelen, een dieper verantwoordelijkheidsgevoel en een juist gebruiken van hun vrijheid verwerven en in staat gesteld worden aan het sociale leven actief deel te nemen.

Hoofdstuk I Scholen 796-806

Can. 796 - § 1 Onder de middelen tot realisering van de opvoeding dienen christengelovigen groot belang te hechten aan de scholen, die immers de ouders in de vervulling van hun opvoedingstaak een bijzonder belangrijke hulp bieden.
§ 2 Ouders moeten nauw samenwerken met de leerkrachten van scholen aan wie zij hun kinderen ter opvoeding toevertrouwen; leerkrachten moeten in de vervulling van hun plicht nauw samenwerken met de ouders en daarom bereidwillig naar hen luisteren; ouderverenigingen of -vergaderingen dienen ingesteld en belangrijk geacht te worden.

Can. 797 - Ouders dienen bij het kiezen van scholen echte vrijheid te genieten; daarom moeten christengelovigen er bezorgd om zijn dat de burgerlijke samenleving aan de ouders deze vrijheid toekent en, met inachtneming van de verdelende rechtvaardigheid, ook door toewijzing van middelen veilig stelt.

Can. 798 - Ouders dienen hun kinderen toe te vertrouwen aan die scholen waar voor een katholieke opvoeding zorg gedragen wordt; indien zij dit niet kunnen, zijn zij verplicht te zorgen dat buiten de scholen in de vereiste katholieke opvoeding voorzien wordt.

Can. 799 - Christengelovigen dienen zich in te spannen dat in de burgerlijke samenleving de wetten aangaande de vorming van jongeren ook in hun religieuze en morele opvoeding voorzien op de scholen zelf, overeenkomstig het geweten van de ouders.

Can. 800 - § 1 De Kerk heeft het recht scholen van gelijk welke studierichting, aard of graad op te richten en te besturen.
§ 2 Christengelovigen dienen de katholieke scholen te bevorderen door naar vermogen bij te dragen tot de oprichting en instandhouding ervan.

Can. 801 - Religieuze instituten waaraan de zending tot opvoeding eigen is, dienen, trouw aan hun eigen zending, zich te beijveren voor de katholieke opvoeding ook door middel van eigen scholen, opgericht met toestemming van de diocesane Bisschop.

Can. 802 - § 1 Indien geen scholen voorhanden zijn waar opvoeding in christelijke geest gegeven wordt, is het de taak van de diocesane Bisschop ervoor te zorgen dat zij worden opgericht.
§ 2 Waar dit nuttig lijkt, dient de diocesane Bisschop ook te voorzien in de oprichting van beroepsscholen en technische scholen of van andere die door bijzondere noden worden vereist.

Can. 803 - § 1 Onder een katholieke school wordt verstaan een school die door het bevoegd kerkelijk gezag of een publieke kerkelijke rechtspersoon bestuurd wordt, of die door het kerkelijk gezag in een geschreven document als zodanig erkend is.
§ 2 In een katholieke school moeten onderricht en opvoeding steunen op de principes van de katholieke leer; leerkrachten moeten zich onderscheiden door rechtzinnigheid in de leer en degelijkheid van leven.
§ 3 Geen school, ook al is zij in feite katholiek, mag de naam katholieke school voeren, tenzij met toestemming van het bevoegd kerkelijk gezag.

Can. 804 - § 1 Aan het gezag van de Kerk zijn onderworpen het katholiek godsdienstig onderricht en de katholieke godsdienstige opvoeding die in welke scholen ook gegeven worden, of die via de verschillende sociale communicatiemedia verzorgd worden; het is de taak van de bisschoppenconferentie voor dit werkterrein algemene normen uit te vaardigen, en van de diocesane Bisschop dit werkveld te ordenen en erop toe te zien.
§ 2 De plaatselijke Ordinaris dient ervoor te zorgen dat degenen die als leerkrachten aangesteld worden voor het godsdienstonderricht op scholen, ook niet-katholieke scholen, zich onderscheiden door rechtzinnigheid in de leer, door hun getuigenis van christelijk leven en door hun pedagogische bekwaamheid.

Can. 805 - In zijn bisdom heeft de plaatselijke Ordinaris het recht de godsdienstleerkrachten te benoemen of goed te keuren, en ook, als redenen van godsdienstige of morele aard dit vereisen, hen te verwijderen of te eisen dat zij verwijderd worden.

Can. 806 - § 1 De diocesane Bisschop komt het recht toe van toezicht en inspectie ten aanzien van de katholieke scholen gelegen in zijn ambtsgebied, ook van die welke door leden van religieuze instituten opgericht zijn of bestuurd worden; het komt hem eveneens toe voorschriften uit te vaardigen betreffende de algemene ordening van de katholieke scholen: deze voorschriften zijn ook bindend voor scholen die geleid worden door genoemde religieuzen, met behoud weliswaar van hun zelfstandigheid wat het intern bestuur van deze scholen aangaat.
§ 2 Bestuurders van katholieke scholen dienen onder toezicht van de plaatselijke Ordinaris ervoor te zorgen dat het onderricht dat in deze scholen gegeven wordt, in wetenschappelijk opzicht van goede kwaliteit is en ten minste op hetzelfde niveau staat als in andere scholen van die streek.

Hoofdstuk II Katholieke universiteiten en andere instellingen voor hogere studies 807-814

Can. 807 - De Kerk heeft het recht universiteiten op te richten en te besturen, die immers bijdragen tot een hogere cultuur van de mensen en tot vollere ontplooiing van de menselijke persoon alsook tot de vervulling van de verkondigingstaak van de Kerk zelf.

Can. 808 - Geen universiteit, ook al is zij in feite katholiek, mag de titel of de naam katholieke universiteit voeren, tenzij met de toestemming van het bevoegd kerkelijk gezag.

Can. 809 - De bisschoppenconferenties dienen ervoor te zorgen dat er, als het kan en nuttig is,
universiteiten of minstens faculteiten zijn, goed gespreid in hun ambtsgebied, waarin de verschillende disciplines, met behoud natuurlijk van hun wetenschappelijke zelfstandigheid, onderzocht en gedoceerd worden, rekening houdend met de katholieke leer.

Can. 810 - § 1 Het volgens de statuten bevoegd gezag heeft de plicht ervoor zorg te dragen dat aan katholieke universiteiten docenten benoemd worden die zich, behalve door hun wetenschappelijke en pedagogische bekwaamheid, onderscheiden door hun integriteit in de leer en door hun degelijkheid van leven, en dat zij bij het ontbreken van deze vereisten van hun opdracht ontheven worden, met inachtneming van de procedure in de statuten bepaald.
§ 2 De bisschoppenconferentie en de diocesane Bisschoppen die het aangaat, hebben de plicht en het recht erop toe te zien dat aan voornoemde universiteiten de beginselen van de katholieke leer trouw in acht genomen worden.

Can. 811 - § 1 Het bevoegd kerkelijk gezag dient ervoor te zorgen dat aan katholieke universiteiten een faculteit of instituut of ten minste een leerstoel voor theologie opgericht wordt, waar de colleges ook voor lekenstudenten gegeven worden.
§ 2 Aan elke katholieke universiteit moeten colleges gegeven worden waarin vooral die theologische vraagstukken behandeld worden die met de disciplines van deze faculteiten verband houden.

Can. 812 - Wie in welke instituten voor hogere studies ook theologische wetenschappen doceren, moeten hiertoe een opdracht hebben van het bevoegd kerkelijk gezag.

Can. 813 - De diocesane Bisschop moet de pastorale zorg voor de studenten ten zeerste behartigen, ook door het oprichten van een parochie of ten minste door middel van priesters die hiervoor een vaste aanstelling krijgen; hij moet er bovendien voor zorgen dat bij de universiteiten, ook de niet-katholieke, katholieke universiteitscentra aanwezig zijn die voor de jongeren een hulp zijn, vooral op geestelijk gebied.

Can. 814 - De voorschriften aangaande de universiteiten zijn op gelijke wijze van toepassing op andere instellingen voor hogere studies.

Hoofdstuk III - Kerkelijke universiteiten en faculteiten 815-821

Can. 815 - De Kerk heeft krachtens haar taak de geopenbaarde waarheid te verkondigen eigen kerkelijk universiteiten of faculteiten om de gewijde wetenschappen en de hiermee verbonden disciplines te onderzoeken en om de studenten hierin wetenschappelijk te onderrichten.

Can. 816 - § 1 Kerkelijke universiteiten en faculteiten kunnen enkel tot stand komen door oprichting vanwege de Apostolische Stoel of door zijn goedkeuring; hem ook komt het hoogste bestuur ervan toe.
§ 2 Elke kerkelijke universiteit en faculteit moet haar eigen statuten en studieregeling hebben, goedgekeurd door de Apostolische Stoel.

Can. 817 - Enkel een universiteit of faculteit die door de Apostolische Stoel opgericht of goedgekeurd is, kan academische graden verlenen die in de Kerk canonieke gevolgen hebben.

Can. 818 - De voorschriften bepaald in de canones 810, 812 en 813 ten aanzien van katholieke universiteiten, gelden ook voor kerkelijke universiteiten en faculteiten.

Can. 819 - De diocesane Bisschoppen of de bevoegde Oversten van religieuze instituten moeten jongeren, clerici en leden die zich onderscheiden door hun karakter, hun deugd en hun begaafdheid, naar kerkelijke universiteiten of faculteiten zenden, voor zover het welzijn van het bisdom, van het instituut of zelfs van de gehele Kerk dit vereist.

Can. 820 - De Rectoren en professoren van kerkelijke universiteiten en faculteiten dienen ervoor te zorgen dat de verschillende faculteiten van een universiteit elkaar wederzijds hulp verlenen, voor zover het studie-object het toestaat, en dat tussen de eigen universiteit of faculteit en andere universiteiten en faculteiten, ook de niet-kerkelijke, een wederzijdse samenwerking tot stand komt, waarin zij zich namelijk door gezamenlijke werkzaamheid, bijeenkomsten, gecoördineerd wetenschappelijk onderzoek en andere middelen inzetten voor grotere ontplooiing van de wetenschappen.

Can. 821 - De bisschoppenconferentie en de diocesane Bisschop dienen, waar dit kan, ervoor te zorgen dat hogere instituten voor godsdienstwetenschappen opgericht worden, waarin namelijk theologische wetenschappen gedoceerd worden en andere die op de christelijke cultuur betrekking hebben.

Boek III Titel IV Sociale communicatiemiddelen en in het bijzonder boeken 822-832

Can. 822 - § 1 De herders van de Kerk dienen, in de vervulling van hun taak het eigen recht van de Kerk gebruikend, zich te beijveren de sociale communicatiemiddelen aan te wenden.
§ 2 Deze herders moeten er zorg voor dragen de gelovigen te leren dat zij verplicht zijn samen te werken, opdat het gebruik van de sociale communicatiemiddelen door een menselijke en christelijke geest bezield wordt.
§ 3 Alle christengelovigen, bijzonder zij die op een of andere wijze deel hebben aan de organisatie of het gebruik van deze middelen, dienen er zorg voor te dragen hulp te bieden bij het pastorale werk, zodat de Kerk ook via deze middelen haar taak efficiënt kan uitoefenen.

Can. 823 - § 1 Opdat de integriteit van de geloofswaarheden en de zeden bewaard wordt, is het de plicht en het recht van de herders van de Kerk om ervoor te zorgen dat door geschriften of het gebruik van sociale communicatiemiddelen geen schade berokkend wordt aan het geloof of de zeden van christengelovigen; eveneens om te eisen dat door christengelovigen uit te geven geschriften die het geloof of de zeden raken, aan hun oordeel onderworpen worden; alsook om geschriften af te wijzen die het rechte geloof of de goede zeden schaden.
§ 2 De plicht en het recht waarover in § 1, komen toe aan de Bisschoppen zowel afzonderlijk als gezamenlijk in particuliere concilies of bisschoppenconferenties wat betreft de christengelovigen aan hun zorg toevertrouwd, aan het hoogste gezag van de Kerk echter wat betreft het gehele Godsvolk.

Can. 824 - § 1 Tenzij anders bepaald, is de plaatselijke Ordinaris wiens verlof of goedkeuring tot het uitgeven van boeken volgens de canones van deze titel gevraagd moet worden, de eigen plaatselijke Ordinaris van de schrijver of de Ordinaris van de plaats waar de boeken uitgegeven zullen worden.
§ 2 Hetgeen in de canones van deze titel bepaald wordt ten aanzien van boeken, moet toegepast worden op welke geschriften ook die voor publieke verspreiding bestemd zijn, tenzij anders vaststaat.

Can. 825 - § 1 Boeken van de Heilige Schrift mogen niet uitgegeven worden, tenzij ze door de Apostolische Stoel of de bisschoppenconferentie goedgekeurd zijn; ook om vertalingen hiervan in de volkstaal te kunnen uitgeven is vereist dat zij door dit gezag goedgekeurd en tegelijk van de noodzakelijke en toereikende verklaringen voorzien zijn.
§ 2 Katholieke christengelovigen kunnen met verlof van de bisschoppenconferentie vertalingen van de Heilige Schrift, voorzien van passende verklaringen, voorbereiden en uitgeven, ook in samenwerking met gescheiden broeders.

Can. 826 - § 1 Wat betreft de liturgische boeken, dienen de voorschriften van can. 838 onderhouden te worden.
§ 2 Om liturgische boeken opnieuw uit te geven alsook volledige of gedeeltelijke vertalingen ervan in de volkstaal, moet op grond van een attest van de Ordinaris van de plaats waar zij uitgegeven worden, vaststaan dat zij overeenkomen met de goedgekeurde tekst.
§ 3 Gebedenboeken voor publiek of persoonlijk gebruik door gelovigen mogen niet uitgegeven worden, tenzij met verlof van de plaatselijke Ordinaris.

Can. 827 - § 1 Catechismussen en andere geschriften die het catechetisch onderricht betreffen of vertalingen ervan, behoeven voor hun uitgave goedkeuring van de plaatselijke Ordinaris, met inachtneming van het voorschrift van can. 775, § 2.
§ 2 Op scholen, hetzij lagere, middelbare of hogere, mogen als basisteksten voor het onderricht geen boeken gebruikt worden die vraagstukken behandelen betreffende de Heilige Schrift, de theologie, het canoniek recht, de kerkgeschiedenis en godsdienstige of morele disciplines, tenzij zij uitgegeven zijn met goedkeuring van het bevoegd kerkelijk gezag of door dit laatste achteraf goedgekeurd zijn.
§ 3 Ook al worden zij niet als teksten bij het onderricht gebruikt, verdient het aanbeveling de boeken waarover in § 2, alsook geschriften waarin iets voorkomt dat van bijzonder belang is voor het aanzien van godsdienst of zeden, aan het oordeel van de plaatselijke Ordinaris voor te leggen.
§ 4 In kerken of kapellen mogen geen boeken of andere geschriften die vragen van godsdienst of zeden behandelen, tentoongesteld, verkocht of uitgereikt worden, tenzij ze uitgegeven zijn met verlof van het bevoegd kerkelijk gezag of door dit laatste achteraf goedgekeurd zijn.

Can. 828 - Het is niet geoorloofd verzamelingen van decreten of acten die door een kerkelijke overheid uitgegeven zijn, opnieuw uit te geven, tenzij tevoren verlof van deze overheid verkregen is en met inachtneming van de door haar gestelde voorwaarden.

Can. 829 - De goedkeuring of het verlof tot uitgave van een werk geldt voor de oorspronkelijke tekst, maar niet voor nieuwe uitgaven of vertalingen ervan.

Can. 830 - § 1 Met eerbiediging van het recht van elke plaatselijke Ordinaris om het oordeel over boeken toe te vertrouwen aan personen die hem geschikt lijken, kan door de bisschoppenconferentie een lijst van censoren opgemaakt worden, die zich onderscheiden door vakkennis, rechte leer en een wijs oordeel, en die ter beschikking staan van de diocesane curies; ook kan zij een commissie van censoren instellen die door de plaatselijke Ordinaris geraadpleegd kan worden.
§ 2 De censor dient bij de uitoefening van zijn ambt, met terzijde stellen van elk aanzien des persoons, enkel de leer van de Kerk in geloof en zeden voor ogen te houden, zoals zij door het kerkelijk leergezag voorgehouden wordt.
§ 3 De censor moet zijn oordeel schriftelijk geven; als dit gunstig is, kan de Ordinaris naar zijn wijs oordeel verlof tot uitgave geven, met vermelding van zijn naam, de datum en plaats van het verlof; als de Ordinaris het niet geeft, dient hij de redenen van de weigering aan de schrijver van het werk mede te delen.

Can. 831 - § 1 In kranten, brochures of tijdschriften die de gewoonte hebben de katholieke godsdienst of de goede zeden duidelijk te bestrijden, mogen christengelovigen niets schrijven, tenzij om een goede en verantwoorde reden; clerici echter en leden van religieuze instituten alleen met verlof van de plaatselijke Ordinaris.
§ 2 Het komt de bisschoppenconferentie toe de regels vast te stellen volgens welke clerici en leden van religieuze instituten deel mogen nemen aan het via radio of televisie behandelen van onderwerpen inzake de katholieke leer of zeden.

Can. 832 - Leden van religieuze instituten behoeven om geschriften te mogen uitgeven die vragen van godsdienst of zeden behandelen, ook verlof van hun hogere Overste, volgens de constituties.

Boek III Titel V Geloofsbelijdenis 833

Can. 833 - Tot het persoonlijk afleggen van de geloofsbelijdenis, volgens de door de Apostolische Stoel goedgekeurde formule, zijn verplicht:
1. ten overstaan van de voorzitter of zijn gedelegeerde allen die met beslissende of raadgevende stem deelnemen aan een Oecumenisch of particulier Concilie, een bisschoppensynode of een diocesane synode; de voorzitter echter ten overstaan van het Concilie of de synode;
2. zij die bevorderd zijn tot de waardigheid van het kardinalaat volgens de statuten van het heilig College;
3. ten overstaan van de gedelegeerde van de Apostolische Stoel allen die tot Bisschop bevorderd zijn, alsook zij die aan de diocesane Bisschop gelijkgesteld worden;
4. ten overstaan van het consultorencollege de diocesane Administrator;
5. ten overstaan van de diocesane Bisschop of zijn gedelegeerde de Vicarissen-generaal en de bisschoppelijke Vicarissen alsook de Gerechtsvicarissen;
6. ten overstaan van de plaatselijk Ordinaris of zijn gedelegeerde de pastoors, de rector en professoren van theologie en filosofie op seminaries bij het aanvaarden van hun ambt; de kandidaten voor de diakenwijding;
7. ten overstaan van de Groot-Kanselier en bij zijn ontstentenis ten overstaan van de plaatselijke Ordinaris of hun gedelegeerden, de rector van een kerkelijke of katholieke universiteit bij de aanvaarding van zijn ambt; ten overstaan van de rector, als hij priester is, of ten overstaan van de plaatselijke Ordinaris of hun gedelegeerden, de docenten van vakken die geloof of zeden betreffen, bij de aanvaarding van hun ambt in welke universiteit ook;
8. De Oversten in clericale religieuze instituten en clericale sociëteiten van apostolisch leven, volgens de constituties.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 22/11/2009 - 20:01
Laatst aangepast op: vr, 15/01/2010 - 18:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.