-A +A

Wetboek van Canoniek Recht - 1983 Boek IV-Heiligingstaak 834-1253

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Alternatieve naam: 
Codex Iuris Canonici Codex Iuris Canonici IV

Boek IV-Heiligingstaak 834-1253

Boek IV Heiligingstaak van de kerk 834-1253

Can. 834 - § 1 Haar heiligingstaak vervult de Kerk op bijzondere wijze door de heilige liturgie, die namelijk beschouwd wordt als de uitoefening van de priesterlijke taak van Jesus Christus, waarin de heiliging van de mensen door waarneembare tekenen betekend wordt en op een wijze die elk ervan eigen is, bewerkt wordt, en waarin door het mystiek Lichaam van Jesus Christus, door het Hoofd namelijk en door de ledematen, de volledige publieke eredienst van God uitgeoefend wordt.
§ 2 Deze eredienst is dan aanwezig, wanneer hij gebracht wordt in naam van de Kerk door wettig hiertoe afgevaardigde personen en door handelingen die door het gezag van de Kerk goedgekeurd zijn.

Can. 835 - § 1 De heiligingstaak oefenen in de eerste plaats uit de Bisschoppen, die de hogepriesters zijn, de voornaamste uitdelers van de mysteries van God en de leiders, bevorderaars en behoeders van het gehele liturgische leven in de hun toevertrouwde Kerk.
§ 2 Ook oefenen die taak uit de priesters, die namelijk, ook zelf deelgenoten aan het priesterschap van Christus, als zijn bedienaren onder het gezag van de Bisschop, gewijd worden om de goddelijke eredienst te vieren en het volk te heiligen.
§ 3 De diakens hebben deel aan het vieren van de goddelijke eredienst, volgens de voorschriften van het recht.
§ 4 In de heiligingstaak hebben ook de overige christengelovigen het aandeel dat hun eigen is door op hun wijze actief deel te nemen aan de liturgische vieringen, vooral aan de eucharistie; op bijzondere wijze nemen aan deze zelfde taak deel de ouders door hun echtelijk leven in christelijke geest te leiden en door zorg te dragen voor een christelijke opvoeding van hun kinderen.

Can. 836 - Daar de christelijke eredienst, waarin het algemeen priesterschap van de gelovigen uitgeoefend wordt, een werk is dat uit het geloof voortkomt en erop steunt, dienen de gewijde bedienaren er met ijver zorg voor te dragen dit geloof op te wekken en te verhelderen, vooral door de bediening van het woord, waardoor het geloof geboren en gevoed wordt.

Can. 837 - § 1 Liturgische handelingen zijn geen private handelingen, maar vieringen van de Kerk zelf, die "het sacrament van de eenheid" is, het heilig volk namelijk onder de Bisschoppen verenigd en geordend; daarom behoren zij tot het gehele Lichaam van de Kerk, maken het duidelijk zichtbaar en werken erop in; zijn afzonderlijke leden echter bereiken zij op verschillende wijze, naar gelang van de verscheidenheid van wijdingen, taken en daadwerkelijke deelneming.
§ 2 Liturgische handelingen dienen, voor zover zij door hun aard een gemeenschappelijke viering met zich meebrengen, waar dit kan, met veel toeloop en met actieve deelneming van de christengelovigen gevierd te worden.

Can. 838 - § 1 De leiding van de heilige liturgie komt alleen toe aan het gezag van de Kerk; zij berust namelijk bij de Apostolische Stoel en, volgens het recht, bij de diocesane Bisschop.
§ 2 Het komt de Apostolische Stoel toe de heilige liturgie van de gehele Kerk te ordenen, liturgische boeken uit te geven en de vertaling ervan in de volkstalen te beoordelen, alsook erover te waken dat de liturgische bepalingen overal trouw in acht genomen worden.
§ 3 Het komt de bisschoppenconferentie toe vertalingen van de liturgische boeken in de volkstalen, naar behoren aangepast binnen de grenzen in de liturgische boeken zelf gesteld, voor te bereiken en deze uit te geven, na voorafgaande beoordeling door de Heilige Stoel.
§ 4 Het komt de diocesane Bisschop toe in de hem toevertrouwde Kerk, binnen de grenzen van zijn bevoegdheid, normen op liturgisch gebied te geven waaraan allen gehouden zijn.

Can. 839 - § 1 Ook door andere middelen volbrengt de Kerk haar heiligingstaak, hetzij door gebeden, waardoor zij van God afsmeekt dat de christengelovigen in waarheid geheiligd zijn, hetzij door werken van boetvaardigheid en liefde, die namelijk ten zeerste helpen om het Rijk van Christus in de zielen te doen wortelen en te sterken en die bijdragen tot het heil van de wereld.
§ 2 De plaatselijke Ordinarissen dienen ervoor te zorgen dat de gebeden alsook de vrome en heilige oefeningen van het christenvolk ten volle overeenstemmen met de normen van de Kerk.

Boek IV Deel I Sacramenten 840-1165

Can. 840 - De sacramenten van het Nieuwe Verbond, door Christus de Heer ingesteld en aan de Kerk toevertrouwd, zijn, als handelingen van Christus en van de Kerk, tekenen en middelen waardoor het geloof uitgedrukt en gesterkt wordt, eredienst aan God gebracht en de heiliging van de mensen bewerkt wordt; en zo dragen zij er in de hoogste mate toe bij de kerkelijke gemeenschap tot stand te brengen, te versterken en duidelijk zichtbaar te maken; daarom moeten zowel de gewijde bedienaren als de overige christengelovigen bij het vieren ervan met de hoogste eerbied en de vereiste zorgvuldigheid handelen.

Can. 841 - Omdat de sacramenten dezelfde zijn voor de gehele Kerk en zij tot het door God toevertrouwde goed behoren, komt het alleen het hoogste gezag van de Kerk toe goed te keuren of te bepalen wat voor hun geldigheid vereist is, en aan hetzelfde gezag of aan een andere bevoegde overheid, volgens can. 838, §§3 en 4, komt het toe te beslissen wat het geoorloofd vieren, toedienen en ontvangen ervan betreft, alsook wat de ordening betreft die bij de viering ervan in acht genomen moet worden.

Can. 842 - § 1 Tot de overige sacramenten kan niet geldig toegelaten worden wie het doopsel niet ontvangen heeft.
§ 2 De sacramenten van doopsel, vormsel en allerheiligste Eucharistie zijn zo nauw met elkaar verbonden dat zij voor de volledige christelijke initiatie vereist zijn.

Can. 843 - § 1 De gewijde bedienaren mogen de sacramenten niet weigeren aan hen die er redelijkerwijze om vragen, de juiste gesteltenis bezitten en door het recht niet verhinderd worden ze te ontvangen.
§ 2 De zielzorgers en de overige christengelovigen hebben, ieder volgens hun kerkelijke taak, de plicht ervoor te zorgen dat zij die de sacramenten vragen, door de vereiste evangelisatie alsook door catechetisch onderricht op het ontvangen ervan voorbereid worden, rekening houdend met de door de bevoegde overheid uitgevaardigde normen.

Can. 844 - § 1 Katholieke bedienaren dienen de sacramenten geoorloofd toe alleen aan katholieke christengelovigen, die ze eveneens alleen van katholieke bedienaren geoorloofd ontvangen, behoudens de voorschriften van §§2,3 en 4 van deze canon, en van can. 861, § 2.
§ 2 Telkens als de nood het vereist of echt geestelijk nut het wenselijk maakt, en mits gevaar voor dwaling of indifferentisme vermeden wordt, is het de christengelovigen voor wie het fysiek of moreel onmogelijk is zich te wenden tot een katholieke bedienaar, geoorloofd de sacramenten van boete, Eucharistie en ziekenzalving te ontvangen van niet-katholieke bedienaren, in wier Kerk voornoemde sacramenten geldig bestaan.
§ 3 Katholieke bedienaren dienen geoorloofd de sacramenten van boete, Eucharistie en ziekenzalving toe aan leden van oosterse Kerken die niet in volledige gemeenschap leven met de katholieke Kerk, als zij er uit eigen beweging om vragen en de juiste gesteltenis bezitten; dit geldt eveneens voor leden van andere Kerken die, volgens het oordeel van de Apostolische Stoel, wat de sacramenten betreft in dezelfde situatie verkeren als voornoemde oosterse Kerken.
§ 4 Als stervensgevaar aanwezig is of als volgens het oordeel van de diocesane Bisschop of van de bisschoppenconferentie een andere ernstige nood ertoe dwingt, dienen katholieke bedienaren dezelfde sacramenten geoorloofd toe ook aan de overige christengelovigen niet in volledige gemeenschap levend met de katholieke Kerk, die zich niet tot een bedienaar van hun gemeenschap kunnen wenden en er uit eigen beweging om vragen, mits zij wat dezelfde sacramenten betreft blijk geven van het katholieke geloof en zij de juiste gesteltenis bezitten.
§ 5 Voor de gevallen waarover in §§2, 3 en 4, mag de diocesane Bisschop of de bisschoppenconferentie geen algemene normen uitvaardigen, tenzij na overleg met ten minste de plaatselijke bevoegde overheid van de betrokken Kerk of niet-katholieke gemeenschap.

Can. 845 - § 1 De sacramenten van doopsel, vormsel en wijding kunnen, daar zij een merkteken inprenten, niet herhaald worden.
§ 2 Indien na het verrichten van een zorgvuldig onderzoek nog een redelijke twijfel blijft of de sacramenten waarover in § 1, daadwerkelijk of geldig toegediend zijn, dienen zij onder voorwaarde toegediend te worden.

Can. 846 - § 1 Bij het vieren van sacramenten dienen de door de bevoegde overheid goedgekeurde liturgische boeken trouw in acht genomen te worden; daarom mag niemand hierin uit eigen beweging ook maar iets toevoegen, weglaten of veranderen.
§ 2 De bedienaar dient de sacramenten te vieren volgens zijn eigen ritus.

Can. 847 - § 1 Bij het toedienen van sacramenten waarbij heilige oliën aangewend moeten worden, moet de bedienaar oliën gebruiken uit olijven of andere planten geperst en, behoudens het voorschrift van can. 999, nr.2, door een Bisschop gewijd of gezegend, en wel recent; oude oliën mag hij niet gebruiken, tenzij de noodzaak hiertoe aanwezig is.
§ 2 De pastoor dient de heilige oliën van zijn eigen Bisschop te verkrijgen en ze met zorg op een passende plaats te bewaren.

Can. 848 - Buiten de bijdragen die door de bevoegde overheid zijn vastgesteld, mag de bedienaar niets vragen voor de toediening van de sacramenten, waarbij steeds veilig gesteld moet worden dat behoeftigen niet van de hulp van de sacramenten verstoken blijven om reden van hun armoede.

Boek IV Deel I Titel I Doopsel 849-878

Can. 849 - Het doopsel, toegangspoort tot de sacramenten, in werkelijkheid of ten minste in verlangen noodzakelijk tot het heil, waardoor de mensen van de zonde bevrijd, tot kinderen van God herboren en, door een onuitwisbaar merkteken aan Christus gelijkvorming gemaakt, in de Kerk ingelijfd worden, wordt alleen door een wassing met echt water samen met de vereiste vorm van de doopwoorden geldig toegediend.

Hoofdstuk I - Viering van het doopsel 850-860

Can. 850 - Het doopsel wordt bediend volgens de in de goedgekeurde liturgische boeken voorgeschreven orde, uitgezonderd het geval van dringende nood, waarin alleen dat in acht genomen moet worden wat voor de geldigheid van het sacrament vereist is.

Can. 851 - De viering van het doopsel moet naar behoren voorbereid worden; derhalve:
1. dient een volwassene die de bedoeling heeft het doopsel te ontvangen, tot het catechumenaat toegelaten te worden en, voor zover mogelijk, langs de verschillende graden tot de sacramentele initiatie geleid te worden, volgens de orde van initiatie die door de bisschoppenconferentie aangepast is en volgens de bijzondere normen die door haar uitgevaardigd zijn.
2. dienen de ouders van een kind dat gedoopt moet worden, en eveneens zij die de taak van peetouder op zich zullen nemen, op de juiste wijze onderricht te worden over de betekenis van dit sacrament en de verplichting die ermee verbonden zijn; de pastoor dient ervoor te zorgen, persoonlijk of door anderen, dat de ouders aldus naar behoren voorbereid worden door pastorale aansporingen, zelfs ook door gemeenschappelijk gebed, door meerdere families samen te brengen en ze, waar het kan, te bezoeken.

Can. 852 - § 1 De in de canones voorkomende voorschriften over het doopsel van een volwassene, worden toegepast op allen die, de kinderleeftijd ontgroeid, tot het gebruik van het verstand gekomen zijn.
§ 2 Met een kind wordt gelijkgesteld, ook wat het doopsel betreft, wie niet voor zichzelf verantwoordelijk kan zijn.

Can. 853 - Het water dat bij het toedienen van het doopsel moet aangewend worden, moet, buiten het geval van nood, gezegend zijn volgens de voorschriften van de liturgische boeken.

Can. 854 - Het doopsel dient toegediend te worden hetzij door onderdompeling hetzij door
begieting, met inachtneming van de voorschriften van de bisschoppenconferentie.

Can. 855 - Ouders, peetouders en pastoor dienen ervoor te zorgen dat geen naam gegeven wordt die aan het christelijk gevoel vreemd is.

Can. 856 - Hoewel het doopsel op gelijk welke dag gevierd mag worden, wordt toch aanbevolen het gewoonlijk op een zondag te vieren of, als het kan, tijdens de Paasvigilie.

Can. 857 - § 1 Buiten het geval van nood is de eigen plaats voor het doopsel een kerk of een kapel.
§ 2 Als regel dient te gelden dat een volwassene gedoopt wordt in de eigen parochiekerk, een kind in de eigen parochiekerk van de ouders, tenzij een goede reden iets anders wenselijk maakt.

Can. 858 - § 1 Elke parochiekerk dient een doopvont te hebben, behoudens het reeds door andere kerken verworven cumulatief recht.
§ 2 De plaatselijke Ordinaris kan, na de pastoor van de plaats gehoord te hebben, ten gerieve van de gelovigen toestaan of bevelen dat ook in een andere kerk of kapel binnen de grenzen van de parochie een doopvont is.

Can. 859 - Indien een dopeling wegens de afstand of andere omstandigheden niet zonder ernstig bezwaar naar de parochiekerk of naar een andere kerk of kapel waarover in can. 858, § 2, kan gaan of gebracht worden, kan en moet het doopsel toegediend worden in een andere meer nabije kerk of kapel, of ook op een andere passende plaats.

Can. 860 - § 1 Buiten het geval van nood mag het doopsel niet toegediend worden in private huizen, tenzij de plaatselijke Ordinaris dit om een ernstige reden toegestaan heeft.
§ 2 Tenzij de diocesane Bisschop anders bepaald heeft, mag in verzorgingsinstellingen het doopsel niet gevierd worden, tenzij in geval van nood of om een andere dwingende pastorale reden.

Hoofdstuk II - Bedienaar van het doopsel 861-863

Can. 861 - § 1 De gewone bedienaar van het doopsel is de Bisschop, de priester en de diaken, onverminderd het voorschrift van can. 530, nr.1.
§ 2 Als de gewone bedienaar afwezig of verhinderd is, dient een catechist of iemand anders die door de plaatselijke Ordinaris voor deze taak aangewezen is, geoorloofd het doopsel toe, en zelfs, in geval van nood, gelijk welke mens die door de vereiste intentie geleid wordt; de zielzorgers, vooral de pastoor, dienen er zorg voor te dragen dat de christengelovigen over de juiste wijze van dopen onderricht worden.

Can. 862 - Uitgezonderd het geval van nood is het niemand geoorloofd zonder het vereiste verlof het doopsel toe te dienen in een gebied van een ander, zelfs niet aan zijn eigen onderdanen.

Can. 863 - Het doopsel van volwassenen, ten minste van hen die het veertiende levensjaar voltooid hebben, dient bij de diocesane Bisschop gemeld te worden opdat het, indien hij dit opportuun oordeelt, door hem zelf toegediend wordt.

Hoofdstuk III – Dopelingen 864-871

Can. 864 - Bekwaam tot het ontvangen van het doopsel is iedere mens die nog niet gedoopt is, en alleen deze.

Can. 865 - § 1 Opdat een volwassene gedoopt kan worden, moet hij de wil geuit hebben om het doopsel te ontvangen, voldoende onderricht zijn in de geloofswaarheden en de christelijke verplichtingen alsook door het catechumenaat in het christelijk leven beproefd bevonden zijn; hij dient ook aangemaand te worden zijn zonden te betreuren.
§ 2 Een volwassene die in stervensgevaar verkeert, kan gedoopt worden als hij, enige kennis bezittend van de voornaamste geloofswaarheden, op een of andere manier blijk gegeven heeft van zijn intentie het doopsel te ontvangen en belooft de geboden van de christelijke godsdienst in acht te zullen nemen.

Can. 866 - Een volwassene die gedoopt wordt, dient, tenzij een ernstige reden in de weg staat, onmiddellijk na het doopsel gevormd te worden en aan de eucharistieviering deel te nemen, ook door het ontvangen van de communie.

Can. 867 - § 1 De ouders zijn gehouden aan de verplichting ervoor te zorgen dat hun kinderen binnen de eerste weken gedoopt worden; zo spoedig mogelijk na de geboorte, en zelfs al voordien, dienen zij zich tot de pastoor te wenden om het sacrament voor hun kind te vragen en om naar behoren hierop voorbereid te worden.
§ 2 Als een kind in stervensgevaar verkeert, dient het zonder enig uitstel gedoopt te worden.

Can. 868 - § 1 Opdat een kind geoorloofd gedoopt wordt:
1. moeten de ouders, ten minste één van hen of degene die wettig hun plaats inneemt, toestemmen;
2. moet gegronde hoop aanwezig zijn dat het in de katholieke godsdienst zal opgevoed worden; als deze volkomen ontbreekt, dient het doopsel volgens de voorschriften van het particulier recht uitgesteld te worden, waarbij de ouders van de reden op de hoogte gebracht worden.
§ 2 Een kind van katholieke ouders, en zelfs van niet-katholieke, wordt in stervensgevaar geoorloofd gedoopt, ook als de ouders dit niet willen.

Can. 869 - § 1 Als betwijfeld wordt of iemand gedoopt is of dat het doopsel geldig toegediend is, dient het doopsel, wanneer de twijfel na ernstig onderzoek blijft bestaan, aan deze persoon onder voorwaarde toegediend te worden.
§ 2 Zij die gedoopt zijn in een niet-katholieke kerkelijke gemeenschap mogen niet onder voorwaarde gedoopt worden, tenzij er, bij het nazien van de bij het toegediende doopsel aangewende materie en vorm van de doopwoorden alsook gelet op de intentie van de volwassen gedoopte en van de dopende bedienaar, ernstige reden aanwezig is om aan de geldigheid van het doopsel te twijfelen.
§ 3 Als in de gevallen waarover in §§1 en 2, de toediening of de geldigheid van het doopsel twijfelachtig blijft, mag het doopsel niet toegediend worden tenzij nadat aan de dopeling, als het een volwassene is, de leer over het doopsel-sacrament uitgelegd is en hem, of als het een kind is, zijn ouder, de redenen toegelicht zijn waarom aan de geldigheid vaan het doopsel dat gevierd is, getwijfeld wordt.

Can. 870 - Een te vondeling gelegd of gevonden kind dient gedoopt te worden, tenzij na zorgvuldig onderzoek zijn doopsel vaststaat.

Can. 871 - Abortieve foetussen dienen, als zij in leven zijn, gedoopt te worden voor zover het kan.

Hoofdstuk IV – Peetouders 872-874

Can. 872 - Voor zover het kan, dient aan de dopeling een peetouder gegeven te worden, aan wie het toekomt de volwassen dopeling in de christelijke initiatie bij te staan en, als de dopeling een kind is, hem samen met de ouders ten doop te houden, en eveneens mee te helpen opdat de dopeling een
christelijk leven leidt in overeenstemming met zijn doopsel en de verplichtingen die eraan verbonden zijn getrouw vervult.

Can. 873 - Er dient slechts één peter of één meter genomen te worden, of ook een peter en een meter samen.

Can. 874 - § 1 Opdat iemand tot het opnemen van de taak van peetouder toegelaten wordt:
1. moet deze door de dopeling zelf of diens ouders of door degene die hun plaats inneemt of, bij het ontbreken van dezen, door de pastoor of bedienaar aangeduid zijn alsook de geschiktheid en de intentie hebben om deze taak uit te oefenen;
2. moet deze het zestiende levensjaar voltooid hebben, tenzij door de diocesane Bisschop een andere leeftijd vastgesteld is of tenzij de pastoor of bedienaar om een goede reden een uitzondering toelaatbaar acht;
3. moet deze katholiek zijn, gevormd en het allerheiligste sacrament van de Eucharistie reeds ontvangen hebben, en een leven leiden dat in overeenstemming is met het geloof en met de op te nemen taak;
4. mag deze door geen canonieke wettig opgelegde of verklaarde straf gebonden zijn;
5. mag deze niet de vader of de moeder van de dopeling zijn.
§ 2 Een gedoopte die tot een niet-katholieke kerkelijke gemeenschap behoort, mag niet toegelaten worden tenzij samen met een katholieke peetouder, en slechts als getuige van het doopsel.

Hoofdstuk V - Bewijs en registratie van het toedienen van het doopsel 875-878

Can. 875 - Wie het doopsel toedient, dient ervoor te zorgen dat, tenzij een peetouder aanwezig is, er ten minste een getuige is door wie de toediening van het doopsel bewezen kan worden.

Can. 876 - Om te bewijzen dat het doopsel toegediend is, volstaat, als dit niemand tot nadeel strekt, de verklaring van één boven alle verdenking staande getuige, of de eed van de gedoopte zelf, als deze op volwassen leeftijd het doopsel ontvangen heeft.

Can. 877 - § 1 De pastoor van de plaats waar het doopsel wordt gevierd, moet de namen van de gedoopten, met vermelding van de bedienaar, de ouders, de peetouders alsook de getuigen, als die aanwezig zijn, de plaats en de dag van het toedienen van het doopsel, met zorg en zonder enig uitstel in het doopboek optekenen, met daarbij de aanduiding van de dag en de plaats van de geboorte.
§ 2 Als het gaat over een kind dat geboren is uit een niet-gehuwde moeder, moet de naam van de moeder ingeschreven worden, indien haar moederschap publiek vaststaat of indien zijzelf uit eigen beweging dit schriftelijk of ten overstaan van twee getuigen vraagt; eveneens moet de naam van de vader ingeschreven worden, indien zijn vaderschap bewezen wordt door een of ander publiek document of door een verklaring door hemzelf gedaan ten overstaan van de pastoor en twee getuigen; in de overige gevallen dient de gedoopte ingeschreven te worden zonder enige aanduiding van de naam van de vader of van de ouders.
§ 3 Als het gaat over een adoptief kind, dienen de namen van de adopterenden ingeschreven te worden alsook, althans indien dit zo geschiedt in de burgerlijke stand van het gebied, die van de natuurlijke ouders volgens §§ 1 en 2, rekening houdend met de voorschriften van de bisschoppenconferentie.

Can. 878 - Als het doopsel niet door de pastoor noch in zijn tegenwoordigheid toegediend is, moet de bedienaar van het doopsel, wie hij ook is, de pastoor van de parochie waar het doopsel toegediend is, op de hoogte brengen van het toedienen van het doopsel, opdat deze het doopsel registreert volgens can. 877, § 1.

Boek IV Deel I Titel II Sacrament van het vormsel 879-896

Can. 879 - Het sacrament van het vormsel, dat een merkteken inprent en waardoor de gedoopten, verder gaande op de weg van de christelijke initiatie, met de gave van de Heilige Geest verrijkt worden en op volmaaktere wijze met de Kerk verbonden, sterkt hen en verplicht hen nadrukkelijker om door woord en daad getuigen van Christus te zijn en het geloof te verspreiden en te verdedigen.

Hoofdstuk I - Viering van het vormsel 880-881

Can. 880 - § 1 Het sacrament van het vormsel wordt toegediend door de zalving met chrisma of het voorhoofd, die gebeurt door oplegging van de hand, en door de woorden die in de goedgekeurde liturgische boeken voorgeschreven zijn.
§ 2 Het in het sacrament van het vormsel aan te wenden chrisma moet door een Bisschop gewijd zijn, ook al wordt het sacrament door een priester bediend.

Can. 881 - Het verdient aanbeveling dat het sacrament van het vormsel gevierd wordt in een kerk, en wel tijdens de Mis; nochtans mag het om een goede en verantwoorde reden gevierd worden buiten de Mis en op gelijk welke waardige plaats.

Hoofdstuk II - Bedienaar van het vormsel 882-888

Can. 882 - De gewone bedienaar van het vormsel is de Bisschop; geldig dient ook dit sacrament toe een priester die krachtens het universeel recht of een bijzondere toekenning door de bevoegde overheid met deze bevoegdheid toegerust is.

Can. 883 - § 1 Van rechtswege bezitten de bevoegdheid om het vormsel te bedienen:
1. binnen de grenzen van hun gebied, zij die door het recht met een diocesane Bisschop gelijkgesteld zijn;
2. ten aanzien van de persoon over wie het gaat, de priester die krachtens zijn ambt of een mandaat van de diocesane Bisschop iemand die de kinderleeftijd ontgroeid is,
doopt of als reeds gedoopte in de volledige gemeenschap van de katholieke Kerk opneemt;
3. ten aanzien van hen die in stervensgevaar verkeren, de pastoor en zelfs iedere priester.

Can. 884 - § 2 De diocesane Bisschop dient het vormsel in eigen persoon toe te dienen of ervoor te zorgen dat het door een andere Bisschop toegediend wordt; als de nood dit vereist, kan hij aan een of meerdere bepaalde priesters de bevoegdheid toekennen om dit sacrament toe te dienen.
§ 2 Om een ernstige reden kan een Bisschop, en eveneens een priester die krachtens het recht of een bijzondere toekenning door de bevoegde overheid bevoegdheid tot vormen gekregen heeft, in afzonderlijke gevallen priesters erbij betrekken, opdat ook deze zelf het sacrament toedienen.

Can. 885 - § 1 De diocesane Bisschop is gehouden aan de verplichting ervoor te zorgen dat het sacrament van het vormsel toegediend wordt aan zijn onderdanen, die er op de juiste wijze en verantwoord om vragen.
§ 2 De priester die deze bevoegdheid bezit, moet ze gebruiken voor hen ten gunste van wie de bevoegdheid verleend is.

Can. 886 - § 1 De Bisschop dient in zijn eigen bisdom het sacrament van het vormsel wettig toe ook aan gelovigen die niet zijn onderdanen zijn, tenzij een uitdrukkelijk verbod van hun eigen Ordinaris in de weg staat.
§ 2 Om in het bisdom van een ander het vormsel geoorloofd toe te dienen heeft de Bisschop, tenzij het over zijn onderdanen gaat, het ten minste redelijkerwijze gepresumeerd verlof nodig van de diocesane Bisschop.

Can. 887 - Een priester die de bevoegdheid bezit om het vormsel te bedienen, dient dit sacrament in het hem aangewezen gebied ook aan vreemden geoorloofd toe, tenzij een verbod van hun eigen Ordinaris in de weg staat; in het gebied van een ander echter dient hij dit aan niemand geldig toe, behoudens het voorschrift van can. 883, nr.3

Can. 888 - Binnen het gebied waar zij het vormsel kunnen toedienen, kunnen de bedienaren het ook op exempte plaatsen bedienen.

Hoofdstuk III - Vormelingen 889-891

Can. 889 - § 1 Bekwaam tot het ontvangen van het vormsel is iedere gedoopte die nog niet gevormd is, en alleen deze.
§ 2 Opdat iemand, buiten stervensgevaar, geoorloofd het vormsel ontvangt, is vereist dat hij, als hij over het gebruik van het verstand beschikt, naar behoren onderricht is, de juiste gesteltenis bezit en in staat is de doopbeloften te hernieuwen.

Can. 890 - De gelovigen zijn gehouden aan de verplichting dit sacrament tijdig te ontvangen; de ouders, de zielzorgers, vooral de pastoors, dienen ervoor te zorgen dat de gelovigen naar behoren onderricht worden om het te ontvangen en er op de gepaste tijd toe naderen.

Can. 891 - Het sacrament van het vormsel dient aan de gelovigen toegediend te worden rond het bereiken van de jaren van het verstand, tenzij de bisschoppenconferentie een andere leeftijd vastgesteld heeft, of tenzij stervensgevaar aanwezig is of, volgens het oordeel van de bedienaar, een ernstige reden anders wenselijk maakt.

Hoofdstuk IV – Peetouders 892-893

Can. 892 - Voor zover dit kan, dient de vormeling een peetouder te hebben, aan wie het toekomt ervoor te zorgen dat de gevormde zich als een ware getuige van Christus gedraagt en getrouw de verplichtingen vervult die aan dit sacrament verbonden zijn.

Can. 893 - § 1 Opdat iemand de taak van peetouder uitoefent, moet hij de voorwaarden vervullen waarover in can. 874.
§ 2 Het verdient aanbeveling dat als peetouder genomen wordt degene die dezelfde taak bij het doopsel op zich genomen heeft.

Hoofdstuk V - Bewijs en registratie van het toedienen van het vormsel 894-896

Can. 894 - Om te bewijzen dat het vormsel toegediend is, dienen de voorschriften van can. 876 in acht genomen te worden.

Can. 895 - De namen van de gevormden, met vermelding van de bedienaar, de ouders en de peetouders en de plaats en de dag van het toedienen van het vormsel, dienen geregistreerd te worden in het vormboek van de diocesane Curie of, waar de bisschoppenconferentie of de diocesane Bisschop dit voorgeschreven heeft, in een boek dat in het parochie-archief bewaard moet worden; de pastoor moet de pastoor van de plaats van het doopsel op de hoogte brengen van het toedienen van het vormsel, opdat de registratie gebeurt in het doopboek volgens can. 535, § 2.

Can. 896 - Als de pastoor van de plaats niet aanwezig geweest is, dient de bedienaar persoonlijk of door iemand anders hem zo spoedig mogelijk van het toedienen van het vormsel op de hoogte te brengen.

Boek IV Deel I Titel III Allerheiligste eucharistie 897-958

Can. 897 - Het meest verheven Sacrament is de allerheiligste Eucharistie, waarin Christus de Heer zelf aanwezig is, geofferd en genuttigd wordt, en waarvan de Kerk voortdurend leeft en groeit. Het eucharistisch Offer, gedachtenis van de dood en verrijzenis van de Heer, waarin het Kruisoffer voor alle tijden wordt voortgezet, is het hoogtepunt en de bron van de gehele eredienst en van het christelijk leven; het betekent en bewerkt de eenheid van het Godsvolk en realiseert de opbouw van Christus' lichaam. De overige sacramenten immers en alle kerkelijke werken van apostolaat hangen samen met de allerheiligste Eucharistie en zijn op haar gericht.

Can. 898 - De christengelovigen moeten de allerheiligste Eucharistie ten zeerste in ere houden, door een actieve deelname aan de viering van het meest verheven Offer, door met de grootste vroomheid en vaak dit sacrament te ontvangen en het met de hoogste aanbidding te vereren; de zielzorgers moeten bij hun toelichting op de leer van dit sacrament de gelovigen deze plicht met zorg bijbrengen.

Hoofdstuk I - Eucharistieviering 899-933

Can. 899 - § 1 De eucharistieviering is een handeling van Christus zelf en van de Kerk, waarin Christus de Heer, door de bediening van de priester, zichzelf, substantieel tegenwoordig onder de gedaanten van brood en wijn, aan God de Vader opdraagt en zich aan de gelovigen, deelgenoten in zijn offergave, als geestelijk voedsel aanbiedt.
§ 2 In de eucharistische Bijeenkomst wordt het Godsvolk bijeengeroepen onder voorzitterschap van de Bisschop of - onder diens gezag - van een priester, Christus vertegenwoordigend; alle aanwezige gelovigen, hetzij clerici hetzij leken, dragen door hun deelname ieder op eigen wijze het hunne bij, overeenkomstig de verscheidenheid van wijdingen en liturgische taken.
§ 3 De eucharistieviering moet zodanig geordend worden dat alle deelnemers er zoveel mogelijk de vruchten door verkrijgen, waartoe Christus de Heer het eucharistisch Offer ingesteld heeft.

Art. 1 - Bedienaar van de allerheiligste Eucharistie 900-911

Can. 900 - § 1 De bedienaar, die in de persoon van Christus het sacrament van de Eucharistie kan voltrekken, is alleen de geldig gewijde priester.
§ 2 Geoorloofd viert de priester de Eucharistie, indien een canonieke wet hem dit niet ontzegt, met inachtneming van de voorschriften van de hierna volgende canones.

Can. 901 - De priester mag de Mis opdragen tot intentie van allen, zowel levenden als overledenen.

Can. 902 - De priesters kunnen de Eucharistie concelebreren, tenzij het nut van de christengelovigen anders vereist of aanbeveelt; het staat iedereen niettemin volledig vrij de Eucharistie afzonderlijk te celebreren, maar niet op het moment waarop in dezelfde kerk of kapel een concelebratie plaatsvindt.

Can. 903 - Een priester moet tot celebreren toegelaten worden, ook al is hij aan de rector van de kerk niet bekend, mits hij van zijn Ordinaris of Overste een aanbevelingsbrief kan voorleggen, die zeker nog geen jaar te voren uitgereikt is, of ook als men wijselijk mag veronderstellen dat celebreren hem niet ontzegd is.

Can. 904 - De priesters, dienen dikwijls te celebreren, steeds indachtig dat in het mysterie van het eucharistisch Offer het werk van de verlossing voortdurend voltrokken wordt; het wordt zelfs ten zeerste aanbevolen dagelijks te celebreren, aangezien het - ook als geen gelovigen aanwezig zijn - een handeling is van Christus en de Kerk, waarin de priesters hun voornaamste taak vervullen.

Can. 905 - § 1 Behalve in de gevallen waarin het volgens het recht geoorloofd is meerdere malen op dezelfde dag de Eucharistie te celebreren of te concelebreren, is het de priester niet geoorloofd meer dan éénmaal op een dag te celebreren.
§ 2 Als er gebrek aan priesters is, kan de plaatselijke Ordinaris toestaan dat priesters om een goede reden tweemaal op een dag celebreren, of zelfs, als de pastorale nood dit vereist, ook driemaal op zondagen en verplichte feestdagen.

Can. 906 - Tenzij om een goede en verantwoorde reden mag een priester het eucharistisch Offer niet celebreren zonder de deelneming van ten minste een gelovige.

Can. 907 - Het is diakens en leken niet toegestaan in de eucharistieviering gebeden, in het bijzonder het eucharistisch gebed, uit te spreken of handelingen te verrichten die eigen zijn aan de celebrerende priester.

Can. 908 - Het is katholieke priesters verboden de Eucharistie te concelebreren samen met priesters of bedienaren van Kerken of kerkelijke gemeenschappen die niet in volledige gemeenschap zijn met de katholieke Kerk.

Can. 909 - Een priester mag niet nalaten zich door gebed op passende wijze op de viering van het eucharistisch Offer voor te bereiden en na de beëindiging ervan God dank te zeggen.

Can. 910 - § 1 De gewone bedienaar van de heilige communie is de Bisschop, de priester en de diaken.
§ 2 De buitengewone bedienaar van de heilige communie is de acoliet alsook een andere christengelovige die volgens can. 230, § 3 daartoe is aangesteld.

Can. 911 - § 1 De plicht en het recht om de allerheiligste Eucharistie als Viaticum naar de zieken te brengen hebben de pastoor, de parochievicarissen, de cappellani en - voor allen die in hun huis zijn - de Overste van een communiteit in clericale religieuze instituten of in sociëteiten van apostolisch leven.
§ 2 In geval van nood of met ten minste verondersteld verlof van de pastoor, de cappellanus of de Overste, die nadien hiervan op de hoogte gesteld moet worden, moet iedere priester of andere bedienaar van de heilige communie dit doen.

Art. 2 - Deelname aan de allerheiligste Eucharistie 912-923

Can. 912 - Iedere gedoopte, die hiervan door het recht niet wordt uitgesloten, kan en moet tot de heilige communie toegelaten worden.

Can. 913 - § 1 Opdat de allerheiligste Eucharistie aan kinderen bediend kan worden, wordt vereist dat ze over voldoende kennis beschikken en nauwkeurig voorbereid zijn, zodat ze, overeenkomstig hun bevattingsvermogen, besef hebben van het mysterie van Christus en het Lichaam van de Heer gelovig en vroom kunnen ontvangen.
§ 2 Aan kinderen echter, in stervensgevaar verkerend, mag de allerheiligste Eucharistie bediend worden, als ze het Lichaam van Christus van gewoon voedsel kunnen onderscheiden en de communie met eerbied kunnen ontvangen.

Can. 914 - De ouders eerst en vooral, maar ook diegenen die hun plaats innemen alsook de pastoors, hebben de plicht ervoor te zorgen dat kinderen die tot het gebruik van het verstand gekomen zijn, behoorlijk voorbereid en, na een sacramentele belijdenis, zo spoedig mogelijk met dit goddelijk voedsel gesterkt worden; de pastoor moet er ook op toezien dat geen kinderen tot de heilige Eucharistie naderen die niet tot het gebruik van het verstand gekomen zijn, of van wie hij oordeelt dat ze er nog niet voldoende voor gereed zijn.

Can. 915 - Tot de heilige communie mogen niet toegelaten worden geëxcommuniceerden en degenen die door een interdict getroffen zijn, na het opleggen of verklaren van hun straf, alsook anderen die halsstarrig volharden in een zware zonde die bekend is.

Can. 916 - Wie zich van zware zonde bewust is, mag zonder voorafgaande sacramentele belijdenis niet de Mis celebreren of het Lichaam van de Heer ontvangen, tenzij een ernstige reden aanwezig is en een gelegenheid tot belijdenis ontbreekt; hij dient in dit geval te bedenken dat hij verplicht is een akte van volmaakt berouw te verwekken, die het voornemen insluit om zo spoedig mogelijk te biechten.

Can. 917 - Wie de allerheiligste Eucharistie reeds ontvangen heeft, kan haar op dezelfde dag opnieuw ontvangen alleen binnen de viering van de eucharistie waaraan hij deelneemt, behoudens het voorschrift van can. 921, § 2.

Can. 918 - Het wordt ten zeerste aanbevolen dat de gelovigen de heilige communie binnen de eucharistieviering zelf ontvangen; maar, met inachtneming van de liturgische riten, moet hun ook buiten de Mis de communie gegeven worden als zij er met goede reden om vragen.

Can. 919 - § 1 Wie de allerheiligste Eucharistie gaat ontvangen, moet zich ten minste één uur vóór de communie onthouden van elke spijs of drank, slechts met uitzondering van water en geneesmiddelen.
§ 2 De priester die dezelfde dag twee of drie keer de allerheiligste Eucharistie celebreert, kan iets nemen vóór de tweede of derde viering, ook al ligt er niet een tijd van één uur tussen.
§ 3 Bejaarden, zieken en ook zij die hen verzorgen, kunnen de allerheiligste Eucharistie ontvangen, ook al hebben zij binnen het voorafgaande uur iets gebruikt.

Can. 920 - § 1 Iedere gelovige is verplicht, nadat hij tot de eerste communie is toegelaten, ten minste éénmaal per jaar de heilige communie te ontvangen.
§ 2 Dit voorschrift moet vervuld worden in de paastijd, tenzij het om een goede reden in een andere tijd van het jaar vervuld wordt.

Can. 921 - § 1 Christengelovigen die in stervensgevaar verkeren, op grond van welke oorzaak ook, moeten met de heilige communie als Viaticum gesterkt worden.
§ 2 Ook al zijn zij dezelfde dag door de heilige communie gesterkt, toch wordt het zeer aanbevolen dat degenen die in levensgevaar gekomen zijn, opnieuw communiceren.
§ 3 Als het stervensgevaar voortduurt, wordt aanbevolen de heilige communie meermalen te geven, op onderscheiden dagen.

Can. 922 - Het heilig Viaticum voor de zieken mag niet te lang uitgesteld worden; de zielzorgers moeten er met zorg over waken dat de zieken hiermee gesterkt worden wanneer ze nog volledig bij kennis zijn.

Can. 923 - De christengelovigen kunnen aan het Eucharistisch Offer deelnemen en de heilige communie ontvangen volgens iedere katholieke ritus, met inachtneming van het voorschrift van can. 844.

Art. 3 - Riten en ceremoniën van de eucharistieviering 924-930

Can. 924 - § 1 Het heilig eucharistisch Offer moet opgedragen worden met brood en met wijn waarmee een weinig water moet vermengd worden.
§ 2 Het brood moet van zuiver tarwemeel en recent gebakken zijn, zodat er geen gevaar van bederf is.
§ 3 De wijn moet natuurlijke druivenwijn zijn en niet bedorven.

Can. 925 - De heilige communie moet uitgereikt worden uitsluitend onder de gedaante van brood of, volgens de liturgische wetten, onder beide gedaanten; in geval van nood echter ook onder de gedaante van wijn alleen.

Can. 926 - In de eucharistieviering moet de priester volgens de oude traditie van de latijnse Kerk ongedesemd brood gebruiken, waar hij ook celebreert.

Can. 927 - Het is ten strengste verboden, zelfs in uiterste nood, de ene materie zonder de andere, of ook beide buiten de eucharistieviering, te consacreren.

Can. 928 - De eucharistieviering moet in het latijn gebeuren of in een andere taal, mits de liturgische teksten wettig goedgekeurd zijn.

Can. 929 - Priesters en diakens moeten bij het celebreren en bedienen van de Eucharistie de gewijde gewaden dragen welke door de rubrieken voorgeschreven zijn.

Can. 930 - § 1 Een zieke of bejaarde priester die niet kan blijven staan, mag, met inachtneming van de liturgische wetten, het Eucharistisch Offer zittend celebreren, maar niet in aanwezigheid van het volk, tenzij met verlof van de plaatselijke Ordinaris.
§ 2 Een priester die blind is of aan een andere ziekte lijdt, celebreert geoorloofd het Eucharistisch Offer wanneer hij een goedgekeurde Mistekst naar keuze gebruikt, terwijl, als het nodig is, een andere priester naast hem staat of een diaken, of ook een goed geïnstrueerde leek, om hem te helpen.

Art. 4 - Tijd en plaats van de eucharistieviering 931-933

Can. 931 - De viering en uitreiking van de Eucharistie mag plaats hebben op alle dagen en uren die niet volgens de liturgische voorschriften uitgesloten zijn.

Can. 932 - § 1 De eucharistieviering moet plaatsvinden in een gewijde ruimte, tenzij noodzaak in een bijzonder geval anders vereist; in dit geval moet de viering op een betamelijke plaats gehouden worden.
§ 2 Het eucharistisch Offer moet voltrokken worden op een gewijd of gezegend altaar; buiten een gewijde ruimte kan ook een daartoe geschikte tafel gebruikt worden, maar altijd met behoud van een dwaal en corporale.

Can. 933 - Om een goede reden en met uitdrukkelijk verlof van de plaatselijke Ordinaris is het een priester geoorloofd de Eucharistie te celebreren in de cultusruimte van een andere Kerk of kerkelijke gemeenschap die niet in volledige gemeenschap met de katholieke Kerk is, met vermijding van ergernis.

Hoofdstuk II - Bewaren en vereren van de allerheiligste Eucharistie 934-944

Can. 934 - § 1 De allerheiligste Eucharistie:
1. moet bewaard worden in de kathedrale of daaraan gelijkgestelde kerk, in elke parochiekerk en in de kerk of kapel die verbonden is aan een huis van een religieus instituut of van een sociëteit van apostolisch leven;
2. kan bewaard worden in de kapel van een Bisschop en, met verlof van de plaatselijke Ordinaris, in andere kerken, kapellen en privé-kapellen.
§ 2 Op de gewijde plaatsen waar de allerheiligste Eucharistie bewaard wordt, moet altijd iemand zijn die er zorg voor draagt en, zo mogelijk, moet een priester er ten minste tweemaal in de maand de Mis celebreren.

Can. 935 - Het is niemand geoorloofd de allerheiligste Eucharistie bij zich te bewaren of mee te nemen op reis, tenzij uit pastorale noodzaak en met inachtneming van de voorschriften van de diocesane Bisschop.

Can. 936 - In het huis van een religieus instituut of in een ander religieus huis mag de allerheiligste Eucharistie alleen in de aan het huis verbonden kerk of in de hoofdkapel bewaard worden; om een goede reden kan de Ordinaris dit ook toestaan voor een andere kapel van dit huis.

Can. 937 - Als geen ernstige reden dit in de weg staat, dient de kerk waar de allerheiligste Eucharistie bewaard wordt, dagelijks ten minste enkele uren voor de gelovigen toegankelijk te zijn, opdat ze zich bij het allerheiligste Sacrament aan het gebed kunnen wijden.

Can. 938 - § 1 De allerheiligste Eucharistie dient gewoonlijk slechts in één tabernakel van de kerk of kapel bewaard te worden.
§ 2 Het tabernakel waarin de allerheiligste Eucharistie bewaard wordt, dient in de kerk of kapel op een voorname plaats te staan, die zichtbaar is, smaakvol versierd en geschikt voor gebed.
§ 3 Het tabernakel waarin de allerheiligste Eucharistie gewoonlijk bewaard wordt, dient onverplaatsbaar te zijn, vervaardigd van stevige en niet-doorschijnende materie, en zodanig gesloten dat gevaar van profanatie zo goed mogelijk vermeden wordt.
§ 4 Om een ernstige reden is het geoorloofd de allerheiligste Eucharistie, vooral tijdens de nacht, op een andere waardige plaats te bewaren die veiliger is.
§ 5 Wie de zorg draagt voor een kerk of kapel, dient erop toe te zien dat de sleutel van het tabernakel waarin de allerheiligste Eucharistie bewaard wordt, met de grootste zorgvuldigheid bewaard wordt.

Can. 939 - Ten behoeve van de gelovigen dient een voldoende hoeveelheid geconsacreerde hosties bewaard te blijven in een pyxis of ciborie; deze dienen regelmatig, nadat de oude op de voorgeschreven wijze genuttigd zijn, door nieuwe vervangen te worden.

Can. 940 - Bij het tabernakel waarin de allerheiligste Eucharistie bewaard wordt, moet onafgebroken een speciale lamp branden ter aanduiding en verering van Christus' tegenwoordigheid.

Can. 941 - § 1 In kerken of kapellen waar het is toegestaan de allerheiligste Eucharistie te bewaren, kunnen uitstellingen gehouden worden, hetzij met een pyxis hetzij met een monstrans, met inachtneming van de normen in de liturgische boeken voorgeschreven.
§ 2 Tijdens de viering van de Mis mag in dezelfde ruimte van een kerk of kapel geen uitstelling van het allerheiligste Sacrament gehouden worden.

Can. 942 - Het wordt aanbevolen dat in deze kerken en kapellen jaarlijks gedurende een gepaste tijd, ook al is die niet ononderbroken, een plechtige uitstelling van het allerheiligste Sacrament gehouden wordt, opdat de plaatselijke gemeenschap het eucharistisch mysterie intenser kan overwegen en aanbidden; deze uitstelling moet echter alleen gehouden worden als voldoende toeloop van gelovigen voorzien wordt en met inachtneming van de vastgestelde normen.

Can. 943 - De bedienaar van de uitstelling van het allerheiligste Sacrament en van de eucharistische zegen is de priester of diaken; in bijzondere omstandigheden is de bedienaar van het uitstallen en terugplaatsen - zonder zegen echter - de acoliet, de buitengewone bedienaar van de heilige communie of een ander die aangesteld is door de plaatselijke Ordinaris, met inachtneming van de voorschriften van de diocesane Bisschop

Can. 944 - § 1 Waar het naar het oordeel van de diocesane Bisschop mogelijk is, houde men, vooral op het feest van het Lichaam en Bloed van Christus, een processie langs openbare wegen, als publieke uiting van verering voor de allerheiligste Eucharistie.
§ 2 Het is aan de diocesane Bisschop ten aanzien van processies richtlijnen te bepalen, waarin zorg gedragen wordt in de deelneming hieraan en het waardig verloop ervan.

Hoofdstuk III - Stipendiumgave voor het celebreren van de Mis 945-958

Can. 945 - § 1 Volgens een erkend gebruik van de Kerk mag iedere priester die een Mis celebreert of concelebreert, een stipendiumgave aanvaarden om de Mis voor een bepaalde intentie op te dragen.
§ 2 De priesters wordt dringend aanbevolen, ook als ze geen stipendium hebben ontvangen, toch de Mis ter intentie van de christengelovigen te celebreren, vooral van degenen die behoeftig zijn.

Can. 946 - De christengelovigen die een stipendium aanbieden om de Mis voor hun intentie te laten celebreren, dragen bij tot het welzijn van de Kerk en nemen met die gave deel aan haar zorg om bedienaars en werken te ondersteunen.

Can. 947 - Van misstipendia moet zelfs elke schijn van handel of winstbejag volstrekt geweerd worden.

Can. 948 - Onderscheiden Missen moeten opgedragen worden voor de intenties van degenen voor wie afzonderlijk een stipendium, al is het gering, aangeboden en aanvaard is.

Can. 949 - Wie de verplichting heeft een Mis te celebreren en op te dragen voor de intentie van degenen die een stipendium gegeven hebben, blijft hiertoe gehouden, ook al zijn de ontvangen stipendia buiten zijn schuld verloren gegaan.

Can. 950 - Als een som geld aangeboden wordt om Missen op te dragen zonder aanduiding van het aantal te celebreren Missen, wordt het aantal berekend volgens het stipendium dat bepaald is op de plaats waar de gever verblijft, tenzij wettig verondersteld moet worden dat zijn intentie anders geweest is.

Can. 951 - § 1 Een priester die op dezelfde dag meerdere Missen celebreert, kan die elk afzonderlijk opdragen voor de intentie waarvoor het stipendium aangeboden is, met die bepaling echter dat hij, behalve op Kerstmis, slechts voor één Mis het stipendium voor zichzelf mag houden; de andere moet hij afstaan voor de doeleinden door de Ordinaris voorgeschreven, waarbij een of andere vergoeding op een andere titel weliswaar toegestaan blijft.
§ 2 Een priester die op dezelfde dag een tweede Mis concelebreert, kan hiervoor op geen enkele titel een stipendium ontvangen.

Can. 952 - § 1 Aan het provinciaal Concilie of de bisschoppenvergadering van een kerkprovincie komt het toe om voor de gehele provincie per decreet te bepalen hoeveel men als stipendium moet aanbieden voor het celebreren en opdragen van een Mis, en het is een priester niet geoorloofd een hoger bedrag te eisen; het is hem wel toegestaan een spontaan aangeboden stipendium te aanvaarden dat hoger is dan het vastgestelde, en ook een dat lager is.
§ 2 Waar een dergelijk decreet ontbreekt, moet de gewoonte die in het bisdom geldt, in acht genomen worden.
§ 3 Ook de leden van alle religieuze instituten moeten zich houden aan dit decreet of de plaatselijke gewoonte waarover in §§1 en 2.

Can. 953 - Niemand is het geoorloofd om meer stipendia te aanvaarden voor door hemzelf op te dragen Missen dan waaraan hij binnen het jaar kan voldoen.

Can. 954 - Indien in bepaalde kerken of kapellen meer Missen aangevraagd worden dan ter plaatse gecelebreerd kunnen worden, mogen ze elders opgedragen worden, tenzij de gevers uitdrukkelijk het tegendeel te kennen hebben gegeven.

Can. 955 - § 1 Wie het celebreren van Missen voor intenties aan anderen wil toevertrouwen, moet deze zo spoedig mogelijk aan priesters naar eigen keuze toevertrouwen, op voorwaarde dat hen voor hem vaststaat dat zij volstrekt betrouwbaar zijn; hij moet het gekregen stipendium integraal overdragen, tenzij met zekerheid vaststaat dat hetgeen de in het bisdom verplichte som overschrijdt, met het oog op zijn persoon gegeven is; ook is hij verplicht zorg te dragen voor het celebreren van de Missen, totdat hij bericht ontvangen heeft dat zowel de verplichting aanvaard als het stipendium ontvangen is.
§ 2 De tijd waarbinnen Missen gecelebreerd moeten zijn, begint op de dag waarop de priester die deze zal celebreren, de intenties heeft ontvangen, tenzij anders vaststaat.
§ 3 Degenen die aan anderen het celebreren van Missen toevertrouwen, moeten zonder uitstel in een boek aantekenen zowel de Missen die ze aanvaard hebben als die welke ze aan anderen doorgegeven hebben, met vermelding ook van de stipendia hiervoor.
§ 4 Iedere priester moet nauwkeurig de Missen aantekenen die hij aanvaard heeft om te celebreren en die waaraan hij reeds voldaan heeft.

Can. 956 - Alle beheerders en iedere beheerder afzonderlijk van goederen met vrome bestemming of zij die hoe dan ook verplicht zijn voor het celebreren van Missen zorg te dragen, hetzij clerici hetzij leken, moeten de verplichtingen tot Missen waaraan binnen een jaar nog niet voldaan is, aan hun Ordinarissen overdragen op de wijze door dezen te bepalen.

Can. 957 - De plicht en het recht om erover te waken dat aan de verplichtingen tot Missen voldaan wordt, komt in kerken van de seculiere clerus toe aan de plaatselijke Ordinaris en in kerken van religieuze instituten of sociëteiten van apostolisch leven aan hun Oversten.

Can. 958 - § 1 De pastoor en de rector van een kerk of van een andere godsdienstige plaats waar gewoonlijk misstipendia in ontvangst genomen worden, moeten een speciaal boek bezitten waarin ze nauwkeurig aantekenen het aantal te celebreren Missen, de intentie, de stipendiumgave en de uitvoering ervan.
§ 2 De Ordinaris is verplicht jaarlijks deze boeken persoonlijk of door anderen te inspecteren.

Boek IV Deel I Titel IV Boetesacrament 959-997

Can. 959 - De gelovigen, die in het boetesacrament hun zonden aan een wettige bedienaar belijden, met berouw en met het voornemen zich te beteren, verkrijgen door de absolutie hun door deze bedienaar verleend, van God vergeving van de zonden die zij na het doopsel bedreven hebben, en zij worden tegelijk verzoend met de Kerk, die zij door te zondigen verwond hebben.

Hoofdstuk I - Viering van het sacrament 960-964

Can. 960 - De individuele, volledige belijdenis en de absolutie vormen de enige gewone wijze waarop de gelovige, die zich bewust is van zware zonde, met God en de Kerk verzoend wordt; alleen fysieke of morele onmogelijkheid ontslaat van deze belijdenis, in welk geval de verzoening ook op andere wijzen kan plaatsvinden.

Can. 961 - § 1 De absolutie aan meerdere boetelingen tegelijk, zonder een voorafgaande individuele belijdenis, mag niet op algemene wijze verleend worden tenzij:
1. stervensgevaar dreigt en de priesters de tijd ontbreekt om de belijdenis te aanhoren van iedere boeteling afzonderlijk;
2. een ernstige noodzaak bestaat, dit wil zeggen wanneer, gelet op het aantal boetelingen, onvoldoende biechtvaders beschikbaar zijn om naar behoren de belijdenis van ieder afzonderlijk binnen een passende tijd te aanhoren, zodat de boetelingen buiten eigen schuld gedwongen worden de sacramentele genade of de heilige communie lange tijd te missen; de noodzaak wordt echter niet voldoende geacht, wanneer biechtvaders niet beschikbaar kunnen zijn alleen om reden van een grote toeloop van boetelingen, zoals dit het geval kan zijn bij een groot feest of een bedevaart.
§ 2 Oordelen of de voorwaarden vereist door § 1, nr.2 vervuld zijn, komt toe aan de diocesane Bisschop die, met inachtneming van de criteria samen met de overige leden van de bisschoppenconferentie overeengekomen, de gevallen van zulke noodzaak kan vaststellen.

Can. 962 - § 1 Opdat de christengelovige van een gezamenlijk gegeven sacramentele absolutie op een geldige wijze gebruik maakt, is niet alleen vereist dat hij in de juiste gesteltenis is, maar dat hij tegelijkertijd het voornemen heeft op de gepaste tijd de zware zonden te belijden, die hij op dat ogenblik niet op die wijze kan belijden.
§ 2 De christengelovigen moeten, voor zover dit kan ook bij gelegenheid van het ontvangen van de algemene absolutie, gewezen worden op hetgeen volgens § 1 vereist wordt, en zelfs in geval van stervensgevaar moet, als de tijd het toelaat, aan de algemene absolutie een aansporing voorafgaan dat iedereen ervoor zorgt een akte van berouw te verwekken.

Can. 963 - Onverminderd de verplichting van can. 989 is degene wiens zware zonden door een algemene absolutie vergeven worden verplicht, zodra er gelegenheid is, een individuele belijdenis uit te spreken, vooraleer een tweede maal algemene absolutie te ontvangen, tenzij een goede reden dit verhindert.

Can. 964 - § 1 De eigen plaats om biecht te horen is een kerk of kapel.
§ 2 De normen betreffende de biechtstoel moeten door de bisschoppenconferentie vastgesteld worden; daarbij moet echter verzekerd zijn dat op een open en toegankelijke plaats steeds biechtstoelen voorhanden zijn, voorzien van een vast vlechtwerk tussen de boeteling en de biechtvader, zodat de gelovigen die dit wensen, hiervan vrij gebruik kunnen maken.
§ 3 Buiten de biechtstoel mag geen biecht gehoord worden, tenzij om een goede reden.

Hoofdstuk II - Bedienaar van het sacrament 965-986

Can. 965 - De bedienaar van het boetesacrament is alleen de priester.

Can. 966 - § 1 Voor de geldige absolutie van zonden is vereist dat de bedienaar, behalve de wijdingsmacht, ook de bevoegdheid heeft om die uit te oefenen over de gelovigen aan wie hij de absolutie schenkt.
§ 2 Deze bevoegdheid kan gegeven worden aan een priester hetzij van rechtswege hetzij door de bevoegde overheid volgens can. 969.

Can. 967 - § 1 Naast de Paus bezitten de Kardinalen van rechtswege de bevoegdheid om overal ter wereld biecht te horen van christengelovigen; eveneens de Bisschoppen, die hiervan ook overal geoorloofd gebruik maken, tenzij de diocesane Bisschop dit in een bijzonder geval verboden heeft.
§ 2 Zij die de bevoegdheid bezitten om habitueel biecht te horen, hetzij krachtens hun ambt hetzij krachtens verlening door de Ordinaris van de plaats van incardinatie of van de plaats waar zij domicilie hebben, kunnen deze bevoegdheid overal uitoefenen, tenzij de plaatselijke Ordinaris dit in een bijzonder geval verboden heeft, met inachtneming van de voorschriften van can. 974, §§2 en 3.
§ 3 Van rechtswege genieten zij die krachtens hun ambt of door verlening door de bevoegde Overste volgens de canones 968, § 2 en 969, § 2 over de bevoegdheid beschikken om biecht te horen, diezelfde bevoegdheid overal ten aanzien van de leden en van anderen die dag en nacht in een huis van het instituut of de sociëteit verblijven; zij maken er ook geoorloofd gebruik van, tenzij een hogere Overste dit in een bijzonder geval ten aanzien van zijn eigen onderdanen geweigerd heeft.

Can. 968 - § 1 Krachtens hun ambt bezitten de bevoegdheid om de biecht te horen, ieder voor zijn gebied, de plaatselijke Ordinaris, de kanunnik-penitencier, en eveneens de pastoor en de anderen die de plaats van de pastoor innemen.
§ 2 Krachtens hun ambt bezitten de bevoegdheid om biecht te horen van hun onderdanen en van anderen die dag en nacht in hun huis verblijven, de Oversten van een religieus instituut of van een sociëteit van apostolisch leven, als zij clericaal en van pauselijk recht zijn, die volgens hun constituties uitvoerende bestuursmacht genieten, met inachtneming van het voorschrift van can. 630, § 4.

Can. 969 - § 1 Alleen de plaatselijke Ordinaris is bevoegd om aan iedere priester bevoegdheid te verlenen tot biechthoren van iedere gelovige; priesters echter die lid zijn van religieuze instituten, mogen van deze bevoegdheid geen gebruik maken zonder het ten minste verondersteld verlof van hun Overste.
§ 2 De Overste van een religieus instituut of van een sociëteit van apostolisch leven, over wie in can. 968, § 2, is bevoegd om aan iedere priester de bevoegdheid te verlenen om biecht te horen van zijn onderdanen en van anderen die dag en nacht in zijn huis verblijven.

Can. 970 - De bevoegdheid om biecht te horen mag niet verleend worden tenzij aan priesters die door een examen geschikt bevonden zijn of wier geschiktheid anderszins vaststaat.

Can. 971 - De plaatselijke Ordinaris mag de bevoegdheid om habitueel biecht te horen niet verlenen aan een priester, ook al heeft deze zijn domicilie of quasi-domicilie in zijn gebied, tenzij hij vooraf, in zover dit mogelijk is, de Ordinaris van deze priester gehoord heeft.

Can. 972 - De bevoegdheid om biecht te horen kan door de bevoegde overheid vermeld in can. 969, verleend worden voor onbepaalde of voor bepaalde tijd.

Can. 973 - De bevoegdheid om habitueel biecht te horen dient schriftelijk verleend te worden.

Can. 974 - § 1 De plaatselijke Ordinaris en eveneens de bevoegde Overste mogen de door hen verleende bevoegdheid om habitueel biecht te horen niet herroepen tenzij om een ernstige reden.
§ 2 Indien de bevoegdheid om biecht te horen, verleend door de in can. 967, § 2 vermelde plaatselijke Ordinaris, door deze herroepen wordt, verliest de priester deze bevoegdheid overal; indien dezelfde bevoegdheid door een andere plaatselijke Ordinaris herroepen wordt, verliest hij deze alleen in het ambtsgebied van degene die haar herroept.
§ 3 Iedere plaatselijke Ordinaris die de bevoegdheid om biecht te horen van een of andere priester herroepen heeft, dient de Ordinaris die op grond van incardinatie de eigen Ordinaris van de priester is, hiervan te verwittigen of, indien de priester lid in van een religieus instituut, diens bevoegde Overste.
§ 4 Wanneer de bevoegdheid om biecht te horen door de eigen hogere Overste herroepen is, verliest de priester overal ten aanzien van de leden van het instituut de bevoegdheid om biecht te horen; maar wanneer deze zelfde bevoegdheid door een andere bevoegde Overste herroepen is, verliest hij deze alleen ten aanzien van onderdanen in diens gebied.

Can. 975 - Behalve door herroeping houdt de bevoegdheid waarover in can. 967, § 2, ook op door het verlies van ambt of door excardinatie of verlies van domicilie.

Can. 976 - Iedere priester, zelfs al heeft hij geen bevoegdheid om biecht te horen, absolveert geldig en geoorloofd iedere boeteling die in stervensgevaar verkeert, van elke censuur en zonde, ook al is een bevoegd priester aanwezig.

Can. 977 - De absolutie van een medeplichtige in een zonde tegen het zesde gebod van de Decaloog is ongeldig, behalve in stervensgevaar.

Can. 978 - § 1 De priester dient bij het biechthoren te bedenken dat hij tegelijk als rechter en als geneesheer optreedt, en dat hij door God aangesteld is tot bedienaar zowel van de goddelijke gerechtigheid als barmhartigheid om zorg te dragen voor de eer van God en het zieleheil.
§ 2 Bij het bedienen van het sacrament moet de biechtvader, als bedienaar van de Kerk, zich trouw houden aan de leer van het Leergezag en aan de door de bevoegde overheid uitgevaardigde normen.

Can. 979 - De priester dient bij het stellen van vragen voorzichtig en discreet te werk te gaan, rekening houdend met de situatie en de leeftijd van de boeteling; naar de naam van een medeplichtige mag hij niet vragen.

Can. 980 - Indien er voor de biechtvader geen twijfel bestaat omtrent de gesteltenis van de boeteling en deze de absolutie vraagt, mag deze niet geweigerd noch uitgesteld worden.

Can. 981 - Overeenkomstig de aard en het getal van de zonden, maar rekening houdend met de situatie van de boeteling, dient de biechtvader een heilzame en passende penitentie op te leggen; de boeteling is verplicht deze persoonlijk te volbrengen.

Can. 982 - Wie belijdt een biechtvader die niet schuldig is, bij de kerkelijke overheid ten onrechte te hebben aangeklaagd op grond van de misdaad van aanzetten tot een zonde tegen het zesde gebod van de Decaloog, mag niet geabsolveerd worden, tenzij hij vooraf de valse aanklacht formeel ingetrokken heeft en bereid is eventuele schade te herstellen.

Can. 983 - § 1 Het biechtgeheim is onschendbaar; daarom is het de biechtvader ten strengste verboden met woorden of op welke andere wijze en om welke reden ook over de boeteling ook maar iets bekend te maken.
§ 2 Tot de verplichting om het geheim te bewaren zijn ook gehouden een eventuele tolk en alle anderen, die op welke wijze ook uit een belijdenis zonden te weten zijn gekomen.

Can. 984 - § 1 De biechtvader is het volstrekt verboden van de kennis uit een belijdenis verkregen, gebruik te maken op een wijze die bezwarend is voor de boeteling, ook al is elk gevaar van bekendmaking uitgesloten.
§ 2 Wie in een gezagsfunctie aangesteld is, mag op geen enkele wijze voor het uitwendig bestuur gebruik maken van kennis over zonden die hij, wanneer ook, uit een belijdenis heeft verkregen.

Can. 985 - De novicenmeester en zijn socius, de rector van een seminarie of van een ander opleidingsinstituut mogen geen biecht horen van hun leerlingen die in hetzelfde huis wonen, tenzij deze in bijzondere gevallen uit eigen beweging erom vragen.

Can. 986 - § 1 Iedereen aan wie krachtens zijn ambt zielzorg opgedragen is, heeft de plicht ervoor te zorgen dat van de hem toevertrouwde gelovigen, die dit redelijkerwijze vragen, de biecht gehoord wordt, en dat hun de gelegenheid geboden wordt op vastgestelde dagen en uren die hun schikken, een persoonlijke biecht te spreken.
§ 2 In geval van dringende noodzaak is iedere biechtvader verplicht de biecht van christengelovigen te horen, en in stervensgevaar iedere priester.

Hoofdstuk III – Boeteling 987-991

Can. 987 - Opdat een christengelovige het boetesacrament als een heilzaam middel ontvangt, moet hij zó gesteld zijn dat hij met berouw over de zonden die hij bedreven heeft en met het voornemen zich te beteren, zich tot God bekeert.

Can. 988 - § 1 De christengelovige is verplicht alle zware zonden, na het doopsel bedreven en nog niet door de sleutelmacht van de Kerk rechtstreeks vergeven noch in een persoonlijke biecht beleden, waarvan hij zich na een zorgvuldig gewetensonderzoek bewust is, naar aard en aantal te belijden.
§ 2 Het wordt de christengelovigen aanbevolen ook hun dagelijkse zonden te belijden.

Can. 989 - Iedere gelovige is, wanneer hij tot de jaren van verstand gekomen is, verplicht minstens eenmaal per jaar zijn zware zonden eerlijk te belijden.

Can. 990 - Het is niemand verboden om met behulp van een tolk te biechten, op voorwaarde dat misbruik en ergernis vermeden worden, en met inachtneming van het voorschrift van can. 983, § 2.

Can. 991 - Iedere christengelovige staat het vrij zijn zonden te belijden bij een biechtvader naar keuze, die volgens het recht bevoegd is, ook al is hij van een andere ritus.

Hoofdstuk IV – Aflaten 992-997

Can. 992 - Een aflaat is de kwijtschelding voor God van een tijdelijke straf voor zonden die reeds wat hun schuld betreft uitgewist zijn; de christengelovige, die in de goede gesteltenis is en aan zekere en welomschreven voorwaarden voldoet, verkrijgt deze door de hulp van de Kerk, die als bedienares van de verlossing de schat van genoegdoening van Christus en de Heiligen gezagvol beheert en aanwendt.

Can. 993 - Een aflaat is gedeeltelijk of volledig, naargelang hij gedeeltelijk of volledig bevrijdt van de tijdelijke straf die voor de zonden verschuldigd is.

Can. 994 - Iedere gelovige kan hetzij gedeeltelijke hetzij volle aflaten ofwel voor zichzelf verdienen, ofwel bij wijze van smeekbede voor overledenen aanwenden.

Can. 995 - § 1 Buiten het hoogste gezag van de Kerk kunnen alleen zij aflaten verlenen aan wie deze macht door het recht toegekend wordt of door de Paus verleend.
§ 2 Geen enkel gezag lager dan de Paus kan de macht om aflaten te verlenen aan anderen overdragen, tenzij dit uitdrukkelijk door de Apostolische Stoel toegestaan is.

Can. 996 - § 1 Opdat iemand bekwaam is om aflaten te verdienen moet hij gedoopt zijn, niet geëxcommuniceerd en in staat van genade ten minste bij het beëindigen van de voorgeschreven werken.
§ 2 Wil iemand die hiertoe bekwaam is, inderdaad aflaten verdienen, dan moet hij ten minste de bedoeling hebben om deze te verwerven en moet hij op de gestelde tijd en de vereiste wijze de opgelegde werken verrichten, overeenkomstig de strekking van de aflaat-verlening.

Can. 997 - Wat betreft het verlenen en het gebruikmaken van aflaten, moeten bovendien de overige voorschriften onderhouden worden die vervat zijn in de bijzondere wetten van de Kerk.

Boek IV Deel I Titel V Sacrament van de ziekenzalving 998-1007

Can. 998 - De ziekenzalving, waardoor de Kerk de gelovigen die levensgevaarlijk ziek zijn, aan de lijdende en verheerlijkte Heer aanbeveelt opdat Hij hen opricht en redt, wordt toegediend door hen te zalven met olie en door het uitspreken van de woorden die in de liturgische boeken voorgeschreven zijn..

Hoofdstuk I - Viering van het sacrament 999-1002

Can. 999 - De olie die bij de ziekenzalving gebruikt moet worden, kan, behalve door de Bisschop, ook gezegend worden:
1. door degenen die door het recht met de diocesane Bisschop gelijkgesteld worden;
2. in geval van nood door iedere priester, maar dan in de viering zelf van het sacrament.

Can. 1000 - § 1 De zalvingen dienen zorgvuldig verricht te worden met de woorden, in de volgorde en op de wijze die voorgeschreven zijn in de liturgische boeken; in geval van nood volstaat echter één enkele zalving op het voorhoofd of ook op een ander lichaamsdeel, met het uitspreken van de volledige formule.
§ 2 De bedienaar dient de zalvingen te verrichten met de eigen hand, tenzij een ernstige reden het gebruik van een instrument raadzaam maakt.

Can. 1001 - De zielzorgers en de naastbestaanden van de zieken dienen ervoor te zorgen dat de zieken te gepasten tijde door dit sacrament gesterkt worden.

Can. 1002 - Een gemeenschappelijke viering van de ziekenzalving kan, overeenkomstig de voorschriften van de diocesane Bisschop, voor meerdere zieken tegelijk gebeuren, die naar behoren voorbereid en goed gesteld dienen te zijn.

Hoofdstuk II - Bedienaar van de ziekenzalving 1003

Can. 1003 - § 1 Iedere priester en die alleen dient geldig de ziekenzalving toe.
§ 2 Alle priesters aan wie zielzorg opgedragen is, hebben de plicht en het recht de ziekenzalving toe te dienen aan de gelovigen die aan hun pastorale verantwoordelijkheid toevertrouwd zijn; om een verantwoorde reden mag iedere andere priester dit sacrament toedienen met ten minste veronderstelde toestemming van bovenvermelde priester.
§ 3 Het is aan iedere priester toegestaan gezegende olie bij zich te dragen om in geval van nood het sacrament van de ziekenzalving te kunnen toedienen.

Hoofdstuk III - Aan wie de ziekenzalving toegediend moet worden 1004-1007

Can. 1004 - § 1 De ziekenzalving mag toegediend worden aan de gelovige die, tot het gebruik van het verstand gekomen, tengevolge van ziekte of ouderdom in levensgevaar geraakt.
§ 2 Dit sacrament kan herhaald worden indien de zieke, nadat hij genezen is, opnieuw door een ernstige ziekte getroffen is of indien gedurende dezelfde ziekte het gevaar ernstiger is geworden.

Can. 1005 - Bij twijfel of de zieke tot het gebruik van het verstand gekomen is, of dat hij levensgevaarlijk ziek is of reeds dood, dient het sacrament toegediend te worden.

Can. 1006 - Aan zieken die, toen ze over hun verstandelijke vermogens beschikten, dit sacrament ten minste impliciet gevraagd hebben, dient het toegediend te worden.

Can. 1007 - De ziekenzalving mag niet toegediend worden aan hen die halsstarrig volharden in een zware zonde die bekend is.

Boek IV Deel I Titel VI Wijding 1008-1054

Can. 1008 - Door het wijdingssacrament worden krachtens goddelijke instelling sommigen onder de christengelovigen, door een onuitwisbaar merkteken waarmee ze getekend worden, aangesteld als gewijde bedienaren; zij worden namelijk gewijd en bestemd om, ieder volgens zijn graad, het Godsvolk te weiden door in de persoon van Christus het Hoofd de taken te vervullen van verkondiging, heiliging en bestuur.

Can. 1009 - § 1 De wijdingen zijn het episcopaat, het presbyteraat en het diaconaat.
§ 2 Zij worden toegediend door oplegging van de handen en door het wijdingsgebed dat de liturgische boeken voor elk van de graden voorschrijven.

Hoofdstuk I - Viering en bedienaar van de wijding 1010-1023

Can. 1010 - De toediening van de wijding dient plaats te hebben binnen de viering van een Mis, op een zondag of verplichte feestdag, maar kan om pastorale redenen ook gebeuren op andere dagen, weekdagen niet uitgezonderd.

Can. 1011 - § 1 De toediening van de wijding dient in het algemeen plaats te vinden in de kathedrale kerk; om pastorale redenen kan ze echter plaatsvinden in een andere kerk of een kapel.
§ 2 Voor de toediening van de wijding moeten de clerici en de andere christengelovigen uitgenodigd worden om zo talrijk mogelijk bij de viering tegenwoordig te zijn.

Can. 1012 - De bedienaar van de heilige wijding is de gewijde Bisschop.

Can. 1013 - Het is geen enkele Bisschop toegestaan iemand tot Bisschop te wijden, tenzij vooraf het pauselijk mandaat vaststaat.

Can. 1014 - Tenzij een dispensatie van de Apostolische Stoel gegeven is, dient de Bisschop-hoofdconsecrator bij de bisschopswijding ten minste twee mede-consacrerende Bisschoppen aan zich toe te voegen; het is echter zeer gewenst dat alle aanwezige Bisschoppen samen met hen de gekozene wijden.

Can. 1015 - § 1 Eenieder dient tot het presbyteraat en het diaconaat gewijd te worden door zijn eigen Bisschop of met diens wettige machtigingsbrief.
§ 2 De eigen Bisschop dient, indien hij niet om een goede reden verhinderd is, persoonlijk zijn onderdanen te wijden; maar zonder apostolisch indult kan hij een onderdaan van oosterse ritus niet geoorloofd wijden.
§ 3 Wie een machtigingsbrief tot het ontvangen van wijdingen kan geven, kan diezelfde wijdingen ook zelf toedienen, indien hij het bisschoppelijk merkteken heeft.

Can. 1016 - De eigen Bisschop met betrekking tot de toediening van het diaconaat aan degenen die in de seculiere clerus willen opgenomen worden, is de Bisschop van het bisdom waar de wijdeling domicilie heeft, of van het bisdom waar de wijdeling in dienst wil treden; wat betreft de toediening van het presbyteraat aan seculiere clerici is de eigen Bisschop die van het bisdom waarin de wijdeling door het diaconaat geïncardineerd is.

Can. 1017 - Een Bisschop kan buiten het eigen rechtsgebied alleen met verlof van de diocesane Bisschop wijdingen toedienen.

Can. 1018 - § 1 Voor seculieren kunnen een machtigingsbrief geven:
1. de eigen Bisschop over wie in can. 1016;
2. de apostolische Administrator alsook, met toestemming van het consultorencollege, de diocesane Administrator; met toestemming van de raad waarover in can. 495, § 2, de apostolische Pro-vicaris en Pro-prefect.
§ 2 De diocesane Administrator, de apostolische Pro-vicaris en Pro-prefect mogen geen machtigingsbrief geven voor degenen aan wie door de diocesane Bisschop of de apostolische Vicaris of Prefect de toegang tot de wijdingen ontzegd is.

Can. 1019 - § 1 Aan de hogere Overste van een clericaal religieus instituut van pauselijk recht of van een clericale sociëteit van apostolisch leven van pauselijk recht komt het toe aan zijn onderdanen, die volgens de constituties voor het leven of definitief in het instituut of de sociëteit opgenomen zijn, een machtigingsbrief voor het diaconaat en het presbyteraat te verlenen.
§ 2 De toediening van de wijding van alle overige leden van welk instituut of welke sociëteit ook valt onder het recht van de seculiere clerici, en elk aan Oversten verleend indult is herroepen.

Can. 1020 - Een machtigingsbrief mag niet verleend worden tenzij men vooraf beschikt over alle getuigenissen en documenten die door het recht vereist zijn volgens de canones 1050 en 1051.

Can. 1021 - Een machtigingsbrief kan gezonden worden aan iedere Bisschop die in gemeenschap leeft met de Apostolische Stoel, uitgezonderd slechts, tenzij met een apostolisch indult, aan een Bisschop van een ritus verschillend van die van de wijdeling.

Can. 1022 - De wijdende Bisschop mag na het ontvangen van de wettige machtigingsbrief niet tot de wijding overgaan tenzij de echtheid van de brief duidelijk vaststaat.

Can. 1023 - Een machtigingsbrief kan door degene die hem verleent of door zijn opvolger begrensd worden of herroepen, maar eenmaal verleend verliest hij zijn geldigheid niet met het wegvallen van het recht van degene die hem verleend heeft.

Hoofdstuk II - Wijdelingen 1024-1052

Can. 1024 - Alleen een gedoopte man ontvangt geldig de heilige wijding.

Can. 1025 - § 1 Tot de geoorloofde toediening van de wijdingen van het presbyteraat en het diaconaat is vereist dat de kandidaat, na volgens het recht de proefperiode doorgemaakt te hebben, de vereiste hoedanigheden bezit volgens het oordeel van zijn eigen Bisschop of van zijn bevoegde hogere Overste; dat hij door geen enkele irregulariteit en door geen enkel beletsel gebonden is en dat hij de vereisten volgens de canones 1033-1039 vervuld heeft; bovendien dienen de documenten waarover in can. 1050, voorhanden te zijn en dient het onderzoek waarover in can. 1051, uitgevoerd te zijn.
§ 2 Bovendien is vereist dat de kandidaat naar het oordeel van dezelfde wettige Overste nuttig geacht wordt voor het dienstwerk van de Kerk.
§ 3 Voor de Bisschop die een eigen onderdaan wijdt bestemd voor de dienst in een ander bisdom, moet het vaststaan dat de wijdeling aan dit bisdom verbonden zal worden.

Art. 1 - Vereisten voor wijdelingen 1026-1032

Can. 1026 - Opdat iemand gewijd wordt, moet hij over de vereiste vrijheid beschikken; het is ten strengste verboden iemand op welke wijze of om welke reden ook te dwingen wijdingen te ontvangen of een canoniek geschikte kandidaat van het ontvangen ervan af te houden.

Can. 1027 - Aspiranten voor het diaconaat en het presbyteraat dienen door een zorgvuldige voorbereiding gevormd te worden, volgens het recht.

Can. 1028 - De diocesane Bisschop of de bevoegde Overste dient ervoor te zorgen dat de kandidaten, voordat hun een wijding toegediend wordt, op de voorgeschreven wijze onderricht worden betreffende de wijding en de daaraan verbonden verplichtingen.

Can. 1029 - Wijdingen dienen alleen toegediend te worden aan hen die naar het wijs oordeel van de eigen Bisschop of van de bevoegde hogere Overste, alles in overweging genomen, een ongeschonden geloof hebben, door de juiste intentie geleid worden, de vereiste kennis bezitten, een goede achting genieten, van ongerepte levenswandel zijn en van beproefde deugd, alsook beschikken over de andere fysieke en psychische hoedanigheden in overeenstemming met de te ontvangen wijding.

Can. 1030 - Alleen om een canonieke reden, ook al is ze geheim, kan de eigen Bisschop of de bevoegde hogere Overste diakens die bestemd zijn voor het presbyteraat, en die zijn onderdanen zijn, de opgang naar het presbyteraat verbieden, behoudens beroep volgens het recht.

Can. 1031 - § 1 Het presbyteraat mag niet toegediend worden tenzij aan hen die hun vijfentwintigste levensjaar voltooid hebben en die over voldoende rijpheid beschikken, bovendien met inachtneming van een tussenperiode van ten minste zes maanden tussen het diaconaat en het presbyteraat; wie voor het presbyteraat bestemd zijn, mogen alleen na het voltooien van hun drieëntwintigste levensjaar tot de wijding van het diaconaat toegelaten worden.
§ 2 Een kandidaat voor het permanent diaconaat die niet gehuwd is, mag niet toegelaten worden tot dit diaconaat, tenzij nadat hij ten minste zijn vijfentwintigste levensjaar voltooid heeft; hij die door een huwelijk gebonden is, niet tenzij na het voltooien van ten minste zijn vijfendertigste levensjaar en met toestemming van zijn echtgenote.
§ 3 De bisschoppenconferenties mogen een norm vaststellen waardoor een hogere leeftijd voor het presbyteraat en het permanent diaconaat vereist wordt.
§ 4 Een dispensatie van meer dan één jaar in de vereiste leeftijd volgens §§1 en 2, is voorbehouden aan de Apostolische Stoel.

Can. 1032 - § 1 Aspiranten voor het presbyteraat kunnen alleen maar het diaconaat ontvangen, nadat zij het vijfde jaar van hun filosofisch-theologische studie-opleiding voltooid hebben.
§ 2 Na voltooiing van de studie-opleiding dient de diaken gedurende een passende tijd, vast te stellen door de Bisschop of de bevoegde hogere Overste, in uitoefening van zijn diakenwijding aan de pastorale zorg deel te nemen, voordat hem het presbyteraat toegediend wordt.
§ 3 Een aspirant voor het permanent diaconaat mag deze wijding niet ontvangen, tenzij na voltooiing van de vormingstijd.

Art. 2 - Vereisten die aan de wijding voorafgaan 1033-1039

Can. 1033 - Geoorloofd ontvangt alleen wijdingen hij die het sacrament van het heilig vormsel ontvangen heeft.

Can. 1034 - § 1 Een aspirant voor het diaconaat of het presbyteraat mag niet gewijd worden, tenzij hij eerst in een liturgische aanvaardingsrite van de overheid over wie in de canones 1016 en 1019, opname onder de kandidaten verkregen heeft, na zijn voorafgaande eigenhandig geschreven en ondertekende aanvraag, die door dezelfde overheid schriftelijk aanvaard is.
§ 2 Tot het verkrijgen van deze aanvaarding is niet gehouden wie door geloften in een clericaal instituut opgenomen is.

Can. 1035 - § 1 Voordat iemand het diaconaat, hetzij permanent hetzij als overgang, ontvangt, wordt vereist dat hij de bedieningen van lector en acoliet ontvangen en gedurende een passende tijd uitgeoefend heeft.
§ 2 Tussen de toediening van het acolietaat en het diaconaat dient een tussenperiode van ten minste zes maanden te zijn.

Can. 1036 - Om de wijding van het diakonaat of presbyteraat te kunnen ontvangen, dient de kandidaat aan de eigen Bisschop of bevoegde hogere Overste een eigenhandig geschreven en ondertekende verklaring te overhandigen, waarin hij getuigt dat hij uit eigen beweging en vrij de heilige wijding zal ontvangen en zich voor het leven aan het kerkelijk dienstwerk zal wijden, waarbij hij tegelijk vraagt om toegelaten te worden tot het ontvangen van de wijding.

Can. 1037 - De wijdeling voor het permanent diaconaat die niet gehuwd is en eveneens de wijdeling voor het presbyteraat, mogen tot de wijding van het diaconaat niet toegelaten worden, tenzij ze volgens de voorgeschreven rite publiek voor God en de Kerk de verplichting van het celibaat op zich genomen hebben, of tenzij ze geloften voor het leven in een religieus instituut afgelegd hebben.

Can. 1038 - De diaken die weigert het presbyteraat te ontvangen, kan niet verhinderd worden zijn ontvangen wijding uit te oefenen, tenzij hij daarvan weerhouden wordt door een canoniek beletsel of door een andere ernstige oorzaak, te beoordelen door de diocesane Bisschop of door de bevoegde hogere Overste.

Can. 1039 - Allen die een wijding zullen ontvangen, dienen een retraite te doen gedurende ten minste vijf dagen, op een plaats en een wijze bepaald door de Ordinaris; voordat een Bisschop tot het toedienen van de wijding overgaat, moet hij ervan op de hoogte zijn dat de kandidaten deze retraite op de voorgeschreven wijze gedaan hebben.

Art. 3 - Irregulariteiten en andere beletselen 1040-1049

Can. 1040 - Van het ontvangen van wijdingen worden geweerd wie getroffen zijn door enig beletsel, hetzij door een beletsel voor altijd, dat met de naam irregulariteit aangeduid wordt, hetzij door een eenvoudig beletsel; er wordt echter geen enkel beletsel opgelopen dat in de canones die volgen niet vermeld wordt.

Can. 1041 - Tot het ontvangen van wijdingen zijn irregulier:
1. wie lijdt aan een of andere vorm van krankzinnigheid of een andere psychische ziekte waardoor hij, na raadpleging van deskundigen, ongeschikt geoordeeld wordt om het dienstwerk op de voorgeschreven wijze te vervullen;
2. wie het misdrijf van apostatie, ketterij of schisma bedreven heeft;
3. wie een huwelijk, ook een louter burgerlijk, gewaagd heeft, ofwel terwijl hij zelf verhinderd was tot het aangaan van een huwelijk door een huwelijksband of door een heilige wijding of door een publieke gelofte van kuisheid voor het leven afgelegd, ofwel met een vrouw die door een geldig huwelijk of door eenzelfde gelofte gebonden was;
4. wie vrijwillig een mens gedood heeft of vruchtafdrijving met daadwerkelijk gevolg bewerkt heeft, en allen die positief hun medewerking verleend hebben;
5. wie zichzelf of een ander zwaar en met opzet verminkt heeft of gepoogd heeft zich van het leven te benemen;
6. wie een wijdingshandeling verricht heeft die voorbehouden is aan wie in het episcopaat of presbyteraat gesteld zijn, terwijl hij ofwel deze wijding niet bezat ofwel de uitoefening ervan hem verboden was op grond van een verklaarde of opgelegde canonieke straf.

Can. 1042 - Tot het ontvangen van wijdingen zijn eenvoudig verhinderd:
1. een man die een echtgenote heeft, tenzij hij wettig bestemd is voor het permanent diaconaat;
2. wie een ambt uitoefent of een beheer voert welke door de canones 285 en 286 voor clerici verboden zijn en waarover hij rekenschap moet afleggen, totdat hij, na het ambt of het beheer opgegeven en rekenschap afgelegd te hebben, vrij geworden is;
3. een nieuw-gedoopte, tenzij hij naar het oordeel van de Ordinaris voldoende beproefd bevonden is.

Can. 1043 - De christengelovigen zijn gehouden aan de verplichting beletselen tot de heilige wijdingen, als zij er kennen, vóór de wijding aan de Ordinaris of de pastoor bekend te maken.

Can. 1044 - § 1 Tot het uitoefenen van ontvangen wijdingen zijn irregulier:
1. wie onwettig wijdingen ontvangen heeft, terwijl hij getroffen was door een irregulariteit om wijdingen te ontvangen;
2. wie een misdrijf waarover in can. 1041, nr.2, begaan heeft, indien het misdrijf publiek is;
3. wie een misdrijf begaan heeft waarover in can. 1041, nrs. 3,4,5,6.
§ 2 Tot het uitoefenen van wijdingen zijn verhinderd:
1. wie onwettig wijdingen ontvangen heeft, terwijl hij gebonden was door een beletsel om wijdingen te ontvangen;
2. wie lijdt aan krankzinnigheid of een andere psychische ziekte waarover in can. 1041 nr.1, totdat de Ordinaris, na raadpleging van een deskundige, de uitoefening van deze wijding toegestaan heeft.

Can. 1045 - Onwetendheid betreffende irregulariteiten en beletselen bevrijdt hiervan niet.

Can. 1046 - Irregulariteiten en beletselen worden verveelvoudigd, wanneer ze uit verschillende oorzaken voortkomen, niet echter tengevolge van herhaling van dezelfde oorzaak, tenzij het gaat over de irregulariteit van vrijwillige doding of van bewerkte vruchtafdrijving met daadwerkelijk gevolg.

Can. 1047 - § 1 Aan de Apostolische Stoel alleen is de dispensatie voorbehouden van alle irregulariteiten, wanneer het feit waarop zij steunen bij het gerecht aanhangig gemaakt is.
§ 2 Eveneens aan hem is de dispensatie voorbehouden van de hierna volgende irregulariteiten en beletselen tot het ontvangen van wijdingen:
1. de irregulariteiten ontstaan uit de publieke misdrijven waarover in can. 1041, nrs.2 en 3;
2. de irregulariteit ontstaan uit het misdrijf hetzij publiek hetzij geheim, waarover in can. 1041, nr.4;
3. het beletsel waarover in can. 1042, nr.1.
§ 3 Eveneens aan de Apostolische Stoel is voorbehouden de dispensatie van de irregulariteiten tot het uitoefenen van de ontvangen wijding, waarover in can. 1041 nr.3, alleen in publieke gevallen, en in dezelfde canon nr.4, ook in geheime gevallen.
§ 4 De Ordinaris kan dispenseren van de irregulariteiten en beletselen die niet aan de Heilige Stoel voorbehouden zijn.

Can. 1048 - In geheime gevallen van dringende aard, indien men zich niet tot de Ordinaris kan wenden of, als het gaat over de irregulariteiten waarover in can. 1041, nrs.3 en 4, tot de Penitentiarie, en indien er gevaar dreigt voor ernstige schade of voor verlies van goede naam, kan degene die door de irregulariteiteit verhinderd wordt de wijding uit te oefenen, deze uitoefenen, onverminderd echter de plicht om zich zo spoedig mogelijk te richten tot de Ordinaris of de Penitentiarie, met verzwijging van de naam en door bemiddeling van een biechtvader.

Can. 1049 - § 1 In het verzoekschrift tot het verkrijgen van dispensatie van irregulariteiten en beletselen moeten alle irregulariteiten en beletselen aangegeven worden; een algemene dispensatie geldt nochtans ook voor die welke te goeder trouw verzwegen zijn, uitgezonderd de irregulariteiten waarover in can. 1041, nr.4, of andere die bij het gerecht aanhangig gemaakt zijn, niet echter voor die welke te kwader trouw verzwegen zijn.
§ 2 Indien het gaat over de irregulariteiten ontstaan uit vrijwillige doding of uit bewerkte vruchtafdrijving, moet voor de geldigheid van de dispensatie ook het aantal misdrijven vermeld worden.
§ 3 Een algemene dispensatie van irregulariteiten en beletselen tot het ontvangen van wijdingen geldt voor alle wijdingen.

Art. 4 - Vereiste documenten en onderzoek 1050-1052

Can. 1050 - Opdat iemand de heilige wijdingen kan ontvangen, zijn de volgende documenten vereist:
1. een getuigschrift dat de studies op de voorgeschreven wijze voltooid zijn volgens can. 1032;
2. als het gaat om wijdelingen voor het presbyteraat, een getuigschrift dat zij het diaconaat ontvangen hebben;
3. als het gaat om wijdelingen voor het diaconaat, een getuigschrift dat zij het doopsel en het vormsel ontvangen hebben, alsook de bedieningen waarover in can. 1035; eveneens een getuigschrift dat de verklaring waarover in can. 1036 afgelegd is, alsook, wanneer de wijdeling die het permanent diaconaat zal ontvangen gehuwd is, getuigschriften van de huwelijksviering en van de toestemming van de echtgenote.

Can. 1051 - Wat het onderzoek betreft aangaande de vereiste hoedanigheden van de wijdeling, dienen de voorschriften in acht genomen te worden die volgen:
1. er dient een getuigenis te zijn van de rector van het seminarie of vormingshuis over de hoedanigheden die vereist zijn om de wijding te ontvangen, namelijk de rechtgelovigheid van de kandidaat, zijn echte godsvrucht, zijn goede zeden, zijn geschiktheid om het dienstwerk uit te oefenen; eveneens een getuigenis over zijn fysieke en psychische gezondheidstoestand, nadat op de juiste wijze een onderzoek ingesteld is;
2. om het onderzoek op de juiste wijze uit te voeren kan de diocesane Bisschop of de hogere Overste andere middelen aanwenden die hem, overeenkomstig de omstandigheden van tijd en plaats, nuttig lijken, zoals getuigschriften, afkondigingen of andere inlichtingen.

Can. 1052 - § 1 Opdat een Bisschop tot de toediening van een wijding die hij op grond van eigen recht verricht, kan overgaan, moet voor hem vaststaan dat de documenten waarover in can. 1050 voorhanden zijn, alsook dat, na het volgens het recht gedane onderzoek, de geschiktheid van de kandidaat op grond van positieve argumenten bewezen is.
§ 2 Opdat een Bisschop tot de toediening van de wijding overgaat aan iemand die onderdaan is van een ander, is het voldoende dat de machtigingsbrief vermeldt dat deze documenten voorhanden zijn, dat het onderzoek volgens het recht uitgevoerd is en dat de geschiktheid van de kandidaat vaststaat; als de wijdeling lid is van een religieus instituut of sociëteit van apostolisch leven, moet deze brief bovendien het getuigenis bevatten dat hij definitief opgenomen is in het instituut of de sociëteit en dat hij onderdaan is van de Overste van wie de brief uitgaat.
§ 3 Indien, niettegenstaande dit alles, de Bisschop om zekere redenen twijfelt of de kandidaat geschikt is voor het ontvangen van de wijdingen, mag hij hem niet wijden.

Hoofdstuk III - Registratie en getuigschrift van het toedienen van de wijding 1053-1054

Can. 1053 - § 1 Na de toediening van de wijding dienen de naam van alle gewijden afzonderlijk en van de bedienaar van de wijding, de plaats en dag van toediening van de wijding ingeschreven te worden in een speciaal boek, zorgvuldig te bewaren in de curie van de plaats waar de wijding toegediend is; en alle documenten betreffende het toedienen van elke wijding afzonderlijk dienen zorgvuldig bewaard te worden.
§ 2 Aan iedere gewijde afzonderlijk dient de Bisschop die de wijding toegediend heeft, een authentiek getuigschrift van het ontvangen van de wijding te geven; wie door een vreemde Bisschop op grond van een machtigingsbrief gewijd zijn, dienen dit aan hun eigen Ordinaris voor te leggen om de toediening van de wijding te laten registreren in een speciaal boek, dat in het archief bewaard moet worden.

Can. 1054 - De plaatselijke Ordinaris, indien het gaat over seculiere clerici, of de bevoegde hogere Overste, indien het gaat over zijn eigen onderdanen, dient mededeling te doen van de viering van elke wijding aan de pastoor van de plaats van het doopsel, die dit dient aan te tekenen in zijn doopboek, volgens can. 535, § 2.

Boek IV Deel I Titel VII Huwelijk 1055-1165

Can. 1055 - § 1 Het huwelijksverbond, waardoor man en vrouw met elkaar een algehele levensgemeenschap vormen, die uit haar natuurlijke aard gericht is op het welzijn van de echtgenoten en op het voortbrengen en opvoeden van kinderen, is door Christus de Heer tussen gedoopten verheven tot de waardigheid van sacrament.
§ 2 Daarom kan er tussen gedoopten geen geldig huwelijkscontract bestaan zonder dat het door dit feit zelf sacrament is.

Can. 1056 - De wezenlijke eigenschappen van het huwelijk zijn de eenheid en de onontbindbaarheid, die in het christelijk huwelijk om reden van het sacrament een bijzondere bekrachtiging vinden.

Can. 1057 - § 1 Het huwelijk komt tot stand door de wilsinstemming van de partijen, die door rechtens daartoe bekwame personen wettig geuit wordt; deze kan door geen enkele menselijke macht aangevuld worden.
§ 2 De huwelijksconsensus is een daad van de wil, waardoor man en vrouw zich in een onherroepelijk verbond wederzijds aan elkaar schenken en elkaar aanvaarden om een huwelijk tot stand te brengen.

Can. 1058 - Allen kunnen een huwelijk sluiten, indien hun dit niet door het recht verhinderd wordt.

Can. 1059 - Het huwelijk van katholieken, ook al is maar één partij katholiek, valt niet alleen onder het goddelijk, maar ook onder het canoniek recht, behoudens de bevoegdheid van de burgerlijke overheid inzake de louter burgerlijke gevolgen van dit huwelijk.

Can. 1060 - Het huwelijk geniet rechtsbegunstiging; daarom moet bij twijfel vastgehouden worden aan de geldigheid van het huwelijk totdat het tegendeel bewezen wordt.

Can. 1061 - § 1 Een geldig huwelijk tussen gedoopten heet enkel aangegaan, wanneer het niet voltrokken is; aangegaan en voltrokken, wanneer de echtgenoten op menselijke wijze met elkaar een huwelijksdaad, uit zichzelf geschikt tot het voortbrengen van kinderen, gesteld hebben, waarop het huwelijk van nature gericht is en waardoor de echtgenoten één vlees worden.
§ 2 Na de huwelijksviering wordt, als de echtgenoten samengewoond hebben, de voltrekking gepresumeerd totdat het tegendeel bewezen wordt.
§ 3 Een ongeldig huwelijk heet vermeend, wanneer het door ten minste één partij te goeder trouw gesloten is, totdat beide partijen zekerheid gekregen hebben over de nietigheid daarvan.

Can. 1062 - Een belofte om te huwen, hetzij een eenzijdige hetzij een wederkerige, die men verloving noemt, valt onder het particulier recht dat door de bisschoppenconferentie vastgesteld is, rekening houdend met eventuele gewoonten en burgerlijke wetten.
§ 2 Uit een belofte om te huwen ontstaat geen rechtsvordering om de huwelijksviering te eisen; wel een rechtsvordering tot schadevergoeding, indien deze verschuldigd mocht zijn.

Hoofdstuk I - Pastorale zorg en wat aan de huwelijksviering moet voorafgaan 1063-1072

Can. 1063 - De zielzorgers zijn verplicht ervoor te zorgen dat de eigen kerkelijke gemeenschap de christengelovigen begeleiding biedt, opdat hierdoor de huwelijksstaat in een christelijke geest bewaard blijft en in volmaaktheid groeit. Deze begeleiding moet vooral geboden worden door:
1. prediking, een aan minderjarigen, jongeren en volwassenen aangepaste catechese, zelfs met gebruik van de sociale communicatiemiddelen, opdat de christengelovigen daardoor onderricht worden in de betekenis van het christelijk huwelijk en in de taak van christelijke echtgenoten en ouders;
2. persoonlijke voorbereiding om in het huwelijk te treden, opdat de huwenden daardoor tot een goede gesteltenis gebracht worden met betrekking tot de heiligheid en de plichten van hun nieuwe levensstaat;
3. een vruchtbare liturgische huwelijksviering, opdat daardoor aan de dag treedt dat de echtgenoten het mysterie van de eenheid en van de vruchtbare liefde tussen Christus en de Kerk betekenen en eraan deelhebben;
4. het verlenen van hulp aan gehuwden, opdat zij, door het getrouw bewaren en behoeden van het huwelijksverbond, ertoe komen van dag tot dag een heiliger en rijker gezinsleven te leiden.

Can. 1064 - Het is aan de plaatselijke Ordinaris ervoor te zorgen dat deze begeleiding naar behoren geregeld wordt, na ook mannen en vrouwen, die blijk geven van ervaring en deskundigheid, gehoord te hebben, indien dit geschikt lijkt.

Can. 1065 - § 1 Katholieken die het sacrament van het vormsel nog niet ontvangen hebben, dienen, voordat zij tot het huwelijk toegelaten worden, dat te ontvangen, indien dit kan geschieden zonder ernstig bezwaar.
§ 2 Opdat het sacrament van het huwelijk vruchtbaar ontvangen wordt, wordt aan de verloofden dringend aanbevolen dat zij tot het sacrament van de boete en van de allerheiligste Eucharistie naderen.

Can. 1066 - Voordat een huwelijk gevierd wordt, moet vaststaan dat niets de geldige en geoorloofde viering ervan in de weg staat.

Can. 1067 - De bisschoppenconferentie dient de normen vast te stellen voor het onderzoek aangaande de verloofden, alsook voor de huwelijksafkondigingen of voor andere geschikte middelen om de onderzoekingen te verrichten die vóór het huwelijk noodzakelijk zijn; als deze normen zorgvuldig onderhouden zijn, kan de pastoor overgaan tot het assisteren bij het huwelijk.

Can. 1068 - In stervensgevaar, indien andere bewijzen niet verkregen kunnen worden, volstaat, tenzij tegenstrijdige aanwijzingen aanwezig zijn, de bevestiging van de contracterende partijen, eventueel onder ede, dat zij gedoopten zijn en door geen enkel beletsel weerhouden worden.

Can. 1069 - Alle gelovigen zijn aan de verplichting gehouden om beletselen, indien zij er kennen, aan de pastoor of aan de plaatselijke Ordinaris vóór de viering van het huwelijk bekend te maken.

Can. 1070 - Indien iemand anders dan de pastoor, wie het toekomt bij het huwelijk te assisteren, de onderzoekingen verricht heeft, dient hij die pastoor zo vlug mogelijk op de hoogte te stellen van het resultaat ervan door middel van een authentiek document.

Can. 1071 - § 1 Een geval van noodzaak uitgezonderd, mag iemand zonder verlof van de plaatselijke Ordinaris niet assisteren bij:
1. een huwelijk van zwervers;
2. een huwelijk dat volgens de burgerlijke wet niet erkend of gesloten kan worden;
3. een huwelijk van degene die ten aanzien van een andere partij of van kinderen gehouden is door natuurlijke verplichtingen, voortvloeiend uit een voorafgaande verbintenis;
4. een huwelijk van degene die op publiek gekende wijze het katholieke geloof verworpen heeft;
5. een huwelijk van degene die door een censuur getroffen is;
6. een huwelijk van een minderjarig kind, wanneer de ouders niet op de hoogte zijn of wanneer zij op redelijke gronden ertegen zijn;
7. een huwelijk, te sluiten door middel van een gevolmachtigde; waarover in can. 1105.
§ 2 De plaatselijke Ordinaris mag het verlof tot het assisteren bij een huwelijk van degene die op publiek gekende wijze het katholieke geloof verworpen heeft, niet geven, tenzij met inachtneming van de normen waarover in can. 1125, toe te passen in zover het kan.

Can. 1072 - De zielzorgers dienen jongeren af te houden van de viering van een huwelijk vóór de leeftijd waarop men volgens de in de streek aanvaarde gebruiken gewoon is in het huwelijk te treden.

Hoofdstuk II - Ongeldigmakende beletselen in het algemeen 1073-1082

Can. 1073 - Een ongeldigmakend beletsel maakt een persoon onbekwaam om een geldig huwelijk te sluiten.

Can. 1074 - Publiek wordt geacht een beletsel dat in het uitwendig rechtsbereik bewezen kan worden; anders is het geheim.

Can. 1075 - § 1 Alleen het hoogste gezag van de Kerk kan authentiek verklaren wanneer het goddelijk recht een huwelijk verbiedt of ongeldig maakt.
§ 2 Zo ook heeft alleen het hoogste gezag het recht andere beletselen voor gedoopten vast te stellen.

Can. 1076 - Een gewoonte die een nieuw beletsel invoert of die tegenstrijdig is met bestaande beletselen, wordt verworpen.

Can. 1077 - § 1 De plaatselijke Ordinaris kan aan eigen onderdanen, waar zij ook verblijven, en aan allen die zich daadwerkelijk in zijn eigen ambtsgebied bevinden, het huwelijk in een bijzonder geval verbieden, maar alleen tijdelijk, om een ernstige reden en zolang deze duurt.
§ 2 Alleen het hoogste gezag van de Kerk kan aan het verbod een ongeldigmakende clausule toevoegen.

Can. 1078 - § 1 De plaatselijke Ordinaris kan eigen onderdanen, waar zij ook verblijven, en allen die zich daadwerkelijk in zijn eigen ambtsgebied bevinden, dispenseren van alle beletselen van kerkelijk recht, met uitzondering van die waarvan de dispensatie aan de Apostolische Stoel voorbehouden wordt.
§ 2 De beletselen waarvan de dispensatie aan de Apostolische Stoel voorbehouden wordt, zijn:
1. het beletsel voortvloeiend uit heilige wijdingen of uit een publieke gelofte van kuisheid, voor het leven afgelegd in een religieus instituut van pauselijk recht.
2. het beletsel van misdaad waarover in can. 1090.
§ 3 Nooit wordt dispensatie gegeven van het beletsel van bloedverwantschap in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn.

Can. 1079 - § 1 Bij dreigend stervensgevaar kan de plaatselijke Ordinaris, zowel met betrekking tot de bij de viering van het huwelijk in acht te nemen vorm als met betrekking tot elk van de beletselen van kerkelijk recht, hetzij publieke hetzij geheime, de eigen onderdanen dispenseren, waar zij ook verblijven, en allen die zich daadwerkelijk in zijn eigen ambtsgebied bevinden, met uitzondering van het beletsel voortvloeiend uit de heilige wijding van het priesterschap.
§ 2 In dezelfde omstandigheden waarover in § 1, maar alleen voor gevallen waarin men zich zelfs niet wenden kan tot de plaatselijke Ordinaris, beschikt over dezelfde macht om te dispenseren zowel de pastoor als de op de voorgeschreven wijze gedelegeerde gewijde bedienaar, en eveneens de priester of diaken die bij het huwelijk, volgens can. 1116, § 2, assisteert.
§ 3 In stervensgevaar heeft de biechtvader de macht om voor het inwendig rechtsbereik te dispenseren van geheime beletselen, hetzij binnen hetzij buiten de handeling van de sacramentele belijdenis.
§ 4 In het geval waarover in § 2, wordt geacht dat men zich niet tot de plaatselijke Ordinaris kan wenden indien dit alleen per telegraaf of per telefoon kan geschieden.

Can. 1080 - § 1 Zo dikwijls als een beletsel ontdekt wordt wanneer alles voor de huwelijksviering reeds in gereedheid gebracht is, en het huwelijk niet zonder het waarschijnlijk gevaar voor een ernstig nadeel uitgesteld kan worden totdat de dispensatie van de bevoegde overheid verkregen is, hebben de macht om te dispenseren van alle beletselen, met uitzondering van die waarover in can. 1078, § 2, nr.1, de plaatselijke Ordinaris en, mits het geval geheim is, allen vermeld in can. 1079, §§2-3, met inachtneming van de daar voorgeschreven voorwaarden.
§ 2 Deze macht geldt ook voor het valideren van een huwelijk, indien uitstel hetzelfde gevaar met zich meebrengt en er geen tijd meer is om zich te wenden tot de Apostolische Stoel of tot de plaatselijke Ordinaris, met betrekking tot beletselen waarvan deze laatste kan dispenseren.

Can. 1081 - De pastoor, ofwel de priester of diaken, over wie in can. 1079, § 2, dient onmiddellijk de plaatselijke Ordinaris op de hoogte te brengen van een dispensatie verleend voor het uitwendig rechtsbereik; en hiervan dient aantekening gemaakt te worden in het huwelijksregister.

Can. 1082 - Tenzij een rescript van de Penitentiarie anders bepaalt, dient de dispensatie, verleend voor het niet-sacramentele inwendig rechtsbereik met betrekking tot een geheim beletsel, opgeschreven te worden in een boek, dat in het geheime archief van de curie bewaard moet worden, en er is geen andere dispensatie voor het uitwendig rechtsbereik nodig indien het geheim beletsel later publiek wordt.

Hoofdstuk III - Ongeldigmakende beletselen in het bijzonder 1083-1094

Can. 1083 - § 1 Een man kan voor de voltooiing van zijn zestiende levensjaar en een vrouw evenzo voor de voltooiing van haar veertiende levensjaar niet geldig in het huwelijk treden.
§ 2 De bisschoppenconferentie mag een hogere leeftijd voor de geoorloofde viering van het huwelijk vaststellen.

Can. 1084 - § 1 Voorafgaande en blijvende impotentie tot geslachtsgemeenschap, hetzij bij de man hetzij bij de vrouw, hetzij absoluut hetzij relatief, maakt het huwelijk krachtens zijn aard zelf ongeldig.
§ 2 Indien het beletsel van impotentie twijfelachtig is, hetzij door een rechtstwijfel hetzij door een twijfel over feiten, mag het huwelijk niet verhinderd worden noch, zolang deze twijfel bestaat, nietig verklaard worden.
§ 3 Onvruchtbaarheid maakt een huwelijk niet ongeoorloofd noch ongeldig, met inachtneming van het voorschrift van can. 1098.

Can. 1085 - § 1 Wie door de band van een vorig huwelijk gebonden is, ook al is het niet voltrokken, waagt ongeldig een huwelijk.
§ 2 Al is een vorig huwelijk nietig of om welke reden ook ontbonden, toch is het niet toegestaan een ander huwelijk te sluiten, voordat de nietigheid of ontbinding van het vorige wettig en zeker vaststaat.

Can. 1086 - § 1 Het huwelijk tussen twee personen van wie de ene gedoopt is in de katholieke Kerk of in haar is opgenomen en haar niet bij formele akt verlaten heeft, en van wie de andere niet gedoopt is, is ongeldig.
§ 2 Van dit beletsel mag niet gedispenseerd worden, tenzij de voorwaarden vervuld zijn waarover in de canones 1125 en 1126.
§ 3 Wanneer een partij ten tijde van het sluiten van het huwelijk algemeen als gedoopt beschouwd werd of haar doopsel twijfelachtig was, moet overeenkomstig can. 1060 de geldigheid van het huwelijk gepresumeerd worden, totdat zeker bewezen wordt dat de ene partij gedoopt is, de andere niet gedoopt.

Can. 1087 - Wie heilige wijdingen ontvangen hebben, wagen ongeldig een huwelijk.

Can. 1088 - Wie gebonden zijn door een publieke gelofte van kuisheid, voor het leven afgelegd in een religieus instituut, wagen ongeldig een huwelijk.

Can. 1089 - Tussen een man en een vrouw die ontvoerd is, of die tenminste vastgehouden wordt met de bedoeling met haar een huwelijk te sluiten, kan geen huwelijk tot stand komen tenzij daarna de vrouw, van haar ontvoerder gescheiden en op een veilige en vrije plaats gebracht, vrijwillig het huwelijk kiest.

Can. 1090 - § 1 Wie, met de bedoeling in het huwelijk te treden met een bepaald persoon, diens huwelijkspartner of de eigen huwelijkspartner gedood heeft, waagt ongeldig dit huwelijk.
§ 2 Ook zij wagen ongeldig met elkaar een huwelijk, die in onderlinge fysieke of morele samenwerking een huwelijkspartner gedood hebben.

Can. 1091 - § 1 Bij bloedverwantschap in de rechte lijn is het huwelijk nietig tussen alles ascendenten en descendenten, zowel wettige als natuurlijke.
§ 2 In de zijlijn is het huwelijk nietig tot en met de vierde graad.
§ 3 Het beletsel van bloedverwantschap wordt niet verveelvoudigd.
§ 4 Nooit mag een huwelijk toegelaten worden, indien nog enige twijfel bestaat of partijen bloedverwant zijn in een of andere graad van de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn.

Can. 1092 - Aanverwantschap in de rechte lijn maakt het huwelijk in elke graad ongeldig.

Can. 1093 - Het beletsel van publieke eerbaarheid ontstaat uit een ongeldig huwelijk, na aanvang van het gemeenschappelijk leven, of uit een algemeen gekend of publiek concubinaat; en het maakt het huwelijk ongeldig in de eerste graad van de rechte lijn tussen de man en de bloedverwanten van de vrouw, en omgekeerd.

Can. 1094 - Wie door wettelijke verwantschap voortvloeiend uit adoptie in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn verbonden zijn, kunnen niet geldig een huwelijk sluiten met elkaar.

Hoofdstuk IV - Huwelijksconsensus 1095-1107

Can. 1095 - Onbekwaam tot het sluiten van een huwelijk zijn:
1. zij die niet beschikken over voldoende gebruik van het verstand;
2. zij die lijden aan een ernstig gebrek aan oordeelsvermogen met betrekking tot de wederzijds over te dragen en te aanvaarden wezenlijke rechten en plichten van het huwelijk;
3. zij die wegens redenen van psychische aard de wezenlijke verplichtingen van het huwelijk niet op zich kunnen nemen.

Can. 1096 - § 1 Opdat een huwelijksconsensus kan bestaan, is het noodzakelijk dat de contractanten ten minste niet onwetend zijn aangaande het feit dat het huwelijk een blijvende gemeenschap is tussen een man en een vrouw, gericht op het verwekken van kinderen door enige seksuele samenwerking.
§ 2 Deze onwetendheid wordt na de puberteit niet gepresumeerd.

Can. 1097 - § 1 Dwaling aangaande de persoon maakt het huwelijk ongeldig.
§ 2 Dwaling aangaande een eigenschap van de persoon, ook al is zij oorzaak van het contract, maakt een huwelijk niet ongeldig, tenzij deze eigenschap rechtstreeks en hoofdzakelijk beoogd wordt.

Can. 1098 - Wie in het huwelijk treedt misleid door list, aangewend om de consensus te verkrijgen, betreffende een of andere eigenschap van de andere partij, die uit haar aard de huwelijksgemeenschap ernstig kan verstoren, sluit het huwelijk ongeldig.

Can. 1099 - Dwaling aangaande de eenheid of de onontbindbaarheid of aangaande de sacramentele waardigheid van het huwelijk tast, mits deze de wil niet bepaalt, de huwelijksconsensus niet aan.

Can. 1100 - De wetenschap of de mening dat het huwelijk ongeldig is, sluit de huwelijksconsensus niet noodzakelijk uit.

Can. 1101 - § 1 De innerlijke consensus wordt gepresumeerd in overeenstemming te zijn met de woorden of tekenen die in de huwelijksviering gebruikt zijn.
§ 2 Indien evenwel één of elk van beide partijen door een positieve wilsdaad het huwelijk zelf uitsluit, of een of ander wezenlijk element van het huwelijk, of een of andere wezenlijke eigenschap, sluit zij het huwelijk ongeldig.

Can. 1102 - § 1 Een huwelijk kan onder een voorwaarde die op de toekomst betrekking heeft, niet geldig gesloten worden.
§ 2 Een huwelijk gesloten onder een voorwaarde die op het verleden of op het heden betrekking heeft, is al of niet geldig in zover datgene wat onder de voorwaarde valt, al of niet bestaat.
§ 3 De voorwaarde echter waarover in § 2, kan niet geoorloofd worden toegevoegd tenzij met schriftelijk gegeven verlof van de plaatselijke Ordinaris.

Can. 1103 - Ongeldig is een huwelijk dat aangegaan is onder dwang of onder ernstige vrees van buitenaf, ook zonder opzet aangejaagd, zó dat iemand, om zich hiervan te kunnen bevrijden, gedwongen wordt het huwelijk te kiezen.

Can. 1104 - § 1 Om geldig een huwelijk te sluiten is het noodzakelijk dat de contractanten samen aanwezig zijn, hetzij persoonlijk hetzij door een gevolmachtigde.
§ 2 De huwenden dienen de huwelijksconsensus in woorden uit te drukken; maar als zij niet kunnen spreken, door gelijkwaardige tekenen.

Can. 1105 - § 1 Om geldig door middel van een gevolmachtigde in het huwelijk te treden, wordt vereist:
1. dat een bijzonder mandaat bestaat om met een bepaald persoon een huwelijk te sluiten;
2. dat de gevolmachtigde door de opdrachtgever zelf aangeduid wordt en dat hij zijn taak persoonlijk vervult.
§ 2 Om geldig te zijn moet het mandaat ondertekend worden door de opdrachtgever en bovendien door de pastoor of de Ordinaris van de plaats waar het mandaat gegeven wordt, of door een priester die door één van beiden gedelegeerd is, of door ten minste twee getuigen; ofwel moet het neergelegd worden in een volgens het burgerlijk recht authentiek document.
§ 3 Als de opdrachtgever niet kan schrijven, dient dit in het mandaat zelf vermeld te worden en dient een andere getuige toegevoegd te worden die zelf ook het schrijven dient te ondertekenen; anders is het mandaat ongeldig.
§ 4 Indien de opdrachtgever, voordat de gevolmachtigde in diens naam het huwelijk sluit, het mandaat herroepen heeft of krankzinnig geworden is, is het huwelijk ongeldig, ook al wist hetzij de gevolmachtigde hetzij de andere huwende partij dit niet.

Can. 1106 - Een huwelijk kan gesloten worden door middel van een tolk; maar de pastoor mag hierbij niet assisteren, voordat hij zeker is van de betrouwbaarheid van de tolk.

Can. 1107 - Ook al is een huwelijk ongeldig aangegaan om reden van een beletsel of van een gebrek in de vorm, wordt de gegeven huwelijksconsensus gepresumeerd voort te duren totdat de herroeping ervan vaststaat.

Hoofdstuk V - Vorm van de huwelijksviering 1108-1123

Can. 1108 - § 1 Alleen die huwelijken zijn geldig die gesloten worden ten overstaan van de assisterende plaatselijke Ordinaris of pastoor of van een door een van beiden gedelegeerde priester of diaken, en ten overstaan van twee getuigen, volgens de regels echter uitgedrukt in de canones die volgen, en behoudens de uitzonderingen waarover in de canones 144, 1112 § 1, 1116 en 1127, §§2-3.
§ 2 Onder de bij een huwelijk assisterende wordt alleen diegene verstaan die, zelf aanwezig, de uiting van de consensus van de huwenden vraagt en deze in naam van de Kerk aanvaardt.

Can. 1109 - De plaatselijke Ordinaris en de pastoor assisteren krachtens hun ambt binnen de grenzen van hun gebied geldig bij huwelijken, niet alleen van onderdanen, maar ook van niet-onderdanen, mits een van beiden tot de Latijnse ritus behoort, tenzij deze plaatselijke Ordinaris of pastoor door een vonnis of een decreet geëxcommuniceerd zijn of onder interdict geplaatst, of in hum ambt gesuspendeerd of als zodanig verklaard zijn.

Can. 1110 - Een personele Ordinaris en pastoor assisteren krachtens hun ambt geldig bij het huwelijk alleen van hen, van wie ten minste een van beiden onderdaan is binnen de grenzen van hun rechtsgebied.

Can. 1111 - § 1 De plaatselijke Ordinaris en de pastoor kunnen, zolang zij geldig hun ambt uitoefenen, de bevoegdheid, ook de algemene, om binnen de grenzen van hun ambtsgebied bij huwelijken te assisteren, aan priesters en diakens delegeren.
§ 2 Om geldig te zijn moet de delegatie van de bevoegdheid om bij huwelijken te assisteren uitdrukkelijk aan bepaalde personen gegeven worden; indien het gaat om een bijzondere delegatie, moet zij voor een bepaald huwelijk gegeven worden; indien het echter gaat om een algemene delegatie, moet zij schriftelijk verleend worden.

Can. 1112 - § 1 Waar priesters en diakens ontbreken, kan de diocesane Bisschop, met voorafgaand gunstig oordeel van de bisschoppenconferentie en na het verkrijgen van verlof van de Heilige Stoel, leken delegeren om bij huwelijken te assisteren.
§ 2 Men dient een geschikte leek te kiezen, die bekwaam is om onderricht te verstrekken aan de huwenden en die in staat is om de huwelijksliturgie op de voorgeschreven wijze te voltrekken.

Can. 1113 - Voordat een bijzondere delegatie verleend wordt, dient voorzien te worden in alles wat het recht bepaalt om de vrijheid van staat te bewijzen.

Can. 1114 - Iemand die bij een huwelijk assisteert, handelt ongeoorloofd, als de vrije staat van de contractanten volgens het recht voor hem niet vaststaat, en, indien het mogelijk is, het verlof van de pastoor, telkens wanneer hij krachtens een algemene delegatie assisteert.

Can. 1115 - Huwelijken dienen gevierd te worden in de parochie waar één van beide contractanten domicilie heeft of quasi-domicilie of een verblijf van een maand, ofwel, indien het zwervers betreft, in de parochie waar zij daadwerkelijk verblijven; met verlof van de eigen Ordinaris of van de eigen pastoor kunnen zij elders gevierd worden.

Can. 1116 - § 1 Indien men niet zonder ernstig bezwaar kan beschikken over of zich wenden tot iemand die volgens het recht bevoegd is om te assisteren, kunnen zij die de bedoeling hebben een echt huwelijk aan te gaan, dit geldig en geoorloofd sluiten ten overstaan van alleen de getuigen:
1. in stervensgevaar;
2. buiten stervensgevaar, mits naar wijs oordeel voorzien wordt dat deze omstandigheden een maand zullen duren.
§ 2 In beide gevallen moet, als een andere priester of diaken voorhanden is die aanwezig kan zijn, deze geroepen worden en samen met de getuigen bij de viering van het huwelijk aanwezig zijn, met behoud van de geldigheid van het huwelijk ten overstaan van alleen de getuigen.

Can. 1117 - De boven vastgestelde vorm moet in acht genomen worden, indien ten minste één van beide partijen die het huwelijk sluiten in de katholieke Kerk gedoopt is of hierin opgenomen en haar niet bij formele akt verlaten heeft, behoudens de voorschriften van can. 1127, § 2.

Can. 1118 - § 1 Het huwelijk tussen katholieken of tussen een katholieke partij en een gedoopte niet-katholieke partij dient in de parochiekerk gevierd te worden; het kan in een andere kerk of kapel gevierd worden met verlof van de plaatselijke Ordinaris of pastoor.
§ 2 De plaatselijke Ordinaris kan toestaan dat het huwelijk op een andere passende plaats gevierd wordt.
§ 3 Het huwelijk tussen een katholieke partij en een niet-gedoopte partij kan in een kerk of op een andere passende plaats gevierd worden.

Can. 1119 - Tenzij in geval van nood dienen bij een huwelijksviering de riten in acht genomen te worden die zijn voorgeschreven in de door de Kerk goedgekeurde liturgische boeken, of die aanvaard zijn door wettige gewoonten.

Can. 1120 - De bisschoppenconferentie kan een, door de Heilige Stoel te beoordelen, eigen ritus voor het huwelijk opstellen, in overeenstemming met de aan de christelijke geest aangepaste gebruiken van plaatsen en volkeren, met inachtneming echter van de wet dat degene die bij het huwelijk assisteert, zelf aanwezig, de uiting van de consensus van de contractanten dient te vragen en ze te aanvaarden.

Can. 1121 - § 1 Na de huwelijkssluiting dient de pastoor van de plaats waar het gevierd is of zijn plaatsvervanger, ook al heeft geen van beiden erbij geassisteerd, zo spoedig mogelijk in het huwelijksregister op te tekenen de namen van de echtgenoten, van degene die assisteerde en van de getuigen en de plaats en de dag van de huwelijksviering, op de wijze die voorgeschreven is door de bisschoppenconferentie of door de diocesane Bisschop.
§ 2 Telkens wanneer een huwelijk volgens can. 1116 gesloten wordt, zijn de priester of diaken, als er een bij de viering aanwezig geweest is, en anders de getuigen hoofdelijk met de contractanten ertoe gehouden de pastoor of de plaatselijke Ordinaris zo spoedig mogelijk van het aangegane huwelijk op de hoogte te brengen.
§ 3 Wat betreft een huwelijk dat met dispensatie van de canonieke vorm gesloten is, dienst de plaatselijke Ordinaris die de dispensatie verleend heeft, ervoor te zorgen dat de dispensatie en de viering ingeschreven worden in het huwelijksregister zowel van de curie als van de eigen parochie van de katholieke partij waarvan de pastoor de onderzoekingen naar de vrije staat verricht heeft; de katholieke echtgenoot is ertoe gehouden dezelfde Ordinaris en pastoor zo spoedig mogelijk van de huwelijksviering op de hoogte te brengen, tevens met aanduiding van de plaats van viering alsook van de in acht genomen publieke vorm.

Can. 1122 - § 1 De sluiting van het huwelijk dient ook aangetekend te worden in de doopregisters waarin het doopsel van de echtgenoten ingeschreven is.
§ 2 Indien een echtgenoot het huwelijk niet gesloten heeft in de parochie waar hij gedoopt is, dient de pastoor van de plaats waar het gevierd is, de pastoor van de plaats van toediening van het doopsel zo spoedig mogelijk een kennisgeving te sturen dat het huwelijk aangegaan is.

Can. 1123 - Telkens wanneer een huwelijk ofwel gevalideerd wordt voor het uitwendig rechtsbereik, ofwel nietig verklaard wordt, ofwel wettig ontbonden wordt op een andere wijze dan door de dood, moet de pastoor van de plaats van de huwelijksviering op de hoogte gebracht worden, opdat de aantekening ervan in de huwelijks- en doopregisters op de voorgeschreven wijze geschiedt.

Hoofdstuk VI - Gemengde huwelijken 1124-1129

Can. 1124 - Het huwelijk tussen twee gedoopte personen, van wie de ene in de katholieke Kerk gedoopt of hierin na het doopsel opgenomen is, en haar niet bij formele akt verlaten heeft, en van wie de andere ingeschreven is in een Kerk of kerkelijke gemeenschap die niet in volledige gemeenschap leeft met de katholieke Kerk, is zonder uitdrukkelijk verlof van de bevoegde overheid verboden.

Can. 1125 - Dit verlof kan de plaatselijke Ordinaris verlenen, indien een goede en verantwoorde reden aanwezig is; hij mag dit niet verlenen tenzij de voorwaarden vervuld zijn die volgen:
1. de katholieke partij dient te verklaren bereid te zijn gevaar voor geloofsafval te vermijden en zij dient een oprechte belofte af te leggen naar vermogen alles te zullen doen opdat alle kinderen in de katholieke Kerk gedoopt en opgevoed worden;
2. van deze door de katholieke partij af te leggen beloften dient de andere partij tijdig op de hoogte gebracht te worden, en wel zó dat het vaststaat dat zijzelf werkelijk bewust is van de belofte en verplichting van de katholieke partij;
3. beide partijen dienen onderricht te worden over de doeleinden en de wezenlijke eigenschappen van het huwelijk, die door geen van beide contractanten uitgesloten mogen worden.

Can. 1126 - Het komt de bisschoppenconferentie toe de wijze vast te stellen waarop deze verklaringen en beloften, die altijd vereist zijn, gedaan moeten worden, en eveneens de wijze te bepalen waarop deze in het uitwendig rechtsbereik dienen vast te staan en hoe de niet-katholieke partij op de hoogte gebracht dient te worden.

Can. 1127 - § 1 Wat de vorm betreft die in een gemengd huwelijk gebruikt moet worden, dienen de voorschriften van can. 1108 in acht genomen te worden; maar als een katholieke partij een huwelijk sluit met een niet-katholieke partij van een oosterse ritus, moet de canonieke vorm van huwelijksviering slechts voor de geoorloofdheid in acht genomen worden; voor de geldigheid echter is de tussenkomst van een gewijde bedienaar vereist; met inachtneming van de andere rechtsvoorschriften.
§ 2 Indien ernstige moeilijkheden het in acht nemen van de canonieke vorm in de weg staan, heeft de plaatselijke Ordinaris van de katholieke partij het recht hiervan in afzonderlijke gevallen te dispenseren, na raadpleging echter van de Ordinaris van de plaats waar het huwelijk gevierd wordt en met behoud van een of andere publieke vorm van viering voor de geldigheid ervan; het komt aan de bisschoppenconferentie toe de normen vast te stellen, volgens welke voornoemde dispensatie op eenvormige wijze verleend wordt.
§ 3 Het is verboden vóór of na de canonieke viering volgens § 1, een andere religieuze viering van hetzelfde huwelijk te laten plaatsvinden om de huwelijksconsensus te geven of te hernieuwen; zo ook mag er geen religieuze viering plaatsvinden waarin de katholieke assisterende en de niet-katholieke bedienaar gezamenlijk, ieder zijn eigen ritus voltrekkend, de consensus van de partijen vragen.

Can. 1128 - De plaatselijke Ordinarissen en de andere zielzorgers dienen ervoor te zorgen dat het de katholieke echtgenoot en de kinderen die uit een gemengd huwelijk geboren zijn, niet aan geestelijke hulp ontbreekt om hun verplichtingen te vervullen, en zij dienen de echtgenoten eveneens te helpen om de eenheid van het echtelijk leven en van het gezinsleven te behartigen.

Can. 1129 - De voorschriften van de canones 1127 en 1128 moeten ook toegepast worden op huwelijken waaraan het beletsel van verschil in eredienst in de weg staat, waarover in can. 1086, § 1

Hoofdstuk VII - Geheime viering van een huwelijk 1130-1133

Can. 1130 - Om een ernstige en dringende reden kan de plaatselijke Ordinaris toestaan dat een huwelijk in het geheim gevierd wordt.

Can. 1131 - De toestemming om een huwelijk in het geheim te vieren brengt met zich mee:
1. dat de onderzoekingen die vóór het huwelijk verricht moeten worden, in het geheim geschieden;
2. dat het geheim betreffende de viering van het huwelijk door de plaatselijke Ordinaris, door degene die assisteert, door de getuigen en door de echtgenoten bewaard wordt.

Can. 1132 - De verplichting het geheim te bewaren, waarover in can. 1131, nr.2, houdt voor de plaatselijke Ordinaris op te bestaan, indien door de bewaring van het geheim ergernis of ernstig nadeel met betrekking tot de heiligheid van het huwelijk dreigt, en dit dient vóór de viering van het huwelijk aan de partijen meegedeeld te worden.

Can. 1133 - Een huwelijk dat in het geheim gevierd is, dient alleen ingeschreven te worden in een bijzonder register, dat in het geheim archief van de curie bewaard moet worden.

Hoofdstuk VIII - Gevolgen van het huwelijk 1134-1140

Can. 1134 - Uit een geldig huwelijk ontstaat tussen de echtgenoten een band, die van nature blijvend en exclusief is; bovendien worden in een christelijk huwelijk de echtgenoten door een bijzonder sacrament voor de plichten en de waardigheid van hun staat gesterkt en als het ware gewijd.

Can. 1135 - Ieder van beide echtgenoten heeft gelijke plichten en rechten met betrekking tot datgene wat tot de echtelijke levensgemeenschap behoort.

Can. 1136 - De ouders hebben de zeer ernstige plicht en als eersten het recht om, zo goed ze kunnen, zowel voor de fysieke, sociale en culturele als voor de morele en godsdienstige opvoeding van hun kinderen te zorgen.

Can. 1137 - Wettig zijn kinderen die in een geldig of in een vermeend huwelijk ontvangen zijn of daaruit geboren.

Can. 1138 - § 1 Vader is hij die door een wettig huwelijk als zodanig aangewezen wordt, tenzij het tegendeel met klaarblijkelijke argumenten bewezen wordt.
§ 2 Als wettig worden gepresumeerd kinderen die na ten minste 180 dagen sedert de dag van de huwelijksviering, of binnen 300 dagen sedert de dag van de beëindiging van het echtelijk leven geboren zijn.

Can. 1139 - Onwettige kinderen worden gewettigd door een navolgend huwelijk van de ouders, hetzij geldig hetzij vermeend, of door een rescript van de Heilige Stoel.

Can. 1140 - Gewettigde kinderen worden, voor wat de canonieke gevolgen betreft, in alles gelijkgesteld met wettige, tenzij iets anders uitdrukkelijk door het recht voorzien is.

Hoofdstuk IX - Scheiding van de echtgenoten 1141-1155

Art. 1 - Ontbinding van de huwelijksband 1141-1150

Can. 1141 - Een huwelijk dat aangegaan en voltrokken is, kan door geen enkele menselijke macht en door geen enkele oorzaak, behalve de dood, ontbonden worden.

Can. 1142 - Een niet-voltrokken huwelijk tussen gedoopten of tussen een gedoopte partij en
een niet-gedoopte partij kan door de Paus om een goede reden ontbonden worden, op verzoek van elk der partijen of van één van beiden, ook al is de andere partij ertegen.

Can. 1143 - § 1 Een huwelijk aangegaan door twee niet-gedoopten, wordt krachtens het paulinisch privilege ontbonden ten gunste van het geloof van de partij die het doopsel ontvangen heeft, door het feit zelf dat door diezelfde partij een nieuw huwelijk gesloten wordt, mits de niet-gedoopte partij heengaat.
§ 2 De niet-gedoopte partij wordt geacht heen te gaan, indien zij niet met de gedoopte partij wil samenwonen of niet in vrede wil samenwonen zonder belediging van de Schepper, tenzij de gedoopte na het ontvangen van het doopsel haar een goede reden gegeven heeft om heen te gaan.

Can. 1144 - § 1 Opdat de gedoopte partij geldig een nieuw huwelijk sluit, moet aan de niet-gedoopte partij altijd gevraagd worden of:
1. zij ook zelf het doopsel wil ontvangen;
2. zij ten minste met de gedoopte partij in vrede wil samenwonen, zonder belediging van de Schepper.
§ 2 Deze ondervraging moet na het doopsel geschieden; maar de plaatselijke Ordinaris kan om een ernstige reden toestaan dat de ondervraging vóór het doopsel geschiedt, en zelfs van de ondervraging dispenseren, hetzij vóór hetzij na het doopsel, mits ten minste door een summiere en buitengerechtelijke procedure vaststaat dat deze niet kan geschieden of nutteloos zal zijn.

Can. 1145 - § 1 In de regel dient de ondervraging te geschieden op gezag van de plaatselijke Ordinaris van de bekeerde partij; door deze Ordinaris moet aan de andere echtgenoot, indien deze erom verzoekt, bedenktijd voor het antwoord gegeven worden, met de waarschuwing echter aan deze dat, indien de bedenktijd onbenut verstrijkt, zijn stilzwijgen als een negatief antwoord beschouwd wordt.
§ 2 Ook de ondervraging die door de bekeerde partij zelf privé gedaan wordt, is geldig, en zelfs geoorloofd, indien de boven voorgeschreven vorm niet in acht genomen kan worden.
§ 3 In elk van beide gevallen moeten voor het uitwendig rechtsbereik het feit van de ondervraging en de uitslag ervan wettig vaststaan.

Can. 1146 - De gedoopte partij heeft het recht een nieuw huwelijk te sluiten met een katholieke partij:
1. als de andere partij negatief geantwoord heeft op de ondervraging of als de ondervraging wettig achterwege is gebleven.
2. als de niet-gedoopte partij, hetzij ondervraagd hetzij niet, na aanvankelijke voortzetting van het vreedzaam samenwonen zonder belediging van de Schepper, later zonder goede reden heengegaan is, onverminderd de voorschriften van de canones 1144 en 1145.

Can. 1147 - De plaatselijke Ordinaris kan echter om een ernstige reden toestaan dat de gedoopte partij, wanneer zij gebruik maakt van het paulinisch privilege, een huwelijk sluit met een niet-katholieke partij, hetzij gedoopt hetzij niet-gedoopt, met inachtneming ook van de voorschriften van de canones over de gemengde huwelijken.

Can. 1148 - § 1 Een niet-gedoopte man die meerdere niet-gedoopte vrouwen tegelijk heeft, kan na het ontvangen van het doopsel in de katholieke Kerk, als het hem hard valt met de eerste van haar samen te blijven, één van haar, met wegzending van de anderen, behouden. Hetzelfde geldt voor een niet-gedoopte vrouw, die meerdere niet-gedoopte mannen tegelijk heeft.
§ 2 In de gevallen waarover in § 1, moet het huwelijk, na het ontvangen van het doopsel, in de wettige vorm gesloten worden, met inachtneming ook, indien nodig, van de voorschriften over gemengde huwelijken en van de andere rechtsvoorschriften.
§ 3 De plaatselijke Ordinaris dient, voor ogen houdend de morele, sociale en economische situatie van plaatsen en personen, ervoor te zorgen dat voldoende voorzien is in de noodzakelijke behoeften van de eerste en van de overige weggezonden vrouwen, in overeenstemming met de normen van de rechtvaardigheid, de christelijke liefde en de natuurlijke billijkheid.

Can. 1149 - De niet-gedoopte die, na het ontvangen van het doopsel in de katholieke Kerk, het samenwonen met de niet-gedoopte echtgenoot wegens gevangenschap of vervolging niet kan herstellen, kan een ander huwelijk sluiten, ook al heeft de andere partij intussen het doopsel ontvangen, met inachtneming van het voorschrift van can. 1141.

Can. 1150 - In geval van twijfel geniet het geloofsprivilege rechtsbegunstiging.

Art. 2 - Scheiding bij voortduring van de huwelijksband 1151-1155

Can. 1151 - De echtgenoten hebben de plicht en het recht om het echtelijk samenleven in stand te houden, tenzij een wettige reden hen verontschuldigt.

Can. 1152 - § 1 Hoewel ten sterkste aanbevolen wordt dat een echtgenoot, door christelijke liefde bewogen en bezorgd om het welzijn van het gezin, aan de overspelige partij vergeving niet weigert en het echtelijk leven niet verbreekt, heeft hij echter het recht, indien hij diens schuld niet uitdrukkelijk kwijtgescholden heeft, om het echtelijk samenleven te ontbinden, tenzij hij met het overspel ingestemd heeft of er oorzaak van geweest is of zelf ook overspel bedreven heeft.
§ 2 Stilzwijgende kwijtschelding is er, als de onschuldige echtgenoot, na op de hoogte gekomen te zijn van het overspel, vrijwillig met de andere echtgenoot in huwelijksgezindheid is blijven leven; zij wordt echter gepresumeerd, als hij gedurende zes maanden het echtelijk samenleven in stand gehouden heeft en geen beroep gedaan heeft op een kerkelijke of burgerlijke overheid.
§ 3 Als de onschuldige echtgenoot uit eigen beweging het echtelijk samenleven ontbonden heeft, dient hij binnen zes maanden de scheidingsgrond voor te leggen aan de bevoegde kerkelijke overheid die, na onderzoek van alle omstandigheden, afweegt of de onschuldige echtgenoot ertoe gebracht kan worden de schuld kwijt te schelden en de scheiding niet blijvend voort te zetten.

Can. 1153 - § 1 Als een van beide echtgenoten voor de andere of voor de kinderen een ernstig geestelijk of lichamelijk gevaar vormt, of anderszins het gemeenschappelijk leven te moeilijk maakt, verschaft hij de andere een wettige grond om weg te gaan, bij decreet van de plaatselijke Ordinaris en, indien uitstel gevaar met zich meebrengt, ook op eigen gezag.
§ 2 In alle gevallen moet, als de scheidingsgrond ophoudt te bestaan, het echtelijk samenleven hersteld worden, tenzij door de kerkelijke overheid anders bepaald wordt.

Can. 1154 - Nadat de scheiding van de echtgenoten doorgevoerd is, moeten het vereiste levensonderhoud en de opvoeding van de kinderen altijd op een geschikte wijze gewaarborgd worden.

Can. 1155 - De onschuldige echtgenoot kan de andere echtgenoot opnieuw tot het echtelijke leven toelaten - hetgeen lofwaardig is -, in welk geval hij verzaakt aan het recht op scheiding.

Hoofdstuk X - Validatie van het huwelijk 1156-1165

Art. 1 - Eenvoudige validatie 1156-1160

Can. 1156 - § 1 Om een huwelijk te valideren dat ongeldig is wegens een ongeldigmakend beletsel, is vereist dat het beletsel ophoudt te bestaan of dat ervan gedispenseerd wordt en dat ten minste de partij die zich van dit beletsel bewust is, de consensus hernieuwt.
§ 2 Deze hernieuwing wordt door het kerkelijk recht vereist voor de geldigheid van de validatie, ook al heeft elk van beide partijen aanvankelijk de consensus gegeven en later niet herroepen.

Can. 1157 - De hernieuwing van de consensus moet een nieuwe wilsdaad zijn met betrekking tot het huwelijk, waarvan de partij die de consensus hernieuwt, weet of meent dat het vanaf het begin nietig geweest is.

Can. 1158 - § 1 Als het beletsel publiek is, moet de consensus door elk van beide partijen in de canonieke vorm hernieuwd worden, behoudens het voorschrift van can. 1127, § 2.
§ 2 Als het beletsel niet bewezen kan worden, is het voldoende dat de consensus privé en in het geheim hernieuwd wordt, en wel door de partij die zich van het beletsel bewust is, mits de andere in de gegeven consensus volhardt, of door elk van beide partijen, als het beletsel aan elk van beide partijen bekend is.

Can. 1159 - § 1 Een huwelijk dat ongeldig is wegens een gebrek in de consensus, wordt gevalideerd als de partij die haar consensus niet gegeven had, alsnog haar consensus geeft, mits de door de andere partij gegeven consensus voortduurt.
§ 2 Als het gebrek in de consensus niet bewezen kan worden, is het voldoende dat de partij die de consensus niet gegeven had, privé en in het geheim haar consensus geeft.
§ 3 Als het gebrek in de consensus bewezen kan worden, is het nodig dat de consensus in de canonieke vorm gegeven wordt.

Can. 1160 - Een huwelijk dat nietig is wegens een gebrek in de vorm moet, om geldig te worden, opnieuw gesloten worden in de canonieke vorm, behoudens het voorschrift van can. 1127, § 2.

Art. 2 - Genezing in de wortel 1161-1165

Can. 1161 - § 1 De genezing van een ongeldig huwelijk in de wortel is de validatie ervan zonder hernieuwing van de consensus, die door de bevoegde overheid verleend is, en die met zich meebrengt dispensatie van het beletsel, als dat er is, en van de canonieke vorm, als deze niet in acht genomen is, alsook de terugwerking van de canonieke gevolgen naar het verleden.
§ 2 De validatie geschiedt vanaf het ogenblik van de gunstverlening; de terugwerking evenwel wordt geacht geschied te zijn tot aan het ogenblik van de huwelijksviering, tenzij iets anders uitdrukkelijk bepaald wordt.
§ 3 De genezing in de wortel mag niet worden verleend, tenzij het waarschijnlijk is dat de partijen in het echtelijk leven willen volharden.

Can. 1162 - § 1 Als bij beiden of bij een van beide partijen de consensus ontbreekt, kan het huwelijk niet in de wortel genezen worden, hetzij de consensus vanaf het begin ontbroken heeft, hetzij deze in het begin gegeven is maar later herroepen.
§ 2 Als de consensus echter vanaf het begin ontbroken heeft, maar later gegeven is, kan de genezing verleend worden vanaf het ogenblik waarop de consensus gegeven is.

Can. 1163 - § 1 Een huwelijk dat ongeldig is wegens een beletsel of wegens een gebrek in de wettige vorm, kan genezen worden mits de consensus van elk van beide partijen voortduurt.
§ 2 Een huwelijk dat ongeldig is wegens een beletsel van natuurrecht of van positief goddelijk recht, kan alleen genezen worden nadat het beletsel opgehouden heeft te bestaan.

Can. 1164 - De genezing kan geldig verleend worden ook buiten medeweten van een van beide of van elk van beide partijen; maar zij mag niet verleend worden tenzij om een ernstige reden.

Can. 1165 - § 1 De genezing in de wortel kan door de Apostolische Stoel verleend worden.
§ 2 Zij kan door de diocesane Bisschop verleend worden in afzonderlijke gevallen, ook als meerdere nietigheidsgronden in hetzelfde huwelijk tegelijk aanwezig zijn, wanneer de voorwaarden vervuld zijn waarover in can. 1125, voor de genezing van een gemengd huwelijk; maar zij kan door hem niet verleend worden, als een beletsel aanwezig is waarvan de dispensatie aan de Apostolische Stoel volgens can. 1078, § 2 voorbehouden is, of als het een beletsel van natuurrecht of positief goddelijk recht betreft, dat reeds opgehouden heeft te bestaan.

Boek IV Deel II Overige handelingen van goddelijke eredienst 1166-1204

Titel I Sacramentaliën 1166-1172

Can. 1166 - Sacramentaliën zijn heilige tekenen waardoor, enigszins in navolging van de sacramenten, uitwerkingen vooral van geestelijke aard betekend worden en uit kracht van het smeekgebed van de Kerk verkregen.

Can. 1167 - § 1 Nieuwe sacramentaliën vaststellen of erkende op authentieke wijze uitleggen, sommige ervan afschaffen of wijzigen, kan alleen de Apostolische Stoel.
§ 2 Bij het voltrekken of bedienen van sacramentaliën dienen de door het gezag van de Kerk goedgekeurde riten en formules nauwkeurig in acht genomen te worden.

Can. 1168 - De bedienaar van de sacramentaliën is de clericus die met de vereiste bevoegdheid toegerust is; sommige sacramentaliën kunnen, volgens de liturgische boeken, naar het oordeel van de plaatselijke Ordinaris ook worden bediend door leken die de passende eigenschappen bezitten.

Can. 1169 - § 1 Consecraties en wijdingen kunnen geldig verricht worden door hen die het bisschoppelijk merkteken bezitten, alsook door de priesters aan wie dit door het recht of door wettige toekenning toegestaan wordt.
§ 2 Zegeningen, met uitzondering van die welke aan de Paus of de Bisschoppen voorbehouden zijn, kunnen worden gegeven door iedere priester.
§ 3 Een diaken kan alleen die zegeningen geven die hem uitdrukkelijk door het recht toegestaan worden.

Can. 1170 - Zegeningen, die vooral voor katholieken bestemd dienen te worden, kunnen ook aan catechumenen worden gegeven en, tenzij een verbod van de Kerk in de weg staat, zelfs aan niet-katholieken.

Can. 1171 - Gewijde voorwerpen, die door wijding of zegening voor de goddelijke eredienst bestemd zijn, dienen, ook al zijn zij in het bezit van privé-personen, met eerbied behandeld te worden en niet aangewend voor gebruik dat profaan is of niet strookt met hun aard.

Can. 1172 - § 1 Niemand kan op wettige wijze exorcismen over bezetenen uitspreken, tenzij hij van de plaatselijke Ordinaris hiertoe bijzonder en uitdrukkelijk verlof gekregen heeft.
§ 2 Dit verlof dient door de plaatselijk Ordinaris alleen gegeven te worden aan een priester die vroomheid, kennis en wijsheid bezit en van integere levenswandel is.

Boek IV Deel II Titel II Liturgie der getijden 1173-1175

Can. 1173 - De priesterlijke taak van Christus vervullend, viert de Kerk de liturgie der getijden waardoor zij, luisterend naar God die tot zijn volk spreekt, en de gedachtenis vierend van het heilsmysterie, Hem ononderbroken in gezang en gebed looft en bij Hem ten beste spreekt voor het heil van de gehele wereld.

Can. 1174 - § 1 Tot het voltrekken van de liturgie der getijden zijn gehouden de clerici, volgens can. 276, § 2,nr.3; de leden echter van instituten van gewijd leven alsook van sociëteiten van apostolisch leven, volgens hun constituties.
§ 2 Ook de andere christengelovigen worden, naar gelang van de omstandigheden, met aandrang uitgenodigd om deel te nemen aan de liturgie der getijden als handeling van de Kerk.

Can. 1175 - Bij het voltrekken van de liturgie der getijden dient, voor zover mogelijk, de werkelijke tijd van ieder uur aangehouden te worden.

Boek IV Deel II Titel III Kerkelijke uitvaart 1176-1185

Can. 1176 - § 1 Aan de overleden christengelovigen moet een kerkelijke uitvaart gegeven worden volgens het recht.
§ 2 De kerkelijke uitvaart, waardoor de Kerk voor de overledenen geestelijke bijstand afsmeekt en hun lichamen eert en waardoor zij tegelijk aan de levenden de troost van de hoop geeft, moet gevierd worden volgens de liturgische wetten.
§ 3 Met aandrang beveelt de Kerk aan de vrome gewoonte te bewaren om de lichamen van de overledenen te begraven; zij verbiedt nochtans de crematie niet, tenzij deze laatste gekozen werd om redenen die met de christelijke leer in strijd zijn.

Hoofdstuk I Viering van de uitvaart 1177-1182

Can. 1177 - § 1 De uitvaart moet voor iedere gelovige in het algemeen in de kerk van de eigen parochie gevierd worden.
§ 2 Nochtans heeft iedere gelovige, of hebben zij wie het toekomt voor de uitvaart van een overleden gelovige te zorgen, het recht om een andere kerk voor de uitvaart te kiezen met toestemming van degene die over deze kerk aangesteld is, en na de eigen pastoor van de overledene verwittigd te hebben.
§ 3 Als het overlijden plaatsgevonden heeft buiten de eigen parochie en het stoffelijk overschot daarheen niet overgebracht is en ook geen andere kerk voor de uitvaart gekozen is, dient de uitvaart gevierd te worden in de kerk van de parochie waar het overlijden plaatsgevonden heeft, tenzij door het particulier recht een andere kerk aangeduid is.

Can. 1178 - De uitvaart van een diocesane Bisschop dient gevierd te worden in de eigen kathedrale kerk, tenzij hijzelf een andere kerk gekozen heeft.

Can. 1179 - De uitvaart van religieuzen of van leden van een sociëteit van apostolisch leven
dient in het algemeen gecelebreerd te worden in de eigen kerk of kapel door de Overste, als het instituut of de sociëteit clericaal is, anders door de cappellanus.

Can. 1180 - § 1 Als de parochie een eigen kerkhof heeft, moeten de overleden gelovigen daar worden begraven, tenzij door de overledene zelf of door hen wie het toekomt voor de begrafenis van de overledene te zorgen, wettig een ander kerkhof gekozen is.
§ 2 Allen is het echter toegestaan een kerkhof voor de begrafenis te kiezen, tenzij het recht hun dit belet.

Can. 1181 - Wat betreft de gaven bij gelegenheid van een uitvaart dienen de voorschriften van can. 1264 in acht genomen te worden; hierbij moet echter veilig gesteld worden dat bij de uitvaart geen enkel aanzien des persoons geldt en dat armen een passende uitvaart niet wordt onthouden.

Can. 1182 - Nadat de teraardebestelling verricht is, dient de inschrijving in het overlijdensregister te gebeuren volgens het particulier recht.

Hoofdstuk II Aan wie de kerkelijke uitvaart toegestaan of geweigerd moet worden 1183-1185

Can. 1183 - § 1 Wat de uitvaart betreft, moeten catechumenen gerekend worden tot de christengelovigen.
§ 2 De plaatselijke Ordinaris kan toestaan dat kinderen, van wie de ouders de bedoeling hadden hen te dopen maar die vóór het doopsel gestorven zijn, een kerkelijke uitvaart krijgen.
§ 3 Aan gedoopten die lid zijn van een niet-katholieke Kerk of kerkelijke gemeenschap, kan de kerkelijke uitvaart toegestaan worden volgens het wijs oordeel van de plaatselijke Ordinaris, tenzij het vaststaat dat zij dit niet wilden en mits een eigen bedienaar niet beschikbaar is.

Can. 1184 - § 1 Tenzij zij vóór hun dood enige tekenen van berouw gegeven hebben, moeten van de kerkelijke uitvaart uitgesloten worden:
1. publiek gekende afvalligen, ketters en schismatici;
2. zij die crematie van het eigen lichaam gekozen hebben om redenen die strijdig zijn met het christelijk geloof;
3. andere manifeste zondaars, aan wie de kerkelijke uitvaart niet toegestaan kan worden zonder publieke ergernis van de gelovigen.
§ 2 Als zich enige twijfel voordoet, dient men de plaatselijke Ordinaris te raadplegen en zich te houden aan zijn beslissing.

Can. 1185 - Aan wie uitgesloten is van de kerkelijke uitvaart, moet ook elke uitvaartmis geweigerd worden.

Boek IV Deel II Titel IV Verering van heiligen, van heilige afbeeldingen en relikwieën 1186-1190

Can. 1186 - Om de heiliging van het Godsvolk te behartigen, beveelt de Kerk de christengelovigen de bijzondere en kinderlijke verering van de Heilige Maria altijd Maagd, Moeder van God, aan, die Christus tot Moeder van alle mensen aangesteld heeft; zij bevordert ook de ware en authentieke verering van de andere Heiligen, door wier voorbeeld de christengelovigen gesticht worden en door wier voorspraak zij gesteund worden.

Can. 1187 - Met publieke eredienst mogen alleen die dienaren Gods vereerd worden die door het gezag van de Kerk in de lijst van de Heiligen of de Zaligen opgenomen zijn.

Can. 1188 - De praktijk om in de kerken heilige afbeeldingen ter verering door de gelovigen ten toon te stellen, dient gehandhaafd te worden; zij moeten echter met mate opgesteld worden en in een passende orde, opdat geen gevoelens van bevreemding bij het christenvolk gewekt worden en ook geen aanleiding gegeven wordt tot minder juiste devotie.

Can. 1189 - Kostbare afbeeldingen, die zich namelijk onderscheiden door ouderdom, kunstwaarde of verering, en die in kerken of kapellen opgesteld zijn ter verering door de gelovigen, mogen, in geval zij herstel behoeven, nooit gerestaureerd worden zonder het schriftelijk gegeven verlof van de Ordinaris; deze dient vóór hij dit verlof geeft, deskundigen te raadplegen.

Can. 1190 - § 1 Heilige relikwieën verkopen is ten strengste verboden.
§ 2 Relikwieën van bijzondere betekenis en ook andere die grote verering bij het volk genieten, kunnen zonder verlof van de Apostolische Stoel op geen enkele wijze geldig vervreemd worden of voor altijd naar een andere plaats overgebracht worden.
§ 3 Het voorschrift van § 2 geldt ook voor afbeeldingen die in een kerk grote verering genieten bij het volk.

Boek IV Deel II Titel V Geloften en eed 1191-1204

Hoofdstuk I - Gelofte 1191-1198

Can. 1191 - § 1 Een gelofte, dit is een weloverwogen en vrijwillige belofte aan God gedaan met betrekking tot een mogelijk en beter goed, moet volbracht worden krachtens de deugd van godsdienstigheid.
§ 2 Tenzij zij door het recht ervan weerhouden worden, zijn allen die over het vereiste gebruik van het verstand beschikken, bekwaam tot het afleggen van een gelofte.
§ 3 Een gelofte afgelegd onder invloed van ernstige en onrechtmatige vrees, of op grond van bedrog, is van rechtswege nietig.

Can. 1192 - § 1 Publiek is een gelofte als zij in de naam van de Kerk door een wettige Overste aanvaard wordt; anders is zij privaat.
§ 2 Plechtig is een gelofte als zij door de Kerk als zodanig erkend is; anders is zij eenvoudig.
§ 3 Persoonlijk is een gelofte waardoor een handeling beloofd wordt van degene die ze aflegt; zakelijk is een gelofte waardoor een zaak beloofd wordt; gemengd is een belofte die zowel persoonlijk als zakelijk van aard is.

Can. 1193 - Uit de aard der zaak verplicht een gelofte alleen degene die haar aflegt.

Can. 1194 - Een gelofte houdt op door het verstrijken van de tijd ter beëindiging van de verplichting bepaald, door substantiële veranderingen van de beloofde materie, door het ontbreken van de voorwaarden waarvan de gelofte afhangt of van haar beweegredenen, door dispensatie en door omzetting.

Can. 1195 - Wie macht heeft over de materie van een gelofte, kan de verplichting van de gelofte zolang opschorten als de vervulling ervan hem tot nadeel strekt.

Can. 1196 - Buiten de Paus kunnen om een goede reden van private geloften dispenseren, mits de dispensatie geen door anderen verworven recht schendt:
1. de plaatselijke Ordinaris en de pastoor ten aanzien van al hun onderdanen en ook van vreemdelingen;
2. de Oversten van een religieus instituut of een sociëteit van apostolisch leven, als zij clericaal zijn en van pauselijk recht, ten aanzien van de leden, de novicen en de personen die dag en nacht in het huis van het instituut of de sociëteit verblijven;
3. zij aan wie door de Apostolische Stoel of door de plaatselijke Ordinaris de macht om te dispenseren gedelegeerd is.

Can. 1197 - Wat door een private belofte beloofd is, kan in een groter of in een evenwaardig goed omgezet worden door de persoon zelf die de gelofte afgelegd heeft; in een minder goed door hem die de macht tot dispenseren heeft volgens can. 1196.

Can. 1198 - Geloften vóór de religieuze professie afgelegd, blijven opgeschort zolang de persoon die ze afgelegd heeft, in het religieus instituut blijft.

Hoofdstuk II - Eed 1199-1204

Can. 1199 - § 1Een eed, dit is de aanroeping van de goddelijke Naam tot getuige van de waarheid, kan niet afgelegd worden tenzij in waarheid, oordeel en gerechtigheid.
§ 2 Een eed die de canones vereisen of toelaten, kan niet geldig afgelegd worden door een gevolmachtigde.

Can. 1200 - § 1 Wie vrijwillig zweert iets te zullen doen, is door een bijzondere verplichting van godsdienstigheid gehouden te vervullen wat hij onder ede bekrachtigd heeft.
§ 2 Een eed die afgedwongen werd door bedrog, geweld of ernstige vrees, is van rechtswege nietig.

Can. 1201 - § 1 Een eed waarin iets beloofd wordt, volgt de aard en de voorwaarden van de daad waaraan hij toegevoegd wordt.
§ 2 Als de eed toegevoegd wordt aan een daad die rechtstreeks strekt tot schade van anderen of tot nadeel van het openbaar welzijn of van het eeuwig heil, verkrijgt deze daad hierdoor geen enkele bekrachtiging.

Can. 1202 - De verplichting, tot stand gekomen door een eed waarin iets beloofd wordt, houdt op te bestaan:
1. als zij kwijtgescholden wordt door degene in wiens voordeel de eed afgelegd was;
2. als de zaak die onder ede bekrachtigd werd een substantiële verandering ondergaat of als zij, tengevolge van gewijzigde omstandigheden, ofwel slecht wordt ofwel volkomen onverschillig ofwel tenslotte een groter goed verhindert;
3. als de beweegredenen of de voorwaarde waaronder de eed eventueel afgelegd is, ontbreekt;
4. door dispensatie of door omzetting, volgens can. 1203.

Can. 1203 - Wie een gelofte kan opschorten, ervan dispenseren of haar kan omzetten, heeft dezelfde macht en op dezelfde wijze ten aanzien van een eed waarin iets beloofd wordt; maar als de dispensatie van de eed tot nadeel strekt van anderen die weigeren de verplichting kwijt te schelden, kan alleen de Apostolische Stoel van de eed dispenseren.

Can. 1204 - Een eed moet strikt geïnterpreteerd worden volgens het recht en volgens de bedoeling van degene die de eed aflegt, of, indien deze bedrieglijk handelt, volgens de bedoeling van degene ten overstaan van wie de eed afgelegd wordt.

Boek IV Deel III Gewijde plaatsen en heilige tijden 1205-1253

Titel I Gewijde plaatsen 1205-1243

Can. 1205 - Gewijde plaatsen zijn die welke voor de goddelijke eredienst of de begrafenis van de gelovigen bestemd zijn door de wijding of de zegening, die de liturgische boeken hiertoe voorschrijven.

Can. 1206 - De wijding van een plaats komt toe aan de diocesane Bisschop of aan hen die rechtens met hem gelijkgesteld worden; dezen kunnen aan iedere Bisschop of, in uitzonderlijke gevallen, aan een priester de taak toevertrouwen om een wijding te verrichten in hun ambtsgebied.

Can. 1207 - Gewijde plaatsen worden gezegend door de Ordinaris; de inzegening van kerken is nochtans voorbehouden aan de diocesane Bisschop; ieder van beiden kan echter een andere priester hiertoe delegeren.

Can. 1208 - Van de voltrokken wijding of inzegening van een kerk, alsook van de zegening van een kerkhof moet een document opgemaakt worden, waarvan een exemplaar in de diocesane curie en een ander in het archief van de kerk bewaard dient te worden.

Can. 1209 - De wijding of zegening van een plaats wordt, mits niemand schade wordt berokkend, ook door één enkele boven alle verdenking staande getuige voldoende bewezen.

Can. 1210 - In een gewijde plaats mag alleen toegelaten worden wat dienstig is voor de uitoefening of de bevordering van de eredienst, de vroomheid en de godsdienst, en is verboden wat niet in overeenstemming is met de heiligheid van de plaats. Wel kan de Ordinaris in afzonderlijke gevallen een ander gebruik toestaan dat niet strijdig is met de heiligheid van de plaats.

Can. 1211 - Gewijde plaatsen worden geschonden door ernstig kwetsende daden, met ergernis van de gelovigen aldaar gesteld, die, volgens het oordeel van de plaatselijke Ordinaris, zo ernstig zijn en zo in strijd met de heiligheid van de plaats dat het niet geoorloofd is er de eredienst uit te oefenen, totdat de schending in een boete-ritus volgens de liturgische boeken hersteld wordt.

Can. 1212 - Gewijde plaatsen verliezen hun wijding of zegening als zij voor het grootste gedeelte verwoest zijn, of wanneer zij door een decreet van de bevoegde Ordinaris of in feite blijvend tot profaan gebruik teruggebracht zijn.

Can. 1213 - Het kerkelijk gezag oefent zijn bevoegdheden en taken op gewijde plaatsen vrij uit.

Hoofdstuk I - Kerken 1214-1222

Can. 1214 - Onder kerk wordt verstaan een gewijd gebouw bestemd voor de goddelijke eredienst, waartoe de gelovigen recht van toegang hebben om de goddelijke eredienst voornamelijk openbaar uit te oefenen.

Can. 1215 - § 1 Geen kerk mag gebouwd worden zonder de uitdrukkelijke, schriftelijk gegeven toestemming van de diocesane Bisschop.
§ 2 De diocesane Bisschop mag deze toestemming niet verlenen tenzij hij, na de priesterraad en de rectoren van de naburige kerken gehoord te hebben, van oordeel is dat de nieuwe kerk het zieleheil kan dienen en dat de noodzakelijke middelen niet zullen ontbreken om haar te bouwen en er de goddelijke eredienst in uit te oefenen.
§ 3 Ook religieuze instituten moeten, ook al hebben zij van de diocesane Bisschop toestemming verkregen tot het oprichten van een nieuw huis in het diocees of in een stad, verlof van deze krijgen vooraleer zij een kerk mogen bouwen op een vaste en bepaalde plaats.

Can. 1216 - Bij de bouw en het herstel van kerken dienen, met aanwending van het advies van deskundigen, de beginselen en de normen van de liturgie en de gewijde kunst in acht genomen te worden.

Can. 1217 - § 1 Als de bouw op de voorgeschreven wijze voltooid is, dient de nieuwe kerk zo spoedig mogelijk te worden ingewijd of ten minste ingezegend, met inachtneming van de wetten van de heilige liturgie.
§ 2 Kerken, vooral kathedralen en parochiekerken, dienen te worden ingewijd met een plechtige ritus.

Can. 1218 - Iedere kerk dient haar titel te hebben die, na het voltrekken van de inwijding van de kerk, niet gewijzigd kan worden.

Can. 1219 - In een wettig ingewijde of ingezegende kerk mogen alle handelingen van goddelijke eredienst voltrokken worden, met eerbiediging van de parochiële rechten.

Can. 1220 - § 1 Allen die het aangaat, dienen ervoor te zorgen dat in de kerken de netheid en de waardigheid behouden worden die bij het huis van God passen, en dat er van verwijderd gehouden wordt wat niet strookt met de heiligheid van de plaats.
§ 2 Ter bescherming van heilige en kostbare goederen dienen de gewone zorgen voor hun behoud aangewend en de gepaste veiligheidsmaatregelen genomen te worden.

Can. 1221 - Tijdens de heilige vieringen dient de toegang tot de kerk vrij en kosteloos te zijn.

Can. 1222 - § 1 Als een kerk op geen enkele wijze nog voor de goddelijke eredienst gebruikt kan worden en de mogelijkheid niet bestaat om ze te herstellen, kan zij door de diocesane Bisschop teruggebracht worden tot een profaan en niet onwaardig gebruik.
§ 2 Waar andere ernstige redenen het raadzaam maken dat een kerk niet langer voor de goddelijke eredienst gebruikt wordt, kan de diocesane Bisschop, na de priesterraad gehoord te hebben, deze terugbrengen tot een profaan en niet onwaardig gebruik, met toestemming van hen die wettig rechten op de kerk laten gelden, en mits het zieleheil er geen enkele schade door lijdt.

Hoofdstuk II - Kapellen en privé-kapellen 1223-1229

Can. 1223 - Onder kapel wordt verstaan een plaats die, ten behoeve van een of andere gemeenschap of groep van gelovigen die er samenkomt, met verlof van de Ordinaris tot de goddelijke eredienst bestemd is, en waar ook andere gelovigen met toestemming van de bevoegde Overste toegang hebben.

Can. 1224 - § 1 De Ordinaris mag het verlof, vereist tot het oprichten van een kapel, niet geven tenzij hij vooraf persoonlijk of door iemand anders de plaats die tot kapel bestemd is, heeft bezocht en waardig ingericht heeft bevonden.
§ 2 Nadat evenwel het verlof gegeven is, mag de kapel niet voor profane doeleinden gebruikt worden, tenzij op gezag van dezelfde Ordinaris.

Can. 1225 - In wettig opgerichte kapellen mogen alle heilige vieringen gehouden worden, behalve die welke door het recht of door een voorschrift van de plaatselijke Ordinaris uitgezonderd worden, of tenzij de liturgische normen deze verhinderen.

Can. 1226 - Onder privé-kapel wordt verstaan een plaats die, ten behoeve van één of meerdere fysieke personen, met verlof van de plaatselijke Ordinaris voor de goddelijke eredienst bestemd is.

Can. 1227 - Bisschoppen kunnen voor zichzelf een privé-kapel oprichten die dezelfde rechten geniet als een kapel.

Can. 1228 - Met inachtneming van het voorschrift van can. 1227, is het verlof van de plaatselijke Ordinaris vereist om in een privé-kapel een Misviering of andere heilige vieringen te mogen houden.

Can. 1229 - Het is passend dat kapellen en privé-kapellen ingezegend worden volgens de ritus in de liturgische boeken voorgeschreven; zij moeten echter alleen aan de goddelijke eredienst voorbehouden zijn en vrij van alle huishoudelijk gebruik.

Hoofdstuk III – Heiligdommen 1230-1234

Can. 1230 - Onder heiligdom wordt verstaan een kerk of andere gewijde plaats waarheen veel gelovigen, onder goedkeuring van de plaatselijke Ordinaris, om een bijzondere reden van vroomheid op bedevaart gaan.

Can. 1231 - Opdat een heiligdom nationaal genoemd kan worden, moet het ook van de bisschoppenconferentie goedkeuring krijgen; opdat het internationaal genoemd kan worden, is de goedkeuring van de Heilige Stoel vereist.

Can. 1232 - § 1 Tot het goedkeuren van de statuten van een diocesaan heiligdom is de plaatselijke Ordinaris bevoegd; van de statuten van een nationaal heiligdom, de bisschoppenconferentie; van de statuten van een internationaal heiligdom, alleen de Heilige Stoel.
§ 2 In de statuten dienen vooral bepaald te worden het doel, het gezag van de rector, het eigendom en het beheer van de goederen.

Can. 1233 - Aan heiligdommen kunnen sommige voorrechten toegekend worden, wanneer dit omwille van de plaatselijke omstandigheden, van de toeloop van bedevaartgangers en vooral van het goed van de gelovigen raadzaam lijkt.

Can. 1234 - § 1 In heiligdommen dienen de heilsmiddelen rijkelijk ter beschikking van de gelovigen gesteld te worden, door het woord Gods met zorg te verkondigen, het liturgisch leven naar behoren te verzorgen, vooral door de viering van de Eucharistie en van de boete, alsook door goedgekeurde vormen van volksvroomheid te cultiveren.
§ 2 Votiefgeschenken, als uitingen van volkskunst en vroomheid, dienen in de heiligdommen of in de aangrenzende plaatsen zichtbaar bewaard te worden en veilig bewaakt.

Hoofdstuk IV – Altaren 1235-1239

Can. 1235 - § 1 Een altaar, of tafel waarop het Eucharistisch Offer gevierd wordt, wordt vast genoemd, als het zó vervaardigd is dat het met de vloer één geheel uitmaakt en dus niet verwijderd kan worden; verplaatsbaar, als het verzet kan worden.
§ 2 Het verdient de voorkeur dat in elke kerk een vast altaar is; in de overige plaatsen bestemd voor de heilige vieringen kan het altaar vast of verplaatsbaar zijn.

Can. 1236 - § 1 Volgens het overgeleverd gebruik van de Kerk dient de tafel van een vast altaar van steen te zijn, en uit één enkel stuk natuursteen te bestaan; nochtans kan, volgens het oordeel van de bisschoppenconferentie, ook een ander waardig en stevig materiaal gebruikt worden. De onderbouw of basis echter kan uit elk materiaal gemaakt worden.
§ 2 Een verplaatsbaar altaar kan gemaakt worden uit elk stevig materiaal dat voor liturgisch gebruik passend is.

Can. 1237 - § 1 Vaste altaren moeten gewijd worden, verplaatsbare echter gewijd of gezegend, volgens de riten die in de liturgische boeken voorgeschreven zijn.
§ 2 De aloude traditie om onder een vast altaar relikwieën van Martelaren of van andere Heiligen te bewaren dient behouden te worden, volgens de normen die in de liturgische boeken gegeven worden.

Can. 1238 - § 1 Een altaar verliest zijn wijding of zegening volgens can. 1212.
§ 2 Altaren, hetzij vaste hetzij verplaatsbare, verliezen hun wijding of zegening niet doordat de kerk of andere gewijde plaats tot profaan gebruik teruggebracht wordt.

Can. 1239 - § 1 Zowel een vast als een verplaatsbaar altaar moet alleen voor de goddelijke eredienst voorbehouden zijn, met volkomen uitsluiting van elk profaan gebruik.
§ 2 Onder een altaar mag geen stoffelijk overschot geborgen worden; anders is het niet geoorloofd de Mis op dit altaar te celebreren.

Hoofdstuk V - Kerkhoven 1240-1243

Can. 1240 - § 1 Waar het kan, dienen er kerkhoven te zijn eigen aan de Kerk, of tenminste op de burgerlijke kerkhoven ruimten die voor de overleden gelovigen bestemd zijn; zij moeten op de voorgeschreven wijze gezegend worden.
§ 2 Indien dit echter niet verkregen kan worden, dienen de afzonderlijke graven telkens op de voorgeschreven wijze gezegend te worden.

Can. 1241 - § 1 Parochies en religieuze instituten kunnen een eigen kerkhof hebben.
§ 2 Ook andere rechtspersonen of families kunnen een bijzonder kerkhof of graftombe hebben, waarvan de zegening ter beoordeling staat van de plaatselijk Ordinaris.

Can. 1242 - In kerken mag geen stoffelijk overschot begraven worden, tenzij het gaat over het begraven van de Paus of van Kardinalen of van diocesane Bisschoppen, ook emeriti, in hun eigen kerk.

Can. 1243 - Passende normen betreffende gedragsregels op de kerkhoven, vooral om hun gewijd karakter te beschermen en te bevorderen, dienen door het particulier recht vastgelegd te worden.

Boek IV Deel III Titel II Heilige tijden 1244-1253

Can. 1244 - § 1 Het instellen, verplaatsen, afschaffen van feestdagen alsook van boetedagen, die gemeenschappelijk zijn voor de gehele Kerk, komt alleen toe aan het hoogste kerkelijk gezag, met inachtneming van het voorschrift van can. 1246, § 2.
§ 2 De diocesane Bisschoppen kunnen voor hun diocesen of plaatsen bijzondere feest- of boetedagen vaststellen, enkel in afzonderlijke gevallen.

Can. 1245 - Met inachtneming van het recht van de diocesane Bisschoppen waarover in can. 87, kan de pastoor, om een goede reden en volgens de voorschriften van de diocesane Bisschop, in afzonderlijke gevallen dispenseren van de verplichting om een feestdag of een boetedag te onderhouden, of de omzetting van deze verplichting in andere vrome werken verlenen; dit kan ook de Overste van een religieus instituut of van een sociëteit van apostolisch leven, als zij clericaal zijn en van pauselijk recht, ten aanzien van zijn eigen onderdanen en van andere personen die dag en nacht in het huis verblijven.

Hoofdstuk I - Feestdagen 1246-1248

Can. 1246 - § 1 De zondag, waarop het paasmysterie gevierd wordt, moet uit apostolische traditie in de gehele Kerk als de oorspronkelijk geboden feestdag onderhouden worden. Zo ook moeten onderhouden worden de dag van de Geboorte van Onze Heer Jezus Christus, van de Openbaring, van de Hemelvaart en van Christus' Allerheiligste Lichaam en Bloed, van de Heilige Maria, de Moeder van God, van haar Onbevlekte Ontvangenis en Tenhemelopneming, van de Heilige Jozef, van de Heilige Apostelen Petrus en Paulus, en tenslotte van alle Heiligen.
§ 2 De bisschoppenconferentie kan nochtans, na voorafgaande goedkeuring door de Apostolische Stoel, sommige van de verplichte feestdagen afschaffen of naar een zondag
verplaatsen.

Can. 1247 - Op zondag en op de andere verplichte feestdagen zijn de gelovigen verplicht aan de Mis deel te nemen; zij dienen zich ook te onthouden van werken en bezigheden die een beletsel zijn voor de eredienst die aan God gebracht moet worden, voor de vreugde die aan de Dag des Heren eigen is, of voor de nodige ontspanning van geest en lichaam.

Can. 1248 - § 1 Aan het voorschrift om aan de Mis deel te nemen voldoet wie de Mis bijwoont, overal waar deze in een katholieke ritus gevierd wordt ofwel op de feestdag zelf ofwel op de avond van de voorafgaande dag.
§ 2 Indien bij het ontbreken van een gewijde bedienaar of om een andere ernstige reden de deelneming aan de eucharistische viering onmogelijk is, wordt ten zeerste aanbevolen dat de gelovigen deelnemen aan de liturgie van het Woord, als er een in de parochiekerk of in een andere gewijde plaats volgens de voorschriften van de diocesane Bisschop gevierd wordt, of dat zij zich gedurende de nodige tijd aan het gebed wijden, persoonlijk of in het gezin of bij gelegenheid in groepen van gezinnen.

Hoofdstuk II - Boetedagen 1249-1253

Can. 1249 - Alle christengelovigen zijn, ieder op hun wijze, krachtens goddelijke wet verplicht boete te doen; opdat echter allen in een enigszins gemeenschappelijk naleven van de boete met elkaar verbonden worden, worden boetedagen voorgeschreven; op deze dagen dienen de christengelovigen zich op bijzondere wijze te wijden aan het gebed, werken van vroomheid en van liefde te beoefenen, zichzelf te verloochenen door hun eigen verplichtingen getrouwer te vervullen en vooral door de vasten en de onthouding te onderhouden volgens de hierna volgende canones.

Can. 1250 - Boetedagen en boetetijden in de gehele Kerk zijn elke vrijdag van het gehele jaar en de veertigdagentijd.

Can. 1251 - Onthouding van het eten van vlees of van een ander voedsel volgens de voorschriften van de bisschoppenconferentie, dient onderhouden te worden op elke vrijdag van het jaar, tenzij deze met een dag vermeld onder de feestdagen, samenvalt; onthouding echter samen met vasten op Aswoensdag en op de Vrijdag van het Lijden en de Dood van Onze Heer Jezus Christus.

Can. 1252 - De onthoudingswet verplicht wie hun veertiende levensjaar hebben voltooid; de vastenwet verplicht allen die meerderjarig zijn tot aan het begin van hun zestigste levensjaar. De zielzorgers en de ouders dienen er nochtans voor te zorgen dat ook aan hen die wegens hun lagere leeftijd niet aan de vasten- en onthoudingswet gehouden zijn, de echte zin voor de boete bijgebracht wordt.

Can. 1253 - De bisschoppenconferentie kan het onderhouden van vasten en onthouding nader bepalen en ook andere vormen van boete, vooral liefdewerken en oefeningen van vroomheid, geheel of gedeeltelijk in de plaats van vasten en onthouding stellen.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 22/11/2009 - 19:06
Laatst aangepast op: vr, 15/01/2010 - 17:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.