-A +A

Wetboek van Canoniek Recht - 1983 Boek VI-Sancties 1311-1399

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Alternatieve naam: 
Codex Iuris Canonici VI

Boek VI-Sancties 1311-1399

Boek VI Sancties in de kerk 1311-1399

Boek VI Deel I Misdrijven en straffen in het algemeen 1311-1363

Boek VI Deel I Titel I Bestraffing van misdrijven in het algemeen 1311-1312

Can. 1311 - De Kerk heeft krachtens haar wezen het eigen recht om christengelovigen die een misdrijf begaan strafsancties op te leggen.

Can. 1312 - § 1 De strafsancties in de Kerk zijn:
1. verbeteringsstraffen of censuren, die in de canones 1331-1333 opgesomd worden;
2. uitboetingsstraffen, waarover in can. 1336.
§ 2 De wet kan andere uitboetingsstraffen vaststellen, die de christengelovigen een geestelijk of tijdelijk goed ontnemen en die in overeenstemming zijn met het bovennatuurlijk doel van de Kerk.
§ 3 Bovendien worden strafmaatregelen en boetedoeningen aangewend, de eerste vooral om misdrijven te voorkomen, de laatste veeleer ter vervanging of verzwaring van een straf.

Boek VI Deel I Titel II Strafwet en strafverordening

Can. 1313 - § 1 Als de wet wordt veranderd nadat het misdrijf gepleegd is, moet de wet toegepast worden die voor de schuldige de meest gunstige is.
§ 2 Als een latere wet een wet opheft of ten minste de straf, houdt de straf onmiddellijk op te bestaan.

Can.1314 - Een straf is meestal een bij uitspraak opgelegde straf, zodat zij de schuldige niet bindt tenzij nadat zij opgelegd is; een straf is echter een van rechtswege opgelopen straf, zodat iemand die deze oploopt door het feit zelf dat hij het misdrijf begaat, indien de wet of verordening dit uitdrukkelijk bepaalt.

Can. 1315 - § 1 Wie wetgevende macht heeft, kan ook strafwetten uitvaardigen; hij kan echter ook met zijn wetten een goddelijke wet of een kerkelijke wet, door een hoger gezag uitgevaardigd, met een gepaste straf sanctioneren, met inachtneming van de grenzen van zijn bevoegdheid krachtens ambtsgebied of personen.
§ 2 De wet kan zelf de straf bepalen of deze aan de wijze beoordeling van de rechter ter bepaling overlaten.
§ 3 Een particuliere wet kan ook andere straffen toevoegen aan de straffen die door een universele wet op een of ander misdrijft gezet zijn; zij mag dit echter niet doen tenzij wegens een zeer ernstige noodzaak. Als een universele wet dreigt met een onbepaalde of facultatieve straf, kan een particuliere wet ook in de plaats hiervan een bepaalde of verplichte straf vaststellen.

Can. 1316 - De diocesane Bisschoppen dienen er zorg voor te dragen dat, voor zover het kan, in dezelfde staat of hetzelfde gebied uniforme strafwetten uitgevaardigd worden, als er uitgevaardigd moeten worden.

Can. 1317 - Straffen dienen vastgesteld te worden in zover zij werkelijk noodzakelijk zijn om beter zorg te dragen voor de kerkelijke discipline. Wegzending uit de clericale staat echter kan niet door een particuliere wet vastgesteld worden.

Can. 1318 - De wetgever mag niet dreigen met van rechtswege opgelopen straffen, tenzij mogelijk voor afzonderlijke, opzettelijke misdrijven, die ofwel zwaardere ergernis kunnen verwekken ofwel niet effectief bestraft kunnen worden met bij uitspraak opgelegde straffen; censuren echter, vooral de excommunicatie, mag hij niet vaststellen tenzij met de grootste gematigdheid en alleen voor zwaardere misdrijven.

Can. 1319 - § 1 In zoverre iemand krachtens bestuursmacht in het uitwendige rechtsbereik verordeningen kan opleggen, kan hij ook bij verordening met bepaalde straffen dreigen, uitgezonderd uitboetingsstraffen voor het leven.
§ 2 Een strafverordening mag niet uitgevaardigd worden tenzij na rijp beraad, en met inachtneming van hetgeen in de canones 1317 en 1318 over particuliere wetten bepaald wordt.

Can. 1320 - In alles waarin religieuzen aan de plaatselijke Ordinaris onderworpen zijn, kunnen hun door deze straffen opgelegd worden.

Boek VI Deel I Titel III Subject aan strafsancties onderworpen 1321-1330

Can. 1321 - § 1 Niemand wordt gestraft, tenzij de door hem bedreven uiterlijke schending van een wet of verordening hem ernstig aangerekend kan worden wegens opzet of wegens schuld.
§ 2 Aan een straf bij wet of verordening bepaalt, is gehouden degene die de wet of verordening welbewust geschonden heeft; wie dit echter gedaan heeft uit verzuim van de vereiste zorgvuldigheid, wordt niet gestraft tenzij de wet of verordening anders bepaalt.
§ 3 Wanneer de uiterlijke schending plaats gehad heeft, wordt de toerekenbaarheid gepresumeerd, tenzij anders blijkt.

Can. 1322 - Wie habitueel het gebruik van het verstand missen, ook al hebben zij een wet of verordening geschonden terwijl zij gezond leken, worden onbekwaam geacht tot een misdrijf.

Can. 1323 - Aan geen enkele straf is onderworpen degene die, wanneer hij een wet of verordening geschonden heeft:
1. het zestiende levensjaar nog niet voltooid heeft;
2. zonder schuld onwetend was dat hij een wet of verordening schond; onoplettendheid en dwaling echter worden gelijkgesteld met onwetendheid;
3. gehandeld heeft uit fysieke dwang, of wegens een toevallige omstandigheid die hij niet kon voorzien of die hij weliswaar voorzag maar niet kon tegengaan;
4. gehandeld heeft onder druk van ernstige vrees, hoewel slechts relatief ernstig, of uit nood of wegens ernstig ongemak, tenzij echter de handeling intrinsiek slecht is of de zielen tot nadeel strekt;
5. gehandeld heeft uit wettige verdediging tegen een onrechtmatige aanvaller van zichzelf of van een ander, daarbij de vereiste gematigdheid in acht nemend;
6. het gebruik van het verstand miste, onverminderd de voorschriften van de canones 1324, § 1, nr.2 en 1325;
7. zonder schuld gemeend heeft dat een van de omstandigheden aanwezig was waarover in de nrs.4 en 5.

Can. 1324 - § 1 De dader van de schending wordt niet van straf uitgezonderd, maar de straf bij wet of verordening bepaald moet gematigd worden of in de plaats hiervan een boetedoening aangewend worden, indien het misdrijf begaan is:
1. door wie slechts een onvolkomen gebruik van het verstand had;
2. door wie het gebruik van het verstand miste wegens dronkenschap of een andere gelijkaardige geestesstoring, waaraan hij schuldig was;
3. uit hevige hartstocht, die nochtans niet alle overleg van de geest en instemming van de wil overstemde en verhinderde, en mits de hartstocht zelf niet vrijwillig opgewekt of gevoed was;
4. door een minderjarige die de leeftijd van zestien jaar voltooid heeft;
5. door wie gehandeld heeft onder druk van ernstige vrees, hoewel slechts relatief ernstig, of uit nood of wegens ernstig ongemak, indien het misdrijf intrinsiek slecht is of de zielen tot nadeel strekt;
6. door wie gehandeld heeft uit wettige verdediging tegen een onrechtmatige aanvaller van zichzelf of van een ander, daarbij echter de vereiste gematigdheid niet in acht nemend;
7. tegen iemand die op ernstige en onrechtmatige wijze uitdaagt;
8. door wie uit dwaling, maar door eigen schuld, gemeend heeft dat een van de omstandigheden aanwezig was waarover in can. 1323, nrs. 4 en 5;
9. door wie zonder schuld niet wist dat aan een wet of verordening een straf verbonden was;
10. door wie gehandeld heeft zonder volle toerekenbaarheid, mits deze voldoende zwaar gebleven is.
§ 2 De rechter kan hetzelfde doen, indien een andere omstandigheid aanwezig is die de zwaarte van het misdrijf vermindert.
§ 3 In de omstandigheden waarover in § 1, is de schuldige niet gehouden aan een van rechtswege opgelopen straf.

Can. 1325 - Grove of nalatige of opzettelijke onwetendheid kan nooit in overweging genomen worden bij het toepassen van de voorschriften van de canones 1323 en 1324; evenmin dronkenschap of andere geestesstoringen, indien zij met opzet gezocht zijn om een misdrijf te begaan of te verontschuldigen, en hartstocht, indien deze vrijwillig opgewekt of gevoed is.

Can. 1326 - § 1 De rechter kan zwaarder straffen dan de wet of verordening bepaalt:
1. degene die na een veroordeling of verklaring van straf zo blijft misdoen dat uit de omstandigheden zijn halsstarrigheid in de kwade wil wijselijk vermoed kan worden;
2. degene die in een waardigheid gesteld is, of die van zijn gezag of ambt misbruik gemaakt heeft om een misdrijf te begaan;
3. de schuldige die, hoewel een straf voor een misdrijf met schuld vastgesteld is, het gevolg voorzien heeft en niettemin de voorzorgen om dit te vermijden achterwege gelaten heeft die ieder gewetensvol persoon aangewend zou hebben.
§ 2 In de gevallen waarover in § 1 kan, als de vastgestelde straf een van rechtswege opgelopen straf is, een andere straf of boetedoening toegevoegd worden.

Can. 1327 - Een particuliere wet kan andere uitzonderende omstandigheden, verzachtende of verzwarende, vaststellen, naast de gevallen van de canones 1323-1326, hetzij bij algemene norm hetzij voor afzonderlijke misdrijven. Eveneens kunnen bij verordening omstandigheden vastgesteld worden die van een straf, bij verordening bepaald, uitzonderen of deze verzachten of verzwaren.

Can. 1328 - § 1 Wie om een misdrijf te begaan iets gedaan heeft of nagelaten en toch buiten zijn wil het misdrijf niet voltooid heeft, is niet gebonden aan de straf die voor een voltooid misdrijf vastgesteld is, tenzij de wet of verordening anders voorziet.
§ 2 Indien handelingen of nalatigheden uit de aard der zaak tot de uitvoering van een misdrijf leiden, kan de dader onderworpen worden aan een boetedoening of strafmaatregel, tenzij hij uit eigen beweging afgezien heeft van de begonnen uitvoering van het misdrijf. Indien echter ergernis of ander ernstig nadeel of gevaar opgetreden is, kan de dader, hoewel hij uit eigen beweging ervan afgezien heeft, gestraft worden met een rechtvaardige straf, die echter lichter is dan die welke voor een voltooid misdrijf vastgesteld is.

Can. 1329 - § 1 Wie in gezamenlijk overleg om een misdrijf te begaan tot het misdrijf samenwerken, en in de wet of verordening niet uitdrukkelijk genoemd worden, worden, indien voor de hoofddader straffen bepaald zijn die bij uitspraak opgelegd worden, aan dezelfde straffen onderworpen of aan andere van dezelfde of geringere zwaarte.
§ 2 Medeplichtigen die in de wet of verordening niet genoemd worden, krijgen de van rechtswege opgelopen straf die aan het misdrijf verbonden is, indien zonder hun hulp het misdrijf niet gepleegd zou zijn, en de straf van die aard is dat zij hen treffen kan; anders kunnen zij gestraft worden met bij uitspraak opgelegde straffen.

Can. 1330 - Indien een misdrijf bestaat in een verklaring of een andere uiting van de wil of van een leer of van een kennis, moet het als niet voltooid beschouwd worden als niemand deze verklaring of uiting verneemt.

Boek VI Deel I Titel IV Straffen en andere bestraffingen 1331-1340

Hoofdstuk I - Censuren 1331-1335

Can. 1331 - § 1 Het is de geëxcommuniceerde verboden:
1. enige bediening te vervullen in de viering van het Offer van de Eucharistie of in welke andere cultusplechtigheden ook;
2. sacramenten of sacramentaliën te vieren en sacramenten te ontvangen;
3. kerkelijke ambten of bedieningen of gelijk welke taak uit te oefenen of bestuurshandelingen te stellen.
§ 2 Indien een excommunicatie opgelegd of verklaard is:
1. moet de schuldige, indien hij handelen wil tegen het voorschrift van § 1, nr.1, geweerd worden of moet de liturgische handeling beëindigd worden, tenzij een ernstige reden in de weg staat;
2. stelt de schuldige ongeldig de bestuurshandelingen die volgens § 1, nr.3, ongeoorloofd zijn;
3. is het de schuldige verboden te genieten van de privileges die hem vroeger verleend zijn;
4. kan de schuldige een waardigheid, een ambt of een andere taak in de Kerk niet geldig verkrijgen;
5. verwerft de schuldige niet de vruchten van een waardigheid, van een ambt, van enige taak en van een uitkering die hij in de Kerk heeft.

Can. 1332 - Wie onder interdict staat, is gehouden aan de verboden waarover in can. 1331, § 1, nrs.1 en 2; indien het interdict opgelegd of verklaard is, moet het voorschrift van can. 1331, § 2, nr.1 in acht genomen worden.

Can. 1333 - § 1 De suspensie, die enkele clerici kan treffen, verbiedt:
1. ofwel alle ofwel sommige handelingen van wijdingsmacht;
2. ofwel alle ofwel sommige handelingen van bestuursmacht;
3. de uitoefening van ofwel alle ofwel sommige rechten of taken aan een ambt verbonden.
§ 2 In een wet of verordening kan bepaald worden dat de gesuspendeerde na een veroordelend of verklarend vonnis bestuurshandelingen niet geldig kan stellen.
§ 3 Het verbod treft nooit:
1. ambten of bestuursmacht die niet vallen onder de macht van de Overste die de straf vaststelt;
2. het recht om te wonen, indien de schuldige dit eventueel ambtshalve heeft;
3. het recht tot het beheer van goederen die mogelijk behoren tot het ambt van de gesuspendeerde, indien het een van rechtswege opgelopen straf is.
§ 4 De suspensie die verbiedt opbrengsten, loon, uitkeringen of andere zaken van die aard te ontvangen, brengt de verplichting met zich mee om terug te betalen al wat op onwettige wijze, al is het te goeder trouw, ontvangen is.

Can. 1334 - § 1 De omvang van de suspensie, binnen de grenzen door de voorafgaande canon bepaald, wordt vastgesteld ofwel door de wet of verordening zelf, ofwel bij vonnis of decreet waardoor de straf opgelegd wordt.
§ 2 De wet, echter niet de verordening, kan een suspensie vaststellen die van rechtswege opgelopen wordt, waarbij geen bepaling of beperking toegevoegd wordt; een dergelijke straf heeft echter alle gevolgen die in can. 1333, § 1 opgesomd worden.

Can. 1335 - Als een censuur verbiedt sacramenten of sacramentaliën te vieren of een bestuurshandeling te stellen, wordt het verbod opgeschort telkens als dit noodzakelijk is om zorg te dragen voor gelovigen die zich in stervensgevaar bevinden; indien een van rechtswege opgelopen censuur niet verklaard is, wordt dit verbod bovendien opgeschort telkens wanneer een gelovige vraagt om een sacrament of sacramentale of een bestuurshandeling; het is evenwel geoorloofd dit om elke goede reden te vragen.

Hoofdstuk II - Uitboetingsstraffen 1336-1338

Can. 1336 - § 1 Uitboetingsstraffen die een dader kunnen treffen ofwel voor het leven ofwel voor een bepaalde tijd ofwel voor onbepaalde tijd, zijn, naast andere die een wet mogelijk vastgesteld heeft, de volgende:
1. het verbod of het gebod te verblijven op een bepaalde plaats of in een bepaald ambtsgebied;
2. de ontneming van een macht, ambt, taak, recht, privilege, bevoegdheid, gunst, titel, onderscheidingsteken, ook louter op eretitel toegekend;
3. het verbod die zaken uit te oefenen welke opgesomd worden onder nr.2, of het verbod deze op een bepaalde plaats of buiten een bepaalde plaats uit te oefenen; deze verboden gelden nooit op straffe van nietigheid;
4. de overplaatsing naar een ander ambt bij wijze van straf;
5. de wegzending uit de clericale staat.
§ 2 Alleen die uitboetingsstraffen kunnen van rechtswege opgelopen worden die in § 1, nr.3 opgesomd worden.

Can. 1337 - § 1 Het verbod om te verblijven op een bepaalde plaats of in een bepaald ambtsgebied kan hetzij clerici hetzij religieuzen treffen; het gebod echter om ergens te verblijven, seculiere clerici en, binnen de grenzen van de constituties, religieuzen.
§ 2 Opdat het gebod om te verblijven op een bepaalde plaats of in een bepaald ambtsgebied opgelegd wordt, moet er de toestemming bij komen van de Ordinaris van die plaats, tenzij het gaat over een huis dat bestemd is ook voor clerici van buiten het bisdom die boete doen of zich moeten beteren.

Can. 1338 - § 1 De gevallen van ontneming en verbod die in can. 1336, § 1, nrs.2 en 3 opgesomd worden, treffen nooit machten, ambten, taken, rechten, privileges, bevoegdheden, gunsten, titels, onderscheidingstekens die niet vallen onder de macht van de Overste die de straf vaststelt.
§ 2 Ontneming van wijdingsmacht is onmogelijk, maar alleen kan het verbod gegeven worden deze macht of sommige handelingen ervan uit te oefenen; ontneming van academische graden is eveneens onmogelijk.
§ 3 Ten aanzien van de verboden die in can. 1336, § 1, nr.3 aangegeven worden, moet de norm in acht genomen worden die in can. 1335 betreffende de censuren gegeven wordt.

Hoofdstuk III - Strafmaatregelen en boetedoeningen 1339-1340

Can. 1339 - § 1 De Ordinaris kan zelf of door een ander een vermaning geven aan degene die in de naaste gelegenheid verkeert een misdrijf te begaan, of aan degene op wie, nadat een onderzoek verricht is, de zware verdenking valt een misdrijf begaan te hebben.
§ 2 Degene echter door wiens gedraging ergernis of een ernstige verstoring van de orde ontstaat, kan hij ook een berisping geven, op een wijze aangepast aan de bijzondere omstandigheden van de persoon en van de daad.
§ 3 De vermaning en de berisping moeten steeds vaststaan ten minste uit een of ander document, dat in het geheim archief van de curie bewaard wordt.

Can. 1340 - § 1 Een boetedoening die in het uitwendig rechtsbereik opgelegd kan worden, is
een of ander te verrichten werk van godsdienstige of vrome of caritatieve aard.
§ 2 Wegens een geheime overtreding mag nooit een publieke boetedoening opgelegd worden.
§ 3 De Ordinaris kan naar zijn wijs oordeel boetedoeningen toevoegen aan een strafmaatregel van vermaning of berisping.

Boek VI Deel I Titel V Toepassing van straffen 1341-1353

Can. 1341 - De Ordinaris dient dan slechts zorg te dragen een gerechtelijke of administratieve procedure in gang te zetten om straffen op te leggen of te verklaren, wanneer hij tot het inzicht gekomen is dat noch door broederlijke terechtwijzing noch door berisping noch langs andere wegen van pastorale bezorgdheid de ergernis voldoende weggenomen, de rechtvaardigheid hersteld en de schuldige tot verbetering gebracht kan worden.

Can. 1342 - § 1 Telkens wanneer goede redenen pleiten tegen een gerechtelijk proces, kan een straf opgelegd of verklaard worden bij buitengerechtelijk decreet; strafmaatregelen echter en boetedoeningen kunnen bij decreet toegepast worden in gelijk welk geval.
§ 2 Bij decreet kunnen geen straffen voor het leven opgelegd of verklaard worden, noch straffen welke de wet of de verordening die deze vaststelt, verbiedt bij decreet toe te passen.
§ 3 Hetgeen in een wet of verordening gezegd wordt ten aanzien van de rechter wat betreft het opleggen of verklaren van een straf in een proces, moet toegepast worden op de Overste die bij buitengerechtelijk decreet een straf oplegt of verklaart, tenzij het anders vaststaat of tenzij het gaat om voorschriften die enkel betrekking hebben op procesvoering.

Can. 1343 - Indien een wet of verordening aan de rechter de macht geeft al of niet een straf op te leggen, kan hij ook, naar zijn geweten en wijs oordeel, de straf milderen of in plaats daarvan een boetedoening opleggen.

Can. 1344 - De rechter kan, ook al gebruikt de wet gebiedende woorden, naar zijn geweten en wijs oordeel:
1. het opleggen van een straf uitstellen tot een gunstiger tijd, indien voorzien wordt dat tengevolge van een overhaaste bestraffing van de schuldige groter kwaad geschieden zal;
2. zich onthouden van het opleggen van een straf of een mildere straf opleggen of een boetedoening aanwenden, indien de schuldige tot inkeer gekomen is en de ergernis weggenomen heeft, of indien hij door het burgerlijk gezag voldoende bestraft is of, naar te voorzien is, bestraft zal worden;
3. indien de schuldige voor het eerst een misdrijf begaan heeft na een achtenswaardig leven geleid te hebben en er geen dwingende noodzaak is om de ergernis weg te nemen, de verplichting om een uitboetingsstraf in acht te nemen opschorten, met dien verstande echter dat, indien de schuldige binnen de tijd door de rechter zelf bepaald opnieuw een misdrijf begaat, hij de straf uitboet die op beide misdrijven staat, tenzij intussen de tijd verstreken is tot verjaring van de strafvordering voor het eerste misdrijf.

Can. 1345 - Telkens wanneer de dader ofwel slechts een onvolkomen gebruik van het verstand had, ofwel het misdrijf pleegde uit vrees of nood of hartstocht of in dronkenschap of door een ander gelijkaardige geestesstoring, kan de rechter zich ook onthouden van elke bestraffing, indien hij van oordeel is dat op een andere wijze beter zorg gedragen kan worden voor diens verbetering.

Can. 1346 - Telkens wanneer een schuldige meerdere misdrijven gepleegd heeft, wordt het, indien de opeenhoping van bij uitspraak opgelegde straffen te groot lijkt, aan het wijs oordeel van de rechter overgelaten de straffen binnen billijke grenzen te matigen.

Can. 1347 - § 1 Een censuur kan niet geldig opgelegd worden tenzij de schuldige voordien ten minste eenmaal vermaand is om van zijn halsstarrigheid terug te keren, waarbij hem de passende tijd gelaten werd om weer tot inkeer te komen.
§ 2 Van halsstarrigheid teruggekeerd te zijn moet geacht worden de schuldige die echt berouw over zijn misdrijf gekregen heeft en die bovendien passend herstel van schade en ergernis gegeven of tenminste ernstig beloofd heeft.

Can. 1348 - Wanneer een beschuldigde van een aanklacht vrijgesproken of hem geen straf opgelegd wordt, kan de Ordinaris met geschikte vermaningen en langs andere wegen van pastorale bezorgdheid, of ook eventueel met strafmaatregelen, zorg dragen voor diens belang en het openbaar welzijn.

Can. 1349 - Indien de straf onbepaald is en de wet niets anders voorziet, mag de rechter geen zwaardere straffen opleggen, vooral geen censuren, tenzij de ernst van het geval dit volstrekt vereist; straffen voor het leven echter kan hij niet opleggen.

Can. 1350 - § 1 Bij het opleggen van straffen aan een clericus moet altijd gewaakt worden dat hij geen gebrek heeft aan datgene wat noodzakelijk is voor een behoorlijk levensonderhoud, tenzij het gaat om wegzending uit de clericale staat.
§ 2 Ten behoeve evenwel van een weggezondene uit de clericale staat die wegens de straf werkelijk gebrek lijdt, dient de Ordinaris op de best mogelijke wijze voorzieningen te laten treffen.

Can. 1351 - De straf bindt de schuldige overal, ook na het verstrijken van het recht van degene die de straf vastgesteld of opgelegd heeft, tenzij iets anders uitdrukkelijk voorzien wordt.

Can. 1352 - § 1 Als een straf verbiedt sacramenten of sacramentaliën te ontvangen, wordt het
verbod opgeschort zolang de schuldige in stervensgevaar verkeert.
§ 2 De verplichting om een van rechtswege opgelopen straf in acht te nemen, die verklaard noch openlijk bekend is op de plaats waar de dader verblijft, wordt in zover geheel of gedeeltelijk opgeschort als de schuldige deze niet in acht kan nemen zonder gevaar voor zware ergernis of verlies van goede naam.

Can. 1353 - Beroep of verhaal tegen gerechtelijke vonnissen of decreten die welke straf ook opleggen of verklaren, hebben opschortende werking.

Boek VI Deel I Titel VI Ophouden van straffen 1354-1363

Can. 1354 - § 1 Naast degenen die in de canones 1355-1356 opgesomd worden, kunnen allen die bevoegd zijn van een wet welke met een straf gesanctioneerd is, te dispenseren of van een verordening die dreigt met een straf te ontheffen, ook die straf kwijtschelden.
§ 2 Bovendien kan een wet of verordening die een straf vaststelt, ook anderen de macht geven tot kwijtschelding.
§ 3 Indien de Apostolische Stoel de kwijtschelding van een straf aan zich of aan anderen voorbehouden heeft, moet dit voorbehoud strikt geïnterpreteerd worden.

Can. 1355 - § 1 Een straf bij wet vastgesteld, als zij opgelegd of verklaard is, kunnen kwijtschelden, mits zij niet aan de Apostolische Stoel voorbehouden is:
1. de Ordinaris die een gerechtelijke procedure in gang gezet heeft om de straf op te leggen of te verklaren, of die bij decreet deze zelf of door een ander opgelegd of verklaard heeft;
2. de Ordinaris van de plaats waar de dader verblijft, na overleg echter met de Ordinaris over wie in nr.1, tenzij dit wegens buitengewone omstandigheden onmogelijk is.
§ 2 Een van rechtswege opgelopen, nog niet verklaarde en bij wet vastgestelde straf, kan de Ordinaris, indien ze niet aan de Apostolische Stoel voorbehouden is, kwijtschelden aan zijn onderdanen en aan degenen die in zijn ambtsgebied verblijven of daar het misdrijf begaan hebben, en ook iedere Bisschop in het kader evenwel van een sacramentele belijdenis.

Can. 1356 - § 1 Een bij uitspraak opgelegde of van rechtswege opgelopen straf, vastgesteld bij een verordening die niet door de Apostolische Stoel uitgevaardigd is, kunnen kwijtschelden:
1. de Ordinaris van de plaats waar de dader verblijft;
2. indien de straf opgelegd of verklaard is, ook de Ordinaris die de gerechtelijke procedure in gang gezet heeft om de straf op te leggen of te verklaren, of die haar bij decreet zelf of door een ander opgelegd of verklaard heeft.
§ 2 Voordat kwijtschelding plaats vindt, moet degene die de verordening uitgevaardigd heeft, geraadpleegd worden, tenzij dit wegens buitengewone omstandigheden onmogelijk is.

Can. 1357 - § 1 Onverminderd de voorschriften van de canones 508 en 976, kan de biechtvader een van rechtswege opgelopen en niet verklaarde censuur van excommunicatie of interdict kwijtschelden in het sacramentele inwendig rechtsbereik, indien het de biechteling zwaar valt in staat van ernstige zonde te blijven gedurende de tijd noodzakelijk voor de bevoegde Overste om voorzieningen te treffen.
§ 2 Bij het verlenen van kwijtschelding dient de biechtvader de biechteling de verplichting op te leggen om binnen een maand op straffe van terugval in de straf zich te wenden tot de bevoegde Overste of tot een priester die de bevoegdheid heeft, en diens opdrachten uit te voeren; intussen dient hij een passende boetedoening en, in zover het dringend is, herstel van ergernis en schade op te leggen; zich wenden tot de Overste of priester kan echter ook gebeuren door middel van de biechtvader, zonder vermelding van naam.
§ 3 Tot dezelfde plicht om zich tot de Overste of priester te wenden zijn, na hun genezing, ook zij gehouden aan wie volgens can. 976 een censuur kwijtgescholden is die opgelegd of verklaard of aan de Apostolische Stoel voorbehouden is.

Can. 1358 - § 1 Kwijtschelding van een censuur kan niet verleend worden tenzij aan een dader die volgens can. 1347, § 2 teruggekeerd is van zijn halsstarrigheid; aan wie terugkeert kan zij evenwel niet geweigerd worden.
§ 2 Wie een censuur kwijtscheldt, kan voorzieningen treffen volgens can. 1348 of ook een boetedoening opleggen.

Can. 1359 - Indien iemand door meerdere straffen gebonden is, geldt de kwijtschelding slechts voor de straffen die hierin uitdrukkelijk vermeld zijn; een algemene kwijtschelding echter neemt alle straffen weg, behalve die welke de schuldige in zijn verzoek te kwader trouw verzwegen heeft.

Can.1360 - Kwijtschelding van een straf door middel van ernstige vrees afgedwongen, is ongeldig.

Can. 1361 - § 1 Kwijtschelding kan ook verleend worden aan een afwezige of onder voorwaarde.
§ 2 Kwijtschelding in het uitwendig rechtsbereik dient schriftelijk verleend te worden, tenzij een ernstige reden iets anders wenselijk maakt.
§ 3 Er moet gewaakt worden dat een aanvraag van kwijtschelding of een kwijtschelding zelf niet bekend gemaakt wordt, tenzij in zover het nuttig is om de goede naam van de schuldige te beschermen of noodzakelijk om ergernis weg te nemen.

Can. 1362 - § 1 Een strafvordering vervalt door verjaring na drie jaar, tenzij het gaat:
1. om misdrijven die voorbehouden zijn aan de Congregatie voor de Geloofsleer;
2. om een vordering wegens misdrijven waarover in de canones 1394, 1395, 1397, 1398, die na vijf jaar verjaart;
3. om misdrijven die niet door het algemeen recht bestraft worden, als de particuliere wet een andere termijn van verjaring vastgesteld heeft.
§ 2 De verjaring loopt vanaf de dag dat het misdrijf gepleegd is, of indien het misdrijf blijvend of habitueel is, vanaf de dag dat het heeft opgehouden te bestaan.

Can. 1363 - § 1 Indien binnen de termijnen waarover in can. 1362, te berekenen vanaf de dag waarop het veroordelend vonnis kracht van gewijsde gekregen heeft, aan de schuldige het uitvoeringsbesluit van de rechter waarover in can. 1651, niet bekend gemaakt is, vervalt de vordering om de straf uit te voeren door verjaring.
§ 2 Hetzelfde geldt, met inachtneming van de voorschriften, als de straf bij buitengerechtelijk decreet opgelegd is.

Boek VI Deel II Straffen voor afzonderlijke misdrijven 1364-1399

Boek VI Deel II Titel I Misdrijven tegen de godsdienst en tegen de eenheid van de kerk 1364-1369

Can. 1364 - § 1 Een geloofsafvallige, een ketter of een schismaticus loopt een excommunicatie van rechtswege op, onverminderd het voorschrift van can. 194, § 1, nr.2; een clericus kan bovendien gestraft worden met de straffen waarover in can. 1336, § 1, nrs.1,2 en 3.
§ 2 Als langdurige halsstarrigheid of de zwaarte van de ergernis het eist, kunnen andere straffen toegevoegd worden, wegzending uit de clericale staat niet uitgesloten.

Can.1365 - Wie zich schuldig maakt aan verboden gemeenschap in eredienst dient met een rechtvaardige straf gestraft te worden.

Can. 1366 - Ouders of degenen die de plaats van de ouders innemen, die de kinderen laten dopen of opvoeden in een niet-katholieke godsdienst, dienen met een censuur of met een andere rechtvaardige straf gestraft te worden.

Can. 1367 - Wie geconsacreerd brood of geconsacreerde wijn wegwerpt of tot een heiligschennend doel wegneemt of bij zich houdt, loopt een excommunicatie van rechtswege op die aan de Apostolische Stoel voorbehouden is; een clericus kan bovendien met een andere straf gestraft worden, wegzending uit de clericale staat niet uitgesloten.

Can. 1368 - Indien iemand in een bewering of bij een belofte voor een kerkelijke overheid een meineed pleegt, dient hij met een rechtvaardige straf gestraft te worden.

Can. 1369 - Wie in een publieke voorstelling of voordracht of in een publiek verspreid geschrift of anderszins bij het gebruik van sociale communicatiemedia een godslastering uitspreekt of de goede zeden ernstig schendt, of jegens de godsdienst of de Kerk beledigingen uit of tot haat of verachting aanzet, dient met een rechtvaardige straf gestraft te worden.

Boek VI Deel II Titel II Misdrijven tegen kerkelijke gezagsdragers en tegen de vrijheid van de kerk 1370-1377

Can. 1370 - § 1 Wie fysiek geweld gebruikt tegen de Paus, loopt een excommunicatie van rechtswege op die aan de Apostolische Stoel voorbehouden is, waaraan, indien hij clericus is, overeenkomstig de ernst van het misdrijf een andere straf kan toegevoegd worden, wegzending uit de clericale staat niet uitgesloten.
§ 2 Wie dit misdrijf begaat tegen iemand die tot bisschop gewijd is, loopt een interdict van rechtswege op en, indien hij clericus is, tevens een suspensie van rechtswege.
§ 3 Wie fysiek geweld gebruikt tegen een clericus of religieus ter verachting van het geloof, de Kerk, de kerkelijke gezagsdragers of bedienaren, dient met een rechtvaardige straf gestraft te worden.

Can. 1371 - Met een rechtvaardige straf dient gestraft te worden:
1. degene, die naast het geval waarover in can. 1364, § 1, een leer verkondigt die door de Paus of door een Oecumenisch Concilie veroordeeld is, of een leer waarover in can. 750 § 2 of in can. 752 hardnekkig afwijst en zijn mening na een vermaning door de Apostolische Stoel of de Ordinaris niet herroept;
2. degene die anderszins niet gehoorzaamt aan de Apostolische Stoel, de Ordinaris of de Overste die iets op wettige wijze voorschrijft of verbiedt, en na een vermaning in de ongehoorzaamheid volhardt.

Can.1372 - Wie tegen een handeling van de Paus in beroep gaat bij het Oecumenisch Concilie of het Bisschoppencollege, dient met een censuur gestraft te worden.

Can. 1373 - Wie in het openbaar ofwel onderdanen aanzet tot vijandigheid of haat tegen de Apostolische Stoel of de Ordinaris wegens een handeling gesteld door een kerkelijk gezag of bediening, ofwel onderdanen oproept tot ongehoorzaamheid jegens dezen, dient met een interdict of met een andere rechtvaardige straffen gestraft te worden.

Can. 1374 - Wie lid wordt van een vereniging die tegen de Kerk ageert, dient met een rechtvaardige straf gestraft te worden; wie echter een dergelijke vereniging bevordert of er leiding aan geeft, dient met een interdict gestraft te worden.

Can. 1375 - Wie de vrijheid belemmeren van een kerkelijke bediening, verkiezing of gezag, of het wettig gebruik van gewijde of andere kerkelijke goederen, of wie een kiezer of gekozene of iemand die een kerkelijk gezag of kerkelijke bediening uitgeoefend heeft, vrees aanjagen, kunnen met een rechtvaardige straf gestraft worden.

Can. 1376 - Wie een gewijde zaak, roerend of onroerend, profaneert, dient met een rechtvaardige straf gestraft te worden.

Can. 1377 - Wie zonder het voorgeschreven verlof kerkelijke goederen vervreemdt, dient met een rechtvaardige straf gestraft te worden.

Boek VI Deel II Titel III Wederrechtelijke toeëigening van kerkelijke taken en misdrijven bij de uitoefening ervan 1378-1389

Can. 1378 - § 1 Een priester die tegen het voorschrift van can. 977 handelt, loopt een excommunicatie van rechtswege op die aan de Apostolische Stoel voorbehouden is.
§ 2 De straf van interdict van rechtswege of, als hij clericus is, van suspensie van rechtswege loopt op:
1. wie zonder tot priester gewijd te zijn de liturgische handeling van het eucharistisch Offer waagt;
2. wie, naast het geval waarover in § 1, hoewel hij de sacramentele absolutie niet geldig geven kan, deze waagt te verlenen, of een sacramentele belijdenis hoort.
§ 3 In de gevallen waarover in § 2, kunnen, naar gelang van de ernst van het misdrijf, andere straffen toegevoegd worden, excommunicatie niet uitgesloten.

Can. 1379 - Wie naast de gevallen waarover in can. 1378, voorwendt een sacrament toe te dienen, dient met een rechtvaardige straf gestraft te worden.

Can. 1380 - Wie op grond van simonie een sacrament viert of ontvangt, dient met een interdict of suspensie gestraft te worden.

Can. 1381 - § 1 Iedereen die zich wederrechtelijk een kerkelijk ambt toeëigent, dient met een rechtvaardige straf gestraft te worden.
§ 2 Aan wederrechtelijke toeëigening wordt gelijkgesteld het onwettig behouden van een taak, na ontneming of na het ophouden ermee.

Can. 1382 - De bisschop die zonder pauselijk mandaat iemand tot bisschop wijdt, en eveneens hij die van deze de wijding ontvangt, lopen een excommunicatie van rechtswege op die aan de Apostolische Stoel voorbehouden is.

Can. 1383 - De bisschop die tegen het voorschrift van can. 1015 een onderdaan van een ander zonder wettige machtigingsbrief gewijd heeft, is het verboden gedurende een jaar een wijding toe te dienen. Hij echter die de wijding ontvangen heeft, is door het feit zelf gesuspendeerd van de ontvangen wijding.

Can. 1384 - Wie naast de gevallen waarover in de canones 1378-1383, een priesterlijke taak of een andere gewijde bediening op onwettige wijze uitoefent, kan met een rechtvaardige straf gestraft worden.

Can. 1385 - Wie op onwettige wijze winst maakt uit een misstipendium, dient met een censuur of met een andere rechtvaardige straf gestraft te worden.

Can. 1386 - Wie wat ook geeft of belooft opdat iemand die een taak in de Kerk uitoefent, onwettig iets doet of nalaat, dient met een rechtvaardige straf gestraft te worden; eveneens degene die deze giften of beloften aanvaardt.

Can. 1387 - De priester die in de biecht zelf of bij gelegenheid of onder voorwendsel ervan een biechteling aanzet tot een zonde tegen het zesde gebod van de Decaloog, dient, naar gelang van de ernst van het misdrijf, gestraft te worden met een suspensie, met verboden of met ontnemingen, en in de meer ernstige gevallen dient hij uit de clericale staat weggezonden te worden.

Can. 1388 - § 1 De biechtvader die het biechtgeheim rechtstreeks schendt, loopt een excommunicatie van rechtswege op die aan de Apostolische Stoel voorbehouden is; hij die het slechts onrechtstreeks schendt, dient naar gelang van de ernst van het misdrijf gestraft te worden.
§ 2 De tolk en de anderen over wie in can. 983, § 2, die de geheimhouding schenden, dienen met een rechtvaardige straf gestraft te worden, excommunicatie niet uitgesloten.

Can. 1389 - § 1 Wie van een kerkelijke macht of taak misbruik maakt, dient naar gelang van de ernst van zijn handelen of nalaten gestraft te worden, ontneming van het ambt niet uitgesloten, tenzij voor dit misbruik reeds een straf bij wet of verordening vastgesteld is.
§ 2 Wie echter uit schuldige nalatigheid op onwettige wijze een handeling van kerkelijke macht of bediening of taak stelt of nalaat met schade voor een ander, dient met een rechtvaardige straf gestraft te worden.

Boek VI Deel II Titel IV Misdaad van vervalsing 1390-1391

Can. 1390 - § 1 Wie een biechtvader bij een kerkelijke Overste valselijk aanklaagt wegens het misdrijf waarover in can. 1387, loopt een interdict van rechtswege op en, indien hij clericus is, tevens een suspensie.
§ 2 Wie een andere lasterlijke aanklacht wegens een misdrijf bij een kerkelijke Overste indient, of wie anderszins de goede naam van een ander schendt, kan met een rechtvaardige straf gestraft worden, een censuur niet uitgesloten.
§ 3 De lasteraar kan ook gedwongen worden een passende genoegdoening te geven.

Can. 1391 - Met een rechtvaardige straf naar gelang van de ernst van het misdrijf kan gestraft worden:
1. wie een vals publiek kerkelijk document vervaardigt of een echt document verandert, vernietigt of verbergt, of wie een vals of veranderd document gebruikt;
2. wie een ander vals of veranderd document gebruikt in een kerkelijke aangelegenheid;
3. wie in een publiek kerkelijk document een valse bewering doet.

Boek VI Deel II Titel V Misdrijven tegen bijzondere verplichtingen 1392-1396

Can. 1392 - Clerici of religieuzen die handel drijven of zaken doen in strijd met de voorschriften van de canones, dienen naar gelang van de ernst van het misdrijf gestraft te
worden.

Can. 1393 - Wie verplichtingen schendt die hem als straf opgelegd zijn, kan met een rechtvaardige straf gestraft worden.

Can. 1394 - § 1 Onverminderd het voorschrift van can. 194, § 1, nr.3, loopt een clericus die een huwelijk, ook louter burgerlijk, waagt, een suspensie van rechtswege op; indien hij na vermaning niet tot inkeer gekomen is en voortgegaan is met ergernis te geven, kan hij trapsgewijs met ontnemingen gestraft worden en zelfs ook met wegzending uit de clericale staat.
§ 2 Een religieus met geloften voor het leven, die geen clericus is, en die een huwelijk, ook louter burgerlijk, waagt, loopt een interdict van rechtswege op, onverminderd het voorschrift van can. 694.

Can. 1395 - § 1 Een clericus die in concubinaat leeft, buiten het geval waarover in can. 1394, en een clericus die in een andere uiterlijke zonde tegen het zesde gebod van de Decaloog ergernisgevend blijft verkeren, dienen met een suspensie gestraft te worden, waaraan, indien het misdrijf na vermaning blijft bestaan, trapsgewijs andere straffen toegevoegd kunnen worden tot wegzending uit de clericale staat toe.
§ 2 Een clericus die anderszins tegen het zesde gebod van de Decaloog misdaan heeft, dient, als het misdrijf bedreven is met geweld of bedreigingen of in het publiek of met een minderjarige beneden de leeftijd van zestien jaar, met rechtvaardige straffen gestraft te worden, wegzending uit de clericale staat eventueel niet uitgesloten.

Can. 1396 - Wie ernstig de residentieplicht schendt waartoe hij krachtens zijn kerkelijk ambt gehouden is, dient met een rechtvaardige straf gestraft te worden, ontneming van het ambt, na vermaning, niet uitgesloten.

Boek VI Deel II Titel VI Misdrijven tegen het leven en de vrijheid van een mens 1397-1398

Can. 1397 - Wie een mens doodt, of met geweld of bedrog ontvoert of vasthoudt of verminkt of ernstig verwondt, dient naar gelang van de ernst van het misdrijf met de ontnemingen en
verboden waarover in can. 1336, gestraft te worden; het doden echter van personen over wie in can. 1370, wordt gestraft met de daar bepaalde straffen.

Can. 1398 - Wie vruchtafdrijving bewerkt met daadwerkelijk gevolg, loopt een excommunicatie van rechtswege op.

Boek VI Deel II Titel VII Algemene norm 1399

Can. 1399 - Naast de gevallen die in deze of andere wetten bepaald zijn, kan de uiterlijke schending van een goddelijke of canonieke wet slechts dan met een rechtvaardige straf gestraft worden, wanneer de bijzondere ernst van de schending bestraffing eist en de noodzaak dringend aanwezig is om ergernis te voorkomen of te herstellen.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 22/11/2009 - 20:16
Laatst aangepast op: vr, 15/01/2010 - 18:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.