-A +A

wijziging huwelijkscontract

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Rechtsleer: Natalie Vandebeek, Het onroerend goed en het huwelijksvermogen, Kluwer 2008, p. 57 en volgende


Echtgenoten kunnen tijdens het huwelijk hun huwelijkscontract wijzigen of een huwelijkscontract afsluiten wanneer zij gehuwd zijn bij ontstentenis aan huwelijkscontract.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen een grote wijziging, een middelgrote wijziging en de kleine wijziging:

de grote wijziging

Deze procedure dient gevolgd wanneer geopteerd wordt voor  een totaal ander huwelijksstelsel.

vb. wijziging van een stelstel van scheiding van goederen naar een stelsel van gemeenschap of omgekeerd.

vb. echtgenoten die zonder contract gehuwd zijn en die opteren voor een stelsel van scheiding van goederen.

vb. overgang van een goed van het eigen vermogen van de ene echtegenoot naar het eigen vermogen van de andere echtgenoot



De grote procedure vergt:

- een notariële inventaris
- de opstelling van een regelingsakte: een regeling mbt de bestemming van de goederen (wat valt in welk vermogen)
- publicatie van de voorgenomen wijziging  in het Belgisch Staatsblad.
- homologatie door de rechtbank van eerste aanleg.

de middelgrote wijziging


De omslachtige procedure die vereist wordt voor de grote wijziging wordt in een aantal gevallen vereenvoudigd.

Wanneer een van de echtgenoten een inbreng in het gemeenschappelijk vermogen doet van een eigen roerend of onroerend goed of wanneer een recht van opstal wordt gevestigd op een eigen goed in het voordeel van het gemeenschappelijk vermogen zijn de boedelbeschrijving en het opmaken van een regelingsakte niet meer verplicht.


de kleine wijziging

Deze procedure kan gevolgd worden wanneer de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel niet de vereffening vereffening van het vorige stelsel of een dadelijke verandering van de vermogens tot gevolg heeft, dan wel zich beperkt tot de herroeping van de schenkingen die gedaan werden in het huwelijkscontract (art. 1394,4° lid BW) of de inlassing inhoudt van een bevoordelingsclausule ten gunste van de langstlevende echtgenoot. Bij de kleine wijziging blijven de  echtgenoten onder hetzelfde stelsel gehuwd.

De kleine wijziging is heel wat eenvoudiger, minder duur, vergt wel de tussenkomst van notaris maar vergt geen homologatie door de rechtbank.

voorbeelden:

- schenken of schenkingen opheffen,
- invoegen  of afschaffen van een verblijvingsbeding (langst-leeft-erft-al-clausule)
- invoegen of afschaffen van een keuzebeding; het toevoegen,
- wijzigen of afschaffen van bedingen van vooruitmaking of ongelijke verdeling.

 

Zie ook:

scheiding van goederen

stelsel van algehele gemeenschap

wijziging huwelijkscontract

zaakvervanging

wederbelegging

wet Valkeniers beperking erfrecht echtgenoot in aanwezigheid van kinderen uit vorige relatie

gemeenschappelijke schulden in het wettelijk stelsel

eigen schulden in het wettelijk stelsel

vereffening-verdeling van de huwgemeenschap: volledig overzicht

 


 

Nog dit: 

Cass. 25 februari 2010 RABG 2011/05, 371

samenvatting:

Huwelijkspartners die de beslissing genomen hebben tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, moeten een alomvattende voorafgaande regeling treffen zoals de artikelen 1287 en 1288 Ger.W. bepalen.

Indien nu tussen de echtgenoten een onderhandse overeenkomst betreffende hun vermogensrechtelijke verhouding werd gesloten bijna twee maand voorafgaandelijk aan de notariële regelingsakte, die geen regeling betreft in de pro-cedure van echtscheiding door onderlinge toestemming, die onderworpen is aan de artikelen 1287 e.v. Ger.W., dan dient een dergelijke overeenkomst te voldoen aan het bepaalde in de artikelen 1392 e.v. B W betreffende de wijziging van het huwe-lijksvermogensstelsel.

Uittreksel uit het arrest:

(D.J./S.I.)

[...]

II. Cassatiemiddelen

De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wetsbepalingen

–— de artikelen 6, 1131, 1133, 1392, 1393, 1394 en 1395 van het Burgerlijk Wetboek, het genoemde artikel 1394 zowel in de versie zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 2 van de wet van 9 juli 1998 betreffende de procedure inzake wijziging van het huwelijksvermogensstelsel, als in de versie zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 6 van de wet van 22 april 2003 tot wijziging van enkele bepalingen van het Burgerlijk Wetboek in verband met het erfrecht van de langstlevende echtgenoot, en het genoemde artikel 1395 zowel in de versie zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 3 van de wet van 9 juli 1998 betreffende de procedure inzake wijziging van het huwelijksvermogensstelsel, als in de versie zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 133 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van Internationaal Privaatrecht;

–— de artikelen 1287, 1ste lid, 1289ter, 1297 en 1298 van het Gerechtelijk Wetboek. Bestreden beslissing
Het bestreden arrest verklaart het beperkt hoger beroep van de eiser ongegrond en het incidenteel hoger beroep van de verweerster deels gegrond, hervormt het bestre-den vonnis in de mate waarin dit de tegenvordering van eiser gedeeltelijk gegrond heeft verklaard, en ter zake opnieuw rechtdoende, verklaart de oorspronkelijke tegenvordering van de eiser volledig ongegrond, op volgende gronden:

“3.4. Over de aanspraken van (de eiser) op de drie onroerende goederen en vermo-gensbestanddelen in Spanje:
(De eiser) stelt vast dat in de notariële regelingsakten ‘bij vergetelheid’ niets is opgenomen met betrekking tot de drie onroerende goederen in Spanje, en de aldaar aanwezige lichamelijke roerende goederen, met name meubilair, alsook met betrekking tot de onlichamelijke roerende goederen, zijnde gezamenlijke spaar- en zichtrekeningen bij een Spaanse bank.

Zijn stelling is dat de onderhandse overeenkomst van 1 februari 1998 helemaal niet is hernomen in de regelingsakten die partijen uiteindelijk opstelden, zodat die niet vermelde goederen gewoon in onverdeeldheid gebleven zijn tussen partijen, terwijl (de verweerster) misbruik zou gemaakt hebben van de hogervermelde attestering door notaris Verbist om vervolgens twee onroerende goederen achter de rug van (de eiser) te verkopen.

Hij vordert bovendien dat (de verweerster) rekening en verantwoording doet in ver-band met de door haar verworven baten en gedragen lasten met betrekking tot die drie ‘vergeten’ onroerende goederen in Spanje.

(De verweerster) van haar kant beroept zich op de onderhandse overeenkomst van 1 februari 1998, dit is bijna twee maanden voorafgaand aan de eerste notariële rege-lingsakte, en waarbij (de eiser) te haren gunste afstand deed van alle roerende en onroerende goederen in Spanje.

Anders dan wat (de eiser) meent te moeten opwerpen is deze onderhandse overeen-komst niet te beschouwen als een absoluut nietige tegenbrief aan de notariële rege-lingen: vermits die onderhandse regeling voorafgaat aan de notariële regelingen en de rechtspositie van partijen met betrekking tot hun aanspraken in de Spaanse goe-deren, zowel de roerende als de onroerende de finitief vaststelde, heeft die overeen-komst hoegenaamd niets gewijzigd aan de (latere) dadingsovereenkomsten die par-tijen met betrekking tot hun verdere onverdeeldheden hebben afgesloten;

De onderhandse akte van 1 februari 1998 vormt dan ook geen geheime tegenbrief die de notariële regelingen op enigerlei wijze veranderde.
Er is ook geen sprake van enige herroeping van de onderhandse akte van 1 februari 1998 bij de latere notariële regelingsakten, nu deze hoegenaamd niets voorzien in verband met de eerder overgedragen Spaanse goederen.

Dat de drie nu in betwisting gestelde Spaanse onroerende goederen integraal aan (de verweerster) toekwamen blijkt nog uit een ‘overzicht verdeling’ door (de eiser) gefaxt op 16 september 1998 en waarin hij in de kavel van (de verweerster) ‘Spanje’ toerekent voor 16.000 (te lezen als 16.000.000 BEF (lees: 396.629,64 EUR)) terwijl het ene Spaanse onroerend goed vermeld in de notariële akte van 20 april 1998 pro fisco geraamd wordt op slechts 2.100.000 BEF (lees: 52.057,64 EUR).
De stelling van (de eiser) dat partijen met hun notariële overeenkomsten uiteindelijk een andere verdelingswijze beoogden kan in het licht van zijn eigen voormeld faxbericht van 16 september 1998 (dit is nog na de eerste notariële akte) dan ook niet worden aanvaard.

(De eiser) legt nu ook de beëdigde vertaling over van het attest nr. B 2686280 afge-leverd door de ambtenaar van de eigendomsregistratie te Torrox Malaga waaruit de overschrijving van de afstand respectievelijk aanvaarding met betrekking tot de res-pectieve onroerende goederen én de verkrijging ervan door (de verweerster) blijkt.

Ten overvloede verwijst (de verweerster) terecht ook nog naar het standpunt van de Belgische fiscus die haar, op grond van de kennisname van het dossier, belast heeft op de niet aangegeven belastbare huurinkomsten op de in Spanje gelegen onroerende goederen, en waarbij in acht genomen werd dat het huis (...) te Torrox Malaga haar is toebedeeld in de regelingsakte echtscheiding door onderlinge toestemming van 20 april 1998 en dat van de andere onroerende goederen op 1 februari 1998 ten hare voordeel afstand is gedaan door (de eiser), waarna zij aanvaardde.

De fiscus besloot (de verweerster) voor de aanslagjaren 2000, 2001 en 2002 een aanvullende belasting te doen betalen mét een belastingverhoging van 10%.
De overdracht omvatte niet alleen alle onroerende goederen in Spanje, maar ook alle roerende goederen, waaronder begrepen de banktegoeden, zodat er uit dien hoofde niets meer te verdelen viel op het moment dat partijen hun eerste regelingsakte opstelden.

Er is dan ook geen reden tot aanvullende vereffening en verdeling van die goederen. ”

Grieven

1. Naar luid van artikel 1287, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moeten de echt-genoten die besloten hebben tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, hun wederzijdse rechten waaromtrent het hun evenwel vrijstaat een vergelijk te treffen, vooraf regelen.

Deze regelingsakte moet alomvattend zijn, en alle rechten en schulden van partijen regelen, zodat partijen over alle gevolgen van de echtscheiding akkoord moeten gaan, en na het uitspreken ervan niet meer tot vereffening en verdeling van hun huwelijksvermogensstelsel moeten overgaan. Zij vormt een afwijking van het uit de bestendigheid van de huwelijksvoorwaarden voortvloeiend verbod van de echtgeno-ten om de vereffening en verdeling van hun gemeenschappelijk vermogen nog voor de ontbinding van het huwelijk te regelen.

De regelingsakte moet, krachtens artikel 1288bis van het Gerechtelijk Wetboek, samen met de familierechtelijke overeenkomst die partijen, op grond van artikel 1288 van het Gerechtelijk Wetboek, eveneens voorafgaand moeten opstellen, bij het verzoekschrift in echtscheiding door onderlinge toestemming worden gevoegd.
Deze voorafgaande overeenkomsten kunnen, overeenkomstig artikel 1293 van het Gerechtelijk Wetboek, lopende de echtscheidingsprocedure, na de eerste verschij-ning van partijen voor de rechtbank, niet meer gewijzigd worden tenzij bij nieuwe en onvoorziene omstandigheden waardoor de toestand van de echtgenoten, of een van hen of de kinderen ingrijpend wordt gewijzigd.

De vermogensrechtelijke overeenkomst die de echtgenoten krachtens artikel 1287 van het Gerechtelijk Wetboek opstellen, geldt onder de opschortende voorwaarde dat de echtscheiding wordt uitgesproken. Ten aanzien van de goederen van partijen werkt de echtscheiding, overeenkomstig artikel 1304 van het Gerechtelijk Wetboek, terug tot het proces-verbaal opgemaakt ter uitvoering van artikel 1292 van hetzelfde wetboek, m.a.w. tot de dag van de eerste verschijning van partijen voor de rechter.

2. Krachtens artikel 1289ter van het Gerechtelijk Wetboek verleent de procureur des Konings schriftelijk advies over de vormvereisten, de toelaatbaarheid van de echtscheiding en de inhoud van de overeenkomsten met betrekking tot de minderjarige kinderen.

Naar luid van artikel 1297 van het Gerechtelijk Wetboek concludeert de procureur des Konings tot de toelaatbaarheid van de echtscheiding indien hij vaststelt dat aan alle wettelijke voorwaarden, naar vorm en inhoud, is voldaan.

Overeenkomstig artikel 1298 van het Gerechtelijk Wetboek spreekt de rechtbank de echtscheiding uit wanneer partijen, naar het oordeel van de rechtbank, aan de voorwaarden hebben voldaan en de vormvereisten hebben in acht genomen die door de wet zijn bepaald. In het tegenovergestelde geval verklaart de rechtbank dat er geen grond bestaat om de echtscheiding uit te spreken en geeft de redenen van zijn beslissing op.

3. Het door artikel 1287, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek vereiste alomvattend karakter van de regeling van de wederzijdse rechten van partijen, betekent dat echt-genoten die, zoals te dezen, gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel, voor alle goede-ren behorend tot het gemeenschappelijk vermogen, een regeling dienen te treffen.

Deze voorafgaande regeling is slechts in overeenstemming met de wet in zoverre ze is opgenomen in de aan de rechtbank over te leggen regelingsakte. Indien partijen voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming het lot van bepaalde gemeenschappelijke goederen regelen, en deze regeling niet opnemen in de aan de rechtbank over te leggen regelingsakte, dan is deze “geheime overeenkomst, wegens miskenning van regels van openbare orde in de zin van de artikelen 6, 1131 en 1133 van het Burgerlijk Wetboek, absoluut nietig.

Zij is niet alleen strijdig met de wettelijke verplichting de alomvattende regeling aan de rechtbank over te leggen zodat deze laatste kan nagaan of voldaan is aan de wettelijke voorwaarden naar vorm en inhoud, maar ook met de bestendigheid van de huwelijksvoorwaarden, zoals die blijkt uit de wettelijke voorschriften inzake de beperkte wijzigbaarheid van het huwelijksvermogensstelsel in de artikelen 1392, 1393, 1394 en 1395 van het Burgerlijk Wetboek, die verbiedt dat de echtgenoten vóór de ontbinding van het huwelijk een overeenkomst sluiten betreffende de vereffening en verdeling van het gemeenschappelijk vermogen, en die, met toepassing van artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek, de openbare orde raakt.

4. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt:

–— dat partijen op 1 februari 1998 een onderhandse overeenkomst sloten waarin de eiser afstand deed “van alle roerende en onroerende goederen dewelke gelegen en gestaan zijn in Spanje in het voordeel van (de verweerster) ”,
–— dat de inhoud van deze overeenkomst niet werd hernomen in de aan de rechtbank overgelegde regelingsakten van 20 april 1998 en 22 september 1998;
–— dat de regelingsakten geen melding maken van drie onroerende goederen in Spanje, noch de aldaar aanwezige roerende goederen en de spaar- en zichtrekening bij een Spaanse bank.

Zoals blijkt uit eisers beroepsbesluiten, riep de eiser de nietigheid in van de onder-handse overeenkomst van 1 februari 1998 mede op grond van de vaststellingen dat deze aanvullende overeenkomst, daterend van vóór de regelingsakte, betreffende de wederzijdse rechten van partijen in de goederen in Spanje, niet aan de rechtbank werd voorgelegd en als een “geheime tegenbrief” moet worden beschouwd.

Tussen partijen werd niet betwist dat de litigieuze goederen die het voorwerp uit-maakten van de onderhandse overeenkomst van 1 februari 1998, behoorden tot het gemeenschappelijk vermogen van partijen, gehuwd onder het wettelijk stelsel, zoals ook aangenomen in het vonnis a quo. De verweerster stelde overigens uitdrukkelijk in conclusie voor de appelrechters: “Deze goederen zijn evenwel niet meer in onver-deeldheid: (de eiser) heeft zijn aandeel integendeel integraal aan (de verweerster) toebedeeld, in het kader van de vereffening en verdeling van de huwgemeenschap tussen partijen. ” Alleszins sluit het bestreden arrest niet uit dat de litigieuze goederen tot het gemeenschappelijk vermogen behoorden.

5. De door het bestreden arrest weerhouden omstandigheden dat de onderhandse regeling van 1 februari 1998:

–— aan de notariële regelingsakte voorafgaat,
–— definitief “de rechtspositie van partijen met betrekking tot hun aanspraken in de Spaanse goederen, zowel roerende als de onroerende vaststelde”,
–— niets gewijzigd heeft aan de latere dadingsovereenkomst “die partijen met betrek-king tot hun verdere onverdeeldheden hebben afgesloten”,
–— tot gevolg heeft dat wat betreft de hierin voorziene goederen “niets meer te verde-len viel” op het ogenblik van de eerste regelingsakte, lieten de appelrechters niet toe de nietigheid van deze overeenkomst te verwerpen en hieraan gevolg te verlenen door te besluiten dat er geen reden is tot een aanvullende vereffening en verdeling betreffende deze goederen.

Uit deze vaststellingen blijkt, minstens sluiten zij niet uit:

–— dat de goederen waarop de onderhandse regeling betrekking heeft, tot het gemeenschappelijk vermogen behoorden,
–— dat partijen aldus in de aanloop van hun echtscheidingsprocedure bij afzonderlijke geheime, want niet aan de echtscheidingsrechter ter kennis gebrachte overeenkomst, reeds een deel van hun gemeenschappelijk vermogen definitief hebben vereffend en verdeeld.

Dit laatste wordt overigens bevestigd door de overweging van het bestreden arrest “(dat) de drie nu in betwisting gestelde Spaanse onroerende goederen integraal aan (de verweerster) toekwamen” (onderlijning door ondergetekende), nu de eiser in zijn op 16 september 1998 (aan de verweerster) gefaxt “overzicht verdeling” “in de kavel van (verweerster) ‘Spanje’ toerekent voor 16.000 (te lezen als 16.000.000 BEF (lees: 396.629,64 EUR)) terwijl het ene Spaanse onroerend goed vermeld in de notariële akte van 20 april 1998 pro fisco geraamd wordt op slechts 2.100.000 BEF (lees: 52.057,64 EUR)”.

6. Nu aldus uit het bestreden arrest blijkt, minstens niet wordt uitgesloten dat par-tijen, bij de litigieuze overeenkomst van 1 februari 1998, reeds vóór de ontbinding van hun huwelijk door echtscheiding zijn overgegaan tot gedeeltelijke vereffening en verdeling van hun gemeenschappelijk vermogen, miskennen de appelrechters, door gevolg te geven aan deze overeenkomst, het verbod van echtgenoten gehuwd onder een gemeenschapsstelsel om vóór de ontbinding van het huwelijk over te gaan tot vereffening en verdeling van hun huwelijksvermogensstelsel, zoals dit voortvloeit uit de bestendigheid van de huwelijksvoorwaarden (schending van de art. 6, 1131, 1133, 1392, 1393, 1394 en 1395, de twee laatste artikelen in hun versies zoals aan-gegeven in de aanhef van het middel, van het Burgerlijk Wetboek).

Nu aldus uit het bestreden arrest eveneens blijkt, minstens niet wordt uitgesloten, dat partijen de overeenkomst van 1 februari 1998 niet aan de echtscheidingsrechter hebben overgemaakt, miskennen de appelrechters de wettelijke verplichting een alomvattende overeenkomst betreffende de wederzijdse rechten van partijen op te maken en ter controle aan de echtscheidingsrechter over te leggen (schending van de art. 6, 1131 en 1133 van het Burgerlijk Wetboek en de art. 1287, 1ste lid, 1289ter, 1297 en 1298 van het Gerechtelijk Wetboek).

De door het bestreden arrest weerhouden omstandigheid dat de overeenkomst van 1 februari 1998 “geen ‘geheime tegenbrief’ (vormt) die de notariële regelingen (van 20 april 1998 en 22 september 1998) op enigerlei wijze veranderde”, omdat deze notariële regelingsakten betrekking hebben op “verdere onverdeeldheden”, en niet deze geregeld op 1 februari 1998, doet geen afbreuk aan voornoemde onwettighe-den, nu de aan de echtscheidingsrechter over te maken regelingsakten betreffende de wederzijdse rechten van partijen alomvattend moeten zijn, zodat het enkel feit dat een aan de regelingsakten voorafgaande overeenkomst betreffende bepaalde, niet in de regelingsakten vermelde gemeenschappelijke goederen, niet in de regelingsakten werd opgenomen, op zich reeds volstaat om te besluiten tot de onwettigheid van de voorafgaande overeenkomst, die alsdan, voor de toepassing van artikel 1287, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, wel als een “geheime tegenbrief” t.a.v. de regelings-akten kan worden aangemerkt (schending van de art. 6, 1131, 1133, 1392, 1393, 1394 en 1395, de twee laatste artikelen in hun versies zoals aangegeven in de aanhef van het middel, van het Burgerlijk Wetboek en de art. 1287, 1ste lid, 1289ter, 1297 en 1298 van het Gerechtelijk Wetboek).

Tweede middel

Geschonden wetsbepalingen

–— de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Bestreden beslissing
Het bestreden arrest verklaart het beperkt hoger beroep van de eiser ongegrond en het incidenteel hoger beroep van de verweerster deels gegrond, hervormt het bestre-den vonnis in de mate waarin dit de tegenvordering van de eiser gedeeltelijk gegrond heeft verklaard, en ter zake opnieuw rechtdoende, verklaart de oorspronkelijke tegenvordering van de eiser volledig ongegrond, op volgende gronden:

“3.6. De betaling door (de eiser) persoonlijk als hoofdelijke borg voor kredieten verleend aan de NV V.:
Uit twee notariële attesten blijkt dat:
–— notaris N. V. te Antwerpen verklaart naar aanleiding van de verkoop door (de eiser) van de panden (...), verleden op 26 maart 1999 op verzoek van Fortis Bank (voorheen Generale Bank) op 1 april 1999 16.200.000 BEF (lees: 401.587,51 EUR) te hebben gestort bij voornoemde bank,
–— notaris M.D. verklaart dat naar aanleiding van de verkoop door (de eiser) van de
opbrengsteigendom te Antwerpen, (...), verleden op 26 juli 1999, op verzoek van Fortis Bank (voorheen Generale Bank) op 27 juli 1999 18.000.000 BEF (lees: 446.208,34 EUR) is gestort bij voornoemde bank.

Met reden verwijst (de verweerster) hier naar de notariële regelingsakten waarbij (de eiser) zich ertoe verbond om verder alle borgstellingen te zijnen laste te nemen die betrekking hadden op de vennootschappen die in zijn kavel werden toebedeeld, en dit met uitsluiting/ter ontlasting van (de verweerster).
Uit de door (de verweerster) overgelegde stukken 11 tot en met 13 blijkt dat de in de regelingsakten uitgedrukte wil van partijen omgezet is in de bankrelatie, door de realisatie van het voorstel van de bank, geformuleerd in haar faxbericht van 27 augustus 1998, om ten aanzien van de kredieten verleend aan NV V. handlichting te verlenen van de hypothecaire inschrijvingen op (...) voor 8,3 en 8,5 miljoen BEF (lees: 205.751,63 EUR en resp. 210.709,50 EUR) en de vrijgave van de borgstelling van (de verweerster) voor 25 en 3,5 miljoen BEF (lees: 619.733,81 EUR en resp. 86.762,73 EUR) mits voldaan werd aan vier voorwaarden, ten uitvoer is gelegd in de drie kredietbrieven van 23 september 1998 en waarbij ten aanzien van de kredieten opzichtens V. werd voorzien dat de wijzigingen in het kredietdossier pas konden worden gerealiseerd nadat het krediet van 43.653.000 BEF (lees: 1.082.129,60 EUR) aan NV V. toegestaan werd aangezuiverd en herleid tot 33.000.000 BEF (lees: 818.048,63 EUR) ten laatste op 31 oktober 1998.

Het door (de verweerster) onder nr. 14 overgelegde onderhandse stuk betreft een door (de eiser) ondertekende verklaring waarbij hij handelend in zijn hoedanigheid van gedelegeerd bestuurder van de NV V. zich ertoe verbond opdat voornoemde vennootschap alle nodige stappen zou ondernemen om het krediet van 43.653.000 BEF (lees: 1.082.129,60 EUR) toegestaan aan haar door de Generale Bank aan te zuiveren en te herleiden tot een bedrag van 33.000.000 BEF (lees: 818.048,63 EUR) en dit ten laatste per 31 oktober 1998, en verder: Indien deze aanzuivering om eender welke reden niet zou hebben plaatsgevonden tegen 31 oktober 1998 verbindt (de eiser) zich hierbij persoonlijk tegenover (de ver-weerster).... om voormelde aanzuivering persoonlijk door te voeren en de nodige bedragen rechtstreeks door te storten naar de Generale Bank, derwijze dat (de ver-weerster) op geen enkel ogenblik en op geen enkele wijze zou kunnen aangesproken te dien einde. (De eiser) stelt zich dan ook persoonlijk borg voor de aanzuivering van voormelde schuld van de NV V. ....

Indien (de eiser) bijgevolg met de door de respectievelijke notarissen geattesteerde betalingen enige schuld uit zijn borgstellingen opzichtens de NV V. voldeed, dan betaalde hij slechts een eigen schuld, die hij ingevolge de hogervermelde volledige tenlastenemingen niet meer kan verhalen op (de verweerster).”

Grieven

1. Het hoger beroep van de eiser strekte o.m. tot hervorming van het vonnis a quo in zoverre hierin werd besloten tot de verwerping van zijn tegenvordering, strekkende tot aanstelling van een notaris om over te gaan tot de bewerkingen van vereffening-verdeling van een betaling van 818.048,63 EUR (33.000.000 BEF) door de eiser aan Fortis Bank als persoonlijke hoofdelijke borg voor de NV V., waartoe beide
partijen gehouden waren, en waarvoor in de regelingsakte voorafgaand de echtscheiding door onderlinge toestemming niet voorzien was hoe dit zou moeten geregeld worden indien één van beiden aangesproken werd om dit te voldoen. Volgens de eiser diende de verweerster in de betaling van de schuld van 818.048,63 EUR voor de helft tussen te komen.

2. De eiser voerde in dit verband in conclusie voor de appelrechters o.m. aan (syn-theseberoepsbesluiten van eiser, neergelegd op 31 december 2007, p. 28-32, sub d):
–— dat partijen zich hoofdelijk borg hadden gesteld voor de schulden aangegaan door de NV V.;
–— dat de eiser zich in de notariële regelingsakte er slechts toe verbonden had “voor zover dit realiseerbaar is” “de nodige stappen te ondernemen bij de betrokken financiële instellingen opdat (de verweerster) ontlast wordt van de persoonlijke borgstellingen die zij aangegaan heeft in het kader van kredieten toegestaan ten voordele van vennootschappen toebedeeld aan (de eiser)”;
–— dat de eiser getracht heeft de hoofdelijke borgstellingen voor de schulden van de NV V. ongedaan te krijgen, maar dat Fortis Bank (brief Generale Bank d.d. 27 augustus 1998) voorwaarden stelde die niet realiseerbaar waren (hypotheek aan een pand, “Selderstraat”, dat aan de verweerster werd toebedeeld, en het reeds bestaan van een hypothecaire inschrijving op het pand “Nationalestraat”);
–— dat het schrijven van de Generale Bank d.d. 23 september 1998 het verderzetten betreft van de kredieten onder voorwaarde van het herleiden van de kredietlijn van de NV V. naar 33.000.000 BEF, doch nooit door de eiser werd ondertekend omdat de waarborgen niet realiseerbaar waren;
–— dat de eiser enkel aan de voorwaarde van het herleiden kon voldoen, in welk ver-band hij, op verzoek van de verweerster, de verklaring van 24 september 1998 ondertekende waarin hij zich persoonlijk engageerde om in te staan voor de afbouw van het krediet van 43.653.000 BEF naar 33.000.000 BEF, “niet meer, niet minder”;
–— dat de eisers standpunt bevestigd wordt door de realisatie door de bank van de hypothecaire volmacht van 58.000.000 BEF;
–— dat de hoofdelijke borgstelling van de verweerster voor de schulden van de NV V. nooit een einde heeft genomen;
–— dat de eiser de verweerster nooit heeft vrijgesteld van de persoonlijke borgstelling die zij had aangegaan voor de schulden van de NV V.;
–— dat de eiser nooit heeft gesteld dat hij alle schulden van de NV V. persoonlijk zou dragen ter vrijwaring van de verweerster.

3. Het bestreden arrest stelt vast dat de notarissen attesteerden naar aanleiding van de verkoop van onroerende goederen door de eiser op 26 maart 1999 en 26 juli 1999, 401.587,51 EUR en 446.208,34 EUR te hebben gestort bij Fortis Bank op verzoek van deze bank.
Het verwerpt eisers vordering om reden dat, indien de eiser door voornoemde door de notarissen geattesteerde betalingen enige schuld uit zijn borgstellingen opzichtens de NV V. voldeed, hij slechts een eigen schuld voldeed, die hij ingevolge de in het arrest vermelde “volledige tenlastenemingen” niet meer kan verhalen op de verweerster.

Het bestreden arrest vermeldt ter zake volgende “tenlastenemingen”:

–— in de notariële regelingsakten “waarbij (de eiser) zich ertoe verbond om verder alle borgstellingen te zijnen laste te nemen die betrekking hadden op de vennootschappen die in zijn kavel werden toebedeeld, en dit met uitsluiting/ter ontlasting van (de verweerster)” (arrest p. 23, voorlaatste alinea);
–— en in een onderhandse verklaring van eiser d.d. 24 september 1994, door de ver-weerster overgelegd onder stuk 14, en eveneens door eiser overgelegd onder stuk 7 van zijn “inventaris III (stukken i.v.m. Fortis Bank)” en onder stuk 1 van zijn “inventaris IV’.

Eerste onderdeel

4. In zoverre het bestreden arrest lastens de eiser als “volledige tenlasteneming” weerhoudt dat de eiser zich in de notariële regelingsakten verbond om alle borgstel-lingen ten laste te nemen, geeft het aan deze regelingsakten een uitlegging die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan.
De notariële regelingsakten waarvan melding in het arrest zijn de regelingsakten van 20 april 1998 en 22 september 1998. Dit blijkt ook uit het standpunt van de ver-weerster in conclusie waarnaar het bestreden arrest verwijst.

Slechts de notariële regelingsakte van 20 april 1998 regelt de toebedeling van de aandelen van de NV V. aan eiser, en de gevolgen hiervan voor de borgstellingen, en voorziet ter zake volgende clausule (p. 2, sub “B. Onlichamelijke roerende goede-ren”, sub 2. “aandelen”, in fine; tevens weergegeven in het arrest, p. 4, bovenaan):

“Er wordt hierbij uitdrukkelijk overeengekomen dat alle leningen, kredietopeningen of financieringen die toegestaan werden aan de hierboven vermelde vennootschap-pen en waarvoor (de eiser) en (de verweerster) zich persoonlijk borg hebben gesteld, volledig ten laste zullen genomen worden door de vennootschappen voor dewelke deze financieringen gediend hebben.

(De eiser) verbindt zich ertoe, voor zover dit realiseerbaar is, de nodige stappen te ondernemen bij de betrokken financiële instellingen opdat mevrouw S. ontlast wordt van de persoonlijke borgstellingen die zij aangegaan heeft in het kader van kredieten toegestaan ten voordele van vennootschappen toebedeeld aan (de eiser).”

De notariële regelingsakte voorziet derhalve alleen dat de vennootschappen de schulden waarvoor de eiser en de verweerster zich borg hebben gesteld, volledig ten laste zullen nemen. In hoofde van de eiser wordt alleen de verbintenis vermeld, “voor zover dit realiseerbaar is”, “de nodige stappen te ondernemen” bij de financiële instellingen om de verweerster te bevrijden van haar borgstellingen voor de vennootschappen.

Door niettemin uit deze notariële regelingsakte een verbintenis in hoofde van eiser tot “volledige tenlasteneming” van alle borgstellingen voor de NV V. af te leiden, geeft het bestreden arrest een uitlegging aan de regelingsakten van 20 april 1998 en 22 september 1998, en inzonderheid aan de hiervoor geciteerde clausule uit de regelingsakte van 20 april 1998, die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan, en miskent het derhalve de bewijskracht van deze regelingsakten en deze clausule (schending van de art. 1319, 1320 en 1322 B W).

Tweede onderdeel

S. In zoverre het bestreden arrest een “volledige tenlasteneming” lastens de eiser weerhoudt op grond van de onderhandse verklaring van 24 september 1998, geeft het ook aan dit geschrift een uitlegging die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan.

Zoals blijkt uit het bij de voorziening gevoegde stuk, is deze verklaring in volgende bewoordingen gesteld:
“De ondergetekende, (de eiser), bestuurder van vennootschappen (...), handelende in zijn hoedanigheid van gedelegeerd bestuurder van de naamloze vennootschap ‘V.’ (...) verbindt zich hierbij opdat voormelde vennootschap alle nodige stappen zou ondernemen om het krediet ad 43.6S3.000 BEF, toegestaan door de Generale Bank NV aan de naamloze vennootschap aan te zuiveren en te herleiden tot een bedrag ad 33.000.000 BEF en dit ten laatste per 31 oktober 1998.
Indien deze aanzuivering om eender welke reden niet zou hebben plaatsgevonden tegen 31 oktober 1998 verbindt (de eiser) zich hierbij persoonlijk tegenover (de verweerster) (...) om voormelde aanzuivering persoonlijk door te voeren en de nodige bedragen rechtstreeks door te storten naar de Generale Bank, derwijze dat (de verweerster) op geen enkel ogenblik en op geen enkele wijze zou kunnen aangesproken te dien einde.

(De eiser) stelt zich dan ook persoonlijk borg voor de aanzuivering van voormelde schuld van de NV ‘ V.’. (De eiser) verklaart dat deze persoonlijke borgstelling zich uitstrekt op de totaliteit van zijn persoonlijke lichamelijke en onlichamelijke roe-rende goederen alsook op de totaliteit van de onroerende goederen die zowel hijzelf als de vennootschappen waarin hij meerderheidsaandeelhouder is, in eigendom bezitten. ”

Uit de bewoordingen van deze verklaring blijkt:
–— dat zij enkel betrekking heeft op de “aanzuivering” en het “herleiden” van het krediet van 43.6S3.000 BEF naar 33.000.000 BEF,
–— dat de eiser zich in zijn hoedanigheid van gedelegeerd bestuurder van de NV V. verbindt om de nodige stappen te ondernemen, om het krediet aan te zuiveren en te herleiden;
–— dat de eiser zich persoonlijk verbindt opzichtens de verweerster om “voormelde aanzuivering” desnoods persoonlijk door te voeren;
–— dat de eiser zich “dan ook” persoonlijk borg stelt “voor de aanzuivering van voormelde schuld”.

De persoonlijke borgstelling van eiser, in deze verklaring, opzichtens verweerster, betreft dan ook enkel de aanzuivering van het krediet van 43.653.000 BEF naar 33.000.000 BEF, doch geenszins een “volledige tenlasteneming” van de integrale schuld van 43.653.000 BEF.

Door niettemin uit deze verklaring van eiser d.d. 24 september 1998 een verbintenis tot “volledige tenlasteneming” door de eiser, opzichtens de verweerster, van alle borgstellingen voor de NV V. af te leiden, geeft het bestreden arrest aan deze akte een uitlegging die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan, en miskent het derhalve de bewijskracht van dit stuk (schending van de art. 1319, 1320 en 1322 B W).

III. Beslissing van het Hof Beoordeling

Eerste middel

Ontvankelijkheid

1. De verweerster werpt een grond van niet-ontvankelijkheid op: het middel is nieuw in zoverre het de schending aanvoert van de artikelen 1393, 1394 en 1395 van het Burgerlijk Wetboek en hieraan verbonden, de schending van de artikelen 6, 1131 en 1133 van dat wetboek.

2. De wettelijke regels inzake de wijzigbaarheid van het huwelijksvermogensstelsel zijn van dwingend recht. Nu uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat de eiser afstand heeft gedaan van de hem door de wet toegekende bescherming, is de eiser derhalve gerechtigd voor het eerst voor het Hof aan te voeren dat het de echtgenoten verboden is voor de ontbinding van het huwelijk een overeenkomst te sluiten betreffende de vereffening en verdeling van het gemeen-schappelijk vermogen.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Middel zelf

3. De echtgenoten die besloten hebben tot echtscheiding door onderlinge toestem-ming over te gaan, moeten een alomvattende regeling treffen zoals de artikelen 1287 en 1288 van het Gerechtelijk Wetboek bepalen.

Indien tussen de echtgenoten een overeenkomst betreffende hun vermogensrechte-lijke verhouding werd gesloten tijdens het huwelijk, die geen voorafgaande regeling betreft in de procedure van echtscheiding door onderlinge toestemming, die onder-worpen is aan de artikelen 1287 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek, “dan dient een dergelijke overeenkomst te voldoen aan het bepaalde in de artikelen 1392 en vol-gende van het Burgerlijk Wetboek”.

4. De appelrechters overwegen dat:
–— de verweerster van haar kant zich beroept op de onderhandse overeenkomst van 1 februari 1998, dit is bijna twee maanden voorafgaand aan de eerste notariële rege-lingsakte, en waarbij de eiser ten gunste van verweerster afstand deed van alle roe-rende en onroerende goederen in Spanje;
–— die onderhandse regeling voorafgaat aan de notariële regelingen en de rechtspositie van partijen met betrekking tot hun aanspraken in de Spaanse goederen, zowel de roerende als de onroerende definitief vaststelde.

5. De appelrechters die op grond van deze overwegingen zonder meer uitgaan van de geldigheid van de tussen partijen tot stand gekomen onderhandse akte, verant-woorden hun beslissing “dat er niets meer te verdelen viel op het moment dat partijen hun eerste regelingsakte opstelden” en “dat er geen reden is tot aanvullende vereffening en verdeling van die goederen”, niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Tweede middel

6. In de notariële regelingsakten, waarnaar de eiser verwijst in het eerste onderdeel van dit middel, wordt enerzijds overeengekomen dat alle leningen, kredietopeningen of financieringen die toegestaan werden aan de in diezelfde akte vermelde vennoot-schappen en waarvoor de eiser en de verweerster zich persoonlijk borg hebben gesteld, volledig ten laste zullen genomen worden door de vennootschappen voor dewelke deze financieringen gediend hebben.

Tevens vermelden deze akten dat de eiser zich ertoe verbindt, voor zover dit reali-seerbaar is, de nodige stappen te ondernemen bij de betrokken financiële instellingen opdat de verweerster bevrijd wordt van de persoonlijke borgstellingen die zij aange-gaan heeft in het kader van kredieten toegestaan ten voordele van vennootschappen toebedeeld aan de eiser.

7. In de akte van 24 september 1998, door de eiser aangehaald in het tweede onder-deel, verbindt de eiser zich in zijn hoedanigheid van gedelegeerd bestuurder van de NV V. om de nodige stappen te ondernemen om het krediet toegestaan door de Generale Bank NV aan te zuiveren en te herleiden. Vervolgens verbindt de eiser zich persoonlijk tegenover de verweerster om deze aanzuivering persoonlijk door te voe-ren en de nodige bedragen rechtstreeks door te storten aan de Generale Bank zodat de verweerster op geen enkel ogenblik en op geen enkele wijze zou kunnen aange-sproken worden te dien einde. Ten slotte stelt de eiser zich in voormelde akte per-soonlijk borg voor de aanzuivering van voormelde schuld van de NV V. waarbij hij verklaart dat deze persoonlijke borgstelling zich uitstrekt tot de totaliteit van zijn persoonlijke lichamelijke en onlichamelijke roerende goederen alsook tot de totaliteit van de onroerende goederen die zowel hijzelf als de vennootschappen waarin hij meerderheidsaandeelhouder is, in eigendom bezitten.

8. De appelrechters die deze akten aldus uitleggen dat de eiser er zich ten overstaan van de verweerster toe verbond om alle borgstellingen te zijnen laste te nemen die betrekking hadden op de vennootschappen die in zijn kavel werden toebedeeld,
waardoor hij deze na betaling niet meer kon verhalen op de verweerster, geven van deze akten een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is.
Het middel mist feitelijke grondslag.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de aanspraken van de eiser op de drie onroerende goederen en vermogensbestanddelen in Spanje en over de kosten.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeelte-lijk vernietigde arrest.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Waar aanwezig waaren: E. Dirix, raadsheer wnd. voorzitter; E. Stassijns, B. Deco-ninck, A. Smetryns en G. Jocqué, raadsheren; in aanwezigheid van A. Van Ingelgem, advocaat-generaal met opdracht.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: zo, 20/03/2011 - 18:46

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.