-A +A

Zaakwaarneming

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Verbintenissen kunnen ontstaan uit overeenkomst, maar ook zonder ovvereenkomst, met name uit onrechtmatige daad, de wet zelf maar ook uit
1. de eenzijdige wilsuiting;
2. de zaakwaarneming (art. 1372-1375 B.W.);
3. de onverschuldigde betaling (art. 1376-1381 B.W.);
4. de vermogensverschuiving zonder oorzaak.
Rechtsleer: APR Zaakwaarneming, E. Beysen, Kluwer 2006.

Wettelijke basis:  art. 1372-1375 Burgerlijk wetboek

Wanneer een bepaalde persoon spontaan de belangen van een andere persoon in diens voordeel waarneemt, omdat de meester van de zaak daartoe tijdelijk niet in staat is.

De zaakwaarneming doet een verbintenis ontstaan uit een rechtsfeit, zonder dat er enige wilsuiting of onrechtmatige handeling is vanwege de schuldenaar.

De persoon die de belangen waarneemt, wordt de zaakwaarnemer geheten.

Verplichtingen van de zaakwaarnemer: Eens iemand de zaken van een ander heeft waargenomen, moet hij dit verder zetten en uitvoeren als een goede huisvader. Tenslotte moet hij bij het einde van de zaakwaarneming rekenschap geven aan de meester van de zaak.

Verplichtingen van de meester van de zaak: De meester van de zaak  moet de zaakwaarnemer schadeloos stellen voor allenoodzakelijke en nuttige uitgaven.

Weergave van de wettelijke bepalingen uit het burgerlijk wetboek:

Art. 1372. Wanneer iemand vrijwillig eens anders zaak waarneemt hetzij met, hetzij buiten weten van de eigenaar, verbindt hij zich stilzwijgend om de door hem begonnen zaakwaarneming voort te zetten en die te voltooien, totdat de eigenaar in staat is zelf daarin te voorzien; hij moet zich eveneens belasten met alles wat bij diezelfde zaak behoort.
Hij onderwerpt zich aan alle verplichtingen die zouden ontstaan uit een uitdrukkelijke lastgeving die hij van de eigenaar zou hebben gekregen.

Art. 1373. Hij is verplicht zijn zaakwaarneming voort te zetten, zelfs indien de eigenaar komt te overlijden voordat de zaak is ten einde gebracht, totdat de erfgenaam de leiding ervan op zich heeft kunnen nemen.

Art. 1374. Hij is verplicht aan de zaakwaarneming alle zorgen van een goed huisvader te besteden.
Niettemin kan de rechter de vergoeding van de schade die door de schuld of de nalatigheid van de waarnemer mocht zijn veroorzaakt, matigen, op grond van de omstandigheden die hem tot de zaakwaarneming hebben bewogen.

Art. 1375. De eigenaar wiens zaak behoorlijk is waargenomen, moet de verbintenissen nakomen die in zijn naam door de waarnemer zijn aangegaan, hem schadeloos stellen voor alle persoonlijke verbintenissen die hij op zich heeft genomen, en hem alle nuttige of noodzakelijke uitgaven die hij gedaan heeft, vergoeden.

Verschil met lastgeving: Cass. 8 november 1956, Arr. Verbr. 1957, 159; , Pas. 1957, I, 244; , J.T. 1956, 727. De zaakwaarneming, beheerst door art. 1372 B.W., verschilt van de lastgeving door de afwezigheid van elke overeenkomst tussen de waarnemer en degene wiens zaak waargenomen wordt, betreffende het beheer vóór de inmenging van de waarnemer aangegaan.

Rechtspraak:

•• Cass. (1e k.) AR C.02.0522.F, 6 januari 2005 (Cliniques Universitaires Saint-Luc / Centre Public d'Aide Sociale de Chaumont-Gistoux):  Zaakwaarneming vereist dat de handelingen vrijwillig worden verricht, d.w.z. met het oogmerk om te handelen voor rekening en in het belang van een ander. (Art.1372 B.W.)
 

•• Cass. 8 juni 1893, Pas. 1893, I, 252. De zaakwaarnemer heeft recht op de intrest wegens de betalingen die hij tot bevrijding van de meester gedaan heeft, doch slechts voor zover deze laatste voordeel heeft gehad bij deze betalingen.
 

•• Brussel 7 februari 1964, Pas. 1965, II, 70. De zaakwaarnemer heeft recht op vergoeding van alle nuttige uitgaven door hem verricht, alsmede op een loon of vergoeding. Hij heeft eveneens recht op de intresten op uitgaven vanaf de datum waarop ze werden verricht, maar niet op intresten op zijn loon
 

•• Cass. 5 januari 1967, Arr. Cass. 1967, 535 en , Pas. 1967, I, 531.

Zaakwaarneming kan weerhouden worden wanneer de eigenaar van een grond, waarop een dier rondzwierf, na het in een stal geplaatst te hebben en de eigenaar van het dier verwittigd te hebben, het dier tijdelijk verzorgd en gevoed heeft, terwijl de eigenaar geen gevolg aan de verwittiging gegeven had.

•• Bergen 29 maart 1983, R.R.D. 1984, 23; , Rev. not. b. 1983, 428.

De zaakwaarneming impliceert dat de meester van de zaak onmogelijk zijn eigen belangen kan behartigen.

•• Bergen 4 januari 1982, Rev. not. b. 1982, 297.

Zaakwaarneming veronderstelt een behartiging van andermans belangen buiten diens weten om. Dit is niet het geval wanneer de beweerde zaakwaarnemer voldeed aan een verzoek van de persoon wiens belangen behartigd werden.

•• Brussel 2 februari 1989, R.G.A.R. 1991, nr. 11.876, noot.

In geval van brand hulp bieden aan personen of goederen, beantwoordt aan het begrip zaakwaarneming, zelfs wanneer de aquiliaanse aansprakelijkheid van de aanwezige geholpene in het gedrang komt en ongeacht het resultaat van de geboden hulp.
 
•• Luik 26 oktober 1992, J.L.M.B. 1993, 798 en http://jlmbi.larcier.be (11 oktober 2005), noot MISSON, L., BAERT, F. . Noot MISSON, L., BAERT, F., Sport et danger: le sauveteur en péril jurisprudentiel?

De verplichting tot het verlenen van bijstand aan elke collega-alpinist in gevaar, is de uitdrukking van een morele verbintenis die rust op deelnemers aan een expeditie in het hooggebergte. Bij ontstentenis van een animus contrahendi, heeft die verplichting echter niet het karakter van een juridische verbintenis.

De alpinist die vrijwillig in het hooggebergte bij een zwaar gekwetste collega blijft tot wanneer andere leden van de expeditie in het dal hulp hebben gehaald, treedt op als zaakwaarnemer. Hij heeft recht op vergoeding van alle schade die hij heeft ondergaan (art. 1375 B.W.).

•• Antwerpen (2e ter k.) 7 november 2000, A.J.T. 2001-02, 481.

De bouwheer is afwezig wegens vakantie en is niet bereikbaar. De aannemer mag aanvullende werken aanrekenen als deze dringend en noodzakelijk zijn en als toestemming tot uitvoering is gegeven door de binnenhuisarchitect, gestoeld op de zaakwaarneming.

•• Antwerpen 17 september 1980, Eur. Vervoerr. 1981, 378, noot.
Een schipbreuk stelt een einde aan een zeereis. Onmogelijkheid de transportovereenkomst verder uit te voeren. De reder-verweerder behoudt echter de verplichting de waren met de beste zorgen te omringen uit hoofde van zaakwaarneming.

•• Hof van Beroep te Gent 4 juni 2002 (R.W. 2003-2004, p. 350-351): Er is geen sprake van zaakwaarneming wanneer iemand niet de bedoeling heeft ander¬mans zaak waar te nemen. Aldus kan de langstlevende partner die de begrafeniskosten beeft be¬taald en de begrafenis heeft georganiseerd, zich ten aanzien van de erfgerechtigde van de overle¬dene niet op zaakwaarneming beroepen, wanneer hij het overlijden en de rouwmaaltijd voor deze erfgerechtigde heeft verzwegen en hem niet op het doodsbericht of het rouwprentje heeft vermeld.

•• Vred. Zelzate nr. 04A415, 9 december 2004, T.B.B.R. 2005, afl. 9, 529, noot CAUFFMAN, C. .,De tussenkomst van een takelfirma op de vraag van de politie: een toepassingsgeval van de zaakwaarneming?

De politie die een voertuig dat zich na een ongeval op de openbare weg bevond en aldaar een hinderlijke hindernis uitmaakte, al bevond het zich niet op de rijbaan, laat wegtakelen,handelt als zaakwaarnemer van de eigenaar van het voertuig.
Bijgevolg dient de meester van de zaak de verbintenis na te komen die in zijn naam door de politie als zaakwaarnemer tegenover de takelfirma werd aangegaan (art. 1375 B.W.).
Dit laatste impliceert evenwel niet dat de meester van de zaak gehouden is tot betaling van alle bedragen welke de takelfirma meent te kunnen aanrekenen. Deze laatste heeft slechts recht op een redelijke vergoeding voor tussenkomsten die noodzakelijk waren en niet alleen maar nuttig.


 

Nog dit: 

Hof van Beroep te Brussel, 1e Kamer – 12 november 2013, RW 2013-2014, 1383

samenvatting:

Art. 1375 BW bepaalt dat de eigenaar wiens zaak behoorlijk is waargenomen, de verbintenissen moet nakomen die in zijn naam door de waarnemer zijn aangegaan, hem moet schadeloosstellen voor alle persoonlijke verbintenissen die hij op zich heeft genomen en hem alle nuttige of noodzakelijke uitgaven die hij gedaan heeft moet vergoeden.

Een toepassingsvoorwaarde voor de zaakwaarneming is dat zij gebeurt in het belang van de meester van de zaak. Het is daarbij mogelijk dat ook het eigen belang van de zaakwaarnemer wordt gediend, maar de onbaatzuchtigheid moet een doorslaggevende reden zijn (zie: E. Beysen, Zaakwaarneming in APR, Mechelen, Kluwer, 2006, 102; W. Van Gerven en S. Covemaeker, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2001, 182).

Een andere toepassingsvoorwaarde voor de figuur van de zaakwaarneming is dat zij noodzakelijk was, d.w.z. dat de meester van de zaak niet zelf kon handelen of dat er nood was aan onmiddellijk optreden.

Tekst arrest

K.V. t/ Gemeente E.

...

2. De feiten

De eerste rechter heeft de relevante feiten weergegeven als volgt:

“1. De heer V. is eigenaar van een pand te E., aan de M.-straat 21.

Het aanpalende pand aan de M.-straat 23 is eigendom van de gemeente E. en is onderverdeeld in appartementen die worden verhuurd.

De heer V. zet in zijn conclusies uiteen dat hij het pand, waarvan hij in 2003 eigenaar is geworden, volledig eigenhandig heeft gerenoveerd en dat enkel nog de dakgoot moest worden hersteld. Hij zou aan de gemeente hebben beloofd die herstelling spoedig uit te voeren, vanaf september 2007 na zijn terugkeer uit vakantie.

2. In juli 2007 is door de gemeente E. vastgesteld dat bij regenval de dakgoot van het pand van de heer V. niet al het regenwater kon afvoeren en dat het water eroverheen gutste, op het perceel van de gemeente aan de M.-straat 23. Dit zou schade hebben veroorzaakt aan het pand van de gemeente E., meer bepaald in het appartement op de gelijkvloerse verdieping.

De gemeente E. heeft per e-mail de heer V. – die op vakantie was – proberen te contacteren en heeft gemeld dat zij een offerte had gevraagd voor de herstellingen aan de dakgoot. Het bedrag van de offerte was 8.570 euro, zonder btw.

Nadien heeft de gemeente de herstellingswerken aan de dakgoot laten uitvoeren, tegen de prijs van 11.225,40 euro, btw inbegrepen.

3. De gemeente E. heeft de heer V. aangeschreven om van hem de betaling voor de dakwerken terug te vorderen. De heer V. heeft hierop nooit gereageerd”.

3. Het onderwerp van de vordering

3.1. Voor de eerste rechter vorderde de gemeente E. de veroordeling van de heer V. tot betaling van 11.225,40 euro, de prijs betaald aan de dakwerker, 1.000 euro voor de kosten van het gemeentepersoneel en 1.000 euro voor de indirecte schade ten gevolge van de waterinfiltraties. Subsidiair bood zij het getuigenbewijs aan met betrekking tot de waterinfiltraties en de gebrekkige toestand van het dak van het pand van de heer V., en suggereerde zij de aanstelling van een deskundige.

De heer V. concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering.

3.2. De eerste rechter verklaarde de vordering van de gemeente E. niet ontvankelijk bij gebrek aan belang voor wat betreft de vergoeding van genotderving voor de huurders. Hij verklaarde de vordering voor het overige ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond en veroordeelde de heer V. tot betaling aan de gemeente E. van 11.225,40 euro, vermeerderd met de verwijlinteresten daarop aan de wettelijke rentevoet vanaf 1 september 2007 tot de datum van uitspraak en daarna de gerechtelijke interesten.

3.3. In hoger beroep herneemt de heer V. zijn oorspronkelijk verweer. De gemeente E. concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

4. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1. De grond van het hoger beroep

De vordering van de gemeente E. voor de eerste rechter was gebaseerd op de zaakwaarneming voor wat betreft de prijs van de werken en de kosten van het gemeentepersoneel. Voor de vordering met betrekking tot genotderving vermeldde zij geen andere motivering dan “vergoeding van indirecte schade”. De eerste rechter heeft de vordering met betrekking tot genotderving niet ontvankelijk verklaard en de gemeente E. heeft daartegen geen incidenteel hoger beroep ingesteld. Alleen de vordering op grond van zaakwaarneming staat dus nog ter beoordeling.

Art. 1375 BW bepaalt dat de eigenaar wiens zaak behoorlijk is waargenomen, de verbintenissen moet nakomen die in zijn naam door de waarnemer zijn aangegaan, hem moet schadeloosstellen voor alle persoonlijke verbintenissen die hij op zich heeft genomen en hem alle nuttige of noodzakelijke uitgaven die hij gedaan heeft moet vergoeden.

Een toepassingsvoorwaarde voor de zaakwaarneming is dat zij gebeurt in het belang van de meester van de zaak. Het is daarbij mogelijk dat ook het eigen belang van de zaakwaarnemer wordt gediend, maar de onbaatzuchtigheid moet een doorslaggevende reden zijn (zie: E. Beysen, Zaakwaarneming in APR, Mechelen, Kluwer, 2006, 102; W. Van Gerven en S. Covemaeker, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2001, 182).

Een andere toepassingsvoorwaarde voor de figuur van de zaakwaarneming is dat zij noodzakelijk was, d.w.z. dat de meester van de zaak niet zelf kon handelen of dat er nood was aan onmiddellijk optreden.

Aan de vermelde voorwaarden was in dit geval niet voldaan.

Uit de uiteenzetting van de feiten van de gemeente E. blijkt dat zij niet is opgetreden in het belang van de heer V., maar in haar eigen belang. De gemeente E. zelf legt een e-mail voor, gericht aan de heer V., van 24 juli 2007, dit is vóór de uitvoering van werken, waarin zij hem wees op waterinfiltraties in haar gebouw door de kroonlijst van zijn gebouw, en waarin zij schreef dat ze de situatie “reeds jarenlang” had aangeklaagd bij de vorige eigenaar. In dezelfde e-mail betoogde ze dat de heer V. toelating had gegeven voor werken en deelde ze mee dat een aannemer een offerte had gemaakt voor 8.570 euro, exclusief btw. Ook in haar ingebrekestelling van 9 november 2007 betoogde de gemeente E. dat ze de werken had laten uitvoeren “omdat de situatie in het appartement van mevrouw D. dermate problematisch werd en omdat u uw mondelinge toestemming op vrijdag 20 juli 2007 gegeven heeft (...)”. Uit een en ander is duidelijk dat de gemeente E. meende dat de heer V. in gebreke bleef om bij hem werken uit te voeren om de waterinfiltraties bij haar te beëindigen en dat ze die dan maar zelf heeft uitgevoerd.

De heer V. ontkent overigens het bestaan van een mondelinge overeenkomst. De gemeente E. baseert haar vordering ook niet op die grond; dit zou ook stuiten op het vereiste van schriftelijk bewijs van art. 1341 BW.

Er was evenmin een onmogelijkheid van handelen van de heer V. of een nood aan onmiddellijk ingrijpen. Dat de heer V. niet was ingegaan op vragen van de gemeente E. staat niet gelijk met zijn onmogelijkheid om te handelen. Dat het kort vóór de uitgevoerde werken hard had geregend, bracht evenmin de noodzaak mee van een onmiddellijk ingrijpen. Zoals vermeld, bestond het probleem reeds jaren, en het kan niet worden aangenomen dat de hevige regenval van juli 2007 het plots rechtvaardigde om het dak van de heer V. voor een stuk te vervangen.

De aantasting van het eigendomsrecht van de heer V. door de gemeente E. was dus niet gerechtvaardigd. De gemeente E. heeft de zaak van de heer V. niet waargenomen om zijn belangen te behartigen, maar heeft zichzelf recht willen verschaffen door middel van een eigen ingreep op zijn eigendom.

Of er waterinfiltraties waren en wat daarvan de oorzaak was, is voor het overige niet relevant voor de beoordeling van de vordering op grond van zaakwaarneming. Het subsidiaire aanbod van getuigenbewijs van de gemeente E. is daarom zonder belang.

De gemeente E. kan dus geen rechten putten uit de figuur van zaakwaarneming. Haar daarop gebaseerde vordering is ongegrond.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:16
Laatst aangepast op: ma, 05/05/2014 - 14:45

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.