De wilsgeschiktheid is te onderscheiden van de leer der wilsgebreken. Van de afwezigheid van elke wilsvorming of toestemming is er sprake indien een partij ingevolge haar (permanente dan wel tijdelijke) mentale toestand niet in staat is om zich een volwaardige wil te vormen.
Opdat een rechtshandeling rechtsgeldig zou zijn moet er sprake zijn van een vrije en bewuste wil, waarbij de persoon van wie een wilsuiting wordt gevraagd deze wil moet uiten met kennis van zaken, d.w.z. dat deze in staat moet zijn om de (rechts)gevolgen van zijn handelingen te overzien.
Een notariële akte houdt op zich niet in dat de door de notaris vastgestelde geestelijke gezondheid van de verkoper authentieke bewijswaarde zou hebben, die slechts met een valsheidsvordering kan worden bestreden.
Of de wilsverklaring overeenstemt met een efficiënte wil is niet gedekt door authenticiteit. De vaststelling door de notaris van de luciditeit van de verkoper is niet bekleed met authenticiteit.
Wilsonbekwaamheid kan worden bewezen door alle middelen van recht, waaronder dus ook uit onderscheiden medische stukken wanneer hieruit verminderde inzichtelijke vermogens blijken of gewag gemaakt wordt van flink gestoorde cognitieve testen, samengenomen met ongebruikelijke en voor de betrokkene manifest nadelige clausules uit de akte.
De ambtsverlenings- of ministerieplicht van de notaris, als openbare ambtenaar, is immers geenszins absoluut.
De notaris is immers verplicht zijn ambt te weigeren niet alleen bij juridische maar ook bij bepaalde kennelijk vast te stellen fysieke of mentale onbekwaamheden van de partijen.
Zijn ambt toch verlenen in voormelde hypothese levert dan ook een fout op in hoofde van de notaris.
Twijfel, zodra deze ernstig is, omtrent de mentale toestand noopt tot ambtsweigering.
Bedrog is niet noodzakelijk, noch doorslaggevend voor een toepassing van artikel 1382 BW.
De fout van de notaris kan bestaan uit miskenning van zijn advies- en voorlichtingsplicht.
De notaris , dient te verifiëren of de betrokkene de draagwijdte van diens handtekening kan begrijpen en dient te wijzen op de gevaren van de akte en de belangen van de betrokken te vrijwaren.
Uit een gebrek aan naheffing door de fiscus mag niet ipso facto worden afgeleid dat de waarde vermeld in de akte zou stroken met de venale waarde/werkelijke marktwaarde.
Het feit dat in de akte kwijting werd gegeven, lees dat . een clausule van volledige kwijting werd ingelast in de akte, terwijl niet het volledige bedrag van de koopsom werd betaald (wat de notaris in beginsel moet nagaan), levert een gewichtig en afdoende vermoeden op dat er bedrog in het spel was. Ook het ontslag van ambtshalve inschrijving is een beding dat, in het licht van bovenstaande overwegingen, allerminst normaal of gebruikelijk is en ernstig de wenkbrauwen doet fronsen. Een dergelijk beding is onevenwichtig en miskent de belangen van een der partijen.
De notaris moet partijen uiteraard wijzen op onevenwichtige afspraken: dit kadert in zijn informatie- en voorlichtingsplicht
Voor akten die manifest in strijd zijn met de billijkheid zou hij volgens bepaalde auteurs zelfs zijn ambt moeten weigeren.
Inbreuken op de voorlichtingsplicht leveren een fout op, die aanleiding geeft tot schadevergoeding (mits er schade is en het bewijs is geleverd van een causale relatie tussen deze schade en de fout).
De notaris draagt bovendien, in acht genomen zijn specifieke juridische achtergrond en taak, aansprakelijkheid wanneer hij nalaat de partijen te wijzen op een uitermate precaire titel waardoor de beoogde transactie zakenrechtelijk onwerkzaam zou zijn, dan wel dat er minstens en alleszins toch een ernstig risico hierop zou bestaan.
Overeenkomstig artikel 9, paragraaf 1, lid 3 van de Organieke Wet notariaat moet de notaris elke partij altijd volledig inlichten over de rechten, verplichtingen en lasten die voortvloeien uit de rechtshandelingen waarbij zij betrokken is en moet hij ook aan alle partijen op onpartijdige wijze raad geven.
Uit de regels betreffende de bewijslast volgt dat de notaris dient te bewijzen dat hij zich van zijn plicht heeft gekweten om zijn cliënten, c.q. de partijen in te lichten, en niet dat laatstgenoemden het negatieve feit dienen te bewijzen dat de vereiste informatie hen niet werd gegeven.