Artikel 6, eerste lid, van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen bepaalt dat, indien de belastingverordening in de verplichting van aangifte voorziet, de belasting bij gebrek aan aangifte binnen de in de verordening gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige, ambtshalve wordt ingekohierd.
Luidens het tweede lid van die bepaling, betekent de overheid die krachtens artikel 4 bevoegd is om het kohier vast te stellen, vooraleer wordt overgegaan tot de ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag, aan de belastingplichtige, bij een ter post aangetekende brief, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting.
Het derde lid van artikel 6 bepaalt dat de belastingplichtige over een termijn van dertig dagen volgend op de datum van verzending van de betekening beschikt om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen.
Uit die bepalingen volgt dat, wanneer de belastingplichtige zijn aangifteplicht niet nakomt, hetzij omdat hij geen aangifte doet binnen de gestelde termijnen, hetzij omdat zijn aangifte onjuist, onvolledig of onnauwkeurig is, de overheid de belastingaanslag ambtshalve kan vaststellen.
Wanneer de overheid daartoe overgaat, is zij gehouden de in voormeld artikel 6, tweede lid, bepaalde procedure na te leven teneinde het recht van verdediging van de belastingplichtige te vrijwaren.
De overheid hoeft die procedure alleen dan niet te volgen wanneer zij zich ertoe beperkt de aanslag vast te stellen overeenkomstig de aangifte van de belastingplichtige, zodat laatstgenoemde geen enkele reden heeft om die aanslag te betwisten en zijn recht van verdediging dus niet kan worden miskend.