Hoe wordt de kinderbijslag, het zogeheten kindergeld (thans groeipakket), geregeld bij een bilocatie verblijfsregeling?
Krachtens art. 69, § 1, derde lid, van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, hierna genoemd Kinderbijslagwet Werknemers, wordt de kinderbijslag integraal aan de moeder uitbetaald, wanneer de twee ouders die niet samenwonen het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen in de zin van art. 374 B.W. en het kind niet uitsluitend of hoofdzakelijk door een andere bijslagtrekkende wordt opgevoed.
Toch wordt de kinderbijslag op zijn vraag integraal aan de vader uitbetaald, wanneer het kind en hijzelf dezelfde hoofdverblijfplaats hebben in de zin van art. 3, eerste lid, 5o, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
Op verzoek van de beide ouders kan de uitbetaling gebeuren op een rekening waartoe zij beiden toegang hebben. Wanneer de ouders niet overeenkomen over de toekenning van de kinderbijslag, kunnen zij de arbeidsrechtbank vragen om de bijslagtrekkende aan te duiden en dit in het belang van het kind.
Krachtens art. 374 B.W. blijven de ouders, wanneer zij niet samenleven, het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen en geldt het in art. 373, tweede lid, B.W. bepaalde vermoeden.
Uit deze in hun onderlinge samenhang gelezen bepalingen volgt niet dat voor de toepassing van voormeld art. 69, § 1, derde lid, van de Kinderbijslagwet Werknemers, de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag door niet-samenwonende ouders in de zin van art. 374 B.W. noodzakelijkerwijze gerechtelijk dient te zijn vastgelegd.