Onder het hoofdstuk “Ambtsmisdrijven” groepeert het Sw. 2024 de misdrijven die door ambtenaren gepleegd worden in het kader van de uitoefening van hun ambt.
Deze bepalingen zijn in het Strafwetboek 1867 onder diverse hoofdingen en worden hier onder één hoofdstuk gebracht. De strafbare feiten bepaald in dit hoofdstuk zijn misbruiken van het ambt, wat impliceert dat de ambtenaren in hun hoedanigheid en hun functie optreden.
Klassiek worden inbreuken tegen de openbare orde door personen die deel uitmaken van het overheidsapparaat zwaarder bestraft, gezien het bijzonder vertrouwen dat deze personen genieten. Misbruiken van hun ambt tasten immers het vertrouwen van de burgers in de Staat aan.
Art. 643 Sw. 2024 (Inwerkingtreding 8 april 2026) voorziet voor deze misdrijven een strafuitsluitende verschoningsgrond en stelt:
“De gedragingen in dit hoofdstuk worden niet bestraft indien de persoon met een openbare functie die een niet-manifest onrechtmatig bevel uitvoert, heeft gehandeld op bevel van zijn meerderen, in zaken die tot hun bevoegdheid behoren en waarin hij zijn meerderen als ondergeschikte gehoorzaamheid verschuldigd was.”
Commentaar:
De artikelen 152 en 260 Sw. 1867 handelen over het onrechtmatig hoger bevel. Deze worden in het Sw. 2024 omgezet als een strafuitsluitende verschoningsgrond die toepasbaar is op alle bepalingen van titel 7 – hoofdstuk 4, zijnde de ambtsmisdrijven.
Een belangrijke toepassingsvoorwaarde is dat het bevel niet manifest onwettig mag zijn.
Onder de gelding van het Sw. 1867 wordt immers terecht aangenomen dat ondergeschikten niet enkel het recht, maar tevens de plicht hebben de uitvoering van manifest onwettelijke bevelen te weigeren. Hiervoor werden in zowel het politiestatuut als in de statuten van het leger bepalingen ingevoerd die duidelijk stellen dat er een zware tuchtsanctie volgt indien ze een kennelijk onwettig bevel uitvoeren. De terminologie in het Sw. 2024 werd in die zin aangepast.
De artikelen 152 en 260 Sw. 1867 vereisen dat de ondergeschikte ambtenaar een bevel heeft uitgevoerd dat betrekking had op aangelegenheden die tot de bevoegdheid van zijn meerdere behoorden, dat dit bevel correct werd uitgevoerd, dat er met betrekking tot dit bevel een band van ondergeschiktheid bestond tussen de meerdere die het bevel heeft gegeven en de ambtenaar die het heeft uitgevoerd, dat dit bevel niet manifest onwettig was en dat hij gehandeld heeft onder invloed van dwang of dwaling, die niet foutief was.
Er is veel onenigheid in de rechtspraak en rechtsleer over de natuur van de juridische figuur van het onrechtmatig hoger bevel.
Het hoger bevel levert slechts een rechtvaardigingsgrond op voor zover het rechtmatig is (art. 70 Sw. 1867, nieuw artikel 12 Strafwetboek 2024). Een onrechtmatig hoger bevel kan, als de voorwaarden daartoe vervuld zijn onder de schuldontheffingsgronden dwang en dwaling ondergebracht worden. Voor ondergeschikten die in hiërarchisch verband werken echter, werden echter twee aparte bepalingen in het Strafwetboek 1867 opgenomen (artikelen 152 en 260 Sw. 1867). Die worden door een deel van de rechtsleer als strafuitsluitende verschoningsgrond beschouwd.
Doorgaans wordt aangenomen dat art. 260 Sw. 1867 een ruim toepassingsgebied heeft en op alle door de ambtenaren gepleegde misdrijven slaat, terwijl art. 152 Sw. 1867 op de schending van de gewaarborgde rechten en vrijheden slaat.
Artikel 643 Sw. 2024 voert een strafuitsluitende verschoningsgrond in. Het onrechtmatig hoger bevel kan nooit een rechtvaardigingsgrond opleveren, aangezien één van de voorwaarden voor de toepassing van het hoger bevel als rechtvaardigingsgrond erin bestaat dat het bevel zelf rechtmatig moet zijn. Er werd voor gekozen de regeling onder de gelding van het Sw. 1867 opnieuw wettelijk vast te leggen en duidelijk te voorzien in een strafuitsluitende verschoningsgrond, die van toepassing is op de personen met een openbare functie die in hiërarchisch verband werken en in dat kader gehoorzaamheid verschuldigd zijn en op die manier schijnbaar rechtmatige bevelen opvolgen. Het misdrijf blijft bestaan, enkel de straf wordt opgeheven ten aanzien van hen die deze bevelen hebben opgevolgd in die omstandigheden. De notie “niet-manifest” wordt uitdrukkelijk in de wettekst vermeld.
Bepalingen uit hoofdstuk 4 die gedepenaliseerd worden en/of niet omgezet worden
In de memorie van toelichting bij het Boek I van het Strafwetboek 2024 wordt benadrukt dat rechtsregels evenredig moeten zijn met het nagestreefde doel. Dit betekent o.m. dat moet worden nagegaan of het strafrecht wel in alle gevallen een gepast handhavingsmechanisme aanreikt. Zo wordt beargumenteerd dat overtredingen in bepaalde gevallen gedepenaliseerd/ gedecriminaliseerd moeten worden. Meer algemeen moet ook ruimte worden gelaten voor andere sanctioneringsmechanismen. Met het oog op het nemen van deze beslissingen wordt gebruik gemaakt van het “taxatie-instrument ter bepaling van de strafwaardigheid van misdrijven” ontwikkeld door de Dienst voor het Strafrechtelijk beleid. Dit taxatie-instrument werd op basis van objectieve wetenschappelijke criteria ontwikkeld om ondersteunend en legitimerend te werken bij de beantwoording van de vraag of het strafrecht al dan niet moet worden ingezet om een bepaalde inbreuk te handhaven.
De termen decriminalisering en depenalisering dekken iet dezelfde lading. Het Sw. 2024 maakt enkel de denkoefening gemaakt of bepaalde misdrijven uit Boek II Sw. 1867 nog een strafrechtelijke afhandeling kunnen rechtvaardigen, m.a.w. wordt nagegaan of deze moeten worden gedepenaliseerd.
Binnen dit hoofdstuk rond de ambtsmisdrijven worden verscheidene strafbepalingen gedepenaliseerd of niet omgezet. Het gaat om de artikelen 153, 154, 157, 158, 159, 235, 236, 238, 242.259, 261, 262 en 266 Sw. 1867
Wat het artikelen 157 en 158 Sw. 1867 betreft kan gewezen worden op de algemene strafbaarstelling. De inbreuk hangt dus al samen met een andere strafrechtelijk te handhaven inbreuk. Daarenboven bestaat er een niet-penaal antwoord op het strafbaar gesteld gedrag, nl. een mogelijk disciplinair antwoord.
Wat het artikel 159 Sw. 1867 betreft, kan er tevens op gewezen worden dat dit reeds onder de algemene strafbaarstelling uit artikel 625 Sw. 2024 valt en dus al samen hangt met een andere strafrechtelijk te handhaven inbreuk. Tevens kan hier gewezen worden op het misdrijf aangaande de “onterende behandeling”. Daarenboven bestaat er een niet-penaal antwoord op het strafbaar gesteld gedrag, nl. een mogelijk disciplinair antwoord.
Het artikel 153 Sw. 1867 wordt ook niet meer in het Sw. 2024 weerhouden, aangezien dit als een schuldontheffingsgrond, zijnde een onoverkomelijke dwaling in rechte (zie artikel 23 van het Boek I Strafwetboek 2024) kan aanzien worden. Daarenboven zullen de personen die de handtekening van de betrokkene nagemaakt hebben, kunnen vervolgd worden op grond van de strafrechtelijke inbreuk “valsheid in geschrifte” zoals bepaald in hoofdstuk 2 van titel 4 van het Boek II Strafwetboek 1867. Ook artikel 154 Sw. 1867 wordt in het Strafwetboek 2024 niet weerhouden aangezien, op grond van het Taxatie-instrument kan gesteld worden dat dit reeds gelinkt is aan een andere strafrechtelijk te handhaven inbreuk, zijnde “valsheid in geschrifte”.
Wat het artikel 235 Sw. 1867 betreft kan gewezen worden op de algemene strafbaarstelling uit artikel 542 Sw. 2024 ie het artikel 109 Sw. 1867omzet. De inbreuk hangt dus al samen met een andere strafrechtelijk te handhaven inbreuk.
Het artikel 236 Sw. 1867 viseert het ontslag nemen door een persoon met een openbare functie met het oogmerk de rechtsbedeling of de uitoefening van een wettelijke dienst te verhinderen of te schorsen. De wetgever van het Sw. 2024 was van oordeel dat een dergelijke strafbepaling in strijd is met de vigerende maatschappijvisie. Zo heeft eenieder het recht om ontslag te nemen en bestaat er een verbod op dwangarbeid.
Het artikel 238 van het Strafwetboek 1867, dat kortweg betrekking heeft op het voortijdig vorderen of wijzen van een vonnis in een geschil van sociale zaken of handelszaken waarbij een administratieve overheid betrokken is, wordt tevens niet meer in het Strafwetboek 1867 Boek II weerhouden, rekening houdende met het feit dat er, zich baserende op het Taxatie-instrument, een niet-penaal antwoord bestaat op het strafbaar gesteld gedrag, nl. een mogelijk disciplinair antwoord.
Wat het artikel 259 van het Strafwetboek 1867 betreft, dat betrekking heeft op het weigeren van het doen optreden van de openbare macht na wettelijk door de overheid te zijn gevorderd, kan er op gewezen worden dat deze inbreuk al samen kan hangen met andere strafrechtelijk te handhaven inbreuken, voornamelijk als het weigeren om de openbare macht te doen optreden bepaalde gevolgen met zich meebrengt (bvb. vernielingen, slagen en verwondingen enz…). Daarenboven bestaat er een niet-penaal antwoord op het strafbaar gesteld gedrag, nl. een mogelijk disciplinair antwoord.
Ook voor wat de artikelen 261 en 262 Sw. 1867 betreft, die handelen over de onwettige vervroegde of verlengde uitoefening van het openbaar gezag, kan, zich steunende op het Taxatie-instrument, er op gewezen worden dat deze inbreuken al samen kunnen hangen met andere strafrechtelijk te handhaven inbreuken, zoals de inbreuken betreffende de aanmatiging van ambten, titel en namen. Daarenboven is een mogelijk niet-penaal antwoord mogelijk.
Het artikel 242 van het Strafwetboek 1867, dat betrekking heeft op de nalatige bewaring van officiële akten, stukken of voorwerpen, kan ook al samen hangen met een andere strafrechtelijk te handhaven inbreuk, zoals bepaald in artikel 635 Sw. 2024. Daarenboven bestaat er een niet-penaal antwoord op het strafbaar gesteld gedrag, nl. een mogelijk disciplinair antwoord.
Artikel 266 Sw. 1867 wordt tevens niet omgezet in het Sw. 2024 omdat dit doorheen het strafwetboek 2024 als een verzwarende bestanddelen of een verzwarende factor bij de bepalingen zelf kan opgenomen worden. Daarenboven is het artikel 266 Sw. 1867 zonder voorwerp, omdat de strafmaat het dubbele van het minimum is en bij toepassing van verzachtende omstandigheden, deze bepaling bijgevolg geneutraliseerd wordt.
Uittreksel uit het Sw. 2024 (Inwerkingtreding 8 april 2026)
Hoofdstuk 4. Ambtsmisdrijven
Afdeling 1. Schending van fundamentele rechten van de burgers
Art. 625. Het verzuim om op te treden tegen een wederrechtelijke vrijheidsberoving
Het verzuim om op te reden tegen een wederrechtelijke vrijheidsberoving is het opzettelijk nalaten of weigeren een wederrechtelijke vrijheidsberoving vast te stellen, aan te geven of te beëindigen door een persoon met een openbare functie.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 626. De willekeurige inbreuk op de grondrechten
De willekeurige inbreuk op de grondrechten is elke opzettelijk gepleegde daad van willekeur door een persoon met een openbare functie die een inbreuk maakt op de door de grondwet of door België geratificeerde verdragen gewaarborgde rechten en vrijheden en die niet strafbaar is onder een andere bepaling van dit Wetboek.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Afdeling 2. Gedragingen met het oog op het ontwrichten van de openbare dienst
Art. 627. Beramen van maatregelen in strijd met de geldende normen
Het beramen van maatregelen in strijd met de geldende normen is het beramen van maatregelen in strijd met de vigerende wetten of uitvoeringsbesluiten door een persoon met een openbare functie, hetzij op bijeenkomsten, hetzij via onderlinge communicatie, met kwaad opzet of met het oogmerk de openbare dienst te ontwrichten door de normale werking ervan lam te leggen.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 628. Verhinderen van de uitvoering van de geldende normen
Het verhinderen van de uitvoering van de geldende normen is het beramen van maatregelen tegen de uitvoering van een wet of een uitvoeringsbesluit door personen met een openbare functie, hetzij op bijeenkomsten, hetzij via onderlinge communicatie, met kwaad opzet of met het oogmerk de openbare dienst te ontwrichten door de normale werking ervan lam te leggen.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Afdeling 3. Aanmatiging van macht
Art. 629. Aanmatiging van macht door magistraten of leden van de politiediensten
De aanmatiging van macht door magistraten of leden van de politiediensten is de opzettelijk gepleegde wederrechtelijke inmenging door een magistraat of een lid van een politiedienst in de uitoefening van de wetgevende macht, hetzij door wetten te maken of de uitvoering ervan te stuiten of te schorsen, en in de uitvoerende macht, hetzij door verordeningen te maken, hetzij door de uitvoering van de administratieve bevelen te verbieden.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 630. Aanmatiging van macht door leden van de lokale uitvoerende macht of van bestuurslichamen
De aanmatiging van macht door leden van de lokale uitvoerende macht of van bestuurslichamen is de opzettelijk gepleegde wederrechtelijke inmenging door een provinciegouverneur, arrondissementscommissaris, burgemeester of lid van een bestuurslichaam in de uitoefening van de wetgevende macht, hetzij door wetten te maken, hetzij door de uitvoering ervan te stuiten of te schorsen, dan wel door zich aan te matigen besluiten te nemen die ertoe strekken een bevel of verbod aan de hoven of rechtbanken uit te vaardigen.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Afdeling 4. Misbruik van gezag
Art. 631. Onwettig vorderen of bevelen van de openbare macht
§ 1. Het onwettig vorderen of bevelen van de openbare macht is het opzettelijk vorderen of bevelen door een persoon met een openbare functie van het optreden van de openbare macht, tegen de uitvoering van een wet of van een uitvoeringsbesluit, tegen de inning van een wettelijk ingevoerde belasting of tegen de uitvoering van een rechterlijke beschikking of bevel, of van enig ander bevel van de overheid.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
§ 2. Indien de bevelen of vorderingen de rechtstreekse oorzaak zijn van andere misdrijven, strafbaar met een straf van een zwaarder strafniveau dan het niveau bedoeld in paragraaf 1, wordt dat zwaarder strafniveau toegepast.
Art. 632. Gevolg geven aan een onwettige vordering of bevel
§ 1. Het gevolg geven aan een onwettige vordering of bevel is het opzettelijk gevolg geven aan de onwettige vordering of bevel van de openbare macht door een persoon met een openbare functie tegen de uitvoering van een wet of van een uitvoeringsbesluit, tegen de inning van een wettelijk ingevoerde belasting of tegen de uitvoering van een rechterlijke beschikking of bevel, of van enig ander bevel van de overheid.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
§ 2. Indien de bevelen of vorderingen de rechtstreekse oorzaak zijn van andere misdrijven, strafbaar met een straf van een zwaarder strafniveau dan het niveau bedoeld in paragraaf 1, wordt dat zwaarder strafniveau toegepast.
Afdeling 5. Rechtsweigering
Art. 633. Rechtsweigering
Rechtsweigering is het opzettelijk weigeren door een rechter, raadsheer of enige andere persoon belast met een rechtsprekende functie om onder enig voorwendsel het aan de partijen verschuldigde recht te spreken.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Afdeling 6. Verduistering, knevelarij en belangenneming
Art. 634. Verduistering door een persoon met een openbare functie
Verduistering is het zich door een persoon met een openbare functie met het oog op het verschaffen voor zichzelf of voor een ander van een onrechtmatig voordeel, wederrechtelijk toe-eigenen van lichamelijke of onlichamelijke roerende goederen die aan hem zijn toevertrouwd of waartoe hij uit hoofde van zijn functie toegang heeft gehad.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 635. Vernietigen of wegmaken van officiële akten, stukken of voorwerpen
Het vernietigen of wegmaken van officiële akten, stukken of voorwerpen is het door een persoon met een openbare functie met bedrieglijk opzet vernietigen of wegmaken van akten, stukken of voorwerpen waarvan hij in de hoedanigheid van zijn functie de bewaarder was, die hem zijn bezorgd of waartoe hij uit hoofde van zijn functie toegang heeft gehad.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 636. Knevelarij
Knevelarij is het opzettelijk door een persoon met een openbare functie bevel geven om rechten of gelden te innen of die te vorderen of te ontvangen wetende dat zij niet verschuldigd zijn of het verschuldigde te boven gaan.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 637. Belangenneming
§ 1. Belangenneming is het opzettelijk door een persoon met een openbare functie hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenpersonen of door schijnhandelingen enig belang nemen of aanvaarden in de verrichtingen, aanbestedingen, aannemingen of werken in regie waarover hij ten tijde van de handeling geheel of deels het beheer of het toezicht had of het, belast met het bevel of de machtiging tot betaling of de vereffening van de zaak, daarin enig belang nemen.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
§ 2. Deze bepaling is niet van toepassing op de dader die, hoewel hij in het kader van zijn functie zijn private belangen heeft bevorderd, openlijk handelde en volgens de publieke belangen die hij diende te beschermen en waarbij hij aan deze publieke belangen op geen enkele manier afbreuk deed.
Afdeling 7. Publieke omkoping
Art. 638. Publieke omkoping
§ 1. Publieke omkoping is het opzettelijk
1° door een persoon met een openbare functie rechtstreeks of door tussenpersonen, voor zichzelf of voor een derde een aanbod, een belofte of een voordeel van welke aard dan ook vragen, aannemen of ontvangen, of;
2° rechtstreeks of door tussenpersonen aan een persoon met een openbare functie een aanbod, een belofte of een voordeel van welke aard dan ook voor zichzelf of voor een derde doen.
§ 2. Deze gedraging is strafbaar indien zij wordt gesteld met als doel een persoon met een openbare functie:
1° een rechtmatige maar niet aan betaling onderworpen handeling van zijn functie te laten verrichten;
2° de echte of vermeende invloed waarover hij uit hoofde van zijn functie beschikt om een handeling van een openbare overheid of een openbaar bestuur of het nalaten van die handeling te verkrijgen te laten misbruiken;
3° een onrechtmatige handeling naar aanleiding van de uitoefening van zijn functie of het nalaten van een handeling die tot zijn ambtsplichten behoort, te laten verrichten;
4° een misdrijf naar aanleiding van de uitoefening van zijn functie te laten plegen.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
§ 3. Voor de toepassing van deze bepaling wordt gelijkgesteld met een persoon met een openbare functie:
1° een persoon met een openbare functie in een vreemde Staat of in een internationale publiekrechtelijke organisatie;
2° elke persoon die zich kandidaat heeft gesteld voor een dergelijke functie, die doet geloven een dergelijke functie te zullen uitoefenen of die, door gebruik te maken van valse hoedanigheden, doet geloven een dergelijke functie uit te oefenen;
3° een arbiter.
Art. 639. Bijkomende straf
In afwijking van artikel 52 is het maximumbedrag van de geldboete:
- voor de feiten bedoeld in artikel 638, § 2, eerste lid, 1° en 2° : 80.000 euro;
- voor de feiten bedoeld in artikel 638, § 2, eerste lid, 3° : 400.000 euro;
- voor de feiten bedoeld in artikel 638, § 2, eerste lid, 4° : 600.000 euro.
Het maximumbedrag van de geldboete wordt verder verhoogd indien de persoon met een openbare functie:
1° de invloed waarover hij uit hoofde van zijn functie beschikte, effectief heeft aangewend;
2° de onrechtmatige handeling heeft verricht of nagelaten heeft een handeling te verrichten die tot zijn ambtsplichten behoort;
3° een lid van de politiediensten, een magistraat, een juridisch medewerker van een rechtscollege of het openbaar ministerie of een jurylid is;
4° een persoon met een openbare functie in een vreemde Staat of in een internationale publiekrechtelijke organisatie is.
In deze gevallen is het maximumbedrag van de geldboete:
- voor de feiten bedoeld in artikel 638, § 2, eerste lid, 1° en 2° : 200.000 euro;
- voor de feiten bedoeld in artikel 638, § 2, eerste lid, 3° : 600.000 euro;
- voor de feiten bedoeld onder artikel 638, § 2, eerste lid, 4° : 800.000 euro.
Afdeling 8. Misdrijven met betrekking tot het houden van de akten van de burgerlijke stand
Art. 640. Inbreuk op de formele verplichtingen van de ambtenaar van de burgerlijke stand
De inbreuk op de formele verplichtingen van de ambtenaar van de burgerlijke stand is elke opzettelijk gepleegde overtreding van een van de bepalingen van titel 2 van boek I van het oud Burgerlijk Wetboek door een ambtenaar van de burgerlijke stand.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 641. Voltrekking van een huwelijk zonder voorafgaande toestemming
De voltrekking van een huwelijk zonder voorafgaande toestemming is het opzettelijk voltrekken van een huwelijk door een ambtenaar van de burgerlijke stand, zonder dat deze zich voorafgaand vergewist heeft van de vereiste toestemming.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 642. Voltrekking van het religieuze huwelijk of van het niet-confessionele huwelijk vóór de voltrekking van het burgerlijk huwelijk
De voltrekking van het religieuze huwelijk of van het niet-confessionele huwelijk vóór de voltrekking van het burgerlijk huwelijk bestaat erin dat een bedienaar van de erediensten of een afgevaardigde die morele diensten verleent op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing het religieuze huwelijk of het niet-confessionele huwelijk opzettelijk voltrekt vóór de voltrekking van het burgerlijk huwelijk.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Afdeling 9. Algemene bepaling
Art. 643. Strafuitsluitende verschoningsgrond
De gedragingen in dit hoofdstuk worden niet bestraft indien de persoon met een openbare functie die een niet-manifest onrechtmatig bevel uitvoert, heeft gehandeld op bevel van zijn meerderen, in zaken die tot hun bevoegdheid behoren en waarin hij zijn meerderen als ondergeschikte gehoorzaamheid verschuldigd was.