De theorie van de versterkte toestemming: inhoud en draagwijdte
De theorie van de versterkte toestemming vertrekt van de klassieke opvatting dat de geestelijke gezondheid die vereist is om een testament te maken (of een schenking onder levenden te doen), zwaarder wordt beoordeeld dan de wilsbekwaamheid vereist voor andere rechtshandelingen, met name deze onder bezwarende titel. Deze opvatting vindt oorsprong in artikel 901 van het oud Burgerlijk Wetboek, dat expliciet bepaalt dat men “gezond van geest” moet zijn om te kunnen testeren of schenken.
In de rechtspraak en rechtsleer wordt hieruit vaak afgeleid dat de toestemming van een testator of schenker niet alleen vrij en bewust moet zijn – zoals voor elke rechtshandeling vereist – maar bovendien in een verhoogde graad van helderheid moet worden gegeven. De wil moet niet enkel aanwezig zijn, maar ook bijzonder “vrij” en “bewust” zijn geformuleerd. Deze verzwaarde beoordelingsnorm kreeg in de literatuur de naam theorie van de versterkte toestemming. Ze werd o.m. verdedigd door auteurs zoals H. Casman en J. Bael, en ook door het hof van beroep te Brussel, dat in een arrest van 19 december 2001 benadrukte dat de rechter bijzondere aandacht moet schenken aan factoren die de wil van de testator zouden kunnen beïnvloeden.
Deze leer werd gerechtvaardigd door het argument dat testamenten en schenkingen – als eenzijdige, vaak onherroepelijke rechtshandelingen zonder tegenprestatie – een bijzonder risico inhouden op misbruik van kwetsbare personen. Om deze reden zouden zij slechts geldig kunnen zijn als zij voortkomen uit een bijzonder duidelijke en stabiele wilsvorming.
De kritiek van F. Swennen: een juridisch misverstand
Tegen deze leer formuleert F. Swennen scherpe kritiek, die hij uitwerkt in zijn proefschrift en in diverse publicaties. Hij noemt de theorie van de versterkte toestemming een hardnekkig juridisch misverstand en voert vier inhoudelijke argumenten aan die de klassieke interpretatie fundamenteel ondergraven.
1. Verwarring tussen ontvankelijkheidsvereisten en wilsvoorwaarden
Swennen toont aan dat het vermeende onderscheid tussen testamentaire handelingen en handelingen onder bezwarende titel voortkomt uit een verkeerde lezing van de voorbereidingswerken van de Code civil. Daarin werd oorspronkelijk een tweede lid voorzien in artikel 901 oud BW - 4.136 (nieuw) BW, dat verwees naar artikel 504 oud BW. Dit artikel stelt dat een rechtshandeling slechts post mortem kan worden betwist wegens krankzinnigheid als er vóór het overlijden een onbekwaamverklaring werd uitgesproken of gevorderd, tenzij de krankzinnigheid uit de akte zelf blijkt.
Doordat deze verwijzing uiteindelijk werd geschrapt uit artikel 901 oud. BW - 4.136 (nieuw) BW, leidde men foutief af dat het eenvoudiger was om een schenking of testament aan te vechten dan een rechtshandeling onder bezwarende titel. Volgens Swennen heeft men hierbij een ontvankelijkheidsvoorwaarde (voor de betwisting van een akte) verward met een inhoudelijke geldigheidsvoorwaarde (voor de totstandkoming ervan). Het gevolg was dat men – ten onrechte – ging veronderstellen dat een gift slechts geldig kan zijn bij een “sterker” bewustzijn dan een contract.
2. Verwarring tussen 'wil' en 'toestemming'
Swennen wijst ook op een conceptuele verwarring tussen het begrip 'wil' en 'toestemming'. Volgens hem is toestemming het eindresultaat van een wilsvormingsproces. Wanneer dat proces gebreken vertoont – bijvoorbeeld door aantasting van het verstandelijk vermogen of beoordelingsvermogen – ontbreekt de toestemming, zelfs als er formeel nog een wilsuiting is.
De klassieke doctrine veronderstelt daarentegen dat bij contracten de toestemming pas ontbreekt bij volledige afwezigheid van wil, en dat men bij giften en testamenten reeds bij elke verzwakking kan spreken van ongeldig gevormde wil. Swennen verwerpt deze tweedeling. Volgens hem geldt voor élke rechtshandeling: als het proces van wilsvorming zodanig is verstoord dat de persoon de draagwijdte van zijn handeling niet begrijpt, dan ontbreekt geldige toestemming. Er is dus geen behoefte aan een aparte – en strengere – toestemmingsvoorwaarde voor giften of testamenten.
3. Waarderingsverschillen zijn niet gelijk aan rechtsnormen
Een derde kritiekpunt van Swennen is dat men de waardering door de rechter van de feiten (bijvoorbeeld: de gift verdient striktere controle omdat er geen tegenprestatie is) onterecht verwart met een juridische regel over de inhoud van de toestemming. De rechter mag – en zal – inderdaad kritischer staan tegenover eenzijdige handelingen zoals giften, maar dat impliceert niet dat het vereiste toestemmingsniveau juridisch hoger ligt. Het verschil ligt in de bewijswaardering, niet in de norm zelf.
4. Weinig praktische toepassing van de theorie in de rechtspraak
Swennen merkt ten slotte op dat, hoewel de leer van de versterkte toestemming veelvuldig wordt geciteerd, zij in de praktijk zelden tot toepassing komt. Uit analyse van de rechtspraak blijkt dat rechtbanken meestal terughoudend zijn om testamenten te vernietigen, zelfs in omstandigheden van ouderdom, ziekte of psychische problematiek. Volgens hem is de leer van de versterkte toestemming dus meer een doctrinaire reflex dan een werkelijke juridische realiteit.
Besluit: de versterkte controle in plaats van de versterkte toestemming
Swennen pleit ervoor om de focus te verleggen van het concept versterkte toestemming naar versterkte controle. Niet de testator moet aan een zwaardere norm voldoen, maar de rechter moet – terecht – meer omzichtigheid aan de dag leggen bij de beoordeling van de geldigheid van testamenten en giften. Dit houdt in dat hij ruimer onderzoek kan doen naar de omstandigheden van het testeren en dat vermoedens van ongezondheid van geest (zoals een gewoonlijke krankzinnigheid) tot een omkering van de bewijslast kunnen leiden.
De geldigheidsvoorwaarde blijft echter dezelfde als voor elke rechtshandeling: een vrije, bewuste en voldoende geïnformeerde toestemming. Er is geen aparte, hogere maatstaf voor uiterste wilsbeschikkingen.
Bronnen: zie hierna geciteerde rechtsleer