Wie kan de verjaring inroepen en wanneer mag de rechter ze ambtshalve toepassen?
1. Algemeen uitgangspunt: verjaring is een persoonlijk verweermiddel
Traditioneel gold – zoals verankerd in het vroegere artikel 2223 BW – dat de bevrijdende verjaring geen automatische werking heeft. Zij moest door de schuldenaar zelf (of diens rechtsopvolgers) worden ingeroepen. De schuldeiser hoefde een mogelijk verjaarde schuld niet spontaan mee te delen, en de rechter mocht de verjaring niet ambtshalve toepassen, behalve wanneer een bijzondere wetsbepaling dat verplicht stelde (zoals in domeinen van openbare orde, bv. bepaalde fiscale materies).
Het ging dus steeds om een persoonlijk verweermiddel, dat enkel effect sorteerde tussen de betrokken partijen en uitsluitend wanneer de bevoegde partij het daadwerkelijk inriep.
2. Evolutie in de rechtspraak: beperkte openingen
Hoewel dit verbod op ambtshalve toepassing lange tijd absoluut werd geïnterpreteerd, bracht de rechtspraak nuance. Het Hof van Cassatie heeft in een recent arrest bevestigd dat de rechter wél verplicht is om de toepasselijke rechtsregels ambtshalve toe te passen op de feiten die een partij zelf heeft opgeworpen ter staving van haar verweer.
Wanneer een partij uitdrukkelijk een feitelijk element aanvoert waaruit blijkt dat de vordering vermoedelijk verjaard is – bijvoorbeeld door te benadrukken dat de vordering “erg oud” is of reeds lange tijd niet werd uitgeoefend – kan de rechter in uitzonderlijke omstandigheden oordelen dat dit impliciet een beroep op verjaring inhoudt.
Dit blijft evenwel een uitzondering: het uitgangspunt dat verjaring door de schuldenaar moet worden ingeroepen, bleef tot voor kort strikt overeind.
3. Wettelijke doorbraak sinds 1 oktober 2024: ambtshalve toepassing in consumenteninvorderingen
Met de wet van 15 mei 2024, in werking sinds 1 oktober 2024, heeft de wetgever een belangrijke uitzondering ingevoerd.
In procedures waarin een onderneming (art. I.1, eerste lid, 1° WER) een geldschuld invordert van een consument (art. I.1, eerste lid, 2° WER), kan de rechter de verjaring voortaan ambtshalve opwerpen.
Dit betekent dat:
-
• de consument niet langer zelf het initiatief moet nemen om de verjaring op te werpen;
-
• de rechter verplicht is te waken over de eventuele verjaring van de ingestelde geldvordering;
-
• deze regeling consumenten beschermt die niet altijd juridisch worden bijgestaan.
Het fundamentele principe blijft bestaan in alle andere situaties: buiten deze specifieke consumentencontext moet de partij die voordeel haalt uit de verjaring het middel nog steeds zelf inroepen.
4. Wie kan zich op verjaring beroepen?
Het recht om de verjaring in te roepen blijft in essentie toekomen aan:
-
• de schuldenaar, tegen wie de vordering wordt ingesteld;
-
• diens rechtsopvolgers, zowel onder algemene als bijzondere titel;
-
• derden die een afgeleid recht hebben dat rechtstreeks afhankelijk is van de hoofdschuld (zoals een borg).
Bij overdracht van een schuldvordering gaat het voordeel van de lopende verjaring mee over: de cessionaris verkrijgt de vordering in de staat waarin zij zich bevindt, inclusief een geheel of gedeeltelijk voltooide verjaring.
5. Tegen wie werkt de verjaring?
De verjaring kan worden tegengeworpen aan:
-
• de schuldeiser die de vordering instelt, en
-
• diens rechtsopvolgers, die de vordering eveneens slechts verkrijgen in de staat waarin zij zich bevindt.
De werking tegenover derden blijft beperkt: zij kunnen zich niet op de verjaring beroepen tenzij zij een eigen, afgeleid recht hebben met betrekking tot de verjaarde schuld (bv. borg, erfgenaam).
6. Persoonlijk en relatief karakter van de verjaring
De bevrijdende verjaring blijft in de kern een persoonlijk verweermiddel. Zij doet het recht niet objectief uitdoven, maar maakt de vordering enkel onafdwingbaar tegenover de partij die ze inroept.
Dit verklaart waarom verjaring traditioneel niet ambtshalve werd toegepast en waarom de nieuwe mogelijkheid tot ambtshalve optreden beperkt blijft tot een welomschreven consumentenbeschermingscontext.
FAQ
Kan de rechter de verjaring ambtshalve toepassen?
In beginsel niet. Verjaring is een verweermiddel dat door de schuldenaar zelf moet worden opgeworpen. De rechter mag het middel niet uit eigen beweging toepassen, tenzij een bijzondere wetsbepaling dit oplegt. De rechtspraak heeft echter bevestigd dat de rechter in uitzonderlijke gevallen rekening moet houden met feiten die een partij zelf heeft aangevoerd en waaruit duidelijk blijkt dat ze de verjaring wenst op te werpen, ook al werd dit niet met zoveel woorden gezegd. Sinds 1 oktober 2024 geldt bovendien een belangrijke uitzondering: wanneer een onderneming een geldschuld invordert van een consument, moet de rechter ambtshalve nagaan of de vordering mogelijk verjaard is.
Wat is het algemene principe over het inroepen van verjaring?
Verjaring werkt niet automatisch. Zij moet door de partij die er belang bij heeft uitdrukkelijk of stilzwijgend worden ingeroepen. Het blijft een persoonlijk verweermiddel dat enkel effect sorteert tussen de betrokken partijen en pas toepassing vindt wanneer een gerechtigde ze daadwerkelijk opwerpt.
Wie kan zich op verjaring beroepen?
Het recht om verjaring in te roepen komt toe aan de schuldenaar en aan zijn rechtsopvolgers onder algemene of bijzondere titel. Ook derden met een afgeleid recht dat rechtstreeks verbonden is met de hoofdschuld, zoals een borg, kunnen zich beroepen op de verjaring. Wie een schuld of een vordering overneemt, neemt ook de lopende verjaring over en staat in dezelfde positie als de vorige titularis.
Moet een schuldenaar de verjaring altijd uitdrukkelijk vermelden?
Nee. De verjaring kan ook impliciet worden opgeworpen door feiten of omstandigheden aan te halen waaruit blijkt dat de vordering oud of lang onaangeroerd is gebleven. De rechter moet deze aangebrachte feiten aan de toepasselijke rechtsregels toetsen. Dit blijft wel een uitzondering op het uitgangspunt dat verjaring in principe uitdrukkelijk moet worden ingeroepen.
Kan een consument rekenen op de bescherming dat de rechter de verjaring zelf onderzoekt?
Ja. Sinds 1 oktober 2024 heeft de rechter in invorderingsprocedures door ondernemingen tegen consumenten de plicht om ambtshalve te onderzoeken of de vordering niet verjaard is. Dit biedt een bijkomende bescherming voor consumenten die vaak zonder juridische bijstand procederen.
Kan een borg of medeschuldenaar de verjaring inroepen?
Een borg kan zich beroepen op de verjaring van de hoofdschuld, omdat de beëindiging van de hoofdschuld zijn eigen verplichting beïnvloedt. Bij hoofdelijke medeschuldenaren werkt de verjaring in beginsel enkel ten voordele van degene die ze effectief opwerpt, tenzij de wet uitdrukkelijk een verdergaande werking voorziet.
Tegen wie kan de verjaring worden tegengeworpen?
Verjaring kan worden tegengeworpen aan de schuldeiser die de vordering instelt en aan zijn rechtsopvolgers. Bij overdracht van een vordering verwerft de nieuwe schuldeiser deze in de staat waarin zij zich bevindt, zodat een aangevangen of voltooide verjaring ook tegen hem kan worden ingeroepen.
Geldt verjaring tegenover derden?
In principe niet. De werking van verjaring is beperkt tot de partijen van de betrokken rechtsverhouding. Derden kunnen zich enkel op verjaring beroepen wanneer zij een eigen afgeleid recht hebben dat onlosmakelijk verbonden is met de verjaarde schuld, zoals bij een borg of erfgenaam.
Kan een schuldenaar afstand doen van de verjaring?
Dat kan, maar uitsluitend nadat de verjaring volledig is voltooid. Een afstand vóór voltooiing is ongeldig. De afstand kan uitdrukkelijk of stilzwijgend gebeuren, bijvoorbeeld door een schulderkenning of een gedeeltelijke betaling.
Betekent verjaring dat de schuld definitief verdwijnt?
Nee. De schuld blijft bestaan als vermogensrechtelijk gegeven, maar wordt niet langer afdwingbaar tegenover de partij die zich met succes op de verjaring beroept. Dit onderstreept het persoonlijke en relatieve karakter van de verjaring.