Over de rol van de rechter in de scheiding der machten
De klassieke stelregel “Judicis est jus dicere, non dare” – het is aan de rechter om het recht te spreken, niet om het te geven – vormt een van de oudste en zuiverste uitdrukkingen van de scheiding der machten. Zij herinnert eraan dat de rechter niet de wetgever is, maar de wet toepast. Toch blijkt in de praktijk dat deze grens zelden scherp te trekken valt.
De uitdrukking gaat terug op het Romeinse recht, waarin de rechter enkel moest vaststellen welk recht van toepassing was op de voorgelegde feiten. De wet was het uitgangspunt, niet het eindpunt van interpretatie. De rechter had geen scheppende macht: jus dicere (het recht uitspreken) stond tegenover jus dare (het recht geven of maken). Deze gedachte werd hernomen door de Franse revolutionairen, die met wantrouwen keken naar de rechterlijke macht van het Ancien Régime. De rechter mocht niet langer “recht maken”, maar moest enkel de wil van de wetgever uitvoeren. Montesquieu’s leer van de scheiding der machten kreeg er haar institutionele verankering.
In de hedendaagse rechtsstaat is die klassieke opvatting niet langer houdbaar in haar absolute vorm. De wetgever kan onmogelijk alle situaties voorzien; het recht is vaak onvolledig, vaag of tegenstrijdig. De rechter wordt daardoor onvermijdelijk mede-vormgever van het recht. Interpretatie, aanvulling en zelfs correctie van de wet zijn dagelijkse praktijk. Het grondwettelijk beginsel van de machtenscheiding blijft echter leidend: de rechter mag enkel oordelen binnen het kader van de wet. Waar hij de leemte vult, moet hij zich beroepen op algemene rechtsbeginselen, redelijkheid en billijkheid — niet op persoonlijke overtuiging of beleidskeuze.
De kritiek op “rechterlijk activisme” grijpt vaak terug naar deze stelregel. Wanneer rechters rechtsbeginselen expansief toepassen of een wet “conform” interpreteren om haar te redden van ongrondwettigheid, rijst de vraag of zij het recht nog spreken of het eerder maken. Ook in België duikt dit debat op in dossiers waar de wetgever nalaat te handelen, bijvoorbeeld inzake milieubescherming, mensenrechten of sociaal-economische hervormingen. Rechters worden dan aangesproken om via interpretatie of veroordeling de overheid tot actie te bewegen. Men spreekt dan van een “rechterlijke substitutie van de wetgever”. Toch moet worden erkend dat een volledig terughoudende rechter evenzeer het evenwicht kan verstoren: waar de wet zwijgt, heeft de burger recht op rechtsbescherming. De rechter die weigert te oordelen omdat de wet onduidelijk is, miskent dat ook dit een machtsuitoefening is — zij het door omissie.
De hedendaagse rechtsorde vraagt dus om een evenwicht: de rechter moet interpreteren zonder te usurperen. Hij mag het recht laten evolueren, maar niet herscheppen naar eigen inzicht. De grens ligt waar interpretatie ophoudt en normcreatie begint. De legitimiteit van de rechter rust niet op democratische verkiezing, maar op rechtsredelijkheid: de zorgvuldige, transparante en verantwoorde toepassing van rechtsnormen op concrete feiten. Elke uitspraak is een moment van evenwicht tussen wet, recht en billijkheid.
Judicis est jus dicere, non dare is meer dan een historische spreuk; het is een blijvende waarschuwing tegen rechterlijk moralisme én tegen wetgevend stilzwijgen. De rechtsstaat vraagt niet dat rechters passief blijven, maar dat zij zich bewust zijn van hun grondwettelijke rol: dienaren van het recht, niet scheppers ervan.