Bij de ontbinding van een huwelijk op grond van onherstelbare ontwrichting wordt het gemeenschappelijk vermogen vastgesteld op de zogenaamde peildatum of refertedatum — de datum van de eerste inleidende eis. Op dat ogenblik wordt bepaald welke goederen tot het gemeenschappelijk vermogen behoren en welke tot het eigen vermogen van elk van de echtgenoten. De waardering van die goederen gebeurt daarentegen op het moment van de verdeling.
Tussen beide data bevindt men zich in de fase van de postcommunautaire onverdeeldheid. De vroegere gemeenschap is dan ontbonden, maar de goederen zijn nog niet verdeeld. Ze vallen niet langer onder de regels van het huwelijksvermogensrecht, maar onder die van de gewone onverdeeldheid. Tijdens deze periode moeten inkomsten en uitgaven met betrekking tot de onverdeelde goederen in principe worden verrekend via de beheersrekening.
Een delicaat punt ontstaat wanneer één van de voormalige echtgenoten tijdens deze postcommunautaire periode de waarde van een gemeenschappelijk goed verhoogt door eigen arbeid of inspanningen. Denk bijvoorbeeld aan het verder uitbaten van een onderneming, het verbeteren van een handelszaak of het ontwikkelen van een project dat tot een aanzienlijke meerwaarde leidt.
De vraag rijst dan of die meerwaarde volledig gemeenschappelijk is of mag worden behouden door de echtgenoot die ze met eigen werk heeft gecreëerd. Het klassieke uitgangspunt is dat alle goederen worden gewaardeerd op de datum van de verdeling, zodat ook de latere meerwaarde in beginsel gemeenschappelijk is. Toch laat de rechtspraak soms ruimte voor nuance wanneer blijkt dat de toename uitsluitend te danken is aan het persoonlijk werk, de bekwaamheid of de investeringen van één van de betrokkenen, en niet aan het oorspronkelijke gemeenschappelijke vermogen.
In zulke gevallen kan het billijk zijn dat de meerwaarde bij diegene blijft die ze door eigen inspanningen heeft gerealiseerd, vooral wanneer beide partijen hun activiteiten en inkomsten strikt gescheiden hebben gehouden en er geen aanspraak wordt gemaakt op verrekening via de beheersrekening.
Er bestaat dus geen absolute regel. In de meeste gevallen blijft “betalen voor eigen zweet” de norm, maar uitzonderingen zijn mogelijk wanneer de concrete omstandigheden aantonen dat de meerwaarde uitsluitend voortvloeit uit persoonlijk werk na het einde van het gemeenschappelijk stelsel.