Artikel 1410, § 2 Gerechtelijk wetboek , somt de inkomsten op die volledig onbeslagbaar zijn en dus volledig aan verhaal door schuldeisers ontsnappen. Het gaat om inkomsten die in hoofdzaak worden toegekend aan personen in sociaal of financieel kwetsbare situaties. Voor deze inkomsten wordt de verhaalsuitoefening volledig uitgeschakeld: de schuldeiser kan er geen enkel deel van opeisen. Het betreft onder meer gezinsbijslagen, wezenpensioenen en -rentes, tegemoetkomingen voor personen met een handicap, terugbetalingen van medische kosten, het gewaarborgd inkomen voor ouderen, het leefloon, de financiële steun van het OCMW, de uitkering voorzien voor zelfstandigen bij faillissement, en vergoedingen die verband houden met protheses, medische hulpmiddelen en implantaten. Ook de tussenkomst van het Asbestfonds, de vergoedingen voor vrijwilligers, en de prestaties uit het Covid-19-fonds voor vrijwilligers vallen hieronder. Daarnaast worden maaltijdcheques eveneens als volledig onbeslagbaar beschouwd wanneer zij voldoen aan de voorwaarden van het uitvoeringsbesluit dat bepaalt dat zij niet als inkomsten worden aangemerkt.
De volledige onbeslagbaarheid kent echter een uitzondering wanneer een sociale zekerheidsinstelling vaststelt dat een uitkering ten onrechte is uitbetaald. In dat geval kan de instelling op grond van artikel 1410, § 4, tot tien procent van latere uitkeringen inhouden om de foutieve betalingen te recupereren. Indien de onverschuldigde betaling het gevolg is van fraude, mag de inhouding zelfs oplopen tot de volledige uitkering.
Het artikel geeft dus een sterk beschermingsregime dat tot doel heeft het bestaansminimum van de meest kwetsbare personen onaantastbaar te houden, maar met ruimte voor correctie wanneer sociale uitkeringen ten onrechte werden toegekend.
Hier volgt de volledige, letterlijke opsomming van alle soorten inkomsten die volgens het opgeladen artikel volledig onbeslagbaar zijn.
Volledig onbeslagbare inkomsten (artikel 1410, § 2):
-
• de kinderbijslag en andere gezinsbijslagen;
-
• de pensioenen en rentes voor wezen;
-
• de toelagen en tegemoetkomingen voor personen met een handicap;
-
• de terugbetalingen van gezondheidszorg;
-
• de sommen betaald als gewaarborgd inkomen voor bejaarden;
-
• de sommen betaald als leefloon (revenu d’intégration sociale);
-
• de sommen betaald als sociale bijstand door een OCMW;
-
• de prestatie bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 dat een sociale verzekering instelt voor zelfstandigen bij faillissement en daarmee gelijkgestelden;
-
• de indemniteiten, provisioneel of niet, die betrekking hebben op prothesen, medische hulpmiddelen en implantaten;
-
• de sommen bedoeld in artikel 120 van de programmawet (I) van 27 december 2006, uitgekeerd door het Fonds voor de schadeloosstelling van slachtoffers van asbest;
-
• de kostenvergoedingen bedoeld in artikel 10 van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers;
-
• de sommen bedoeld in de artikelen 15 en 16 van het koninklijk besluit nr. 22 van 4 juni 2020, waarbij een Fonds voor de schadeloosstelling van vrijwilligers die slachtoffer werden van Covid-19 wordt opgericht;
-
• de maaltijdcheques, voor zover zij voldoen aan de voorwaarden van artikel 19bis, § 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969, waardoor zij niet als inkomen worden beschouwd.
Share