Wanneer een schuldenaar meerdere inkomstenbronnen heeft, bepaalt het gerechtelijk recht dat deze inkomsten moeten worden samengevoegd om de beslagbare of overdraagbare gedeeltes correct te berekenen. Artikel 1411 van het Gerechtelijk Wetboek legt deze verplichting tot cumulatie vast en vormt een essentieel instrument om te vermijden dat een schuldenaar door middel van gespreide inkomsten een grotere bescherming zou genieten dan de wet bedoelt.
Artikel 1411 bepaalt dat wanneer een persoon tegelijk inkomsten ontvangt die vallen onder artikel 1409 en inkomsten zoals pensioenen, premies, toelagen, vergoedingen of renten bedoeld in artikel 1410, die bedragen moeten worden opgeteld om vervolgens één enkele berekening uit te voeren van de beslagbare schijf overeenkomstig artikel 1409. Vooraleer deze berekening wordt toegepast, moeten van alle inkomsten de wettelijke inhoudingen worden afgetrokken, waaronder fiscale en sociale zekerheidsbijdragen en bijdragen voortvloeiend uit conventionele aanvullende sociale zekerheidsregelingen.
Twee scenario’s kunnen zich voordoen. In het eerste geval worden inkomsten van dezelfde categorie gecumuleerd. Zij worden eenvoudigweg opgeteld, waarna het toepasselijke beschermingsregime op het totale bedrag wordt toegepast. In het tweede geval gaat het om inkomsten van verschillende categorieën. Dan wordt het volledige bedrag ondergebracht onder het beschermingsregime voor beroepsinkomsten, zoals bepaald in artikel 1409, § 1. Het stelsel voor inkomsten uit arbeid geldt dan voor alle inkomsten samen, ongeacht hun oorspronkelijke aard.
De praktijk toont aan dat de cumulatieregel soms moeilijk toepasbaar is, vooral wanneer de verschillende inkomsten door verschillende instanties worden uitbetaald. Het Wetboek geeft hierover geen procedurele aanwijzingen. In de praktijk komt het erop neer dat de betrokken sociale secretariaten contact met elkaar opnemen om de totale inkomsten te berekenen. Wanneer die afstemming niet plaatsvindt, wordt de gerechtsdeurwaarder doorgaans per maand geïnformeerd over de uitbetaalde bedragen, waarna hij zelf de cumulatie en berekening uitvoert en de betrokken instanties uitnodigt het beslagbare deel over te maken.
Een bijzondere situatie doet zich voor wanneer er beslag wordt gelegd op zowel de gewone inkomsten als op het vakantiegeld dat wordt uitbetaald via de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie. Omdat vakantiegeld een professioneel inkomen is zoals voorzien in artikel 1409, wordt het eveneens opgenomen in de cumulatie. De Rijksdienst berekent in dat verband eerst het maandelijkse equivalent van het vakantiegeld door het totale bedrag door twaalf te delen en telt dit vervolgens bij het maandloon. Indien uit de optelling blijkt dat de grens van de onbeslagbare schijf wordt overschreden, stort de dienst in één keer het totale beslagbare deel aan de instrumenterende gerechtsdeurwaarder.
Voor het dertiende maand geldt een afwijkende regel. Dit voordeel wordt volledig beschouwd als een aanvullend financieel voordeel bovenop het loon, zodat geen insaisissabiliteitsregels worden toegepast. Het volledige bedrag van de dertiende maand is dus volledig vatbaar voor beslag en wordt integraal doorgestort aan de gerechtsdeurwaarder.
De cumulatieregel van artikel 1411 vormt zo een cruciale techniek om ervoor te zorgen dat de bescherming van het bestaansminimum correct en uniform gebeurt, ongeacht de aard of de spreiding van de inkomsten. Hierdoor kan de beslagbare schijf altijd worden bepaald op basis van de reële economische situatie van de schuldenaar.
Hoewel de wettelijke regels duidelijk zijn, blijkt de uitwerking in de praktijk vaak problematisch. Het cumulatiemechanisme veronderstelt dat alle uitbetalende instanties een volledig zicht hebben op de inkomsten die elders worden uitgekeerd. In werkelijkheid is dat zelden het geval.
Veel schuldenaars ontvangen inkomsten via meerdere werkgevers, verschillende sociale secretariaten of verschillende instellingen (bijvoorbeeld een werkgever én een uitbetalingsinstelling van een sociale uitkering). Wanneer deze instanties niet op de hoogte zijn van elkaars betalingen, wordt de cumulatie niet of slechts onvolledig uitgevoerd.
Dit leidt tot een reëel risico dat een schuldenaar:
-
• een deel van de beslagbare inkomsten aan verhaal laat ontsnappen,
-
• boven de beschermingsgrenzen uitkomt zonder dat dit wordt opgemerkt,
-
• of per inkomstenbron afzonderlijk onder de beslagdrempels blijft, terwijl het totale inkomen hoger ligt.
De wet legt geen informatieplicht op tussen uitbetalende instanties, en ook de gerechtsdeurwaarder beschikt niet altijd over volledige gegevens. Het resultaat is dat de cumulatieregel in de praktijk niet altijd effectief is en dat schuldeisers hierdoor soms aanzienlijke bedragen mislopen, terwijl schuldenaars met gespreide inkomsten ongewild of doelbewust een gunstiger positie kunnen innemen dan de wet beoogt.