De eerste stap in het totstandkomingsproces van een consumentenkrediet bestaat uit het verzamelen van de informatie die noodzakelijk is om de kredietwaardigheid van de consument en eventuele persoonlijke zekerheidsstellers te beoordelen. zie Art. VII.69. WER. Deze fase vormt de fundamentlaag van het hele beschermingssysteem: een correcte kredietwaardigheidsbeoordeling kan enkel gebeuren wanneer de kredietgever beschikt over volledige, relevante en accurate gegevens. De wetgever heeft deze fase daarom strikt gereglementeerd via een combinatie van inhoudelijke beperkingen, vormvereisten en bewaarplichten.
1. De omvang en grenzen van de informatieverzameling
De informatieverplichting van de consument is ingebed in een evenwicht tussen enerzijds de noodzaak om voldoende gegevens te verzamelen en anderzijds de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De kredietgever mag enkel die gegevens opvragen die hij noodzakelijk acht voor de beoordeling van de financiële situatie en terugbetalingsmogelijkheden. De noodzaakstoets impliceert een proportionaliteitsvereiste: informatie die geen materieel verband houdt met het terugbetalingsrisico mag niet worden gevraagd.
Daarbovenop geldt een absolute beperking: bepaalde categorieën van gevoelige persoonsgegevens mogen nooit worden opgevraagd, ongeacht de context of medewerking van de consument. Het gaat om informatie betreffende ras of etnische afstamming, seksuele geaardheid of gedrag, gezondheid, politieke en levensbeschouwelijke overtuigingen, religie, en lidmaatschap van een vakbond of ziekenfonds. Dit verbod sluit aan bij het Europese gegevensbeschermingsrecht en bevestigt dat kredietwaardigheid niet mag worden gekoppeld aan persoonskenmerken die geen verband houden met financiële draagkracht.
2. De verplichting tot juiste en volledige antwoorden
De wetgever legt een duidelijke wederkerige verplichting op: de consument en de zekerheidssteller moeten niet alleen antwoorden, maar moeten dit doen op correcte en volledige wijze. Dit creëert een quasi-contractuele medewerkingsplicht voorafgaand aan het sluiten van de kredietovereenkomst. De draagwijdte van deze verplichting is groot, omdat onjuiste of onvolledige informatie zowel aansprakelijkheidsrechtelijke gevolgen als gevolgen voor de geldigheid en uitvoering van het krediet kan hebben. Deze verplichting ondersteunt ook het latere onderzoek door de kredietgever (zoals de verplichte raadpleging van de Centrale).
3. De formele verplichting tot gebruik van een vragenlijst
Het vragen van inlichtingen moet gebeuren via een gestructureerd aanvraag- of informatieformulier in de vorm van een vragenlijst. Deze formaliteit vervult meerdere functies:
-
Transparantie: de consument krijgt duidelijk zicht op de aard van de opgevraagde gegevens.
-
Uniformiteit: kredietgevers worden gedwongen tot een geharmoniseerde en controleerbare werkwijze.
-
Bewijsfunctie: het formulier dient als bewijsstuk bij betwisting over de verstrekte informatie.
Het formulier moet minstens betrekking hebben op essentiële parameters zoals het doel van het krediet, het inkomen van de consument, het aantal personen ten laste, de lopende financiële verbintenissen, het aantal kredieten in omloop en het openstaand bedrag. Deze kernvariabelen zijn rechtstreeks relevant voor de inschatting van het terugbetalingsrisico.
Voor kredietbedragen boven een bepaalde drempel is voorzien dat de lijst kan worden aangevuld bij koninklijk besluit. Dit creëert flexibiliteit om bijkomende risicocriteria op te nemen.
4. Bewaarplicht van het formulier
De kredietgever moet het aanvraagformulier bewaren tot het opgenomen krediet volledig is terugbetaald. De bewaarplicht heeft twee functies:
-
Ex post controle: zowel toezichthouders als rechterlijke instanties kunnen nagaan of de kredietgever zijn verplichtingen is nagekomen.
-
Bescherming van de consument: bij geschillen over informatieverstrekking of misbruik kan het formulier aantonen welke gegevens werden gevraagd en verstrekt.
Deze bewaarplicht is een essentieel onderdeel van de bewijsstructuur rond consumentenkrediet.
5. Beperkte informatieverwerking en vertrouwelijkheid
De verstrekte informatie mag enkel worden meegedeeld aan en verwerkt door de personen die krachtens de regelgeving bevoegd zijn om een kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren, en eventueel de kredietbemiddelaar. Dit beperkt de gegevensstroom en vormt een bijkomende bescherming van de consument.
De verwijzing naar artikel VII.119 sluit aan bij het bredere gegevensverwerkingskader voor kredietverlening. De informatie kan dus niet vrij binnen een financiële groep worden gebruikt voor andere doeleinden zoals marketing, risicoprofilering of commerciële herbenuttingsstrategieën.
6. Afwijking voor kleine kredieten
Wanneer het kredietbedrag de drempel van 500 euro niet overschrijdt, geldt de verplichting tot gebruik van de vragenlijst niet. De wetgever erkent hiermee dat zeer kleine kredieten vaak een beperkt financieel risico inhouden en dat een vereenvoudigde procedure passend kan zijn. Dit betekent echter niet dat elke informatieverzameling wegvalt: enkel de vorm verplichting wordt opgeheven, terwijl de inhoudelijke verplichting om enkel noodzakelijke gegevens te vragen én om deze correct te verstrekken blijft gelden.
7. Functionele samenhang met de latere onderzoeksplichten
Deze fase staat niet los van de latere grondige kredietwaardigheidsbeoordeling door de kredietgever. De verzamelde gegevens vormen de basis voor het kredietdossier dat verplicht moet worden aangelegd en bijgehouden. De vragenlijst dient aldus niet alleen om de consument te informeren over zijn verplichtingen, maar fungeert ook als de eerste bouwsteen van de wettelijke documentatieplicht.