In het strafrecht zijn legaliteit en rechtszekerheid twee basisregels die samen horen. Ze bestaan om burgers te beschermen tegen willekeur.
Vroeger, in vroegere tijden, was strafrecht vaak onvoorspelbaar. Rechters konden op basis van vage regels of gewoontes zelf beslissen wat strafbaar was en welke straf passend leek. Dat zorgde voor onzekerheid en machtsmisbruik. Om dat te vermijden is het legaliteitsbeginsel ontstaan.
Het legaliteitsbeginsel betekent: alleen de wetgever (het parlement) mag bepalen wat strafbaar is en welke straf daarbij hoort. Een rechter mag dus niet zelf nieuwe misdrijven “uitvinden” of iemand straffen voor iets dat niet in de wet staat. Dat wordt vaak samengevat als: geen misdrijf en geen straf zonder wet.
Daarom moet de strafwet ook duidelijk zijn. De regels moeten zo precies mogelijk zijn, zodat iedereen kan weten waar de grens ligt. Je moet als burger kunnen inschatten: “Is dit strafbaar of niet?” en “Welke straf riskeer ik dan?” Dat noemt men soms de eis van duidelijkheid en voorspelbaarheid.
Rechtszekerheid betekent in het strafrecht dus vooral dit: je mag niet onverwacht vervolgd of gestraft worden op basis van onduidelijke of achteraf gemaakte regels. Strafrecht moet voorspelbaar zijn, zodat de overheid en rechters niet zomaar willekeurig kunnen optreden.
Share