Inleiding: internering als maatregel, maar ervaren als straf
Internering wordt in de leer en in de wetgeving voorgesteld als een beveiligingsmaatregel en niet als een straf. Het uitgangspunt is dat iemand die door een ernstige geestesstoornis zijn daden niet (volledig) kan beheersen én tegelijk een gevaar vormt voor de samenleving, niet in de eerste plaats moet worden gestraft maar moet worden beveiligd en behandeld. In die benadering ligt de legitimiteit van internering niet in vergelding, maar in bescherming van de maatschappij én herstel van de geestelijke gezondheid. Net daar blijkt de kernproblematiek te liggen: het systeem is conceptueel opgebouwd rond behandeling, maar functioneert in de praktijk vaak als vrijheidsberoving zonder behandeling.
De lege lata: een systeem dat zijn eigen rechtvaardiging ondergraaft
De actuele realiteit is dat een aanzienlijk deel van de geïnterneerden niet in een therapeutische setting verblijft, maar in het gevangeniswezen, doorgaans in afdelingen die bedoeld zijn voor geïnterneerden. Daardoor wordt internering voor de betrokkene nauwelijks te onderscheiden van een gevangenisstraf. Het verschil zit niet in de dagelijkse ervaring van opsluiting, maar hoogstens in de juridische etikettering. Het gevolg is dat een maatregel die bedoeld is als zorggerichte interventie de facto wordt uitgevoerd als een klassieke detentie.
Een fundamenteel element van de problematiek is dat internering vaak een onbepaalde duur heeft. De duur hangt niet af van de ernst van het gepleegde feit, maar van de evolutie van de stoornis en de inschatting van gevaarlijkheid. In theorie is dat logisch: de maatregel is immers niet bedoeld als straf, maar als beveiliging en behandeling. In praktijk wordt dit echter een bron van uitzichtloosheid. Wie geïnterneerd is, kan niet terugvallen op de zekerheid van een einddatum. Als daarbovenop geen effectieve therapie wordt aangeboden, wordt de maatregel niet alleen onbepaald, maar ook inhoudsloos: men blijft opgesloten om behandeld te worden, maar zonder behandeling blijft enkel de opsluiting over.
Het behandelingsdoel als juridisch kernpunt: opsluiting vraagt zorg
Internering is alleen verdedigbaar wanneer behandeling werkelijk beschikbaar is. Zodra de staat iemand voor onbepaalde tijd kan vasthouden omdat hij behandeling behoeft, ontstaat ook een sterke normatieve consequentie: er moet daadwerkelijk toegang zijn tot behandeling. Anders verandert internering in een soort “sanctie zonder strafrechtelijke logica”, waarin de nadelen van beide werelden worden gecombineerd: de harde realiteit van detentie én de open duur van een maatregel, zonder dat de therapiegerichte legitimatie wordt gerealiseerd.
Dat gebrek aan behandeling is niet uitsluitend te wijten aan individuele fouten of incidenten, maar aan een structureel tekort aan plaatsen en aangepaste zorg. Private psychiatrische instellingen zijn vaak terughoudend of weigeren opname van geïnterneerden, vooral wanneer het profiel als risicovol wordt ingeschat. Daardoor blijft de gevangenis in veel gevallen de eindbestemming, ook al is zij niet ontworpen als behandelomgeving. Initiatieven binnen de gevangenis kunnen ondersteuning bieden, maar zijn doorgaans niet van aard om de structurele therapeutische nood te dragen.
De ongelijke positie van geïnterneerden: bijzondere last zonder passende waarborg
Een paradox van het systeem is dat geïnterneerden soms slechter af zijn dan andere psychiatrische patiënten. In de gewone geestelijke gezondheidszorg bestaan mechanismen om opname af te dwingen wanneer dat noodzakelijk is. Voor geïnterneerden werkt dat veel minder, precies omdat zij als “delinquent” worden beschouwd en daardoor in de praktijk minder plaatsbaar zijn. Hun delictverleden wordt niet alleen een aanleiding voor internering, maar ook een factor die hun toegang tot zorg bemoeilijkt.
Daarmee ontstaat een ongemakkelijke spanning: het gepleegde feit blijft maatschappelijk de reden waarom men de internering “aanvaardbaar” vindt, maar hetzelfde feit verklaart tegelijk waarom men de geïnterneerde niet in zorginstellingen wil opnemen. Het delict fungeert dan als dubbele hefboom: als legitimatie om streng te zijn, én als argument om zorg niet te moeten realiseren. Zo ontstaat een systeem waarin de geïnterneerde tussen wal en schip valt.
Toerekeningsvatbaarheid als breeklijn: dogmatisch helder, praktisch onhoudbaar
Een onderliggende oorzaak is de klassieke tweedeling tussen toerekeningsvatbaar en ontoerekeningsvatbaar. In theorie is dat een elegant schema: wie toerekeningsvatbaar is, wordt gestraft; wie dat niet is, krijgt behandeling. In praktijk blijkt die breuklijn vaak kunstmatig. Verantwoordelijkheid en wilscontrole zijn geen zwart-witbegrippen. Er bestaan gradaties, mengvormen, fluctuaties en situaties waarin het onderscheid nauwelijks scherp kan worden gemaakt.
De gevangenispopulatie bevat bovendien veel personen met ernstige psychische problemen. Dat ondermijnt de gedachte dat “gewone veroordeelden” geen of minder behandeling nodig hebben. In die context wordt de toerekeningsvatbaarheid soms een symbolisch criterium dat de echte realiteit maskeert: een grote nood aan geestelijke gezondheidszorg binnen het strafrechtelijke systeem, ongeacht het etiket.
De lege ferenda: van binaire logica naar gradaties en uitvoerbaarheid
Een eerste hervormingsrichting bestaat erin rechtswaarborgen in te bouwen tegen de uitzichtloosheid van een maatregel zonder limiet. Een maximumduur – bijvoorbeeld gekoppeld aan de wettelijke strafmaat van het gepleegde feit – kan fungeren als minimale begrenzing. Dit betekent niet dat beveiliging of zorg wordt opgegeven, maar wel dat de maatregel niet langer een juridisch oneindige horizon heeft die in de praktijk verlammend werkt.
Een tweede, ingrijpender hervormingsrichting is het verlaten van de strikt binaire logica. In plaats van ofwel straf ofwel maatregel, kan men werken met combinaties en gradaties. Denk aan een systeem waarin de rechter een straf kan opleggen, maar tegelijk een zorg- of beveiligingsmaatregel kan koppelen wanneer de mentale toestand dat vereist. Een glijdende schaal laat toe om behandeling te voorzien zonder dat men moet doen alsof verantwoordelijkheid volledig afwezig is.
Nog verder gaat het idee dat de rechter in principe een uniforme sanctie uitspreekt op basis van het gepleegde feit, waarna de uitvoeringsfase het regime moduleert op basis van individuele noden, behandelbaarheid en risico. In zo’n model verschuift het zwaartepunt van het debat over toerekeningsvatbaarheid naar het niveau waar de informatie en de opvolging het rijkst zijn: de strafuitvoering. De uitvoerende rechter of instantie kan dan, op basis van opvolging en deskundigheid, geleidelijk bijsturen richting behandeling, beveiliging, modaliteiten of vrijlating.
De hervorming als opdracht: behandeling afdwingbaar maken
Welke hervormingsrichting men ook kiest, één criterium blijft doorslaggevend: behandeling moet een realiteit zijn, geen papieren doel. Het systeem kan pas coherent worden wanneer wie zorg nodig heeft die zorg ook daadwerkelijk krijgt. Dat vereist voldoende capaciteit, gespecialiseerde voorzieningen en een afdwingbare plaatsing. Zonder die pijlers blijft elke hervorming riskeren te stranden in hetzelfde patroon: een maatregel die op papier zorg beoogt, maar in praktijk opsluiting produceert.
Besluit: internering vraagt een eerlijker en werkbaarder model
Het huidige interneringsmodel is gebouwd op een menswaardig uitgangspunt, maar wordt in de uitvoering te vaak ontkracht. Internering verwordt dan tot detentie zonder behandeling, met een onbepaalde duur en een verhoogde kans op uitzichtloosheid. De toekomst vraagt een hervorming die niet enkel technisch sleutelt aan procedures, maar het model zelf realistischer maakt: met effectieve toegang tot zorg, betere rechtswaarborgen, en een systeem dat gradaties in verantwoordelijkheid durft erkennen. Alleen dan kan internering opnieuw beantwoorden aan haar eigen rechtvaardiging: beschermen door behandelen, en niet opsluiten bij gebrek aan zorg.
Addendum: het spagaat tussen maatschappelijke veiligheid en een juridisch onhoudbare praktijk
De internering wordt doorgaans verantwoord vanuit één kernargument: veiligheid. De maatschappij moet worden beschermd tegen personen die door een ernstige geestesstoornis gevaarlijk zijn en bij wie het risico op herval of escalatie reëel is. Dat veiligheidsargument is op zichzelf begrijpelijk en zelfs noodzakelijk binnen een rechtsstaat die burgers wil beschermen. Precies daarom is het zo problematisch dat de feitelijke uitvoering van de internering vaak uitmondt in een situatie die het veiligheidsdoel niet beter, maar juist slechter dient.
In de praktijk ontstaat een spagaat. Aan de ene kant staat de maatschappelijke roep om bescherming, die beleidsmatig vaak wordt vertaald in “niet loslaten”, “niet overdragen”, “niet riskeren”. Aan de andere kant bevindt zich de geïnterneerde die, juridisch gezien, niet in de gevangenis thuishoort als eindbestemming, maar in een therapeutisch traject. Wanneer dat traject uitblijft en de internering neerkomt op langdurige vrijheidsberoving zonder adequate zorg, wordt de maatregel innerlijk tegenstrijdig: hij wordt verdedigd als bescherming door behandeling, maar uitgevoerd als opsluiting zonder behandeling.
Dat spanningsveld is niet alleen ethisch ongemakkelijk, maar juridisch uiterst kwetsbaar. Een rechtsstaat kan vrijheidsbeneming slechts legitimeren wanneer zij steunt op een coherent doel en wanneer de modaliteiten van uitvoering in verhouding staan tot dat doel. Internering kan haar eigen legitimatie slechts behouden als de zorgcomponent daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Indien de staat iemand van vrijheid berooft omdat hij behandeling behoeft en gevaarlijk is, maar intussen geen volwaardige behandeling organiseert, valt de juridische grondslag weg. Het veiligheidsargument wordt dan een leeg etiket waarmee een onmenselijke situatie wordt bestendigd.
Daarbij komt dat de ellendige toestand waarin geïnterneerden vaak verkeren niet neutraal is. Ze veroorzaakt en versterkt psychische schade. De combinatie van onzekerheid over de duur, het ontbreken van perspectief, het verblijf in een detentieomgeving die niet therapeutisch is ingericht, en het stigma van “gevaarlijk” werkt ontwrichtend. Wie niet behandeld wordt, blijft niet stilstaan. Psychische problematiek verergert, copingmechanismen worden destructiever, en het functioneren holt achteruit. De internering produceert zo precies wat ze beweert te vermijden: een persoon die na verloop van tijd moeilijker behandelbaar wordt, meer ontregeld is, en risicovoller terugkeert naar de samenleving of onbepaalde tijd moet blijven vastzitten.
Het systeem creëert daardoor een pervers effect. Veiligheid wordt het argument om iemand opgesloten te houden, maar het gebrek aan behandeling maakt diezelfde persoon gevaarlijker of minstens minder stabiel. De praktijk boekt dus geen veiligheidswinst, maar stapelt veiligheidsrisico op, doordat ontregeling toeneemt in plaats van afneemt. De geïnterneerde wordt niet “beveiligd in afwachting van behandeling”, maar “beschadigd door opsluiting in plaats van behandeling”. Die schade is niet louter bijkomstig: ze is een structureel gevolg van het falen om therapie te realiseren.
Dit maakt de spagaat uiteindelijk juridisch niet verdedigbaar. Een systeem dat veiligheid claimt maar tegelijk voorspelbare psychische schade veroorzaakt, staat haaks op zijn eigen doel en op de minimumvereisten van menselijke waardigheid. Wanneer de staat een kwetsbare groep opsluit omdat zij zorg nodig heeft, is het recht precies bedoeld om te verhinderen dat die opsluiting ontaardt in verwaarlozing. Waar die verwaarlozing structureel wordt, is niet de geïnterneerde het probleem, maar het systeem.
Het echte antwoord op het spagaat is daarom niet “meer opsluiting” of “hardere regimes”, maar een beleid dat veiligheid en menswaardigheid opnieuw met elkaar verzoent. Dat kan slechts door de zorgcomponent afdwingbaar te maken en door de uitvoering zo te organiseren dat behandeling werkelijk plaatsvindt. Alleen dan wordt veiligheid geen slogan, maar een resultaat: wie behandeld wordt, stabiliseert, wordt beter inschatbaar, en kan verantwoord begeleid worden. Zonder behandeling daarentegen blijft internering een juridisch wankel bouwwerk: een maatregel die zichzelf tegenspreekt, en die de geïnterneerde niet alleen vasthoudt, maar ook verder breekt.
Wie een cliënt verdedigt die mogelijk geïnterneerd wordt, weet hoe dun het koord is. Eén verkeerde inschatting, één ontbrekend verslag of één te abstract pleidooi kan het verschil maken tussen een behandeltraject en een jarenlange, uitzichtloze opsluiting zonder therapie. Tegelijk mag het veiligheidsargument niet leiden tot een reflexmatige internering die de psychische toestand verder ondergraaft en het risico uiteindelijk verhoogt.
In deze verdere bijdrage op deze pagina bieden we een pragmatisch plan van aanpak dat advocaten, hulpverleners en cliënten houvast geeft in dossiers waar strafrecht en psychiatrie elkaar kruisen. Geen theorie om de theorie, maar een werkwijze die inzet op regie, uitvoerbaarheid en controleerbare oplossingen. Met een praktische checklist die scherp helpt beslissen: is het in dit dossier verstandig om internering te bepleiten, of is een alternatief traject juridisch én menselijk beter verdedigbaar en welke aanpak kan gevolgd voor cliënten die in een mensonwaardige uitzichtloze omstandigheid geïnterneerd blijven?
zie ook: www.elfri.be - Artikel - Internering